28 663
Milieubeleid 2002–2009

nr. 51
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 26 juni 2008

Met veel genoegen bied ik u mede namens de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de volgende twee rapporten aan: «Duurzaam bodemgebruik, inzichten en aanbevelingen»1 en«Duurzaamheidsanalyse van bodemgebruik in natuurgebieden»1. Deze beide rapporten zijn een uitwerking van een van de acties die zijn aangekondigd in de Beleidsbrief bodem (december 2003, TK 28 663, nr. 16). In 2006 heeft u in dit kader reeds het rapport «Duurzaam bodemgebruik in de Landbouw, een beoordeling van agrarisch bodemgebruik in Nederland» toegezonden gekregen (31 maart 2006, Kamerstuk 28 663, nr. 48).

Hoofdlijnen rapport «Duurzaam bodemgebruik, inzichten en aanbevelingen»

Het onderzoek heeft zich toegespitst op drie terreinen die relevant zijn voor duurzaam bodemgebruik: waterkwaliteit, de voedselketen (agroproductieketen) en de inrichting van het landelijk gebied. Deze drie terreinen zijn gekozen omdat er naast de landbouw en natuur andere (f)actoren zijn die van invloed zijn op duurzaam bodemgebruik, en invloedrijk zijn. Diverse actoren zijn actief op deze drie terreinen, zoals overheden, waterschappen, drinkwaterbedrijven, retailers, verwerkende industrieën, agrariërs, landschaparchitecten. Gemeenschappelijk element binnen deze drie terreinen is dat de actoren zich er niet altijd voldoende bewust van zijn dat de bodem gebruikt kan worden om de waterkwaliteit, voedselkwaliteit of kwaliteit van het landschap te realiseren. De kansen die de bodem biedt worden daardoor niet onderkend en slecht benut. Bewustwording is derhalve een sleutelfactor.

Het onderzoek noemt een tweede sleutelfactor, namelijk het toepasbaar maken van kennis. Er is veel kennis aanwezig op de drie terreinen, er worden continu nieuwe methoden onderzocht, maar het is noodzakelijk deze kennis te vertalen naar concrete handelingen die inpasbaar zijn in de dagelijkse praktijk, zoals bij waterschappen. De kennisuitwisseling kan ook nog verbeterd worden. Tenslotte is de ontwikkeling van nieuwe kennis een derde sleutelfactor. Het gaat dan vooral om kennis hoe duurzaam bodemgebruik kan bijdragen aan de oplossing van dringende maatschappelijke vraagstukken zoals klimaatverandering en energievoorziening.

Reactie

De aanbevelingen van het onderzoek richten zich op de drie sleutelfactoren. De minister van LNV en ik vinden het onderzoek erg bruikbaar en zullen de resultaten onder de aandacht brengen van betrokken partijen, waaronder de provincies, de waterschappen en de beleidsmedewerkers in de ruimtelijke ordening, die immers een belangrijke rol spelen bij de invulling van duurzaam bodemgebruik. Verder hebben de ministeries (meerjarige) onderzoeken lopen die zich richten op processen in de bodem, met het oog op een zo duurzaam en optimaal mogelijk kunnen gebruiken van de ecosysteemdiensten van de bodem. Aandacht daarbij is vooral voor de bijdragen die een duurzaam bodemgebruik kan leveren aan het oplossen van belangrijke maatschappelijke vraagstukken als (adaptatie aan) klimaatverandering, waterbeheer, voedselproductie en voedselveiligheid. De resultaten van deze onderzoeken zullen o.a. via het project SPADE (stimuleringsprogramma agrobiodiversiteit en duurzaam bodemgebruik) verspreid worden.

Hoofdlijnen rapport «Duurzaamheidsanalyse van bodemgebruik in natuurgebieden»

In de «Duurzaamheidsanalyse van bodemgebruik in natuurgebieden» is bekeken welke gevolgen handelingen ten behoeve van natuurontwikkeling en -beheer hebben voor de verschillende functies die de bodem uitoefent. Voorbeelden van die functies zijn de productiefunctie (productie van biomassa), de archieffunctie (conservering van archeologische en aardkundige waarden, zaadbank) en de filter- en reactorfunctie (vastleggen en afbreken van verontreinigingen in het water en bodem).

De belangrijkste conclusie van de analyse is dat het niet mogelijk is gebleken om in generieke zin te concluderen of de verschillende vormen van bodemgebruik in natuurgebieden duurzaam zijn of niet. Reden daarvoor is dat de effecten van de handelingen op de bodem bijna altijd zeer locatiespecifiek zijn. Daardoor kan een maatregel duurzaam zijn op de ene plaats, maar op een andere plaats juist als niet duurzaam worden bestempeld. Het rapport stelt echter nadrukkelijk dat er op dit moment geen aanleiding is om te concluderen dat het bodemgebruik in natuurgebieden niet duurzaam is.

De aanbevelingen in het rapport richten zich grotendeels op bewustwording bij planvormers, uitvoerders van inrichtingswerken en beheerders van natuurgebieden. Het gaat daarbij om bewustwording van de effecten van handelingen op de bodem(functies) en de gevolgen die dat weer kan hebben voor het bereiken van natuurdoelen. Belangrijk daarbij is kennisverspreiding onder beheerders. Ook vooronderzoek naar de effecten van voorgenomen maatregelen op de bodem(functies) kan daarin een belangrijke rol spelen.

Bovendien wordt aanbevolen om te investeren in kennisontwikkeling en monitoring om beter zicht te krijgen op de effecten van handelingen op de bodem.

Reactie

De minister van LNV en ik vinden het onderzoek erg bruikbaar in ons streven naar een zo duurzaam mogelijk bodemgebruik. Wij zijn daarom al begonnen om de meest betrokken partijen, provincies en terreinbeheerders, te informeren over de uitkomsten van deze duurzaamheidsanalyse. Daarmee wordt de eerste stap in de bewustwording gezet. De aanbevelingen die zich richten op de rijksoverheid nemen wij mee in de daartoe geëigende en reeds lopende beleidstrajecten.

De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. M. Cramer


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven