Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201328676 nr. 174

28 676 NAVO

Nr. 174 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 27 februari 2013

De vaste commissie voor Defensie heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Defensie naar aanleiding van de brief van 13 februari 2013 inzake de geannoteerde agenda van de informele Navo-ministeriële te Brussel van 21 en 22 februari 2013 (Kamerstuk 28 676, nr. 173).

De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 18 februari 2013.

Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Ten Broeke

De adjunct-griffier van de commissie, Dekker

De leden van de VVD-fractie vragen op welke wijze Nederland gebruik zal maken van het Connected Forces Initiative. Wat zijn volgens de minister de specifieke voordelen voor de Nederlandse krijgsmacht van deze samenwerking en hoe vindt dit aansluiting bij andere initiatieven tot internationale samenwerking?

Het Connected Forces Intiative (CFI) moet de basis worden voor operationele samenwerking in de Navo. Daarbij moet beter worden gebruik gemaakt van de beschikbare opleidings- en trainingsfaciliteiten en technologie in de Navo-landen. Deelneming van Nederland aan het CFI is van belang om aansluiting te behouden bij de andere Navo-landen. Het CFI biedt de mogelijkheid om effectiever en efficiënter gebruik te maken van de beschikbare capaciteiten. Het CFI moet in samenhang worden gezien met Smart Defence, dat zich vooral richt op het bereiken van meer doelmatigheid door multinationale samenwerking. Het CFI richt zich vooral op het verhogen van de effectiviteit doordat bondgenoten beter in staat zijn samen te werken tijdens operaties (interoperabiliteit). Naast de samenwerking in Navo-verband intensiveert Nederland tegelijkertijd langs bilaterale weg de operationele militaire samenwerking met de belangrijkste partnerlanden.

In de geannoteerde agenda staat dat Nederland zich wil inzetten voor een bredere toepassing van het instrument van common funding. Wat wordt hiermee precies bedoeld? Wat is de inzet van Nederland op dit gebied binnen de NAVO-ministeriële?

Common funding verwijst naar de gemeenschappelijke Navo-fondsen die bestaan uit de jaarlijkse contributies van alle Navo-lidstaten. Nederland wil common funding slimmer en beter gaan gebruiken. De Nederlandse inzet is gericht op het verbreden van het gebruik van common funding naar terreinen die daar tot dusverre niet of slechts in beperkte mate voor in aanmerking kwamen, zoals versterking van interoperabiliteit, het verbeteren van de collectieve «deployability» en het stimuleren van multinationale samenwerking. Hierbij kan worden gedacht aan Navo-training en oefening van de NATO Response Force, de ondersteuning van Joint Intelligence Surveillance and Reconnaissance (ISR) en het gebruik van common funding voor de opstartkosten van multinationale projecten in essentiële Navo-capaciteiten.

De leden van de VVD-fractie vragen waar de discussie over het NATO Defence Planning Process (NDPP) zich op zal richten. In de geannoteerde agenda wordt met name gesproken over de top in Chicago. Zijn er sindsdien vorderingen geboekt? Wat is de inzet van Nederland hierbij?

De leden van de VVD-fractie vragen op welke wijze Nederland een bijdrage zal of kan leveren aan het oplossen van de te constateren meest urgente tekorten van het bondgenootschap.

De minister wil dat het NDPP zichtbaarder en bruikbaarder moet worden. Nationale plannen moeten beter worden afgestemd op de planning in NAVO-kader. De leden van de PVV-fractie vinden dit een te abstracte passage in de kabinetsbrief. Hoe zullen nationale plannen in de praktijk volgens de minister van Defensie beter worden afgestemd op de NDPP? Deze leden zouden dit graag nader toegelicht zien.

In het bondgenootschap wordt de meerjarige capaciteitsplanning vormgegeven in het NATO Defense Planning Proces (NDPP). De Navo analyseert door middel van het NDPP de capaciteitentekorten en stelt prioriteiten. Vervolgens verzoekt de Navo de lidstaten om deze tekorten op te lossen. Tijdens de ministeriële bijeenkomst van juni a.s. zullen de Navo-landen zich verbinden aan de in het NDPP geformuleerde planningsdoelstellingen.

Sinds de top in Chicago wordt gewerkt aan het verbeteren van de transparantie, de zichtbaarheid en de relevantie van het NDPP. Als gevolg van krimpende nationale defensiebudgetten, wijzigingen in de veiligheidsomgeving en de wijzigingen in de Amerikaanse strategische prioriteiten, is het oplossen van de tekorten voor de meeste lidstaten niet eenvoudig. De besluiten van Chicago worden uitgewerkt door te onderzoeken of common funding ook kan worden aangewend voor essentiële Navo-capaciteiten. Daarnaast wordt gewerkt aan het versterken van de rol van het NDPP bij middellange en langetermijnplanning en aan het bevorderen van bi- en multinationale samenwerking bij het oplossen van de in het NDDP geconstateerde tekorten. Nederland zet zich hiervoor actief in. Daarnaast houdt Nederland in het nationale planningsproces zoveel mogelijk rekening met de (beoogde) NDPP-planningsdoelstellingen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie vinden het vreemd dat de Tweede Kamer niet actief door Defensie is geïnformeerd over deze NAVO-top. Pas na aandringen van de griffier van de vaste commissie voor Defensie is de geannoteerde agenda alsnog naar de Kamer gestuurd. Deze leden willen graag een toelichting op deze gang van zaken.

De Kamer ontvangt van Defensie een geannoteerde agenda voor Navo-bijeenkomsten ten behoeve van een algemeen overleg. Ook ditmaal was een geannoteerde agenda in de maak. Ik betreur het dat deze op een laat moment aan de Kamer is verzonden.

Deze leden zijn van mening dat het goed is om een strategische discussie te voeren over de toekomst van de NAVO. In hoeverre neemt de minister van Defensie de uitkomsten van deze discussie mee in haar eigen toekomstvisie voor de Nederlandse krijgsmacht? In hoeverre wordt de NAVO actief betrokken bij de visie die de minister dit jaar gaat presenteren?

De bijeenkomst biedt de gelegenheid om formeel en informeel met Navo-bondgenoten van gedachten te wisselen over de toekomst van de Navo. Deze gedachtewisselingen kunnen van belang zijn voor de visie op de toekomst van de krijgsmacht. De Navo blijft de hoeksteen van ons veiligheidsbeleid.

De minister zal gaan overleggen met de defensieministers van de troepen leverende landen van ISAF. Wat is haar reactie op de speech van de Amerikaanse president, waarbij wordt aangegeven dat de helft van de Amerikaanse militairen in Afghanistan in de komende twaalf maanden wordt teruggetrokken? Welke directe en indirecte gevolgen heeft dit voor onze missie in Kunduz? Is de minister bereid om zelf ook te beginnen met het terugtrekken van onze militairen uit Afghanistan? Zo nee, waarom niet?

In het kader van de transitie, de geleidelijke overdracht van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van ISAF aan de Afghaanse veiligheidstroepen, worden tegen het einde van de ISAF-missie in 2014 steeds meer troepen teruggetrokken, waaronder de Amerikaanse. De aankondiging in de toespraak van president Obama is dan ook geen verrassing. Het deel van de Nederlandse missie in Kunduz is voor force protection vooral afhankelijk van Duitse troepen. In de stand van zakenbrief van 17 januari 2013 (Kamerstuk 27 925, nr. 469) is gemeld dat de Duitsers eind 2013 vertrekken uit Kunduz. Dit heeft onvermijdelijk gevolgen voor de Nederlandse missie. De regering onderzoekt nu de implicaties van het Duitse vertrek en zal de Kamer vervolgens informeren.

Deze leden vragen of de inzet van de Patriot-raketten in Turkije en de terroristische dreiging van de Turkse terreurgroep DHKP-C ook gespreksonderwerp zal zijn tijdens de bijeenkomst. In hoeverre zal aan deze bedreiging voor onze militairen aandacht worden besteed?

Deze onderwerpen staan niet op de agenda van de bijeenkomst. De betrokken ministers zullen de stand van zaken van de Patriot-missie uiteraard wel bespreken.

Wat klopt er overigens van berichten in de Noorse media dat het bondgenootschap Nederlandse en Noorse militaire installaties heeft gewaarschuwd dat zij mogelijk worden bedreigd door terroristen?

De Navo heeft op 29 januari 2013 melding gemaakt van een mogelijke terroristische dreiging tegen doelen in Nederland en Noorwegen. Militaire doelen in Nederland worden niet specifiek genoemd.

De leden van de PVV-fractie zijn grote voorstanders van Ballistic Missile Defence. Kan de minister van Defensie nader uiteenzetten welke bijdragen andere NAVO-landen leveren aan de raketverdediging? Zijn er al nieuwe landen die hebben aangeboden hier een grotere bijdrage te leveren? Deze leden vragen ook in hoeverre de dreiging uit Noord-Korea een gespreksonderwerp zal zijn bij deze NAVO-ministeriële.

De Verenigde Staten leveren met het European Phased Adaptive Approach (EPAA) de grootste bijdrage aan de verdediging tegen ballistische raketten. EPAA bestaat op dit moment uit infrarood detectiesatellieten, een langeafstandsradar in Turkije en een Aegis Ballistic Missile Defence (BMD) schip met Standard Missile 3 (SM-3) interceptors. EPAA is een groeimodel en zal stapsgewijs worden uitgebreid met nieuwe capaciteiten, zoals de Aegis Ashore sites met SM-3 interceptors in Roemenië en Polen. Duitsland heeft Missile Defence systemen en personele capaciteit toegezegd. Italië heeft een luchtverdedigingsfregat en een mobiele radar aangeboden. Turkije heeft ook een mobiele radar aangeboden. Griekenland heeft een luchtverdedigingsfregat beschikbaar gesteld. Spanje heeft een deel van de haven van Rota ter beschikking gesteld voor ondersteuning van de Amerikaanse Aegis BMD schepen. Naast de genoemde landen werkt Frankrijk aan de ontwikkeling van een radar- en satellietcapaciteit voor detectie. Zowel Roemenië als Polen heeft steun toegezegd voor de inrichting van Amerikaanse Aegis Ashore sites.

De dreiging uit Noord-Korea is geen gespreksonderwerp tijdens deze Navo-ministeriële.

De leden van de PVV-fractie zijn voorstanders van warme banden tussen de NAVO en Oekraïne, maar vragen zich af waarom Nederland financieel moet bijdragen aan de re-integratie van ex-defensiepersoneel in Oekraïne en hier zelfs als lead nation optreedt. Kan de minister hier uitleg over geven? Hoeveel dragen de andere donoren aan dit project bij?

De relaties tussen de Navo en Oekraïne dateren uit 1994, door de toetreding van Oekraïne tot het Partnerships for Peace (PfP)-programma. Sinds 2008 bestaat er een gestructureerde dialoog tussen de Navo en Oekraïne in de vorm van de periodieke vergaderingen van de NATO-Ukraine Commission (NUC). In dit kader is er praktische samenwerking. Zo levert Oekraïne bijdragen aan missies en wordt er gezamenlijk geoefend. Ook zijn er verschillende projecten in het PfP-programma waarbij bondgenoten Oekraïne assisteren in politieke en defensiehervormingen.

Nederland beschouwt Oekraïne als een belangrijke en strategische partner aan de oostgrens van het bondgenootschap. Nederland ondersteunt het «Khmelnitsky»-project vanuit het Stabiliteitsfonds, omdat het voor Nederland van belang is dat Oekraïne zich blijft ontwikkelen en doorgaat met op Westerse leest geschoeide defensiehervormingen. De inkrimping van de Oekraïense krijgsmacht vormt een belangrijk onderdeel van deze hervormingen. De doelstelling van het project past geheel binnen de Nederlandse beleidskaders en draagt bij tot een goede relatie.

De bijdragen in de periode 2008–2012 vanuit het Stabiliteitsfonds waren: Nederland € 283.000, Denemarken € 540.000, Polen € 100.000, Luxemburg € 55.000, Tsjechië € 30.000 en Bulgarije € 25.000. Zowel Nederland als Denemarken was in deze periode lead nation. Nederland heeft bewust in 2008 voor een actieve en zichtbare rol in dit project gekozen, in het licht van het toenmalige Nederlandse standpunt om niet te lichtzinnig om te gaan met een mogelijke toekenning van de Membership Action Plan (MAP)-status aan Oekraïne.

Hoewel Oekraïne de MAP-status niet heeft verkregen, is het project in de voorgaande jaren in het kader van de politieke en defensiehervormingen van Oekraïne succesvol gebleken. De komende periode zal Oekraïne in toenemende mate zelf de verantwoordelijkheden, ook budgettair, op zich nemen. Nederland zal voor deze exit strategie € 100.000 bijdragen, Polen € 55.000. Andere donoren hebben het belang van het project onderstreept maar hun bijdragen nog niet formeel toegezegd. Nederland blijft nog voor één jaar als lead nation verbonden aan dit project, omdat ons land zich verantwoordelijk voelt voor de goede administratieve afhandeling van het project.

Deze leden vernemen ten slotte graag of de minister al iets kan melden over de invulling van de functie van NAVO-opperbevelhebber. Klopt het dat de Amerikaanse generaal John Allen zijn kandidatuur zal intrekken, zoals in de media wordt bericht? In hoeverre zal zijn benoeming een gespreksonderwerp zijn tijdens de NAVO-ministeriële?

De benoeming van SACEUR zal geen gespreksonderwerp zijn tijdens de bijeenkomst. Voor zover bekend zal Generaal Allen de functie gaan bekleden.