nr. 161a
A
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 3 oktober
2002 en het nader rapport d.d. 14 januari 2003, aangeboden aan de Koningin
door de staatssecretaris van Economische Zaken. Het advies van de Raad van
State is cursief afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 17 juli 2002, no.02.003379, heeft Uwe Majesteit,
op voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, mede namens de
Minister van Buitenlandse Zaken, bij de Raad van State ter overweging aanhangig
gemaakt het Protocol houdende wijziging van de Eenvormige Beneluxwet inzake
tekeningen of modellen, Brussel 20 juni 2002, met toelichtende nota.
Het voorliggende protocol stelt wijzigingen voor in de Eenvormige Beneluxwet
inzake tekeningen of modellen (hierna: BTMW). De BTMW is een bijlage bij het
in 1966 totstandgekomen Benelux-verdrag inzake tekeningen en modellen en bevat
een gemeenschappelijke regeling van het modellenrecht in de Beneluxlanden.
Het heeft betrekking op de bescherming van het uiterlijk van twee- en driedimensionale
voortbrengselen (tekeningen of modellen van nijverheid).
De voorgestelde wijzigingen zien op drie onderwerpen. Ten eerste de implementatie
van richtlijn 98/71/EG inzake de rechtsbescherming van modellen (hierna: de
modellenrichtlijn1). Ten tweede de invoering van
een register van modellengemachtigden en ten slotte de aanvulling en verbetering
van enkele bepalingen in de wet.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het protocol, maar maakt
daarbij de volgende kanttekeningen.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 17 juli
2002, nr. 02.003379, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies
inzake het bovenvermelde protocol rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit
advies, gedateerd 3 oktober 2002, nr. W10.020319/II, bied ik U hierbij
aan.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het protocol, maar plaatst
daarbij enkele kanttekeningen. De reactie op deze kanttekeningen luidt als
volgt.
1. Volgens het gemeenschappelijk commentaar2
heeft artikel 13 van de modellenrichtlijn door onduidelijkheid aanleiding
gegeven tot een implementatieprobleem, doordat de communautaire wetgever heeft
verzuimd in dat artikel het recht van voorgebruik3
op te nemen. Als oplossing voor dit probleem is besloten het recht van voorgebruik
in artikel 17 BTMW te handhaven, daar dit recht een aanvaard verschijnsel
is in het industriële eigendomsrecht en tevens voorkomt in artikel 22
van de Gemeenschapsmodellenverordening1.
De Raad is van mening dat opneming van het recht van voorgebruik in de BTMW
gepaard dient te gaan met initiatieven van de Europese Commissie om het verzuim
te repareren. De Raad adviseert op dit aspect in de toelichtende nota in te
gaan.
1. Er is in de toelichtende nota een passage opgenomen over mededelingen
van de Europese Commissie om het ontbreken van het recht van voorgebruik in
de modellenrichtlijn te herstellen.
2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de modellenrichtlijn moesten
de lidstaten uiterlijk op 28 oktober 2001 aan de richtlijnbepalingen
voldoen. Die uiterste implementatietermijn is niet gehaald. In de toelichtende
nota bij het protocol wordt daarvoor in de eerste plaats als reden aangewezen
dat de internationale besluitvorming in Benelux-verband gecompliceerder en
tijdrovender is dan nationale besluitvorming. In de tweede plaats wordt als
reden aangegeven dat tijdens de voorbereidingen van het onderhavige protocol
is gebleken dat de modellenrichtlijn op diverse plaatsen niet duidelijk was
en leidde tot verschillende interpretaties tussen de (EG- en Benelux-)lidstaten,
waardoor aanvullend overleg tussen de EG-lidstaten en de Europese Commissie
nodig was. De toelichtende nota gaat echter niet in op de gevolgen van de
overschrijding van de implementatietermijn. Het college adviseert de toelichtende
nota op dit punt aan te vullen.
2. Er is in de toelichtende nota een passage opgenomen over de gevolgen
van de overschrijding van de implementatietermijn van de modellenrichtlijn.
3. Het voorgestelde protocol bevat niet de in het gemeenschappelijk commentaar
besproken wijziging van artikel 14, vierde lid, ertoe strekkende de in artikel
14, tweede lid, onder c, voorgestelde mogelijkheid voor de houder om een vordering
van een redelijke vergoeding in te stellen2 te
verbreden tot de mogelijkheid een dergelijke vordering ook namens de licentiehouder
in te kunnen stellen. Ook in de toelichtende nota wordt daarvan geen melding
gemaakt. De Raad adviseert in de toelichtende nota te verduidelijken waarom
deze in het gemeenschappelijk commentaar aangekondigde wijziging niet is gerealiseerd.
3. Ten onrechte wordt in het gemeenschappelijk commentaar gesproken over
een wijziging van artikel 14, vierde lid, BTMW. Deze bepaling is namelijk
niet gewijzigd. Bij een van de laatste wijzigingen van de tekst van het protocol
is evenwel nagelaten om op dit punt de tekst van het gemeenschappelijk commentaar
aan te passen. De juiste tekst van het gemeenschappelijk commentaar zal zo
spoedig mogelijk ter goedkeuring aan de drie Beneluxlanden worden voorgelegd.
Daar door de drie Beneluxlanden niet is besloten artikel 14, vierde lid, BTMW
te wijzigen, is er geen reden om daar in de toelichtende nota op in te gaan.
De Raad van State geeft U in overweging goed te vinden dat bedoeld Protocol
wordt overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande
aandacht zal zijn geschonken.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State,
P. van Dijk
Ik moge U verzoeken de Minister van Buitenlandse Zaken te machtigen gevolg
te geven aan zijn voornemen het protocol vergezeld van de gewijzigde toelichtende
nota ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen aan de Eerste en aan de
Tweede Kamer der Staten-Generaal.
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
J. G. Wijn
XNoot
1Richtlijn 98/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober
1998 inzake de rechtsbescherming van modellen (PbEG L 289).
XNoot
2Gemeenschappelijk Commentaar van de Regeringen van de Beneluxlanden bij
het Protocol van 20 juni 2002 tot wijziging van de Eenvormige Beneluxwet
inzake tekeningen en modellen, bladzijde 26.
XNoot
3Dat houdt in dat een modelhouder niet kan optreden tegen derden die vóór
de datum van depot van bedoeld model in de Benelux voortbrengselen hebben
vervaardigd zonder dat deze bekend geworden zijn in de zin van artikel 1bis,
onder 3, BTMW, welke voortbrengselen hetzelfde uiterlijk vertonen als dat
van de modelhouder dan wel daarmee slechts ondergeschikte verschillen vertonen.
XNoot
1Verordening (EG) nr.6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende
Gemeenschapsmodellen (PbEG 2002, L 003).
XNoot
2De tekst van het voorgestelde artikel 14, tweede lid, onder c, BTMW luidt
als volgt: Vanaf de datum van depot kan een redelijke vergoeding gevorderd
worden van degene die met wetenschap van het depot handelingen heeft verricht
als bedoeld in dit artikel, onder 1, voorzover de houder daarvoor uitsluitende
rechten heeft gekregen.