Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2002-200328685 nr. 4

28 685
Regeling van DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden)

nr. 4
VERSLAG

Vastgesteld, 10 maart 2003

De vaste commissie voor Justitie1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de gestelde vragen tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

1. Inleiding

De leden van de CDA-fractie nemen met instemming kennis van dit wetsvoorstel. Invoering van deze wet leidt tot een aanzienlijke uitbreiding van de DNA-databank, en daarmee tot een effectievere opsporing. Deze leden tekenen daarbij aan dat de afname van DNA naar hun oordeel slechts een beperkte inbreuk op de onaantastbaarheid van het lichaam behelst. Het gaat immers in beginsel slechts om het afnemen van wangslijmvlies. De leden van de CDA-fractie hebben nog wel enkele vragen bij de wijze waarop de DNA-afname in de wet is ingevuld.

De leden van de PvdA-fractie hebben met instemming kennisgenomen van het wetgevingsvoorstel DNA-onderzoek bij veroordeelden.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel DNA-onderzoek bij veroordeelden. Dit wetsvoorstel is een logisch vervolg op de reeds genomen stappen om het gebruik van DNA in de opsporing uit te breiden. Deze leden herinneren zich de motie Nicolaï c.s. waarmee de Kamer zich al bij de begrotingsbehandeling Justitie voor het jaar 2000 uitsprak over de wenselijkheid van DNA-onderzoek bij veroordeelden. Toentertijd vroeg de Kamer om DNA-onderzoek bij veroordeelden mogelijk te maken via het voorstel «DNA-onderzoek in strafzaken» (Kamerstukken II 1998/1999 26 271). De regering heeft er nu voor gekozen om deze wens van de Kamer te realiseren middels een separaat wetsvoorstel. De aan het woordzijnde leden achten dit een bevredigende uitvoering. Zij hebben wel enkele vragen bij het wetsvoorstel zoals dat er nu ligt.

De leden van de SP-fractie hebben met teleurstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden zijn van mening dat het DNA-onderzoek in strafzaken al sinds de jaren tachtig wordt gekenmerkt door het steeds verder oprekken van de wet. De leden van de SP-fractie vrezen een klimaat waarin steeds minder oog is voor de rechtsbescherming van verdachten. Mede in het licht van de waardering van grondrechten hebben de aan het woord zijnde leden de navolgende vragen. De vragen hebben hoofdzakelijk betrekking op de in dit wetsvoorstel ontbrekende link met het vereiste van het redelijk vermoeden van schuld, de aparte wet waarin onderhavige regeling wordt opgenomen, de onmiddellijke werking en het voorzienbaarheidsvereiste.

De leden van de LPF-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel en kunnen zich er inhoudelijk in vinden. In het wetsvoorstel, zo menen deze leden, is een nieuwe balans gevonden tussen de belangen van daders en de rest van de samenleving. Zij vinden dat het de hoogste tijd is dat deze nieuwe balans wordt gevonden. Deze leden zijn een groot voorstander van het vullen van een databank met DNA-profielen. Er zal een generaal en specifiek preventieve werking van deze wet uitgaan en dat is winst. Zij menen dat technologische mogelijkheden ten volle benut dienen te worden bij de opsporing en vervolging van daders van strafbare feiten. Dit in combinatie met het afschaffen van de verjaring van ernstige geweldsmisdrijven biedt de databank ongekende mogelijkheden voor de toekomst. Procedureel plaatsen de leden van de LPF-fractie echter een aantal kanttekeningen. Zij zijn van mening dat dit voorstel uitdrukkelijk over een aantal historisch gegroeide fundamenten van de strafvordering heenstapt. Het wetsvoorstel doorbreekt de systematiek in de Nederlandse strafvordering op een aantal punten. De nadruk op een zorgvuldige onderbouwing van de kant van de regering bij deze principiële stap op de weg van legitimering van inbreuken op fundamentele rechten van burgers ten gunste van preventie en een efficiëntere opsporing en berechting, dient niet ter vertraging van het wetgevingsproces, maar ter vergroting van de rechtseenheid en rechtszekerheid voor de burger. Deze leden vinden dat met dit wetsvoorstel een principiële stap wordt gezet op de weg van legitimering van inbreuken op fundamentele rechten van burgers ten gunste van preventie en een efficiëntere opsporing en berechting. De leden van de LPF-fractie zien deze stap als noodzakelijk op weg naar een veiligere samenleving. Juist omdat een veiligere samenleving zo fundamenteel van aard is, achten zij het wenselijk dat deze stap doordacht en uiterst zorgvuldig wordt gezet.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met kritische belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel creëert een wettelijke basis voor DNA-afname bij personen die reeds zijn veroordeeld voor een misdrijf. Het voornaamste doel van deze wet ziet op het vullen van de DNA-databank met de DNA-sporen van een grote groep (recidiverende) criminelen in de DNA-bank wordt opgenomen, waardoor de kans op een zogenaamde «hit» zal worden vergroot. Voorts verwacht de regering dat van de wet een preventieve werking zal uitgaan, aangezien de veroordeelde weet dat zijn DNA-profiel in de DNA-databank is opgenomen.

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel, dat tot doel heeft de afname van celmateriaal ten behoeve van DNA-onderzoek bij veroordeelden mogelijk te maken. Deze leden zijn voorstander van beter gebruik van de nieuwe perspectieven die DNA-technieken bieden voor het strafrecht, mits dit geschiedt met aandacht voor de persoonlijke levenssfeer en rechtstatelijkheid. DNA-technieken kunnen van belang zijn voor het opsporen van nog niet opgehelderde misdrijven en bovendien kan van het afnemen van een DNA-profiel een preventieve werking uitgaan. Deze leden vragen de regering waarom het voorstel niet opnieuw ter advisering aan colleges als de Nederlandse Orde van Advocaten en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak is voorgelegd, nadat de werking ervan aanzienlijk werd uitgebreid tot andere dan geweldsen zedenmisdrijven? In de motie Dittrich (26 271, 22) werd de regering reeds in 2001 verzocht om, tot aan het moment dat het voorliggende wetsvoorstel zou zijn voltooid, gedetineerden te stimuleren om op vrijwillige basis mee te werken aan DNA-onderzoek. In hoeverre is dit gebeurd, hoeveel gedetineerden hebben meegewerkt en in hoeveel gevallen zijn met deze profielen (oude) misdrijven opgehelderd, zo vragen de leden van de fractie van D66.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel, dat strekt tot het regelen van DNA-onderzoek bij personen, die veroordeeld zijn wegens bepaalde gewelds- of zedenmisdrijven. Zoals deze leden in eerdere debatten over DNA-onderzoek reeds aangaven, zijn zij van mening dat DNA-onderzoek, waar mogelijk en proportioneel, aangegrepen moet worden om de opsporing van misdrijven te vergemakkelijken. Zij nemen hierbij in overweging dat de feitelijke DNA-afname, nu dit een zeer lichte ingreep is geworden, meer en meer op één lijn komt te staan met andere opsporingsmethoden, respectievelijk identificatiemethoden, zoals in het bijzonder vingerafdrukkenonderzoek. Zij waarderen de expliciete vermelding, dat DNA-profielen slechts worden verwerkt voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten. Naar aanleiding van het voorliggende wetsvoorstel stellen de bovengenoemde leden toch enkele vragen.

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling en in belangrijke mate ook met instemming van het wetsvoorstel kennisgenomen. Eén en ander neemt echter niet weg dat zij op een aantal onderdelen bedenkingen koesteren en behoefte hebben aan het voorleggen van enige vragen.

2. Geschiedenis van het voorstel tot DNA-onderzoek bij veroordeelden

De leden van de CDA-fractie vinden het ongelukkig dat voor de afname van DNA bij veroordeelden een aparte wet nodig is. Aangezien het belang uiteindelijk de opsporing van strafbare feiten betreft, achten zij opname in het Wetboek van Strafvordering de meest logische gang van zaken.

De leden van de PvdA-fractie vinden dat door het DNA-onderzoek in een aparte wet onder te brengen en niet te integreren in het Wetboek van Strafvordering, de regering heeft gekozen voor een uitbreiding van de bijzondere wetten. Zij vragen zich hierbij af of dit de wirwar van regelingen niet alleen maar groter maakt. En waarom is, naast het argument dat het moeilijk inpasbaar zou zijn in Wetboek van Strafvordering, toch gekozen voor een bijzondere wet?

De leden van de SP-fractie vragen aan de regering om in te gaan op de kritiek van mr. G.J.M. Corstens als het gaat om de uitbreiding van overheidsbevoegdheden ten laste van constitutioneel gegarandeerde rechten en vrijheden van burgers, in het licht van artikel 107 Grondwet1. Waarom is er niet gekozen voor een geïntegreerde regeling van de opsporing en opsporingsbevoegdheden?2 Waarom is het advies van de Raad van State niet gevolgd om de inhoud van het onderhavige wetsvoorstel onder te brengen in het Wetboek van Strafvordering?

De leden van de LPF-fractie constateren dat het onderhavige wetsvoorstel een nieuwe wet betreft. Dit terwijl juist het op één plaats bundelen van recht op het gebied van afname en het gebruik van DNA-materiaal, met alle daarbij behorende waarborgen, rechtszekerheid en rechtseenheid biedt aldus de wetenschappelijke commissie van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. De aan het woord zijnde leden zouden graag van de regering een nadere aanvulling zien op deze keuze, waarin onder andere de ontbrekende link met het redelijk vermoeden van schuld, de codificatiegedachte van artikel 107 Grondwet, de functionele samenhang met het geregelde in het Wetboek van Strafvordering en de standpunten van de onderzoekers van het Onderzoeksproject Strafvordering 2001 uitdrukkelijk worden meegewogen.

De leden van de SGP-fractie hebben in de eerste plaats bedenkingen van wetsystematische aard. De regering wil het voorstel in een afzonderlijke wet onderbrengen en niet invoegen in het Wetboek van Strafvordering. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State ter zake heeft de regering haar standpunt in dezen van een nadere argumentatie voorzien. De indruk van deze leden is dat deze argumentatie voornamelijk berust op het bijzondere doel van het voorgestelde DNA-onderzoek. Nu de regering benadrukt dat de verplichting voor veroordeelden om een DNA-onderzoek te ondergaan niet als een straf kan worden aangemerkt, stellen deze leden de vraag of het opleggen van de verplichting als een ordemaatregel moet worden gezien.

Verder stellen de leden van de SGP-fractie in dit verband de vraag of de regering haar standpunt om het voorstel in een aparte wet onder te brengen, heeft afgewogen in het licht van artikel 107 Grondwet. Acht de regering het geen bezwaar dat haar standpunt afbreuk doet aan het doel van het stelsel van codificatie? Wordt, nu hoe dan ook het voorgestelde DNA-onderzoek in een strafrechtelijk kader staat, geen afbreuk gedaan aan de met het grondwetsartikel beoogde samenhang, stelselmatigheid, overzichtelijkheid en toegankelijkheid van het strafprocesrecht?

De leden van de SGP-fractie delen het standpunt van de regering dat het doel dat met het voorgestelde DNA-onderzoek wordt nagestreefd niet, althans niet alleen, als een middel ter identificatie kan worden gezien.

Wat betreft het met het onderzoek nagestreefde doel stellen deze leden de vraag of dit in de kern niet de speciale preventie is. Moet dit doel worden verstaan als het belang dat op grond van artikel 8, tweede lid, Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) inbreuk op het recht op privacy kan doorbreken?

3. Achtergronden van en overwegingen bij het DNA-onderzoek

De leden van de PvdA-fractie merken op dat in de memorie van toelichting wordt gesproken over een spanningsveld dat door deze nieuwe wet ontstaat met betrekking tot het resocialisatiestreven. Zij vragen de regering aan welke «spanning» wordt gedacht en wat zou het effect van deze «spanning» kunnen zijn op de veroordeelden bij hun terugkeer in de maatschappij.

De leden van de VVD-fractie hebben een aantal vragen aan de regering over de in de memorie van toelichting geschetste voor- en nadelen die aan dit voorstel zijn verbonden. Als nadelen noemt de regering twee inbreuken op grondrechten. Een inbreuk van de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer. Volgens de leden van de fractie van de VVD is de inbreuk die het middel van DNA-onderzoek bij veroordeelden met zich mee brengt niet anders dan de inbreuk van DNA-onderzoek bij verdachten. Het gaat om hetzelfde soort onderzoek, met hetzelfde soort wattenstaafje en dezelfde soort streepjescode. Is de regering dat met deze leden eens? De vraag is dus niet of dergelijke soorten van inbreuken op grondrechten kunnen worden toegestaan. Deze vraag is al positief beantwoord bij het voorstel DNA-onderzoek in strafzaken. Voor de volledigheid verwijzen de aan het woord zijnde leden naar de inbreng die zij bij dit voorstel leverden. Daar wezen zij erop dat de mate van inbreuk zeer gering is nu het niet gaat om het indringen in het menselijk lichaam, zoals wel gebeurt bij bijvoorbeeld een bloedafname.

De vraag die volgens de leden van de VVD-fractie nu wel voorligt is of de geringe inbreuk wordt gerechtvaardigd door een bij verdrag toegelaten belang. Deze leden menen dat dit zo is. Met de regering zijn zij van mening dat een onderzoeksbelang in een specifieke strafzaak hier niet aan de orde is. Wel geldt het algemene belang van de handhaving van de rechtsorde, uitgedrukt in een algemeen opsporingsbelang dat wordt gediend met het middel van het DNA-onderzoek. DNA-onderzoek is zeker geen wondermiddel maar naar mate de DNA-databank meer gevuld is, zal het middel effectiever werken. Daarbij komt dat voor het type delicten waarbij DNA-onderzoek gebruikt wordt, er geregeld meerdere antecedenten per crimineel worden vastgesteld. Dit belang is dus op zich al voldoende om de inbreuk op de grondrechten te rechtvaardigen. In de memorie van toelichting wordt vooral de nadruk gelegd op het recidivebeperkende effect van de maatregel. Dit is voor wat betreft de aan het woord zijnde leden een bijkomende grondslag voor de maatregel.

Tevens constateren de leden van de VVD-fractie dat zowel in de memorie van toelichting, als in het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Raad van State, de regering ingaat op het effect van de maatregel op de resocialisatie. Gesteld wordt dat de afname van DNA-materiaal spanning oplevert met de resocialisatiegedachte. Wat betreft de leden van de fractie van de VVD geldt dat van deze spanning geen sprake is. Zij menen dat het afnemen van DNA-materiaal zelfs kan bijdragen aan de resocialisatie. Zij willen af van de gedachte dat resocialisatie betekent dat je afgestrafte personen de rug toekeert en het verder maar laat uitzoeken. Niet voor niets zijn er personen die vrijwillig DNA-materiaal afstaan omdat zij dit zien als een stok achter de deur. De aan het woord zijnde leden vragen de regering de resocialisatiegedachte uit de jaren zeventig te verlaten en dit te vervangen door de gedachte dat criminelen een langere en geleidelijkere begeleiding naar de maatschappij behoeven. Deze nieuwe gedachte betekent geenszins eens gestraft is altijd gestraft. Het betekent wel dat DNA-afname kan helpen bij resocialisatie, dat er een actiever reclasseringstoezicht moet komen, dat de proeftijd moet worden verlengd en dat er meer moet worden gewerkt met op de persoon toegespitste voorwaarden bij vrijlating. De aan het woord zijnde leden nodigen de regering uit deze gedachte uit te werken.

De leden van de SP-fractie vragen aan de regering waarom inzake (eventuele bezwaren tegen) de DNA-databank geen advies is ingewonnen bij het College Bescherming Persoonsgegevens.

De leden van de fractie van de ChristenUnie merken op dat de opzet van de wet zodanig is dat het afnemen en in beslag nemen van het celmateriaal niet onderworpen is aan een rechtsmiddel. De argumentatie is, dat de rechtswaarborgen qua zwaarte zo veel mogelijk dienen te passen bij hetgeen in de betreffende beslissing of handeling op het spel staat. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen om welke reden de minister er niet voor kiest meer rechtswaarborgen te bieden, door bezwaar tegen de afname en in beslagname van het celmateriaal mogelijk te maken.

5. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

5.1 De categorie veroordeelden waarvoor de wet geldt

De leden van de CDA-fractie merken op dat in de wet geen regeling wordt getroffen ten aanzien van personen die hun straf of maatregel al hebben ondergaan. Is de regering bereid een regeling te treffen voor die categorie? De leden van de CDA-fractie kunnen zich voorstellen dat diegenen die een straf hebben uitgezeten bij een volgend justitiecontact alsnog DNA moeten afstaan, ook indien het niet in het belang van het onderzoek is. Het recidivegevaar is dan immers gebleken. Graag ontvangen deze leden hierop een reactie van de regering. Ook vragen deze leden waarom geen bepaling is opgenomen ten aanzien van het vrijwillig kunnen afstaan van DNA door ex-veroordeelden.

De leden van de VVD-fractie constateren dat diegene die geen straf maar alleen een geldboete of een financiële maatregel is opgelegd, zijn uitgezonderd van de categorie veroordeelden waarvoor de wet geldt. Deze leden begrijpen dat deze uitzondering geldt voor hen die geen straf is opgelegd. De rechter heeft namelijk in dergelijke concrete gevallen geoordeeld dat er weliswaar een schuldig verklaring op zijn plaats is, maar dat de omstandigheden van het geval geen straf rechtvaardigen. Bij een boete of financiële maatregel is dit anders. Waarom wordt hier dan de afname van DNA-materiaal uitgezonderd? Waarom wordt niet aansluiting gezocht bij het systeem dat de strafbedreiging bepalend is?

De leden van de SP-fractie vragen de regering waarom personen die ontslagen zijn van alle rechtsvervolging, echter aan wie wel een maatregel is opgelegd toch DNA moeten afstaan? Heeft dat met name bij jeugdigen enerzijds niet een stigmatiserend effect en trekt dat anderzijds – bij het veelvuldig afnemen van DNA – niet een zware wissel op de opslagcapaciteit van de DNA-databank? Welke garanties zijn er dat de DNA-databank op termijn niet «vervuild» raakt? Kan de regering, zo vragen deze leden zich af, dezelfde vraag beantwoorden met betrekking tot de casus dat een persoon achteraf ten onrechte als veroordeelde is aangemerkt maar dat zijn DNA wel in de databank is opgeslagen. Welke rechtswaarborgen heeft die persoon dan? Welke garanties zijn er dat hij inzage krijgt in het vernietigingsrapport? Welke criteria gelden voor het «waterdicht» zijn van de DNA-databank? Kan de regering die met bekwame spoed aan de Tweede Kamer overleggen? En kan de regering aangeven hoeveel DNA-profielen thans in de databank zijn opgeslagen?

De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat het wetsvoorstel ziet op personen die in eerste aanleg worden veroordeeld tot een voorwaardelijke of onvoorwaardelijke gevangenisstraf, een voorwaardelijke of onvoorwaardelijke taakstraf, opname in psychiatrisch ziekenhuis, TBS, SOV, jeugddetentie of een PIJ, voor misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Deze leden vragen zich af of de regering bij de vaststelling van deze categorie personen rekening gehouden heeft met de bevoegdheid van het Openbaar Ministerie tot het opleggen van een taakstraf als transactie (zie artikel 74 Wetboek van Strafrecht)? Dit mede gelet op de voorstellen van de huidige regering om de bevoegdheden van het Openbaar Ministerie om zelfstandig strafbare feiten af te handelen, uit te breiden?

Vanuit dit licht bekeken, vragen de leden van de GroenLinks-fractie zich af op welke wijze de regering wil voorkomen dat er rechtsongelijkheid ontstaat tussen burgers die worden vervolgd en door de rechter worden veroordeeld tot een taakstraf en burgers die deze taakstraf als transactie uitvoeren? De laatsten behoeven op grond van het wetsvoorstel immers geen DNA af te staan.

Tevens vragen de leden van de GroenLinks-fractie aan de regering of deze wet voorziet in de mogelijkheid van de rechter dan wel het Openbaar Ministerie om in het kader van een voorwaarde bij een voorwaardelijke straf of een voorwaardelijk sepot DNA-materiaal bij een persoon af te nemen en in de DNA-databank op te nemen?

5.2 De misdrijven waarvoor moet zijn veroordeeld

Volgens de leden van de fractie van de VVD kiest de regering er terecht voor om zich niet te beperken tot zeden en ernstige geweldsmisdrijven zoals aanvankelijk kennelijk de bedoeling was. Het voorbeeld van het gebruik van DNA-materiaal bij inbraken laat zien dat de categorie van «voorlopige hechtenis misdrijven» veel beter is.

De leden van de GroenLinks-fractie vinden het opvallend dat de regering het wetsvoorstel ingrijpend heeft gewijzigd door de categorie van veroordeelden uit te breiden van zedendelicten en zware geweldsmisdrijven naar alle misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, zonder dat de gegeven adviezen hiertoe aanleiding gaven. De leden betreuren het zeer dat door deze wijziging niet alle adviserende instanties op dit specifieke punt geen oordeel hebben kunnen geven. Zou het niet juist zijn om – aangezien het hier een ingrijpende wijziging betreft – deze adviserende instanties op dit specifieke punt nogmaals om een reactie te vragen?

De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat uit de memorie van toelichting blijkt dat de ingrijpende wijziging van het wetsvoorstel mede het gevolg is van onderzoek naar de wijze waarop deze regeling in het buitenland is geregeld. Zou de regering in het kort kunnen aangeven in welke landen een dergelijke regeling is ingevoerd en op welke wijze de regeling daar is vorm gegeven? Voorts vragen de leden zich af of de invoering van deze regeling in deze landen inderdaad tot een preventieve werking heeft geleid.

Naar het oordeel van de leden van de GroenLinks-fractie dient het afnemen van DNA-profielen als preventieve maatregel in beginsel te zijn gericht op het terugbrengen van recidive bij zware misdrijven, zoals zware geweldsdelicten en zedendelicten. Immers, in die gevallen kan men stellen dat de belangenafweging tussen het belang van de veroordeelde (de inbreuk op zijn lichamelijke integriteit en privacy) en het belang van de samenleving bij het voorkomen van recidive, in het nadeel van de veroordeelde dient uit te vallen. Immers, deze persoon is voor een dermate zwaar delict dat een dergelijke inbreuk is gerechtvaardigd. Op bladzijde 19 van de memorie van toelichting stelt de regering dan ook dat het naar haar oordeel van groot belang en alleszins gerechtvaardigd is dat van veroordeelden wegens ernstige misdrijven wordt verlangd dat zij celmateriaal afstaan ten behoeve van het bepalen en verwerken van hun DNA-profiel, alvorens zij in vrijheid worden gesteld.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen aan de regering of deze van oordeel is dat alle misdrijven, zoals die zijn omschreven in artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering, als ernstige misdrijven kunnen worden aangemerkt? Deze leden geven hierbij het voorbeeld: indien een persoon door de rechter wordt veroordeeld voor een winkeldiefstal (artikel 300 Wetboek van Strafrecht) of verduistering (artikel 321 Wetboek van Strafrecht) tot een taakstraf van 40 uur, is dan sprake van een ernstig misdrijf? Is het dan niet disproportioneel om van deze persoon tevens DNA af te laten nemen? Een tweede voorbeeld: een minderjarige wordt door de kinderrechter veroordeeld tot een leerstraf van 25 uur wegens schuldheling omdat hij een mobiele telefoon in bezit had, waarvan later blijkt dat deze gestolen is. Is het dan niet disproportioneel om van deze persoon tevens DNA af te laten nemen? Dient de voornoemde belangenafweging in deze voorbeelden niet in het voordeel van de veroordeelden uit te vallen?

De leden van de fractie van D66 constateren dat het voorliggende wetsvoorstel vereist voor DNA-onderzoek een veroordeling wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. De leden van de fractie van D66 vragen de regering naar de mogelijkheden om de rechter ter zitting bij andere dan bedoelde misdrijven de bevoegdheid te geven bij veroordeling de verplichting tot medewerking aan DNA-onderzoek op te leggen. Hoe staat de regering tegenover een dergelijke bevoegdheid? De leden van de fractie van D66 stellen voor om personen die zijn veroordeeld tot een lagere gevangenisstraf dan als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, een beperkte strafvermindering toe te kennen wanneer zij vrijwillig meewerken aan een DNA-onderzoek. Deze strafvermindering wordt dan gerechtvaardigd door een geringere kans op recidive en het belang voor de opsporing. Wat is de reactie van de regering op dit voorstel?

5.3 Het geval waarin DNA-onderzoek plaatsvindt: vaststelling concreet recidivegevaar niet vereist

De leden van de CDA-fractie zijn niet overtuigd van de wenselijkheid van opname van de bepaling onder artikel 2, eerste lid sub b. Deze leden vinden deze bepaling te open, en vrezen een niet te controleren stroom van bezwaren. Ook voor de officier van justitie zal het moeilijk zijn aan te geven wanneer «redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde».

In de memorie van toelichting noemt de regering, zo vervolgen de leden van de CDA-fractie, een aantal voorbeelden van gevallen waarin DNA niet behoeft te worden afgenomen omdat onaannemelijk is dat de veroordeelde een ander misdrijf heeft gepleegd of nog zal plegen. Naar het oordeel van de leden van de CDA-fractie kan het gaan om twee categorieën. In de eerste plaats om uitzonderingen de aard van het misdrijf betreffende (veroordeling van een arts tot moord wegens onregelmatigheid in de naleving van de euthanasieprocedure). In de tweede plaats uitzonderingen gelegen in de persoon van de dader (de vrouw die na jaren mishandeling haar man doodt). De in de toelichting gegeven voorbeelden zijn duidelijk. Maar het is natuurlijk de vraag of in de praktijk de zaken ook zo helder zullen liggen. De leden van de CDA-fractie geven er in beginsel de voorkeur aan dat DNA in de gevallen bedoeld in deze wet altijd kan worden afgenomen. De inbreuk op de onaantastbaarheid van het lichaam is immers zeer beperkt. Indien echter uitzonderingen moeten worden mogelijk gemaakt op basis van artikel 8 EVRM, dan geeft de CDA-fractie er de voorkeur aan wanneer limitatief wordt omschreven in welke gevallen geen DNA behoeft te worden afgenomen. De leden van de CDA-fractie vragen de regering om een reactie hierop.

De leden van de SP-fractie vragen de regering waarom er geen concreet recidivegevaar noodzakelijk is om over te gaan tot verplichte DNA-afname? Wat zijn de argumenten hiervoor? Tevens vragen de aan het woord zijnde leden de regering het begrip «reële kans op recidive» met cijfers te onderbouwen. Hoe groot is in zijn algemeenheid de kans dat een veroordeelde van een zedendelict in herhaling valt?

5.4 Centrale rol openbaar ministerie; controlerende rol rechter

De leden van de CDA-fractie vragen de regering aan te geven waarom voor afname van DNA bij veroordeelden een bevel van de officier van justitie nodig is. Dit achten zij een verdere belasting van het toch al zo zwaar belaste Openbaar Ministerie. Is het niet beter de DNA-afname als een standaardprocedure mee te nemen bij de intake van veroordeelden in een penitentiaire inrichting dan wel bij de start van het ten uitvoerleggen van een taakstraf? Indien de veroordeelde weigert mee te werken, kan alsnog de officier van justitie gevraagd worden om al of niet een bevel te geven.

De leden van de SP-fractie hebben aan de regering met betrekking tot de toetsende rol van de rechter nog een aantal vragen. Acht de minister het aannemelijk dat een ieder van de mogelijkheid gebruik zal maken van artikel 7? En zo ja, zal dat niet leiden tot een verdere verstopping van de justitiële keten?

5.5 Beknopte beschrijving van de procedure bij DNA-onderzoek bij veroordeelden

De leden van de VVD-fractie merken op dat in het voorstel terecht wordt ingegaan op de inbreuk op de grondrechten, op de aantasting van de integriteit van het menselijk lichaam en op de inbreuk op de persoonlijk levenssfeer. Het is van belang deze belangrijke grondrechtendiscussie niet louter theoretisch te laten verlopen. De leden van de fractie van de VVD willen daarom geen enkele onduidelijk laten bestaan over wat het voorstel nu praktisch betekent. Zij vragen de regering of het juist is dat het wetsvoorstel het mogelijk maakt om: DNA-materiaal af te nemen van mensen die zijn veroordeeld voor een nader aangeduid misdrijf; dat dit materiaal bij voorkeur wordt afgenomen middels het strijken van een wattenstaafje langs de binnenkant van de wang; dat van het niet-coderend-DNA een unieke streepjescode word gemaakt; dat het niet-coderend-DNA-materiaal niet voor andere doeleinden wordt gebruikt, zoals het bepalen van mogelijke erfelijke ziekten of andere persoonlijke eigenschappen; en dat de streepjescode wordt opgeslagen in de DNA-databank die slechts wordt gebruikt voor de opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten?

De leden van de fractie van de VVD vragen zich af of ze het goed hebben begrepen dat na een bezwaarschrift of een in hoger beroep verkregen vrijspraak, het reeds afgenomen DNA moet worden vernietigd en dat de code in de databank zal worden gewist. Zij verwachten dat dit zo is, maar hebben daardoor de vraag wat er dan gebeurt met eventueel verkregen bewijs dat tussentijds is vergaard met behulp van de DNA-code? Volgens deze leden kan het niet zo zijn dat dit bewijs moet worden gekwalificeerd als onrechtmatig verkregen. Kan de regering deze leden geruststellen?

De leden van de LPF-fractie achten het van essentieel belang dat van de goede persoon materiaal wordt afgenomen, enerzijds om de bewijskracht van de DNA-profielen te kunnen garanderen, anderzijds om de onschuldige burger te kunnen beschermen die bij verwarring omtrent identiteit zich ineens opgenomen zou kunnen zien in de DNA-databank. In dit wetsvoorstel is opgenomen de bevoegdheid tot het vragen van het sofi-nummer van betrokkene. De LPF vraagt zich af of hiermee voldoende waarborgen zijn opgenomen ter zekerheidsstelling van de identiteit van de veroordeelde of dat de regering nog andere mogelijkheden ziet om de bevoegdheid van de politie verder te verruimen.

De leden van de fractie van D66 vragen of hun veronderstelling juist is, dat volgens dit wetsvoorstel slechts een DNA-profiel mag worden opgeslagen en niet een (volledig) overzicht van het DNA? Is de veronderstelling juist dat volgens dit wetsvoorstel slechts het DNA-profiel mag worden opgeslagen en niet het celmateriaal? Wat gebeurt er met het afgenomen celmateriaal, nadat een DNA-profiel is opgemaakt en wat zijn de procedures voor vernietiging van het celmateriaal? Waarom worden de termijnen voor het bewaren van een DNA-profiel in een Algemene Maatregel van Bestuur neergelegd en niet in het Wetsvoorstel? Wat dient er te gebeuren met het DNA-profiel van een veroordeelde na diens overlijden?

Tevens willen de leden van de D66-fractie weten wat er gebeurt wanneer een veroordeelde niet wenst mee te werken aan het DNA-onderzoek. De leden van de fractie van D66 vernemen graag meer over de wijze waarop een DNA-onderzoek in een dergelijk geval tot stand dient te komen. Over welke dwangmiddelen zal Justitie beschikken om een veroordeelde tot deelname te dwingen? Wie voert het DNA-onderzoek in feite uit? Kan het DNA-onderzoek ook worden uitbesteed aan een extern medisch onderzoeksbureau?

De Nederlandse Orde van Advocaten, zo vervolgen de leden van de D66-fractie, roept op tot adequate waarborgen tegen misbruik van de vele DNA-profielen van veroordeelden die door de overheid zullen worden opgeslagen, opdat het risico van misbruik zoveel mogelijk wordt beheerst. De Nederlandse Orde van Advocaten vraagt de regering ook te onderzoeken welke rol het College Bescherming Persoonsgegevens hierbij zou kunnen vervullen. De leden van de fractie van D66 vragen de regering om een reactie op deze oproep van de Nederlandse Orde van Advocaten.

Eveneens willen de leden van de fractie van D66 de regering vragen op welke wijze DNA-onderzoeken zullen worden vormgegeven, wanneer een Nederlander in het buitenland wordt veroordeeld tot een ernstig misdrijf?

De leden van de fractie van D66 merken verder op dat DNA-onderzoek soms ernstige bezwaren tegen personen doet rijzen, nadat deze in hoogste instantie zijn vrijgesproken. Dat geeft volgens de leden van de fractie van D66 aanleiding tot herziening van het ne bis in idem beginsel. Waarom heeft de regering haar standpunt in deze nog altijd niet bepaald? Is een dergelijk standpunt in april 2003 wel te verwachten, zo vragen deze leden?

6. Toetsing aan grondrechten en algemene rechtsbeginselen

6.1 DNA-onderzoek bij personen die na de inwerkingtreding van de wet worden veroordeeld

De leden van de VVD-fractie merken op dat op dit moment DNA niet wordt gebruikt als persoonlijk identificatiemiddel. Deze leden hebben geregeld gesteld dat de afname van DNA-materiaal kan worden vergeleken met de afname van vingerafdrukken. Zelfs kan worden gesteld dat de afname van vingerafdrukken een zwaardere inbreuk maakt op de lichamelijke integriteit omdat hierbij inkt wordt aangebracht op het lichaam. Zij begrijpen daarom niet dat de regering het gebruik van DNA-materiaal als identificatiemiddel afwijst. Geldt deze afwijzing ook indien in de toekomst op nog minder indringende wijze DNA-materiaal kan worden afgenomen?

De leden van de fractie van de LPF constateren dat in het wetsvoorstel een opschortend rechtsmiddel is opgenomen tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel. Een soortgelijke rechtsbescherming tegen het afnemen van materiaal en de daarmee mogelijk gepaard gaande dwangmiddelen ontbreekt echter. Dit bevreemdt daar juist het afnemen van het DNA een inbreuk vormt op een fundamenteel recht: onaantastbaarheid van het lichaam, artikel 11 Grondwet en recht op private life, artikel 8 EVRM. Artikel 13 EVRM stelt dat een ieder bij schending van grondrechten recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, in voorliggend wetsvoorstel lijkt dit rechtsmiddel echter te ontbreken daar opschorting slechts geldt voor het bepalen en verwerken van het DNA-profiel en niet tegen de daadwerkelijke inbreuk op het recht: de afname. Daar twijfel bestaat of het gemis aan een rechtsmiddel in een kort geding of voor het Europese Hof overeind kan blijven, zouden wij ook graag op dit punt nadere uitleg van de regering zien.

6.2 DNA-onderzoek bij personen die voor de inwerkingtreding van de wet zijn veroordeeld (onmiddellijke werking)

De leden van de PvdA-fractie stellen vast dat de regering er de voorkeur aan geeft om het onderhavige wetvoorstel met terugwerkende kracht te hanteren. Hoe verhoudt zich dit tot artikel 8 EVRM. Wordt in dit opzicht de voorzienbaarheidseis niet te veel losgelaten zoals deze is neergelegd in de jurisprudentie?

De leden van de VVD-fractie constateren dat in de benadering van het voorliggende voorstel de notie dat de afname van DNA-materiaal geen straf essentieel is. Deze leden vragen de regering dit nog eens te onderstrepen. Kan de regering daarbij een vergelijking maken met andere opsporingsmiddelen die de politie tot zijn beschikking heeft? Het is toch juist dat de bevoegdheid van de politie om haar ogen en oren de kost te geven, niet als straf mag worden gezien voor hen die worden bekeken? En het is toch zo dat bekende daders wat beter mogen worden bekeken door de politie, zonder dat dit moet worden aangemerkt als een straf?

De leden van de SP-fractie vragen de regering naar de relatie tussen de onmiddellijke werking van dit wetsvoorstel (verplichte afname DNA) en het vereiste van voorzienbaarheid (een veroordeelde die thans verblijft in een PI). In hoeverre acht de regering deze keuze in strijd met artikel 7 en 8 EVRM en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in dit verband? De leden van de SP-fractie vragen de regering om een uitvoerige uiteenzetting terzake.

De leden van de LPF-fractie stellen vast dat het wetsvoorstel in artikel 8 de mogelijkheid biedt voor DNA-onderzoek bij personen die voor de inwerkingtreding van de wet zijn veroordeeld en hun straf of maatregel ondergaan of nog moeten ondergaan. Artikel 4 Wet algemene bepalingen stelt dat de wet geen terugwerkende kracht heeft, wat krachtens jurisprudentie inhoudt dat de wet aan een anterieur feit geen rechtsgevolgen verbindt. Daar de veroordelingen op grond waarvan voorgestelde dwangmaatregel wordt toegepast anterieur zijn aan voorliggende wet vraagt de LPF zich hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot artikel 4 Wet algemene bepalingen.

Bovendien, zo vervolgen de leden van de LPF-fractie, heeft de regering gekozen voor het overnemen van het standpunt van prof. mr. De Hullu wanneer wordt ingezoomd op het aspect van voorzienbaarheid zoals is neergelegd in artikel 8 lid 2 EVRM. Professor Lawson stelt echter dat de beoogde onmiddellijke werking van het wetsvoorstel niet strookt met de voorzienbaarheidseis in de Straatburgse jurisprudentie. Waarom wil de regering het risico lopen door het EHRM op de vingers getikt te worden op het moment dat professor Lawson het gelijk aan zijn kant blijkt te hebben, wanneer ook, zoals de wetenschappelijke commissie van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak opmerkt, de databank zonder de onmiddellijke werking wel vol zal lopen.

De fractieleden van GroenLinks merken op in het wetsvoorstel wordt voorgesteld om de wet van toepassing te verklaren op personen die op het tijdstip van inwerkingtreding reeds zijn veroordeeld, mits zij op dat moment de hun opgelegde straf of maatregel ondergaan of nog moeten ondergaan. Het voorgestelde overgangsrecht heeft tot gevolg dat personen die reeds veroordeeld zijn, worden geconfronteerd met een nieuwe strafrechtelijke maatregel die inbreuk maakt op hun grondrechten. Uit de adviezen van prof. Lawson en prof. De Hullu komt in algemene zin naar voren dat deze maatregel op grond van artikel 7 EVRM niet als punitief kan worden aangemerkt en derhalve geen strijd oplevert met het EVRM. Ondanks deze conclusie, kunnen deze leden zich voorstellen dat er concrete situaties zijn waarin toepassing van deze maatregel onevenredig zwaar weegt. Bijvoorbeeld als sprake is van strafbare feiten (bijvoorbeeld artikel 310 Wetboek van Strafrecht) waarbij een hele lichte straf is opgelegd. Ontstaat in dat geval dan toch geen onevenredig nadeel voor de betreffende veroordeelde?

Indien, zo vervolgen de leden van de GroenLinks-fractie, een persoon door de rechter wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke straf, dan geldt in de praktijk meestal een proeftijd van twee jaar. Heeft het wetsvoorstel ook tot gevolg dat veroordeelden, die op het tijdstip van inwerkingtreding nog in een proeftijd met betrekking tot een voorwaardelijke straf lopen, onder de werking van deze wet zullen vallen?

De leden van GroenLinks-fractie stellen vervolgens dat het onderscheid tussen onvoorwaardelijke en voorwaardelijke straf substantieel is. Bij het eerste besluit de rechter – naar aanleiding van het gepleegde strafbare feit – tot een sanctie die door de veroordeelde aan den lijve wordt ondervonden. Deze sanctie wordt binnen afzienbare tijd ten uitvoer gelegd. Bij een voorwaardelijke straf geeft de rechter aan de veroordeelde een waarschuwing af, de zogenaamde stok achter de deur, waarbij de veroordeelde een laatste kans heeft om te tonen dat hij zijn gedrag zal verbeteren. Deze straf blijft gedurende de proeftijd van twee jaar als een zwaard van Damocles boven het hoofd van de veroordeelde hangen. Is het uit oogpunt van rechtszekerheid, gelet op de langere termijn waarin deze personen met hun straf worden geconfronteerd, niet juister om het overgangsrecht niet op deze groep van toepassing te laten zijn? Zo nee, is het dan niet juister om een grens aan te brengen? Zo zou het overgangsrecht alleen betrekking kunnen hebben op personen die zijn veroordeeld tot een voorwaardelijke straf van zes maanden gevangenisstraf of meer?

De leden van de fractie van D66 voeren aan dat in antwoord op Kamervragen van het lid Dittrich over de verplichte afname van DNA bij ex-TBS'ers de regering heeft toegezegd de vrijwillige deelname van TBS-gestelden aan een DNA-onderzoek vanaf 1 juli 2002 te gaan stimuleren. Is dit ook daadwerkelijk gebeurd, zo vragen deze leden, en tot welke resultaten heeft dit geleid?

Ten aanzien van het voorstel van de fractie van de leden van D66 om ook te komen tot vrijwillige deelname van voormalige TBS'ers, veroordeeld wegens levensdelicten en ernstige zedendelicten, stelt de regering dat zij daartoe geen mogelijkheid ziet. Aan het (strafrechtelijk) overheidsingrijpen zou na afloop van de TBS-behandeling definitief een einde moeten komen. De leden van de fractie van D66 zijn echter van mening dat een verzoek om deelname aan een DNA-onderzoek wordt gerechtvaardigd door enerzijds het feit dat die deelname op basis van vrijwilligheid geschiedt en anderzijds door de ernst van het gepleegde misdrijf (levensdelicten respectievelijk ernstige zedendelicten) en de onzekerheid omtrent het recidiverisico van de ex-TBS'er. Wat is de reactie van de regering op dit standpunt? Is de regering alsnog bereid de wet zodanig aan te passen dat aan ex-TBS'ers die zijn veroordeeld vanwege levensdelicten en ernstige zedendelicten gevraagd kan worden om vrijwillig mee te werken aan een DNA-onderzoek?

Volgens de leden van de fractie van D66 zou bij zeer ernstige misdrijven, zoals de moord op een kind, onder bepaalde voorwaarden een grootschalig vrijwillig DNA-onderzoek gehouden moeten kunnen worden. Een daartoe strekkende D66-motie (27 400 VI, 35) is door de Tweede Kamer aangenomen. Op welke wijze is het opsporingsbeleid van het Openbaar Ministerie sindsdien aangepast? Op welke wijze is sindsdien van dit middel gebruik gemaakt?

De leden van de fractie van de ChristenUnie merken op dat het wetsvoorstel een bepaling bevat van overgangsrechtelijke aard. DNA-onderzoek wordt derhalve ook toegepast bij personen, die op het tijdstip van de inwerkingtreding reeds veroordeeld zijn en een vrijheidsbenemende straf of maatregel ondergaan of nog moeten ondergaan. Op het moment van hun veroordeling, is er geen bevel tot een dergelijk onderzoek gegeven door de officier van justitie. Deze leden vragen of de overgangsrechtelijke aard van de opzet van de wet spanning geeft met het rechtszekerheidsbeginsel.

De wet, zo vervolgen de leden van de ChristenUnie-fractie, is opgesteld vanwege de aanzienlijke kans op recidive bij veroordeelden wegens de in het voorstel genoemde gewelds- en zedenmisdrijven. Personen, die veroordeeld zijn tot een taakstraf vallen ook onder de wet. De regering kiest er bij reeds veroordeelden voor de toepassing van DNA-onderzoek alleen te richten op de zwaardere gevallen vanwege de vergaande aard van de verplichting. De aan het woord zijnde leden vragen waarom de regering ten aanzien van reeds veroordeelden tot taakstraffen de kans op recidive minder laat meespelen.

Bij de leden van de SGP-fractie wordt, inzake de voorgestelde onmiddellijke werking van de voorgestelde wet ten aanzien van personen die vóór de inwerkingtreding van de wet zijn veroordeeld en hun straf of maatregel ondergaan of nog moeten ondergaan, de vraag opgeroepen of hier geen sprake is van – ontoelaatbare – terugwerkende kracht. Zowel met het oog op artikel 4 van de Wet algemene bepalingen als met het oog op artikel 8, tweede lid, van het EVRM stellen deze leden de vraag of de voorgestelde onmiddellijke werking zich wel verdraagt met het vereiste van voorzienbaarheid, een aspect dat niet meegenomen is in het advies van de Raad van State. Deze leden stellen meer in het bijzonder de vraag om welk moment van voorzienbaarheid het volgens het EVRM moet gaan. Betreft dit in de onderhavige context het – op het moment van handelen van de dader – strafbare karakter van zijn handelen, of (ook) de strafvorderlijke bevoegdheden die ter opheldering van het strafbaar handelen kunnen worden ingezet? Als het laatste het geval is, kan dan geen sprake zijn van strijdigheid met het legaliteitsbeginsel.

8. Organisatorische en financiële consequenties

De leden van de CDA-fractie merken op dat de regering inschat dat 10 tot 25 procent van de veroordeelden een bezwaarschrift zal indienen tegen de DNA-afname. Waarop is dit vermoeden gebaseerd, zo vragen deze leden? Zij constateren tot slot dat aanzienlijke middelen voor deze wet moeten worden vrijgemaakt. Hoe worden deze gevonden?

De leden van de fractie van de VVD hebben een praktische vraag over de volgorde van de afwikkeling van de tweede fase van de invoering van het voorstel. Zal als allereerste DNA-materiaal worden afgenomen van hen die als eerste in vrijheid zullen worden gesteld? Mogen deze leden er van uitgaan dat de regering de verplichting op zich neemt om zo snel mogelijk, zoveel mogelijk profielen van veroordeelden op te nemen in de databank?

De leden van de fractie van D66 merken op dat om goede resultaten te boeken met het grotere aantal DNA-profielen dat justitie ter beschikking zal staan wanneer dit wetsvoorstel wordt aangenomen, is het van groot belang dat de recherche in staat is om op plaatsen-delict steeds eventuele DNA-sporen op te nemen. Uit de memorie van toelichting bij dit voorstel blijkt volgens deze leden onvoldoende dat de recherche daarvoor voldoende middelen en personeel zal hebben. Zorg daarover is gerechtvaardigd, gezien het feit dat de recherche nu al vaak niet in staat is om bij woninginbraken sporen op te nemen. Op welke wijze stelt de regering voor de recherche verder te versterken, opdat zij steeds in de gelegenheid is DNA-sporen daadwerkelijk op te nemen?

Komt het nog voor dat DNA-profielen van personen ten aanzien waarvan geen verdenkingen bestaan voor onderzoek aan het Nederland Forensisch Instituut worden aangeboden? Zo ja, om hoeveel gevallen per jaar gaat het?

Tevens willen de leden van de fractie van D66 weten waar de voorspelling op gebaseerd is, waarnaar op pagina 26 van de memorie van toelichting wordt verwezen, als zou er tot aan het jaar 2007 bijna een halvering van het aantal gewelds- en zedendelicten optreden?

De leden van de ChristenUnie-fractie stellen vast dat de uitvoering van het wetsvoorstel een groot beslag legt op de capaciteit van de betrokken partners in de strafrechtsketen en op de financiële middelen. Derhalve is gekozen voor een gefaseerde invoering. De vraag van de leden van de fractie van de ChristenUnie is of er voldoende verwerkingscapaciteit is bij deze gefaseerde invoering. Met andere woorden, wordt een snelle volledige invoering van deze wet in de praktijk belemmerd omdat de verwerkingscapaciteit slechts langzaam uitbreidt?

9. Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1, onder c, juncto artikel 2, eerste lid

De leden van de SP-fractie vragen de regering waarom is gekozen voor het loslaten van het onherroepelijkheidsvereiste in het huidige begrip van «veroordeelde» ex artikel 1 lid 1 onder c jo. lid 2? Zij vragen de regering waarom zij het advies terzake van zowel het College van procureurs-generaal als dat van de Nederlandse Orde van Advocaten terzijde heeft geschoven? Welke argumenten lagen daaraan ten grondslag en welke problemen voorziet de regering met het loslaten van het onherroepelijkheidsvereiste in de sfeer van het leerstuk «onrechtmatig verkregen bewijs»?

De leden van de LPF-fractie constateren dat artikel 1. lid 1 onder c jo lid 2 van het voorliggende wetsvoorstel de veroordeelde definieert als een persoon die in eerste aanleg is veroordeeld wegens een aangewezen misdrijf. Het College van procureurs-generaal en de Adviescommissie Strafrecht van de Nederlandse Orde van Advocaten is van mening dat slechts een onherroepelijke veroordeling een voldoende juridische rechtvaardiging zou kunnen bieden voor voorgestelde dwangmaatregel. Het Wetboek van Strafvordering biedt partijen de mogelijkheid tot hernieuwde behandeling van hun zaak door de rechter, welke een grotere kans biedt op een juiste en beter aanvaardbare einduitspraak. Ook praktisch gezien biedt onherroepelijkheid van de veroordeling voordelen, daar de databank dan slechts die DNA-profielen bevat welke daadwerkelijk als rechtmatig verkregen bewijs kunnen worden aangemerkt. Graag zouden deze leden van de regering een nadere toelichting zien op dit punt.

De leden van de fractie van de ChristenUnie stellen vast dat er in de toelichting (artikel 1c en artikel 2 lid 1) wordt aangegeven dat er geen onherroepelijke veroordeling hoeft te zijn, voordat tot gedwongen DNA-afname kan worden overgegaan. Er wordt onder andere als reden gegeven, dat de verdachte zich namelijk op vrije voeten kan bevinden, omdat hij bijvoorbeeld de in eerste aanleg opgelegde vrijheidsbenemende straf of maatregel reeds heeft uitgezeten. In de reactie op de Raad van State geeft de regering echter aan, dat de legitimatie voor gedwongen DNA-onderzoek er niet meer is, nadat de straf of maatregel volledig is ondergaan. De aan het woord zijnde leden vragen hoe deze twee uitspraken zich met elkaar verhouden.

Artikel 2

Zien de leden van de CDA-fractie het goed dat de noodzaak voor deze aparte wet niet zou bestaan indien in artikel 151b, tweede lid Wetboek van Strafvordering de bepaling dat de afname van DNA bij verdachten alleen mag plaatsvinden «in het belang van het onderzoek» zou worden geschrapt? Indien die zinsnede wordt geschrapt is er immers geen reden meer om te wachten tot een veroordeling. Er zijn dan ook geen aparte procedures nodig. Zou het niet veel effectiever zijn om in artikel 151b, eerste lid Wetboek van Strafvordering deze zinsnede te laten vervallen, maar er eventueel aan toe te voegen dat het materiaal wordt vernietigd indien geen veroordeling volgt?

De leden van de fractie van GroenLinks merken op dat op grond van artikel 2 de officier van justitie beveelt dat het DNA-materiaal zal worden afgenomen. Uit de memorie van toelichting blijkt dat dit een verplichting voor de officier van justitie is. In artikel 2, eerste lid, onder b, staat vervolgens een uitzondering op de verplichting opgenomen, immers wanneer het redelijkerwijs aannemelijk is dat het afnemen van DNA-materiaal van betekenis zal kunnen zijn voor voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Heeft de officier van justitie met deze uitzondering een eigen individuele, magistratelijke, beoordelingsruimte om te beoordelen of in een concreet geval aan deze uitzonderingsvoorwaarden is voldaan? Gelet op de ruime formulering van de uitzondering kunnen deze leden het zich voorstellen, dat het Openbaar Ministerie een (interne) richtlijn vaststelt waarin algemene beoordelingscriteria worden opgenomen voor welke gevallen deze uitzondering geldt. Gaarne een reactie.

Artikel 4

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of er voldoende waarborgen zijn opgenomen ter zekerheidsstelling van de identiteit van de veroordeelde in deze wet? Verdient het aanbeveling om deze waarborgen uit te breiden, bijvoorbeeld door het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 579 Wetboek van Strafvordering?

De leden van de SGP-fractie stellen vast dat het voorgestelde artikel 4, vierde lid, de politie de bevoegdheid geeft de aangehouden persoon naar zijn sofi-nummer te vragen. De leden van de SGP-fractie vragen zich af of hiermee voldoende waarborgen zijn opgenomen ter zekerstelling van de identiteit van de veroordeelde. Zij vragen wat het oordeel van de regering is over een veel verdergaand alternatief, namelijk de van overeenkomstige toepassingverklaring van de maatregelen tot herkenning als bedoelt in de artikelen 579 Wetboek van Strafvordering e.v., waarbij bij twist tussen het Openbaar Ministerie en de arrestant over diens identiteit de beslechting hiervan aan de rechter wordt overgelaten in een spoedraadkamerzitting.

Artikel 7

De leden van de GroenLinks-fractie stellen vast dat artikel 7 de veroordeelde het recht geeft om bezwaar aan te tekenen tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel. Deze mogelijkheid tot bezwaar ziet echter niet op de toepassing van de dwangmiddelen uit artikel 4 en 5. In de memorie van toelichting bij artikel 7 verwijst de regering naar de rechtswaarborgen die liggen besloten in de beoordeling door de officier van justitie of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2. Uit de memorie van toelichting bij artikel 2 blijkt echter dat de officier van justitie in beginsel verplicht is DNA af te nemen tenzij zich een uitzondering voordoet. In hoeverre is er nog sprake van een rechtswaarborg indien de officier van justitie in beginsel verplicht is tot afname? Immers, zijn eigen beoordelingsruimte als magistraat is door de verplichting tot afname zeer beperkt.

Voorts, zo stellen de leden van de fractie van GroenLinks, ziet de bezwaarmogelijkheid alleen op het bepalen en verwerken van het DNA-profiel. Houdt dit in dat de toets van de rechtbank alleen ziet op de vraag of de officier van justitie zich aan de criteria van artikel 2 heeft gehouden? Valt de wijze waarop de dwangmiddelen jegens de veroordeelde in het kader van deze wet zijn toegepast (gemeten naar maatstaven van proportionaliteit en subsidiariteit) binnen het toetsingskader van de rechter?

De leden van de fractie van de SGP constateren dat in het voorgestelde artikel 7 voorzien is in het recht van de veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel een bezwaarschrift in te dienen bij de rechtbank, dat door de rechtbank in raadkamer zal worden behandeld overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 21–26 Wetboek van Strafvordering. In deze raadkamerprocedure zal het in het bevel besloten liggende oordeel van de officier van justitie, dat de uitzonderingen van artikel 2, eerste lid, onder a en b, niet op de betreffende veroordeelde van toepassing zijn, kunnen worden aangevochten. Nog los van het gegeven dat deze uitzonderingsbepaling onder b erg ruim geformuleerd is, staat in het wetsvoorstel dus wel een opschortend rechtsmiddel open tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel, maar niet tegen het afnemen van materiaal en daarmee mogelijk gepaard gaande dwangmiddelen. Dit in afwijking van het bepaalde in bijvoorbeeld, zij het in een ander kader, de preventieve toets van artikel 552p lid 4 of artikel 164 lid 8 WVW 1994. De leden van de SGP-fractie stellen met het oog op het voorgaande de vraag of het ontbreken van opschortende werking onder omstandigheden de weg naar de civiele rechter opent.

De fungerend voorzitter van de commissie,

Albayrak

De griffier voor dit verslag,

Van Bemmel


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: van de Camp (CDA), de Vries (PvdA), van Heemst (PvdA), Dittrich (D66), Vos (GL), Cornielje (VVD), Rouvoet (CU), Kamp (VVD), Adelmund (PvdA), de Wit (SP), Rietkerk (CDA), Albayrak (PvdA), fng voorzitter, Eurlings (CDA), Örgü (VVD), Çörüz (CDA), Lazrak (SP), Wolfsen (PvdA), Tonkens (GL), de Vries (CDA), van Haersma Buma (CDA), Eerdmans (LPF), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Varela (LPF), Straub (PvdA), Tjon-A-Ten (PvdA), Nijs (VVD) en Griffith, MPA (VVD).

Plv. leden: van der Hoeven (CDA), Boelhouwer (PvdA), Verdaas (PvdA), Van der Laan (D66), Halsema (GL), Nicolaï (VVD), van der Staaij (SGP), Blok (VVD), Kalsbeek (PvdA), van Velzen (SP), de Pater-van der Meer (CDA), Verbeet (PvdA), Ormel (CDA), Remkes (VVD), Jager (CDA), Vergeer-Mudde (SP), Arib (PvdA), Karimi (GL), Buijs (CDA), Sterk (CDA), Nawijn (LPF), Joldersma (CDA), Hermans (LPF), Van Dijken (PvdA), van Heteren (PvdA), Rijpstra (VVD) en Hirsi Ali (VVD).

XNoot
1

G.J.M. Corstens, Het Nederlandse strafprocesrecht, Deventer 1999 (derde druk), p. 16 en verder.

XNoot
2

Vgl. derde interim rapport onderzoeksproject strafvordering 2001, onder meer p. 21.