nr. 81
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 15 maart 2006
Tijdens het spoeddebat over «Overlast en Criminaliteit in de steden»
van 15 februari jl. (Handelingen der Kamer II, vergaderjaar 2005–2006,
nr. 50, blz. 3332–3362) zijn twee moties ingediend. De eerste motie
door de leden Sterk, Dittrich en Van Schijdel (Kamerstukken II 2005/06, 28 684,
nr. 73) verzoekt het kabinet voorstellen te doen voor een verplichtende vorm
van opvoedingsondersteuning, en voor het bestraffen van ouders die weigeren
daaraan mee te werken. In de tweede motie van de leden Kalsbeek en Dittrich
(Kamerstukken II 2005/06, 28 684, nr. 77) wordt onder meer gevraagd om
al die maatregelen te treffen, waaronder wettelijke, die het mogelijk maken
om ouders in een eerder stadium tot de aanvaarding van opvoedingsondersteuning
te brengen. Met betrekking tot beide moties kan ik u het volgende meedelen.
Op dit moment wordt een omvangrijke wijziging van de kinderbeschermingswetgeving
voorbereid. In het wetgevingstraject wordt onder meer gekeken naar de gronden
voor de ondertoezichtstelling (ots) en de gezagsontnemende maatregelen en
het bevorderen van de samenhang tussen de ots en de gezagsontnemende maatregelen.
Het kindgericht formuleren van de zogenaamde open gronden is hierbij een belangrijk
onderdeel. Om het opstellen van de wetgeving te begeleiden is een werkgroep
ingesteld waarin ook deelnemers uit de praktijk en de wetenschap zitting hebben.
Een van de voorstellen die tot nu toe zijn gedaan is om de gronden voor
de ots aan te passen, zodanig dat deze maatregel ook voor «lichte»
zaken kan worden gevraagd. Het voorstel is om het mogelijk te maken dat de
ots kan worden opgelegd indien dit «noodzakelijk is voor het onbedreigd
opgroeien voor de minderjarige». Dit zou een aanzienlijke verruiming
van de huidige grond voor de ots betekenen (die luidt nu: «ernstige
bedreiging van geestelijke of zedelijke belangen of gezondheid») waardoor
de maatregel dus ook eerder kan worden opgelegd. Bovendien sluit de voorgestelde
grond aan bij de terminologie van de Wet op de jeugdzorg waardoor de overgang
van hulp vanuit het vrijwillige naar het gedwongen kader gemakkelijker gemaakt
wordt.
Een ander voorstel van de werkgroep is om de naleving van de schriftelijke
aanwijzing zoals deze nu ook al in het kader van de ots gegeven kan worden,
te verbeteren. Het voorstel is om het bureau jeugdzorg de bevoegdheid te geven
om de schriftelijke aanwijzing (zoals het volgen van een opvoedcursus) ter
bekrachtiging aan de rechter voor te leggen. De rechter kan dan eventueel
ook hieraan een civiel dwangmiddel (dwangsom of lijfsdwang) verbinden.
Het voorstel voor de wijziging van de kinderbeschermingswetgeving is vóór
de zomer gereed voor consultatie aan externe organisaties.
Daarnaast zijn meerdere vormen van opvoedingsondersteuning ontwikkeld
voor ouders van kinderen met politiecontacten. Het aanbod is gericht op vijf
opvoedingsvaardigheden die verband houden met delinquent gedrag. Het ligt
in de bedoeling om ouders snel nadat hun kind is aangehouden aan te spreken
op hun verantwoordelijkheid, in overleg met hen te bezien wat zij nodig hebben
om verder delinquent gedrag te voorkomen, en hen vervolgens daarbij te ondersteunen.
Deze vormen van opvoedingsondersteuning worden thans op beperkte schaal ingevoerd
en onderzocht. Bij gebleken effectiviteit zijn zij uitstekend geschikt om
toegepast te worden in het hierboven genoemde gedwongen kader van de ondertoezichtstelling.
Met deze brief meen ik voldaan te hebben aan het verzoek uit de motie
Sterk, Dittrich en Van Schijndel, en een deel van de motie Kalsbeek en Dittrich.
De Minister van Justitie,
J. P. H. Donner