28 684
Naar een veiliger samenleving

nr. 85
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN JUSTITIE EN VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 mei 2006

Met deze brief bieden wij u de zevende voortgangsrapportage over de uitvoering van het Veiligheidsprogramma1 en de landelijke rapportage van de Veiligheidsmonitor Rijk (VMR) 2006 aan1.

De zevende voortgangsrapportage bouwt voort op de eerdere voortgangsrapportages en beschrijft de voortgang van de maatregelen en prestaties uit het Veiligheidsprogramma in de periode 1 juli 2005 tot 1 januari 2006. Met de zevende rapportage is het veiligheidsprogramma in het laatste jaar van uitvoering beland. De afsluitende rapportage wordt voorzien voor mei 2007.

De VMR 2006 geeft zowel op landelijk als op regionaal niveau een beeld over slachtofferschap van criminaliteit, ervaren buurtproblemen (overlast en verloedering), onveiligheidsgevoelens van burgers en meningen over het functioneren van de politie.

1. Voortgang Veiligheidsprogramma

Het Veiligheidsprogramma «Naar een veiliger samenleving» heeft als doelstelling dat in de periode 2008–2010 een reductie van criminaliteit en overlast in het publieke domein met 20 tot 25% gerealiseerd moet worden. Deze landelijk beoogde doelstelling moet reeds in 2006 zichtbaar worden in de 50 probleemwijken in de G31. Dit kabinet kan hierop worden aangesproken.

In de bestrijding van criminaliteit, overlast en verloedering is met het Veiligheidsprogramma de laatste jaren veel voortgang geboekt. De aanpak van veelplegers vordert gestaag. Met de aanpak van risicojongeren, urgente gebieden en het geweld in de samenleving wordt voortgang geboekt. De gezamenlijke aanpak met andere departementen, lokale overheden, burgers en bedrijfsleven zet verder door.

Over de periode 2002 tot 2005 is een daling van de vermogenscriminaliteit met 9,3% en een daling van geweldscriminaliteit met 10,8% gerealiseerd. In diezelfde periode is het percentage burgers dat zich wel eens onveilig voelt gedaald van 30,8% naar 24%, en laten ook de schaalscores voor overlast en verloedering een verbetering zien. Van de algehele doelstelling van het Veiligheidsprogramma is daarmee een reductie van zo’n 10% van de criminaliteit tegen burgers verwezenlijkt. Wat de periode tot 2008/2010 betreft resteert een doelstelling van nog eens –10 tot –15%.

2. Veiligheidsmonitor Rijk (VMR) 2006

De metingen met betrekking tot de realisatie van de doelstelling van het Veiligheidsprogramma kennen twee sporen. Het eerste spoor betreft het landelijk slachtofferschap van criminaliteit, de ervaren buurtproblemen (overlast en verloedering) en de onveiligheidsgevoelens van burgers tot 2008/2010. Voor deze metingen wordt voortaan de VMR gebruikt.

Het tweede spoor betreft de metingen van de ontwikkelingen in de 50 probleemwijken in de G31 met de gemeentelijke enquêtes Leefbaarheid en Veiligheid (L&V). Op de resultaten in de probleemwijken is dit kabinet aanspreekbaar. Deze metingen lopen conform afspraken door tot en met 2007.

De VMR 2006 geeft zowel op landelijk als op regionaal niveau een beeld over slachtofferschap van criminaliteit, ervaren buurtproblemen, onveiligheidsgevoelens van burgers en meningen over het functioneren van de politie. Rapportages hierover vonden tot op heden hun grondslag in onderdelen van verschillende metingen, te weten het Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS), de Politiemonitor Bevolking (PMB) en de Enquêtes Leefbaarheid en Veiligheid (L&V).

Het naast elkaar bestaan van verschillende meetinstrumenten op het terrein van (on)veiligheid werd, mede uit efficiencyoogpunt, niet langer wenselijk geacht. Reden waarom dit kabinet heeft besloten tot het ontwikkelen van één Veiligheidsmonitor. Dit besluit hebben wij aan uw Kamer medegedeeld bij gelegenheid van de derde voortgangsrapportage van het Veiligheidsprogramma «Naar een veiliger samenleving». Kortheidshalve zij in dit verband ook verwezen naar de beantwoording van schriftelijke vragen van het lid van uw Kamer, de heer Straub, bij gelegenheid van de BZK-begrotingsbehandeling d.d. 28 november 2005. Op 14 juni 2005 hebben de secretarissen-generaal van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie met de directeur-generaal van het CBS een samenwerkingsovereenkomst gesloten tot het ontwikkelen van de VMR.

In 2005 werd de VMR voor het eerst in een beperktere omvang als pilot uitgevoerd. De VMR kan uit onderzoekstechnisch/methodologisch oogpunt worden gekwalificeerd als een verbeterde meetmethode ten opzichte van de tot dusver gehanteerde methoden. De VMR hanteert de GBA als steekproefkader, die minder selectief is dan bijvoorbeeld het bij de PMB gehanteerde kader, te weten het PTT/KPN-telefoonregister. Voorts maakt de VMR in tegenstelling tot de hiervoor gehanteerde meetmethoden gebruik van een combinatie van telefonische en «face-to-face»-bevraging. Via deze combinatie genereert de VMR een hoge respons (rond de 70%) en een beter beeld van de stand van zaken in de samenleving.

De VMR komt tot duidelijk hogere aantallen delicten dan op basis van de POLS-onderzoeken 2004 mocht worden aangenomen: POLS2004: 4,7 mln; VMR2005: 6,2 mln; VMR2006: 5,6 mln. In zijn rapportage geeft het CBS aan dat de veranderingen die qua meetmethode zijn doorgevoerd, zijn te beschouwen als kwaliteitsverbeteringen. Voorts dat het merendeel van de methodologische veranderingen volgens de theorie en bevindingen uit eerder onderzoek zal leiden tot hogere slachtofferpercentages en aantallen delicten. Het betreft derhalve een methodisch effect. Kortheidshalve zij wat dit aangaat verwezen naar bijlage 4 («De start van een nieuwe reeks») van de VMR.

Een fenomeen als het bovenstaande is overigens niet nieuw. Als voorbeeld kan genoemd worden de revisie van de nationale rekeningen in de zomer van 2005. Het Bruto Binnenlands Produkt (BBP) is destijds over 2001 met 4% opwaarts bijgesteld (van 429,3 mrd naar 447,7 mrd). Het is niet zo dat Nederland daardoor welvarender is geworden; alleen de meting van de omvang van het BBP is verbeterd. Deze notie geldt ook voor de veiligheidscijfers. Het absolute gemeten niveau is gestegen, maar daarmee behoeft de werkelijke (on)veiligheid nog niet veranderd te zijn.

Voor wat betreft de mate van vergelijkbaarheid van de metingen onderling en met eerdere metingen kunnen drie belangrijke conclusies worden getrokken:

• De cijfers van de laatste metingen (over 2004) van de drie «oude» veiligheidsmonitors (POLS2004, PMB2004, L&V2004) zijn, door de gewijzigde meetmethode, niet zonder meer vergelijkbaar met de uitkomsten van de VMR2005. Het in de VMR2006 gemeten, hogere niveau van criminaliteit is toe te schrijven aan de gewijzigde meetmethodiek.

• De cijfers van de drie oude monitoren lieten een gestaag dalende trend zien op vrijwel alle meetpunten van onveiligheid en criminaliteit. Deze cijfers zijn zonder meer onderling vergelijkbaar.

• De cijfers van de VMR2005 en de VMR2006 zijn eveneens onderling vergelijkbaar. In de VMR2006 is op een aantal meetpunten van onveiligheid en criminaliteit – waaronder het totale aantal ondervonden delicten – (wederom) sprake van een gunstige – dalende – tendens in vergelijking met de uitkomsten van de in 2005 uitgevoerde pilot van de VMR. Er kan dus worden gesproken van een voortzetting van de algemene lijn die zich al sedert de start van de uitvoering van het Veiligheidsprogramma heeft geopenbaard.

De consequenties van de gewijzigde meetmethodiek voor de nog één jaar doorlopende contracten met de politie zullen nader worden bezien. Vanzelfsprekend zullen de korpsen op geen enkele wijze de dupe worden van de tussentijds gewijzigde meetmethodiek. Wij zullen ons hierover op korte termijn nader verstaan met het politieveld.

De thans uitgevoerde Veiligheidsmonitor Rijk is een eerste stap in de richting van een integrale Veiligheidsmonitor. Een tweede stap zal zijn integratie van deze monitor met lokale veiligheidsmonitors. Wij verwachten binnenkort een hiertoe strekkende Bestuurlijke Intentie Verklaring te kunnen ondertekenen samen met vertegenwoordigers van de gemeenten en de politie.

3. Doelstelling Veiligheidsprogramma in relatie tot VMR en L&V-enquêtes

Doelstelling tot 2008/2010

Eerder is aangegeven dat van de algehele doelstelling van het Veiligheidsprogramma een reductie van zo’n 10% van de criminaliteit tegen burgers reeds is verwezenlijkt. Voor de definitieve verwezenlijking van de doelstellingen van het Veiligheidsprogramma dient daarmee nog zo’n 10 tot 15% reductie aan criminaliteit en overlast bereikt te worden. Hierboven is aangegeven dat als gevolg van de gewijzigde meetmethodiek de cijfers van de drie «oude» veiligheidsmonitors (POLS, PMB, L&V) niet zonder meer vergelijkbaar zijn met de uitkomsten van de VMR. Daarom geven wij er de voorkeur aan (ook) een duidelijke cesuur aan te brengen voor wat betreft de doelstelling van het Veiligheidsprogramma. Voor de periode 2005 tot 2008/2010 betreft de doelstelling van het Veiligheidsporgramma derhalve een landelijke reductie van criminaliteit en overlast van 10 tot 15% te meten op basis van de VMR.

Meting in 50 probleemwijken

De meting in de 50 probleemwijken geschiedt op basis van de lokale enquêtes Leefbaarheid en Veiligheid (L&V) die in het kader van het Grote Stedenbeleid worden afgenomen. In afwachting van de realisatie van de tweede fase van de VMR blijven deze lokale veiligheidsmonitors doorlopen. Dit betekent dat de afspraak dat dit kabinet aanspreekbaar is op de ontwikkelingen in de veiligheidssituatie in de 50 probleemwijken in de G31 gehandhaafd wordt. Het kabinet kan onverkort beoordeeld worden op basis van vergelijkbare lokale monitorgegevens sinds de start van het Veiligheidsprogramma in 2002. Wat betreft de huidige stand van zaken over 2005 (meting 2006) in die 50 meetwijken is overigens sprake van een duidelijke verbetering op de indicatoren slachtofferschap geweldsdelicten, percentage burgers dat zich wel eens onveilig voelt en verloedering. Op de indicatoren slachtofferschap vermogensdelicten en overlast is sprake van een betrekkelijk stabiel beeld.

Criminaliteit tegen het bedrijfsleven

Waar de VMR en de L&V informatie verschaffen over de criminaliteit tegen burgers, gebruiken we voor de criminaliteit tegen het bedrijfsleven de Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven (MCB). Voor de volledigheid zij vermeld dat zoals uit de monitor blijkt, ook de criminaliteit tegen het bedrijfsleven verder daalt. Voor de exacte gegevens verwijzen wij naar de zevende voortgangsrapportage.

4. Vooruitblik

De VMR 2006 komt tot hogere aantallen ondervonden delicten. Om de doelstelling van het Veiligheidsprogramma te verwezenlijken moet derhalve nog veel gebeuren. In onderstaande paragrafen wordt dit verder uitgewerkt.

In de zesde voortgangsrapportage hebben wij toegezegd in het najaar van 2006 met concrete maatregelen voor het laatste jaar van deze kabinetsperiode en een vooruitblik op de komende jaren te komen. Wij geven in deze brief op hoofdlijnen aan in welke richting wij daarbij denken. Daarbij wordt nader ingegaan op thema’s waarvan wij verwachten dat zij ook in de toekomst aandacht zullen blijven vragen. In paragraaf 4.2 worden alleen de nieuwe acties op deze thema’s beschreven.

Paragraaf 4.3 bevat daarnaast aanvullende thema’s die in het huidige Veiligheidsprogramma wat minder de aandacht hebben gekregen: de aanpak van financieel-economische criminaliteit, de aanpak van cybercrime en de inzet van technologie.

4.1 Hoofdlijnen

Om de doelen van het Veiligheidsprogramma voor 2008–2010 te verwezenlijken zal naar onze overtuiging de ingeslagen weg met kracht moeten worden doorgezet. De met het Veiligheidsprogramma in gang gezette maatregelen moeten worden uitgevoerd; het gerealiseerde hogere niveau van strafrechtelijke handhaving gehandhaafd; en de goede ervaringen die met de aanpak van veelplegers en risicojongeren op lokaal niveau zijn opgedaan, in de praktijk van alledag verankerd. Ook de aanpak van geweld en de modernisering van de sanctietoepassing moeten worden voortgezet.

De afgelopen periode is veel geïnvesteerd in de politie en de strafrechtsketen. Bij de voortzetting van het Veiligheidsprogramma moeten, naast de blijvende aandacht voor het strafrechtelijk optreden, in ieder geval de volgende punten aan de orde komen:

– de nadruk zal nog meer dan thans het geval is op preventie van criminaliteit en overlast moeten liggen;

– de aanpak in de veiligheid moet – afhankelijk van de onderwerpen – meer dan nu reeds het geval is worden verbreed naar andere sectoren, beleidsterreinen van andere departementen (bijvoorbeeld VROM, SZW, OC&W, V&W, VWS, EZ, Financiën), en naar lokale en private partijen;

– de (verdere) inzet van politie en justitie zal meer afhankelijk moeten worden gesteld van de inzet van die andere partijen en sectoren.

Hierbij staat de lokale aanpak voorop. Gemeenten hebben het initiatief om in samenwerking met overige ketenpartners tot een goede aanpak te komen. Bij de prestatie-afspraken met de politie voor 2007–2008 (waarover u separaat geïnformeerd zult worden) worden afspraken gemaakt over het maken van een wijk- of buurtscan door de politie, die als basis kan dienen voor een integrale, buurtgerichte aanpak onder regie van de gemeente.

Het Rijk zal zich vooral moeten inspannen om het lokale niveau te faciliteren en om partijen te stimuleren wederzijdse afspraken te maken over de aanpak van veiligheidsproblemen. De regierol van gemeenten moet worden versterkt en – waar nog onvoldoende aanwezig – concreter vorm en inhoud krijgen. De regierol van gemeenten wordt daarom wettelijk verankerd en er zal worden verkend in welke politieregio’s met gemeenten (buiten de G30) afspraken kunnen worden gemaakt. Uit het onderzoek naar de stand van zaken lokaal veiligheidsbeleid en ondersteuningsbehoefte van gemeenten is gebleken dat 63% van de gemeenten over een veiligheidsnota beschikt en 25% een nota in ontwikkeling heeft. Doelstelling is dat vóór het einde van deze kabinetsperiode alle gemeenten beschikken over een veiligheidsanalyse en daarop toegespitste aanpak. Dit zal onder meer worden bereikt door de inzet van de ambassadeurs en de eerder genoemde versterking van de regierol.

Bij de wenselijke verbreding van het veiligheidsprogramma denken wij voorts aan bijdragen van andere sectoren als onderwijs, woningbouw, geestelijke gezondheidszorg, hulpverlening.

Expliciet moet de aandacht uitgaan naar het maken van concrete, bindende afspraken met alle ketenpartners. Het maken van prestatie-afspraken is voor de meeste partijen, de politie uitgezonderd, een relatief onbekend fenomeen. Een initiatief daartoe dient zorgvuldig en in goede samenwerking te worden ontwikkeld. Wij streven ernaar om in een aantal politieregio’s en de daarin gelegen gemeenten een pilot te starten waar om te beginnen met afspraken tussen politie en gemeente wordt geëxperimenteerd. Over afspraken om het Veiligheidsprogramma naar andere sectoren te verbreden, zullen wij u op een later tijdstip informeren. De inzet van uiteenlopende bestuurs- en wellicht ook civielrechtelijke mogelijkheden als voorwaarde voor strafrechtelijk optreden moet verder worden ontwikkeld. De rijksoverheid heeft hierin een bijzondere verantwoordelijkheid.

In het huidige Veiligheidsprogramma lag de nadruk vooral op de zichtbare criminaliteit en overlast in het publieke domein. Naast de thema’s uit het Veiligheidsprogramma en de bovengeschetste voortzetting hiervan, zal de komende periode meer aandacht moeten worden geschonken aan vormen van criminaliteit die in het huidige Veiligheidsprogramma minder de aandacht hebben verkregen. In het bijzonder wordt hierbij gedacht aan de aanpak van financieel-economische criminaliteit, van de georganiseerde criminaliteit en van criminaliteit op/via het internet (cybercrime).

In de volgende paragrafen worden de huidige (paragraaf 4.2) én aanvullende thema’s (4.3) verder uitgewerkt.

4.2 Vooruitblik huidige thema’s

Buurt

De buurt is de fysieke omgeving waarin burgers direct met criminaliteit en overlast worden geconfronteerd. Het Veiligheidsprogramma heeft tot nu toe vooral ingezet op criminaliteitsbestrijding. Uit rapporten van de RMO («Sociale veiligheid organiseren») en de WRR («Vertrouwen in de buurt») blijkt echter dat alleen bestrijding van criminaliteit onvoldoende is om er voor te zorgen dat burgers zich veilig voelen in de buurt. Daarvoor is een goed leefklimaat nodig. Het kabinet wil daarom inzetten op het creëren van sociale samenhang en de sociale herovering van buurten.

Overlast en verloedering

Burgers geven aan dat vooral overlast en verloedering van invloed zijn op hun welbevinden en het gevoel van onveiligheid. De aanpak van overlast en verloedering moet daarom systematischer worden aangepakt dan nu reeds het geval is. Het gaat dan om onder meer overlast door hangjongeren, geluidsoverlast en hufterig gedrag in het verkeer. Nog voor het einde van 2006 zal het kabinet een plan van aanpak presenteren voor de aanpak van overlast en verloedering. Daarbij zal worden bezien of de aanpak (ook) verbreed kan worden naar de fysieke component van overlast en verloedering.

De overlast, verloedering en gevaarszetting als gevolg van drugshandel, drugstoerisme en drugsgebruik in buurten verdient eveneens extra aandacht. In deze kabinetsperiode zal de integrale aanpak van wietteelt en de aanpak van illegale verkooppunten om deze reden verder worden uitgewerkt en verbreed.

Geweld

In het Actieplan tegen Geweld (TK 2005–2006, 28 684, nr. 65) zijn 125 maatregelen tegen geweld geformuleerd. De meeste maatregelen worden in 2006–2007 in samenwerking tussen de ministeries van Justitie, BZK, OCW, VWS, V&W, SZW en EZ uitgevoerd. In de periode 2008–2010 verloopt dit langs vijf lijnen. Ten eerste zal de toepassing van de best practices die thans ontwikkeld worden, in alle geledingen van het (semi) publieke domein gestimuleerd en gefaciliteerd worden. Extra aandacht gaat ten tweede uit naar de ontwikkeling en toepassing van dadergerichte maatregelen tegen geweld. Ten derde is er blijvende aandacht voor het terugdringen van risicofactoren als wapenbezit, alcohol en bescherming van de jeugd tegen schadelijke geweldsbeelden. Vooral op het terrein van alcoholgerelateerd geweld zijn er extra maatregelen te verwachten in het justitiële vervolgtraject en in de doorverwijzing naar hulpverlening, indien de experimenten met de registratie in 2007 leiden tot landelijke invoering. Om de oorzaken van geweld terug te dringen wordt ten vierde de interdepartementale samenwerking geïntensiveerd. Waar, ten slotte, de aanpak van geweld zich nu vooral richt op het mobiliseren van overheid en maatschappelijk middenkader, zal in de periode 2008–2010 gezocht worden naar wegen om de burgers meer te betrekken bij de preventie van geweld.

Jeugd

Het WODC verwacht op basis van maatschappelijke ontwikkelingen in de periode tot 2010 een verdere stijging in de geregistreerde jeugdcriminaliteit. Dit vraagt om een gezamenlijke inzet van alle betrokkenen (ouders, scholen, gemeenten, jeugdinstellingen, bedrijfsleven), alsmede een krachtiger bestuurlijke en juridische aanpak van de jeugdcriminaliteit. Onderdelen van deze aanpak zijn: strikte handhaving van de leerplicht; sluitende ketenaanpak van delinquent gedrag van 12-minners; gedragsinterventies die aansluiten op de belevingswereld en normen van jongeren; verplichte nazorg; snelle tenuitvoerlegging van vervangende jeugddetentie bij mislukken van taakstraffen en meer mogelijkheden voor gedragsbeïnvloeding door de inzet van de gedragsbeïnvloedende maatregel. Van met name gemeenten en politie wordt een grote bijdrage gevraagd bij de aanpak van overlast door en antisociaal gedrag van jongeren. Het bedrijfsleven kan een bijdrage leveren door bijvoorbeeld schoolwerktrajecten en stages voor risico-/probleemjongeren. Andere ministeries en medeoverheden hebben bij uitstek een rol in de vroegtijdige aanpak van risicojongeren. Dit blijkt uit de geïntegreerde aanpak in de Operatie Jong. Het gaat dan bijvoorbeeld om vroegsignalering, voorkomen voortijdige schooluitval, de aanpak van risicofactoren als de invloed van media en drank- en drugsgebruik en meer structureel preventieve aanpakken in stadswijken.

Bijzondere aandacht verdienen hierin de groepen jongeren die zich in losse of meer vaste verbanden schuldig maken aan collectieve vormen van bedreiging en terreur jegens buurtgenoten («straatterreur»).

Effectiviteit van straffen

Op het vlak van de effectiviteit van de sanctietoepassing moet de lijn die met het huidige Veiligheidsprogramma is ingezet, worden doorgetrokken. Op langere termijn liggen daarbij ontwikkelingen voor in de sfeer van:

– het slimmer straffen: op basis van de ervaringen met de aanpak van de zeer actieve veelplegers met een ISD-maatregel kunnen ook andere trends, groepen, vormen van criminaliteit e.d. onderkend worden ten aanzien waarvan een specifiek sanctiebeleid kan worden ontwikkeld om de maatschappelijke veiligheid te vergroten;

– het verder verbeteren van de effectiviteit door een consequente implementatie van het (huidige) beleid gericht op het terugdringen van recidive. In dat kader moet onder meer de aansluiting van zorginterventies en justitiële interventies worden verbeterd. Er zijn maatregelen aangekondigd die zijn gericht op verbetering van de sturing door de minister van Justitie, een betere overgang van (ex-)gedetineerden naar GGZ-voorzieningen en beheersing van schaarste aan capaciteit. De ingezette lijn moet worden doorgetrokken.

Veiligheid en bedrijfsleven

Bedrijven zijn veelvuldig het slachtoffer van criminaliteit en onveiligheid. Dit leidt tot hoge kosten, ondermijnt het vestigingsklimaat (nationaal en lokaal) en leidt tot een gevoel van onveiligheid bij klanten, medewerkers en ondernemers. Uit de Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven 2005 blijkt dat het beter gaat, maar niettemin is het slachtofferschap van bedrijven nog steeds hoog. Veilig ondernemen blijft dan ook een belangrijk thema. Het bedrijfsleven is actief met het bevorderen van veilig ondernemen, binnen de kaders van het Actieplan Veilig Ondernemen deel 1 en 2.

De inzet en prestaties van het bedrijfsleven kunnen echter verder worden verbeterd door met hen concrete resultaatsdoelstellingen af te spreken. Dat kan vooral op die terreinen waarvoor het bedrijfsleven zelf verantwoordelijk is, zoals het verminderen van interne criminaliteit, het verminderen van het aantal freeriders en het verhogen van de organisatiegraad. Groot winstpunt hiervan is de verdere verankering van de maatschappelijke verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven.

Daarbij zal specifiek aandacht zijn voor sectoren en gebieden die het meest te leiden hebben van criminaliteit. Speerpunten zijn het aanpakken van agressie, bedreigingen en geweld tegen ondernemers en hun medewerkers. Daarnaast het stimuleren van de lokale aanpak veilig ondernemen en de deelname daaraan van bedrijven en gemeenten door middel van het Keurmerk Veilig Ondernemen. Een interessant nieuw instrument is het «Business Improvement District» (BID), waarmee we experimenten mogelijk willen maken. Een BID maakt het mogelijk dat ondernemers gezamenlijk investeren in de kwaliteit van de eigen bedrijfsomgeving, waarbij alle ondernemers meebetalen.

Daarnaast zal er in de toekomst meer aandacht moeten zijn voor het vinden van de juiste balans tussen enerzijds veiligheid en anderzijds economische belangen. Veiligheidsbelangen stroken immers niet altijd met economische belangen. Om de juiste balans te vinden tussen economie en veiligheid kan worden gedacht aan het ontwikkelen van een analytisch model om in beleids- of bedrijfsmatige besluitvorming veiligheidsbelangen af te kunnen wegen tegen economische belangen. Tevens wordt nadrukkelijker aandacht besteed aan de economische waarde van veiligheid. Daartoe worden de kosten van de criminaliteit en overlast in het maatschappelijk leven systematischer in kaart gebracht en afgezet tegen de kosten van het voorkomen daarvan.

4.3 Aanvullende thema’s

Financieel-economische criminaliteit

In het huidige Veiligheidsprogramma is de financieel-economische criminaliteit ten onrechte enigszins onderbelicht gebleven. Daarbij zijn verschillende vormen van financieel-economische criminaliteit te onderkennen: fraude, witwassen en aantasting van de integriteit van het financiële stelsel door onder andere corruptie. In veel gevallen stuit de overheid hier op zware- en georganiseerde criminaliteit. De overheid zal hier de komende jaren hard tegen moeten optreden.

De huidige organisatie van de handhaving kenmerkt zich door de aanwezigheid van vele instanties die betrokken zijn bij de bestrijding, zowel strafrechtelijk (Openbaar ministerie, nationale en bovenregionale rechercheteams, regiokorpsen van de politie en bijzondere opsporings- en inspectiediensten) als bestuursrechtelijk (toezichthouders en financiële autoriteiten). Het kabinet streeft er naar dat alle betrokken instanties op basis van een op elkaar afgestemde handhavingsagenda en prestatieafspraken deze vaak zware en georganiseerde criminaliteit bestrijden. Dat zal de komende periode langs drie sporen worden aangezet:

1. een aanpak van de gronddelicten waarmee geld verdiend wordt, op een wijze waarbij ook het financiële spoor van aanvang af betrokken wordt,

2. krachtige bestrijding van witwassen waar toch crimineel geld verdiend is en

3. ontnemen daar waar ondanks alles toch criminele vermogens zijn gevormd.

Cybercrime

De aanpak van cybercrime vraagt eveneens meer aandacht. Cybercrime valt onder te verdelen in vormen waarbij de computer (alleen) als middel wordt gebruikt (zoals verspreiding van kinderporno) en vormen waarbij de computer naast middel ook doel is van het gedrag (bijvoorbeeld inbreuk op de integriteit van gegevensbeheer en beschadiging van het netwerk). Daarnaast worden reguliere digitale netwerken steeds meer benut voor illegale doeleinden. Te denken valt aan het uitvoeren van financiële transacties of voor terroristische doeleinden.

Samen met alle betrokkenen wordt een handhavingsstrategie opgesteld die de komende jaren als kader zal dien voor de bestrijding van cybercrime. Naast de strafrechtelijke handhaving wordt daarbij ruime aandacht geschonken aan de preventieve kant.

Onder de regie van het Nationaal Platform Criminaliteitsbestrijding wordt momenteel gewerkt aan een nationale infrastructuur voor de niet-strafrechtelijke bestrijding van cybercrime. De versterking van de informatie-uitwisseling, samenwerking en coördinatie tussen publieke en private partijen staat hierin centraal.

Waar het gaat om lokale, nationale en internationale criminaliteit en het terrorisme zullen respectievelijk politie en Openbaar Ministerie en inlichtingendiensten de komende jaren een adequaat antwoord moeten geven op de steeds groter wordende cybercrime. Via de prestatiecontracten 2007–2008 (waarover u zoals eerder vermeld separaat zal worden bericht) wordt gezorgd voor een adequate organisatorische inrichting voor de bestrijding van cybercrime op alle niveaus binnen de politie. De politie is inmiddels al gestart met een intensief scholingstraject van haar medewerkers.

Politie-inzet op cybercrime en finec

Binnen de politie ligt de aanpak van financieel-economische criminaliteit en cybercrime bij de recherche. Afhankelijk van de vorm en aard worden opsporingsonderzoeken verricht door de regionale recherche, de bovenregionale recherche of de nationale recherche. Voor 2007 en 2008 zullen hiervoor prestatieafspraken met de korpsen worden gemaakt. Over de exacte invulling hiervan wordt u nog geïnformeerd. Dit heeft geen gevolgen voor de basispolitiezorg.

Technologie

Breder bezien gaan technologische ontwikkelingen steeds meer impact hebben. Dit biedt niet alleen veel meer mogelijkheden voor de hoeders van onze veiligheid en openbare orde maar ook voor lieden die daar minder goede bedoelingen mee hebben. Het is dus van cruciaal belang te weten welke dreigingen er op ons afkomen en welke kansen er in het verschiet liggen. Technologie kan de sleutel leveren voor meer (opsporen), sneller (reageren op calamiteiten), beter (communiceren bij rampen) en veiliger (opereren door de veiligheidsorganisaties) met dezelfde mensen. En kan ook burgers mogelijkheden aanreiken om zelf hun veiligheidssituatie te verbeteren. Het is zaak de bedreigingen en kansen die de technologische ontwikkeling ons biedt beter in kaart te brengen en daarop te anticiperen.

De minister van BZK is voor de implementatie van het kabinetsstandpunt Wijffels over vraaggestuurde onderzoeksprogrammering TNO en de grote technologische instituten, aangewezen als regievoerder voor de arena maatschappelijke veiligheid. BZK zal als invulling hiervan het initiatief nemen voor een interdepartementaal programma Veiligheid en Technologie. In dit programma zal:

– de brede vraag naar potentieel bruikbare technologieën worden gebundeld en omgezet in een nationaal onderzoeksprogramma;

– de Nederlandse inzet voor het European Security Research Program worden bepaald;

– de innovatie en kennisontwikkeling worden gestimuleerd;

– publiek-private samenwerking worden gestimuleerd.

Het programma zal niet alleen gestructureerd en structureel zicht geven op technologische ontwikkelingen maar ook een stimulans geven aan concrete toepassingen daarvan tegen acceptabele kosten.

5. Tot slot

«Zonder een grotere eigen verantwoordelijkheid van de burger voor preventie is er geen wezenlijke doorbraak te verwachten in de bestrijding van kleine criminaliteit», aldus de WRR («Vertrouwen in de buurt»). Alleen door inzet van burgers zelf kan de veiligheid derhalve afdoende worden geborgd. Daarom zullen wij op basis van het lopende SCP-onderzoek naar de determinanten van het gevoel van onveiligheid bij burgers, nog deze kabinetsperiode bezien in hoeverre burgers daarin door de overheid ondersteund kunnen worden. Separaat hieraan zal worden nagegaan in hoeverre in de communicatieve sfeer – als opvolger van de huidige publiekscampagnes – de eigen verantwoordelijkheid van burgers nog verder kan worden gestimuleerd.

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. W. Remkes


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven