Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-200428824 nr. 13

28 824
Landelijk Kader Nederlandse Politie 2003–2006

nr. 13
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 april 2004

Hierbij breng ik een aantal aspecten van de arrestantenverzorging bij de Nederlandse politie onder uw aandacht.

Overzicht meldingen

De korpsbeheerders zijn primair verantwoordelijk voor de arrestantenzorg. Zij leggen daarover jaarlijks verantwoording aan de politieministers af. Tevens wordt in het geval van een poging tot zelfdoding of sterfgeval in een politiecel hiervan via een voorgeschreven formulier melding gemaakt aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK).

Deze informatie stelt mij in staat om u met dit schrijven hierover te rapporteren.

In de afgelopen jaren werden de volgende aantallen van pogingen tot zelfdoding alsmede sterfgevallen in een politiecellencomplex gemeld:

2001: 42 meldingen, waaronder 2 sterfgevallen

2002: 40 meldingen, waaronder 2 sterfgevallen

2003: 57 meldingen, waaronder 5 sterfgevallen

Alle sterfgevallen zijn onderzocht door de Rijksrecherche en daarbij is in geen van deze gevallen melding gemaakt of op enige andere wijze geconcludeerd dat er door de politieorganisatie fouten zijn gemaakt welke het overlijden hebben veroorzaakt danwel hadden kunnen voorkomen.

Wel blijkt uit onder meer de jaarverslagen van de Rijksrecherche dat slechts een zeer beperkt deel van de door de Rijksrecherche onderzochte celdoden (in 2001: 9 en in 2002: 19, hierbij is evenwel geen specificering aangebracht tussen sterfgevallen in een politiecel of een penitentiaire inrichting) bij mij is gemeld. Ik zal bij de politieregio's opnieuw aandacht voor deze onwenselijke situatie vragen.

Onafhankelijk onderzoek

Uit onafhankelijk onderzoek, waaronder het in 2001 in opdracht van mijn ministerie gehouden onderzoek naar sterfgevallen in politiebureaus waarvan ik u de eindrapportage bij brief van 7 september 2001 (BZK 01–772) heb doen toekomen, blijkt dat de arrestantenzorg in Nederland van een zeer goed niveau is.

Niettemin gaf dit onderzoek ook aan dat slechts een beperkt deel van de sterfgevallen en pogingen tot zelfdoding conform de daartoe geldende procedure aan mij werden gemeld. Hieronder zal ik daar nader op ingaan.

Europese toets

Per brief van 11 november 2002 (BUZA 02–443) heeft mijn ambtgenoot van Buitenlandse Zaken u doen toekomen het rapport van het Europees Comité ter Voorkoming van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing (CPT) over het bezoek van het CPT aan Nederland dat van 17 tot en met 26 februari 2002 heeft plaatsgevonden.

In dit rapport toont het CPT zich in het algemeen zeer tevreden over de voorzieningen in de bezochte instellingen, waaronder het cellencomplex van het hoofdbureau van het regionale politiekorps Amsterdam-Amstelland te Amsterdam. Het Comité doet wel een aantal algemene aanbevelingen, onder meer inzake de dagelijkse recreatie in de buitenlucht en de verstrekking van leesmateriaal voor ingeslotenen in een politiecel. Bij de regiokorpsen is hier aandacht voor gevraagd.

Het CPT bevestigt derhalve dat de arrestantenzorg bij de Nederlandse politie kwalitatief goed is.

Meldingsplicht

Relevant in het dossier arrestantenzorg is de wettelijke meldingsplicht in geval van pogingen tot zelfdoding en sterfgevallen in politiecellen. In het bovengenoemde onderzoek uit 2001 werd geconcludeerd dat deze meldingsplicht niet optimaal wordt nageleefd en dat met name onbekendheid met de meldingsplicht een belangrijke oorzaak voor het achterwege laten van de meldingen is. Bij toezending van de onderzoeksrapportage aan Uw Kamer is toegezegd dat er in samenspraak met onder meer de politieregio's en de politieberaden zou worden bezien op welke wijze verbeteringen doorgevoerd zouden kunnen worden. Daartoe is een aantal brainstormsessies met het politieveld georganiseerd. Daaruit is naar voren gekomen dat de meldingsprocedure herziening behoeft.

Mogelijke herziening van de meldingsprocedure

De voorgeschreven meldingsprocedure is – inmiddels tien jaar geleden – op verzoek van de Nationale ombudsman en de Coornhertliga tot stand gekomen. Reden was dat men destijds een deugdelijke registratie van sterfgevallen in politiecellen miste. Dit terwijl wanneer de politie personen insluit, zij een bijzondere en zwaarwegende verantwoordelijkheid voor de gezondheid en de veiligheid van deze ingeslotenen heeft. Daarbij kwam dat men veronderstelde dat (gezien het feit dat personen over het algemeen meer geëmotioneerd zijn dan bijvoorbeeld de personen die reeds in een gevangenis zijn beland) het risico op suïcide in politiecellen verhoogd is.

Niettemin kan inmiddels de vraag worden gesteld of een meldingsprocedure zoals momenteel voorgeschreven nog in een behoefte voorziet.

Het voornemen bestaat om in de toekomst een wijziging in de voorgeschreven meldingsprocedure door te voeren. Gedacht wordt aan de mogelijkheid om de regionale politiekorpsen niet rechtstreeks aan BZK, maar aan de inmiddels voor alle politieregio's ingestelde commissies van toezicht op de politiecellen-complexen te laten rapporteren over een poging tot zelfdoding of een sterfgeval in een politiecel. Jaarlijks brengt de commissie van toezicht een verslag uit van hetgeen in die politieregio is voorgevallen. Aan de korpsbeheerders kan gevraagd worden (een samenvatting van) dit verslag op te nemen in het korpsjaarverslag aan de hand van vooraf geformuleerde criteria. Indien tussentijdse gegevens nodig zijn, zijn deze direct opvraagbaar bij de desbetreffende korpsbeheerder.

Het behoort reeds tot de wettelijke taak van de regionale commisies van toezicht op de politiecellencomplexen om toe te zien op de veiligheid, verzorging, etcetera van de ingeslotenen. Deze taak kan immers alleen naar behoren worden uitgevoerd indien men ook op de hoogte wordt gesteld van incidenten in geval van poging tot suïcide, ernstige verwonding of zelfs overlijden van een ingeslotene. Het wordt, mede door de diverse vertegenwoordigers uit de politiekorpsen, op voorhand dan ook als een logische en praktisch goed uitvoerbare oplossing gezien om de commissies van toezicht een (meer) primaire rol bij de registratie van sterfgevallen in politiecellen toe te kennen.

Zodra het bovenstaande voornemen daadwerkelijk in aanpassingen in de regelgeving resulteert, informeer ik u daar nader over.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. W. Remkes