Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-200928844 nr. 37

28 844
Integriteitsbeleid openbaar bestuur en politie

nr. 37
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 juli 2009

Op 15 april 2008 bood ik u de Evaluatie klokkenluidersregelingen publieke sector aan (Kamerstuk 28 844, nr. 13) die in een Algemeen Overleg met u op 28 mei 2008 (Kamerstuk 28 844/31 200 VII, nr. 20) is besproken. Sindsdien is een aantal acties in gang gezet, waarover ik u op 13 november 2008 heb geïnformeerd.

In deze brief informeer ik u mede namens de ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Economische Zaken en Justitie over de stand van zaken met betrekking tot het in de motie Heijnen gevraagde onafhankelijk meldpunt klokkenluiden voor zowel de publieke als de private sector. Tevens informeer ik u, mede namens de staatssecretaris van Defensie over de voortgang met betrekking tot de nieuwe klokkenluidersregeling voor de sectoren Rijk, Politie en Defensie.

Ten slotte ga ik in op enkele individuele kwesties. Het betreft de stand van zaken met betrekking tot de afronding van de klokkenluiderskwestie van de heer Schaap. Op verzoek van de fractie van de SP informeer ik u over de zaak van de heer Veerman.

Bij brief van 21 april 2009 (Kamerstuk 28 844, nr. 36) heb ik u reeds bericht dat de kwestie rond de klokkenluider Bos naar tevredenheid van betrokkene definitief is afgewikkeld. Zoals bekend berust de zaak Spijkers bij de staatssecretaris van Defensie.

Onafhankelijk meldpunt klokkenluiden voor publieke en private sector

Op 13 november 2008 vroeg het kabinet advies aan de Stichting van de Arbeid en de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid over de oprichting/inrichting van een onafhankelijk centraal meldpunt klokkenluiders voor zowel de publieke als de private sector. Daarbij is aangegeven dat goed denkbaar is dat het meldpunt behalve onderzoekstaken ook advies- en verwijstaken op zich neemt naar het voorbeeld van de Britse organisatie «Public Concern at Work». Begin april 2009 hebben zowel de Stichting van de Arbeid als de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid advies uitgebracht. U treft de adviezen als bijlagen bij deze brief aan.1

De Stichting van de Arbeid is geen voorstander van een centraal meldpunt in de zin van onderzoeksinstantie. Een dergelijk meldpunt dat zelfstandig vermeende misstanden onderzoekt en in dat kader de bevoegdheid krijgt om informatie bij bedrijven op te vragen kan volgens de Stichting al snel leiden tot onduidelijkheid met betrekking tot de bevoegdheden ervan. Ook kan het meldpunt volgens de Stichting gaan functioneren als een obstakel tussen de werknemer en de reguliere onderzoeksinstanties zoals Arbeidsinspectie, Milieudienst, NMa, etcetera. Verder wijst de Stichting erop dat een dergelijk meldpunt niet past bij het karakter van de private sector die bestaat uit een pluriformiteit van zelfstandige private ondernemingen. Gewezen wordt op het bezwaar dat bij het toekennen van verregaande onderzoeksbevoegdheden – zoals het kunnen opvragen van alle informatie die nodig is en het horen van getuigen – deze diep kunnen ingrijpen in het (bestuurlijk) functioneren van de ondernemingen en daarmee ook de beleidsvrijheid van de ondernemer in het gedrang brengen.

De Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid adviseert ten behoeve van de overheidssectoren wel een centraal meldpunt integriteitsschendingen overheid in te stellen met onderzoeksbevoegdheden, zoals ook bij de huidige Commissie integriteit overheid is geregeld. Het gaat hierbij in eerste instantie om de nu reeds bij de Commissie integriteit overheid aangesloten sectoren Rijk, Politie, Defensie en Provincies. Maar ook andere overheidssectoren zoals Gemeenten, Waterschappen en Onderwijs moeten zich desgewenst kunnen aansluiten. De Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid wijst erop dat ook organisaties uit de private sector zich desgewenst moeten kunnen aansluiten.

De Stichting en de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid hebben elkaar wel kunnen vinden op een landelijk advies- en verwijspunt klokkenluiden voor zowel de publieke als de private sector, waarbij het Britse Public Concern at Work als voorbeeld heeft gediend. Het kabinet beschouwt dat als winst en als een belangrijke stap voorwaarts in het gezamenlijk optrekken op het klokkenluidersdossier, zoals ook in de motie Heijnen is gevraagd.

Het kabinet zal daarom een advies- en verwijspunt klokkenluiden oprichten dat op zo kort mogelijke termijn van start kan gaan. Naar het oordeel van het kabinet is geen enkele bestaande organisatie voldoende geschikt om de functie van advies- en verwijspunt voor zowel de publieke als de private sector te vervullen. Bovendien moet worden voorkomen dat het beeld ontstaat dat advisering en verwijzing «er maar even bij kan worden gedaan». Dit heeft geresulteerd in het voornemen een stichting op te richten. Het kabinet heeft een voorkeur voor een stichting, vanwege de noodzakelijke onafhankelijkheid, en omdat de keus voor deze rechtsvorm het mogelijk maakt relatief snel te handelen en ruimte biedt sociale partners te betrekken. Conform de Comptabiliteitswet moet deze keus expliciet worden voorgelegd aan de Algemene Rekenkamer, de Ministerraad en de Tweede Kamer.

De overheid mag alleen betrokkenheid bij de oprichting van een stichting hebben als expliciet kan worden aangegeven wat het publieke belang is. Het inrichten van een steunpunt voor potentiële klokkenluiders waar zij eenvoudig, veilig en vertrouwd terecht kunnen met hun vragen, draagt bij aan bescherming van klokkenluiders en kan stimuleren dat vermoedens van misstanden daadwerkelijk worden gemeld. Daarbij is de gehele samenleving gebaat.

De taken van de op te richten stichting liggen op het vlak van informatie en advies, het bieden van een luisterend oor, het doorverwijzen naar de juiste instantie, het opbouwen en bundelen van expertise, het geven van algemene voorlichting aan werkgevers en werknemers en het zicht houden op het proces. Voor dat laatste zijn geen specifieke bevoegdheden voorzien, maar gaat het erom dat het advies- en verwijspunt een zaak blijft volgen als de klokkenluider dit wenst. De stichting zal geen publiekrechtelijke rechtshandelingen gaan verrichten.

Verbeterde klokkenluidersregeling voor Rijk, Politie en Defensie

Op 10 juli jl. hebben de staatssecretaris van Defensie en ik met de vakbonden overeenstemming bereikt over de inhoud van een verbeterde klokkenluidersregeling voor de sectoren Defensie respectievelijk Rijk en Politie. Het is de verwachting dat de verbeterde klokkenluidersregeling, na advisering door de Raad van State, nog dit jaar in werking kan treden.

De overeenkomen verbeteringen zijn grotendeels al geduid in de brief van 13 november 2008. Naast de ruimere toegankelijkheid van de procedure, gaat het om belangrijke nieuwe maatregelen ter bescherming van de melders. De maatregelen zijn gericht op het voorkomen van schade als gevolg van de melding. Zo kan de melder kiezen tussen het openlijk melden in de organisatie en het vertrouwelijk melden bij zijn vertrouwenspersoon. Voorts kan de medewerker sneller – indien daartoe aanleiding bestaat – rechtstreeks naar (nu nog) de Commissie integriteit overheid. De medewerker die te goeder trouw meldt, mag niet benadeeld worden vanwege de melding. Daarbij is nu concreet gemaakt wat onder benadeling wordt verstaan.

Medewerkers die vermoeden als gevolg van een melding toch te worden benadeeld en daartegen willen procederen, kunnen voorts aanspraak maken op een tegemoetkoming in de proceskosten. Die aanspraak ontstaat al op het moment dat de medewerker zich laat ondersteunen indien er sprake is van een voorgenomen besluit en strekt zich ook uit tot de procedures in bezwaar en bij de rechter. Indien de medewerker in het gelijk wordt gesteld, worden de werkelijke proceskosten vergoed tot maximaal 5000 euro per fase.

De overeengekomen verbeteringen vormen een belangrijke stap voorwaarts in de bescherming van klokkenluiders. Het is mijn overtuiging dat deze verbeteringen samen met het nog op te richten onafhankelijk advies- en verwijspunt zoals in de vorige paragraaf beschreven, stevig bijdragen aan een evenwichtig klimaat waarin vermoedens van misstanden veilig, vertrouwd en eenvoudig kunnen worden gemeld.

Wat nog ontbreekt is de vervanging van de Commissie integriteit overheid door een nieuw centraal meldpunt integriteitsschendingen overheid. Daarmee heb ik gewacht omdat ik eerst wilde onderzoeken of er draagvlak bestaat voor een centraal meldpunt met onderzoeksbevoegdheden in de publieke en private sector. Nu dit niet het geval blijkt zal ik dit najaar de vervanging van de Commissie integriteit overheid voorbereiden, zodat een nieuw centraal meldpunt voor de publieke sector eveneens op korte termijn van start zal kunnen gaan. Het heeft mijn voorkeur hierbij zoveel mogelijk aan te haken bij het op te richten advies- en verwijspunt in die zin dat faciliteiten zoals huisvesting kunnen worden gedeeld.

De heer Schaap

Uit de berichtgeving in de media heeft u zelf op kunnen maken dat de heer Schaap en het ministerie van VROM, mede door tussenkomst van de Nationale ombudsman, overeenstemming hebben bereikt over de afwikkeling van de betreffende klokkenluiderskwestie. Naar ik heb begrepen wordt nu alleen nog gewerkt aan de fiscale afwikkeling van deze zaak.

De heer Veerman

Ik heb zoals aangekondigd navraag gedaan bij mijn collega van Defensie, maar daar is niets over de kwestie van de heer Veerman bekend. Ik ben wel op een brief van mijn ambtvoorganger gestoten waaruit blijkt dat de Nationale Ombudsman het niet aannemelijk achtte, dat de heer Veerman is ontslagen omdat hij gegevens over zijn werkgever aan de BVD heeft verstrekt.1 De heer Veerman was in dienst bij het Fysisch Dynamisch onderzoeksbureau (toen een dochteronderneming van Stork).

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

G. ter Horst


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

Brief van de minister van BZK van 10 februari 2006, Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 300 XIII, nr. 71.