nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 21 februari 2003
De regering heeft met belangstelling kennis genomen van de bijdrage van
de leden van de GroenLinks-fractie. Deze leden vragen of de zinsnede «een
of beide Kamers der Staten-Generaal» (subamendement Van Oven/Scheltema-de
Nie, Kamerstukken II, 2000/01, 25 877, nr. 70) er niet toe zal kunnen
leiden dat de Kamer onvoldoende of slechts beperkt wordt geïnformeerd.
Daarbij wijzen deze leden op het naar hun oordeel bestaande verschil tussen
het informeren van «een of beide Kamers» of «beide Kamers».
Deze leden menen dat het uit oogpunt van een optimale informatievoorziening
aan het parlement wellicht beter is te kiezen voor de tweede mogelijkheid.
Zij vragen de regering of bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel is overwogen
wat het verschil is tussen «een of beide Kamers» of «beide
Kamers» en waarom er niet voor die laatste variant gekozen is. Deze
leden verzoeken de regering daarbij nogmaals de verschillen uiteen te zetten
tussen het amendement-Rouvoet en het subamendement Van Oven/ Scheltema-de
Nie. Zij vragen in dat kader welke alternatieve formuleringen mogelijk zijn,
om de informatievoorziening aan het parlement te optimaliseren, zonder afbreuk
te doen aan het zelfbeschikkingsrecht over de inrichting van de parlementaire
controle.
Mede namens de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, de Minister
van Defensie en de Minister van Justitie wijs ik deze leden er allereerst
op dat het voorliggende wetsvoorstel slechts beoogt de door de Tweede Kamer
voorgestane wijze van formuleren van de mogelijkheid het parlement vertrouwelijk
te informeren over de werkzaamheden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten
consequent in de hele wet door te voeren. Anders gezegd, de regering heeft
uitdrukkelijk niet de bedoeling de door de amendering tot stand gekomen tekst
van artikel 8, vierde lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten
2002 (WIV 2002) opnieuw ter discussie te stellen. Wij zien daar ook geen enkele
aanleiding toe.
Nu er bij de leden van de GroenLinks-fractie kennelijk twijfel is gerezen
over de gevolgen van de ook door hen gesteunde amendementen op dat artikel
gaan wij thans nader in op de achtergrond ervan. In het oorspronkelijk ingediende
voorstel voor de WIV 2002 was de verstrekking van informatie over
de inlichtingen- en veiligheidsdiensten aan de kamers der Staten-Generaal
globaal als volgt geregeld: de informatie die openbaar gemaakt kan worden
wordt verstrekt aan beide kamers, de informatie die niet openbaar gemaakt
kan worden wordt vertrouwelijk verstrekt aan de commissie voor de inlichtingen-
en veiligheidsdiensten (commissie IVD) van de Tweede Kamer. Tijdens de parlementaire
behandeling van het voorstel bleek de Tweede Kamer bezwaar te hebben tegen
het feit dat in artikel 8, vierde lid, van het wetsvoorstel werd verwezen
naar «de commissie, bedoeld in artikel 22 van het Reglement van Orde
van de Tweede Kamer der Staten-Generaal». In het amendement van het
lid Rouvoet1 wordt in de tekst van dit artikel
de verwijzing naar de commissie IVD vervangen door: «daartoe door de
onderscheiden kamers der Staten-Generaal aangewezen commissies». In
de toelichting bij dit amendement wordt erop gewezen dat het aan de onderscheiden
kamers is om een voorziening te treffen voor het in voorkomende gevallen ontvangen
van bepaalde informatie, de inlichtingen- en veiligheidsdiensten betreffende.
Voorts wordt in deze toelichting opgemerkt dat het juister is om in de wettekst
ruimte te laten voor eventuele instelling door de Eerste Kamer van een met
de commissie IVD van de Tweede kamer vergelijkbare commissie. Van de kant
van de regering is over dit amendement opgemerkt2
dat zij eraan hecht de huidige praktijk, waarbij operationele gegevens over
de inlichtingen- en veiligheidsdiensten vertrouwelijk aan de commissie IVD
kunnen worden meegedeeld, te continueren en van een wettelijke grondslag te
voorzien. De regering heeft er daarbij op gewezen dat ook bij de eventuele
instelling van een met de commissie IVD vergelijkbare commissie door de Eerste
Kamer uiteraard te allen tijde de vertrouwelijkheid van hetgeen in de betreffende
commissie besproken wordt gewaarborgd dient te zijn. De regering heeft daarbij
overigens wel te kennen gegeven aan de instelling van een dergelijke commissie
zelf geen behoefte te hebben.
Het subamendement Van Oven/Scheltema gaat een stap verder dan het amendement
Rouvoet door in de wettekst niet meer te verwijzen naar commissies maar eenvoudig
naar «een of beide kamers der Staten-Generaal» onder verwijzing
naar het feit dat de kamers te allen tijde zelf bevoegd blijven commissies
in te stellen. Tijdens de plenaire behandeling van de WIV 2002 is van de zijde
van de regering3 benadrukt dat het aan de Kamer
zelf is om zijn werkwijze te regelen. Of de regering vertrouwelijke informatie
kan verschaffen is afhankelijk van de voorzieningen die de Kamer heeft getroffen
om dit mogelijk te maken.
Toegespitst op de vraagstelling van de leden van de GroenLinks-fractie
hangt het antwoord op de vraag of een of beide kamers geïnformeerd worden
dus af van de voorziening die de betreffende kamer heeft getroffen. De Tweede
Kamer heeft sinds jaar en dag een dergelijke voorziening getroffen door de
instelling van de commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (artikel
22 Reglement van orde). De regering verstrekt aan deze commissie gevraagd
en ongevraagd vertrouwelijke informatie over de werkzaamheden van de inlichtingen-
en veiligheidsdiensten, zoals voor de goede orde is bevestigd in de memorie
van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel. De Eerste Kamer is tot nu
toe niet overgegaan tot het instellen van een dergelijke commissie. De regering
kan vertrouwelijke informatie over de inlichtingen- en veiligheidsdiensten
dus ook niet aan de Eerste Kamer verstrekken. De formulering «een of
beide kamers» betekent dus dat de informatie verstrekt zal worden aan
één kamer indien slechts één kamer een voorziening
heeft getroffen zoals commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheids-diensten en aan beide kamers indien beide kamers een dergelijke voorziening
hebben getroffen. Deze formulering als zodanig staat een optimale informatievoorziening
aan het parlement dus niet in de weg.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J. W. Remkes
XNoot
1Kamerstukken II 2000/2001, 25 877, nr. 54.
XNoot
2Kamerstukken II 2000/2001, 25 877, nr. 59, blz. 27.
XNoot
3Handelingen II 2000/2001, blz. 93–5860.