Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201428828 nr. 60

28 828 Fraudebestrijding in de zorg

Nr. 60 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 april 2014

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft mij verzocht om voor de Wmo 2015 en de Wlz een fraudetoets, inzicht in de samenhang daartussen en de verbonden administratieve lasten te leveren.

In de antwoorden van de minister van VWS op de vragen over de eerste voortgangsrapportage fraudebestrijding: plan van aanpak bestrijding fraude in de zorg (Kamerstuk 28 828, nr. 50) wordt een toelichting gegeven over de fraudetoetsen voor de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning en de Wet langdurige zorg.

Fraudetoets Wlz

Vooruitlopend op het vaste format van de fraudetoets is de wet- en regelgeving inzake de hervorming langdurige zorg door diverse externe partijen bezien op mogelijke risico’s op oneigenlijk gebruik en fraude. Het Wetsvoorstel langdurige zorg heeft inmiddels echter zodanige wijzigingen ondergaan ten opzichte van de versie die is getoetst op fraudegevoeligheid dat ik het belangrijk vind dat het wetsvoorstel opnieuw getoetst wordt. Deze toetsing vindt nu plaats. Omdat de resultaten van deze extra toets niet meer in de Memorie van Toelichting konden worden opgenomen, wordt uw Kamer per brief zo spoedig mogelijk nader geïnformeerd.

Fraudetoets Wmo

Ook voor de Wmo heeft een op maat gemaakte fraudetoets plaatsgevonden. Hieronder beschrijf ik kort de resultaten.

Het kabinet is van mening dat er in de uitvoering van de Wmo veel aandacht moet zijn voor bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik. Het wetsvoorstel Wmo 2015 biedt hiertoe belangrijke waarborgen voor gemeenten.

De gemeenten zullen in de uitvoering aanvullende maatregelen moeten treffen om misbruik en oneigenlijk gebruik tegen te gaan en op te sporen.

In het kader van de totstandkoming van het wetsvoorstel Wmo 2015 zijn verschillende veldpartijen gevraagd om dit voorstel op fraudegevoeligheid te toetsen. Daarnaast heeft VWS samen met VNG, NZa, OM, IGZ, I-SZW, Per Saldo, Actiz en gemeenten risico’s en beheersmaatregelen geïnventariseerd. De in opzet belangrijke risico’s die in deze inventarisatie naar voren kwamen zijn: foutieve declaraties, bewuste oplichting, upcoding, registratiemisbruik (voor burgers/aanbieders) en kennis en ervaring gemeenten, wijze van handhaving, uitvoeringskracht, sanctiebeleid, wijze van indicatiestelling en onheldere kwaliteitsrichtlijnen (voor gemeenten/overheid). Met betrekking tot de beheersing van deze risico’s zijn onder andere goede voorlichting/communicatie, onderlinge samenwerking, eenduidige werkwijze en het pgb-trekkingsrecht als belangrijke maatregelen benoemd. Daarnaast is nadrukkelijk verzocht om bestaande initiatieven te gebruiken, er zijn er diverse in het kader van onder andere de Wet Werk en Bijstand (WWB).

Met betrekking tot het verstrekken van het pgb worden op basis van het wetsvoorstel door gemeenten strikte voorwaarden gesteld. Daarnaast zal het trekkingsrecht worden ingevoerd, zodat pgb-houders de vrijheid houden om zorg op maat in te kopen, zonder dat het budget direct op de eigen rekening wordt gestort. Het trekkingsrecht leidt tot een vergaande digitalisering van de pgb-administratie die het mogelijk maakt om zowel controles vooraf als achteraf uit te voeren en gegevens makkelijker onderling te delen (zowel over de besteding van geld als van zorgverleners die vanuit het pgb worden betaald).

Een belangrijke vorm van oneigenlijk gebruik is het blijven ontvangen van ondersteuning, terwijl de beperking zich niet meer of in mindere mate voordoet, doordat bijvoorbeeld de gezondheid van de cliënt is verbeterd. Op basis van dit wetsvoorstel krijgt de cliënt de verplichting de gemeente actief te informeren over wijzigingen die van invloed kunnen zijn op de verstrekking van de voorziening.

Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om de wet te gaan handhaven en het toezicht op de uitvoering van de Wmo gestalte te geven. Op grond van de Wmo 2015 zijn gemeenten verplicht om regels op het gebied van fraudebestrijding op te nemen in de verordening. In de modelverordening die de VNG opstelt wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik. Gemeenten hebben reeds veel expertise in huis en ervaring opgedaan op het terrein van misbruik en oneigenlijk gebruik, bijvoorbeeld in de uitvoering van de WWB en andere voorzieningen. Ter voorbereiding op de implementatie van het wetsvoorstel Wmo 2015 zullen gemeenten waar nodig ondersteund worden, ook ten aanzien van de inrichting van hun handhavende taken.

Fraudetoets lagere regelgeving

Voor zowel de Wmo 2015 als de Wlz wordt lagere regelgeving ontworpen. Ook hierin is de fraudebestendigheid van groot belang, dus zal ook hiervoor een fraudetoets worden uitgevoerd. In de toelichting bij de lagere regelgeving wordt op hoofdlijnen ingegaan op de resultaten uit die fraudetoetsen.

Samenhang

Er is mij ook gevraagd om inzicht te geven in de samenhang tussen de fraudetoetsen van de wetsvoorstellen. Uiteraard is niet alleen op het terrein van fraudebestrijding, maar over de hele breedte de samenhang tussen de wetsvoorstellen van belang. Daarover heb ik u recentelijk een aparte brief gestuurd1.

In iedere fraudetoets is aandacht voor de relatie met andere wetgeving. Zo wordt er gekeken naar de mogelijkheden voor onterechte afwenteling: het ongewenste gebruik van zorg en ondersteuning uit een ander stelsel dan door de wetgever bedoeld. Ook in de fraudetoetsen voor de lagere regelgeving zal oog zijn voor de samenhang van de fraudegevoeligheid.

Administratieve lasten

Voor overheidsinstellingen en (publieke) instellingen en organisaties die betrokken zijn bij de uitvoering van het beleid, betekent de fraudetoets vooraf iets meer werk. Deze investering «aan de voorkant» verdient zichzelf echter terug, doordat dankzij zo’n toets het beleid minder gevoelig is voor fraude en er dus naar verwachting minder opsporing nodig is.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn


X Noot
1

Kamerstuk29 538, nr. 152