Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2003-2004 | 28845 nr. 4 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2003-2004 | 28845 nr. 4 |
Vastgesteld 10 november 2003
De commissie voor de Rijksuitgaven1 en de vaste commissies voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties2en voor Justitie3 hebben een aantal vragen aan de regering voorgelegd over het rapport rapport «Uitwisseling van opsporings- en terrorisme-informatie» (kamerstuk 28 845, nrs. 1–2).
De regering heeft deze vragen vragen beantwoord bij brief van 4 november 2003.
Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie voor de Rijksuitgaven,
B. M. de Vries
De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Noorman-den Uijl
De Voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,
De Pater-van der Meer
De griffier van de commissie voor de Rijksuitgaven,
Van der Windt
Het KLPD kan nog steeds onvoldoende duidelijk maken aan de regionale politiekorpsen wat de meerwaarde van de landelijke registraties is. Hoe is dit te verklaren? Dit klemt te meer omdat zonder medewerking van de desbetreffende regionale politiekorpsen de implementatie van een informatiesysteem weinig effect zal opleveren. Is het opzetten van een nieuw informatiesysteem genoeg om de manier van gegevensuitwisseling te veranderen?
Er zijn landelijke systemen die naar redelijke tevredenheid werken, zoals VROS (Verwijsindex Recherche-onderzoeken en Subjecten) en VICLAS (Violent Crime Linkage Analysis System). Op andere terreinen is er nog winst te boeken, met name waar het betreft de aanlevering van inhoudelijke Zwacri-informatie t.b.v. de NCIE.
Met betrekking tot sommige landelijke registraties (Havank, Opsporingsregister en HKS/CVI) geldt dat de verplichting voor regiokorpsen om ten behoeve daarvan informatie aan te leveren c.q. daarin te registreren, neergelegd is in de Regeling Opsporingsinformatie regionale politiekorpsen, welke zijn basis vindt in het Besluit beheer regionale politiekorpsen en in de Politiewet. De verplichting om regionale Zwacri-informatie van landelijke betekenis aan te leveren aan de NCIE, onder meer met het oog op analyse, vindt zijn grondslag in de CIE-regeling. Daarnaast zijn landelijke registraties veelal ingesteld op basis van overeenstemming in de Raad van Hoofdcommissarissen.
Voor zover de aanlevering van informatie ten behoeve van landelijke registraties in sommige gevallen niet optimaal is, vindt dat niet zijn oorzaak in het feit dat de regiokorpsen niet overtuigd zijn van de meerwaarde, maar in (regionale) technische en organisatorische problemen die een volledige en/of tijdige informatie-aanlevering in de weg staan.
Een betere informatievoorziening is afhankelijk van de inwerkingtreding van goede standaarden, het stroomlijnen van de informatie en het invullen van de randvoorwaarden. Standaarden worden momenteel ingevuld via het Abrio-programma. Aanlevering tussen het Nationaal Informatieknooppunt bij het KLPD en de Regionale Informatie Coördinatoren werkt naar behoren en wordt in de komende tijd verder verbeterd.
Voordat de Minister of het lokaal gezag een beveiligingsbesluit kan nemen, dient bespreking van de dreiging tegen de persoon of het object in meerdere ambtelijke werkgroepen plaats te vinden. Gaat dat niet ten koste van de noodzakelijke flexibiliteit om adequaat te kunnen optreden?
In het nieuwe stelsel «bewaken en beveiligen» is de procedure beschreven welke naar een afgewogen beveiligingsbesluit leidt. De kwaliteitseisen van de verkregen of ingewonnen informatie, zoals compleetheid, juistheid, tijdigheid en actualiteit, op basis waarvan besluitvorming heeft plaatsgevonden, zijn in het betreffende besluit dan mede gewogen en beoordeeld.
Consultatie van vertegenwoordigers van de ingestelde ambtelijke werkgroepen (respectievelijk het Afstemmingsoverleg Bewaken en Beveiligen (ABB) en het Uitvoeringsoverleg (UO) kan onder spoedeisende omstandigheden ook telefonisch plaatsvinden. Daarnaast is voorzien in een permanente bereikbaarheid van de Nationaal Coördinator Bewaking en Beveiliging (NCBB).
In gevallen met een spoedeisend karakter neemt de Nationaal Coördinator Bewaking en Beveiliging (NCBB) reeds voorafgaand aan de besluitvorming in de Evaluatiedriehoek (ED) passende maatregelen en informeert hij vervolgens de leden van de Evaluatiedriehoek achteraf.
De slagvaardigheid en de noodzakelijke flexibiliteit zijn in dit opzicht met deze procedure steeds gewaarborgd.
De ministers van BZK en Justitie hebben als reactie op het rapport gemeld dat initiatieven in gang zijn gezet om de informatiehuishouding van de Nederlandse politie te verbeteren. Opvallend is dat deze reactie bijna identiek is aan de reactie van de minister van Justitie op een eerder onderzoek van de ARK naar de uitwisseling van recherche-informatie van 1998, waarin de minister aangeeft dat er zijns inziens al veel inspanning is geleverd ter verbetering van de informatie-uitwisseling, maar dat dat niet wegneemt dat er nog tekortkomingen kleven aan zowel de kwaliteit als het gebruik van de aangeleverde recherche-informatie. Kan de minister aangeven waarom de beoogde verbeteringen na dit (derde) rapport wel doorgevoerd zullen worden?
Vanaf 1999 is op basis van een convenant tussen de korpsbeheerders en de minister van BZK een majeure operatie gestart om de geconstateerde tekortkomingen in de informatie-huishouding te verbeteren. Als eerste resultaat is in 2000 door de minister van BZK de Regieraad ICT Politie ingesteld. De Regieraad heeft haar plan voor de vernieuwing van de ICT politie neergelegd in het Bestek 2001-2005 (Kamerstukken II, 2001–2002, 26 345, nr. 62). Doelstelling van het Bestek is om één samenhangende, robuuste en toekomstvaste politiële informatiehuishouding te realiseren. Het stappenplan daartoe bestaat uit het gezamenlijk optrekken van alle korpsen, het principe van één informatiehuishouding, de ontwikkeling van uniforme applicatiesuites t.b.v. de primaire en ondersteunende politieprocessen en de inrichting van 6 bovenregionale rekencentra. Om invulling te geven aan deze Bestekoperatie zijn in 2001 de vraagen aanbodcoöperaties CIP en ISC ingesteld.
De omslag van de bestaande versplinterde regionale informatiehuishoudingen naar één geïntegreerde landelijke informatiehuishouding is een majeure operatie en zal helaas niet in een kort tijdsbestek kunnen worden bewerkstelligd. De omslag vergt ingrijpende vernieuwingen op het gebied van de technische infrastructuur, registers, applicaties, besturing en competenties van ICT-medewerkers. Ook zal de organisatiecultuur van de politie zelf dienen te veranderen van een gesloten naar een op informatie delen georiënteerde cultuur.
In de periode 2001–2003 is veel geïnvesteerd in het invullen van de bestuurlijke, organisatorische, infrastructurele en technische randvoorwaarden. Zo is de realisatie van de zes rekencentra en een Nutsvoorziening Politie (het toekomstige datacommunicatienetwerk netwerk voor de OOV-sector) in volle gang. In 2004 zullen de eerste rekencentra worden opgeleverd en zal met de implementatie van de eerste opgeleverde applicaties worden gestart.
Ten aanzien van de opsporing is de oplevering van de gemeenschappelijke opsporingsapplicatie «Politie Suite Opsporing» (PSO ) in 2004 een belangrijke mijlpaal. De PSO ondersteunt de samenwerking en de uitwisseling van recherche-informatie tussen politiekorpsen. Er wordt op gestuurd dat alle korpsen eind 2005 deze PSO geïmplementeerd hebben. Een belangrijke aanjager van deze ontwikkeling is de instelling van de nationale en bovenregionale rechercheteams. Essentiële randvoorwaarde voor het functioneren daarvan is het hebben van een uniforme informatiehuishouding die wordt gedeeld met de korpsen.
De opsporingsapplicatie wordt gebouwd op basis van de gestandaardiseerde opsporingsprocessen (zoals vastgelegd in het Referentiekader Werkprocessen Opsporing en Vervolging). Deze standaardisatie dwingt af dat er eenduidig om wordt gegaan met gegevens en zorgt ervoor dat deze ook eenduidig gedeeld kunnen worden. Het collectieve gebruik van de opsporingsapplicatie vanaf 2005 zorgt ervoor dat de ingevoerde gegevens ook integraal en direct ter beschikking komen op landelijk niveau voor analyse. Op basis van deze analyses, zoals bijv. het nationaal dreigingsbeeld kan er in de nabije toekomst op zowel regionaal, bovenregionaal als nationaal niveau veel doelmatiger worden gestuurd op de inzet van recherchecapaciteit.
Het is de taak van de NRI om aan de informatie-uitwisseling vorm te geven. Maar NRI heeft geen bevoegdheden om haar verantwoordelijkheden waar te kunnen maken als de regiokorpsen geen medewerking verlenen aan de uitwisseling van informatie. Hoe denkt de minister dit op te lossen?
Om de uitwisseling van informatie te versterken is in 2002, op initiatief van de Raad van Hoofdcommissarissen, een project ter verbetering van de landelijke informatiecoördinatie van start gegaan. In dat kader is besloten tot het inrichten van één landelijk – bij het KLPD ondergebracht – en 25 regionale informatieknooppunten ten behoeve van de politiële informatievoorziening. Alle relevante informatie uit de 25 korpsen komt samen in het landelijke informatiesysteem. Het uitgangspunt is dat er maar één informatiestroom bestaat tussen de politieregio's en het nationale niveau. Deze landelijke informatiecoördinatie is permanent en werkt zoveel mogelijk op basis van vaste afspraken, routines en standaarden. Het streven is de structurele inbedding van het systeem te hebben voltooid in het voorjaar van 2004. Daarmee is het probleem van de uitwisseling van informatie tussen de korpsen en het NRI opgelost.
In het kader van het project ter verbetering van de landelijke informatiecoördinatie wordt tevens bezien welke verbeteringen op het gebied van wet- en regelgeving noodzakelijk zijn. Daarbij wordt onder meer onderzocht welke wijzigingen van de Wet politieregisters aangewezen zijn. Op basis van de vigerende regelgeving beschikt de politie bijvoorbeeld niet over adequate mogelijkheden om een register te openen waarin zowel informatie op het gebied van de openbare orde als het strafrecht, over verdachte en onverdachte personen, gedurende langere tijd kan worden opgeslagen. Specifiek ten behoeve van de uitwisseling van gegevens in het kader van terrorismebestrijding is eind 2002 bovendien een rapport uitgebracht waarin aanbevelingen zijn gedaan om de Wet politieregisters te verbeteren (Kamerstukken II, 2002–2003, 27 926, nr. 82). Het geheel van aanbevelingen en gewenste verbeteringen wordt momenteel meegenomen in de voorbereiding van een algehele herziening van de Wet politieregisters. Op deze wijze wordt beoogd de informatie-uitwisseling verder te optimaliseren.
De politie heeft zich met een Handboek Veiligheidsbeleid voorbereid op een mogelijke crisissituatie. De ministers menen dat zij de implementatie van maatregelen uit het handboek Veiligheid van de Nederlandse politie niet kunnen bijhouden omdat dat valt binnen de verantwoordelijkheid van de korpsbeheerders. Hoe verhoudt zich dit met de eindverantwoordelijkheid die de beide ministers altijd hebben (bij respectievelijk de handhaving van de openbare orde en de handhaving van de rechtsorde)?
Het Handboek Veiligheidsbeleid betreft een handboek van de politie dat voor en door de politie is samengesteld naar aanleiding van de gebeurtenissen rondom de terroristische aanslag van 11 september 2001. Het omvat onder andere een aantal concrete afspraken tussen de korpsen onderling op het gebied van informatiehuishouding, bejegening, communicatie, scenario's en infrastructuur met als doel de coördinatie hiervan vanuit de regio's goed te laten verlopen.
Het handboek is in beperkte oplage verstuurd aan de korpschefs van alle regio's met het verzoek de daarin voorgestelde maatregelen te implementeren. De inhoud van het handboek is met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties afgestemd.
Vanuit de politie worden met enige regelmaat initiatieven ontplooid om te komen tot een efficiënt, effectief en goed gecoördineerd politieoptreden. Hoewel de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verantwoordelijkheid is voor het landelijke beleid op het gebied van openbare orde en veiligheid, brengt dit niet mee dat hij ook daadwerkelijk de implementatie van alle door de politie voorgestelde maatregelen op regionaal niveau moet bijhouden. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de korpsbeheerder er op toe te zien dat de afspraken die gemaakt zijn tussen de regiokorpsen ook daadwerkelijk worden uitgevoerd. Het lokale gezag (burgemeester en hoofdofficier van justitie) is vervolgens primair verantwoordelijk voor de daadwerkelijke handhaving van de openbare orde en de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde.
Samenstelling:
Leden: Duivesteijn (PvdA), Giskes (D66), ondervoorzitter, Crone (PvdA), Rouvoet (CU), De Vries (VVD), voorzitter, De Haan (CDA), Atsma (CDA), Vendrik (GL), Halsema (GL), Kant (SP), Blok (VVD), ten Hoopen (CDA), Balemans (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), Van As (LPF), Rambocus (CDA), Gerkens (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Varela (LPF), De Nerée tot Babberich (CDA), Aptroot (VVD), Blom (PvdA), Douma (PvdA), Stuurman (PvdA), Heemskerk (PvdA), Van Dam (PvdA) en Schippers (VVD).
Plv. leden: Noorman-den Uyl (PvdA), Bakker (D66), Fierens (PvdA), Van der Vlies (SGP), De Grave (VVD), Mosterd (CDA), Kortenhorst (CDA), Van Gent (GL), Duyvendak (GL), De Ruiter (SP), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), Hofstra (VVD), Ferrier (CDA), Eerdmans (LPF), Vacature (CDA), Vergeer (SP), De Vries (CDA), Hermans (LPF), Mastwijk (CDA), De Krom (VVD), Smeets (PvdA), Van Heemst (PvdA), Smits (PvdA), Boelhouwer (PvdA), Kalsbeek (PvdA) en Van Beek (VVD).
Samenstelling:
Leden: Kalsbeek (PvdA), Van Heemst (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), voorzitter, Vos (GL), Cornielje (VVD), Adelmund (PvdA), De Wit (SP), Van Beek (VVD), ondervoorzitter, Van der Staaij (SGP), Luchtenveld (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), Lazrak (SP), Wolfsen (PvdA), Tonkens (GL), Spies (CDA), Eerdmans (LPF), Sterk (CDA), Van der Ham (D66), Haverkamp (CDA), Van Fessem (CDA), Smilde (CDA), Straub (PvdA), Nawijn (LPF), Boelhouwer (PvdA), Hirsi Ali (VVD), Szabó (VVD) en Van Hijum (CDA).
Plv. Leden: De Vries (PvdA), Dijsselbloem (PvdA), Fierens (PvdA), Halsema (GL), Schippers (VVD), Dubbelboer (PvdA), Kant (SP), Rijpstra (VVD), Slob (CU), Wilders (VVD), Rambocus (CDA), Vergeer (SP), Van Nieuwenhoven (PvdA), Van Gent (GL), Çörüz (CDA), Hermans (LPF), Atsma (CDA), Giskes (D66), Bruls (CDA), Van Bochove (CDA), Algra (CDA), Hamer (PvdA), Varela (LPF), Leerdam, MFA (PvdA), Griffith (VVD), Balemans (VVD) en Eski (CDA).
Samenstelling:
Leden: Van de Camp (CDA), De Vries (PvdA), Van Heemst (PvdA), Vos (GL), Rouvoet (CU), Adelmund (PvdA), De Wit (SP), Albayrak (PvdA), Luchtenveld (VVD), Wilders (VVD), Weekers (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Verbeet (PvdA), ondervoorzitter, Lazrak (SP), Wolfsen (PvdA), Tonkens (GL), De Vries (CDA), Van Haersma Buma (CDA), Eerdmans (LPF), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Van Fessem (CDA), Straub (PvdA), Nawijn (LPF), Griffith (VVD), Van der Laan (D66) en Visser (VVD).
Plv. Leden: Van Hijum (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Timmer (PvdA), Halsema (GL), Van der Staaij (SGP), Kalsbeek (PvdA), Van Velzen (SP), Tjon-A-Ten (PvdA), Van Baalen (VVD), Blok (VVD), Hirsi Ali (VVD), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Van Heteren (PvdA), Vergeer (SP), Arib (PvdA), Karimi (GL), Buijs (CDA), Sterk (CDA), Varela (LPF), Joldersma (CDA), Ormel (CDA), Van Dijken (PvdA), Hermans (LPF), Örgü (VVD), Lambrechts (D66) en Rijpstra (VVD).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28845-4.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.