nr. 14
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 september 2003
Op 19 maart 2003 heeft mijn ambtsvoorganger van de vaste commissie voor
Volksgezondheid, Welzijn en Sport een brief (kenmerk: VWS-03-111) ontvangen
met het verzoek te reageren op een brief van de vereniging Platform Zorginstellingen
Grote Steden inzake het rapport «Goede zorg in de grote stad».
Gaarne voldoe ik hierbij aan dat verzoek.
De inhoud van mijn reactie heeft tevens betrekking op het sedertdien verschenen
rapport «Zorg in de grote steden» van het NIVEL en het RIVM. De
kernboodschap van dat rapport ligt in lijn met het rapport «Goede zorg
in de grote stad».
De vereniging Platform Zorginstellingen Grote Steden is in 2001 opgericht
om belangen van de zorginstellingen in de grote steden te behartigen. Het
Platform richt zich op belangen op het terrein van arbeidsvoorwaarden, arbeidsmarktbeleid,
financiering, infrastructuur en zorginhoudelijke onderwerpen die specifiek
zijn voor de zorg in de vier grootstedelijke agglomeraties Amsterdam, Rotterdam,
Den Haag en Utrecht. De vereniging telt ongeveer 70 lidinstellingen, afkomstig
uit verschillende sectoren (ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen,
instellingen voor gehandicaptenzorg, GGZ-instellingen en thuiszorg) en uit
de vier agglomeraties. Het totale budget van deze lidinstellingen is ongeveer
2,5 miljard euro. Er werken ongeveer 75 000 personen.
In de brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer en in het rapport staan
twee aandachtspunten centraal. In de eerste plaats de extra kosten (en de
beschikbare ruimte) voor extra zorg in de grote steden vanwege grootstedelijke
problematiek en in de tweede plaats de financiering van deze extra zorg.
Met betrekking tot het eerste punt staan in het rapport verschillende
oorzaken opgesomd waarom de gezondheidszorg in de grote stad per hoofd van
de bevolking gemiddeld meer kost dan elders. Dit komt onder meer
doordat bij de inwoners van de grote steden gemiddeld meer ziekte voorkomt
en zij daardoor een groter beroep op de gezondheidszorg moeten doen.
Als andere oorzaken worden in het rapport genoemd het grotere aandeel
allochtone inwoners, de grootstedelijke woon- en leefomgeving, de hogere personeelskosten,
de hogere huisvestingskosten en de hogere kosten van onverzekerden. In het
rapport wordt gesteld dat in 2002 niet alle extra kosten in voldoende mate
in de budgetten van instellingen in de grote steden zijn verwerkt.
Ten aanzien van de financiering van extra kosten (het tweede punt) merkt
het Platform op dat indien deze kosten niet volledig in de financiering van
de zorg worden verdisconteerd, de inwoners van de grote steden een hogere
prijs/premie voor hun zorgverzekeringen moeten betalen en/of zij minder zorg
ontvangen. Voor wat betreft het huidige financieringsstelsel is het –
volgens het Platform – noodzakelijk bepaalde hogere kosten alsnog te
gaan compenseren. En wanneer het zorgstelsel straks structureel wordt veranderd,
moeten voldoende compensatiemechanismen voor de grootstedelijke meerkosten
zijn ingebouwd.
Ik hecht er aan in mijn reactie voorop te stellen dat de beschikbaarheid
en de betaalbaarheid van de zorg in de grote steden mij na aan het hart ligt.
Ik ben van oordeel dat een situatie, waarbij de zorg in grote steden minder
toegankelijk is dan in de rest van ons land, zo veel mogelijk voorkomen moet
worden. Dat dit gevaar op de loer ligt, zal ik niet ontkennen. Echter, ik
ben van mening dat – gegeven de beschikbare financiële kaders –
in de bekostigingsregels van het Ctg voor de zorginstellingen (via onder andere
regio-toeslagen) zo goed mogelijk tegemoet wordt gekomen aan de grootstedelijke
problematiek. Ik zie het rapport wel als een signaal dat we op dit punt alert
moeten blijven.
Voor de toekomst geldt dat partijen in de zorg steeds meer vrijheden zullen
krijgen om het aanbod aan te laten sluiten op de vraag en daarover nadere
volumeprijs en kwaliteitsafspraken te maken.
Indien de onderhandelingen in de grote stad leiden tot meer gecontracteerd
aanbod en hogere prijzen, betekenen deze vrijheden hogere opbrengsten voor
de instellingen, maar tegelijkertijd hogere kosten voor verzekeraars. Dat
de grotere vrijheden ook zullen leiden tot meer zorgverlening en hogere prijzen
staat daarbij niet vast. De verwachting is dat de marktwerking de volume-
en prijsontwikkeling zal mitigeren.
In hoeverre hogere kosten in de grote stad doorvertaald worden in de premies
van (bepaalde groepen) van verzekerden is afhankelijk van het geldende premie-regime.
De huidige situatie is zo dat voor de financiering van de AWBZ een landelijk
gelijke premie geldt, terwijl voor de Ziekenfondswet een landelijk gelijke
procentuele premie geldt met, als aanvulling daarop, een nominale premie waarvan
de hoogte door de ziekenfondsen zelf wordt vastgesteld. Binnen een ziekenfonds
is de nominale premie voor alle verzekerden gelijk. Verbijzondering, naar
regio of naar groepen verzekerden, is niet mogelijk. Voor de publiekrechtelijke
ziektekostenregelingen voor ambtenaren gelden ook landelijk gelijke premies.
Ook de maximum-premies in de Wtz zijn landelijk gelijk. Alleen in de particuliere
verzekeringen is het mogelijk dat verzekeraars in hun premiestelling een regionale
verbijzondering aanbrengen. Dit is een vrijheid die de particuliere verzekeraars
hebben.
Bij ziekenfondsen zou de situatie zich kunnen voordoen dat ziekenfondsen
met relatief veel verzekerden in grote steden vanwege de hogere zorgkosten
noodgedwongen een hogere nominale premie moeten vragen dan ziekenfondsen met
relatief veel verzekerden buiten de grote steden. Aan dit mogelijke knelpunt
wordt tegemoet gekomen door middel van een systeem van risicoverevening. De
risicoverevening houdt in dat ziekenfondsen met een verzekerdenbestand met
relatief veel verzekerden met een hoog risico in hun jaarlijkse uitkering
uit de Algemene Kas van de ziekenfondsverrekening compensatie ontvangen ten
koste van ziekenfondsen met relatief weinig hoge risico's. In het huidige
vereveningsmodel is een extra vergoeding opgenomen voor verzekerden in gebieden
met hogere zorgkosten. Sinds 2002 wordt in dit regiocriterium ook specifiek
gekeken naar indicatoren als aandeel van allochtonen in de bevolking, aandeel
lage inkomens, percentage alleenstaanden en achterstandswijken.
Door het regiocriterium ontvangen verzekeraars een compensatie voor de
hogere kosten van verzekerden in deze dure gebieden. Naar mijn mening wordt
binnen de ziekenfondsverzekering op dit punt goed tegemoet gekomen aan de
problematiek in de grote steden zoals beschreven in het rapport «Goede
zorg in de grote stad».
Het lijkt mij wenselijk dat bij de stelselherziening voor de gezondheidszorg
een dergelijke compensatie voor de problematiek in de grote steden blijft
bestaan. Op dat moment wordt ook het gesignaleerde knelpunt bij de huidige
particuliere verzekeraars ondervangen.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J. F. Hoogervorst