28 685
Regeling van DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden)

nr. 7
TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 8 december 2003

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

Na artikel 13 wordt, onder vernummering van de artikelen 14 en 15 tot 15 en 16, een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 14

Het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 151a, zesde lid, komt te luiden:

6. DNA-profielen worden slechts verwerkt voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden, het College bescherming persoonsgegevens gehoord, regels gesteld voor het verwerken van DNA-profielen en celmateriaal.

B

Artikel 195a, vierde lid, komt te luiden:

4. DNA-profielen worden slechts verwerkt voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden, het College bescherming persoonsgegevens gehoord, regels gesteld voor het verwerken van DNA-profielen en celmateriaal.

Toelichting

In de artikelen 151a, zesde lid, en 195a, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is het doel van het verwerken van DNA-profielen van verdachten omschreven. Hun DNA-profielen mogen slechts worden verwerkt voor de opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten. In artikel 14, eerste lid, van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken heeft deze doelomschrijving van de DNA-profielen van verdachten haar vertaling gekregen in het doel van de DNA-databank. Dat doel is het bevorderen van de opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten.

De doelstelling van het verwerken van DNA-profielen van veroordeelden is in artikel 2, vijfde lid, van het onderhavige wetsvoorstel echter iets ruimer gesteld. Hun profielen worden niet alleen verwerkt om bij te dragen aan de opsporing, vervolging en berechting van reeds gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelden, maar ook om hen zo mogelijk ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen (Kamerstukken II 2002/03, 28 685, nr. 3, blz. 2). Bij nader inzien kan gesteld worden dat het verwerken van DNA-profielen van verdachten in de DNA-databank ook dient om te voorkomen dat betrokkenen opnieuw met justitie in aanraking komen. Om die reden voorziet het in deze nota van wijziging voorgestelde artikel 14 erin dat in de artikelen 151a, zesde lid, en 195a, vierde lid, Sv de reikwijdte van de doelstelling van het verwerken van DNA-profielen van verdachten wordt uitgebreid met het bevorderen van het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Daarnaast is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de formulering van de artikelen 151a, zesde lid, en 195a, vierde lid, Sv in overeensteming te brengen met de terminologie uit de Wet bescherming persoonsgegevens. Anders dan deze artikelleden hanteert deze wet niet de term «registratie», maar het begrip «verwerking van persoonsgegevens» (zie artikel 1, onder b).

Tot slot wordt in artikel 14 voorgesteld de artikelen 151a, zesde lid, en 195a, vierde lid, Sv op een zodanige wijze vorm te geven dat daarin niet twee keer hetzelfde wordt geregeld, zoals thans het geval is. Op dit moment is in deze artikelleden bepaald dat DNA-profielen in een registratie worden opgenomen onder bij algemene maateregel van bestuur te stellen beperkingen en dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over het verwerken van DNA-profielen en celmateriaal. Omdat ingevolge artikel 1, onder b, van de Wet bescherming persoonsgegevens het verwerken tevens het vastleggen in een registratie inhoudt, wordt voorgesteld om in de artikelen 151a, zesde lid, en 195a, vierde lid, Sv te kiezen voor de algemene formulering dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, het College bescherming persoonsgegevens gehoord, regels worden gesteld voor het verwerken van DNA-profielen en celmateriaal. Met deze formulering wordt aangesloten bij de formulering van artikel 2, vijfde lid, van dit wetsvoorstel.

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

Naar boven