nr. 192
nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 9 april 2003
Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen
op 11 april 2003.
De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal
wordt onderworpen kan door of namens één van de Kamers of door
ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de
Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 11 mei 2003.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste
lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State
gehoord, heb ik de eer u hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen
het op 31 oktober 2002 te Tbilisi totstandgekomen verdrag tussen het Koninkrijk
der Nederlanden en Georgië inzake internationaal vervoer over de weg
(Trb. 2002, 214)1.
Een toelichtende nota bij het verdrag treft u eveneens hierbij aan.
De goedkeuring wordt alleen voor Nederland gevraagd.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
J. G. de Hoop Scheffer
TOELICHTENDE NOTA
1. Inleiding
Het onderhavige verdrag vervangt, voor wat de verhouding tussen ons land
en Georgië betreft, de op 26 november 1971 te Moskou gesloten Overeenkomst
tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Unie van Socialistische Sowjetrepublieken
betreffende het internationale vervoer over de weg (Trb. 1972, 3). De onderhandelingen
over het nieuwe wegvervoerverdrag vonden plaats op verzoek van de Georgische
autoriteiten.
De vervoersvolumes met Georgië zijn nog uiterst gering. Dit verdrag,
dat bijdraagt aan de harmonisatie van de regelgeving in het internationale
wegvervoer, is liberaal van karakter en past in het kader van het creëren
van een verbetering van de marktwerking en markttoegang.
De Europese Gemeenschap stelt zich actief op door een verdergaande vrijmaking
mogelijk te maken van het goederen-, personen- en dienstverkeer naar en van
Oost-Europa. Hierin speelt het transport een belangrijke rol en kan daarbij
dankbaar gebruik maken van de openingen die op deze markt geboden worden.
Hierbij kan verwezen worden naar de op 22 april 1996 te Brussel totstandgekomen
Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen
en hun Lid-Staten, enerzijds, en de Republiek Georgië, anderzijds (Trb.
1996, 190).
2. Het Verdrag
Het verdrag is gebaseerd op een modeltekst (document CEMT/CM (97)21 van
22 april 1997) die door de Europese Conferentie van Ministers van Vervoer
(CEMT) voor het wegvervoerverdrag is vastgesteld. Zowel Nederland als Georgië
zijn lid van de CEMT.
Het CEMT-model biedt de mogelijkheid om het bilateraal regime voor het
goederen- en personenvervoer over de weg meer in detail te regelen. Het onderhavige
verdrag is dan ook voor wat betreft tekst en definities uitgebreider dan de
wegvervoerverdragen die Nederland tot nog toe met de Midden- en Oost-Europese
landen heeft gesloten (zie laatstelijk het op 14 juni 2000 te Astana totstandgekomen
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kazachstan inzake
internationaal vervoer over de weg; Trb. 2000, 77 herdruk). Daarnaast bevat
het verdrag op basis van het CEMT-model de volgende elementen:
• de rechten en verplichtingen uit andere verdragen waar beide staten
partij bij zijn, blijven onverlet (artikel 1, tweede lid);
• de toepassing van het verdrag doet geen afbreuk aan de toepassing
door Nederland van het recht van de Europese Unie (artikel 1, derde lid);
• het regime voor het goederen- en personenvervoer over de weg (delen
II en III) is gericht op de integratie van de Europese vervoersmarkten.
In tegenstelling tot het CEMT-model wordt in het onderhavige verdrag uitsluitend
onderscheid gemaakt tussen «geregelde passagiersdienst» (regular
passenger services) en «ongeregelde dienst» (occasional services).
Voorts worden onder de in artikel 9, eerste lid, genoemde bijzondere belastingen
en heffingen verstaan uitsluitend bijzondere belastingen en/of heffingen van
lokale autoriteiten.
Voor het overige bevat het verdrag de op het gebied van het internationale
wegvervoer gebruikelijke bepalingen.
In dit verdrag is gekozen voor een instrumentarium waarmee gelijke tred
kan worden gehouden met de Europese vervoersontwikkelingen. De bevoegdheden
van de Gemengde Commissie maken een snelle en efficiënte
aanpassing aan bovengenoemde ontwikkelingen mogelijk. Immers, het is de Gemengde
Commissie die de markttoegangeisen bepaalt en deze eisen kan aanpassen aan
het gewenste niveau, zonder dat voor elke wijziging van het vervoerregime
een officiële wijziging van het verdrag nodig is. Alleen al uit een oogpunt
van tijdwinst is deze vorm zeer gewenst. Het verdrag heeft daarmee het karakter
gekregen van een kaderverdrag. Bovendien biedt dit verdrag de gelegenheid
aan beide landen om hun vervoersrelaties onderling af te stemmen.
De Gemengde Commissie zal, naast activiteiten ter regulering van de markt,
in haar werkzaamheden vooral het accent leggen op de uitvoering en de toepassing
van het verdrag. Vandaar dat, geheel in overeenstemming met de taken van de
Gemengde Commissies van de overige nieuwe wegvervoerverdragen, een ruime taakomschrijving
voor de Commissie is opgenomen. Voorzover datgene wat in de Gemengde Commissie
wordt overeengekomen krachtens de bevoegdheden die terzake aan de Commissie
op grond van artikel 14, vierde en vijfde lid, zijn gedelegeerd, volkenrechtelijke
rechten en verplichtingen voor beide staten in het leven roept, dienen de
betreffende regelingen te worden beschouwd als uitvoeringsverdragen die op
grond van artikel 7, onderdeel b, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking
verdragen geen parlementaire goedkeuring behoeven, behoudens het bepaalde
in artikel 8 van die Rijkswet.
In navolging van de bestaande bilaterale verdragen inzake het vervoer
over de weg tussen Nederland en de Midden- en Oost-Europese landen, zal ook
in dit verdrag uitgegaan worden van een vergunningenstelsel. De vergunningen
die worden uitgegeven worden gebruikt voor statistische doeleinden ten behoeve
van marktobservatie en indien noodzakelijk ook als instrument om het vervoer
op het gewenste niveau te houden, daaronder begrepen de mogelijkheid van inperking
van het vervoer. Dit laatste uiteraard uitsluitend indien het liberale regime
ongewenste effecten met zich brengt, zoals zich dat zal voordoen in geval
van prijsdumping of andere vormen van oneerlijke concurrentie. Hierbij zal
de Gemengde Commissie blijven functioneren als een nuttig kader van overleg
en afstemming, ter ondersteuning van het internationale wegvervoerbeleid.
3. Koninkrijkspositie
Het verdrag zal uit zijn aard, wat het Koninkrijk betreft, alleen voor
Nederland gelden.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
R. H. de Boer
De Minister van Buitenlandse Zaken,
J. G. de Hoop Scheffer