Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2002-200328630 nr. 6

28 630
Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000, alsmede van de Wet centraal Orgaan opvang asielzoekers teneinde enkele technische verbeteringen aan te brengen

nr. 6
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 20 januari 2003

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

In het opschrift wordt «de Wet centraal Orgaan opvang asielzoekers» vervangen door: enkele andere wetten.

2

In de considerans wordt na «de Wet centraal Orgaan opvang asielzoekers» ingevoegd: en de Huisvestingswet.

3

Na onderdeel H wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

Ha

Onderdeel c van artikel 67, eerste lid, komt te luiden als volgt:

c. indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8 onder a tot en met e dan wel l;.

4

Na onderdeel M wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

Ma

Artikel 83, tweede lid, komt te luiden:

2. Met feiten en omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, wordt alleen rekening gehouden indien deze relevant kunnen zijn voor de beschikking omtrent de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 28 en 33, of omtrent de ambtshalve verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 14.

5

Na artikel II wordt een artikel toegevoegd, luidende:

ARTIKEL IIa

Artikel 13c, eerste lid, onder c, van de Huisvestingswet komt te luiden:

c. die als vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf hebben op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000, indien zij in verband met die omstandigheid woonruimte behoeven;.

Toelichting

Onderdelen 1, 2 en 5

In artikel 6 van hoofdstuk 11 van de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000 (Stb. 2000, 496) is voorzien in aanpassing van artikel 13c, eerste lid, onder c, van de Huisvestingswet aan de Vreemdelingenwet 2000. Door de redactie van genoemd artikel 6 wordt artikel 13c van de Huisvestingswet aangepast, indien het bij koninklijke boodschap van 29 april 1997 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Huisvestingswet (doorwerking ruimtelijk beleid) (Kamerstukken I 1997/98, 25 334, nr. 324), en het bij koninklijke boodschap van 10 april 1999 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de wet tot wijziging van de Huisvestingswet (doorwerking ruimtelijk beleid) (Kamerstukken I 1999/2000, 26 471 nr. 172 ) tot wet worden verheven en op een eerder tijdstip in werking treden dan de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000. Dat betreft een omissie. Zoals in de toelichting bij de nota van wijziging (kamerstukken II 1999/2000, 26 975, nr. 6) is uiteengezet, is bedoeld deze wijziging van artikel 13c, eerste lid, onder c, van de Huisvestingswet in werking te laten treden indien de voorgestelde wijzigingen van de Huisvestingswet later in werking treden dan de Vreemdelingenwet 2000 en de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000. Indien de voorgestelde wijzigingen van de Huisvestingswet in werking treden, komt het huidige artikel 13c van de Huisvestingswet te vervallen. Nu de voorgestelde wijzigingen van de Huisvestingswet nog niet in werking zijn getreden, is artikel 13c, eerste lid, onder c, van de Huisvestingswet niet aangepast aan de systematiek van de nieuwe Vreemdelingenwet 2000. Het desbetreffende onderdeel verwijst derhalve nog steeds naar de (voormalige) Vreemdelingenwet. De onderhavige wijziging strekt ertoe die omissie recht te zetten. De voorgestelde tekst van artikel 13c, eerste lid, onder c, van de Huisvestingswet komt overeen met de tekst die in artikel 6 van hoofdstuk 11 van de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000 (Stb. 2000, 496) was voorzien.

Onderdeel 3

De voorgestelde wijziging van artikel 67, eerste lid, onder c, betreft een redactionele verbetering. Met dat onderdeel was destijds geen wijziging beoogd ten opzichte van artikel 21, eerste lid, onder c, van de voormalige Vreemdelingenwet, dat bepaalde dat een vreemdeling ongewenst verklaard kan worden indien hij een gevaar vormt voor de openbare rust, openbare orde of de nationale veiligheid en het hem niet krachtens een der bepalingen van de artikelen 9, 9a en 10 is toegestaan in Nederland te verblijven. De redactie van het huidige onderdeel c zou kunnen leiden tot het misverstand dat een vreemdeling die zich – na vertrek of uitzetting – niet meer in Nederland bevindt, niet ongewenst verklaard kan worden. Dat is nimmer de bedoeling geweest. Ik acht het wenselijk een dergelijk misverstand, dat zich in de praktijk overigens nog niet heeft voorgedaan, op voorhand te voorkomen door de tekst van onderdeel c beter te laten aansluiten op het corresponderende onderdeel in de voormalige Vreemdelingenwet.

Onderdeel 4

De voorgestelde wijziging van artikel 83, tweede lid, strekt er toe de ex nunc toetsing door de rechter in asielzaken (artikel 83) onder omstandigheden uit te breiden met feiten en omstandigheden die relevant kunnen zijn omtrent de ambtshalve verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 14. Uit het eerste lid van artikel 83 volgt dat het moet gaan om feiten of omstandigheden die na het nemen van de bestreden besluiten zijn ingetreden, dat de goede procesorde zich daartegen niet mag verzetten en dat de afdoening van de zaak daardoor niet onevenredig mag worden vertraagd. Voorts volgt uit het voorgestelde artikel 79, derde lid, dat artikel 83 van toepassing is indien de vreemdeling in de voornemenprocedure (artikelen 39 en 41) in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze te geven over het voornemen om niet ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (bijvoorbeeld als alleenstaande minderjarige vreemdeling) te verlenen. Voor verdere toelichting verwijs ik naar de nota naar aanleiding van het verslag (onderdelen E, F en L).

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

H. P. A. Nawijn