Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201428684 nr. 406

28 684 Naar een veiliger samenleving

Nr. 406 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 mei 2014

Bij brief van 20 november 20121 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het onderzoeksrapport «Strafvordering bij geweld tegen kwalificerende slachtoffers: een replicatie-studie»2. Uit dit onderzoek bleek dat in zaken met geweld tegen kwalificerende slachtoffers, waaronder werknemers met een publieke taak, de door de officier van justitie uiteindelijk geëiste straf lager ligt dan het zogenoemde BOS-advies3 (in punten uitgedrukt) in deze zaken. Zoals ook vermeld in de brief van 20 november voornoemd heeft het Openbaar Ministerie (OM) daarop een intern (kwalitatief) vervolg onderzoek ingesteld naar de vraag in hoeverre de officier van justitie in zijn strafeis de relevante richtlijnen toepast en of het kwantitatieve beeld nader aangevuld en geduid kan worden. Met deze brief informeer ik u over de uitkomsten van dit vervolgonderzoek.

Uitkomst vervolgonderzoek OM

Op basis van de uitkomst van het vervolgonderzoek (bijlage 24) en de nadere duiding daarvan (bijlage 15) concludeer ik dat het OM de afspraak over de toepassing van +200% strafverhoging bij geweld tegen kwalificerende slachtoffers / werknemers met een publieke taak naleeft. Ik zie derhalve geen reden om over te gaan tot aanpassing van het beleid betreffende de toepassing van de richtlijnen in zaken met kwalificerende slachtoffers.

Uit het vervolgonderzoek komt naar voren dat, conform de afspraak die ik daarover met het College van procureurs-generaal heb gemaakt, de verhoging van de strafeis met 200% bij geweld tegen kwalificerende slachtoffers, en dus ook bij werknemers met een publieke taak, is ingebouwd in BOS/Polaris en door de officieren van justitie altijd wordt betrokken bij de beoordeling van de ernst van het feit.

Verder komt naar voren dat het formuleren van de strafeis in misdrijfzaken maatwerk is en dat de +200% verhoging niet op zich zelf staat. De hoogte van de uiteindelijke strafeis in concrete zaken wordt niet door richtlijnen bepaald. Officieren van justitie houden naast de in deze richtlijnen vastgelegde +200% verhoging – conform de wet, de jurisprudentie en het beleid – rekening met de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de persoon van de verdachte, hetgeen tot verhoging of verlaging van het in de richtlijn genoemde uitgangspunt kan leiden. In deel 1 van het rapport, dat de duiding en conclusies van het onderzoek bevat, wordt nader uitgelegd hoe dat in zijn werk gaat (bijlage 1).

Het OM voert de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) uit waarin is afgesproken dat VPT-zaken in beginsel worden gedagvaard. Uit deel 2 van het rapport, het kwantitatieve deel van het onderzoek (bijlage 2), komt naar voren dat bij geweld tegen politie het dagvaardingspercentage 88% is, bij andere kwalificerende slachtoffers (bijvoorbeeld ambulancepersoneel en NS personeel) 72%6 en bij niet kwalificerende slachtoffers 60%. Bij niet kwalificerende slachtoffers worden de lichtere delicten vaker door het OM zelf afgedaan met een strafbeschikking of transactie.

Ook komt uit het kwantitatieve deel van het onderzoek (bijlage 2) naar voren dat in zaken met kwalificerende slachtoffers waar passend een gevangenisstraf wordt geëist. Bij geweld tegen werknemers met een publieke taak wordt in 36% van de zaken een gevangenisstraf geëist (ook bij relatief lichte zaken). Bij niet-kwalificerende slachtoffers is dat 22,5%. Officieren kiezen in 60% van de zaken de strafmodaliteit uit het BOS-advies. In 25% van de zaken een zwaardere. Bijvoorbeeld gevangenisstraf in plaats van een taakstraf. Of een taakstraf in plaats van een geldboete. Een gevangenisstraf wordt als zwaarder ervaren en heeft meer impact op de situatie van de verdachte. Ook wordt er relatief vaak een schadevergoeding geregeld voor het slachtoffer.

Binnen het OM wordt verder op verschillende manieren aandacht gegeven aan de aanpak van geweld tegen werknemers met een publieke taak. Op elk parket zijn VPT-functionarissen aangesteld die zowel intern als extern het gezicht zijn en de aanpak van het OM coördineren. Van 14 tot en met 18 april heeft het OM de week van de VPT (Veilige Publieke Taak) georganiseerd. Het OM heeft daarmee laten zien dat geweld tegen werknemers met een publieke taak niet getolereerd wordt en deze werknemers ongestoord hun maatschappelijk noodzakelijke en belangrijke werk kunnen uitvoeren. Alle parketten hebben tijdens de week van VPT intern en extern extra aandacht gevraagd voor Veilige Publieke Taak. Op ZSM voor de VPT-zaken die binnen zijn gekomen en het lik-op-stuk afdoen daarvan. Maar ook door specifiek in die week een aantal themazittingen met VPT-zaken te organiseren.

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten


X Noot
1

Kamerstuk 28 684, nr. 366.

X Noot
2

M. Bosmans & A. Pemberton, Straftoemeting bij geweld tegen kwalificerende slachtoffers: een replicatiestudie. Tilburg, Intervict/UvT, 2012.

X Noot
3

BOS/Polaris is het beslissingsondersteunend systeem dat voor de relatief eenvoudige misdrijven gebruikt wordt om de beoordeling van de strafzaak te expliciteren en standaardiseren. In BOS/Polaris worden met name de factoren rond de beoordeling van de ernst van het feit op een gestandaardiseerde manier meegenomen.

X Noot
4

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
5

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
6

Dit is tevens het antwoord op de vraag gesteld tijdens het AO 26 juni 2013 (Kamerstuk 29 628, nr. 410) over politieonderwerpen inhoudende of het OM ook alle aangiften in dit soort zaken oppakt.