Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2002-200328745 nr. 1;2

28 745
Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbeteringen van uiteenlopende, voornamelijk uitvoeringstechnische aard (technische herziening WEB)

nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbeteringen van uiteenlopende, voornamelijk uitvoeringstechnische aard (technische herziening WEB).

De memorie van toelichting, die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.

En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

's-Gravenhage

23 december 2002

Beatrix

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is in de Wet educatie en beroepsonderwijs verbeteringen van veelal uitvoeringstechnische aard aan te brengen, alsmede wijzigingen onder meer in verband met de vaststelling van eindtermen en de totstandkoming van het Centraal register beroepsopleidingen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I. WIJZIGING WET EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS

De Wet educatie en beroepsonderwijs wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 1.1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel b komt te luiden:

b. instelling:

1°. een regionaal opleidingencentrum als bedoeld in artikel 1.3.1,

2°. een regionaal opleidingencentrum in een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.3.2,

3°. een vakinstelling als bedoeld in artikel 1.3.2a,

4°. een richtingsunieke instelling als bedoeld in artikel 1.3.2b, of

5°. een agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3; tenzij anders blijkt;

2. Na onderdeel b worden de onderdelen b1 en b2 toegevoegd, luidende:

b1. innovatie- en praktijkcentrum: innovatie- en praktijkcentrum als bedoeld in artikel 1.3.4;

b2. kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven: kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven voor het beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.5.1;.

B

Artikel 1.1.2 vervalt.

C

Artikel 1.3.1 komt te luiden:

Artikel 1.3.1. Regionale opleidingencentra

1. Aan regionale opleidingencentra worden opleidingen educatie en beroepsonderwijs verzorgd.

2. Het regionaal opleidingencentrum dat daarvoor op grond van artikel 2.1.3, eerste en tweede lid, in aanmerking komt, heeft aanspraak op bekostiging uit 's Rijks kas voor het verzorgen van beroepsopleidingen die op de voet van artikel 2.1.1 voor bekostiging in aanmerking komen, en die zijn geregistreerd in het Centraal register.

3. De regionale opleidingencentra die daarvoor op grond van artikel 2.3.3 in aanmerking komen, ontvangen voor het verzorgen van opleidingen educatie een bedrag van het gemeentebestuur.

4. Aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens van opleidingen als bedoeld in het tweede en derde lid, is een bewijsstuk als bedoeld in artikel 7.4.6 dan wel artikel 7.4.15 verbonden.

D

Artikel 1.3.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en tweede lid wordt «instellingen» vervangen door: regionale opleidingencentra.

2. In het derde lid wordt «instellingen» vervangen door: regionale opleidingencentra.

3. In het derde lid wordt «één instelling» vervangen door: één regionaal opleidingencentrum.

E

Na artikel 1.3.2 worden de artikelen 1.3.2a en 1.3.2b ingevoegd, luidende:

Artikel 1.3.2a. Vakinstellingen

1. Aan vakinstellingen worden beroepsopleidingen op het werkgebied van één kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven verzorgd.

2. Onze Minister kan in het belang van de ontwikkeling van het onderwijs afwijking toestaan van het eerste lid.

3. Artikel 1.3.1, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1.3.2b. Richtingsunieke instelling

1. Een richtingsunieke instelling gaat als enige instelling uit van een bepaalde richting.

2. De bekostigingsaanspraak voor beroepsonderwijs, verzorgd door richtingsunieke instellingen, heeft uitsluitend betrekking op beroepsopleidingen op die werkgebieden van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven, waartoe de beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 12.3.6, zoals dat artikel luidde ingevolge de Wet educatie en beroepsonderwijs (Stb.1995, 501), behoorden.

3. Artikel 1.3.1, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

F

Artikel 1.3.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst van het artikel wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Toegevoegd wordt een tweede lid, luidende:

2. Artikel 1.3.1, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

G

Artikel 1.3.5 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid vervalt. Het tweede en derde lid worden vernummerd tot eerste respectievelijk tweede lid.

2. In het eerste lid, onder c, wordt «studiekeuze- en beroepskeuzevoorlichting» vervangen door: loopbaanoriëntatie en -begeleiding.

H

Artikel 1.3.6, derde lid, vervalt.

I

Artikel 1.4.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «van een andere instelling dan bedoeld in artikel 1.3.1, of van een instelling als bedoeld in artikel 1.3.1,» vervangen door: van een andere dan een in artikel 1.1.1, onder b, bedoelde instelling of van een instelling.

2. Aan het eerste lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: Het bevoegd gezag voegt bij deze aanvraag in elk geval het ontwerp van de in artikel 7.4.8 bedoelde onderwijs- en examenregeling voor de beroepsopleiding waarop de aanvraag betrekking heeft.

3. In het vierde lid vervalt de zinsnede «als bedoeld in artikel 1.3.1».

J

Artikel 1.4a.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «voor een instelling als bedoeld in artikel 1.3.1, dan wel voor een andere instelling dan bedoeld in artikel 1.3.1» vervangen door: voor een andere dan een in artikel 1.1.1, onder b, bedoelde instelling of voor een instelling.

2. Aan het tweede lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: Het bevoegd gezag voegt bij deze aanvraag in elk geval het ontwerp van de in artikel 7.4.8 bedoelde onderwijs- en examenregeling voor de opleiding educatie waarop de aanvraag betrekking heeft.

3. In het zevende lid vervalt de zinsnede «als bedoeld in artikel 1.3.1,».

4. In het zevende lid wordt «dan bedoeld in artikel 1.3.1» vervangen door: dan bedoeld in artikel 1.1.1, onder b.

K

In het opschrift van titel 5 van hoofdstuk 1 wordt «Landelijke organen» vervangen door: Kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

L

Artikel 1.5.1 wordt als volgt gewijzigd:

In het opschrift en in de tekst van het artikel wordt «landelijke organen» vervangen door: kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

M

Artikel 1.5.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt «landelijke organen» vervangen door: kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

2. In de tekst van het artikel wordt «Landelijke organen» telkens vervangen door: Kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

N

In artikel 1.6.1, tweede lid, onder a, wordt «van de instellingen, bedoeld in de artikelen 1.3.1 en 1.4.1» vervangen door: van de instellingen en de andere instellingen, bedoeld in artikel 1.4.1.

O

Artikel 1.7.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste, tweede en derde lid wordt «landelijk orgaan» telkens vervangen door: kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.

2. In het eerste en tweede lid wordt «het orgaan» telkens vervangen door: het kenniscentrum.

3. In het eerste lid wordt «landelijke organen» vervangen door: kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

P

Aan artikel 2.1.1, derde lid, wordt toegevoegd: Bij deze ministeriële regeling wordt tevens het tijdstip bepaald met ingang waarvan de bekostiging wordt beëindigd. Dat tijdstip wordt zodanig bepaald dat het bevoegd gezag in de gelegenheid is om de voor de opleiding ingeschreven deelnemers in staat te stellen de opleiding te voltooien.

Q

Artikel 2.1.2 vervalt.

R

In artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel a, wordt «artikel 12.3.1 of artikel 12.3.3» vervangen door: artikel 12.3.1 zoals dat luidde door de Wet van 11 april 2001, Stb. 207, of artikel 12.3.3 zoals dat luidde ingevolge de Wet educatie en beroepsonderwijs (Stb.1995, 501).

S

Artikel 2.1.4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift van het artikel en het eerste en tweede lid wordt «landelijke organen» telkens vervangen door: kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

2. In het eerste lid wordt «landelijk orgaan» vervangen door: kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.

T

Artikel 2.1.5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift van het artikel wordt «landelijke organen» vervangen door: kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

2. In het eerste en tweede lid wordt «landelijk orgaan» telkens vervangen door: kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.

3. In het eerste en tweede lid wordt «het orgaan» vervangen door: het kenniscentrum.

4. In het vierde lid wordt «landelijke organen» vervangen door: kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

U

Artikel 2.1.6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift van het artikel wordt «landelijke organen» vervangen door: kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

2. In de tekst van het artikel wordt «landelijk orgaan» vervangen door «kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven» en wordt «orgaan» vervangen door: kenniscentrum.

V

Artikel 2.2.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid vervalt aan het slot van onderdeel h het woord «en».

2. In het derde lid wordt de punt aan het slot van onderdeel i vervangen door: , waaronder mede begrepen gewezen personeel dat was belast met werkzaamheden op het gebied van de educatie, met inbegrip van educatieve programma's als bedoeld in artikel 2.3.1, tweede lid,.

3. Aan het derde lid worden de onderdelen j en k toegevoegd, luidende:

j. loopbaanoriëntatie en -begeleiding, en

k. gehandicapte deelnemers.

4. In het vijfde lid, eerste volzin, wordt na «instellingen» ingevoegd: , waaronder mede begrepen gewezen personeel dat was belast met werkzaamheden op het gebied van de educatie, met inbegrip van educatieve programma's als bedoeld in artikel 2.3.1, tweede lid,.

W

Artikel 2.2.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vierde lid vervalt. Het vijfde lid wordt vernummerd tot vierde lid.

2. In het vierde lid vervalt «onder b,».

X

Artikel 2.2.4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, tweede volzin, wordt voor de slotpunt ingevoegd: en vermeldt daarbij afzonderlijk het bedrag voor gehandicapte deelnemers.

2. Toegevoegd wordt een vijfde lid, luidende:

5. De in het vierde lid bedoelde gegevens die op enigerlei wijze een rol spelen in de berekeningswijze, bedoeld in artikel 2.2.2, gaan vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door het bevoegd gezag aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Deze gegevens en de verklaring worden ingediend voor een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip.

Y

In het opschrift van titel 3 van hoofdstuk 2 vervalt het zinsdeel «en de huisvesting van de opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs».

Z

Artikel 2.3.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid vervalt. Het vierde lid wordt vernummerd tot derde lid.

2. In het derde lid vervalt «onderscheidenlijk derde».

AA

Artikel 2.3.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid vervalt. Het derde wordt vernummerd tot tweede lid.

2. In het tweede lid wordt «eerste, tweede en derde» vervangen door: eerste en tweede.

BB

Artikel 2.3.4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «instellingen» vervangen door: regionale opleidingscentra.

2. Het tweede lid wordt vernummerd tot derde lid en het derde lid wordt vernummerd tot vierde lid.

3. Ingevoegd wordt een nieuw tweede lid, luidende:

2. De rijksbijdrage per gemeente wordt aan de gemeente verstrekt onder de voorwaarde dat gedurende het jaar waarvoor de middelen worden toegekend, een of meer overeenkomsten als bedoeld in het eerste lid van kracht zijn op grond waarvan die gemeente jegens het desbetreffende bevoegd gezag gehouden is tot betaling van het totale bedrag van de rijksbijdrage gedurende de looptijd van die overeenkomst of overeenkomsten.

CC

Na artikel 2.3.4 wordt een artikel 2.3.5 ingevoegd, luidende:

Artikel 2.3.5. Samenwerkende gemeenten

1. Op de gezamenlijk aanvraag van samenwerkende gemeenten wordt de rijksbijdrage aan een door die gemeenten uit hun midden aangewezen gemeente of aan een rechtspersoon als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen verstrekt.

2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan voor 1 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de middelen aan de gemeenten worden verstrekt.

3. Titel 3 van dit hoofdstuk en de artikelen 11.3 en 11.4 zijn van overeenkomstige toepassing op de volgens het eerste lid aangewezen gemeente of de in dat lid bedoelde rechtspersoon.

DD

In artikel 2.3.6 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het tweede lid wordt «kunnen voorschriften worden gegeven omtrent» vervangen door: worden voorschriften vastgesteld over.

2. Het vierde lid vervalt, onder vernummering van het vijfde lid tot vierde lid.

EE

In het opschrift van titel 4 van hoofdstuk 2 wordt «landelijke organen» vervangen door: kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

FF

Artikel 2.4.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en tweede lid wordt «landelijke organen» vervangen door: kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

2. In het eerste lid wordt «orgaan» vervangen door: kenniscentrum.

GG

In artikel 2.4.2 wordt «orgaan» vervangen door: kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.

HH

Na artikel 2.4.2 wordt een artikel 2.4.3 ingevoegd, luidende:

Artikel 2.4.3. Aanvullende middelen

Indien bijzondere ontwikkelingen in het beroepsonderwijs daartoe aanleiding geven, kan volgens bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden aan de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven voor een bij die regeling te bepalen periode een aanvullende rijksbijdrage worden toegekend.

II

Artikel 2.5.3, vierde lid, derde volzin, vervalt.

JJ

In artikel 2.5.5 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het tweede lid wordt «kunnen voorschriften worden gegeven» vervangen door: worden voorschriften vastgesteld.

2. Het vierde lid vervalt.

KK

Na artikel 2.5.9 wordt een paragraaf 1a ingevoegd, luidende:

Paragraaf 1a. Verantwoording educatiemiddelen

Artikel 2.5.9a. Verantwoording gemeenten over inzet educatiemiddelen

1. Voor 1 juli van het jaar volgend op het jaar waarvoor de middelen aan de gemeente worden verstrekt, dient de gemeente bij Onze Minister een verantwoording in waaruit blijkt dat de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2.3.1, eerste lid, door de gemeente rechtmatig is besteed. Indien activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.4, derde lid, onder a, waarvoor de gemeente zich heeft verplicht, niet of niet volledig zijn verricht en de gemeente uit dien hoofde in enig jaar aanspraken heeft jegens de instelling, besteedt de gemeente de uit die aanspraken voortvloeiende middelen uiterlijk in het jaar volgend op het jaar waarin die middelen zijn terugontvangen, en verantwoordt de gemeente die middelen in het jaar volgend op het jaar waarin de middelen zijn besteed.

2. Ten behoeve van de verklaring van de accountant wordt door Onze Minister een controleprotocol opgesteld.

3. De financiële verantwoording wordt ingericht volgens een door Onze Minister vastgesteld model en is voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Aan Onze Minister wordt op diens verzoek inzicht gegeven in de gegevens die bij de controle op enigerlei wijze een rol spelen, en in de controlerapporten van de accountant.

LL

In het opschrift van paragraaf 2 van titel 5 van hoofdstuk 2 wordt «Landelijke organen» vervangen door: Kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

MM

Artikel 2.5.10 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «landelijke organen» vervangen door: kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

2. Het tweede lid en de aanduiding «1.» voor het eerste lid vervallen.

NN

Het opschrift van titel 7 van hoofdstuk 2 komt te luiden:

TITEL 7. STIMULERINGSMIDDELEN VOOR EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS EN VOOR AFSTEMMING ONDERWIJSARBEIDSMARKT

OO

Artikel 2.7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift vervalt de zinsnede «t.b.v. bevorderen beroepsonderwijs en afstemming onderwijs-arbeidsmarkt».

2. De zinsnede «de in artikel 1.3.1 bedoelde instellingen» wordt vervangen door: de instellingen.

3. De zinsnede «de in artikel 1.2.1, tweede lid, bedoelde doelstellingen van het beroepsonderwijs» wordt vervangen door: de in artikel 1.2.1 bedoelde doelstellingen van de educatie en het beroepsonderwijs.

PP

Artikel 3.1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «van de instellingen, bedoeld in de artikelen 1.3.1, 1.4.1, 1.4a.1 en 1.6.1, van de landelijke organen» vervangen door: van de instellingen, van de andere instellingen, bedoeld in de artikelen 1.4.1 en 1.4a.1, van de exameninstellingen, bedoeld in artikel 1.6.1, van de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

2. In het tweede lid wordt «landelijk orgaan» vervangen door: kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.

QQ

In het opschrift van titel 3 van hoofdstuk 3 wordt «landelijke organen» vervangen door: kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

RR

In het opschrift van artikel 3.3.1 en in de tekst van dat artikel wordt «landelijke organen» telkens vervangen door: kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

SS

Artikel 4.2.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van onderdeel c van het eerste lid vervalt het woord «en».

2. De punt aan het slot van onderdeel d van het eerste lid wordt vervangen door een komma, waarna de onderdelen e en f worden toegevoegd, luidende:

e. een Nederlands-Antilliaans of Arubaans getuigschrift of diploma, dat gelijkwaardig is aan een getuigschrift of diploma als bedoeld onder a tot en met d, en

f. een buitenlands getuigschrift of diploma, behaald in een land dat niet behoort tot de lidstaten van de Europese Unie, dat gelijkwaardig is aan een getuigschrift of diploma als bedoeld onder a tot en met d.

3. In onderdeel e van het tweede lid vervalt de zinsnede «, behaald in een land dat niet behoort tot de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen».

TT

In het opschrift van titel 3 van hoofdstuk 4 wordt «landelijke organen» vervangen door: kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

UU

In artikel 4.3.1 wordt «landelijk orgaan» telkens vervangen door: kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.

VV

Artikel 4.3.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift van het artikel wordt «landelijke organen» vervangen door: kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

2. In het eerste lid wordt «landelijk orgaan» vervangen door: kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.

WW

Artikel 4.3.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift van het artikel wordt «landelijke organen» vervangen door: kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

2. In de aanhef van het eerste lid wordt «landelijk orgaan» telkens vervangen door «kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven» en wordt «dat orgaan» vervangen door: dat kenniscentrum.

XX

Artikel 4.3.4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste, tweede en zesde lid, wordt «landelijke organen» telkens vervangen door: kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

2. In het derde en vijfde lid wordt «landelijk orgaan» telkens vervangen door: kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.

YY

In artikel 4.3.5 wordt «landelijk orgaan» vervangen door: kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.

ZZ

In artikel 6.1.2, tweede lid, wordt «landelijke organen» vervangen door «kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven» en wordt «van de instellingen, bedoeld in de artikelen 1.3.1 en 1.4.1» vervangen door: van de instellingen en de andere instellingen, bedoeld in artikel 1.4.1.

AAA

In artikel 6.2.1, eerste lid, wordt «artikel 6.4.1, vijfde lid, onder a tot en met g,» vervangen door: artikel 6.4.1, vijfde lid, en zesde lid, onder a en b,.

BBB

Artikel 6.4.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «door de instellingen, bedoeld in de artikelen 1.3.1 en 1.4.1» vervangen door: door de instellingen en de andere instellingen, bedoeld in artikel 1.4.1.

2. In het tweede lid wordt «voor 1 februari» vervangen door: voor 1 mei.

3. In het derde lid wordt «landelijke organen» vervangen door: kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

4. Het vijfde lid wordt vervangen door een nieuw vijfde en een zesde lid, luidende:

5. Het Centraal register bevat van elke beroepsopleiding de volgende gegevens:

a. de naam van de opleiding, de leerweg of leerwegen waarin de opleiding wordt verzorgd, de code waarmee het geheel van de eindtermen van de opleiding wordt aangeduid, de code waarmee de deelkwalificaties van de opleiding worden aangeduid, alsmede de deelkwalificaties die onderworpen zijn aan externe legitimering,

b. of de opleiding is vermeld in het overzicht, bedoeld in artikel 2.1.1, derde lid,

c. de studielast, en

d. of het een opleiding betreft die is gericht op een bepaald beroep waarvoor bij of krachtens de wet vereisten zijn vastgesteld.

6. Het Centraal register bevat voorts de volgende gegevens, voor zover van toepassing:

a. de namen van de instellingen die de opleiding verzorgen,

b. de namen van de exameninstellingen die zijn gerechtigd tot het verzorgen van de externe legitimering,

c. de waarschuwing, bedoeld in artikel 6.1.5, eerste lid, artikel 6.2.3, eerste lid, of artikel 6.3.3, eerste lid, en

d. de bepaling dat de registratie zal worden beëindigd, alsmede het tijdstip waarop.

CCC

Artikel 6.4.2 komt te luiden:

Artikel 6.4.2. De registratieprocedure voor beroepsopleidingen

1. Het bevoegd gezag meldt elke beroepsopleiding met de verzorging waarvan de instelling voornemens is een aanvang te maken, voor registratie in het Centraal register aan.

2. De aanmelding geschiedt voor 1 december voorafgaand aan het studiejaar met ingang waarvan een aanvang gemaakt zal worden met de opleiding, onder vermelding van de gegevens, bedoeld in artikel 6.4.1, vijfde lid, onder a, behalve wat de gegevens over deelkwalificaties betreft.

3. Onze Minister registreert de opleiding overeenkomstig de door het bevoegd gezag overgelegde gegevens binnen drie maanden in het Centraal register en doet de commissie, bedoeld in artikel 6.1.2, daarvan mededeling. Indien registratie binnen deze termijn niet mogelijk is, stelt Onze Minister het bevoegd gezag daarvan in kennis en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen registratie wel mogelijk is.

4. Onverminderd de artikelen 6.1.3, 6.1.4 en 6.1.6 weigert Onze Minister registratie in het Centraal register uitsluitend indien:

a. hij de gegevens niet tijdig of niet volledig heeft ontvangen, of

b. hij de aanvraag, bedoeld in artikel 6.2.1, eerste lid, afwijst.

5. Onze Minister kan toestaan dat in spoedeisende gevallen in het belang van de deelnemers wordt afgeweken van de termijnen in de voorgaande leden, indien het een opleiding betreft:

a. die door een instelling waaronder in dit onderdeel mede wordt begrepen een instelling als bedoeld in artikel 1.4.1, niet meer kan worden verzorgd, waarvan de deelnemers redelijkerwijs niet kunnen worden ingeschreven aan een andere instelling die deze opleiding verzorgt, en die wordt aangemeld voor registratie in het Centraal register door het bevoegd gezag van een andere instelling, of

b. waarvoor Onze Minister toepassing heeft gegeven aan artikel 7.2.4, zevende lid.

DDD

Artikel 6.4.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. De zinsnede «artikel 6.1.3» wordt vervangen door: artikel 6.1.4.

2. De zinsnede «artikel 6.4.1, vijfde lid, onder a tot en met g,» wordt vervangen door: artikel 6.4.1, vijfde lid, onder a,.

EEE

Het opschrift van artikel 6a.1.4 komt te luiden:

Artikel 6a.1.4. Beëindiging diploma-erkenning van rechtswege van opleidingen educatie van instellingen, bedoeld in artikel 1.4a.1.

FFF

Artikel 7.1.4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt «leerlingen» vervangen door: deelnemers.

2. In het eerste, tweede en derde lid wordt «leerling» telkens vervangen door: deelnemer.

GGG

Artikel 7.2.4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden:

Artikel 7.2.4. Landelijke kwalificatiestructuur; eindtermen beroepsonderwijs

2. Het vierde tot en met zesde lid worden vernummerd tot achtste tot en met tiende. Het eerste tot en met derde lid worden vervangen door een eerste tot en met zevende lid, luidende:

1. Met het oog op de totstandkoming van een landelijke kwalificatiestructuur, gericht op de aansluiting tussen het aanbod van het beroepsonderwijs en de maatschappelijke behoeften daaraan, mede in het licht van de arbeidsmarktperspectieven voor afgestudeerden, draagt Onze Minister, in voorkomende gevallen in overeenstemming met Onze Minister wie het, gezien de aard van de in artikel 7.2.6 bedoelde vereisten, mede aangaat, zorg voor het vaststellen en onderhouden van een samenhangend en gedifferentieerd geheel van eindtermen voor beroepsopleidingen die voor de desbetreffende bedrijfstakken of beroepencategorieën van betekenis zijn.

2. Daartoe worden bij ministeriële regeling per beroepsopleiding vóór 1 september vastgesteld:

a. de eindtermen,

b. de indeling daarvan in deelkwalificaties,

c. welke deelkwalificaties van de beroepsopleiding zijn onderworpen aan externe legitimering, waarbij geldt dat de externe legitimering minimaal de kleinst mogelijke meerderheid omvat van het totale aantal verplichte deelkwalificaties van die opleiding,

d. de hoogte van de studielast, met inachtneming van het negende lid,

e. welk van de soorten opleidingen, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, het betreft,

f. in welke leerwegen, bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, de opleiding verzorgd wordt, en, voor zover mogelijk

g. het beroep of de beroepencategorie op de voorbereiding waarvan de beroepsopleiding is gericht.

3. Onze Minister stelt de in het tweede lid bedoelde ministeriële regeling vast op voorstel van het desbetreffende kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven. Het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven doet een dergelijk voorstel telkens vóór 1 juni en neemt daarbij het tweede lid in acht.

4. Bij het voorstel voor de eindtermen voegt het bestuur van het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven:

a. het advies van de commissie, bedoeld in artikel 6.1.2, en

b. het voorstel, bedoeld in artikel 1.5.2, tweede lid. Uit het voorstel blijkt dat het bestuur van het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven voldoende acht heeft geslagen op de aansluiting tussen de opleidingen voorbereidend beroepsonderwijs, de opleidingen middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, de beroepsopleidingen en de opleidingen hoger beroepsonderwijs, in elk geval door raadpleging van vertegenwoordigers van die onderwijsvelden. Indien ook andere instanties nauw bij het voorstel voor de eindtermen zijn betrokken, maakt het bestuur van het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven in zijn voorstel melding van de wijze waarop het oordeel van die instanties is betrokken in het voorstel.

5. Indien het in het derde en vierde lid een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven betreft waarvan de samenstelling van het bestuur voldoet aan artikel 9.2.1, tweede lid, onder b, wordt het voorstel gedaan door de commissie onderwijs-bedrijfsleven.

6. De eindtermen hebben betrekking op opleidingen met de verzorging waarvan de instellingen in het studiejaar na het jaar van de vaststelling een aanvang kunnen maken.

7. In bijzondere gevallen, verband houdend met de gebleken dringende maatschappelijke behoefte aan een beroepsopleiding, kan Onze Minister bij de vaststelling van de eindtermen voor die opleiding in afwijking van het zesde lid beslissen dat deze eindtermen betrekking hebben op opleidingen met de verzorging waarvan de instellingen reeds kunnen beginnen in het studiejaar dat aanvangt in het jaar van die vaststelling. De dringende maatschappelijke behoefte blijkt in ieder geval uit een advies van de commissie, bedoeld in artikel 6.1.2.

HHH

In artikel 7.2.5, eerste volzin, wordt «landelijke organen» vervangen door: kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

III

Artikel 7.2.8, tweede lid, onder a, komt te luiden:

a. de aanvangsdatum en einddatum van de beroepspraktijkvorming, alsmede het aantal te volgen praktijkuren per kalenderjaar,.

JJJ

Artikel 7.2.9 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste lid wordt «landelijk orgaan» vervangen door: kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.

2. In het tweede lid wordt «landelijk orgaan na het sluiten» vervangen door: kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven na het sluiten.

3. In het tweede lid wordt de zinsnede «bevorderen het bevoegd gezag en het betrokken landelijk orgaan» vervangen door: bevordert het bevoegd gezag, na overleg met het bestuur van het betrokken kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven,.

KKK

Artikel 7.2.10 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en tweede lid wordt «landelijk orgaan» telkens vervangen door: kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.

2. In het eerste lid wordt «dat orgaan» vervangen door: dat kenniscentrum.

3. In het derde lid wordt «landelijke organen» vervangen door: kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

LLL

In artikel 7.4.6, tweede lid, wordt «landelijk orgaan» vervangen door: kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.

MMM

In artikel 7.4.7 wordt het vijfde lid vernummerd tot zevende lid. Ingevoegd worden een nieuw vijfde en een zesde lid, luidende:

5. De rechtspersoon verstrekt desgevraagd aan Onze Minister alle voor de uitoefening van diens taak redelijkerwijs benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

6. Indien naar het oordeel van Onze Minister de rechtspersoon zijn taak ernstig verwaarloost, kan Onze Minister de noodzakelijke voorzieningen treffen. De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat de rechtspersoon in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn alsnog zijn taak naar behoren uit te voeren. Onze Minister stelt de beide kamers der Staten-Generaal onverwijld in kennis van door hem getroffen voorzieningen als bedoeld in de eerste volzin.

NNN

In artikel 7.4.8, eerste lid, wordt «voor 15 april» vervangen door: voor 1 mei.

OOO

Artikel 7.5.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

2. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht, twee weken.

2. Het derde lid komt te luiden:

3. De commissie beslist binnen vier weken na ontvangst van het beroepschrift, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, tenzij de commissie deze termijn heeft verlengd met ten hoogste twee weken.

3. In het zesde lid komt de tweede volzin te luiden: De commissie is niet bevoegd in de plaats van de geheel of gedeeltelijk vernietigde beslissing een nieuwe beslissing te nemen, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:25 van de Algemene wet bestuursrecht.

PPP

In artikel 7.6.1, eerste lid, wordt «commissie van beroep voor de externe examens» vervangen door: commissie van beroep voor de extern gelegitimeerde examens.

QQQ

Aan hoofdstuk 7 wordt een titel 7 toegevoegd, luidende:

TITEL 7. PRACTICUMPLAATSEN VOOR STUDENTEN IN OPLEIDING

Artikel 7.7.1. Practicumplaatsen voor studenten in opleiding

1. Het bevoegd gezag van een instelling is verplicht, studenten die zijn ingeschreven voor een opleiding voor het beroep van leraar waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, of die anderszins studeren voor een bewijs van voldoende pedagogische bekwaamheid, en die in opleiding zijn voor een functie in het onderwijs, gelegenheid te bieden de als onderdeel van hun opleiding vereiste ervaring in de instelling te verkrijgen.

2. De in het eerste lid bedoelde verplichting omvat 5% van het in het desbetreffende studiejaar door de instelling in totaal te verzorgen beroepsonderwijs en educatie. Het bevoegd gezag kan een hoger percentage vaststellen mits dat in overeenstemming is met de goede gang van zaken binnen de instelling.

3. Het bevoegd gezag kan een student de verdere toegang tot de instelling ontzeggen, indien deze in de instelling in strijd handelt met de grondslag en doelstellingen van de instelling. Van een besluit tot ontzegging van de toegang tot de instelling wordt mededeling gedaan door toezending of uitreiking van een afschrift aan het bevoegd gezag van de betrokken opleidingsinstelling dan wel aan de betrokken staatsexamencommissie, en aan de inspectie. Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school een student de toegang weigert, maakt het dit besluit, schriftelijk en met redenen omkleed, bekend door toezending of uitreiking aan de student, onverminderd het bepaalde in de vorige volzin.

4. Het bevoegd gezag van de instelling regelt de werkzaamheden in verband met de begeleiding door de leraren van de studenten in de instelling in overeenstemming met de leraren, alsmede in overeenstemming met de betrokken opleidingsinstellingen, dan wel, indien het betreft studenten die zich voorbereiden op het afleggen van een staatsexamen ter verkrijging van een bewijs van bekwaamheid of een bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding, in overeenstemming met de betrokken staatsexamencommissie.

5. Onze Minister kan het bevoegd gezag op grond van bijzondere omstandigheden gehele of gedeeltelijke ontheffing van de in het eerste lid bedoelde verplichting verlenen. De ontheffing geldt voor een studiejaar.

6. De instellingen waarbij studenten als bedoeld in het eerste lid zijn toegelaten, zijn toegankelijk voor de inspectie, belast met het toezicht op de opleidingsinstellingen, voor de directieleden en de door deze aan te wijzen docenten van die opleidingsinstellingen, alsmede voor de leden van de betrokken staatsexamencommissies, een en ander voor zover dat voor de uitoefening van het toezicht op de praktische vorming onderscheidenlijk de begeleiding van de praktische vorming van de in de instelling aanwezige studenten noodzakelijk is.

RRR

In artikel 8.1.3, derde lid, onderdeel d, wordt «studie- en beroepskeuzevoorlichting en de studiebegeleiding» vervangen door: loopbaanoriëntatie en -begeleiding.

SSS

In artikel 8.1.5, eerste lid, wordt «landelijke organen» vervangen door: kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

TTT

In artikel 8.2.2, eerste lid, wordt «landelijke organen» vervangen door: kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

UUU

In het opschrift van titel 2 van hoofdstuk 9 wordt «landelijke organen» vervangen door: kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

VVV

In artikel 9.1.5, derde lid, wordt «landelijk orgaan» vervangen door: kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.

WWW

Artikel 9.2.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift van het artikel wordt «Landelijke organen» vervangen door: Kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

2. In het eerste, tweede, derde en vierde lid wordt «landelijk orgaan» telkens vervangen door: kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.

3. In het tweede lid, onder a, en derde lid, wordt «van de instellingen, bedoeld in de artikelen 1.3.1 en 1.4.1» telkens vervangen door: van de instellingen en de andere instellingen, bedoeld in artikel 1.4.1.

XXX

Artikel 9.2.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift van het artikel en in het eerste lid wordt «landelijk orgaan» telkens vervangen door: kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.

2. In het eerste lid wordt «dat orgaan» vervangen door: dat kenniscentrum.

YYY

Artikel 10.1, tweede lid, komt te luiden:

2. Het eerste lid heeft betrekking op de artikelen:

a. 1.4.1,

b. 1.4a.1,

c. 1.6.1,

d. 2.1.1, eerste lid,

e. 2.1.3, tweede en derde lid,

f. 2.1.5, eerste lid,

g. 2.1.6,

h. 2.1.7,

i. 2.2.3, eerste en derde lid,

j. 2.5.9,

k. 2.5.10, voor zover het de overeenkomstige toepassing betreft van artikel 2.5.9,

l. 6.1.3 tot en met 6.1.6,

m. 6.2.1 tot en met 6.2.3,

n. 6.3.1 tot en met 6.3.3,

o. 6.4.2 en 6.4.4,

p. 6a.1.2 en 6a.1.3,

q. 11.1,

r. 12.3.36,

s. 12.3.37, tweede lid, en

t. 12.3.48, derde lid.

ZZZ

Artikel 10.2 komt als volgt te luiden:

Artikel 10.2 Intreden gevolgen van toekennen van rechten na sprongberoep

Indien de uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 10.1 strekt tot onderscheidenlijk het toekennen van de rechten, genoemd in artikel 1.3.1, diploma-erkenning als bedoeld in de artikelen 1.4.1 of 1.4a.1, externe legitimering als bedoeld in artikel 1.6.1, of registratie in het Centraal register, treden de gevolgen daarvan in met ingang van het studiejaar dat aanvangt in het jaar waarin de uitspraak is gedaan.

AAAA

Het opschrift van hoofdstuk 11 komt te luiden:

HOOFDSTUK 11. SANCTIES

BBBB

Na het opschrift van hoofdstuk 11 wordt ingevoegd:

Paragraaf 1. Inhouden en opschorten bekostiging; strafbepaling.

CCCC

In artikel 11.1, eerste lid, wordt «landelijk orgaan» vervangen door: kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.

DDDD

Na artikel 11.2 wordt een paragraaf 2 ingevoegd, luidende:

Paragraaf 2. Opschorten en terugvorderen rijksbijdrage educatie

Artikel 11.3. Opschorten rijksbijdrage educatie

1. Indien de gemeente de gegevens, bedoeld in artikel 2.3.6, dan wel de verantwoording, bedoeld in artikel 2.5.9a, eerste lid, binnen de bij of krachtens die artikelen vastgestelde termijnen niet of niet volledig heeft verstrekt, kan Onze Minister besluiten de betaling van de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2.3.1, eerste lid, voorschotten daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk op te schorten.

2. Onze Minister kan de rijksbijdrage wederom toekennen indien hem blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste lid is vervallen.

Artikel 11.4. Terugvordering rijksbijdrage educatie

1. Onze Minister kan de rijksbijdrage per gemeente, bedoeld in artikel 2.3.1, eerste lid, binnen een periode van vijf jaren na de vaststelling op de volgende gronden intrekken of ten nadele van de gemeente wijzigen:

a. handelen in strijd met wettelijke voorschriften dan wel met aan de rijksbijdrage op grond van wettelijke regels verbonden verplichtingen of voorwaarden;

b. handelen in strijd met het controleprotocol, bedoeld in artikel 2.5.9a, tweede lid, of met de doelstelling van de educatie, bedoeld in artikel 1.2.1, eerste lid;

c. indien de vaststelling van de rijksbijdrage onjuist was en de gemeente dit wist of behoorde te weten.

2. Onze Minister kan een uit het eerste lid volgende vordering op een gemeente verrekenen met de betaling aan die gemeente, voortvloeiend uit een in een later jaar toegekende rijksbijdrage.

EEEE

In artikel 12.2.2, tweede lid, wordt «landelijke organen» vervangen door: kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

FFFF

In artikel 12.2.6 wordt «landelijk orgaan» telkens vervangen door: kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.

GGGG

In artikel 12.2.10, eerste lid, wordt «landelijk orgaan» vervangen door: kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.

HHHH

De artikelen 12.3.1 tot en met 12.3.7, 12.3.10 tot en met 12.3.22, 12.3.29 tot en met 12.3.33, 12.3.35, 12.3.38 tot en met 12.3.42, en 12.3.45 tot en met 12.3.47 vervallen.

IIII

In de aanhef van het eerste lid van artikel 12.3.24 wordt «landelijk orgaan» telkens vervangen door: kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.

JJJJ

In artikel 12.3.43 wordt «12.3.36, 12.3.37 en 12.3.40» vervangen door: 12.3.36 en 12.3.37.

KKKK

Artikel 12.3.44 wordt als volgt gewijzigd:

1. De zinsnede «bedoeld in artikel 1.3.1,» vervalt.

2. De woorden «landelijke organen» worden vervangen door: kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven.

LLLL

Titel 4 van hoofdstuk 12 vervalt.

ARTIKEL II. WIJZIGING WET VAN 25 MEI 1998, STB. 1998, 337

In de Wet van 25 mei 1998, Stb. 1998, 337, wordt in artikel XXIV, onderdeel G, in artikel 8.2.1, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs «artikel 6.4.1, vijfde lid, onderdeel k,» vervangen door: artikel 7.2.4, eerste lid,.

ARTIKEL III. OVERGANGSBEPALINGEN VAKINSTELLINGEN, RICHTINGSUNIEKE INSTELLINGEN EN INSTELLINGEN MET EEN BREEDTEGEBREK

1. Instellingen die op grond van artikel 12.3.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, zijn met ingang van de dag van inwerkingtreding van deze wet vakinstellingen als bedoeld in artikel 1.3.2a van die wet die voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht.

2. Een vakinstelling als bedoeld in artikel 1.3.2a van de Wet educatie en beroepsonderwijs die, in afwijking van het eerste lid van dat artikel, op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet opleidingen verzorgt op het werkgebied van twee kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven, mag opleidingen op het werkgebied van de desbetreffende kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven blijven verzorgen.

3. Instellingen die op grond van artikel 12.3.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, zijn met ingang van de dag van inwerkingtreding van deze wet richtingsunieke instellingen als bedoeld in artikel 1.3.2b van de Wet educatie en beroepsonderwijs die voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht.

4. Instellingen die op grond van artikel 12.3.7 van de Wet educatie en beroepsonderwijs zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, zijn met ingang van de dag van inwerkingtreding van deze wet regionale opleidingencentra als bedoeld in artikel 1.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs die voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht.

ARTIKEL IV. OVERGANGSBEPALING LOPENDE BEROEPEN

Op beroepen die voor de datum van inwerkingtreding van deze wet bij de rechtbank zijn ingesteld tegen besluiten van Onze Minister ingevolge de artikelen

– 1.4.1,

– 1.4a.1,

– 1.6.1,

– 6.1.5,

– 6.2.1 tot en met 6.2.3,

– 6.3.1 tot en met 6.3.3,

– 6.4.2 en 6.4.4, of

– 6a.1.2 en 6a.1.3,

blijft hoofdstuk 10, zoals dit voor de inwerkingtreding van deze wet luidde, van toepassing.

ARTIKEL V. INWERKINGTREDING

Deze wet treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,