28 810
Nederlands Voorzitterschap van de Raad van Europa (2003–2004)

28 687
Nederlands voorzitterschap van de OVSE in 2003

nr. 2
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 2 oktober 2003

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken1 heeft op 11 september 2003 overleg gevoerd met minister De Hoop Scheffer van Buitenlandse Zaken over het Nederlandse Voorzitterschap van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en het aanstaande Nederlandse Voorzitterschap van de Raad van Europa, waarvoor zijn geagendeerd:

Brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 4 maart 2003 houdende de notitie «Nederlands Voorzitterschap van de Raad van Europa (2003–2004), een eerste vooruitblik» (28 810, nr. 1);

Brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 2 juni 2003 ten geleide van het verslag van de activiteiten in het kader van het Nederlandse Voorzitterschap van de OVSE in de periode januari – mei 2003 (28 687, nr. 4);

Het verslag van het bezoek van de minister van Buitenlandse Zaken in zijn hoedanigheid van voorzitter van de OVSE aan Kazachstan, Oezbekistan, Tadjikistan, Kirgizië en Afghanistan (28 687, nr. 5).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

De fungerend voorzitter Ormel memoreert het tragische overlijden van de Zweedse minister van Buitenlandse Zaken, mevrouw Anna Lindh, aan de gevolgen van een moordaanslag en verzoekt de minister namens de vaste commissie de condoleances over te brengen aan de naasten van mevrouw Lindh, het Zweedse volk en de Zweedse regering.

Ook de minister was zeer geschokt door het bericht van het overlijden van zijn Zweedse collega, een zeer gezichtsbepalend mens in de kring van de Europese ministers van Buitenlandse Zaken. Hij hoopt dat haar politieke idealen door anderen verder worden uitgedragen. Zojuist heeft hij telefonisch namens de Nederlandse regering de condoleances aan de Zweedse ambassadeur overgebracht, maar zal dat uiteraard ook graag doen namens deze commissie.

Vragen en opmerkingen vanuit de commissie

De heer Van Winsen (CDA) constateert dat de informatie waarover de commissie beschikt nogal gedateerd is en verzoekt de minister dan ook mondeling de verdere voortgang in het kader van de OVSE en de Raad van Europa sinds maart resp. juni jl. te schetsen.

Hij zou het op prijs stellen als gedurende het voorzitterschap van Nederland van de Raad van Europa wat meer overleg met deze commissie werd gevoerd en in ieder geval ook met de parlementaire delegaties, wellicht voorafgaande aan de vier parlementaire assemblees.

Zijn fractie hecht grote waarde aan het voorzitterschap van zowel de OVSE als de Raad van Europa. Dat biedt een goede gelegenheid om initiatieven te nemen en aan- en bij te sturen. Uit de tussenrapportage maakt hij op dat Nederland daar tot nu toe redelijk in geslaagd is. Hij is verheugd over de meer interdepartementale benadering van het opzetten en uitvoeren van activiteiten. Wel hecht hij eraan dat meer de specifieke meerwaarde tot uitdrukking wordt gebracht van de Raad van Europa in vergelijking met andere organisaties. Volgens hem ligt de kracht van de Raad van Europa vooral op de punten waarop de werkzaamheden zich onderscheiden van andere organisaties. Hij vraagt zich af, of de regering wel voldoende tijd heeft genomen om zich op het voorzitterschap van de Raad van Europa voor te bereiden.

De financiële situatie van de Raad van Europa is nogal benard, met name die van het Europese Hof. Zijns inziens moet niet al te veel worden gerekend op vrijwillige bijdragen van de lidstaten. Heeft het Comité van Ministers al mogelijke oplossingen in gedachten?

Het is een goede zaak om de adviezen van de AIV (Adviesraad Internationale Vraagstukken) inzake internationale organisaties en zeker de Raad van Europa bij het opstellen van de activiteitenlijst te betrekken. Speciale aandacht vraagt zijn fractie wederom voor de nieuwe landen. De relatie daarmee zal grote inspanningen vergen. Als een soort Pan-Europees platform kan met name de Raad van Europa daarbij een grote rol spelen, bijvoorbeeld op gebieden als grenscontrole, grensbeheer, alle soorten trafficking, grensoverschrijdende samenwerking, minderheden, enz. Deze punten moeten hoog op de agenda blijven staan.

De CDA-fractie hecht grote waarde aan het behoud van ruimte voor de beleving en ontwikkeling van de culturele identiteit van minderheden, met name in sommige regio's van Centraal- en Oost-Europa, en aan godsdienstvrijheid en interreligieuze dialoog. Sociale integratie biedt tegenwicht aan politiek extremisme en separatisme. Mogen onder het Nederlandse voorzitterschap speciale initiatieven op dat punt worden verwacht?

Bij de versterking van de democratische instellingen van de lokale en regionale bestuurslagen kunnen en moeten NGO's dan ook een belangrijke rol spelen.

De herkenbaarheid en het imago van de Raad van Europa kunnen ook nog wel worden verbeterd. Zijn fractie denkt aan het instellen van een soort European Human Rights Award voor personen of instellingen die zich in het bijzonder hebben ingezet om vorm en inhoud te geven aan de basisgedachten van de Raad van Europa.

Het is een goede zaak dat het probleem van de Roma en Sinti ook voor de komende periode als prioriteit wordt gezien.

Hoe staat het met het uitvoeren van kleinere vredesoperaties in het kader van de OVSE waarover de Assemblee in Rotterdam vrijwel unaniem een resolutie heeft aangenomen?

Kan de minister nog iets zeggen over de huidige situatie in Tsjetsjenië en zijn inspanningen om Arjan Erkel vrij te krijgen?

De heer Van Winsen betreurt het ten slotte dat uit de voorbereidingen van de verkiezingen in Azerbaijan op 15 oktober duidelijk blijkt dat na 12 jaar onafhankelijkheid de weg naar democratie moeizaam verloopt en grote zorgen baart.

Mevrouw Karimi (GroenLinks) merkt op dat precies twee jaar na de aanslagen in New York en Washington de strijd tegen het terrorisme een allesbepalend agendapunt is. Die strijd levert echter spanning op met het respecteren van de mensenrechten. Niet vergeten mag worden dat terrorisme en extremisme een voedingsbodem nodig hebben, zoals dictaturen die de eigen bevolking onderdrukken. De OVSE kan een heel belangrijke rol spelen in de strijd tegen het terrorisme door te blijven pleiten voor respect voor mensenrechten en democratisering in landen die lid zijn of willen worden van de OVSE. In dat licht wil haar fractie de activiteiten onder het Nederlandse voorzitterschap bezien. Het verslag van het bezoek van de minister als CiO aan Centraal-Azië stemt haar niet echt tevreden. Dat is bij uitstek het gebied waar extremistische activiteiten plaatsvinden en het is dan ook bij uitstek het gebied om te blijven pleiten voor democratisering en respect voor mensenrechten. Uit het verslag blijkt dat de dictaturen die daar zitten meer met fluwelen handschoenen zijn aangepakt. Over Kazachstan wordt bijvoorbeeld gesteld dat er tekenen van vooruitgang zichtbaar zijn, maar welke tekenen zijn dat dan? Uit andere rapporten blijkt immers over het algemeen het tegendeel! Is deze manier van bejegening door de CiO van de OVSE wel zo effectief? In het rapport van de OVSE over de rechtsgang van Duvanov staat dat er heel veel zaken fout zijn gegaan maar dat die vertrouwelijk zijn behandeld. Uit de antwoorden op de daarover door haar schriftelijk gestelde vragen aan de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken blijkt, dat hij de opvattingen van zijn collega uit Kazachstan overneemt en dat het om privacyaangelegenheden gaat.

In het verslag wordt gesteld dat NGO's verdeeld denken over het politieprogramma van de OVSE in Kirgizië, maar mevrouw Karimi heeft begrepen dat er nauwelijks een goed woord over wordt gesproken.

Iedere keer weer lapt de regering van de Russische Federatie de OVSE-aanbevelingen inzake Tsjetsjenië aan haar laars. Op welke wijze wordt die regering daarop aangesproken?

Mevrouw Karimi memoreert de nuloptie die twee jaar geleden voor de Raad van Europa is afgesproken. Gelet op de benarde financiële situatie lijkt haar die niet meer te handhaven. Wat is op dat punt de inzet van het Nederlandse voorzitterschap van de Raad van Europa?

De achterstanden van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens maken het totaal ineffectief, terwijl het eigenlijk het belangrijkste instrument van de Raad van Europa is. Welke initiatieven mogen op dat punt van het Nederlandse voorzitterschap worden verwacht?

De heer Koenders (PvdA) spreekt zijn waardering uit voor de manier waarop Nederland het voorzitterschap van de OVSE aanpakt. Hij heeft begrip voor de manier waarop de CiO en zijn team de situatie in Centraal-Azië tegemoet treden, maar vindt met mevrouw Karimi toch een wat krachtiger aanpak nodig.

Naast de vele nadelen van de OVSE ziet hij ook wel enkele voordelen, zoals een brede hoeveelheid leden, en mogelijkheden, zoals conflictvoorkoming en hulp in de tijd na conflicten. Hij maakt zich grote zorgen over de opvolging van de Hoge Commissaris voor de Minderheden. Hij hoort heel weinig van de heer Ekéus – over het algemeen werkt hij ook meer achter de schermen – en het gewenste profiel komt maar niet naar voren.

Waar liggen daar volgens de minister de mogelijkheden en beperkingen voor de OVSE na de conflicten in Georgië, Moldavië en Wit-Rusland?

Ook maakt hij zich zorgen over de situatie binnen de OVSE, met name waar het gaat om landen die vinden dat er dubbele standaarden zijn. De OVSE is alleen aanvaardbaar als zij niet alleen kritiek uit op landen zoals in Centraal-Azië, maar zo nodig ook op landen in de «eigen» regio. Zo betreurt hij het zeer dat niet actiever is opgetreden in Italië. Zowel op het punt van de media als van de scheiding van machten hoort de OVSE en haar CiO een rol te spelen, ook als dat gevoelig ligt en moeilijk is. Hij waardeert het zeer dat mensenhandel, mensensmokkel en vrouwenhandel wel door het Nederlandse voorzitterschap zijn geagendeerd. Hebben daarbij de vragers ook voldoende aandacht gekregen? In het kader van de mensenrechten denkt hij al gauw aan Guantanamo Bay. Als men geen dubbele standaarden wil, moet dat ook in Westerse landen worden bestreden. Het is de heer Koenders nog niet duidelijk welk resultaat wordt beoogd met de ministeriële bijeenkomst in Maastricht op 1 en 2 december. Ook verneemt hij graag wat nu de uitkomsten waren van de Annual Security Review Conference.

Over het algemeen is het Nederlandse voorzitterschap in Tsjetsjenië zijns inziens goed opgetreden. Wel vraagt hij zich af, of in de onderhandelingen met de Russische Federatie de kwestie van de mensenrechten niet ietwat op de achtergrond is geraakt. De vier benoemde thema's bevatten weliswaar mensenrechtencomponenten, maar die moeten volgens hem dan wel fors worden geëxpliciteerd. Hij is er zeker niet voor dat de OVSE daar iets doet ter verificatie van verkiezingen, maar zij kan wel andere dingen doen waarmee zij haar betrokkenheid op een wat objectievere wijze kan tonen. Als voorbeeld noemt hij het identificeren van slachtoffers. Welke lessen trekt de minister waar het gaat om de Raad van Europa en het komende Nederlandse voorzitterschap uit de bijzonder moeilijke relatie met de Russen die inderdaad lak hebben aan de aanbevelingen van de OVSE omdat de strijd tegen het terrorisme meer aandacht krijgt? De heer Koenders hoopt in dit verband dat deze minister positiever staat tegenover het statenklachtrecht dan zijn voorganger.

Bij verkiezingen is een belangrijke rol voor de CiO weggelegd. De waardering van verkiezingen is over het algemeen afhankelijk van de stand van zaken van de democratie. Van sommige verkiezingen staat al bij voorbaat vast dat ze niet vrij zullen zijn en de OVSE zou zich dan ook moeten afvragen of zij ze dan wel moet waarnemen. Wat is het beleid op dat punt en wie worden er als hoofd waarneming bij dergelijke missies betrokken?

Wat betreft de Raad van Europa en het Europese Hof vraagt de heer Koenders nog hoe het staat met de uitvoering van de motie-Van Oven/Blaauw.

Hij heeft begrepen dat er verleden jaar zo'n 9600 agendapunten zijn geweest. Voor het Nederlandse voorzitterschap is er ook een hele lijst onderwerpen opgesteld waar hij zich voor het grootste deel niets bij kan voorstellen. Kan dat niet worden gestroomlijnd en geprioriteerd? Wat is nu de meerwaarde voor de Raad van Europa van dure seminars voor hogere ambtenaren over de integratie van grote steden? Waarom worden daar geen burgers en maatschappelijke organisaties bij betrokken? Wat moet hij zich voorstellen bij een seminar over het openbare bibliotheekwezen? Hij pleit ervoor om de nadruk te leggen op migratie en media.

De heer Wilders (VVD) vraagt op welke punten de interne structuur en de effectiviteit van de OVSE gelet op het AIV-advies en de brief van de regering van verleden jaar zijn verbeterd, waarbij hij vooral doelt op de samenwerking tussen het secretariaat en de CiO.

Van de missie van de Nederlandse CiO naar Centraal-Azië heeft hij een wat dubbel gevoel overgehouden. Als de minister over bijvoorbeeld de doodstraf of mensenrechten sprak, zaten zijn gastheren of naar het plafond te staren of hielden zij zich met andere zaken bezig. Ook zijn fractie heeft begrepen dat het democratiseringsproces in veel landen nog niet erg wil vlotten. Met de minister is hij het eens dat het moet worden gezien als «werk in uitvoering» en ook hij ziet wel in dat er eigenlijk geen alternatief is. Als de OVSE niet naar die landen gaat, wordt de situatie er in ieder geval niet beter op. Heeft de minister het gevoel dat zijn missie een concrete bijdrage heeft geleverd en, zo ja, op welke punten?

Heeft de heer Wilders goed begrepen dat de minister er op een bepaald moment voor heeft gepleit om een vredesmacht naar Moldavië te sturen? Zo ja, waarom? Kan hij iets meer zeggen over de huidige situatie aldaar? Zorgen baart het hem dat bijvoorbeeld Transnistrië zijn financiële middelen verkrijgt door steun aan terroristen, wapenhandel, handel in nucleair materiaal, enz. en dat ook nog met de verkeerde landen. Als hij in de stukken leest dat er een positieve dialoog met Transnistrië wordt gevoerd, vraagt hij zich af hoe zo'n positieve dialoog kan worden gevoerd als deze zaken niet duidelijker aan de orde worden gesteld.

Hij verzoekt de minister wat dieper in te gaan op de zorgelijke situatie in Macedonië.

Het is volgens hem inherent aan een organisatie als de OVSE dat concrete doelen moeilijk zijn te stellen en na te komen. Over uitbreiding van het handvest ter bestrijding van terrorisme zijn de nodige conferenties gehouden, maar waar hebben die nu concreet toe geleid? Hetzelfde geldt voor trafficking. Kan de minister daar wellicht iets concreter op ingaan?

Hoe staat het in Rusland met de implementatie van mensenrechten? Toen Rusland toetrad voldeed het bij lange na nog niet aan de criteria maar werd het meer om politieke redenen toch toegelaten met de toezegging dat er alles aan zou worden gedaan om het land zo snel mogelijk wel aan die criteria te laten voldoen. De heer Wilders ziet dan ook graag dat het Nederlandse voorzitterschap werd gebruikt om daar expliciet de aandacht op te blijven richten.

Antwoord van de minister

Het verheugt de minister dat er zowel bij de Raad van Europa als bij de OVSE sprake is van een constructieve parlementaire betrokkenheid. Met inachtneming van eenieders verantwoordelijkheden zal er dan ook zeker overleg plaatsvinden met de Nederlandse leden voorafgaande aan de vergaderingen van de assemblee. Zijns inziens is de meerwaarde van de Raad van Europa aanzienlijk, hoewel hij moet erkennen dat die bij de burgers niet veel bekendheid geniet. De terreinen waarop de Raad van Europa actief is, zijn uniek, zij het dat zij ten dele worden overlapt door hetgeen de OVSE doet. Een van de ambities van het Nederlandse voorzitterschap is dan ook een betere afstemming tussen de Raad van Europa, de OVSE en de Europese Unie. Volgens hem is er voldoende tijd voor een grondige voorbereiding van het Nederlandse voorzitterschap. Na de brief van 4 februari jl. is die natuurlijk doorgegaan.

Het idee van de CDA-fractie over een mensenrechtenprijs spreekt hem zeer aan, maar lijkt hem toch bij uitstek een idee dat vanuit de parlementaire assemblee naar voren zou moeten komen. Hiermee zou de bekendheid van de Raad van Europa in ieder geval op één van de gebieden waarmee hij zich bezighoudt zeker vergroot kunnen worden. Voorts wijst hij in dit verband op de website over het Nederlandse voorzitterschap, nieuwsbrieven, een lezingencyclus, bijvoorbeeld over de jurisprudentie van het Hof voor de rechten van de mens, over mensenhandel, minderheden, persvrijheid, integriteit van het openbaar bestuur, lokale en regionale bestuurskracht. In geen enkel ander Europees orgaan worden dit soort aspecten immers aan de orde gesteld. Recent heeft de Vertegenwoordiger voor de vrije media uitgebreid gereageerd op de mediaconglomeraten in handen van de huidige Italiaanse premier en op Guantanamo Bay, waarvan ook de Nederlandse regering van mening is dat de situatie daar niet strookt met de gebruikelijke juridische waarborgen voor detentie en procesgang.

Een van de problemen van de OVSE is volgens de minister het jaarlijks wisselende voorzitterschap. Daartoe is ook de trojka in het leven geroepen. Bij het laatste bezoek van die trojka aan de volgende voorzitter, Bulgarije, is afgesproken dat belangrijke prioriteiten van het Nederlandse voorzitterschap – zoals Centraal-Azië en trafficking – worden overgenomen. Het secretariaat in Wenen is ook versterkt om het nieuwe voorzitterschap te blijven ondersteunen. Dat zal de continuïteit van aandachtspunten en beleid alleen maar kunnen bevorderen. Omdat Nederland ook volgend jaar deel van die trojka uitmaakt, kan dat ook worden gemonitord.

De kwestie van de Roma en Sinti is niet alleen in de OVSE aan de orde, maar krijgt ook de nodige aandacht binnen de Raad van Europa en de Europese Unie. Afgelopen juli is er in Hongarije een conferentie gehouden over de Roma en Sinti.

Hij is de mening toegedaan dat de OVSE niet zelfstandig militaire vredesoperaties moet uitvoeren, maar zich moet beperken tot het «politieke dak» ervan en wellicht daartoe bijvoorbeeld het mandaat zou kunnen geven.

Met de commissie maakt hij zich grote zorgen over de verkiezingen in Azerbaijan. Het conflict tussen Azerbaijan en Armenië kan echt een «frozen conflict» worden genoemd. Je kunt alleen maar hopen dat de situatie na de verkiezingen verbetert. Uiteraard heeft ook ODIHR op dat punt de nodige zorgen. In juli is daarom een needs assessment mission uitgevoerd. De Azerbaijaanse oppositie dringt aan op een brede waarnemingsmissie. Nederland stuurt daartoe 15 korte en 2 lange waarnemers. De minister twijfelt eraan of dat de transparantie van de verkiezingen substantieel zal bevorderen, maar het lijkt hem toch het beste om in ieder geval iets te doen, zodat achteraf gemotiveerd kan worden gesteld dat de verkiezingen niet vrij zijn geweest.

Datzelfde geldt volgens hem voor Centraal-Azië. Als hij als CiO van de OVSE daar niet naar toe zou zijn gegaan, had niemand anders dat gedaan. De OVSE moet daar dus naar toe blijven gaan. Ook al heeft het vaak weinig direct resultaat, het ondersteunt in ieder geval de OVSE-missies die daar zijn en in moeilijke omstandigheden hun werk moeten doen. Op alle persconferenties die hij tijdens zijn bezoek heeft gehouden, heeft hij zeer uitgebreid aandacht besteed aan mensenrechten en de doodstraf, vaak met de daarvoor verantwoordelijke politici naast hem. Waarschijnlijk hadden ze dat nog nooit meegemaakt van een Westerse minister van Buitenlandse Zaken in zijn rol als CiO. Hij is het er dan ook niet mee eens dat hij een fluwelen handschoen heeft aan gehad. Als hij bruter had gereageerd, zou de dialoog alleen maar moeilijker zijn geworden. Nu kan hij nog contact opnemen met individuele ministers aldaar en individuele gevallen aan de orde stellen. Hij pleit er met nadruk voor om deze regio's en landen te blijven bezoeken en daar de aandacht te blijven vestigen op zaken die niet stroken met de doelstellingen op het gebied van mensenrechten en bestrijding van het terrorisme. Daarom moet het politieprogramma in Kirgizië ondersteund blijven worden, ook al denken de NGO's daar heel verschillend over. Er zal een balans moeten worden gevonden tussen het aan de orde stellen van de wantoestanden in die landen en het feit dat deze landen nodig zijn in het kader van de bestrijding van het terrorisme.

In Kazachstan heeft bij de kwestie-Duvanov nadrukkelijk aan de orde gesteld en gewezen op het belang van een eerlijke rechtsgang. De zaak-Duvanov loopt nu in hoger beroep, waarbij het OVSE-rapport een rol speelt. De OVSE-vertegenwoordiger volgt dat proces nauwgezet. Het rapport en de reactie daarop van de Kazachstaanse regering zijn toegezonden aan de lidstaten van de OVSE en besproken in de Permanente Raad op 5 juni jl. Het voorzitterschap en de lidstaten zullen de verdere rechtsgang blijven volgen, mede aan de hand van de bevindingen van de OVSE-rapporteurs. Duvanov heeft meegedeeld de president geen clementie te zullen vragen. De Kazachstaanse minister van Buitenlandse Zaken heeft toegegeven dat het OVSE-rapport inderdaad enkele reële tekortkomingen van de rechtsgang aangeeft. Als CiO heeft de minister de president duidelijk gemaakt dat de OVSE zich het recht voorbehoudt om niet alleen individuele gevallen aan te kaarten maar ook de rule of law en de regels van een goede rechtsgang. Mede vanwege het hoger beroep acht de minister het niet het juiste moment om in dit stadium al verdere stappen te zetten. Uiteraard zal hij de Kamer over het verdere verloop van het hoger beroep informeren.

Wat Arjan Erkel betreft hecht de minister eraan daarover niet al te veel in het openbaar te zeggen. De Kamer kan er in ieder geval van overtuigd zijn dat ook de Nederlandse regering alle registers opentrekt om hem levend vrij te krijgen.

De situatie in Tsjetsjenië baart ook de minister grote zorgen. Na terugtrekking van de OVSE-missie wordt bezien of met Rusland opnieuw overeenstemming kan worden bereikt over projecten waarbij de mensenrechtencomponent zeker niet uit het oog zal worden verloren. Ambassadeur Everts voert daarover vandaag overleg in Moskou. Over twee weken spreekt de minister zijn Russische collega en zal daarbij enige souplesse aan Russische kant bepleiten. Bij het eerdere referendum in Tsjetsjenië is er een gecombineerde technische missie geweest van ODIHR en de Raad van Europa. Wat de verkiezingen betreft, blijft hij grote zorgen en twijfels houden die hij ook zeker in de richting van zijn Russische collega zal uiten. Het is uitermate teleurstellend te moeten constateren dat er op dit moment geen schot in zit. Als de OVSE iets mag doen, moet het wel iets serieus zijn en moet dat ook zeker met mensenrechten te maken hebben. Hoewel de situatie niet verbetert, blijft hij het zijn plicht vinden als CiO en als Nederlandse minister om de dialoog met Rusland hierover open te houden en de Russische regering daarop aan te spreken. Aan de andere kant moet ook oog worden gehouden voor het feit dat de tegenpartij van Rusland in dit conflict het met de mensenrechten ook niet zo nauw neemt en dat Tsjetsjenië, hoe men daar ook over denkt, toch deel uitmaakt van de Russische Federatie. Desgevraagd stelt hij met nadruk dat hij niet overweegt om het instrument van de statenklacht in te zetten, niet als CiO maar ook niet als Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken. Hij is er gelet op de moeizame verhoudingen met de Russische Federatie op dit moment niet van overtuigd dat dit een bijdrage zal leveren aan hetgeen zowel de Raad van Europa als de OVSE op een aantal terreinen van de Russische Federatie verlangen. Bovendien zou het erop lijken dat in alle andere instrumenten van zowel de Raad van Europa als de OVSE geen vertrouwen meer bestaat en heeft de statenklacht tegen Turkije bijvoorbeeld ook niet zoveel resultaat gehad.

Met de Hoge Commissaris voor de nationale minderheden die per definitie achter de schermen werkt, heeft de minister regelmatig contact over alle onderwerpen waarvoor hij verantwoordelijk is. Door de eigen structuur van de OVSE kan een CiO echter geen instructies geven aan bijvoorbeeld de Hoge Commissaris voor de nationale minderheden en Vertegenwoordiger voor de vrije media.

Ook waar het gaat om Moldavië is contact met alle partijen nodig om in ieder geval te proberen de situatie te verbeteren. Er is voor Moldavië op dit moment een joint constitutional commission ingesteld. De discussie richt zich met name op de vraag of het een federatie moet worden en, zo ja, een symmetrische of asymmetrische. Via de speciale vertegenwoordiger van de CiO en de OVSE-ambassadeur ter plaatse vindt er ook regelmatig contact plaats met de president van Moldavië. Tijdens zijn recente bezoek is de minister ook in Transnistrië geweest. Via het bij elkaar brengen van direct relevante partijen – waaronder de Russische Federatie en Oekraïne – zal worden geprobeerd om een gemeenschappelijk aanvaarde verklaring over de toekomst op te stellen die als leidraad kan worden meegegeven aan die constitutional commission. Pas daarna zou kunnen worden overwogen of de OVSE kan bijdragen aan het bewaken van de naleving van een eventueel akkoord, zoiets als een vredesmissie. Op dit punt probeert hij als CiO te sturen, ook omdat Moldavië een directe buur van de OVSE wordt als Roemenië te zijner tijd toetreedt tot de EU. Complicerende factor hierbij is dat Rusland dat volgens de Istanbul-verplichtingen zijn munitie per trein moet terugbrengen van Moldavië naar de Russische Federatie en niet meer aan die verplichting zegt te kunnen voldoen wegens een conflict met de heer Smirnov. Als er in het geval van één frozen conflict enige beweging mogelijk is, dan is dat wel in Moldavië. Vandaar de initiatieven van het voorzitterschap op dat gebied. Hij is het overigens wel eens met de analyse van bijvoorbeeld de heer Wilders over Transnistrië al moet hij als CiO en als minister van Buitenlandse Zaken wel oppassen voor harde beschuldigingen als er geen harde bewijzen tegenover staan. Nogmaals, voor een oplossing is de bereidheid van alle partijen noodzakelijk. Dat alles neemt niet weg dat hij als minister van Buitenlandse Zaken deze kwestie kritisch in de Europese Unie aan de orde blijft stellen en als CiO de OVSE zich laat richten op border monitoring en het aanspreken van Oekraïne op dat punt. Veel wapens gaan immers over de grens met Oekraïne.

De OVSE speelt gelukkig een substantiële rol in Georgië. Samen met de Raad van Europa is bemiddeld bij de benoeming van de voorzitter van het centrale verkiezingscomité. ODIHR organiseert een grootschalige waarnemersoperatie voor zowel de korte als de langere termijn en heeft ook verkiezingsexperts toegevoegd aan de OVSE-missie die de autoriteiten technische assistentie verlenen.

In Macedonië loopt de spanning jammer genoeg op. Recent hebben er nogal wat gewelddadige incidenten en ook vuurgevechten tussen Albanese Macedonische extremisten en Macedonische politie-eenheden plaatsgevonden. Tot op heden gaat het gelukkig nog om incidenten en bestaat er geen aanleiding om te vrezen voor een grotere actiebereidheid van etnische Albanezen in Noordoost Macedonië. De spanningen lijken het gevolg van de redelijk succesvolle terugkeer van multi-etnische politie-eenheden in de voormalige crisisgebieden. De situatie aldaar wordt in ieder geval nauwgezet gevolgd.

Hij erkent dat de ministeriële vergaderingen van de OVSE steeds meer dreigen te vervallen in het voorlezen van 55 van tevoren opgestelde verklaringen omdat er niet veel ministers meer komen. Het Nederlandse voorzitterschap hoopt dat teksten over regionale conflicten zoveel mogelijk kunnen worden afgedaan in Wenen, waarmee wordt voorkomen dat op ministeriële vergaderingen eindeloos wordt onderhandeld over punten en komma's. Op deze manier en door een thematische aanpak hoopt hij zijn Russische en Amerikaanse collegae naar Maastricht te krijgen. Zo hoopt de minister in Maastricht overeenstemming te kunnen bereiken over een strategie inzake nieuwe bedreigingen en uitdagingen voor de OVSE, zoals regionale en binnenstatelijke conflicten, terrorisme, discriminatie, intolerantie, trafficking. Dat zijn zaken waarover ministers met elkaar horen te praten. Als aan het eind van die vergadering een zekere mate van overeenstemming op die punten kan worden geconstateerd en de weg duidelijk wordt waarlangs de OVSE oplossingen kan c.q. moet bewerkstelligen, wordt daarmee de toegevoegde waarde van de OVSE ook duidelijker. Op het gebied van trafficking lijkt het de minister van belang om een instrument in het leven te roepen dat zich daar speciaal op gaat richten en alle daarbij betrokken landen gaat monitoren.

Wat betreft de Raad van Europa erkent de minister volmondig dat het heel wat prioriteiten zijn en dat het noodzakelijk zal zijn zich op enkele te concentreren. Dat neemt niet weg dat alle benoemde prioriteiten zich richten op gebieden waarop de Raad van Europa sterk is, zoals het grote-stedenbeleid, inburgering en integratie, interreligieuze en interculturele dialoog. Het spreidingsbeleid waarover in Nederland op dit moment een intensieve discussie wordt gevoerd, is bij uitstek een onderwerp dat goed binnen de Raad van Europa kan worden besproken. Natuurlijk is het niet de bedoeling dat alleen hoge ambtenaren daarover praten, maar hun rapport zou er bijvoorbeeld wel toe kunnen leiden dat er op politiek niveau meer aandacht aan wordt besteed. Echter, gelet op de opmerkingen hierover vanuit de commissie zegt hij toe contact op te nemen met de desbetreffende collega-ministers om te bezien of al deze symposia wel nodig zijn en of ze inderdaad wel voldoende toegevoegde waarde hebben. Over de resultaten daarvan zal hij de Kamer uiteraard nader informeren.

Een duidelijke prioriteit, ook in financiële zin, zal het Nederlandse voorzitterschap leggen bij het Hof. Het is de bedoeling dat door de Raad van Europa in 2003 8 mln euro extra voor het Hof beschikbaar wordt gesteld en in 2004 4,5 mln euro extra.

Sommige landen dringen aan op een Top van de Raad van Europa op korte termijn. De minister is van mening dat eerst duidelijk moet zijn waarover die dan moet gaan. Onder het Nederlandse voorzitterschap hoeft men dan ook geen grote drang op dat punt te verwachten, al kan dat natuurlijk nooit worden uitgesloten, maar dan moet het onderwerp er ook wel naar zijn.

Ten slotte zegt de minister toe de commissie nader te informeren over de uitvoering van de motie-Van Oven/Blaauw.

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,

De Haan

De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,

Van Oort


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Terpstra (VVD), Rijpstra (VVD), Dijksma (PvdA), De Haan (CDA), voorzitter, Koenders (PvdA), Karimi (GroenLinks), Timmermans (PvdA), ondervoorzitter, Van Bommel (SP), Albayrak (PvdA), Eurlings (CDA), Wilders (VVD), Van Baalen (VVD), Van As (LPF), Herben (LPF), Ormel (CDA), Ferrier (CDA), Duyvendak (GroenLinks), Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Van Velzen (SP), De Nerée tot Babberich (CDA), Van Dijk (CDA), Fierens (PvdA), Tjon-A-Ten (PvdA), Eijsink (PvdA), Brinkel (CDA) en Szabó (VVD).

Plv. leden: Oplaat (VVD), Snijder-Hazelhoff (VVD), Dubbelboer (PvdA), Hessels (CDA), Stuurman (PvdA), Vos (GroenLinks), Arib (PvdA), De Wit (SP), Leerdam (PvdA), Sterk (CDA), Hirsi Ali (VVD), Van Miltenburg (VVD), Varela (LPF), Van den Brink (LPF), Haverkamp (CDA), Rambocus (CDA), Halsema (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), Kant (SP), Eski (CDA), Çörüz (CDA), Wolfsen (PvdA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Waalkens (PvdA), Van Winsen (CDA), Geluk (VVD) en Dittrich (D66).

Naar boven