Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202028638 nr. 181

28 638 Mensenhandel

Nr. 181 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 juni 2020

Op 5 februari 2020 heb ik het verzoek van uw vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) ontvangen om te reageren op de petitie «Help! Ook na mijn 18de» die u op 14 januari 2020 is aanboden door Defence for Children – ECPAT en Hart voor kinderrechten. In de petitie wordt aandacht gevraagd voor de noodzaak voor doorlopende specialistische hulp voor meisjes die slachtoffer zijn van seksuele uitbuiting.

De petitie «Help! Ook na mijn 18de», komt voort uit het gelijknamige onderzoek dat Defence for Children – ECPAT1 heeft laten uitvoeren. Het rapport is in december 2019 gepubliceerd en hierin wordt aandacht gevraagd voor twee cruciale punten, namelijk: de hulp vóór en na de 18e verjaardag moet beter (gespecialiseerd en landelijk gecoördineerde) en de hulp moet doorlopen (ook nadat een slachtoffer 18 jaar wordt). Dit om ervoor te zorgen dat meisjes na de hulp niet opnieuw in handen vallen van een uitbuiter.

Algemene reactie

Het kabinet geeft met het programma Samen tegen Mensenhandel een stevige impuls aan de bestrijding van mensenhandel, waar seksuele uitbuiting een vorm van is. De voortgang van de verschillende acties en maatregelen zijn op 13 november 20192 naar de Tweede Kamer gestuurd.

Bij seksuele uitbuiting van jongeren gaat het om mensenhandelaren (ook wel: loverboys) die met verleidingstechnieken, manipulaties, chantage en/of geweld, kwetsbare meisjes en jongens inpalmen met uiteindelijk als doel hen later voor zich te laten werken en seksueel uit te buiten.

Seksuele uitbuiting heeft een enorme impact op het leven van het slachtoffer en de gevolgen kunnen groot zijn. Zowel voor het slachtoffer als voor de maatschappij. Goede opvang en hulp moet daarom gericht zijn op bescherming, het behandelen van eventueel (onderliggend) trauma en op het bieden van een toekomstperspectief waardoor een slachtoffer in staat is om zijn/haar leven weer in te richten.

Ik onderschrijf het belang van de aanbevelingen van Defence for Children daarom zijn al de nodige acties in gang gezet, die ik hieronder uiteenzet. Echter is het goed om nog expliciet te bekijken of de huidige inzet en ontwikkelingen voldoende zijn of dat aanvullende acties nodig zijn. Daarom zal ik de resultaten uit het rapport van Defence for Children bespreken met CoMensha, de VNG, Jeugdzorg Nederland en Valente. In de voortgangsbrief van het programma Samen tegen Mensenhandel rapporteer ik over de uitkomsten hiervan.

Reactie op de aanbevelingen van Defence for Children aan de rijksoverheid

Op basis van het onderzoek doet Defence for Children een tweetal aanbevelingen voor de rijksoverheid:

  • 1. Ondersteun de ontwikkeling van inhoudelijke expertise over hulp aan uitbuitingsslachtoffers.

  • 2. Neem de regie waar het de gemeenten niet lukt.

Hieronder geef reageer ik op de aanbevelingen uit het rapport van Defence for Children en zet ik uiteen welke acties reeds in gang is gezet.

Doorlopende hulp en toekomstgericht werken

Defence for Children vraagt aandacht voor continuïteit van hulp, ook nadat slachtoffers van seksuele uitbuiting 18 jaar worden.

Ik erken dat met name overgang van 18–/18+ een cruciaal moment is in de continuïteit van hulp. Vanaf achttien jaar geldt een andere wet, die zelfstandigheid en zelfbeschikking veronderstelt. Uit de praktijk blijkt dat jongeren in kwetsbare posities in de overgang naar volwassenheid verschillende knelpunten ervaren. Knelpunten in bijvoorbeeld de overgang van jeugdhulp naar Wmo, in de stap van onderwijs naar de arbeidsmarkt, bij het vinden van huisvesting en het zorgen voor voldoende inkomen. Dit geldt, net als voor andere kwetsbare jongeren, ook voor slachtoffers van seksuele uitbuiting.

  • Vanuit het VWS-programma «Zorg voor de jeugd» wordt met verschillende partijen samen gewerkt om de overgang van de Jeugdwet naar andere wetten, zoals de Wmo, zo soepel mogelijk te laten verlopen.

  • Zo is er een «Netwerk 16–27», waarin de Ministeries van OCW, SZW, JenV en VWS samenwerken met VNG, Ingrado, Divos, Movisie, Jeugdzorg Nederland, NJi, mbo-raad S-bb en VO Raad. Hier worden informatie en signalen verzameld over de knelpunten die professionals ervaren bij het goed op weg helpen van jongvolwassenen. Op basis hiervan wordt gekeken naar oplossingsrichtingen. Dit netwerk heeft een kernteam (op ambtelijk niveau) en een dialoogtafel (op bestuurlijk niveau). Via de website van het Netwerk 16–27 verzamelt en ontsluit het NJi alle kennis voor professionals en gemeenten die nodig is om domeinoverstijgend en toekomstgericht te werken.

  • Het ondersteuningsteam van Zorg voor de Jeugd (OZJ) helpt samen met het NJi in drie regio’s met de doorontwikkeling van toekomstgericht werken. In deze pilots werkt het NJi samen aan de doorontwikkeling van het zogeheten toekomstplan (soms ook perspectiefplan genoemd). Dat helpt om de jongeren centraal te zetten, de focus op de toekomst te leggen en de eigen kracht en het netwerk van de jongere te benutten. Onderdeel van het plan is te bepalen op welke aspecten ondersteuning nodig is en afspreken wie wat doet, zowel vanuit de jongere en zijn/haar netwerk, als vanuit de formele ondersteuning. De lessen uit de pilots vertaalt het NJi naar landelijk toepasbaar materiaal, bijvoorbeeld in de vorm van richtlijnontwikkeling, beroepsprofielen en veldnormen.

  • Ook in het specifieke geval van seksuele uitbuiting kan een gemeente via de verlengde jeugdhulp de zorg aan slachtoffers laten doorlopen, mits de jongere dit zelf ook wil. Naast de verlengde jeugdhulp kan de gemeente ook vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) hulp bekostigen.

  • Ten behoeve van doorlopende hulp en om continuïteit te realiseren, specifiek in de hulp aan slachtoffers van loverboys, subsidieert het Ministerie van VWS, via ZonMw, onderzoek naar de effectiviteit van de zogenoemde «Trajectbenadering». Het onderzoek startte in 2019 en dit loopt door tot 2021. In de trajectbenadering is aandacht voor eventuele triggers voor terugval, maar ook voor succes. Dit moet zorgen voor het vergroten van de sensitiviteit voor problematiek bij instellingen, het bevorderen van samenwerking en daarmee het realiseren van continuïteit van behandeling.

Ondersteuning van gemeenten

Gemeenten zijn een belangrijke partner in de aanpak van mensenhandel, waaronder seksuele uitbuiting. Zoals in het programma Samen tegen Mensenhandel is opgenomen is versterking van de gemeentelijke aanpak een van de speerpunten.

Voor het realiseren van de afspraken die zijn gemaakt in het Interbestuurlijk Programma (IBP) zijn, met subsidie van het Ministerie van VWS en JenV, projectleiders en een adviseur aangesteld bij de VNG en CoMensha. Ook kunnen gemeenten gebruik maken van de kennis en expertise van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) en het Nationaal Jeugdinstituut (NJi). Het Ministerie JenV en VWS zijn in nauw contact met deze ondersteunende organisaties om waar nodig te helpen om knelpunten weg te nemen.

In de voortgangsbrief Samen tegen Mensenhandel heb ik u geïnformeerd over de stand van zaken van de activiteiten van de VNG en CoMensha om gemeenten te ondersteunen. In aanvulling hierop kan ik u over de organisatie van de functie zorgcoördinatie het volgende melden.

Met middelen vanuit het Ministerie van VWS en JenV ondersteunt CoMensha de regio’s bij het organiseren van de functie van zorgcoördinator. Kijkende naar centrumgemeenten vrouwenopvang (VO) is de dekkingsgraad van zorgcoördinatie volgens CoMensha, sinds eind 2019, verder omhooggegaan naar 94%.

Ondersteunen van de ontwikkeling van inhoudelijke expertise

Defence for Children vraagt aandacht voor de ontwikkeling van inhoudelijke expertise over hulp aan uitbuitingsslachtoffers. Omdat de ontwikkeling van inhoudelijke expertise voor de hulp aan slachtoffers van seksuele uitbuiting van belang is, zet ik in op de volgende acties.

  • Voor minderjarige slachtoffers van seksuele uitbuiting kunnen gemeenten specialistische hulp inkopen bij drie instellingen via een landelijk raamcontract bij de VNG. Daarnaast zijn jeugdhulpaanbieders de afgelopen jaren aan de slag gegaan met de aanbevelingen van de Commissie Azough om verbeteringen in de opvang en hulp aan slachtoffers te verwerken in het aanbod.

  • De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) onderzocht vervolgens de kwaliteit van de gespecialiseerde hulp aan minderjarige slachtoffers van loverboys. Zij constateerde in februari 2018 dat 11 van de dertien onderzochte jeugdhulpaanbieders kwalitatief goede gespecialiseerde hulp bieden aan (vermoedelijke) slachtoffers van loverboys.

  • Juist voor minderjarigen met complexe, weinig voorkomende problematiek is het belangrijk dat goede hulp tijdig beschikbaar is. Zoals ik in de brief van 7 november 2019 «Naar een betere organisatie van jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering» en de brief van 20 maart jl. «Perspectief voor de Jeugd» heb bericht, ben ik bezig om een aantal regionale expertisecentra voor gespecialiseerde jeugdhulp in te richten. Het is van belang dat de expertisecentra meerdere specialismen in huis hebben en integrale hulp bieden. De ontwikkeling van deze expertisecentra zit nog in de beginfase. Aan de hand van twee pilots wordt lering getrokken voor de inrichting van de regionale expertisecentra gespecialiseerde jeugdhulp.

  • Omdat momenteel nog onvoldoende zicht is op de effectiviteit van toegepaste behandelmethoden bij seksuele uitbuiting, zet ik, naast de ontwikkeling van de expertisecentra, ook in op effectiviteitsonderzoek van behandelprogramma’s.

  • Vijf zorg- en hulporganisaties zijn vorig jaar gestart met het ontwikkelen van een aanbod van zorg voor mannelijke slachtoffers van seksuele uitbuiting. Uit onderzoek is gebleken dat seksuele uitbuiting ook bij jongens en mannen voorkomt, maar dat signalering, het aanbieden van hulp en de hulpverlening zelf vragen om een specifieke benadering.

  • Voor volwassen slachtoffers van mensenhandel die kampen met multi-problematiek, zijn in 2019 36 opvangplekken gecreëerd. Voor deze extra opvangplekken, stelt het Ministerie van VWS € 2 miljoen per jaar beschikbaar. Deze opvangplekken zijn gecreëerd omdat een groep slachtoffers tussen de wal het schip dreigde te vallen, namelijk slachtoffers die naast de mensenhandel problematiek ook kampen met psychische problemen, een verslaving en/of een lichte verstandelijke beperking.

Betrekken van ervaringsdeskundigen

Defence for Children vraagt in de petitie ook aandacht voor het betrekken van de verhalen van slachtoffers, betrokkenen en professionals. Ik hecht er waarde aan om te spreken mét slachtoffers in plaats van over slachtoffers en ruimte te geven aan hun reflectie op ervaringen, de door hun ervaren knelpunten en mogelijke oplossingen die zij zien. Zo hebben de Ministeries van VWS en JenV de geleerde lessen uit casuïstiekbesprekingen van loverboyproblematiek in de landelijke expertgroep samengevat in een interviewbundel, met daarin ook de verhalen van slachtoffers en ervaringsdeskundigen. Daarnaast zijn in het programma «Geweld hoort nergens thuis» een spiegelgroep van ervaringsdeskundigen betrokken. De spiegelgroep ervaringsdeskundigen geeft gevraagd en ongevraagd advies aan het kernteam, de stuurgroep, het programmateam en/of onderzoekscommissie. Hun levensverhalen en ervaringen zijn belangrijk om nog meer inkleuring te geven aan de impact van het brede spectrum van huiselijk geweld en kindermishandeling, seksueel misbruik en seksuele uitbuiting.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge


X Noot
1

Rapport «Help! Ook na mijn 18de» van Defence for Children – ECPAT, 4 december 2019.

X Noot
2

Voortgangsbrief Programma Samen tegen Mensenhandel, 13 november 2019. Kamerstuk 28 638, nr. 177.