nr. 9
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 17 april 2003
In de procedurevergadering van 9 april jl. heeft u mij verzocht u binnen
één week een standpunt inzake het advies van de commissie Tabaksblat,
alsmede een standpunt met betrekking tot de grootschalige huisartsenposten
in het kader van de bereikbaarheid en de opvatting van de Inspectie van de
Gezondheidszorg ter zake, toe te zenden.
Advies van de commissie Tabaksblat
Op 5 april 2001 heeft de toenmalige minister van VWS het rapport van de
Commissie Toekomstige Financieringsstructuur Huisartsenzorg aan u aangeboden.
Op 29 juni 2001 volgde het kabinetsstandpunt op hoofdlijnen op het advies,
waarna bij brief van 30-11-2001 de nadere uitwerking volgde. Met de invoering
van afzonderlijke vergoedingen voor de infrastructuur en de honoraria voor
de avond-, nacht- en weekenddiensten, is een eerste stap gemaakt met de invoering
hiervan. U bent hierover op12 juni 2002 geïnformeerd.
In de afgelopen periode zijn adviezen van de commissie Van der Grinten
inzake «een perspectief voor de eerstelijnsgezondheidszorg» en
van de Raad voor de Volksgezondheid & Zorg inzake «taakherschikking
in de gezondheidszorg» uitgebracht. Verder verschenen visies van verzekeraars,
aanbieders en patiënten/consumentenorganisaties. Hierdoor is duidelijker
geworden dat voor het oplossen van de knelpunten in de huisartsenzorg een
verdere modernisering van de gehele eerstelijnsgezondheidszorg noodzakelijk
is. Een mogelijke aanzet hiervoor is beschreven in de notitie Bouwstenen Zorg
in de buurt, welke als bijlage bij mijn brief van 31 maart jl. (Kamerstuk
28 600 XVI, nr. 115) aan u is toegezonden.
Gelet op de demissionaire status van het kabinet, de huidige macro-economische
situatie alsmede mogelijke financiële gevolgen acht ik het niet aan mij
om onomkeerbare stappen te zetten over een eventuele invoering
van de voorstellen van de commissie Tabaksblat. Dit laat ik over aan mijn
ambtsopvolger.
Wel wordt, zoals aangekondigd in mijn brief van 31 maart jl. – omdat
partijen geen macrobudgettair neutraal voorstel hebben gepresenteerd met betrekking
tot de lokale component – thans gewerkt aan een aanwijzing aan het CTG
om het complexe financieringssysteem van de huisartsenzorg te vereenvoudigen.
Hierbij zal het praktijkplan van de huisarts de basis worden voor de onderhandeling
met de zorgverzekeraar. De invoering van het instrument praktijkplan werd
ook geadviseerd door de commissie Tabaksblat en zal leiden tot meer transparantie
en doelmatigheid. De aanwijzing aan het CTG zal -zoals gebruikelijk- worden
voorgelegd aan de Eerste en Tweede Kamer en zal macrobudgettair neutraal worden
geïmplementeerd.
Grootschalige dienstenstructuur
Het leveren van 7 x 24 uurs huisartsenzorg maakt integraal onderdeel uit
van de dienstverlening door de huisarts. De huisarts is er zelf voor verantwoordelijk
zijn waarneming adequaat te regelen. Op 1 juli 2001 is een Algemene Maatregel
van Bestuur van kracht geworden die huisartsendiensten aanwijst als aparte
organen op grond van de Wet Tarieven Gezondheidszorg. Voor de invoering van
de dienstenstructuren en op die plaatsen waar de dienstenstructuren (nog)
niet zijn gerealiseerd, geschiedt de waarneming onderling in zogenaamde HAGRO's
(huisartsengroepen).
Met grote mate van voortvarendheid zijn nu 59 huisartsendienstenstructuren
(met circa 100 huisartsenposten) opgericht en zijn circa 90% van alle huisartsen
aangesloten bij een huisartsendienstenstructuur. Door de realisatie van deze
dienstenstructuren is de werkdruk van de huisarts fors afgenomen en is het
inkomen van de huisarts verbeterd.
De kwaliteit en bereikbaarheid van de waarneming in HAGRO-verband waren
en zijn weinig transparant voor derden. Door de invoering van de huisartsenposten
zijn herkenbare organisaties ontstaan die worden aangesproken op kwaliteit
en toegankelijkheid. Doordat deze instellingen vallen onder de Wet Kwaliteitszorginstellingen
is hun functioneren transparanter.
Aannemelijk is dat de toename van klachten deels te wijten is aan de transparantere
organisatievorm. Dat neemt niet weg dat er nog te veel negatieve signalen
zijn over de bereikbaarheid van de huisarts. De Inspectie voor de Gezondheidszorg
is hierover met de sector in gesprek. Recent is de Inspectie ook een landelijk
onderzoek gestart naar de kwaliteit van de huisartsposten. De rapportage hiervan
zal begin 2004 beschikbaar zijn.
Voorts maak ik mij zorgen over een aantal knelpunten dat mij onlangs door
het CTG is gemeld (zie bijlage1 ). Het CTG wijst
met name op de hoogte van de tarieven, de vele klachten van patiënten
hierover en de omvang van de infrastructurele kosten. Deze kosten blijken
aanzienlijk hoger dan waarmee in de ramingen rekening is gehouden (€ 68
mln.).
Het gemiddelde bedrag per verzekerde ligt bijna 50% hoger dan waarmee
bij de start van de huisartsendienstenstructuren (HDS) rekening is gehouden.
De verschillen tussen de HDS'en zijn erg groot, de kosten variëren van € 3,70
tot € 15,69 per verzekerde.
De totale infrastructurele kosten voor 2002 bedragen op basis van de begrotingen € 81
mln. Dit bedrag is lager dan het bedrag op jaarbasis (€ 93 mln.),
omdat een aantal HDS'en pas in de loop van 2002 zijn gestart. Op basis van
de ingediende begrotingen 2002 kan volgens het CTG voor 2003 een overschrijding
van € 25 mln. worden verwacht.
Het CTG wijst er echter op dat de reeds ontvangen begrotingen 2003 een
verdere stijging van de kosten met 28% te zien geven. In 2003 zal het aantal
HDS'en bovendien nog toenemen.
Ik constateer dat bij ongewijzigd beleid de kosten het dubbele kunnen
gaan bedragen dan wat er is geraamd. In CTG-verband wordt nu overlegd hoe
en op welke wijze efficiency en kwaliteitsverbeteringen kunnen worden doorgevoerd.
Indien dit overleg onvoldoende resultaat oplevert zal ik het CTG verzoeken
de kosten zodanig te normeren dat op zo kort mogelijke termijn deze binnen
de geraamde bedragen blijven.
Gelet op bovenstaande heb ik nu nog geen eindoordeel over de ontwikkelingen
van de grootschalige dienstenstructuren.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
A. J. de Geus