Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202028844 nr. 215

28 844 Integriteitsbeleid openbaar bestuur en politie

Nr. 215 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 juni 2020

1. Aanleiding

Tijdens het debat met uw Kamer op 4 maart jl. over het aanpassen van Inspectierapporten (Handelingen II 2019/20, nr. 59, item 8) heb ik uw Kamer een aantal toezeggingen gedaan. Op 10 maart jl. heeft uw Kamer de motie van de leden Van Nispenen en Groothuizen en de motie van het lid Van Dam c.s. (Kamerstuk 28 844, nrs. 207 en 209) aangenomen die in het debat van 4 maart zijn voorgesteld (Handelingen II 2019/20, nr. 61, item 12). Met deze brief informeer ik uw Kamer over de wijze waarop ik aan deze moties en toezeggingen uitvoering geef.

2. Moties en daarop betrekking hebbende toezeggingen

2.1. Motie Van Nispen/Groothuizen

De motie van de leden Van Nispen en Groothuizen verzoekt de regering «de Kamer te informeren hoe uitvoering zal worden gegeven aan de voorstellen om de inspectie beter te positioneren en de onafhankelijkheid te waarborgen». De voorstellen, waarop de motie ziet, zijn de volgende:

  • 1. Rapporten behoren ongecensureerd aan de Tweede Kamer gestuurd te worden. Suggesties en opmerkingen vanuit beleidsafdelingen van ministeries en vanuit het veld/onderzochte instanties horen thuis in een openbare reactie, zo nodig gevolgd door een nawoord van de Inspectie. Wijzigingen in rapporten moeten altijd transparant en navolgbaar zijn.

  • 2. Inspecties houden de communicatie over en timing van onderzoeken en rapporten in eigen hand, zonder bemoeienis van het departement.

  • 3. De Inspectie Justitie en Veiligheid moet juridisch zelfstandig worden, zoals bijvoorbeeld de Onderzoekraad voor Veiligheid. Het hoofd van de inspectie is dan niet langer verantwoording schuldig aan de Minister.

  • 4. Om de inspectie niet alleen organisatorisch, maar ook financieel onafhankelijk te laten zijn, moet er een aparte begroting komen.

  • 5. De Inspectie bevindt zich op de 35e verdieping van het ministerie. Dat moet anders. De Inspectie moet, net als het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie Centrum, fysiek op afstand van het ministerie.

Ad 1. Conceptrapporten van de Inspectie worden conform het zogenaamde «Protocol voor de werkwijze»1 van de Inspectie niet eerder aan onderzochte organisaties gestuurd dan in de wederhoorfase. De wederhoorreactie van de onderzochte organisatie wordt opgenomen in een door de Inspectie aangeleverde tabel. Deze tabel, aangevuld met de reactie van de Inspectie, maakt als bijlage onderdeel van het rapport uit. Dit geeft inzicht in de totstandkoming van het definitieve rapport en de wijzigingen die in deze fase van het onderzoeksproces eventueel zijn doorgevoerd. Deze werkwijze is identiek aan die van de Onderzoekraad Voor de Veiligheid. Hieronder ga ik in op transparantie ten aanzien van suggesties van bijvoorbeeld beleidsafdelingen van het ministerie of vanuit onder toezicht staande organisaties.

Ad 2. De Inspectie beschikt over een eigen woordvoerder die – onafhankelijk van de departementale directie communicatie – over de positie van de Inspectie communiceert. De woordvoerder verzorgt ook het contact met het Ministerie van JenV voor het moment en wijze van openbaarmaking van rapporten van de Inspectie.

Ad 3. en 4. De voorstellen met betrekking tot juridische, organisatorische en financiële onafhankelijkheid van de Inspectie kunnen, zoals in het debat op 4 maart jl. al is aangegeven, niet los worden gezien van de positie van andere inspecties. In het debat van 4 maart jl. heb ik gewezen op verschillende trajecten terzake. De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft uw Kamer op 23 april jl. bericht over de uitvoering van de motie van het lid Van Dam c.s. en de motie van het lid De Graaf c.s. (Kamerstuk 28 844, nrs. 210 en 211) over de evaluatie van de Aanwijzingen inzake de rijksinspecties. Daarmee heeft hij uw Kamer geïnformeerd over het proces van evaluatie van de Aanwijzingen inzake de rijksinspecties en de brede evaluatie van de organisatiekaders van het Rijk voor verschillende soorten zelfstandige organisaties. De voorstellen van uw Kamer met betrekking tot de juridische, organisatorische en financiële onafhankelijkheid van de inspecties kunnen niet los van deze trajecten bezien worden. Zij zullen in samenhang met de uitkomsten van deze evaluaties behandeld worden. Hiermee voldoe ik ook aan mijn toezegging in een brief in te gaan op het voorstel, dat in het debat door verschillende woordvoerders is gedaan, om de inspectie organisatorisch buiten het ministerie te plaatsen, evenals op andere voorstellen met betrekking tot het waarborgen van de onafhankelijkheid van de Inspectie.

Ad 5. Direct na het debat van 4 maart jl. is het overleg met het Rijksvastgoedbedrijf van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het vinden van nieuwe huisvesting voor de Inspectie (op verzoek van de Inspectie in de nabijheid van Den Haag Centraal Station) gestart. De Inspectie, de Directie Huisvesting en Facilities van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Rijksvastgoedbedrijf werken hierbij nauw samen, zodat de Inspecteur-generaal de medewerkers van de Inspectie optimaal kan informeren. Ik zal u te zijner tijd informeren over de nieuwe locatie waar de Inspectie zal worden gehuisvest.

2.2. Motie Van Dam c.s.

De motie van het lid Van Dam c.s. verzoekt de regering «erop toe te zien dat conceptaanbevelingen en aanbevelingen niet voor wederhoor worden voorgelegd aan onderzochte organisaties en functionarissen daarvan». Om recht te doen aan de onafhankelijkheid van de Inspectie, heb ik de Inspecteur-generaal verzocht mij te informeren over de werkwijze van de inspectie in het licht van het dictum van deze motie. De Inspecteur-generaal heeft mij laten weten dat de praktijk bij de Inspectie sinds januari 2020 in overeenstemming is met het gevraagde in de motie. In de aansturing en begeleiding van inspectie-onderzoeken heeft dit aspect expliciete aandacht.

3. Overige toezeggingen

3.1. Inzichtelijkheid suggesties voorstellen onder toezicht gestelde organisaties in inspectierapporten

Ik heb toegezegd uw Kamer te informeren over het uitvoeren van de in het debat van 4 maart jl. geuite wens om ook andere commentaren van derden dan die naast het gewisselde in de hoor- en wederhoorfase in een bijlage bij de inspectierapporten inzichtelijk te maken. Hierboven heb ik al aangegeven dat het «Protocol voor de werkwijze» van de Inspectie de werkwijze van de Onderzoekraad Voor de Veiligheid volgt met betrekking tot het inzichtelijk maken van commentaar (en de reactie van de Inspectie hierop) in de hoor- en wederhoorfase. De Inspecteur-generaal heeft mij toegezegd dat – indien en voor zover een reactie van derden van invloed zou zijn op de inhoud van enig rapport van de Inspectie – hiervan transparant verantwoording zal worden afgelegd naar alle betrokkenen. Deze toezegging zal hij ook verankeren in het «Protocol voor de werkwijze» van de Inspectie, dat op de website van de Inspectie wordt gepubliceerd en daarmee voor iedereen kenbaar is.

3.2. Onderzoeken naar Inspectierapporten

In het debat van 4 maart jl. heb ik uw Kamer naar aanleiding van een vraag van het lid Buitenweg toegezegd de ADR te vragen ten aanzien van alle in mijn brief van 12 februari jl. genoemde Inspectierapporten (ten aanzien van het tweede deel van de opdracht aan de ADR) te onderzoeken of er in het hele onderzoeksproces van de Inspectie ook sprake is geweest van «interne beïnvloeding». Daarbij heb ik uw Kamer gezegd dat ik hierover met de ADR in gesprek zou gaan, omdat dit consequenties voor hun onderzoek heeft.

In dat gesprek zijn vergaande gevolgen voor ADR, Inspectie en onderdelen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid gebleken: een aanzienlijk en langdurig beslag op de eigen onderzoekscapaciteit bij de ADR en een grote impact bij veel (ex-)medewerkers van de Inspectie en van de overige betrokken departementsonderdelen. Ik heb terdege oog voor de weerslag bij deze medewerkers van alle media-aandacht in deze zaak. Om recht te doen aan de wens die uw Kamer heeft geuit, maar tegelijkertijd de belasting van deze onderzoeken voor medewerkers te minimaliseren wil ik op de volgende wijze uitvoering aan mijn toezegging geven.

De ADR heeft mij laten weten dit jaar het gehele onderzoeksproces van vier in mijn brief van 12 februari jl. (Kamerstuk 28 844, nr. 198) genoemde Inspectierapporten te kunnen onderzoeken met als doel te bepalen of het beginsel van onafhankelijkheid als principe van goed toezicht mogelijk in het geding is geweest. Hieronder vallen zowel externe als interne beïnvloeding. Ik heb de ADR daarom gevraagd om het onderzoek naar het Inspectierapport «De opvolging van signalen uit het asielproces» en het Inspectierapport «Periodiek Beeld Opsporing» te onderzoeken. Daarnaast heb ik de ADR gevraagd om vanuit de overige Inspectierapporten, genoemd in mijn brief van 12 februari jl., nog twee Inspectierapporten op deze wijze te onderzoeken (waarbij de ADR zelf de keuze maakt). Naar de overige in de brief genoemde Inspectierapporten wordt dan geen onderzoek meer uitgevoerd.

Aan de onderzoeksopdracht wordt zodoende een extra element toegevoegd, namelijk het expliciteren van veranderingen in de werkwijze van de Inspectie die betrekking hebben op de onafhankelijkheid in de onderzoekspraktijk van de Inspectie. Dit nieuwe element stelt de ADR in staat om de verschillen te benoemen tussen de werkwijze van de Inspectie in de periode van de onderzoeken genoemd in het kader van de meldingen én de huidige werkwijze van de Inspectie in het onderzoek dat door het lid Van Dam is aangereikt. Daarmee kan de ADR zich ook een oordeel vormen over de ontwikkeling van de werkwijze in de Inspectie en biedt het onderzoek van de ADR maximale toegevoegde waarde voor de onderzoekspraktijk van de Inspectie.

Met deze opdracht is sprake van een systemisch onderzoek waarmee het lerend vermogen van de Inspectie kan worden verstevigd, waarbij de belasting voor de medewerkers van de Inspectie en betrokken onderdelen van het ministerie zo gering mogelijk is en waarvoor de ADR onderzoekscapaciteit kan vrijmaken om dit onderzoek nog dit jaar af te ronden. Hiermee denk ik op passende wijze tegemoet te komen aan de wensen van het lid Buitenweg.

3.3. Ontwikkeling Inspectie

Ik heb toegezegd uw Kamer in het voorjaar van 2021 te informeren over een plan van aanpak van de Inspectie over de verdere ontwikkeling van de Inspectie. Op basis van dat plan van aanpak kan vervolgens worden bezien of en, zo ja, op welke manier een onafhankelijke doorlichting passend is.

3.4. Afluisteren Huis van Klokkenluiders

In het debat van 4 maart is de voorgestelde motie van het lid Van Nispen c.s. (Kamerstuk 28 844, nr. 206) aangehouden. Deze motie verzoekt de regering «ervoor te zorgen dat het Huis voor Klokkenluiders niet kan worden afgeluisterd, zodat iedereen veilig en vertrouwelijk een misstand kan melden bij het Huis voor Klokkenluiders». Ik heb toegezegd uw Kamer te informeren als ik hierover contact heb gehad met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze toezegging ben ik inmiddels nagekomen met de brief die ik uw Kamer op 8 juni jl. mede namens de Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties heb gestuurd.

4. Tot slot

Met deze brief heb ik uitvoering gegeven aan mijn toezeggingen. Ik heb u hierin ook geïnformeerd dat ik de ADR heb gevraagd aanvullend onderzoek te doen naar de andere rapporten van de Inspectie die in het kader van de meldingen genoemd zijn. Ik zal uw Kamer over de uitkomsten van het onderzoek door de ADR informeren, evenals over de fysieke verhuizing van de Inspectie.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus