nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 december 2002
Het is mij een genoegen u hierbij aan te bieden een nota over mobiliteitsmanagement.
Deze nota is u toegezegd door mijn ambtsvoorganger per brief van 1 maart 2002
(27 455, nr. 59). Tijdens de begrotingsbehandeling heb ik het toezenden
van deze nota aan u bevestigd.
De nota geeft een beeld van de stand van zaken op het punt van mobiliteitsmanagement,
en beoogt tevens een richtinggevend en samenhangend kader te scheppen voor
de diverse toekomstige activiteiten van de vele betrokken partijen en organisaties.
Kort samengevat bevat de nota de volgende lijn. Uitgangspunt is de verplaatsbehoefte
van de reiziger, en het streven van de overheid om deze behoefte zo goed mogelijk
te faciliteren. Anders dan benutten en bouwen richt mobiliteitsmanagement
zich niet zozeer op het voldoen aan de vraag naar gebruik (van met name auto-infrastructuur),
maar op het verleggen van deze vraag. Mobiliteitsmanagement wordt in deze
nota dan ook opgevat is een geheel van («verleidende») activiteiten
gericht op het verleggen van de reizigersvraag, naar andere reisdoelen, andere
vervoerwijzen, andere reistijden en andere routekeuzen. Mobiliteitsmanagement
kan overigens niet alleen een substantiële bijdrage leveren aan betere
bereikbaarheid, het kan ook een bijdrage leveren aan de lokale leefbaarheid
en milieu- en klimaatdoelstellingen.
Mobiliteitsmanagement is in zijn aard veelvormig: een groep van op zichzelf
zeer uiteenlopende instrumenten, die echter steeds gemeen hebben dat zij inspelen
op voordelen voor de reiziger van bepaalde verplaatskeuzen: gemak, snelheid,
kosten etc.
Binnen het totaal aan dagelijkse verplaatsingen richt deze nota de aandacht
op vier deelgebieden: verplaatsingen binnen een gebied, korte verplaatsingen,
werkgerelateerde verplaatsingen en sociaal-recreatieve verplaatsingen. In
termen van bijdragen aan genoemde doelstellingen acht ik deze richtingen de
meest kansrijke.
In de nota wordt vervolgens ingegaan op de mogelijkheden die verschillende
groepen partijen hebben, om met hun activiteiten rechtstreeks invloed uit
te oefenen op het keuze-patroon van reizigers: decentrale overheden, werkgevers
en publiekstrekkers, private producten van mobiliteitsvoorzieningen en de
rijksoverheid (in uitvoerende zin, bijvoorbeeld als wegbeheerder). Uitgangspunt
van V&W is, dat deze partijen uit welbegrepen eigenbelang tot beleid of
activiteiten komen. Daarbij worden zij overigens wel ondersteund en of gestimuleerd
door hun koepels of brancheorganisaties, kennisinstituten en maatschappelijke
organisaties. De «niet-uitvoerende» rol van de rijksoverheid laat
zich kenschetsen met de trefwoorden faciliterend, voorwaardenscheppend, samenbindend,
monitorend. Een agenda van de voornemens van V&W op dit punt treft u aan
in het laatste hoofdstuk van de nota.
In de aanloop naar deze nota is nauw samengewerkt met vertegenwoordigers
van decentrale overheden en andere relevante partijen, zoals bijvoorbeeld
vertegenwoordigd in het Overlegorgaan Personenvervoer. Formeel echter en om
tijdswille steunt de nota niet op commitment van de decentrale partners. Met
hen is wel afgesproken dat zij hun reacties op de nota binnenkort aan mij
kenbaar maken. Ik zal u van de resultaten van deze formele reacties op de
hoogte stellen.
Mede met het oog op het voorgaande beschouw ik de voorliggende nota daarom
tevens als bouwsteen voor het in voorbereiding zijnde NVVP. In het NVVP zullen
nadere afspraken met partijen op basis van deze nota geconcretiseerd worden.
Overigens en tenslotte wijs ik u erop dat ik met deze nota tevens antwoord
geef op de «Motie Van Gijzel» over mobiliteitscentra van 26 maart
2002.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
R. H. de Boer