Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201128844 nr. 55

28 844 Integriteitsbeleid openbaar bestuur en politie

Nr. 55 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 juli 2011

Bij brief van 20 december 2010 heeft de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken mij om een reactie gevraagd op een aan de Tweede Kamer gerichte brief van 29 november 2010. De brief betreft een persoonlijk verslag van een (gewezen) ambtenaar van het ministerie van Verkeer en Waterstaat (thans het ministerie van Infrastructuur en Milieu) naar aanleiding van het melden van een vermoeden van een misstand.

Zoals uit de brief van 29 november 2010 blijkt, heeft de Commissie integriteit overheid (CIO) in 2008 in deze zaak advies uitgebracht aan het ministerie. In 2010 heeft de Nationale ombudsman naar aanleiding van een klacht van de ambtenaar over de zaak geoordeeld. Op basis van deze – openbare – stukken en nadere informatie van het desbetreffende ministerie, bericht ik u als volgt.

Naar aanleiding van een melding van de ambtenaar (hierna: betrokkene) heeft de CIO in maart 2008 advies uitgebracht aan het toenmalige ministerie van Verkeer en Waterstaat. De CIO oordeelt dat het oorspronkelijk gemelde vermoeden van de ambtenaar geen misstand betreft. De CIO kwalificeert de wijze waarop betrokkene naar aanleiding van de melding is bejegend echter als onbehoorlijk en als misstand. Een dergelijke onbehoorlijke bejegening zou immers het goed functioneren van de overheid in gevaar kunnen brengen omdat het potentiële melders ervan zou kunnen weerhouden hun vermoedens van misstanden te uiten. De CIO adviseert het ministerie met de ambtenaar in overleg te treden over – naar voorkeur van de betrokkene – een passende functie of een passende afvloeiingsregeling.

Het ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft de bevindingen van de CIO onderschreven. In lijn met het advies van de CIO heeft het ministerie vanaf mei 2008 diverse gesprekken gevoerd met betrokkene. In juli 2010 oordeelt de Nationale ombudsman naar aanleiding van een klacht van betrokkene over deze zaak. Hij stelt vast dat het ministerie het nodige heeft ondernomen om er met betrokkene op een goede manier uit te komen. Op verschillende momenten leek een overeenkomst tussen partijen zeer nabij. De Nationale ombudsman merkt echter tevens op dat het vertrouwen van betrokkene in het ministerie blijkbaar al dermate was geschaad dat het een vrijwel onmogelijke opgave bleek om tot uitvoering van het advies van de CIO te komen. Het leek erop dat betrokkene het ministerie niet meer het voordeel van de twijfel heeft kunnen geven. Gezien de gebeurtenissen die leidden tot het advies van de CIO, houdt de Nationale ombudsman het ministerie hiervoor in ieder geval grotendeels verantwoordelijk.

Zoals de Nationale ombudsman ook in zijn rapport vermeldt, is er in maart 2010 een min of meer natuurlijk einde gekomen aan de tussen partijen slepende kwestie. Betrokkene heeft een functie geaccepteerd buiten het ministerie. Er is ontslag op verzoek gevolgd, waarbij het ministerie tevens een afvloeiingsregeling heeft getroffen. Daarenboven is een schadeloosstelling toegekend. Het is aan de rechter om in de nog lopende beroepsprocedure over de passendheid hiervan te oordelen.

De onderhavige zaak illustreert hoe belangrijk het is dat er in organisaties een cultuur heerst waarin vermoedens van misstanden gemeld kunnen worden zonder angst voor negatieve gevolgen. Mede naar aanleiding van het advies van de CIO heeft het ministerie dan ook concrete maatregelen getroffen die tot doel hebben om herhaling te voorkomen. Zo wordt door voorlichting van en workshops aan diegenen die betrokken zijn bij meldingen nadrukkelijk aandacht gevraagd voor de bescherming van de kwetsbare positie van de melder. Ook stelt de betreffende dienst waar betrokkene werkzaam was ieder jaar een Corporate Actieprogramma Integriteit op met als doel het verder verinnerlijken van integriteit bij alle medewerkers, het verder uitrollen van beleid en instrumenten en het doen van onderzoek.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. P. H. Donner