28 604
De Staat van de Europese Unie

nr. 13
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 november 2002

Graag bied ik u hierbij, mede namens de minister van Economische Zaken en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, het antwoord aan op de mondelinge vraag gesteld door het lid G. de Vries over de Nederlandse inspanningen om het Europese streefcijfer van 3% voor onderzoek en ontwikkeling te bereiken. Deze vraag werd gesteld tijdens het Europadebat van 3 oktober 2002. (Handelingen der Kamer II, vergaderjaar 2002–2003, nr. 9) Aangezien er onvoldoende tijd was om deze vraag tijdens het debat te beantwoorden, zegde ik een schriftelijk antwoord toe.

De conclusies van de Europese Raad van Barcelona (maart 2002) stellen dat de Europese Raad meent dat «de totale uitgaven voor O&O en innovatie in de Unie verhoogd zouden moeten worden zodat zij tegen 2010 3% van het BBP benaderen; tweederde van deze nieuwe investering moet afkomstig zijn uit de particuliere sector.» Het streefcijfer van 3% is dan ook geen planningsinstrument; het geeft echter wel de richting aan voor investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Het streefcijfer geldt voor de Unie als geheel, niet voor individuele lidstaten.

Op 11 september 2002 heeft de Commissie een mededeling over dit onderwerp gepubliceerd. Op basis van deze mededeling is er in de komende maanden een discussie over strategie die de Unie zal volgen om de investeringen in onderzoek en ontwikkeling te verhogen in lijn met de conclusie van de Europese Raad. De Commissie komt vervolgens in het voorjaar van 2003 met een actieplan.

In Nederland zal het nodige moeten gebeuren. De ministers van Economische Zaken en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zullen verdere acties uitwerken in een Innovatienota (voorjaar 2003) en in het Wetenschapsbudget (rondom de jaarwisseling).

De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

A. Nicolaï

Naar boven