Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2002-200328811 nr. 1

28 811
Gebeurtenissen met betrekking tot H.K.H. Prinses Margarita de Bourbon de Parme en haar echtgenoot

nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER PRESIDENT, MINISTER VAN ALGEMENE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 maart 2003

Inleiding

In de afgelopen weken hebben H.K.H. Prinses Margarita de Bourbon de Parme en haar echtgenoot op verschillende wijzen aandacht gevraagd voor hun verstoorde relatie met de Koninklijke Familie. Zij voelen zich gegriefd en benadeeld door de behandeling die zij menen te hebben ondervonden van de zijde van andere leden van de Koninklijke Familie nadat zij een relatie en vervolgens een huwelijk waren aangegaan.

De prinses is geboren uit het in 1964 gesloten huwelijk van H.K.H. Prinses Irene en Z.K.H. Prins Charles Hughes de Bourbon de Parme waarvoor geen goedkeuring van de Staten-Generaal werd gevraagd en zij komt mitsdien niet in aanmerking voor de troonopvolging. Zij behoort dientengevolge niet tot het Koninklijk Huis. Het kabinet draagt derhalve geen verantwoordelijkheid voor het optreden van de prinses.

De afwezigheid van ministeriële verantwoordelijkheid voor het optreden van de prinses neemt niet weg dat betreurd moet worden dat de prinses gemeend heeft informatie en waarnemingen naar buiten te moeten brengen, welke zij op basis van haar nauwe betrokkenheid bij en directe toegang tot het Koninklijk Huis heeft verkregen. In iedere relatie vormt dit een ernstige schending van vertrouwen. Daar waar deze uitlatingen de persoon en het functioneren van de Koningin betreffen, kan de ministeriële verantwoordelijkheid in het geding zijn.

Bepaalde grieven van de prinses en haar echtgenoot betreffen direct of indirect het functioneren van overheidsdiensten waarvoor wij verantwoordelijkheid dragen. Het gaat daarbij om verwijten over inbreuken op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen. De verwijten met betrekking tot de aantasting van de zakelijke belangen van de heer De Roy van Zuydewijn zijn vooralsnog niet gesubstantieerd of gepreciseerd. Weliswaar is gesteld dat een vordering terzake (mede) tegen de Staat zal worden gericht, maar welke gedragingen hiervan de grond vormen is vooralsnog onbekend zodat daar in dit verband niet op ingegaan kan worden.

Voor een nadere duiding van de betrokkenheid van de verschillende actoren, waaronder de overheid(s)diensten, en het wettelijk kader dat daarvoor geldt moge het onderstaande dienen.

Koninklijke Familie en Koninklijk Huis

Het Koninklijk Huis is een publiekrechtelijk begrip waarbij de ministeriële verantwoordelijkheid het belangrijkste element vormt. Recent is de Wet lidmaatschap Koninklijk Huis gewijzigd. Het begrip Koninklijk Huis moet worden onderscheiden van het begrip Koninklijke Familie. De Koninklijke Familie wordt gevormd door de gehele familie van H.M. de Koningin. Voor de leden van de Koninklijke Familie die niet tevens lid zijn van het Koninklijk Huis geldt geen ministeriële verantwoordelijkheid.

Hoewel de formele grens tussen Koninklijk Huis en Koninklijke Familie scherp te trekken valt, is deze grens in de publieke aandacht minder scherp. Ook leden van de Koninklijke Familie die geen lid zijn van het Koninklijk Huis kunnen dicht bij de Koningin staan.

Het Kabinet der Koningin

Het Kabinet der Koningin is een overheidsorgaan en biedt de Koningin ambtelijke ondersteuning bij de uitvoering van haar staatsrechtelijke taken. Het fungeert als schakel tussen het staatshoofd en de ministers.

Het Kabinet der Koningin neemt daarbij in ons staatsbestel een aparte positie in. Het is géén deel van de hofhouding waarop art. 41 Grondwet betrekking heeft. Het is echter ook geen onderdeel van de ministeries ex art. 44 Grondwet. Het is niet hiërarchisch ondergeschikt aan een minister. Vice versa bestaat er ook geen verantwoordingsrelatie. Voor de Koningin geldt in ons staatsbestel dat iedere minister verantwoordelijk is voorzover het het taakgebied van zijn ministerie betreft, terwijl de minister-president de algemene verantwoordelijkheid voor de (onschendbare) Koningin draagt.

De verantwoordelijkheid voor het beheer van het Kabinet der Koningin ligt bij de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, via Hoofdstuk II van de Rijksbegroting (Hoge Colleges van Staat en Kabinet der Koningin).

De Binnenlandse Veiligheidsdienst

Ingevolge de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WIV 1987)1 heeft de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD), onder verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voorzover hier relevant, tot taak:

• gegevens te verzamelen omtrent personen en organisaties die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat (artikel 8, tweede lid, onder a; de letterlijke tekst is als bijlage bij deze brief gevoegd)2;

• veiligheidsonderzoeken te verrichten als bedoeld in de Wet veiligheidsonderzoeken (artikel 8, tweede lid, onder b; de letterlijke tekst is als bijlage bij deze brief gevoegd).

In het kader van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a is de BVD voor het verkrijgen van gegevens bevoegd zich te wenden tot andere overheidsorganen, overheidsdiensten of ambtenaren en voorts tot iedere burger. Voor het verkrijgen van persoonsgegevens is de BVD bevoegd in bij machtiging van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie gezamenlijk omschreven gevallen of soorten van gevallen, zich te wenden tot houders van verzamelingen van persoonsgegevens. Een dergelijke algemene machtiging is maximaal een jaar geldig. Jaarlijks werd deze gepubliceerd in de Staatscourant. Ingevolge artikel 17, derde lid (WIV 1987) blijven in deze gevallen de voor een houder van een persoonsregistratie geldende wettelijke voorschriften, zoals de Wet persoonsregistraties1 buiten toepassing. Zo behoeft niet te worden voldaan aan een eventuele verplichting om gegevens over die verstrekking vast te leggen.

Als de ernst van de bedreiging daartoe aanleiding geeft, is de BVD daarnaast bevoegd – na verkregen machtiging – gebruik te maken van verdergaande bevoegdheden, zoals volgen, observeren en afluisteren. Bij de keuze van het middel waarmee onderzoek wordt gedaan, is de BVD gebonden aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, hetgeen wil zeggen dat geen zwaarder middel wordt ingezet als met een lichter kan worden volstaan en dat het ingezette middel in verhouding moet staan tot de ernst van de bedreiging.

Aan personen en instanties die belast zijn met de bescherming van gewichtige belangen als bedoeld in de taakomschrijving van de BVD (zogenaamde belangendragers) is de BVD bevoegd gegevens te verstrekken, teneinde deze belangendragers in staat te stellen hun verantwoordelijkheid te dragen bij de bescherming van deze belangen.

In het kader van een veiligheidsonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder b (WIV 1987), geldt als voorwaarde dat de betreffende functie conform de Wet veiligheidsonderzoeken is aangewezen als een zogenaamde vertrouwensfunctie: een functie die de mogelijkheid biedt de veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat2 te schaden. Bovendien moet betrokkene vooraf schriftelijk hebben ingestemd met een aanmelding voor een veiligheidsonderzoek. De werkgever van de kandidaat vertrouwensfunctionaris licht hem in over de betekenis en rechtsgevolgen van de aanmelding. In het onderhavige geval ging het níet om het vervullen van een vertrouwensfunctie.

Ingevolge artikel 11 (WIV 1987) stelt het hoofd van de BVD de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij voortduring in kennis van al hetgeen van belang kan zijn. Deze verplichting geldt uiteraard ook voor het plaatsvervangend hoofd. In de nieuwe wet is deze bepaling overigens vervallen omdat dit een algemeen beginsel van ambtelijk handelen betreft.

Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging

De Minister van Justitie heeft het gezag over de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging (DKDB) van het Korps Landelijke Politiediensten. Dit is geregeld in artikel 38, eerste lid, onder c, van de Politiewet 1993. De DKDB is belast met het waken voor de veiligheid van leden van het Koninklijk Huis en andere door het bevoegd gezag aangewezen personen. Onder de laatste categorie vallen bijvoorbeeld de in Nederland verblijvende diplomaten, maar ook in Nederland woonachtige personen die in aanmerking komen voor persoonsbeveiliging.

Om zorg te dragen voor een adequate beveiliging van de leden van het Koninklijk Huis is het van belang dat de DKDB inzicht heeft in risico's en mogelijke dreigingen. De DKDB beschikt daarom over een eigen capaciteit voor het analyseren van informatie. Deze informatie wordt onder meer betrokken bij andere politiekorpsen, overheidsinstanties en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Op basis van de informatieanalyse wordt de operationele invulling van de beveiliging gestalte gegeven. De invulling van de vraag of er een onderzoek plaatsvindt en de wijze waarop, hangt af van de informatie die de ambtenaren van de DKDB verkrijgen. Een criterium hierbij is bijvoorbeeld of er sprake is van een bestendige relatie die een lid van de Koninklijke Familie heeft.

Tussen het Ministerie van Justitie en de DKDB vindt periodiek overleg plaats over de invulling van de wettelijke taakopdrachten van de DKDB. Mocht uit informatie van de DKDB blijken dat concrete dreigingen bestaan tegen leden van het Koninklijk Huis, dan worden de minister-president en de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ingelicht.

Feitelijke informatieverzameling

In januari 2000 heeft de Directeur van het Kabinet der Koningin besloten het toenmalige plaatsvervangend hoofd van de BVD te vragen naslag te doen in de eigen bestanden van de BVD, omdat de heer De Roy van Zuydewijn als mogelijk aanstaand echtgenoot van H.K.H. Prinses Margarita toegang zou kunnen krijgen tot het staatshoofd en de directe omgeving van het staatshoofd. In het betreffende gesprek heeft de Directeur van het Kabinet der Koningin voorts melding gemaakt van een aantal vragen die waren gerezen ten aanzien van de integriteit van de heer De Roy van Zuydewijn.

Het plaatsvervangend hoofd van de BVD is tot het oordeel gekomen dat deze informatie zodanig was dat moest worden gesproken van een ernstig vermoeden dat de veiligheid of andere gewichtige belangen van de Staat, meer in het bijzonder de integriteit van het Koninklijk Huis, mogelijk in gevaar zouden kunnen komen (artikel 8, tweede lid, onder a, WIV 1987). Hij heeft daarom besloten om naast de naslag in de bestanden van de BVD verder onderzoek te doen. In het onderzoek is een aantal externe bestanden geraadpleegd. Naast de gebruikelijke justitiële bestanden betreft dit gegevens van de gemeentelijke basisadministratie, het kadaster en de belastingdienst. De gegevens bij de belastingdienst gaven vervolgens aanleiding het dossier van de heer De Roy van Zuydewijn bij de gemeentelijke sociale dienst te Amsterdam in te zien. Voor de gang van zaken daarbij verwijzen wij naar het onderzoek dat de gemeente Amsterdam heeft verricht en openbaar heeft gemaakt. Hieruit moge blijken dat de BVD zich heeft beperkt tot inzage in het betreffende dossier en dat geen kopieën uit dat dossier zijn gemaakt. De adresgegevens uit deze bestanden zijn waar nodig geverifieerd. Er is in dit onderzoek geen gebruik gemaakt van enige bijzondere bevoegdheid, zoals bijvoorbeeld afluisteren, volgen en observeren.

Omdat het hier niet ging om een veiligheidsonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder b, WIV 1987 is het onderzoek niet aan de heer De Roy van Zuydewijn gemeld.

Over de bijzonderheden van de hiervoor genoemde vragen en de bevindingen uit het onderzoek hebben wij op 6 maart jl. vertrouwelijk gerapporteerd aan de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten, omdat het activiteiten van een inlichtingen en veiligheidsdienst betrof. Wij kunnen daarover hier geen mededeling doen.

Het resultaat van het onderzoek van de BVD was zodanig dat vragen omtrent de integriteit van de heer De Roy van Zuydewijn, waarvan de beantwoording relevant was, overbleven. Om die reden heeft het plaatsvervangend hoofd van de BVD de uit het onderzoek gebleken gegevens aan de Directeur van het Kabinet der Koningin gemeld. Deze was immers als overheidsorgaan de belangendrager en moest in staat worden gesteld om de resultaten van het onderzoek te beoordelen met het oog op de borging van de belangen waarvoor hij zorg draagt. De resultaten van het onderzoek zijn vervolgens aan de Directeur van het Kabinet der Koningin ter inzage gegeven. Daarbij is aangegeven dat deze gegevens niet aan onbevoegde derden mochten worden verstrekt.

Het feit dat geen gebruik is gemaakt van bijzondere bevoegdheden noch het voornemen daartoe bestond, heeft voor het plaatsvervangend hoofd van de BVD toen geen aanleiding gegeven de minister van BZK over het onderzoek te berichten. Gezien echter de gevoeligheid van activiteiten met betrekking tot de kring rond het staatshoofd moet achteraf worden gezegd dat dit wel wenselijk was geweest.

De onderzoeksgegevens die de BVD ter kennis heeft gebracht van de Directeur van het Kabinet der Koningin hebben uiteraard tot doel om te kunnen worden gebruikt. De kernvraag is hier in hoeverre de te verwachten uitbreiding van de persoonlijke kring rond het staatshoofd gevolgen kan hebben op het terrein van veiligheid en integriteit van het Koninklijk Huis. De BVD-rapportage bevatte gegevens die in samenhang een zodanig beeld gaven van betrokkene dat daaraan de conclusie kon worden verbonden dat nadere duidelijkheid, primair van de betrokkene zelf, gewenst was. Daarvoor was dus een gesprek met betrokkene aangewezen. Met het oog daarop is door de Directeur van het Kabinet der Koningin bezien welke personen de meest gerede waren om dit te doen. Gelet op het feit dat het de aanstaande echtgenoot van prinses Margarita betrof, lag het voor de hand daarbij allereerst in de kring van haar naaste familieleden te zoeken. Daarom zijn de vader en de oudste broer (mondeling en schriftelijk) ingelicht over enkele gegevens uit de BVD-rapportage. Later is ook Z.K.H. Prins Bernhard geïnformeerd.

Voor de goede orde zij erop gewezen dat de Directeur van het Kabinet der Koningin heeft verklaard dat zij de rapportage van de BVD niet zelf hebben ingezien. Het dossier van de sociale dienst te Amsterdam is uitsluitend ingezien door de BVD en is dus noch door de familie van de prinses noch door de Directeur van het Kabinet der Koningin ingezien.

Het verschaffen van informatie uit gegevens van de BVD aan anderen is soms noodzakelijk met het oog op het doel waarvoor de rapportage van de BVD wordt opgesteld. Dit is in de wet voorzien door artikel 12 WIV 1987. Deze bepaalt dat de BVD daartoe gemachtigd door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan andere overheidsorganen en -diensten rechtstreeks gegevens ter kennis kan brengen. Met het oog hierop voorziet dit artikel – blijkens de wetsgeschiedenis – in de mogelijkheid van een duurzame machtiging. Deze algemene machtiging is destijds overigens niet schriftelijk vastgelegd, maar was onder de WIV 1987 staande praktijk.

Aangezien de Directeur van het Kabinet der Koningin enkele familieleden heeft ingelicht over enkele gegevens uit de BVD-rapportage, kan de vraag rijzen of het vereiste van een machtiging op grond van artikel 16 WIV 1987 van belang is. Naar ons oordeel richt art. 16 WIV 1987 zich op het hoofd van de BVD en niet op de Directeur van het Kabinet der Koningin. Voorzover artikel 16 aan de orde zou zijn, biedt dit de mogelijkheid om aan anderen dan overheidsorganen persoonsgegevens te verstrekken. Daartoe kan het hoofd van de BVD machtiging van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vragen. Zou een dergelijke machtiging voor het gebruik van gegevens, zoals heeft plaatsgevonden door de Directeur van het Kabinet der Koningin, zijn gevraagd dan zou deze door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op de aanvraag van het hoofd van de BVD aan deze zijn verleend.

De contacten tussen de vader en de heer De Roy van Zuydewijn hebben niet geleid tot nieuwe inzichten die noopten tot nader handelen van de zijde van de overheid.

Toen het huwelijksvoornemen vastere vormen aannam heeft de DKDB in november 2000 een onderzoek ingesteld naar de heer De Roy van Zuydewijn. Vanwege die relatie zou de heer De Roy van Zuydewijn directe toegang kunnen krijgen tot leden van het Koninklijk Huis. Het onderzoek vond plaats, gelet op zijn wettelijke opdracht om te waken voor de veiligheid van de leden van het Koninklijk Huis.

Dit onderzoek bestond uit het raadplegen van een aantal registers: de Gemeentelijke Basisadministratie, het register van de Kamer van Koophandel, het HKS, naslag bij de BVD en uit verificatie van adresgegevens.

Omdat uit dit onderzoek geen nieuwe relevante feiten of omstandigheden naar voren kwamen over betrokkene, die een risico of bedreiging zouden kunnen vormen voor veiligheid van de leden van het Koninklijk Huis, heeft de DKDB over het onderzoek en de resultaten daarvan geen mededeling gedaan aan de minister van Justitie.

De prinses en haar echtgenoot hebben zich in de periode oktober 2001 tot de zomer van 2002 al dan niet door tussenkomst van een raadsman een aantal malen schriftelijk gewend tot de minister-president en de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie. Naast verzoeken om bemiddeling in de geschillen met de Koninklijke Familie, bevatten deze brieven vragen omtrent eventuele veiligheids- en/of andere onderzoeken van overheidsdiensten. Op dit laatste punt is geantwoord dat van een onderzoek niets bekend was. Recent is komen vast te staan dat bij die beantwoording ten onrechte het onderzoek door de BVD en het onderzoek door de DKDB niet betrokken zijn bij het aan de prinses en haar echtgenoot gezonden antwoord. Dit moet voor wat de BVD betreft, worden verklaard doordat bij de voorbereiding van de antwoorden op de brieven van de prinses en haar echtgenoot de informatie van de BVD zo goed was afgeschermd dat deze niet betrokken is bij de beantwoording. De procedures binnen de AIVD zijn hierop inmiddels aangepast. Op 6 maart jl. is door de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie, mede namens de minister-president, deze omissie in een brief aan de prinses en haar echtgenoot rechtgezet.

Belastingdienst

Er zijn ook vragen gerezen die samenhangen met het handelen van de Belastingdienst.

De behandeling van de persoonlijke belastingen (bijv. inkomstenbelasting en successierecht) van leden van de Koninklijke Familie vindt, enerzijds met het oog op de uitzonderlijke positie van deze belastingplichtigen, anderzijds ook in verband met het belang voor de eenheid van wetstoepassing, plaats door de directeur-generaal Belastingdienst1. De thesaurier van H.M. de Koningin treedt op grond van interne afspraken binnen de koninklijke familie op als gemachtigde voor de afhandeling van de persoonlijke belastingen. Alle correspondentie daarover wordt dan ook met hem gevoerd2. De thesaurier informeert de directeur-generaal Belastingdienst op het moment dat een nieuwe persoon tot de koninklijke familie toetreedt. Op dat moment treden de hiervoor beschreven procedures ook voor die persoon in werking.

De geautomatiseerde systemen van de Belastingdienst maken in een aantal gevallen poststukken aan die zijn geadresseerd aan leden van de koninklijke familie. Om te voorkomen dat deze stukken rechtstreeks aan de leden van de koninklijke familie worden toegezonden, krijgen deze het postadres van de directeur-generaal Belastingdienst mee. Deze stukken worden na ontvangst bij het directoraat-generaal Belastingdienst doorgeleid naar de thesaurier.

Toen de heer De Roy van Zuydewijn toetrad tot de Koninklijke Familie, heeft de Belastingdienst daarvan geen melding ontvangen. De post van de Belastingdienst is om die reden ook na zijn huwelijk aan het laatst van hem bekende adres gestuurd. Toen het aangiftebiljet inkomstenbelasting 2001 begin 2002 onbestelbaar retour kwam, is op de eenheid in eerste instantie gekeken of het adres van zijn echtgenote kon worden achterhaald. Dit is binnen de Belastingdienst standaardprocedure. Aldus is op 19 februari het postadres van de directeur-generaal als verzendadres voor de heer De Roy van Zuydewijn in de bestanden van de Belastingdienst opgenomen. Het aangiftebiljet is naar het postadres van de directeur-generaal Belastingdienst gestuurd en na ontvangst aldaar doorgeleid naar de thesaurier.

Omstreeks diezelfde tijd is de naheffingsaanslag omzetbelasting van 27 februari 2002 ten name van «EKW de (Eligo) Analyse & Advies» verzonden, ook naar het postadres van de directeur-generaal Belastingdienst. Deze naheffingsaanslag is in HP/de Tijd afgedrukt. Omdat de tenaamstelling van het poststuk niet kon worden thuisgebracht, is deze enveloppe opengemaakt door de secretaris van de Directeur-Generaal Belastingdienst. Vervolgens is contact gezocht met de betrokken eenheid van de Belastingdienst. Daaruit bleek dat het ging om een lid van de koninklijke familie, de heer De Roy van Zuydewijn. Na telefonisch contact hierover met de thesaurier is ook dit stuk naar de thesaurier doorgezonden.

Op 27 maart 2002 heeft de heer De Roy van Zuydewijn de eenheid Amsterdam per fax bericht dat hij er prijs op zou stellen dat de post van de Belastingdienst naar zijn eigen adres zou worden gestuurd. Diezelfde dag is dat in de systemen van de Belastingdienst aangepast.

Overig

Door ons is vastgesteld dat in dit kader geen van de daartoe gerechtigde overheidsdiensten gesprekken in een woning heeft afgeluisterd. Mochten ons desalniettemin concrete aanwijzingen bereiken, dan zullen wij daarnaar uiteraard diepgaand onderzoek instellen en zonodig passende maatregelen nemen.

Gelet op de bijzondere positie van de Nationale Ombudsman zijn wij in deze brief niet verder op het verkeer tussen het echtpaar en de Nationale Ombudsman ingegaan.

Conclusie

De beide onderzoeken zijn rechtmatig gedaan. Dit laat onverlet dat het wenselijk ware geweest dat de betrokken ministers tijdig op de hoogte waren gesteld van het feitelijke onderzoek en de relevantie van de onderzoeksgegevens. Hierover zijn nu sluitende afspraken gemaakt. Deze houden in dat de diensten verzoeken tot het naslaan van gegevens omtrent (potentiële) leden van de Koninklijke Familie melden aan de ministers. Voorts is afgesproken dat verzoeken dienaangaande van de Directeur van het Kabinet der Koningin via het ministerie van Algemene Zaken zullen worden gedaan. Deze afspraken zullen schriftelijk worden vastgelegd.

Wij zijn van oordeel dat er destijds voldoende aanleiding was voor het verrichte onderzoek door de BVD en de DKDB. Op basis van het BVD-onderzoek heeft de Directeur van het Kabinet der Koningin aanleiding gezien om over resterende vragen de meest effectieve weg te zoeken om nadere antwoorden te verkrijgen. Daarbij heeft hij gemeend dat buiten de familie waartoe de heer De Roy van Zuydewijn beoogde toe te treden, geen personen waren te vinden die uit hoofde van hun positie eerder geroepen waren een dergelijke rol te vervullen. Wij kunnen deze keuze billijken. Geconstateerd moet worden dat toen uit de nadere gesprekken met de heer De Roy van Zuydewijn geen nieuwe feiten of gezichtspunten naar voren kwamen, voor de BVD verder geen taak was weggelegd. De navorsingen van de DKDB leidden evenmin tot verdere actie.

Daarmee was de bemoeienis van de zijde van de overheid met de positie van de heer De Roy van Zuydewijn als (aanstaand) echtgenoot van H.K.H. Prinses Margarita geëindigd, afgezien van de hierboven genoemde reguliere contacten met de Belastingsdienst.

Tot slot

Met het inzicht geven in het handelen van de overheid in dit kader, hopen wij een bijdrage te hebben geleverd aan het wegnemen van vragen. Wellicht wordt daarmee ook ruimte geboden om langs andere wegen aan een oplossing te werken van de gerezen onmin. Binnen het mogelijke zullen wij daar gaarne aan bijdragen.

De Minister-President, Minister van Algemene Zaken, mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Justitie en de Staatssecretaris van Financiën,

J. P. Balkenende


XNoot
1

Met de inwerkingtreding van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2002 op 29 mei 2002 is de naam van de Binnenlandse Veiligheidsdienst gewijzigd in Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.

XNoot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

Deze wet is inmiddels vervangen door de Wet bescherming persoongegevens.

XNoot
2

Door de inwerkingtreding van de WIV 2002 worden deze belangen inmiddels aangeduid als nationale veiligheid.

XNoot
1

Zittingsjaar 1970–1971 stuk op nr. 10 683, nr. 5 (Memorie van antwoord).

XNoot
2

De behandeling van zakelijke belastingen (bijv. loonbelasting en omzetbelasting) vindt plaats door de «gewone» inspecteur.