28 807 Vogelpestcrisis (Aviaire influenza)

Nr. 191 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 april 2015

Het is van belang meer kennis te verkrijgen over de factoren die een rol spelen bij de besmetting van een pluimveebedrijf met vogelgriep. Het is wetenschappelijk vastgesteld dat vrije uitloop voor pluimvee een risicofactor is voor het oplopen van vogelgriepinfecties. Het CVI heeft daarbij berekend dat legpluimvee van uitloopbedrijven in Nederland een 7,7 keer grotere kans hebben om besmet te raken met een vogelgriepvirus dan legpluimvee van traditionele bedrijven die de legkippen binnen houden.

Daarnaast is het algemeen bekend dat wilde watervogels een natuurlijk reservoir zijn voor vogelgriepvirussen. Dit is daarom het meest voor de hand liggende aanknopingspunt voor het verhoogde risico van de uitloop. Om adequate maatregelen te kunnen nemen om het risico van de vrije uitloop te verminderen is meer kennis nodig over specifieke risicofactoren. Vragen zoals het belang van de verschillende (water)vogelsoorten, wanneer worden wilde (water)vogels besmet met vogelgriepvirussen en met welke maatregelen kunnen de risicosoorten uit de uitloop worden geweerd, moeten worden beantwoord.

Om meer kennis te verkrijgen over risicofactoren heb ik verschillende onderzoeken uitgezet. Eén onderzoek is recent afgerond (zie bijlage voor rapport1). Enkele vervolgonderzoeken zijn dit jaar gestart. In deze brief informeer ik u over deze onderzoeken.

Risicofactoren voor introductie van laag-pathogeen aviaire influenzavirus op legpluimveebedrijven met vrije uitloop in Nederland

In dit onderzoek zijn 40 uitloopbedrijven met een vogelgriepverleden (LPAI) aan de hand van vragenlijsten vergeleken met 81 uitloopbedrijven waar nooit vogelgriep is gevonden. Voor statistische analyses zijn dit relatief kleine aantallen. Hiermee kunnen alleen relatief belangrijke risicofactoren worden gevonden, die een sterk verband hebben met vogelgriepbesmettingen. Twee conclusies van dit onderzoek zijn:

  • 1. uitloopbedrijven waar de pluimveehouder vaak eenden in de uitloop ziet, zijn relatief vaker besmet, en

  • 2. uitloopbedrijven op kleigronden zijn relatief vaker besmet dan uitloopbedrijven op andere grondsoorten.

De kans op een besmetting van een LPAI-virus op een uitlooplegbedrijf is 3,3 (met een 95% betrouwbaarheidsinterval van 1,2 tot 9,7) keer groter als de pluimveehouder tenminste één keer per week wilde eenden in de vrije uitloop ziet, vergeleken met uitlooplegbedrijven waar minder vaak eenden worden gezien. Deze bevinding bevestigt de indruk dat wilde eenden een rol spelen bij de insleep van vogelgriepvirussen op pluimveebedrijven. Deze relatie werd in dit onderzoek niet voor andere wilde (water)vogels, bijvoorbeeld ganzen, gevonden.

Legpluimveebedrijven met vrije uitloop op kleigrond hebben een 5,8 (met een 95% betrouwbaarheidsinterval van 2,2 tot 15,1) keer grotere kans op een besmetting met een LPAI-virus dan legpluimveebedrijven met vrije uitloop op andere grondsoorten. De associatie tussen een grotere kans op LPAI-besmetting en kleigrond is indirect (kleigrond heeft geen directe relatie met vogelgriep). Maar kleigronden liggen over het algemeen in waterrijke gebieden en zijn vaak watervogelrijk.

Vervolgonderzoeken

Om de betrouwbaarheid van de hiervoor genoemde associaties verder te vergroten en om te proberen deze directer in verband te brengen met het voorkomen van open water en bepaalde watervogelsoorten, heb ik het Centraal Veterinair Instituut (CVI) gevraagd deze relaties nader te onderzoeken door middel van een ruimtelijke analyse. In deze analyse worden naast de uitloopbedrijven ook alle andere pluimveebedrijven meegenomen.

Het CVI zal deze analyse naar verwachting over twee maanden opleveren. Met de uitkomsten van deze analyse zal ik de discussie met de pluimveesector aangaan over de vraag hoe we met deze kennis het aantal vogelgriepuitbraken kunnen verminderen.

Daarnaast heb ik dit jaar twee onderzoeken naar het risico van de uitloop uitgezet:

  • 1. Bepalen of er een bepaalde periode voor introductie van vogelgriep op uitloopbedrijven kan worden vastgesteld.

De introductie van LPAI-virussen op (uitloop)bedrijven lijkt het hele jaar door plaats te vinden. Monitoring van wilde watervogels laat zien dat LPAI-virussen bij deze vogels het hele jaar door worden gevonden. De besmettingsgraad van wilde watervogelpopulaties varieert wel gedurende het jaar. Om na te gaan of er voor uitloopbedrijven in bepaalde periodes van het jaar toch een hoger risico bestaat, is dit jaar een onderzoek gestart. Voor dit onderzoek worden de komende twee tot drie jaar bij uitloopbedrijven maandelijks monsters verzameld en bewaard.

Op met vogelgriep besmette bedrijven kan er aan de hand van deze monsters met grotere zekerheid worden bepaald in welke maand het bedrijf besmet is geraakt. Daarmee hopen we inzicht te krijgen of er een vaste periode met een verhoogd risico bestaat. De eerste resultaten van dit onderzoek worden eind 2016 verwacht.

  • 2. Veldonderzoek naar wilde vogels, de inrichting en omgeving van het uitloopbedrijf en aanvullend onderzoek naar de infectiedynamiek in ganzen.

In het onderzoek »risicofactoren voor introductie van laag-pathogeen aviaire influenzavirus op legpluimveebedrijven met vrije uitloop in Nederland» is gedaan aan de hand van vragenlijsten. Dit jaar wordt dit onderzoek gevolgd door een veldstudie. In deze studie zullen uitloopbedrijven ter plaatse worden bestudeerd en beschreven (onder andere de vogelsoorten die rond deze bedrijven worden gezien). Op deze manier verwachten we meer inzicht te krijgen in de risicofactoren. Uit de wilde vogelmonitoring is gebleken dat vogelgriepvarianten die worden gevonden bij wilde ganzen, veel lijken op de virussen die in pluimvee worden gevonden. Er vindt daarom komend jaar een extra intensieve monitoring plaats van wilde ganzen om deze bevinding te bevestigen en om na te gaan of er misschien ook een overeenkomst is in het moment van besmetting van wilde ganzen en commercieel gehouden pluimvee. Van deze onderzoeken wordt begin 2016 een eerste uitkomst verwacht.

Ik zal u te zijner tijd berichten over de resultaten van deze onderzoeken.

Besmette smient

Een mestmonster van een smient, dat is verzameld op 25 februari 2015, is eind vorige maand positief getest op vogelgriep. Het bleek te gaan om het hoogpathogene H5N8-virus waarmee eind vorig jaar vijf pluimveebedrijven zijn besmet. Dit is de derde met HPAI-H5N8 besmette smient die deze winter in Nederland is gevonden. Smienten overwinteren in Nederland en trekken deze maand weg.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

Naar boven