Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2002-2003
Kamerstuk 28600-XIII nr. 2

Gepubliceerd op 20 september 2002



28 600 XIII
Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2003

nr. 2
MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

A.Artikelsgewijze toelichting bij het wetsvoorstel2
 Wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen en ontvangsten)2
 Wetsartikel 2 (baten-lastendiensten)2
 Wetsartikel 4 (interne reserve binnen de Rijksbegroting)2
   
B.De Begrotingstoelichting4
 1. Leeswijzer5
 2. Het beleid9
    2.1. De beleidsagenda9
    2.2. De beleidsartikelen46
    2.3. De niet-beleidsartikelen185
 3. De bedrijfsvoering188
 4. Baten-lastendiensten191
 5. De verdiepingsbijlage225
 6. De bijlage moties en toezeggingen249
 7. Lijst met afkortingen271
 8. Trefwoordenregister275

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen en ontvangsten)

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van het Ministerie van Economische Zaken voor het jaar 2003 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2003. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2003.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2003 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenaamde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2 (baten-lastendiensten)

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten en kapitaaluitgaven en ontvangsten van de baten-lastendiensten Senter, EVD, Bureau I.E. en Telecom voor het jaar 2003 vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B van deze memorie van toelichting.

Wetsartikel 4

Met deze specifieke bepaling ten behoeve van de begroting van Economische Zaken wordt eveneens vooruitgelopen op een wijziging van de Comptabiliteitswet 2001. Die wijziging behelst de mogelijkheid tot het vormen van een interne reserve binnen de Rijksbegroting. Deze reserve wordt aangehouden binnen 's Rijks schatkist. Ten behoeve van de Garantiefaciliteit Opkomende Markten, de SENO-faciliteit en de Garantiefaciliteit herverzekering Inpres 8 (artikel 5) wordt zo'n reserve gevormd, waaruit eventuele toekomstige betalingen uit hoofde van verstrekte garanties kunnen worden gefinancierd. Op deze manier kan op een doelmatige en bestuurlijk transparante wijze zorggedragen worden voor de beschikbaarheid van voldoende budgettaire middelen in het (nog onzekere toekomstige) jaar dat op een garantie moet worden getrokken.

Bij de onderhavige garantieregelingen gaat de wet van de grote aantallen niet op, zodat het trekken op een garantie van jaar op jaar aanzienlijke uitgavenfluctuaties kan opleveren, die niet zonder aanzienlijke budgettaire problemen binnen de begroting van EZ kunnen worden opgevangen. Om dergelijke fluctuaties op te vangen, zijn in het verleden achtergestelde leningen verstrekt aan een (externe) stichting die de Garantiefaciliteit Opkomende Markten en de SENO-faciliteit uitvoert. Uit hoofde van het budgetrecht en de doelmatigheid zijn tegen de inschakeling van een stichting bezwaren aan te voeren.

Door gebruik te maken van de interne reserveringsmogelijkheid wordt de doelmatigheid bevorderd; de gereserveerde middelen blijven immers langer in de schatkist en leiden dus tot lagere rentekosten. Inmiddels zijn de achtergestelde leningen terugontvangen van de stichting en toegevoegd aan de interne reserve.

Ook de bestuurlijke transparantie is met de nieuwe faciliteit gediend. Zowel voor de vulling van de reserve als voor de daaruit te verrichten betalingen aan derden geldt namelijk de volledige ministeriële verantwoordelijkheid. Daarom behoren de vulling van de reserve en de betalingen ten laste van de reserve idealiter via de begroting van EZ tot stand te komen. Vanuit autorisatie-oogpunt heeft de begrotingswetgever daarmee zowel zicht op de vulling van de reserve ten laste van de begroting van EZ, als de eventueel in latere jaren te verrichten betalingen op het moment dat op de garantie moet worden getrokken.

De Minister van Economische Zaken,

H. Ph. J. B. Heinsbroek

B. DE BEGROTINGSTOELICHTING

De toelichting bij de EZ-begroting 2003 kent de volgende opbouw.

1. Leeswijzer

2. Het beleid

2.1 De Beleidsagenda

Paragraaf 2.1.1 Inleiding

Paragraaf 2.1.2 Ruimte voor de markt, eerlijke concurrentie

Paragraaf 2.1.3 Ruimte om te ondernemen, minder regels

Paragraaf 2.1.4 Excelleren in Innovatie

Paragraaf 2.1.5 Excellente Informatie en Communicatiewerken en Technologie

Paragraaf 2.1.6 Hoogwaardig Human Capital

Paragraaf 2.1.7 Inzet op duurzaamheid

Paragraaf 2.1.8 Begroting op hoofdlijnen

Paragraaf 2.1.9 Beleidsprogramma

2.2 Beleidsartikelen

1. Werking binnenlandse markten

2. Bevorderen van innovatiekracht

3. Bevorderen ondernemingsklimaat

4. Doelmatige en duurzame energievoorziening

5. Buitenlandse economische betrekkingen

6. Vitale belangen ten tijde van crisis

7. Beheer bodemschatten

8. Economische analyses en prognoses

9. Voorzien in maatschappelijke behoefte aan statistieken

10. Effectieve telecommunicatie- en postmarkt

2.3 Niet-beleidsartikelen

21. Algemeen

22. Nominaal en onvoorzien

23. Afwikkeling oude verplichtingen

3. De bedrijfsvoering

4. Baten-lastendiensten

• Senter

• Economische Voorlichtingsdienst (EVD)

• Bureau voor het Industriële Eigendom (Bureau I.E.)

• Telecom

5. De verdiepingsbijlage

6. De bijlage moties en toezeggingen

7. Lijst met afkortingen

8. Trefwoordenregister

1. LEESWIJZER

De leeswijzer gaat in op de volgende onderwerpen:

1. Toevoeging Directoraat-Generaal Telecommunicatie en Post.

2. Resultaatverantwoordelijkheid versus systeemverantwoordelijkheid.

3. Veronderstellingen in effectbereiking, doelmatigheid en raming.

4. Groeiparagrafen.

5. Evaluatiebeleid.

6. Toerekening van apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen.

7. Afwijkingen van de rijksbegrotingsvoorschriften.

1. Toevoeging Directoraat-Generaal Telecommunicatie en Post

In het Strategisch Akkoord van 3 juli 2002 is aangegeven dat met het oog op de grote invloed van informatie- en communicatietechnologie op de samenleving en het belang daarvan voor de economische ontwikkeling, een geïntegreerde beleidsaanpak op dit terrein noodzakelijk is. Daarom is in het Strategisch Akkoord afgesproken dat het Directoraat-Generaal Telecommunicatie en Post (DGTP, inclusief het agentschap Telecom) van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat overgaat naar het Ministerie van Economische Zaken.

In deze EZ-begroting 2003 is daarom een nieuw beleidsartikel 10 Effectieve telecommunicatie- en postmarkt opgenomen. Dit artikel stond voorheen op de begroting van Verkeer en Waterstaat (als beleidsartikel 15).

De beleidsmatige verantwoordelijkheid is direct na het aantreden van het nieuwe kabinet naar het Ministerie van Economische Zaken overgegaan. De administratief-technische overheveling van budgetten zal echter om praktische redenen met ingang van 2003 plaatsvinden.

2. Resultaatverantwoordelijkheid versus systeemverantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is verantwoordelijk voor het scheppen van voorwaarden voor het realiseren van duurzame economische groei. Voor een goede werking van de economie is het nodig dat private partijen binnen bepaalde randvoorwaarden hun gang kunnen gaan. EZ werkt als een katalysator die de (potentiële) economische groei moet voortstuwen. Op het gebied van marktwerking, kennis- en innovatiebeleid en ondernemingsklimaat is EZ slechts één van de relevante partijen. Ook worden ontwikkelingen op die gebieden voortdurend door externe factoren beïnvloed. De eigen sturing op de mate van doelbereik is hierdoor beperkt. Gelet op het voorwaardenscheppende karakter van het beleid, is er sprake van een systeemverantwoordelijkheid voor de Minister van EZ. Dit betekent dat het accent bij de verantwoording komt te liggen op de wijze waarop EZ invulling heeft gegeven aan de inrichting van het «beleidssysteem». Uiteraard gebeurt dit nadrukkelijk in de context van de beleidsresultaten. Zoals bijvoorbeeld bij beleidsartikel 2 Bevordering van innovatiekracht, waar effectindicatoren zijn gedefinieerd. De ontwikkeling die in deze indicatoren optreedt, is van belang voor de inrichting van het nationale innovatiesysteem, waarvan het beleidsinstrumentarium van EZ een onderdeel uitmaakt.

3. Veronderstellingen in effectbereiking, doelmatigheid en raming

Bij de beleidsartikelen zijn de veronderstellingen ten aanzien van effectbereik meestal verwerkt in de beleidscontext en niet in een aparte paragraaf. In de meeste gevallen zou bij het vermelden van de veronderstellingen in een aparte paragraaf de beleidscontext ontbreken die juist nodig is om de veronderstellingen goed te kunnen plaatsen en beoordelen.

In algemene zin geldt dat de mate van doelbereik ten aanzien van de centrale EZ-doelstelling, te weten de bevordering van duurzame economische groei, afhankelijk is van vele factoren. De internationale conjunctuur is één van die factoren die bij nagenoeg alle beleidsartikelen een belangrijke rol speelt. In de toelichting op de beleidsartikelen is op meer specifieke factoren ingegaan. Voorts zijn bij een aantal beleidsartikelen en in de paragrafen inzake de baten-lastendiensten gegevens opgenomen die indicatief zijn voor doelmatigheid en raming. Zo zijn per beleidsartikel de personele uitgaven gespecificeerd naar de «P en Q»-componenten. De programma-uitgaven zijn niet gespecificeerd naar «P en Q», omdat deze componenten van de raming geen stuurvariabelen zijn.

4. Groeiparagrafen

In de EZ-begroting van vorig jaar (2002) waren in de groeiparagrafen bij de beleidsartikelen diverse elementen opgenomen waarbij een reëel perspectief bestond voor verbeteringen in het kader van de VBTB-begroting. Bij de voorbereiding van de begroting 2003 is getracht deze verbeterpunten zo goed mogelijk in te vullen. Daar waar invulling is gegeven aan verbeterpunten, wordt dit in de beleidsartikelen aangegeven. Bij enkele verbeterpunten uit de begroting 2002 is in de begroting 2003 weliswaar sprake van voortgang, maar nog niet van volledige invulling. De voortgang op die punten wordt vermeld in de groeiparagrafen van deze begroting. In de groeiparagrafen worden uiteraard eveneens de nieuwe verbeterpunten gemeld die bij de voorbereiding van deze begroting naar voren zijn gekomen.

Zoals ook al in de begroting 2002 gemeld, kunnen niet alle beleidsdoelstellingen integraal volgens de VBTB-theorie worden uitgewerkt. Zo is de invloed van beleidsinstrumenten in termen van maatschappelijk effect in een aantal gevallen niet exact of soms moeilijk meetbaar. Ook komt het voor dat de maatschappelijke effecten van beleidsmaatregelen pas jaren na de implementatie van het beleid hun beslag krijgen. Een door EZ geïnitieerde internationale studie naar effectmeting op het gebied van het innovatiebeleid heeft een aantal van deze beperkingen ten aanzien van effectmeting duidelijk gemaakt. In de praktijk blijkt het vaak ook moeilijk om specifieke interventietaken geheel in VBTB-termen te gieten. Dit is bijvoorbeeld merkbaar bij de doelstelling gericht op de vervolmaking van de Europese interne markt (beleidsartikel 5). De eigen sturing op de mate van doelbereik is op dit gebied zeer beperkt.

Enkele verbeterpunten zijn zo algemeen dat deze niet in de individuele groeiparagrafen zijn vermeld. Deze worden hieronder weergegeven.

• Een zeer belangrijk element in het ontwikkelingstraject van VBTB, is de integratie van het VBTB-gedachtegoed in de bedrijfsvoering van het ministerie. Het mag immers niet zo zijn dat de WWW-vragen alleen in de begrotingsstukken beantwoord worden. Deze essentiële vragen moeten ook in de interne processen een duidelijke plaats krijgen. Hieraan wordt aandacht besteed in het kader van de werkplancyclus van EZ, waarin de relatie tussen de VBTB-begroting en de interne werkplannen, op concern- en onderdeelsniveau, een belangrijk item is.

• Voor de formulering van doelstellingen, de ontwikkeling van prestatie-indicatoren en effectmeting geldt dat EZ voortdurend alert blijft op verbeterpunten. Aanpassingen op deze terreinen kunnen bijvoorbeeld voortkomen uit nieuwe beleidsnota's, gedachtewisselingen met de Kamer of uit discussies in het kader van de interne werkplancyclus. Daar waar op dit moment concrete ontwikkelingen worden voorzien, is dit in de individuele groeiparagrafen vermeld.

5. Evaluatiebeleid

De Ministeriële Regeling Prestatiegegevens en Evaluatieonderzoek Rijksoverheid (RPER) van het Ministerie van Financiën stelt een aantal eisen aan de inrichting van systemen van prestatiegegevens en evaluatieonderzoek. Binnen EZ is deze regeling succesvol geïmplementeerd, waarbij het evaluatiebeleid van EZ is vernieuwd in lijn met de RPER. In hoofdlijn bevat het EZ-evaluatiebeleid de volgende elementen:

• Er is een procedure opgesteld voor de programmering, het beheer en de melding van resultaten van evaluatieonderzoeken.

• Aanvullend op de huidige evaluatie van individuele beleidsinstrumenten zullen de operationele beleidsdoelen periodiek worden geëvalueerd. Bezien zal worden in hoeverre aanvullende evaluaties van algemene doelen noodzakelijk zijn. Hiermee zijn de beleidsdoelen en instrumenten uit de begroting van EZ, conform de RPER, afgedekt met evaluatie-instrumenten.

• Er is een procedure opgesteld voor de afweging ten aanzien van ex-ante evaluatieonderzoek bij nieuw beleid of wijziging van bestaande beleidsdoelen en/of beleidsinstrumenten.

• Ter waarborging van de kwaliteit van evaluatieonderzoek is een aantal checks and balances vastgesteld, zoals het hanteren van het instrument van de begeleidingscommissie en een jaarlijkse audit door de Auditdienst van (onderdelen van) de evaluatiefunctie.

• Alle opzetten van evaluatieonderzoek worden getoetst aan de criteria van de RPER.

• Er is een procedure opgesteld waarmee de betrouwbaarheid, validiteit en bruikbaarheid van alle in de begroting opgenomen prestatiegegevens wordt geoptimaliseerd. Deze optimalisering is reeds in gang gezet in de vorm van een audit van de Auditdienst. EZ werkt momenteel aan de verbeterpunten zodat de beleidsinformatie in het jaarverslag over 2002 voldoet aan de gestelde eisen. Tevens zijn spelregels opgesteld voor zowel het beheer en actualiseren van de huidige prestatiegegevens als het ontwikkelen van nieuwe prestatiegegevens.

• De implementatie en werking van de RPER binnen EZ zal in 2004 worden geëvalueerd.

Bij de beleidsartikelen is de programmering van de evaluaties van de operationele doelen opgenomen in een aparte evaluatieparagraaf. De integrale evaluatieplanning van EZ (inclusief de evaluaties van individuele instrumenten) is opgenomen in het rijksbrede evaluatieoverzicht van het Ministerie van Financiën. Resultaten van afgeronde evaluatieonderzoeken zijn vermeld bij de relevante beleidsartikelen.

6. Toerekening van apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen

De personele uitgaven van het kernministerie EZ die direct verband houden met beleidsuitgaven worden verbijzonderd naar de betreffende artikelen. De personele uitgaven voor de Directoraten-Generaal die onder het kernministerie vallen, zijn geraamd bij de beleidsartikelen 1 tot en met 7, alsmede bij beleidsartikel 10. De personele uitgaven zijn geraamd op basis van de formatieve sterkte en de gemiddelde loonsom. Als verdeelsleutel is het aantal fte's per beleidsartikel gehanteerd.

De in dit opzicht als indirect te beschouwen personele uitgaven van het kernministerie (algemene leiding, stafdirecties) worden geraamd op artikel 21 Algemeen. De materiële uitgaven van het kernministerie en de overige apparaatsuitgaven van het ministerie worden eveneens geraamd op artikel 21 Algemeen. Er heeft geen toerekening van deze uitgaven aan de beleidsartikelen plaatsgevonden.

Voor de diensten van EZ (NMa/DTe, SodM, CPB, CBS) geldt dat de integrale apparaatsuitgaven geraamd zijn op de betreffende beleidsartikelen (respectievelijk de artikelen 1, 7, 8 en 9).

Voor de baten-lastendiensten (Senter, EVD, Bureau I.E. en Telecom) geldt een ander regime. De vergoedingen van EZ aan deze baten-lastendiensten worden geraamd op de beleidsmatig daarvoor in aanmerking komende artikelen. De paragrafen inzake de baten-lastendiensten geven inzicht in de apparaatsuitgaven van Senter, EVD, Bureau I.E. en Telecom.

7. Afwijkingen van de rijksbegrotingsvoorschriften

In afwijking van de voorschriften specificeert EZ bij de beleidsartikelen de verplichtingenramingen in plaats van de uitgavenramingen, omdat de verplichtingenramingen op het niveau van de artikelen het meeste inzicht geven in het actuele beleid. Beleidsbeslissingen, zoals het introduceren of het beëindigen van subsidieregelingen zijn in de verplichtingenramingen immers direct traceerbaar. Vanwege de doorlooptijden en betalingsschema's van subsidies, bieden de uitgavenramingen in dat opzicht minder informatie. Overigens bevat de verdiepingsbijlage wel een specificatie van de uitgavenramingen naar operationeel doel niveau.

Daarnaast zijn de bedragen in de budgettaire paragraaf van de beleidsartikelen uit oogpunt van presentatie uitgedrukt in miljoenen, in plaats van in duizenden.

2. HET BELEID

2.1 DE BELEIDSAGENDA

2.1.1 Inleiding

Duurzame economische groei is nodig om de welvaart en het welzijn in Nederland te vergroten. De overheid moet zorgen voor goed functionerende markten in binnen- en buitenland en duidelijke spelregels die het vertrouwen in de economie versterken. Ook moet de overheid zorgen voor goede publieke voorzieningen en borging van de belangen van de consument. Tegelijk moet voldoende ruimte worden geboden aan een ondernemend, dynamisch en innoverend Nederland. Hieraan werkt het Ministerie van Economische Zaken.

Het Strategisch Akkoord geeft de bewindslieden van EZ goede handvatten om deze missie doeltreffend te realiseren. De Minister van Economische Zaken wordt verantwoordelijk voor het beleid over telecommunicatie. Hiervoor is het directoraat-generaal Telecommunicatie en Post (DGTP), inclusief de Telecom-divisie van de inspectie Verkeer & Waterstaat, toegevoegd aan EZ. Tevens is overeengekomen dat het beleid ten aanzien van de kabelsector en de digitalisering van de ether dat nu wordt behartigd door Onderwijs, Cultuur & Wetenschappen eveneens naar EZ gaat. Door deze samenbundeling van beleid is EZ bij uitstek in staat invulling te geven aan haar coördinerende rol op het gebied van ICT en netwerksectoren. Daarnaast is de coördinatie van de besluitvorming in de Ministerraad over economische vraagstukken versterkt door alle besluiten op dit terrein in de Raad voor Economische Aangelegenheden (REA) te bespreken. Een andere gunstige ontwikkeling is dat in de Europese Unie een Raad voor de Concurrentiekracht en een Raad voor Vervoer, Energie en Telecom zijn opgericht.

Conjuncturele ontwikkelingen

Economisch gezien is Nederland in zwaar weer terechtgekomen. Na een aantal jaren van hoogconjunctuur is de economie zeer snel afgekoeld en is vanaf de zomer van 2001 de economische groei in Nederland haast tot stilstand gekomen. De export staat zwaar onder druk als gevolg van de internationale groeivertraging. Daarnaast verliest de Nederlandse export marktaandeel doordat onze concurrentiepositie in de afgelopen vijf jaar steeds verder is verslechterd. Ook laten dit jaar de bedrijfsinvesteringen, van belang voor toekomstige groei, een absolute daling zien, terwijl ook in 2003 geen groei van de investeringen wordt verwacht.

In 2001 en 2002 zal de economische groei naar verwachting uitkomen op respectievelijk 1,3% en 0,5%. Voor volgend jaar wordt slechts een bescheiden herstel verwacht tot 1,5% groei. Daarmee blijft Nederland beduidend achter bij de rest van Europa: ons groeicijfer voor komend jaar ligt een procentpunt lager dan het Europese gemiddelde. In de periode 2001–2003 komt daarmee de groei in Nederland gemiddeld slechts net boven de 1% uit. Een dergelijk laag cijfer is in Nederland sinds het begin van de jaren tachtig niet meer voorgekomen.

Een belangrijk element is het gedaalde vertrouwen van consumenten en producenten in de economie. De sterk schommelende aandelenkoersen, gecombineerd met de boekhoudschandalen bij enkele grote Amerikaanse ondernemingen, stellen dit vertrouwen zwaar op de proef. Er ligt nu een belangrijke taak voor zowel het bedrijfsleven als de overheid om het vertrouwen in het groeivermogen van onze economie te herstellen.

De economische vooruitzichten zijn ook slechter dan ten tijde van het afsluiten van het Strategisch Akkoord. Dit heeft er niet alleen toe geleid dat de budgettaire situatie er slechter voorstaat dan gedacht, maar ook dat de economische situatie nog zorgelijker is dan voorzien. In het bijzonder zorgelijk is het feit dat de loonkosten- en contractloonontwikkeling nauwelijks lijken te reageren op de recente vertraging van de economische groei. De concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven, die toch al onder druk stond, zal daarmee verder verslechteren. Deze groeivertraging mist haar uitwerking niet op de arbeidsmarkt. Naar verwachting zal de werkloosheid in 2002 en 2003 oplopen met in totaal 145 duizend personen tot 5% van de beroepsbevolking.

Het kabinet acht het van het grootste belang dat de sociale partners een knik in de loonontwikkeling bewerkstellingen en zal een overleg opstarten om te proberen de partners daarvan te overtuigen. Een dergelijk overleg mondt bij voorkeur uit in een Centraal Akkoord dat leidt tot een matiging van de contractlonen. Om deze ontwikkeling te ondersteunen stelt het kabinet een bedrag van € 500 mln lastenverlichting in het vooruitzicht, op voorwaarde van een succesvolle uitkomst van overleg met de partners. Een deel daarvan zal aangewend worden om de loonkosten direct te verlagen door het verlagen van de lasten voor werkgevers. De rest is gericht op het verlagen van de werknemerslasten.

Structurele ontwikkelingen

Kijkend «door de conjunctuur heen», dan staat Nederland voor de opgave om het economische fundament in de komende jaren te verstevigen. De vergrijzing van de Nederlandse bevolking zorgt ervoor dat economische groei steeds minder kan «leunen» op de groei van het arbeidsaanbod. De groei van de Nederlandse economie zal daarom veel meer dan tot nu toe moeten komen van de groei van de arbeidsproductiviteit1 en een cultuur waarbinnen innoveren gedijt. Dit sluit naadloos aan bij de ambities van de Europese Unie om in 2010 de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie ter wereld te worden. Dit betekent tegelijkertijd ook dat de andere lidstaten niet stilzitten en Nederland de handen uit de mouwen moet steken om goede economische prestaties te leveren in de Europese voorhoede.

Hogere groei van de arbeidsproductiviteit vraagt om een ambitieuze beleidsagenda die een breed scala aan beleidsterreinen omvat. Dit is ook een centraal punt in het kabinetsbeleid2 Deze«productiviteitsagenda» moet passen binnen de internationale context waarin de Nederlandse economie zich bevindt. Nederland is géén eiland. Onze welvaart is afhankelijk van de wereldeconomie als geheel en die van de Europese Unie in het bijzonder. Om daarbinnen te excelleren is een concurrerend vestigingsklimaat en een sterke economische structuur van groot belang. Dit is nodig om een kenniseconomie te creëren en om qua welvaart en dynamiek tot de top van de wereld te behoren. Nederland heeft daarin nog een belangrijke weg te gaan. Ter vergelijking: het inkomen per hoofd van de bevolking ligt in de VS bijna 30% hoger dan in ons land.

Om het economisch fundament van de Nederlandse economie te verstevigen en om een van de meest concurrerende en dynamische kenniseconomieën in de wereld te worden, moet ingezet worden op de volgende zes thema's, die tezamen de EZ productiviteitsagenda vormen en goed aansluiten bij de Globale Richtsnoeren voor het economisch beleid van de Europese Unie:1

1. Ruimte voor de markt, eerlijke concurrentie

2. Ruimte om te ondernemen, minder regels

3. Excelleren in Innovatie

4. Excellente Informatie- en Communicatienetwerken en -Technologie

5. Hoogwaardig Human Capital

6. Inzet op Duurzaamheid

2.1.2 Ruimte voor de markt, eerlijke concurrentie

Prioriteiten:

1. Herstel van vertrouwen en scherp toezicht

2. Efficiëntere overheid en efficiëntere markten

3. Voltooien liberalisering energiemarkt

4. Vrije en eerlijke handel (WTO, Europa)

De markt is het speelveld van ondernemers en consumenten. Daar wordt waarde gecreëerd en worden nieuwe producten en diensten ontwikkeld en aangeboden. De overheid moet hiervoor de ruimte bieden. Tegelijkertijd moet de overheid zorgen voor eerlijke spelregels en voor versterking van de positie van consumenten. Zowel in eigen land als internationaal.

Herstel van vertrouwen

De publiciteit rond de Amerikaanse boekhoudschandalen heeft duidelijk laten zien wat de gevolgen kunnen zijn van een tanend vertrouwen in het toezicht op de financiële markten. Gelet op deze ervaringen in de Verenigde Staten zet de overheid zich in om het vertrouwen te herstellen door het toezicht op de onafhankelijkheid en deskundigheid van accountants en de financiële verslaglegging te versterken. Daartoe worden in 2003 en 2004 de volgende acties genomen:

• Beroepsregelgeving voor certificeringbevoegde accountants krijgt een wettelijke basis;

• Introductie van extern, onafhankelijk toezicht op de onafhankelijkheid en deskundigheid van certificeringbevoegde accountants door een zelfstandig bestuursorgaan;

• Introductie van extern, onafhankelijk toezicht op de externe financiële verslaglegging van beursgenoteerde ondernemingen door de Autoriteit Financiële Markten;

• Versterking van de corporate governance structuur van ondernemingen door betere verantwoording door de raden van commissarissen en versterking van de positie van aandeelhouders (o.m. inzake vormgeving en gebruik van optieregelingen).

Het kabinet komt binnenkort met een notitie waarin de kabinetsplannen over het externe toezicht op accountants, de onafhankelijkheid van accountants en de wettelijke bescherming van de accountantstitel worden geconcretiseerd. Bij de voorbereiding van de nieuwe accountantswet zal daarnaast de mogelijkheid van het juridisch en administratief scheiden van controle en advieswerk binnen accountantskantoren bezien worden. Er zal zo spoedig mogelijk een wetsvoorstel aan de Tweede Kamer worden voorgelegd.

Strenge, consistente spelregels en scherper toezicht

Een goede werking van de markt vraagt om duidelijke regels die strak gehandhaafd worden. De Mededingingswet zal komend jaar worden versterkt. Daarvoor dienen de mededingingsregels helder en transparant te zijn en moet de NMa beter toegerust zijn om ontduiking van de regels op te kunnen sporen en te bestraffen. De omvorming van de NMa tot een zelfstandig bestuursorgaan is een belangrijke voorwaarde voor onafhankelijkheid van de Autoriteit. Ook moet het toezicht op het naleven van de spelregels consistent en samenhangend zijn. Daarvoor wordt de OPTA samengevoegd met de NMa en wordt binnen de NMa een vervoerskamer opgericht. Verder is EZ met VWS in gesprek over de vormgeving van het mededingingstoezicht in de zorgsector. Vervolgens is de consistentie met het Europese handhavingsysteem van belang. Daarom wordt gekeken naar het Europese voornemen het notificatiesysteem voor bedrijven, die een ontheffing van het kartelverbod wensen, te laten vervallen. Dit zou betekenen dat in de toekomst de bedrijven zelf moeten beoordelen of hun afspraken verenigbaar zijn met het mededingingsrecht. De NMa en de Europese Commissie toetsen in dit systeem achteraf.

De spelregels moeten ook consistent zijn. Markten integreren steeds meer onderling. Diensten en producten op het gebied van bijvoorbeeld telecommunicatie en kabel zijn nauw met elkaar verbonden. Dit vraagt om samenhang en consistentie in beleid. De afgelopen jaren is veel kennis opgedaan over de ordening van verschillende sectoren. Deze kennis is te versplinterd terwijl er veel overeenkomsten zijn in de problematiek. Voor betere kennisuitwisseling wordt in 2002 een Kenniscentrum Ordeningsvraagstukken gestart. In eerste instantie richt het zich op ordeningsvraagstukken in netwerksectoren, zoals gas en elektriciteit, en de belangen van consumenten. In een later stadium zal dit kenniscentrum worden uitgebreid met expertise over de ordening van vrije beroepen, de transitiefase bij liberaliseringprojecten en de toepassing van verschillende instrumenten zoals veilen, persoonsgebonden budgetten en concessies.

Overheidssector en markt efficiënter maken

Het kabinet wil zowel de overheidssector, als de markt efficiënter en effectiever laten werken. In de overheidssector verkleint het kabinet het ambtelijk apparaat, bij de ministeries en de uitvoeringsorganisaties. Bij EZ bedraagt de volumekorting 7% (exclusief NMa/Dte, CBS en CPB) en de efficiency korting 4%, oplopend tot € 18,6 mln in 2006. Daarnaast vermindert EZ de inhuur van externen met ca. € 5,2 mln. Ook wordt het CBS verzelfstandigd en krijgt het voor alle ministeries een «Centrum voor beleidsstatistieken» dat rapporteert over beleidsresultaten. De volumetaakstelling wordt gedeeltelijk ingevuld door in de uitvoeringskosten te snijden in verband met de bezuiniging op de EZ-subsidies. Daarnaast wordt de EZ-organisatie efficiënter, onder andere door het invoeren van «shared services».

Om markten efficiënter en effectiever te laten werken heeft EZ als doelstelling om te zorgen voor èchte concurrentie en voor meer ruimte voor ondernemers en consumenten, vooral op die terreinen waar het nog niet vanzelfsprekend is dat «de klant koning is». De overheid moet daarbij op een moderne wijze de consument in staat stellen om zijn eigen belangen te bewaken en het herstel van vertrouwen in het economische systeem bevorderen. Dus toezien op veiligheid, kwaliteit, continuïteit en voldoende betrouwbare informatie. Hierdoor zullen Nederlanders meer profiteren van een optimale werking van de markten. Om deze doelstelling te bereiken gaat EZ onderstaande acties uitvoeren.

Markten laten werken en consumenten meer laten profiteren

Burgers en bedrijven verwachten van de overheid dat zij maatschappelijke problemen daadkrachtig aanpakt, duidelijke doelen formuleert en zichtbare resultaten boekt. Zij vinden het belangrijk dat de overheid keuzevrijheid biedt en ruimte en voorwaarden schept voor ondernemingen en het zelfoplossend vermogen van de samenleving. Dat betekent dat de overheid regelzucht en bureaucratie moet laten afnemen. Tegelijkertijd moet de overheid de doeltreffendheid en de efficiency van haar handelen laten toenemen. Daarbij dient de focus gericht te zijn op de overheidstaken die voor burgers en bedrijven het belangrijkst zijn: het gaat om het verbeteren van de prestaties van de overheid als wetgever en handhaver, als marktmeester, als bestuurder en als dienstverlener. Met deze omslag gaat dit kabinet voortvarend aan de slag door een operatie «Beter Bestuur voor Burger en Bedrijf, naar een nieuwe balans tussen overheid en samenleving» te starten.

De operatie heeft drie speerpunten:

1. Terugdringen van bureaucratie en regelzucht, door:

• uitvoeren van de taakstelling voor verlaging van administratieve lasten;

• uitvoeren van de volumetaakstelling;

• het versterken van het algemeen normatieve en stabiliserende karakter van de wet door minder en minder gedetailleerde regels;

• stroomlijnen en vereenvoudigen van regelgeving;

• verbeteren van uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van regels.

2. Verbeteren van de kwaliteit van het overheidsfunctioneren en de publieke dienstverlening, door:

• verbeteren van de kwaliteit van uitvoering;

• vergroten van de afrekenbaarheid en transparantie;

• moderniseren van het personeelsbeleid;

• toetsen van overheidstaken op de mogelijkheid om deze aan de samenleving over te laten;

• elektronische dienstverlening (o.a. invoering één-loket).

3. Vergroten van de keuzevrijheid van burgers en ondernemers, door:

• invoeren van vraaggestuurde systemen;

• verruimen van toetredingsmogelijkheden tot markten;

• vergroten van markttransparantie;

• verruimen van de mogelijkheden voor maatwerk op de arbeidsmarkt;

• verbeteren van het ondernemings- en innovatieklimaat.

«Beter Bestuur voor Burger en Bedrijf» is een operatie van het gehele kabinet. De Ministers van EZ, BZK en Justitie faciliteren en coördineren de operatie. De acties in het programma zullen worden afgeleid van de daadwerkelijk door burgers en bedrijven ondervonden problemen met bestuur, regelgeving en markten. De te nemen maatregelen zullen voor deze problemen een oplossing moeten bieden. De aandacht gaat daarbij niet alleen uit naar het doorlichten van regelgeving, maar nadrukkelijk ook naar de verbetering van de kwaliteit van de uitvoering van beleid.

Voor een goede werking van de markt is het niet voldoende dat ondernemers ruimte krijgen om met elkaar te concurreren. De consument moet daarvan ook kunnen profiteren. Hij moet dus aanbieders kunnen vergelijken en makkelijk kunnen overstappen. Eind 2002 wordt een internetportaal geopend, dat informatie geeft over de rechten en plichten van consumenten en de mogelijkheden tot geschillenbeslechting en dat ook toegang biedt tot organisaties die de consument verder kunnen adviseren. Om te achterhalen op welke markten consumenten meer dan nu zouden kunnen profiteren van een goede werking van de markt, worden«Consumentenmarkttoetsen» uitgevoerd. Momenteel gebeurt dat voor de markten voor grote huishoudelijke apparaten, bioscopen, diensten van verpleeghuizen en de markt voor bemiddeling in financiële diensten. De Tweede Kamer zal eind 2002 over de uitkomsten worden geïnformeerd. Daarnaast zal EZ ter versterking van de positie van consumenten een kwaliteitsmonitor voor telecommunicatie invoeren. In 2002 wordt het tariefbeheersingssysteem voor de postdiensten geëvalueerd. Mede op basis van de resultaten hiervan en na consultatie van de NMa en de OPTA zullen voorstellen worden gedaan voor het tariefbeheersingssysteem voor de jaren vanaf 2003. Tevens zal worden bestudeerd hoe het traject voor de verdere liberalisering van de postmarkt in Nederland eruit moet zien, nu in het VK en Duitsland in 2007 de postmarkt volledig geliberaliseerd gaat worden.

Telecommunicatie

Voor telecommunicatie zijn nieuwe Europese richtlijnen gepubliceerd ten aanzien van Open Network Provision (ONP). Deze richtlijnen beogen het waarborgen van de (universele) dienstverlening, een goede prijs-kwaliteitverhouding en open toegang tot netwerken. Daarnaast worden de privacy geregeld en transparantie in de tarieven vergroot. De richtlijnen moeten voor juli 2003 worden geïmplementeerd. Daarnaast wordt op het gebied van de kabel komend jaar het Kabelwetsvoorstel afgerond en geïmplementeerd1. Dit wetsvoorstel bespoedigt het opleggen van eventuele toegangsverplichtingen tot de kabel, zodat de OPTA marktanalyses kan maken. Zodra de nieuwe ONP kaders ingevoerd zijn, kunnen op basis van deze marktanalyses maatregelen aan de sector worden opgelegd.

Een andere belangrijke operatie is de efficiëntere verdeling van de analoge en digitale radiofrequenties. Op korte termijn vindt een herverdeling plaats van de analoge radio (Zero Base) en op een later, nader te bepalen moment, zullen de frequenties voor digitale radio (T-DAB) worden verdeeld en vindt de verdere uitrol van digitale ethertelevisie (DVB-T) plaats. Het bereik voor commerciële omroepen neemt hierdoor aanzienlijk toe en nieuwe commerciële omroepen krijgen een kans de krappe markt te betreden. Doel is enerzijds een betere marktwerking tussen de verschillende infrastructuuraanbieders te bewerkstelligen. Anderzijds wordt de keuzevrijheid van de consument, door een uitgebreider en diverser commerceel aanbod, vergroot. Het Kabinet heeft in het Strategisch Akkoord opgenomen, dat de herverdeling van de analoge commerciële radio zal plaatsvinden middels een vergelijkende toets. Op 24 juli 2002 is door de Voorzieningenrechter in Rotterdam echter bepaald dat de overheid alle analoge commerciële radiofrequenties moet verdelen middels een veiling, zodat de commerciële zenders hun plek in de ether uiterlijk 1 februari 2003 kunnen innemen. Het Kabinet zal nu, op basis van het spoedadvies van de Raad van State, de Voorzieningenrechter op korte termijn vragen de bepalingen uit het Strategisch Akkoord, op basis van het te wijzigen frequentiebesluit, over te nemen. Indien de rechter dit verzoek inwilligt, zal een verdeling plaatsvinden middels vergelijkende toets en zullen de commerciële zenders hun plek in de ether uiterlijk 1 september 2003 kunnen innemen. Wijst de rechter het verzoek af, dan zal het Kabinet zo snel als mogelijk is, overgaan tot het zo goed mogelijk uitvoeren van de uitspraak van 24 juli jl. Hangende het verzoek tot opheffing en de uitspraak van de rechter in deze, is het nog onduidelijk welk verdeelinstrument uiteindelijk zal worden toegepast.

Energie

In de afgelopen jaren is in de energiesector de liberalisering ingezet. Inmiddels zijn zowel de grootgebruikers als de middelgrote bedrijven vrij om hun eigen leverancier te kiezen voor zowel gas als elektriciteit. Daarnaast is de markt voor groene elektriciteit vrijgegeven, zodat alle consumenten nu zelf kunnen kiezen tussen aanbieders van duurzame elektriciteit. Medio 2002 hebben één miljoen huishoudens gekozen voor groene elektriciteit.

Het is in het belang van de consument om op verantwoorde wijze door te gaan met de liberalisering van de energiemarkt. Energiebedrijven zullen consumenten dan beter gaan bedienen. Per 1 oktober 2003 wordt de energiemarkt volledig geliberaliseerd. Dit betekent dat iedere Nederlander dan vrij is om zijn eigen leverancier te kiezen. De overheid zal daaraan strikte eisen stellen en de belangen van de consument, zoals continuïteit, veiligheid en kwaliteit scherp in het oog houden. De voorbereidingen voor een uitgebreide voorlichtingscampagne zijn inmiddels gestart. Hierbij worden de ervaringen die zijn opgedaan met de opening van de groene markt meegenomen. In de Europese markt moeten ook energiebedrijven de mogelijkheid hebben zich te versterken om de concurrentieslag aan te gaan. Publieke belangen als duurzaamheid, betrouwbaarheid en betaalbaarheid moeten tegelijkertijd wel worden gewaarborgd. De Minister van Economische Zaken maakt in september 2002 zijn visie op privatisering (vervreemding van de aandelen) van energiedistributiebedrijven in een brief aan het parlement bekend.

Het EU-level playing field wordt versterkt door aanname van zowel de concept verordening grensoverschrijdend transport van elektriciteit als de wijzigingsvoorstellen van de richtlijnen gas en elektriciteit: het vaststellen van de ingangsdatum van de totale marktopening, vergroting van transparantie en verdergaande «unbundling». EZ streeft naar een gemeenschappelijk standpunt in 2002 en definitieve aanname van dit pakket in 2003. Over de herstructurering van het «gasgebouw», de publiek-private samenwerking voor winning en afzet van aardgas zal naar verwachting voor het eind van 2002 met betrokken partijen overeenstemming worden bereikt. Dit wordt vervolgens in 2003 geïmplementeerd.

Zeer belangrijk bij de liberalisering van de energiemarkt is dat de voorzieningzekerheid ook op lange termijn gegarandeerd is. EZ start hiervoor een marktmonitoringssysteem waarmee inzicht wordt verschaft in de ontwikkelingen van de energiemarkt. Dit systeem zal medio 2003 operationeel zijn. Daarnaast wordt bekeken of aanvullend beleid nodig is om het aanbod van elektriciteit en de capaciteit en de kwaliteit van de netten te waarborgen. Ook worden de kosten en baten van voorzieningszekerheid in beeld gebracht zodat duidelijk wordt welke gevolgen de voorzieningszekerheid heeft voor zowel de Nederlandse energieproductie als voor de natuur, het milieu en de ruimtelijke ordening. De Tweede Kamer zal begin 2003 geïnformeerd worden over verdere concrete actiepunten op dit terrein.

Internationaal

Vrije handel is goed voor de welvaart. Dit betekent dat landen hun grenzen moeten openen en dat ook op de internationale markten sprake moet zijn van eerlijke concurrentie. Belangrijk daarvoor is dat de onderhandelingen in het kader van de Wereld Handelsorganisatie (WTO) vóór 2005 succesvol worden afgerond. Hoog op de agenda bij deze onderhandelingen staan de verdere liberalisering van met name de dienstensector en de agrarische sector, versterking van de WTO als spil van het wereldhandelsstelsel en integratie en toegang van ontwikkelingslanden in dit stelsel. In aanvulling op dit streven naar vrijhandel probeert EZ een level playing field te creëren door Nederlandse exportbedrijven, die worden geconfronteerd met overheidsgesteunde concurrentie, in bepaalde gevallen te ondersteunen. Concurrentievervalsing wordt internationaal aangekaart en EZ biedt op reguliere basis financiële ondersteuning die internationaal is toegestaan en ook door andere landen wordt aangeboden. Mede daarom zal EZ voor het matchingsfonds geen budget meer ter beschikking stellen. Daarnaast streeft EZ ernaar om buitenlandse bedrijven die zich in Nederland willen vestigen een zo gelijk mogelijk aantrekkelijk vestigingsklimaat te bieden als elders in Europa. Eind 2002 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de resultaten van een studie naar de mogelijke effecten van de Ronde op de Nederlandse economie. In 2003 zal de staatssecretaris van EZ, samen met zijn collega van Ontwikkelingssamenwerking, een bezoek brengen aan bijvoorbeeld Afrika in het kader van ondernemen tegen armoede.

Een ander zeer belangrijk internationaal onderwerp is de aanstaande uitbreiding van de EU. Deze moet heel zorgvuldig en onder strenge randvoorwaarden gebeuren. Zo dienen de nieuwe lidstaten te beschikken over een functionerende markteconomie en moeten zij de concurrentiedruk binnen de Unie kunnen weerstaan. In het licht van de aanstaande uitbreiding moet ook de hervorming van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) worden bezien. Tijdens de Europese Raad van Kopenhagen streeft Nederland naar besluiten over de noodzakelijke verdere hervorming hiervan. Het gaat daarbij om de financiële houdbaarheid van het GLB, de belangen van ontwikkelingslanden, markordeningaspecten, voedselveiligheid en dierenwelzijn. Zo meent Nederland dat in het kader van het GLB geen uitbreiding van inkomenssteun naar nieuwe lidstaten dient plaats te vinden. Indien dit onontkoombaar zou zijn, versterkt dit de noodzaak van versnelde uitfasering van die steun in de oude lidstaten, waarover besloten zou moeten zijn voordat de toetreding van nieuwe lidstaten een feit is.

Binnen de Europese Unie is het belangrijk dat de interne markt goed functioneert. De ontwikkeling van de interne markt verloopt te traag.1 Voortvarende liberalisering van de Europese goederen- en dienstenmarkten en de Europese kapitaal- en arbeidsmarkt is broodnodig. Concreet kan men hierbij bijvoorbeeld denken aan erkenning van diploma's in alle lidstaten, of dat mensen net zo gemakkelijk een bankrekening kunnen openen in het buitenland als in Nederland. EZ zet zich in, onder meer in de nieuwe Raad voor het Concurrentievermogen en bij de voorbereidingen van het Nederlandse EU-voorzitterschap in 2004, om de werking van de interne markt en de daadkracht in de EU te versterken. Een mogelijkheid zou kunnen zijn om over meer (technische) onderwerpen bij gekwalificeerde meerderheid te besluiten Daarmee blijft de Unie bestuurbaar en wordt bijvoorbeeld voorkomen dat lidstaten eenzijdig besluiten kunnen tegenhouden.

2.1.3 Ruimte om te ondernemen, minder regels

Prioriteiten:

1. onnodige regels afschaffen

2. Ruim baan voor starters

3. Meer fysieke ruimte om te ondernemen

Minder bureaucratie

Aan bedrijven moet voldoende ruimte worden geboden om te kunnen ondernemen. Onnodige regelzucht vormt daarvoor een hindernis. Zowel wat betreft het aantal regels, als het woud aan subsidies. Het kabinet gaat daarom onnodige regelgeving afschaffen en snijden in het aantal subsidies.

In het Strategisch Akkoord is een taakstelling opgenomen om € 200 mln te bezuinigen op EZ-subsidies. Deze taakstelling is relatief fors. Het betekent een bezuiniging van bijna 20% van de totale subsidies die EZ verstrekt. Dit wordt om te beginnen ingevuld door subsidies effectiever in te zetten,1 door verschillende kleine subsidieregelingen samen te voegen en te kiezen voor regelingen met de hoogste effectiviteit. Voor 2003 wordt de taakstelling met name gevonden in een aanscherping van de WBSO regeling, het afschaffen van de energie-investeringen in de non profit sector (de zgn. EINP regeling, inclusief de specifieke regeling voor wind), een verlaging van de programma's duurzame energie, een verlaging van het Besluit Subsidies Exportfinanciering (BSE zware matching), een verlaging van het suppletie instrument infra- en kennisbasis, en een 4% efficiencykorting op alle instituten die een EZ-bijdrage ontvangen. De Kamer zal bij Nota van Wijziging nader worden geïnformeerd over de definitieve meerjarige invulling van de taakstellingen.

Regelzucht en bureaucratie moeten over de volle breedte van het beleid worden teruggedrongen. De Minister van EZ coördineert dit proces. Het bedrijfsleven wordt hierbij nauw betrokken. Zo spoedig mogelijk zal EZ aan de Tweede Kamer een Plan van Aanpak aanbieden gericht op een reductie van 25% van de administratieve lasten in 2006 ten opzichte van 1994. In dit plan van aanpak worden de benodigde middelen en bevoegdheden beschreven die de Minister van EZ krijgt en worden per departement gekwantificeerde doelstellingen geformuleerd en specifieke acties aangekondigd. Iedere minister wordt zelf verantwoordelijk voor het realiseren van de reductiedoelstelling op zijn of haar terrein en waar medewerking van andere ministers nodig is, zal deze worden verleend. Over de voortgang rapporteren de ministers jaarlijks in hun begrotingen. EZ veroorzaakt zelf ca. € 100 mln aan administratieve lasten (aandeel CBS € 45 mln). In 2003 worden die met € 6,1 mln verlaagd door de implementatie van de nieuwe CBS-wet2 en door invoer van elektronische dienstverlening in de handelsregisterwet.

Een specifieke wijze om de regelzucht te verminderen is door moderne communicatietechnieken in te zetten. ICT biedt nog veel ongebruikte mogelijkheden om de informatie-uitwisseling tussen bedrijven en de overheid te vereenvoudigen. In samenwerking met het bedrijfsleven is het programma ICT en administratieve lasten ontwikkeld waarin onder meer een systeem wordt gebouwd waarmee bedrijven allerlei gegevens in één keer elektronisch kunnen aanleveren via één centrale ingang aan de overheid. De gegevens worden gebruikt voor de belastingen, sociale zekerheid en statistieken. De activiteiten die in het programma zijn voorzien worden uitgewerkt in concrete plannen van aanpak. De Tweede Kamer wordt hierover voor eind 2002 nader geïnformeerd.

Wegnemen onnodige belemmeringen voor starters en groeiers

Het starten en doorgroeien van een onderneming wordt momenteel onnodig moeilijk gemaakt door allerlei belemmeringen. Dit gaat ten koste van het productief vermogen van de economie. EZ werkt hier op verschillende manieren aan, voorbeelden:.

• De Faillissementswet wordt ingrijpend gemoderniseerd om tijdig ingrijpen bij falende ondernemingen te bevorderen. Dit vermindert de schade bij een faillissement en verbetert de kansen voor een sanering. Er wordt thans, mede door het CPB, onderzoek gedaan naar de economische en budgettaire effecten van de voorstellen van de MDW-werkgroep over het voorrecht van de fiscus en het UWV alsmede over het bijzondere verhaalsrecht van de fiscus. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek zal het kabinet dit jaar een besluit nemen over deze voorstellen;

• Door stimulering van ondernemerschap in het onderwijs proberen de cultuur, de ambitie en de vaardigheden om te ondernemen positief te beïnvloeden (wegnemen stigma op falen);

• Uiterlijk in 2004 is het Bedrijvenloket landelijk operationeel: één loket waar o.a. alle informatie en formulieren rondom het starten van ondernemingen worden verstrekt.

Voor de ontwikkeling van ondernemerschap in Nederland is een soepel functionerend ondernemingsrecht van belang. Andere Europese lidstaten hebben recent drempels uit hun ondernemingsrecht weggenomen. Mogelijke knelpunten bij het Nederlandse ondernemingsrecht kunnen liggen bij de oprichting van een BV, de omzetting van een eenmanszaak naar een BV en de verplichtingen van een BV met één directeur-grootaandeelhouder. Er komt een kabinetsstandpunt over mogelijke aanpassing van het ontslagrecht, mede naar aanleiding van de adviezen van de commissie Rood en de Stichting van de Arbeid.

Een Nederlandse ondernemer is vaak actief op buitenlandse markten. EZ probeert dit op verschillende manieren te faciliteren, bijvoorbeeld met handelsmissies en door knelpunten op het gebied van internationaal ondernemerschap weg te nemen. De effectiviteit van handelsmissies zal worden verbeterd. Een specifiek knelpunt vormt de versnippering van het exportbeleid van de Nederlandse overheid. Om een slagvaardig samenspel tussen exporteurs en overheid te krijgen, gaat het kabinet haar eigen diensten en instrumenten op dat terrein stroomlijnen. Ondernemers die ondersteuning van de overheid nodig hebben bij de export kunnen dan bij één loket terecht. Dit past in de eerder genoemde efficiëntieslag die EZ gaat maken.

Meer fysieke ruimte voor ondernemers

Voldoende ruimte om te kunnen ondernemen betekent ook letterlijk dat er meer fysieke ruimte voor bedrijvigheid moet komen van de juiste kwaliteit. Dit betekent dat bedrijventerreinen goed bereikbaar moet zijn, voldoen aan de eisen van ondernemers en deel uitmaken van een aantrekkelijk vestigingsmilieu.

Het vestigingsmilieu in steden en regio's moet aantrekkelijk zijn voor activiteiten die een hogere arbeidsproductiviteitsgroei stimuleren. EZ zal hierover een economische visie ontwikkelen, die kan worden gebruikt bijde uitwerking van ruimtelijke ontwikkelingsstrategieën, grootschalige investeringsprojecten en regionale ruimtelijk-economische ontwikkeling.

De beschikbaarheid van voldoende goede bedrijfslocaties van de juiste kwaliteit is essentieel voor een internationaal concurrerend vestigings- en ondernemingsklimaat in Nederland. Zeker een zesde deel van het huidige areaal voldoet niet meer aan de eigentijdse eisen. EZ gaat samen met andere partijen het herstructureringsproces versnellen door middel van financiële bijdragen, kennisopbouw en -uitwisseling, aanpak van belemmerende regelgeving en ondersteuning van samenwerkingsprocessen. In 2003 zal EZ kennis en ervaring met concrete herstructureringsprojecten ontwikkelen en verspreiden en belemmerende wet- en regelgeving op het gebied van vergunningen en bouwvoorschriften aanpakken.

Steden vormen een stuwende kracht achter de Nederlandse economie. Door de concentratie van veel mensen op een beperkt gebied zijn steden de broedplaats voor nieuwe ideeën en innovaties. Naast grote kansen hebben steden echter ook grote problemen in de sfeer van de leefbaarheid, integratie en veiligheid. Een belangrijke voorwaarde bij de aanpak van deze problemen is te zorgen voor voldoende werkgelegenheid en inkomensgroei. Een vitaal stedelijk vestigingsklimaat is daarvoor absoluut noodzakelijk.

De uitvoering door de grote steden van de plannen uit de huidige convenantperiode (2000–2004) zal nog een flinke inspanning vergen. EZ zal nadrukkelijk met de steden in gesprek treden over de door hen te leveren prestaties, de stand van zaken rond de uitvoering en mogelijkheden om knelpunten op te lossen. Daarnaast wordt de voorbereiding van de volgende convenantperiode gestart. EZ zal in de zomer van 2003 zowel een nieuw beleidskader presenteren als een indicatieve verdeling van de EZ-middelen over de steden. Steden kunnen daarmee aan de slag om nieuwe plannen te maken op basis waarvan in principe eind 2004 convenanten worden gesloten.

2.1.4 Excelleren in Innovatie

Prioriteiten:

1. Ontwikkelen strategische visie kenniseconomie

2. Vergroten wisselwerking publieke kennisinfrastructuur en bedrijfsleven

3. Stimuleren innovatief ondernemerschap

4. Efficiënter systeem van intellectueel eigendom

5. Snellere ontwikkeling doorbraaktechnologieën

Voor Nederland is het erg belangrijk dat ondernemers nieuwe producten, diensten en technologieën ontwikkelen en in de markt zetten. Dat is innoveren. Innovatie is de sleutel tot de kenniseconomie en een hogere arbeidsproductiviteit. Op dit gebied dreigt Nederland echter achterop te raken op het Europese gemiddelde en de aansluiting met de wereldtop te missen1. Hierdoor loopt onze ambitie gevaar om in 2010 tot de kopgroep van Europa te behoren. Innoveren is een zaak voor ondernemers. De overheid kan dit echter wel stimuleren, met name waar het gaat om het toepassen en verspreiden van kennis uit universiteiten, het beschermen van kennis met octrooien, het ondersteunen van doorbraaktechnologieën en het aantrekken van kennisintensieve bedrijven uit het buitenland. Daarnaast bevordert het kabinet een goede deelname van Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen aan Europese onderzoeks- en innovatieprojecten. Om een toekomstgerichte ontwikkeling van de kenniseconomie te ondersteunen1, neemt EZ komend jaar de volgende acties ter hand. Deze acties worden verder uitgewerkt in een Innovatienota, die voorjaar 2003 uitkomt.

Kennis ontwikkelen en toepassen

De kennis die op Nederlandse universiteiten en andere onderzoeksinstellingen wordt ontwikkeld is van hoge wetenschappelijke kwaliteit. Het maatschappelijke rendement in termen van toepasbaarheid is echter nog te laag. Om het maatschappelijke rendement te verhogen, zetten EZ en OCW samen in op een aantal acties. In de eerste geldstroom zal de kwaliteit van het onderzoek invloed krijgen op de verdeling van de middelen. Voor innovatierelevant onderzoek wordt de toepasbaarheid van het onderzoek onderdeel van de kwaliteitsbeoordeling. Ook worden universiteiten gestimuleerd een actiever octrooibeleid te voeren en zo hun onderzoeksresultaten beter te benutten. Daarnaast wordt publiek-private samenwerking in het onderzoek bevorderd, bijvoorbeeld via de Technologische Top Instituten (TTI's). Om de kennisinfrastructuur op een aantal strategische gebieden te versterken, heeft het vorige kabinet voor de periode tot 2010 een bedrag gereserveerd van € 805 miljoen (ICES/KIS 3). Het huidige kabinet zal op basis van de kwaliteit van de ingediende projectvoorstellen besluiten over het definitieve budget voor ICES/KIS 3 en de verdeling over de kennisthema's, de beleidszwaartepunten en de projectvoorstellen. In de ministeriële regeling is hierom een begrotingsvoorbehoud opgenomen voor zowel het totaal beschikbare budget voor ICES/KIS 3 als de verdeling van het definitieve budget over de periode 2003–2006 en 2007–2010. Speur en ontwikkelingswerk wordt gestimuleerd door de fiscale regeling WBSO. Uit de recente evaluatie van de WBSO is gebleken dat de regeling effectief is. Tegelijkertijd kan de regeling nog effectiever worden ingericht. Zo wordt de regeling op dit moment ook gebruikt voor activiteiten die feitelijk niet innovatief zijn. Op een totaal van € 337 mln wordt € 50 mln bezuinigd.

Stimuleren innovatief ondernemerschap

Een andere manier om de toepassing van nieuwe kennis te bevorderen, is door innovatief ondernemerschap te ondersteunen. Dit zijn technostarters en snelle groeiers die nieuwe kennis en technologieën snel toepassen en op de markt brengen. Om starters vanuit universiteiten en kennisinstellingen te stimuleren, wordt een tweede tender uitgeschreven van de technostartersregeling (b.v. incubators). Daarnaast zal komend jaar bekeken worden of de verschillende regelingen die momenteel bestaan om starters en doorgroeiers te ondersteunen goed inspelen op de verschillende knelpunten en hoe deze regelingen beter en efficiënter op elkaar kunnen aansluiten.

Effectiever systeem van intellectueel eigendom

Een goed systeem van octrooien (intellectueel eigendom) is cruciaal om de ontwikkeling én toepassing van kennis te stimuleren. Internationaal is sprake van een explosieve groei in aantallen octrooien, dit is een belangrijke impuls voor de ontwikkeling van de kenniseconomie. Het is essentieel dat Europa een octrooisysteem krijgt dat concurrerend is met dat in de VS en Japan. Op dit moment is het Europees octrooi vijf maal duurder dan een octrooi in de VS, hetgeen vooral voor het MKB een concurrentienadeel oplevert. Daarvoor is de invoering van het Gemeenschapsoctrooi van wezenlijk belang. De discussie hierover zit al jaren in het slop. Dit is een onderwerp waar de EU ten onrechte weinig daadkracht laat zien. In eigen land worden initiatieven genomen om het systeem van intellectueel eigendom te moderniseren. Belangrijke elementen daarbij zijn octrooiering van software en business methods, de economische betekenis van auteursrecht (met name voor de nieuwe media) en de knelpunten voor het MKB. Uitwerking hiervan zal onderdeel uitmaken van de Innovatienota.

Technologieën van de toekomst

Innovatiebeleid is in beginsel generiek, maar aan een aantal technologieën met een groot economisch en maatschappelijk potentieel is het belangrijk extra aandacht te besteden. In de eerste plaats gaat het om ICT (zie hierna), een andere belangrijke technologie is Life Sciences. Life Sciences zet innovaties op een breed front in gang, in de farmaceutische- en voedingsmiddelenindustrie, chemie en landbouw. EZ wil dat deze kennis omgezet wordt in economische bedrijvigheid en zal daarom de komende jaren werken aan goede randvoorwaarden voor Life Sciences bedrijven: een internationaal level playing field voor wet- en regelgeving, voldoende en goed geschoold arbeidspotentieel, stimuleren van starters en bevorderen van internationale samenwerking. In de toekomst kunnen andere thema's belangrijk worden. Vijf kennisthema's worden momenteel verkend, te weten: microsysteemtechnologie, scheidingstechnologie, nieuwe materialen, duurzame technologie en robotica. Onderzocht wordt in hoeverre deze gebieden kunnen worden versterkt via het wegnemen van knelpunten in randvoorwaarden als wet- en regelgeving, door het stimuleren van netwerkvorming en door gerichte inzet van bestaande instrumenten.

2.1.5 Excellente Informatie- en Communicatienetwerken enTechnologie

Prioriteiten:

1. Nederland in kopgroep op ICT-gebied en breedbandinfrastructuur

2. Veiligheid internet

ICT is een zeer bepalende factor voor het versterken van de concurrentiekracht en de kennispositie van Nederland en voor het verbeteren van de dienstverlening van de overheid aan burgers en bedrijven. Gelet op de grote invloed van ICT op de samenleving en het belang voor de economische ontwikkeling, is een geïntegreerde beleidsaanpak op dit terrein noodzakelijk. In het Strategisch Akkoord is besloten dat het directoraat-generaal Telecommunicatie en Post (DGTP), inclusief de Telecom-divisie van de inspectie V&W wordt toegevoegd aan het Ministerie van EZ. Tevens is overeengekomen dat het beleid ten aanzien van de kabelsector en de digitalisering van de ether dat nu wordt behartigd door OC&W eveneens naar EZ gaat. Door deze samenbundeling van beleid is EZ bij uitstek in staat invulling te geven aan haar coördinerende rol op het gebied van informatie- en communicatienetwerken entechnologie. EZ vervult deze coördinerende rol vanuit haar verantwoordelijkheid voor een excellente ICT-basis eninfrastructuur, ICT-voorzieningen en marktordening. Deze krachtenbundeling geeft mogelijkheden tot het versterken van daadkracht en samenhang in het beleid voor informatie en communicatienetwerken, een betere aansluiting van het beleid op behoefte van burgers en bedrijven en een betere interdepartementale regie.

Veiligheid en betrouwbaarheid

Naast belangrijke marktordeningvraagstukken op telecom-gebied die in paragraaf 1 zijn beschreven, coördineert EZ op technologiegebied zowel aan de gebruikerskant als aan de aanbodkant. Om het gebruik van ICT te stimuleren moeten burgers, bedrijven en overheden voldoende vertrouwen hebben in de ICT-netwerken en -voorzieningen. Gezien de toenemende maatschappelijke en economische afhankelijkheid van het internet is het van groot belang om de kwetsbaarheid ervan te verminderen en een samenhangend pakket van maatregelen ter bescherming van de vitale Nederlandse infrastructuur te ontwikkelen. Concreet betekent dit dat komend jaar invulling wordt gegeven aan de programma's «Nationaal Continuïteitsplan Telecommunicatie», «Kwetsbaarheid op Internet», het Actieplan Terrorismebestrijding en het «Computer Emergency Response Team».

Excellente informatie- en communicatienetwerken en -technologie

De overheid kan het gebruik van ICT ook stimuleren door daar zelf in voorop te lopen. In sectoren als zorg, cultuur, onderwijs, veiligheid en mobiliteit kunnen in grotere mate (mobiele) informatie en communicatiediensten en Telematica worden ingezet. Hiermee wordt tevens een bijdrage geleverd aan de eerder genoemde vermindering van de administratieve lasten. EZ ondersteunt daarbij concrete projecten. Daarnaast wordt de kennispositie van Nederland op het gebied van ICT versterkt door een impuls te geven aan het publiek-private ICT-onderzoek en aan baanbrekende ICT-toepassingen, alsmede door in de werving van buitenlandse investeringsprojecten extra aandacht te besteden aan kennisintensieve en innovatieve activiteiten van met name ICT-bedrijven.

Om te kunnen voldoen aan de groeiende vraag naar communicatiecapaciteit richt het ICT-beleid zich tevens op het stimuleren van de uitrol van breedbandnetwerken. Het Nederlandse beleid is er op gericht om op dit gebied in de kopgroep van Europa te zitten. EZ zal in nauw overleg met publieke en private partijen afspraken maken over het versnellen van de aanleg van een fijnmazig breedband netwerk, bijvoorbeeld door de juiste randvoorwaarden te creëren of door het opzetten van experimenten. Daarnaast worden gemeenten geholpen bij hun regierol bij het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor breedband en wordt voorkomen dat lokale regelgeving de uitrol belemmert. In haar reactie op het rapport van de Expertgroep Breedband zal het kabinet verdere acties uitwerken.

2.1.6 Hoogwaardig Human Capital

Prioriteiten:

1. Verbeteren en versterken hoger- en beroepsonderwijs

2. Vergroten scholingsinspanningen werknemers en werkgevers

3. Verminderen tekorten hoogopgeleid (technisch) personeel

4. Vergroten arbeidsparticipatie vrouwen (kinderdagopvang), allochtonen en ouderen

Een kenniseconomie vraagt om een goed opgeleide beroepsbevolking die zich voortdurend kan en wil bijscholen. De overheid dient de voorwaarden te creëren die ondernemende mensen in staat stellen om hun inspanningen en creativiteit zo goed mogelijk in te zetten. Dat vraagt om een onderwijsstelsel, dat jongeren aanspoort het beste uit zichzelf te halen en dat zoveel mogelijk ruimte biedt voor eigen keuzen.1 Flexibel en gevarieerd beroeps- en hoger onderwijs, waarin vooral de afnemers van onderwijs centraal staan. EZ participeert in voucher-experimenten in het onderwijs om vraagsturing van concept tot realiteit te maken en stimuleert instellingen zich responsief op te stellen.

Onderhoud van menselijk kapitaal is vervolgens de sleutel tot het verhogen van de arbeidsparticipatie en arbeidsproductiviteit. Kennis veroudert relatief snel, ouderen zullen langer actief moeten blijven op de arbeidsmarkt en collectieve arrangementen zullen steeds meer op het individu worden toegesneden. Werknemers moeten meer prikkels ervaren om in de eigen employability te investeren. Ook moeten zij voldoende variatie kunnen aanbrengen in de combinatie van werk en leren.

Ten slotte worden de kenniseconomie en het innovatievermogen bedreigd door een groeiend tekort aan geschoold technisch personeel. Vooral de vraag naar technici, bepaalde ICT-ers en R&D-personeel blijft groot. Samen met andere partijen werkt EZ aan het wegnemen van deze knelpunten door het verbeteren van in- en doorstroom in bèta/technische vakken, meer creatieve samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven en het vergemakkelijken van tijdelijke immigratie van schaars hoogopgeleid personeel. Begin 2003 zal de Tweede Kamer hierover verder geïnformeerd worden.

Naast de kwaliteit van het menselijk kapitaal, is ook de kwantiteit ervan belangrijk voor het groeivermogen van de Nederlandse economie. Om de arbeidsparticipatie te versterken zullen door het kabinet maatregelen worden getroffen om de armoedeval te beperken, arbeidsongeschiktheid te voorkomen en de combinatie van werk en zorg te faciliteren. EZ zet daarbij in op vergroting van de arbeidsparticipatie van vrouwen, allochtonen en ouderen. Meer vrouwen aan het werk krijgen wordt bereikt door de markt voor kinderopvang verder te ontwikkelen en belemmeringen bij het starten van ondernemingen in deze sector weg te nemen. Concreet kan men hierbij denken aan minder belemmeringen voor zelfstandige gastouders, verlaging van de regeldruk, minder gedetailleerde kwaliteitseisen, vraaggestuurde financiering en soepelere bestemmingsplannen van gemeenten rondom kinderdagverblijven. De arbeidsparticipatie van ouderen wordt vergroot door invoering van de sollicitatieplicht van werkloze ouderen en premiedifferentiatie in de WW en door de hervorming van de WAO.

2.1.7 Inzet op duurzaamheid

Prioriteiten:

1. Vergroten aandeel duurzame energie (met name wind en biomassa)

2. Kyoto-doelstellingen halen op kostenefficiënte wijze

Het streven naar een duurzame economische groei houdt in dat bij de keuzes van vandaag rekening wordt gehouden met de gevolgen voor toekomstige generaties en dat een zorgvuldige afweging plaats vindt tussen economische, ecologische en sociaal-culturele belangen en doelstellingen. Deze afweging vindt op tal van terreinen plaats, zowel bij de overheid als in de private sector. Duurzaamheid is niet de toekomst plannen en vastleggen en daarmee de ontwikkelingen op slot doen, maar gewenste ontwikkeling mogelijk maken en bevorderen. Innovatie en technologie zijn daarbij een sleutel.

In de private sector is duurzaamheid een actueel thema. Bedrijven nemen afzonderlijk of gezamenlijk initiatieven en er ontstaan tal van samenwerkingsverbanden tussen bedrijven, gericht op duurzaam produceren. Voor het samenkomen van al deze initiatieven is een rol voor het Kenniscentrum Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) weggelegd. Dit centrum is begin 2003 operationeel. Daarnaast gaat in 2003 een onderzoeksprogramma MVO van start. Over de wijze waarop bedrijven verantwoording willen en kunnen afleggen over de maatschappelijke effecten van hun handelen is advies gevraagd aan de Raad voor de Jaarverslaggeving. Een advies wordt begin 2003 verwacht.

Om duurzaamheid te bereiken is een milieubeleid nodig dat rekening houdt met de economie en met de belangen van bedrijven. Daarom zet EZ zich samen met VROM en andere departementen in voor het zoveel mogelijk samengaan van de ambities voor milieu en economie. Op het gebied van technologiestimulering richt EZ haar instrumentarium in toenemende mate op duurzame economische groei. Dit gebeurt onder andere via de regeling Economie, Ecologie & Technologie en de in ontwikkeling zijnde First Movers Faciliteit. Het realiseren van de Kyoto-doelstellingen op een kosteneffectieve wijze, is een belangrijk onderwerp op het terrein van duurzaamheid. Zoals in het Energierapport in 2002 is vermeld is een verbetering van de energie efficiency met 1,3% per jaar voldoende om de Kyoto-doelstelling te halen. Daarnaast geldt voor duurzame energie een doelstelling van 10% duurzame energie in 2020. Om deze doelstellingen te realiseren wordt het bestaande instrumentarium verbeterd.

De in het Strategisch Akkoord aangekondigde fiscale grondslagverbreding van € 500 mln op het terrein van energie en milieu wordt deels ingevuld door een stroomlijning van het instrumentarium en het verminderen van het aandeel freeriders. Het budget van de Energie Investeringsaftrek (EIA) wordt verlaagd en de Energie Premieregeling (EPR) wordt omgevormd tot een subsidieregeling op de begroting van VROM. Bij het fiscale instrumentarium is verder op onderdelen sprake van relatieve overstimulering en weglek van belastinggelden naar het buitenland. Het bestaande fiscale stimuleringsinstrumentarium voor de productie van duurzame energie zal worden omgezet in een niet fiscale regeling die erop gericht is om de bestaande doelstellingen op een meer efficiënte manier te realiseren. Hiermee wordt een belangrijk deel van de hierboven genoemde bezuiniging ingevuld. De regeling zal er tevens op gericht zijn de zekerheid voor investeerders in duurzame energie in Nederland te vergroten. Deze regeling Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie (MEP) wordt opgenomen in de Elektriciteitswet 1998. Het wetsvoorstel MEP zal overigens ook van toepassing zijn op warmtekrachtkoppeling (WKK) en klimaatneutrale energiebronnen. De inwerkingtreding ervan wordt voorzien op 1 januari 2003. Met de inzet van de MEP en ter invulling van de subsidietaakstelling wordt afgezien van voortzetting van de Duurzame Energie-impuls. Dit levert jaarlijks een besparing op van € 16 mln. Verder wordt mede in het kader van de subsidietaakstelling per 1 januari 2003 de subsidieregeling Energievoorzieningen in de non-profitsector (EINP) inclusief de voorziening voor windturbines beëindigd. Dit levert een besparing op van € 33 mln. In artikel 4 wordt op deze bezuinigingen dieper ingegaan.

Voor duurzame energie bieden biomassa en wind in Nederland de beste mogelijkheden. Eind 2002 stellen marktpartijen en overheid een actieplan biomassa op met concrete acties op dat gebied. De plaatsing van windmolens wordt vergemakkelijkt door verbetering en verkorting van de procedures en de inrichting van een helpdesk. Uiterlijk in 2004 zal er minimaal één windmolenpark op zee gerealiseerd worden.

Aardgas is een relatief schone bron van energie en blijft de komende decennia een belangrijke energiebron in Nederland en de EU. Voortzetting van het Nederlandse kleine veldenbeleid is daarvoor essentieel en levert een aanzienlijke bijdrage aan onze welvaart. Over gaswinning in Nederland wordt eind 2002 een nota uitgebracht.

Gegeven de Kyoto-verplichtingen is het daarnaast niet zinvol de kerncentrale in Borssele voortijdig te sluiten. Het kabinet zal met de eigenaar afspraken maken over het openhouden van de centrale in relatie tot de economische en veilige levensduur.1 Een andere wijze om op een kosteneffectieve wijze milieubeleid te voeren is door marktconforme instrumenten in te zetten. EZ werkt dan ook actief aan de totstandkoming van een internationaal systeem voor emissiehandel binnen de Europese Unie. In het kader van de energieconvenanten en de Meerjarenafspraken wordt met het bedrijfsleven tevens gewerkt aan uitbreiding van energie-efficiency inspanningen naar mogelijkheden buiten de eigen onderneming (bijvoorbeeld in de keten, in de logistiek en op bedrijventerreinen).

Op langere termijn zal de wereldwijde energievoorziening moeten transformeren naar een energiehuishouding die «duurzaam» is: dat wil zeggen gericht op voorzieningszekerheid, efficiëntie en milieukwaliteit. EZ speelt een rol in dit transitieproces door marktpartijen met elkaar in verbinding te brengen, zo nodig nieuwe marktinitiatieven op dit gebied uit te lokken en niet-marktconforme barrières zoals bijvoorbeeld in de ruimtelijke ordening weg te nemen. Ook wordt gezocht naar internationale samenwerkingsmogelijkheden. In samenwerking met maatschappelijke organisaties wordt een viertal concrete transitietrajecten verkend. Hierbij gaat het om «Modernisering Energieketens», «Biomassa Internationaal», «Nieuw Gas» en «Duurzaam Rijnmond».

2.1.8 Begroting op hoofdlijnen

De aansluitende tabellen bevatten een selectie van de belangrijkste wijzigingen (kasuitgaven en ontvangsten) die verwerkt zijn in de begroting 2003 ten opzichte van de begroting 2002. Deze wijzigingen zijn ingedeeld naar beleidsartikel. Een volledig overzicht van de majeure beleidsmatige mutaties is opgenomen in de verdiepingsbijlage. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de aansluitende tabellen ook de wijzigingen bevatten die reeds in de Voorjaarsnota 2002 zijn opgenomen.

Uitgaven (in € mln)200220032004200520062007
Stand Ontwerpbegroting 20021 786,01 815,61 828,51 801,11 803,3 
Artikel 1 Marktwerking      
NMa/Dte6,29,36,46,46,4 
Compensatie stadsverwarming29,529,529,529,529,5 
Artikel 2 Innovatie      
Invulling SA subsidies – 3,7– 10,8– 15,8– 19,9  
BTW TTI's3,03,23,23,23,2  
Fes-middelen innovatie7,15,05,0    
Kasschuif internationale ruimtevaart10,6– 10,6     
Artikel 3 Ondernemingsklimaat      
Invulling SA subsidies  – 1,5– 3,0– 4,6  
Inzet eindejaarsmarge voor JSF10,8     
Bijdrage JSF (naar defensie)– 48,0– 4,1– 3,4– 12,5– 28,6 
JSF-bijdrage bedrijfsleven4,50,8    
Artikel 4 Energievoorziening      
Invulling SA subsidies – 5,2– 19,0– 32,9– 43,5 
CO2-reductieplan29,9     
Aanpassing JI– 10,5– 6,4– 6,3– 5,8– 2,4 
Artikel 5 Buitenlandse economische betr.      
Invulling SA subsidies – 0,8– 4,5– 9,0– 12,0 
Artikel 7 Beheer bodemschatten      
EBN– 46,5– 67,2– 64,9– 64,4– 64,4 
Artikel 9 CBS      
Europese statistieken CBS 2,52,52,52,5 
Artikel 10 DGTP      
Overheveling DGTP 34,632,031,530,6  
Artikel 22 Nominaal en onvoorzien      
Taakstelling subsidies SA – 50,3– 73,8– 98,8– 109,4 
Taakstelling apparaat SA – 3,8– 5,8– 7,7– 7,6  
Diverse artikelen      
Invulling ombuiging SA op instituten – 1,0– 2,7– 3,8– 5,0 
Taakstelling externen SA – 5,2– 5,2– 5,2– 5,2  
Invulling ombuiging SA apparaat – 2,8– 5,5– 8,3– 11,0 
Loon- en prijsbijstelling17,520,921,722,022,7 
Overige mutaties3,7– 17,4– 9,6– 5,1– 8,4 
Stand Ontwerpbegroting 20031 803,91 742,11 715,81 623,91 576,91 565,8
Ontvangsten (in € mln)2002200220032004200520062007
Stand Ontwerpbegroting 2002 2 850,02 423,71 977,01 717,21 819,5
Artikel 1 Marktwerking      
Dividend Tennet 11,411,4    
Artikel 2 Innovatie      
Twinning – 15,9 15,9  
Doorschuif FES 11,25,05,0   
Artikel 3 Ondernemingsklimaat      
Desaldering JSF 4,5   0,8
Artikel 4 Energievoorziening      
UCN 60,0    
Artikel 7 Beheer bodemschatten      
Aardgasbaten5,6461,0593,9562,0580,5 
Bijdrage aan het Fes– 2,4– 190,7– 246,4– 233,0– 240,7 
Artikel 10 DGTP      
Overheveling DGTP 140,192,592,191,8 
       
Overige mutaties 12,15,05,95,25,5
Stand Ontwerpbegroting 20032 936,52 855,52 443,82 143,62 257,42 390,4

Intensiveringen

Bij begrotingsvoorbereiding 2003 hebben intensiveringen plaatsgevonden bij de NMa/DTe en het CBS.

De extra middelen voor NMa/DTe (beleidsartikel 1) hebben tot doel concurrentieverstoringen op de binnenlandse markt tegen te gaan door middel van het adequaat uitvoeren van de Mededingingswet. De NMa/DTe wordt kwalitatief en kwantitatief versterkt om werkzaamheden uit te kunnen voeren op het gebied van de elektriciteitsmarkt (DTe), de bouwmarkt (Bouwkamer NMa), de financiële markten, de zorgsector en overige werkzaamheden zoals opsporing, onderzoek, het afhandelen van meer bezwaren en beroepen en geschilbeslechting.

De extra middelen voor het CBS (beleidsartikel 9) zijn nodig om de nieuwe Europese statistische verplichtingen uit te voeren. Het betreft onder meer projecten op het vlak van de EMU, het sociaal en economisch beleid en het regionaal beleid die door het CBS moeten worden uitgevoerd.

Taakstellingen

De in de begroting verwerkte taakstellingen uit het Strategisch Akkoord betreffen subsidies, apparaat en externen.

De tijd tussen het aantreden van het kabinet en Prinsjesdag was onvoldoende voor een integrale invulling van alle ombuigingstaakstellingen. Daarom is een deel van de ombuigingen nu verwerkt in de voorliggende ontwerpbegroting en zal de resterende invulling volgen in een Nota van Wijziging op de ontwerpbegroting, die de Kamer zal bereiken vóór de begrotingsbehandeling. In de nu voorliggende ontwerpbegroting zijn verwerkt de 4%-effinciencytaakstelling, de taakstelling beperking inhuur externen en een deel van de subsdietaakstelling. De nu verwerkte subsidiekortingen zijn gespecificeerd in de onderstaande tabel. Daarbij is aangegeven welk beleidsartikel van de EZ-begroting betrokken is bij de subsidiekorting.

Kasbedragen in € mln20032004200520062007
Subsidietaakstellingen Strategisch Akkoord86,0147,2208,3244,4244,4
Reeds ingevuld:     
Artikel 2: Korting WBSO25,035,045,050,050,0
Artikel 2: Beëinding en stroomlijning kleinere regelingen3,710,815,819,923,3
Artikel 3: Korting suppletieinstrument Infra- & Kennisbasis 1,53,04,64,4
Artikel 4: Afschaffing EINP (incl. EINP-Wind)3,613,423,329,932,8
Artikel 4: Korting programma's Duurzame Energie1,65,69,613,616,0
Artikel 5: Korting BSE – beëindiging «Zware matching»0,84,59,012,014,3
Diverse artikelen: 4%-efficiency korting subsidies instituten1,02,73,85,05,7
Totaal reeds ingevuld35,773,4109,5135,0146,6
Nog in te vullen (bij Nota van Wijziging op begroting 2003)50,373,898,8109,497,8

De taakstelling externen is geheel over de desbetreffende budgetten op de beleidsartikelen verdeeld.

De taakstelling op apparaat bestaat uit een efficiencykorting die oploopt tot 4% en een volumetaakstelling van 7% EZ-personeel, uitgezonderd NMa/DTe, CPB en CPB. De efficiencykorting is geheel verdeeld over de apparaatsbudgetten.

Overige mutaties

Op het beleidsterrein innovatie (beleidsartikel 2) zijn enkele technische mutaties opgenomen. Het gaat om compensatie voor BTW-lasten die de Technologische Topinstituten met ingang van 2002 moeten voldoen en verschuivingen voor ruimtevaart en enkele uit het Fes gefinancierde uitgaven (kennis- en innovatie-impuls, EET en Gigaport).

De belangrijkste kasmutaties op het beleidsterrein ondernemingsklimaat (beleidsartikel 3) betreffen de EZ-bijdrage aan de financiering van de Nederlandse deelname aan de SDD-fase van de Joint Strike Fighter (JSF). Ook de bijdrage van het bedrijfsleven is hier verwerkt. De middelen worden overgeheveld naar de begroting van het ministerie van Defensie.

Op het punt van het energiebeleid (beleidsartikel 4) zijn middelen toegevoegd voor het CO2-reductieplan en heeft een meerjarige herschikking van middelen voor Joint Implementation plaatsgevonden.

Omdat de Staat voor € 1,24 mrd de certificaten Energie Beheer Nederland B.V. van DSM heeft overgenomen, vallen op beleidsartikel 7 Beheer bodemschatten de dividenden vrij die voorheen werden doorgesluisd naar DSM.

Op het nieuwe beleidsartikel 10 zijn de middelen opgenomen voor het Directoraat-Generaal Telecommunicatie en Post. In het Strategisch Akkoord is afgesproken dat dit beleidsveld wordt overgeheveld van het Ministerie van Verkeer en waterstaat naar het Ministerie van Economische Zaken.

De belangrijkste ontvangstenmutatie betreft hogere gasbaten op beleidsartikel 7 Beheer bodemschatten.

Ook is dividend geraamd voor TenneT (beleidsartikel 1) en is de terugontvangst van aan Twinning verstrekte middelen voor bedrijfsvoering en positionering naar achteren verschoven omdat de verkoop op een later moment wordt voorzien (beleidsartikel 2).

Op beleidsartikel 4 (energiebeleid) wordt een extra ontvangst voorzien van Ultra Centrifuge Nederland (UCN) in verband met de terugbetaling van een shareholders-loan.

Tenslotte worden ook de ontvangsten van het Directoraat-Generaal Telecommucatie en Post (nieuw beleidsartikel 10) overgeheveld naar Economische Zaken. Het betreft met name ontvangsten uit hoofde van het aandelenbezit KPN en TPG.

2.1.9. Beleidsprogramma

Herstel van vertrouwen in de overheid

Het kabinet wil het vertrouwen van burgers en bedrijven in de overheid herstellen. De overheid moet effectiever optreden, daadkracht tonen, meer kwaliteit leveren en duidelijker laten zien wat ze doet, waarom ze dat doet en hoe ze het doet. Ook moet de overheid alleen doen wat ze moet doen en taken overlaten aan de maatschappij als dat kan. Het terugdringen van bureaucratie en regelzucht is dé methode waarmee het kabinet het vertrouwen in de overheid wil herstellen. Speciale aandacht gaat daarbij uit naar de zorg, het onderwijs, veiligheid en integratie. Maar niet alleen op die terreinen is vertrouwen in de overheid essentieel. Ook voor het goed werken van een economie, is een efficiënte en daadkrachtige overheid nodig. De overheid is immers verantwoordelijk voor de regels en randvoorwaarden die noodzakelijk zijn voor een goede werking van de economie. En als die regels en randvoorwaarden niet op orde zijn, ondervinden alle producenten en consumenten, werkgevers en werknemers daar hinder van. Centraal daarbij staat de vermindering van de administratieve lasten. Nu ondervinden burgers, bedrijven en overheidsinstellingen onnodige hinder van de administratieve lasten. Over de hele linie van het kabinetsbeleid zal dit probleem worden aangepakt.

Versterking economische structuur en groeivermogen

De belangrijkste economische afspraken in het Strategisch Akkoord hebben betrekking op het voornemen van het kabinet om de economische structuur te versterken en het groeivermogen te vergroten door de arbeidsparticipatie te verbeteren en de productiviteitsgroei te versnellen. Daarnaast wil het kabinet de concurrentiepositie en het ondernemingsklimaat van het Nederlands bedrijfsleven verbeteren en stelt zich ten doel de aansluiting bij de top van Europa te hervinden.

Het kabinet wil de doeltreffendheid van het ICT-beleid vergroten en staat een kostenefficiënte realisatie van de Kyoto-verplichtingen voor ogen.

Om deze doelstellingen te realiseren wordt de komende jaren langs de volgende lijnen acties ontplooid:

• Ruimte voor de markt, eerlijke concurrentie,

• Ruimte om te ondernemen, minder regels,

• Excelleren met innovatie,

• Excellente informatie- en communicatienetwerken en technologie,

• Versterken human capital,

• Inzet op duurzaamheid.

In de beleidsagenda uit de EZ-begroting 2003 staat aangegeven welke acties precies hiertoe ontwikkeld worden. In onderstaande tabel zijn deze acties gekoppeld aan de afspraken uit het Strategisch Akkoord.

Macro

Voornemens Strategisch AkkoordPagDoelenActiesActorenDeadlines
Nederland moet aansluiting houden bij de top in Europa.3 Duurzame economische groei [missie EZ].• Voorwaardelijke lastenverlichtingEZ, SZW Kabinetz.s.m.
Versterking economische structuur door versterking arbeidsparticipatie en klimaat voor ondernemen3    
Wel zal de overheid de voorwaarden moeten creëren die het bedrijfsleven in staat stellen om de aansluiting bij de top van Europa te hervinden en die positie vast te houden. Daar is onder meer voor nodig: • een beheerste loonkostenontwikkeling; • bevordering van de arbeidsparticipatie, vooral van vrouwen, ouderen en laaggeschoolden waaronder veel allochtonen; • stijging van de arbeidsproductiviteitsontwikkeling en • een goed ondernemingsklimaat met ruimte voor ondernemen.17    
Het kabinet moet oog hebben voor een gematigde lastenontwikkeling voor het bedrijfsleven.18    
Versterking economische structuur en productiviteitsbevordering21    

1 Ruimte voor de markt

Voornemens Strategisch AkkoordPagDoelenActiesActorenDeadlines
[...] ordening en markten [...]6Operatie «Beter Bestuur voor1. Terugdringen bureaucratie en regelzuchtEZ, BZK,2002–2006
Regelzucht en bureaucratie zullen over de volle breedte van het beleid moeten worden teruggedrongen7Burgers en Bedrijf, naar een nieuwe balans tussen overheid en samenleving» door 1. terugdringen bureaucratie endoor o.a.: • Taakstelling administratieve lasten; • Volumetaakstelling; • Stroomlijnen en vereenvoudigenJustitie overige ministeries, gemeenten  
Het [kabinet] dient op korte termijn met een plan van aanpak met gekwantificeerde doelstellingen te komen gericht op een forse reductie van de administratieve lasten 18regelzucht; 2. Verbeteren kwaliteit overheidsfunctioneren en publieke dienstverlening; 3. Vergroten keuzevrijheid burgersregelgeving:• Verbeteren uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid regelgeving; • Inzet ICT -bedrijfsvoering; • Shared Service Centres PIOFAH-functies;provincies, werkgevers, werkne- mers, consumen- 
Versterking economische structuur en productiviteitsbevordering 21en ondernemers• Inzet authentieke registraties (stroom- lijning basisgegevens); • Invoering eenmalige gegevens-ten, wetenschap, maatschap- 
   verstrekking; 2. Verbeteren kwaliteit overheidsfunctioneren en publieke dienstverlening door o.a.: • Verbeteren kwaliteit uitvoering o.a.door elektronische dienstverlening; • Invoering één loket-gedachte; • Vergroten afrekenbaarheid en transparantie door benchmarking, evaluaties en visitaties van overheidsorganisaties; • Ontwikkelen publieksmonitor; • Gedifferentieerde beloning; functie en taakdifferentiatie; • Werknemers-tevredenheidsonderzoek; • Reïntegratie en participatie; • Toetsen overheidstaken op mogelijkheid van overlaten aan samenleving; • Invoering ketenregie op verschillende terreinen; • Ontschotting, bundeling en integratie van publieke middelen; 3. Vergroten keuzevrijheid burgers en ondernemers door o.a.: • Invoeren vraaggestuurde systemen; • Verruimen toetredingsmogelijkheden tot markten; • Vergroten transparantie in o.a. overheidsinformatie, zorg, onderwijs, financiële dienstverlening, telefonie, taximarkt; • Verruimen mogelijkheden maatwerk op arbeidsmarkt; • Verbeteren ondernemings- en vestigingsklimaat; • Regie eigen persoonsgegevens. pelijke organisaties 
Herstel van vertrouwen3Tegengaan van concurrentie-• Versterking mededingingswet;EZ, Fin, Just,2002–2005
Voor alles dient de overheid dan ook die functies te waarborgen die het samenleven en maatschappelijk verkeer mogelijk maken: het maken van wetten, ordening en markten, het beslechten van collectieve belangentegenstellingen en individuele geschillen, het waarborgen van de infrastructuur voor het maatschappelijk verkeer, het verzekeren van de algemene taken en functies en het bieden van oriëntatie. 6verstoringen op binnenlandse markten [artikel 1] • Vertaling EU mededingingsregels; • Versterking toezicht op de mededinging door vorming NMa-ZBO; • Versterking corporate governance; • Versterking betrouwbaarheid accountancy verklaring; • Wettelijke regels om concurrentieverstoringen door overheden tegen te gaan. Nma, OPTA bedrijfsleven, EU-Cie 2003–2005 2002 2002–2005 2003–2004 pm
[...] ordening en markten [...]6Vergroting van markttransparantie en keuzevrijheid van de consument op binnenlandse markten [artikel 1]Meer keuzevrijheid in semi-publieke sectoren door: • concrete maatregelen ter bevordering van transparantie; • minder overstapkosten; • vraagsturing en • beter toezicht; VWS, OCW, EZ2002–2006
   Versterken positie consument door: • Openen internetportaal; • Uitvoering consumentenmarkttoetsen; • kwaliteitsmonitor telecommunicatie; • Regels voor beheersing posttarieven. EZ, Justitie, BZK  
Herstel van onze internationale concurrentiepositie 18Open grenzen en eerlijke concurrentie (o.a. liberaliseren diensten- en agrarische sector); Internationalisering Nederlands bedrijfsleven;Betere benutting exportpotentieel MKB [artikel 5]• Succesvol afronden WTO-onderhandelingen; • Aanpakken internationale marktverstoringen in OESO- en WTO-verband; • Vergroten kennis ondernemers internationaal zakendoen (Holland Promotie, Missies); • Modernisering van het samenwerkingsinstrumentarium. EZ, BuZa, Bedrijfsleven, EU, MinfFin2005
Het kabinet kan – binnen de beperkte budgettaire mogelijkheden – een bijdrage aan een sterkere economische structuur en productiviteitsbevordering leveren door: [...] betere kwaliteit van het overheidsbeleid21Efficiënter, effectiever laten werken overheidssector [artikel 2]• Verbetering regelgeving op gemeentelijk niveau met ondersteuning van EZ; • Onderzoek naar de efficiënte borging van publieke belangen; • Vergaren, systematiseren en verspreiden van kennis over de efficiënte borging van publieke belangen; • Oprichting kenniscentrum ordeningsvraagstukken; • Oprichting centrum voor beleidsstatistieken door het CBS ; • Verkleinen ambtelijk apparaat EZ met 7%; • Verbeteren EZ-efficiency met 4%; • Verminderen inhuur externen. Rijksoverheid, mede-overheden, bedrijfsleven, CBS2002–2006
Het kabinet dient spoedig de voorbereidingen te treffen om in 2003 de radiofrequenties voor de commerciële omroep langjarig te verdelen. De verdeling van de frequenties zal geschieden op basis van een vergelijkende toets aan de hand van objectieve criteria – waarbij het aanbod ten aanzien van de hoogte van de jaarlijkse vergoeding die partijen bereid zijn te betalen voor de concessie, een belangrijke component zal zijn. 25Meer ruimte in de ether [artikel 10]• Verdeling etherfrequenties; • Digitalisering ether (tv en radio). EZ, OC&W, Fin2002
Bij mogelijke nieuwe overheidstaken wordt eerst getoetst of deze niet, onder het stellen van wettelijke randvoorwaarden, aan de samenleving kunnen worden overgelaten. Bestaande taken worden eveneens aan dat criterium getoetst. 27Vergroting van markttransparantie en keuzevrijheid van de consument op binnenlandse markten [artikel 1]• Opzetten kenniscentrum ordeningsvraagstukken ter vergroting en stroomlijning interdepartementale kennis en verhoging kwaliteit besluitvorming. EZ, Fin, OCW, SZW, LNV, VROM, VWS, VW2002
De publieke belangen met betrekking tot het functioneren van energiedistributiebedrijven worden in de wet gewaarborgd. De verkoop van meerderheidsaandelen is niet toegestaan totdat dit in het kader van de liberalisering van de energiemarkt in Europese regelgeving is geregeld. 23Bevorderen van concurrentiemechanismen in netwerksectoren [artikel 1]Gas en electriciteitssector • Consumenten kunnen per 1 oktober 2003 hun eigen energieleverancier kiezen; • Level playing field EU: inzet op snelle aanname richtlijnen Gas en elektriciteit en grensoverschrijdend transport (incl. invoering systeem van stroometikettering); • Nieuwe beleidsregels privatisering energiedistributiebedrijven en borgen van publieke belangen in wet- en regelgeving; • Afronding en implementatie overeenkomst herstructurering gasgebouw; EZ, EU, energiebedrijven, PVE 2003 2003 2002 - 2002–08–15 2002–2003
De Europese Unie is essentieel voor Europa en voor Nederland [] De toekomst van Nederland is verweven met die van de EU. Investeren in een vitale EU is dan ook investeren in eigen toekomst.28EU moet meest dynamische en concurrerende kenniseconomie worden [artikel 5]• Verbetering werking Interne Markt door EU-maatregelen t.b.v. Wegnemen handelsbelemmeringen: • Onderlinge verbinding van de Europese economieën (o.a. totstandkoming van een geliberaliseerde gas- en elektriciteitsmarkt, onderlinge verbonden financiële markten en vervoers- en communicatienetwerken) • Concurrerende kenniseconomie (betere onderwijssamenwerking, vergroting innovatiecapaciteit en onderzoek en totstandkoming kennismaatschappij) • Kwaliteit EU-regelgeving verhogen; • Eerlijke concurrentieverhoudingen; • Herziening procedures inzake Europese besluitvorming nav conclusies Intergouvernementele Conferentie. EZ, BuZa, OC&W, EU2003
De structuurfondsen zullen wel openstaan voor nieuwe lidstaten, maar het rondpompen van geld tussen de rijke lidstaten en de EU moet worden gestaakt. Grensoverschrijdende samenwerkingsprojecten met een toegevoegde Europese waarde blijven mogelijk. 28Verbetering efficiëntie Europese structuurfondsen [artikel 5]• Beïnvloeding van Europese Commissie bij de voorbereiding van het 3e cohesierapport. EZ., BuZa, MinFin, BZK, EU2003
De voorgenomen uitbreiding van de EU vormt een nieuwe stap op de weg naar realisatie van stabiele economische en democratische verhoudingen in Europa. Dat neemt niet weg dat bij de toetreding van nieuwe lidstaten per land scherp wordt vastgehouden aan de Kopenhagen-criteria. 28Economisch verantwoorde uitbreiding door naleving van economische criteria van Kopenhagen, hervorming EU-landbouwbeleid en structuurfondsen [artikel 5]• Beoordelen, o.a. op basis van de rapporten van de Europese Commissie, of de uitbreiding economisch verantwoord is. Strikte toepassing van economische criteria van Kopenhagen. Akkoord over alle budgettaire zaken (incl. Gemeenschappelijk Landbouw Beleid); • Afbouwen inkomenssteun.Alle ministeries, EU2003
Om de ontwikkeling van arme landen te bevorderen zal het kabinet zich moeten inzetten voor de bevordering van vrijhandel en in het bijzonder het wegnemen van barrières voor toegang tot de Europese markt.29  
Daarbij zullen de internationale criteria, waarmee echte ontwikkelingshulp wordt gedefinieerd, strikt worden toegepast. De inzet van dit budget wordt meer dan voorheen onderdeel van een geïntegreerd buitenlands beleid. De effectiviteit van de uitgaven wordt bovendien kritisch bezien. 29Consistent en coherent buitenland beleid Meer samenhang en coherentie tussen bedrijfsleven programma's van de verschillende departementen [artikel 5]• Versterken van de economische component in het buitenland beleid en de beleidsmatige en budgettaire taak van EZ daarbij; • Eenduidige aansturing bedrijfslevenprogramma's (einde aan de versnippering); • Vergroten samenhang en slagvaardigheid buitenlandinstrumentarium. EZ, BuZa, Fin buitenlandse overheden, bedrijfsleven2002–2003
Het kabinet zal de verschillende aspecten van de uitbreiding en de verdieping breed onder de aandacht brengen van het publiek zoals de economische voordelen en de mogelijkheid om greep te herwinnen op grensoverschrijdende vraagstukken zoals asiel en migratie, milieu en veiligheid. 29Burgers en bedrijven informeren en betrekken bij EU-uitbreiding [artikel 5]• Organisatie van een uitbreidingsdebat; • Aandacht voor 10 jaar Interne Markt en promotie van vernieuwd klachtenloket voor burgers en bedrijven (SOLVIT). EZ, BuZa, EU 2002 2002
Nederland heeft op grond van economische belangen en morele betrokkenheid al van oudsher een sterke oriëntatie op internationale handel, mondiale verhoudingen en de positie van arme landen daarbinnen. Het kabinet dient die traditie voort te zetten en te streven naar behartiging van Nederlandse belangen, bevordering van stabiliteit, vrede, mensenrechten, goed bestuur en rechtvaardige verhoudingen en het bestrijden van armoede. Om de ontwikkeling van arme landen te bevorderen zal het kabinet zich moeten inzetten voor de bevordering van vrijhandel en in het bijzonder het wegnemen van barrières voor toegang tot de Europese markt. 29Bevorderen van verdergaande handelsliberalisatie, versterking van de WTO,erkenning en uitwerking van raakvlakken met andere beleidsterreinen, integratie van ontwikkelingslanden in wereldhandelsstelsel en vergroten van markttoegang door o.a. liberalisering van landbouwbeleid [artikel 5]• WTO-onderhandelingen succesvol afronden; • Hervormen van EU-landbouwbeleid. EZ, LNV, BuZa, EU, WTO2005

2 Ruimte om te ondernemen

Voornemens Strategisch AkkoordPagDoelenActiesActorenDeadlines
Regelzucht en bureaucratie zullen over de volle breedte van het beleid moeten worden teruggedrongen7Netto administratieve lasten reduceren met 25% in 2006 tov 1994 [artikel 1]• Rijksbreed plan van aanpak voor terugdringen van onnodige regelgeving; EZ coördineert.alle departementen2002–2006
Er wordt gewerkt aan deregulering en vermindering van administratieve lasten [in de zorg]. 12 • Rijksbreed actieplan ICT en Administratieve Lasten; • Maatregelen EZ: o.a. • Herziening CBS-wet;  
Administratieve lasten die op de scholen drukken zullen kritisch op nut en noodzaak worden bekeken. 14 • Elektronische dienstverlening bij handelsregisterwet.  
Het [kabinet] dient op korte termijn met een plan van aanpak met gekwantificeerde doelstellingen te komen gericht op een forse reductie van de administratieve lasten. 18    
Het kabinet kan – binnen de beperkte budgettaire mogelijkheden – een bijdrage aan een sterkere economische structuur en productiviteitsbevordering leveren door:[...] : verlaging van de administratieve lastendruk het kabinet zal kwantitatieve doelstellingen formuleren per departement. 21    
Wel zal de overheid de voorwaarden moeten creëren die het bedrijfsleven in staat stellen om de aansluiting bij de top van Europa te hervinden en die positie vast te houden. Daar is onder meer voor nodig: [...] een goed ondernemingsklimaat met ruimte voor ondernemen.16Verbeteren internationaal ondernemerschap [artikel 3 en 5]• Diensten en instrumenten van exportbeleid in één loket samenbrengen; • Versterken van de economische component in het buitenland beleid en de beleidsmatige en budgettaire taak van EZ daarbij. Eenduidige aansturing bedrijfslevenprogramma's (einde aan de versnippering); • Vergroten samenhang en slagvaardigheid buitenlandinstrumentarium.EZ, BuZa, Fin, buitenlandse overheden, bedrijfsleven2005
  Meer fysieke ruimte voor ondernemers [artikel 3]• Herstructurering verouderde bedrijfslocaties; • Aanleg nieuwe bedrijfslocaties; • Aanpakken belemmerende wet-en regelgeving vergunningen en bouwvoorschriften. EZ, VROM, lagere overheden, ondernemers2005
  Verbeteren productief vermogen economie [artikel 3]• Moderniseren Faillissementswet; • Oprichten Bedrijvenloket; • Versoepelen ondernemingsrecht; • Verbeteren bedrijfsoverdracht; • Stimuleren ondernemerschap in het onderwijs; • Wegnemen knelpunten voor starters bij de inkoop en -aanbestedingsprojecten door de overheid.EZ, Fin, Just2002–2006
Het kabinet kan – binnen de beperkte budgettaire mogelijkheden – een bijdrage aan een sterkere economische structuur en productiviteitsbevordering leveren door: [...] verbetering van de fysieke infrastructuur;21Gebiedsgerichte productiviteitsagenda [artikel 3]• Ontwikkelen gebiedsgerichte economische visie en agenda (investeringen + overig beleid) per landsdeel en deelgebieden); • Vertalen agenda naar concrete investeringskeuzes in ruimte en mobiliteit; • Inbreng agenda in landsdeelconvenanten, EZ, V&W 2003
Het Rijksbeleid moet zich in hoofdzaak beperken tot strategische ontwikkelingsstrategieën (projecten, ecologische hoofdstructuur en waardevolle landschappen van nationaal belang) en (infrastructuur)investeringen die van nationaal belang zijn (mainports) en structuur geven aan de regionale ruimtelijk-economische ontwikkeling. 21 uitwerking in VIJNO en in convenanten grote-stedenbeleid. Agenda tevens gebruiken voor vernieuwing en betere benutting EZ instrumenten (bijv. Tipp, structuurfondsen, innovatie; • Betrokkenheid bedrijven bij analysefase van grote infrastructuurprojecten.   
Actieve betrokkenheid marktpartijen bij regionale gebiedsgerichte ontwikkeling22    
Dit komt de vitaliteit van steden ten goede en sluit aan bij de wens om in het kader van het mobiliteitsbeleid wonen en werken dichter bij elkaar te brengen.22Vitaal stedelijk vestigingsklimaat [artikel 3]• Actieprogramma met grote steden om knelpunten t.a.v. de uitvoering van de huidige convenantenperiode op te lossen. • Opstellen nieuw beleidskader stadseconomie als indicatieve verdeling van de EZ-middelen over de grote steden in de nieuwe convenantsperiode (2005–2010)EZ, BZK, VROM, V&W2005

3 Excelleren met innovatie

Voornemens Strategisch AkkoordPagDoelenActiesActorenDeadlines
Nederland moet aansluiting houden bij de top in Europa.3Versterken van de innovatiekracht van de economie [artikel 2]• Ontwikkelen van een integrale beleidsvisie op en actieplan voor het Nederlandse kennissysteem (Innovatienota); EZ2003
Versterking economische structuur en productiviteitsbevordering (+ motie De Graaf over ontwikkeling kenniseconomie)21Stimuleren van kennisontwikkeling en benutting op strategische gebieden, d.m.v. 1. Bevorderen Life Sciences 2. Bevorderen Katalyse 3. Bevorderen doorbraaktechnologieën (microsysteem-, scheidings- en duurzame technologie, nieuwe materialen, robotica [artikel 2]1. Stimuleren Life Science Starters (Biopartner): • Internationaal 'level playing field' voor biotech wet- en regelgeving bewerkstelligen; • Internationale samenwerking bevorderen; • Zorgen voor voldoende en goed geschoold arbeidspotentieel. 2. Bevorderen katalyse: • Onderzoeksprogramma 'Duurzame Waterstof'; • Onderzoeksprogramma 'Integratie van Biosynthese en organische synthese'; • Opstart 3e onderzoeksprogramma. 3. Bevorderen doorbraaktechnologieën: • Wegnemen belemmeringen wet- en regelgeving; • Stimuleren netwerkvorming; • Gerichte inzet bestaande instrumenten. EZ2002–2006
  Betere aansluiting kennis van universiteiten en onderzoeksinstellingen op toepasbaarheid bedrijfsleven en samenleving [artikel 2]• Actief octrooi en spin-offbeleid universiteitenEZ, OCW en Universiteiten2003–2006
  Het verbeteren van de balans tussen kennisbescherming en kennisverspreiding [artikel 2]• Invoering EU-octrooi; • Moderniseren systeem van intellectueel eigendom (software, business methods, auteursrecht, stelseldifferentiatie). EZ, Justitie, EU 2003 2003
Het kabinet kan – binnen de beperkte budgettaire mogelijkheden – een bijdrage aan een sterkere economische structuur en productiviteitsbevordering leveren door: [] meer ruimte voor creativiteit en eigen verantwoordelijkheid [] meer ruimte voor het kunnen ondernemen; 21Ondersteunen innovatief ondernemerschap [artikel 2]• Uitschrijven tweede tender van technostartersregeling • Stroomlijningsproject startersinitiatieven; EZ en bedrijfsleven 2003 2003
Het kabinet kan – binnen de beperkte budgettaire mogelijkheden – een bijdrage aan een sterkere economische structuur en productiviteitsbevordering leveren door: [...] stimulering van de ontwikkeling van privaat publieke samenwerking; 21Betere aansluiting kennis van universiteiten en onderzoeksinstellingen op toepasbaarheid bedrijfsleven en samenleving [artikel 2]• Institutionele vernieuwing bekostiging universiteiten (o.a. bekostiging afhankelijk maken van onderzoekskwaliteit/toepasbaarheid onderzoek); • Evaluatie TNO, GTI's en DLO; • Stimulering publiek-private samenwerking t.a.v. fundamenteel strategisch onderzoek (TTI, IOP, STW); • Impuls op vijf gebieden voor kennisninfrastructuur via publiek-private samenwerking (ICES/KIS 3). EZ, OC&W, FIN, V&W, LNV, VROM, universiteiten 2003–2004
Het kabinet kan – binnen de beperkte budgettaire mogelijkheden – een bijdrage aan een sterkere economische structuur en productiviteitsbevordering leveren door: [...] stroomlijning van subsidies (en subsidievoorwaarden en geconcentreerde uitvoering (één loketbenadering)21Versterken innovatiekracht Nederlandse economie [artikel 2]• Heroriëntatie innovatie-instrumentarium en implementatie aanbevelingen uit het IBO-onderzoek;EZ2002–2004

4 Excellente informatie en communicatienetwerken en technologie

Voornemens Strategisch AkkoordPagDoelenActiesActorenDeadlines
Herstel van vertrouwen3Het verbeteren van de randvoorwaarden van de informatiemaatschappij [artikel 2]Vermindering kwetsbaarheid communicatienetwerken waaronder internet door invulling geven aan de programma's: • Nationaal Continuïteitsplan Telecommunicatie; • Kwetsbaarheid op internet; • Actieplan Terrorismebestrijding; • Computer Emergency Response Team; • Vernieuwing Nationaal Noodnet; • Nationaal en Justitiële veiligheid (aftappen). EZ, BZK, VROM, Jus, Def2002–2006
Doorstroming in het verkeer kan naast verbreding van wegen ook worden bevorderd door een uitbreiding van het inhaalverbod voor vrachtwagens, extra rijstroken en toeritdosering, evenals door terugdringen van het autoverkeer door o.a. verkorting van afstanden van woon- werkverkeer en door ICT-toepassingen in werken vervoerssituaties24Betere benutting huidige verkeers- en vervoerssystemenoptimaal gebruik te maken van (bestaande) informatie en communicatienetwerken' [artikel 10]• Twee grootschalige pilots in stedelijke agglomeraties; • Toepassing telematica in sectoren. EZ, VenW, OC&W, VWS, bedrijfsleven2002–2003
Goede bereikbaarheid en ontsluiting – ook over de elektronische snelweg – zijn essentieel voor verdere economische groei.24Voldoen aan vraag naar communicatie capaciteit [artikel 2]• Stimuleren vergroten aanbod breedband en speciale aandacht aan regierol gemeenten bij uitrol breedband; • Versnellen uitrol breedband b.v. door opzetten experimenten; • Vergemakkelijken uitvoeren graafwerkzaamheden. EZ, OC&W, VWS, BZK, VNG en bedrijfs-leven2002–2006
  Het ontwikkelen van een ICT-Kennispositie van een hoog gehalte [artikel 2]• Ontwikkelen van een kabinetsbrede visie op het gebied van Breedband n.a.v. expertgroep breedband • Via ICES/KIS 3 stimuleren van onderzoek op vijf Nederlandse ICT-speerpunten: multimedia, breedband, embedded systems, ICT-netwerken en informatica/software • Voorlichting geven aan en ondersteuning van NL bedrijven en kennisinstellingen voor deelname aan 'integrated projects' van het 6e Kaderprogramma • Actieplan CIC: • ontwikkelen van visies op strategische ICT-toepassingen in applicatiedomijnen (i.s.m. het veld); • onderzoeksprogramma telecommunicatie; • strategische inzet van software 'Jacquard'; • onderzoeksprogramma Vrijband; • impuls en onderzoeksprogramma breedband communicatie; • Via stimuleringsinstrument bevorderen van innovatie toepassingen van ICT-onderzoek (ICT-doorbraakprojecten); • Organiseren ICT-Kenniscongres (onder voorbehoud jaarlijks of tweejaarlijks). EZ, EU, OC&W2002–2006
Gelet op de grote invloed van informatie- en communicatietechnologie op de samenleving en het belang voor de economische ontwikkeling is een geïntegreerde beleidsaanpak op dit ter-rein noodzakelijk. Daarom wordt het directoraat-generaal Telecommunicatie en Post inclusief het betrokken deel van de V&W-inspectie van het ministerie van Verkeer en Waterstaat toe-gevoegd aan het ministerie van Economische Zaken. Het beleid ten aanzien van de kabelsec-tor en de digitalisering van de ether, dat nu wordt behartigd door OC&W, gaat eveneens naar EZ. 25Bevorderen van de samenhang en integratie van het overheidsbrede ICT-beleid [artikel 2]• Samenvoegen DGTP, IVW/DT, en deel OC&W met EZ • OPTA samenvoegen met Nma. • Vernieuwing telecomregels (implementatie EU ONP-richtlijnen) • Kabelwetsvoorstel • Digitalisering ether (tv en radio) • C(W)TI: Opstellen van de strategische beleidsagenda t.a.v. informatie, wetenschaps- en technologiebeleid • In kaart brengen van de Nederlandse positie op het gebied van ICT (ICT-toets) EZ, V&W, OC&W 2002–2004

5 Versterken Human Capital

Voornemens Strategisch AkkoordPagDoelenActiesActorenDeadlines
Versterking en uitbreiding van de mogelijkheden om deel te nemen aan het arbeidsproces7Versterken arbeidsparticipatie • Beperken armoedeval door het beperken van inkomensafhankelijke regelingen (o.a. andere vormgeving huursubsidie), het afschaffen van het categoriale inkomensbeleid door gemeenten, het verhogen van de arbeidskorting, • Hervorming van de WAO zoals vastgelegd in het Strategisch Akkoord. Niet langer bovenwettelijk aanvullen door sociale partners in het tweede ziektejaar is daarbij van groot belang. • Flexibiliseren arbeidsrecht in het algemeen door vereenvoudiging van de regelgeving op het terrein van arbeidsomstandigheden, arbeidsverhoudingen en arbeidsmarkt (bijv. arbeidstijdenwet, ontslagwetgeving, arbo-regels). • Vergroting participatie ouderen door uittreedroutesfinancieel minder aantrekkelijker maken (WW, WAO) o.a. door herinvoering sollicitatieplicht voor nieuwe werkloze 57,5 plussers, beperken bovenwettelijke aanvullingen in de WW, vervroegde uittreding minder aantrekkelijk maken (door meer actuarieel neutrale pensioenen, fiscale facilitering van pensioenbesparingen beperken), deelname aan scholing van ouderen bevorderen (verlagen marginale druk, EVC) • Faciliteren werk en zorg door afschaffen versplinterde fiscale verlofregelingen en introductie levensloopregeling. • Vergroten kinderopvang door financiering van kinderopvang via werknemers en werkgevers (vraagsturing) en minder via de overheid te laten lopen en door vaststellen van uniforme landelijke kwaliteits- en vestigingseisen (alles geregeld in de Wet Basisvoorziening Kinderopvang).SZW, EZ, Financiën2002–2006
Het VMBO vergt speciale aandacht. Het VMBO is de grootste leerroute in het voortgezet onderwijs en het is de basis van de beroepsonderwijskolom (VMBO, MBO, HBO) die gekwalificeerde vakmensen levert. Het beroepsonderwijs speelt een belangrijke rol bij de integratie van allochtone jongeren. De te hoge uitval en onvoldoende doorstroom naar vervolgopleidingen moeten worden gestopt. 15het versterken van de bijdrage van menselijk kapitaal aan innovatie door verbeteren en versterken beroeps- en hoger onderwijs [artikel 2]• Flexibel en gevarieerd beroeps- en hoger onderwijs, waarbij de afnemers centraal staan door introductie vraagsturing in onderwijs en experimenten met o.a. vouchers; • Bevorderen van responsief gedrag onderwijsaanbieders richting regionale arbeidsmarkt (Regioregie, Flexibiliteits-audit HBO-instellingen). EZ, OC&W2002–2006
Om werknemers meer mogelijkheden te geven om te variëren in de combinatie van werk en andere activiteiten wordt een levensloopregeling geïntroduceerd. Binnen het zogenoemde Witteveenkader kan zo een omslag van pensioensparen naar sparen gericht op langer, productiever en een gezonder – arbeidzaam – leven worden gestimuleerd. De introductie van een levensloopfaciliteit kan zowel aan de (blijvende) inzetbaarheid van vrouwen als van die van ouderen in het arbeidsproces een belangrijke bijdrage leveren, evenals aan een verhoging van de arbeidsproductiviteitsontwikkeling. 19Het versterken van de bijdrage van menselijk kapitaal aan innovatie door het vergroten scholingsinspanningen werknemers en werkgevers [artikel 2]• Via Syntens en Investors in People bevorderen van goed personeelsbeleid in MKB-ondernemingen; • Via het kenniscentrum EVC introduceren van Erkenning Elders Verworven Competenties. EZ, OC&W, SZW, Fin 2003–2004 2002–2005
Het kabinet kan – binnen de beperkte budgettaire mogelijkheden – een bijdrage aan een sterkere economische structuur en productiviteitsbevordering leveren door: [..] bevordering van het arbeidsaanbod. 21Het versterken van de bijdrage van menselijk kapitaal aan innovatie door verminderen tekorten hoog opgeleid personeel [artikel 2]• Via stichting AXIS verbeteren in- en doorstroom in bèta/technische vakken; • Bevorderen van creatieve samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven (o.a.Regioregie en vouchers in het HBO); • Via de Scholingsimpuls bevorderen van sectoroverstijgende opscholing; • Fiscaal faciliteren van scholingsinvesteringen werkgevers. EZ, OC&W, kennisinstellingen, bedrijven2002–2006 2002–2004 2002–2005 2002–2006
Het kabinet kan – binnen de beperkte budgettaire mogelijkheden – een bijdrage aan een sterkere economische structuur en productiviteitsbevordering leveren door: [...] verbetering en versterking van het beroepsonderwijs 21het versterken van de bijdrage van menselijk kapitaal aan innovatie door verbeteren en versterken beroeps- en hoger onderwijs [artikel 2]• Flexibel en gevarieerd beroeps- en hoger onderwijs, waarbij de afnemers centraal staan door introductie vraagsturing in onderwijs en experimenten met o.a. vouchers; • Bevorderen van responsief gedrag onderwijsaanbieders richting regionale arbeidsmarkt (Regioregie, Flexibiliteits-audit HBO-instellingen).EZ, OC&W2002–2007

6 Inzet op duurzaamheid

Voornemens Strategisch AkkoordPagDoelenActiesActorenDeadlines
Oog voor een duurzaam evenwicht7Bevorderen duurzaamheid in private sector [artikel 3]• Opzetten Kenniscentrum MVO (t.b.v. kennisverspreiding); • Formuleren van onderzoeksprogramma (t.b.v. kennisontwikkeling); • Coördinatie OESO Nationaal Contact Punt: bevorderen van het naleven van de OESO-richtlijnen voor Multinationale ondernemingen; • Ontwikkelen van richtlijnen voor transparantie door Raad voor de Jaarverslaggeving; • Formuleren van overheidsbrede agenda inzake MVO; • Uitzetten van een meting over MVO-gedrag bij bedrijven (mbv. Ondernemerschapsmonitor). EZ, LNV, VROM2003
Het energiebeleid moet gericht zijn op een overgang naar duurzame energie en een duurzame energiehuishouding en een kostenefficiënte uitvoering van de Kyoto-verplichtingen. 22 Realisatie CO2-reductie op kosteneffectieve wijze in het buitenland [artikel 4]• Joint Implementation (start eerstkomende tender); • Start tender private banken; • Inzet voor internationaal systeem van emissiehandel; • Contract verwerven emissiereducties via EBRD en IFC; • Contract verwerving emissiereducties IBRD; • Aankoop reducties via PCF (einde experiment). EZ, overheden Annex I landen, EU, investeerders in buitenland, EBRD, IBRD, VROM, FIN, bedrijfsleven2002–2006
Andere elementen van de [duurzame energie-] aanpak zijn ondermeer inzet op alternatieve, duurzame energiebron-nen zoals windmolenparken, stimulering van het gebruik van verhandelbare emissierechten en bevordering van vrijwillige afspraken met sectoren van het bedrijfsleven.22    
Het energiebeleid moet gericht zijn op een overgang naar duurzame energie en een duurzame energiehuishouding en een kostenefficiënte uitvoering van de Kyoto-verplichtingen22Op gang brengen transitieproces naar een duurzame energiehuishouding [artikel 4]• Implementatie nieuwe energie-onderzoeksstrategie door het opstellen van de energie R&D-portfolio op basis van criteria duurzaamheid en internationale positie, vernieuwing van het instrumentarium, en het nader bezien van de organisatie van het Nederlands energie-onderzoek.EZ, kennisinstellingen, bedrijfsleven, energiebedrijven. 2003
   • Starten aantal concrete transitietrajecten, bijv. 'Modernisering energieketens', 'Biomassa Internationaal', 'Nieuw Gas' en 'Duurzaam Rijnmond';Bedrijfsleven, EZ, kennisinstellingen2002-e.v.
   Zorgdragen voorzieningszekerheid energie door: • Ontwikkeling marktmonitoringssysteem; • Handhaving leveringszekerheid elektriciteitsproductie en betrouwbaarheid energienetten; • Aantonen nut en noodzaak gaswinning op specifieke locaties (gasnota); • In kaart brengen kosten en baten van voorzieningszekerheid; • Bijdrage gericht op openhouden mogelijkheden in EU regels voor afsluiten lange termijn contracten; • Nieuwe overeenkomst EPZ afsluiten (Borssele); • Proefprojecten gas en wind; • Stroomlijning procedures en wegnemen belemmeringen ruimtelijke ordening. EZ, Energiebedrijven, NAM, milieubeweging, mede-overheden2002–2006
Aardgas is en blijft de komende decennia een belangrijke energiebron in Nederland en de Europese Unie. Voortzetting van het Nederlandse kleine veldenbeleid van nadelige ecologische gevolgen blijkt. 23Zorgdragen voor een goed mijnbouwklimaat [artikel 7];• Aantonen nut en noodzaak gaswinning op specifieke locaties (gasnota). EZ2002
Andere elementen van de [duurzame energie-] aanpak zijn ondermeer inzet op alternatieve, duurzame energiebron-nen zoals windmolenparken, stimulering van het gebruik van verhandelbare emissierechten en bevordering van vrijwillige afspraken met sectoren van het bedrijfsleven. 231,3% energie-efficiencyverbetering per jaar [artikel 4]• Stroomlijning instrumentarium en verminderen aandeel freeriders; • Benchmarkconvenant/ MJA's; • Inzet op invoering Europese energieheffing; • Technologie-instrumentarium (o.a. EET en First Mover Faciliteit). EZ, EU, VROM, V&W, bedrijfsleven2002–2006
De ontkoppeling die de afgelopen jaren tot stand is gebracht tussen economische groei en milieudruk dient te worden vastgehouden.  10 % duurzaam in 2020 [artikel 4]• Realisatie wind op zee; • Versnellen plaatsing windturbines; • Uitvoering actieplan Biomassa (continu tijdens kabinetsperiode); • Invoering wijziging elektriciteitswet waarmee landelijke netbeheerder de taak krijgt om onder andere duurzame energie in Nederland te stimuleren en waarmee de zekerheid voor investeerders wordt vergroot (wetsvoorstel Milieukwaliteit elektriciteitsproductie (MEP); • Wegnemen belemmeringen ruimtelijke ordening. EZ, VROM, V&W, LNV, Fin2002–2006
Gegeven de Kyoto-verplichtingen is het niet zinvol de kerncentrale te Borssele voortijdig te sluiten. Het kabinet dient met de producent/eigenaar in overleg te treden over het openhouden van de centrale in relatie tot de economische en veilige levensduur en hier afspraken over te maken.23Op gang brengen transitieproces naar een duurzame energiehuishouding [artikel 4]• Nieuw overeenkomst EPZ afsluiten (Borssele). EZ, VROM2002

2.2 DE BELEIDSARTIKELEN

1 WERKING VAN DE BINNENLANDSE MARKTEN

 Onderdelen toelichting
 1.1Algemene doelstelling
 1.2Operationele doelstellingen
  1.2.1 Tegengaan concurrentieverstoringen
  1.2.2 Bevorderen concurrentiemechanismen
  1.2.3 Versterken economische dynamiek
  1.2.4 Bevorderen transparantie en eerlijke handel
 1.3Budgettaire gevolgen van beleid
 1.4Budgetflexibiliteit
 1.5Evaluatieplanning
 1.6Groeiparagraaf

1.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het bevorderen van een optimale ordening en werking van (binnenlandse) markten, zodat wordt bijgedragen aan een duurzame economische groei. De burger plukt daar als consument en als belastingbetaler de vruchten van.

Het marktwerkingsbeleid richt zich op het bevorderen van een optimale ordening en werking van (binnenlandse) markten, zodat wordt bijgedragen aan een duurzame economische groei. Het versterken van de productiviteitsgroei is een belangrijk thema op de economische beleidsagenda. Door effectieve concurrentie en vergroting van marktdynamiek levert marktwerking een positieve bijdrage aan een verbetering van de productiviteit1. Eén van de belangrijkste redenen hiervan is dat concurrentie voor een voortdurende druk op de prijs zorgt, waardoor bedrijven aangespoord worden om productiever te produceren.

Realisatie van de doelstellingen en prestaties van dit beleidsartikel is sterk afhankelijk van externe factoren. Economische factoren spelen hierbij een belangrijke rol. Daarnaast is EZ afhankelijk van het beleid van andere overheidsinstanties, bijvoorbeeld andere ministeries en de Europese Unie. Ook het bedrijfsleven en handhavings- en keuringsinstanties zijn van invloed op de resultaten van het beleid. Tot slot spelen ook technische factoren een rol. Gezien deze externe invloedsfactoren is EZ systeemverantwoordelijk en niet resultaatverantwoordelijk.

1.2 Operationele beleidsdoelstellingen

Meer marktwerking betekent niet automatisch minder overheid. Marktwerking gaat hand in hand met marktordening. Regelgeving geldt daarom niet als substituut, maar als complement van marktwerking; markten functioneren niet goed zonder een adequaat institutioneel kader. Vanuit drie rollen streeft de overheid het bevorderen van een optimale ordening en werking van markten na:

• De overheid heeft ten eerste een rol bij het waarborgen van transparantie waardoor consumenten in staat zijn om op basis van voldoende informatie goede keuzen te kunnen maken.

• Daarnaast heeft de overheid een belangrijke rol bij het bepalen van het speelveld, oftewel in welke sectoren zijn er wel concurrentiemechanismen mogelijk en in welke sectoren niet. Hierbij horen het maken van de regels van het spel, het bepalen van de condities waaronder de spelers deelnemen en (waar nodig) het bepalen van de wijze waarop het publieke belang wordt gewaarborgd.

• Tenslotte heeft de overheid een rol bij het toezicht. De overheid wijst de scheidsrechter aan en bepaalt de wijze van toezicht. Het gaat hierbij om het waarborgen van eerlijk spel en het voorkomen van overtreding van regels en overschrijding van domeinen.

De algemene beleidsdoelstelling kan worden opgesplitst in een viertal operationele beleidsdoelstellingen, die samenhangen met bovenstaande rollen:

1.2.1 Het tegengaan van concurrentieverstoringen op de binnenlandse markten door middel van onder meer de Mededingingswet.

1.2.2 Het bevorderen van concurrentiemechanismen in met name netwerk- en (semi-) publieke sectoren.

1.2.3 Het versterken van de economische dynamiek door onder meer de operatie Beter Bestuur voor Burger en Bedrijf en het verminderen van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven.

1.2.4 Het bevorderen van transparante en eerlijke handel, zowel tussen de ondernemer en consument als tussen ondernemers onderling door onder meer aandacht voor de positie van de consument en instrumenten als normalisatie/certificatie en accreditatie.

1.2.1 Het tegengaan van concurrentieverstoringen op de binnenlandse markten door middel van onder meer de Mededingingswet

Zowel het adequaat uitvoeren van de Mededingingswet door de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) als de versterking van deze wet dragen bij aan het waarborgen van keuzevrijheid van afnemers en de instandhouding van de vrijheid voor ondernemingen om te kunnen concurreren met andere ondernemingen. Het wetsvoorstel Markt & Overheid voorziet in het tegengaan van concurrentievervalsing door publieke instellingen.

a) De uitvoering van de Mededingingswet:

De NMa voert de Mededingingswet uit. Concreet voorziet de wet in de volgende instrumenten:

– Karteltoezicht: het tegengaan van concurrentiebeperkende onderlinge afspraken en het aanpakken van misbruik van economische machtsposities;

– Concentratietoezicht: het voorkomen van het ontstaan of de versterking van economische machtsposities als gevolg van fusies en overnames;

– Sanctionerend optreden: opleggen van passende boetes en vaststelling lasten onder dwangsom ter redressering van ongewenst handelen.

NMa

Het wetsvoorstel tot omvorming van de NMa tot zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) is in januari 2002 door de Tweede Kamer aangenomen. De Minister heeft de Eerste Kamer verzocht de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer aan te houden, gezien de relatie met een drietal andere onderwerpen, waaronder de uitkomsten van de evaluatie van de Mededingingswet. Thans wordt een kabinetsstandpunt over deze onderwerpen voorbereid. Indien de Eerste Kamer het wetsvoorstel eind 2002 goedkeurt, zal de NMa in het voorjaar van 2003 worden omgevormd tot ZBO. NMa en EZ stellen een statuut op waarin de nieuwe onderlinge relatie en informatiestroom wordt vastgelegd. In dit relatiestatuut wordt ook de relatie tussen EZ en de nieuwe Energiekamer van de NMa geregeld, die wordt ingesteld nadat de NMa de ZBO-status heeft gekregen.

Om de consistentie en samenhang van toezicht te vergroten wordt binnen de NMa een Vervoerskamer opgericht. Verder is EZ met VWS in gesprek over de vormgeving van het mededingingstoezicht in de zorgsector.

Kengetallen over handhaving en bedrijfsvoering staan in het jaarverslag van de NMa en niet langer in de begroting van EZ. Het jaarverslag en haar bevindingen hierbij stuurt EZ naar de Tweede Kamer.

DTe

De Dienst uitvoering en Toezicht energie (DTe), die als een kamer bij de NMa is ondergebracht, is belast met de uitvoering van en het toezicht op de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet. De DTe voert hiertoe verschillende werkzaamheden uit, waaronder het vaststellen van tarieven en voorwaarden voor het transport en de levering van gas en elektriciteit, het voorbereiden en verstrekken van leveringsvergunningen en het eventueel sanctionerend optreden bij het niet nakomen van verplichtingen.

De Tweede Kamer heeft in het parlementaire debat over de verzelfstandiging van de NMa aangegeven meer inzicht te willen hebben in het werkprogramma van de DTe en de wijze waarop de DTe haar wettelijke instrumenten in de praktijk in zal zetten. Daarop is besloten om in de Elektriciteitswet op te nemen dat de DTe een handhavingsplan dient op te stellen. Het handhavingsplan informeert marktpartijen over de wijze waarop de verschillende handhavingsbevoegdheden door de DTe zullen worden toegepast en welke procedures daarbij worden gehanteerd. Het handhavingsplan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Minister van EZ, aangezien deze verantwoordelijk is voor het algemene handhavingsbeleid. Een eerste handhavingsplan van de DTe wordt eind 2002 verwacht.

Elk jaar voor 1 mei dient de DTe haar jaarverslag te presenteren, waarin wordt aangegeven welke activiteiten zijn ontplooid in de voorafgaande periode en welke accenten daarin zijn gelegd. In 2003 wordt tevens vooruitgekeken naar de komende activiteiten en speerpunten, gekoppeld aan marktontwikkelingen en de toezichtvisie van DTe.

Tabel 1.2.1a: Prestatie-indicatoren DTe
Instrument/activiteitPrestatie-indicator
Door EZ goedgekeurd HandhavingsplanInwerkingtreding in 2003
Jaarverslag DTe en Bevindingen EZTweede Kamer brief

Naar aanleiding van de resultaten van het klantentevredenheidsonderzoek dat de DTe in 2001 heeft laten uitvoeren, is zij gestart met een aantal belangrijke verbeteracties. Deze verbeterslag in de (werk)relatie tussen DTe en haar klanten zal in 2003 worden voortgezet en gemonitord. Eveneens wordt een aantal beleidsregels voorbereid teneinde duidelijkheid te verschaffen voor marktpartijen over een aantal specifieke thema's.

b) Het versterken van de Mededingingswet: Versterking van de Mededingingswet betekent een voortdurend onderhouden en bewaken (van de uitvoering) van deze wet. Daartoe heeft EZ de Mededingingswet in 2002 geëvalueerd.

De Europese Commissie legt in 2002 de laatste hand aan een voorstel tot herziening van Verordening 17. Deze verordening betreft de modernisering van het handhavingssysteem voor het Europese mededingingsrecht. Nederland dient enkele artikelen uit deze verordening te implementeren. Concreet zien de nieuwe handhavingsregels toe op:

– Het decentraliseren van bepaalde bevoegdheden van het EG-Verdrag naar de rechters en mededingingsautoriteiten van de verschillende lidstaten;

– Het afschaffen van het notificatiesysteem (dat Nederland ook nog kent);

– Het versterken van de controle achteraf door de nationale mededingingsautoriteiten en de Europese Commissie.

Belangrijk is dat de Europese Commissie, de nationale mededingingsautoriteiten en de nationale rechters een coherente toepassing van de Europese mededingingsregels waarborgen. Daarnaast moet de rechtszekerheid van ondernemingen gewaarborgd zijn. Ondernemingen hebben in het nieuwe systeem niet langer de administratieve last van de aanmelding om een ontheffing te krijgen (de zogenaamde notificatieplicht), maar zij moeten zelf beoordelen of hun afspraken verenigbaar zijn met het mededingingsrecht. Deze regels dienen daarom helder en transparant te zijn.

Om de conclusies uit de evaluatie van de Mededingingswet en de consequenties van de modernisering op elkaar aan te laten sluiten, komt EZ met voorstellen tot wijziging van de Mededingingswet.

Tabel 1.2.1b: Prestatie-indicator versterken Mededingingswet
Instrument/activiteitPrestatie-indicator
MededingingswetAanpassingswetsvoorstel gereed in 2003 n.a.v. evaluatie en modernisering

c) Tegengaan van oneerlijke concurrentie door (semi-) publieke instellingen: Door bijvoorbeeld monopolieposities, publieke bevoegdheden en het beheren van publieke gegevensbestanden kunnen overheidsorganisaties op bepaalde gebieden een voorsprong hebben ten opzichte van marktpartijen. Hierdoor kan sprake zijn van ongelijke concurrentie. Aan dergelijk marktoptreden worden daarom wel de nodige voorwaarden gekoppeld. Deze voorwaarden zijn neergelegd in het wetsvoorstel Markt & Overheid. Dit wetsvoorstel beoogt oneerlijke concurrentie door overheidsorganisaties en ondernemingen met een uitsluitend of bijzonder recht tegen te gaan.

Tabel 1.2.1c: Prestatie-indicator oneerlijke concurrentie door (semi-) publieke instellingen
Instrument/activiteitPrestatie-indicator
Wet Markt & OverheidPublicatie in Staatsblad in 2003

1.2.2 Het bevorderen van concurrentiemechanismen in met name netwerk- en (semi-) publieke sectoren

De Nederlandse economie is gebaat bij netwerk- en (semi-) publieke sectoren, die hoge kwaliteit leveren, en efficiënt en innovatief zijn. Tegelijkertijd dienen de publieke belangen gewaarborgd te zijn. Naast betrouwbaarheid en doelmatigheid (goede prijs/kwaliteitsverhouding) moeten er voldoende keuzemogelijkheden zijn voor de consument. In dit verband zijn twee aspecten van belang. Allereerst de bepaling wát de verantwoordelijkheid is van de overheid en ten tweede waar het ondernemerschap van private partijen kan worden geïntroduceerd.

Achtereenvolgens komen aan de orde:

1.2.2.1 Bevordering van concurrentie in de elektriciteits- en gasmarkt

1.2.2.2 Het ordenen van de overige netwerksectoren

1.2.2.3 Bevorderen concurrentiemechanismen publieke sector

1.2.2.1 Bevordering van concurrentie in de elektriciteits- en gasmarkt

EZ bevordert concurrentie in de netwerksectoren elektriciteit en gas. EZ streeft naar een goedwerkende markt voor elektriciteit en gas, waarbij afnemers keuzevrijheid hebben ten aanzien van hun leverancier en de kwaliteit van dienstverlening wordt vergroot. Om dit te realiseren is EZ zowel facilitator als regisseur in zowel de elektriciteits- als gasmarkt.

De liberalisering van de energiemarkten heeft de afgelopen jaren gestalte gekregen maar het transitieproces is nog gaande. Daarom zal EZ in 2003 actief verder gaan met de verdere ordening van de elektriciteits- en gasmarkt.

a) Wetgeving: EZ bepaalt het speelveld en de spelregels door middel van wetgeving. Dit traject is in 1998 in gang gezet met de totstandkoming van de Elektriciteitswet, in 2000 gevolgd door de Gaswet. Oogmerk van beide wetten is het vrijmaken van de markten door het gefaseerd openen hiervan.

In 2002 zijn beide wetten voor het eerst geëvalueerd. De resultaten hiervan zijn aan de Tweede Kamer aangeboden. Het fundament van beide wetten is goed en behoeft geen aanpassing. Wel zal in 2003 een wetsvoorstel met een aantal kleinere wijzigingen bij de Tweede Kamer worden ingediend.

b) Tempo liberalisering: Per 1 januari 2002 kan de groep van middelgrote gebruikers van elektriciteit en gas zijn leverancier zelf kiezen. Bijna één op de drie ondernemers heeft van deze vrijheid gebruik gemaakt.

De overgang naar een volledig geliberaliseerde markt wordt voorbereid door het Platform Versnelling Energieliberalisering (PVE) waarin alle belangrijke spelers vertegenwoordigd zijn. Het platform heeft geadviseerd om het tempo te versnellen en de overgang per 1 oktober 2003 te laten ingaan. De kleinverbruikers zullen worden geïnformeerd via een uitgebreide voorlichtingscampagne, die tenminste een half jaar voor opening van de markt zal starten. Het doel van de campagne is kleinverbruikers te informeren over hun aanstaande keuzevrijheid, de wijze waarop men van leverancier kan wisselen en het feit dat bij faillissement van de leverancier een ander zal zorgdragen voor continuering van de levering (supplier of last resort). De Minister van EZ zal deze campagne ondersteunen. Ook zal EZ activiteiten ontplooien op het gebied van consumentenbescherming. In PVE-verband wordt reeds gewerkt aan de regeling voor «supplier of last resort». Voor de uiteindelijke vrijmaking van de consumentenmarkt zal deze regeling operationeel zijn en via regelgeving zijn verankerd.

Het PVE zal begin 2003 monitoren hoe ver de energiebedrijven zijn met het implementeren en testen van de systemen die nodig zijn voor een soepel verloop van de vrije markt. Daarbij kan gedacht worden aan geautomatiseerde systemen voor leverancierswisseling en verhuizingen. De Minister van EZ en DTe zullen op basis van een in 2002 gehouden inventarisatie besluiten of er nog aanvullende maatregelen getroffen moeten worden om een soepele overgang naar een volledig geliberaliseerde elektriciteits- en gasmarkt te garanderen. De Tweede Kamer zal hierover een half jaar voor de opening van de markt voor kleinverbruikers worden geïnformeerd.

c) Internationaal level playing field: De verschillen tussen de lidstaten van de Europese Unie als het gaat om de mate van liberalisering, zowel kwantitatief als kwalitatief, blijven voorlopig nog bestaan. Nederland zal bijdragen aan verdere liberalisering en het realiseren van een werkelijk Europees «level playing field» door ondersteuning van de voorstellen van de Europese Commissie voor de elektriciteitrichtlijn, de gasrichtlijn en de verordening met betrekking tot grensoverschrijdend transport van elektriciteit. Vooral op het gebied van milieu en fiscaliteit is een verdere Europese harmonisering van groot belang. EZ hoopt in 2003 verdere resultaten te kunnen presenteren aan de Kamer.

Nederland is actief in de Florence- (elektriciteit) en Madrid (gas)fora. Dit zijn informele fora waarbinnen de Europese Commissie, lidstaten, regelgevende instanties en toezichthouders (voor Nederland de Dienst Toezicht energie) en de beheerders van de landelijke elektriciteits- en gasnetten samenwerken aan het vormgeven van een interne markt voor gas en elektriciteit en met name het wegwerken van blokkades, zodat een werkelijk level playing field in Europa ontstaat.

Tabel 1.2.2.1a: Prestatie-indicator ordenen energiemarkten
Instrument/activiteitPrestatie-indicator
Soepele overgang van consumenten naar geliberaliseerde marktTweede Kamerbrief half jaar voor opening van de markt

d) Groene markt: Met de introductie van concurrentie heeft de markt voor duurzame elektriciteit in 2002 een impuls gekregen. Zowel de vraag naar als productie van duurzame elektriciteit is toegenomen. Per 1 juli 2002 (dus na 1 jaar) waren één miljoen huishoudens overgestapt op groen; 15% daarvan heeft een nieuwe leverancier gekozen. Met de liberalisering van de groene markt wordt beoogd om een bijdrage te leveren aan het bereiken van de duurzame energie doelstellingen die in Europees verband zijn afgesproken. De vrije markt wordt ondersteund door een systeem van groencertificaten en financiële stimulering (MEP, REB). Met een groencertificaat wordt aangetoond dat een producent een bepaalde hoeveelheid elektriciteit op duurzame wijze heeft geproduceerd en op het elektriciteitsnet heeft ingevoed. De groencertificaten zijn gescheiden van de stroom vrij verhandelbaar.

Uiterlijk 27 oktober 2003 dient de Richtlijn betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt (2001/77/EG) volledig in de Nederlandse wetgeving te zijn geïmplementeerd.

Tabel 1.2.2.1b: Prestatie-indicator ordenen energiemarkten
Instrument/activiteitPrestatie-indicator
Groene marktImplementeren Europese richtlijn: Duurzame elektriciteit voor 27/10/2003

e) Overgangswet elektriciteitsproductiesector: In de Overgangswet elektriciteitsproductiesector (Stb. 2000, nummer 607) is opgenomen dat een tegemoetkoming zal worden verstrekt in de kosten die voortvloeien uit overeenkomsten met betrekking tot stadsverwarming die tussen productiebedrijven en leveranciers zijn gesloten voor het tijdstip van intrekking van de Elektriciteitswet 1989, voor zover de bij die contracten overeengekomen projecten in uitvoering zijn genomen voor dat tijdstip. Deze tegemoetkoming zou volgens de Overgangswet gedekt moeten worden door een toeslag, verschuldigd door afnemers van elektriciteit. De Europese Commissie heeft medio 2001 ingestemd met de tegemoetkoming, maar kon zich niet vinden in de toeslag. Dit besluit heeft tot gevolg gehad dat de Tweede Kamer een wetsontwerp ter reparatie van de Overgangswet elektriciteitsproductiesector is aangeboden en dat de tegemoetkoming in de kosten ten laste van de Rijksbegroting wordt gebracht. Vooruitlopend op de reparatie van de Overgangswet bestaat de mogelijkheid om de bedrijven op basis van een declaratie een voorschotbetaling te verstrekking op de tegemoetkoming in bovengenoemde kosten. Voor het jaar 2001 is van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

f) Voorzienings- en leveringszekerheid: Wereldwijd is de aandacht voor voorzienings- en leveringszekerheid van de energiehuishouding sprongsgewijs toegenomen. De regering van de Verenigde Staten heeft leveringszekerheid centraal gesteld in het regeringsbeleid. De overheid moet immers blijven garanderen dat ook in de situatie van vergrote dynamiek de kwaliteit van de energievoorziening op een hoog peil blijft. In hoofdstuk 2 van het Energierapport 2002 (Kamerstukken II 2001/02, 28 241, nr. 1) wordt ook op dit thema ingegaan. De resultaten voortvloeiend uit de hierin aangekondigde activiteiten zullen uiterlijk begin 2003 aan de Tweede Kamer worden gepresenteerd.

Hieronder wordt nader ingegaan op monitoring, waarborging van de netkwaliteit, het aanbod van elektriciteit, ruimtelijke ordening en milieu en kosten en baten.

Monitoring

In 2002 is een aantal initiatieven door EZ en de DTe gestart op het gebied van marktmonitoring. In een zich liberaliserende energiemarkt dienen gegevens beschikbaar te zijn die inzicht verschaffen over de stand van zaken op de energiemarkt op een bepaald moment. Het gaat hier om gegevens zoals energieprijzen, vraag-aanbod-ontwikkeling, import/export, diversificatie naar productiemiddel, productiekosten, reservecapaciteit, het buiten bedrijf stellen van eenheden en dergelijke. Het doel is de transparantie van de markt te vergroten onder andere om meer zekerheid te hebben over de ontwikkeling van vraag en aanbod in de elektriciteitsproductiesector. Een marktmonitoringssysteem zal medio 2003 gereed en operationeel zijn. Hiermee wordt tevens invulling gegeven aan het betreffende onderdeel van de groeiparagraaf uit de EZ-begroting 2002.

Waarborging netkwaliteit

Voldoende capaciteit en kwaliteit van de netten zijn van doorslaggevend belang voor de leveringszekerheid. In internationaal perspectief scoren de Nederlandse netten wat dit betreft uitgesproken goed. Tegelijkertijd zijn de bestedingen aan onderhoud aan, en investeringen in de netten teruggelopen. Deze tendens is al langere tijd zichtbaar. Gewaarborgd moet worden dat DTe voldoende handvaten heeft om toe te zien op de kwaliteit van het netwerk. Zo nodig moet de wetgeving aangepast worden om voldoende aanknopingspunten te hebben om bij de bepaling van een redelijke prijs voor transport en levering de capaciteit en betrouwbaarheid van het netwerk mee te wegen. In elke geval zullen eind 2002 beleidsregels worden gepubliceerd waarin de uitgangspunten voor kwaliteitsregulering door de DTe worden neergelegd. In 2002 zal vastgesteld worden of aanvullend beleid nodig is om de capaciteit en kwaliteit van de netten te waarborgen. Op hoofdlijnen zal ook de aard van zulk beleid worden bepaald, waarna het in 2003 concreet uitgewerkt zal worden.

Aanbod van elektriciteit

Het aanbod van elektriciteit verdient de aandacht uit oogpunt van leveringszekerheid. Hoewel op dit moment geen problemen worden verwacht zal in de komende jaren worden bezien hoe op eventuele problemen kan worden geanticipeerd. Naast de eerder genoemde monitoring zal aandacht worden besteed aan:

• Het investeringsklimaat voor elektriciteitsproductievermogen;

• De rol die importcapaciteit kan spelen bij de leveringszekerheid;

• Het verbeteren van markttransparantie;

• Het beoordelen van de ontwikkeling van het reservevermogen, en

• Het uitwerken van overheidsmaatregelen om de leveringszekerheid ook op langere termijn te kunnen garanderen.

In 2002 zal nader beleid ten aanzien van deze onderwerpen worden uitgewerkt. In 2003 zullen maatregelen worden ingevoerd om de markttransparantie te vergroten. Daarnaast zijn maatregelen te verwachten ter verbetering van het investeringsklimaat en zullen maatregelen worden genomen om in geval van calamiteiten de leveringszekerheid te kunnen garanderen.

Ruimtelijke ordening en milieu

Met het oog op de voorzieningszekerheid en de transitie naar een duurzame energiehuishouding is het van groot belang dat optimaal gebruik wordt gemaakt van de energiebronnen die we in Nederland tot onze beschikking hebben (met name gas en wind). De ontwikkeling van nieuwe productielocaties verloopt de laatste jaren steeds trager en moeizamer. Dit heeft te maken met de toenemende spanning bij het afwegen van enerzijds economische belangen en anderzijds belangen die te maken hebben met natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De spanning komt onder meer tot uitdrukking in langdurige en ingewikkelde procedures. In 2002 is gestart met het uitwerken van oplossingsrichtingen. Met het oog op verkorting van procedures is een MDW Verkenning gestart. Tevens wordt een communicatietraject gestart om het draagvlak voor energieprojecten te vergroten. Eveneens zal worden nagegaan of aan de hand van ervaringen met andere grote infrastructurele projecten een proefproject kan worden gestart. Dit dient te gebeuren in samenspraak met producenten, natuur- en milieuorganisaties en overheden. Bovengenoemd traject wordt in 2003 voortgezet. De Tweede Kamer zal hierover per brief worden geïnformeerd.

Kosten en baten

Conform aankondiging in het energierapport 2002 werkt EZ aan een kosten-batenanalyse voorzieningszekerheidsbeleid. Doel van een kosten-batenanalyse is om te trachten waar mogelijk de voorzieningszekerheid te kwantificeren en zo een beter beeld te krijgen van wat voorzieningszekerheid kost resp. wat de samenleving ervoor terugkrijgt. Daarmee kan een betere afweging plaatsvinden tussen de verschillende manieren om voorzieningszekerheid te vergroten en tussen de voorzieningszekerheid en de andere onderdelen van het energiebeleid (economische efficiëntie en milieukwaliteit).

Tabel 1.2.2.1c Prestatie-indicator ordenen energiemarkten
Instrument/activiteitPrestatie-indicator
VoorzieningszekerheidMarktmonitoringssysteem opzetten

1.2.2.2 Het ordenen van de overige netwerksectoren

In artikel 10 wordt ingegaan op het beleid in de netwerksectoren telecommunicatie, kabel en post. De overige netwerksectoren (bijvoorbeeld de spoor-, water- en afvalsector) vallen niet primair onder de verantwoordelijkheid van EZ. Toch zal EZ vanuit haar verantwoordelijkheid voor het nationale marktordeningsbeleid via interventies mede richting geven aan de ontwikkeling van optimale werking van deze sectoren. Interventie kan plaatsvinden op nationaal niveau en op internationaal niveau (bijvoorbeeld Europese Unie). In de praktijk betekent dit dat EZ deelneemt aan interdepartementale en internationale overleggen, waarbij zij zich inzet voor het ontwikkelen van een bij de netwerksector passende marktordening.

De overheidsverantwoordelijkheid voor publieke belangen als universele dienstverlening en bescherming van gebonden klanten moet vorm krijgen in de wijze van aansturing door de overheid van de onderscheidenlijke sectoren. Daarvoor is een breed scala aan modaliteiten beschikbaar. De overheid kan zelf de productie en distributie van deze diensten voor haar rekening nemen, maar het is ook mogelijk dit op verschillende wijzen over te laten aan private partijen, waarbij de overheid de rol heeft van regelgever en toezichthouder. Bij de keuze van de modaliteit van marktordening moet leidend zijn de vraag welke modaliteit leidt tot de meeste welvaart voor burgers en bedrijven. Marktwerking is dus geen doel op zich maar een mechanisme om zo doelmatig mogelijk om te gaan met schaarse middelen. De marktordening hangt af van de sectorspecifieke kenmerken en zal dan ook per sector verschillend worden vormgegeven.

In het eerste kwartaal van 2002 heeft EZ een omvangrijk project netwerksectoren afgerond. Resultaat was een visie met een eenduidig afwegings-kader, bedoeld om toekomstige discussies over de ordening van netwerksectoren meer gestructureerd te benaderen. Met het verder in de (inter)departementale beleidspraktijk inbedden van dit afwegingskader wordt mede invulling gegeven aan de motie-Voûte (Kamerstukken II, 2001–2002, 28 000 XIII, nr. 17) waarin wordt opgeroepen tot de inrichting van een kenniscentrum liberalisering, privatisering en MDW. Zoals in mei 2002 (Kamerstukken II, 28 000 XIII, nr. 54) aangekondigd, zal dit kenniscentrum nog in 2002 starten.

1.2.2.3 Bevorderen concurrentiemechanismen publieke sector

De kwaliteit van publieke dienstverlening staat hoog op de politieke agenda. Op diverse terreinen is en wordt fors geïnvesteerd. Investeringen in geld renderen echter alleen als ook investeringen in nieuwe structuren en instituties plaatsvinden. EZ richt zich op de vraag hoe op publieke terreinen de markt zo te ordenen en reguleren is dat de burger optimaal bediend wordt en het economisch proces optimaal de ruimte krijgt. Uitvoeringsmodaliteiten binnen verschillende beleidsterreinen zullen hiertoe kritisch worden getoetst. Daarnaast is versterking van vraagsturing een goed middel om tot betere prestaties binnen de publieke dienstverlening te komen. Via een project naar vraagsturing (-smechanismen) bouwt EZ kennis op die onder meer ingebracht zal worden in het eerder genoemde kenniscentrum.

Aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten komen voor het grootste gedeelte uit Brussel. Gebleken is dat die regels door de partijen die ze moeten gebruiken (aanbesteders en inschrijvers) als ingewikkeld en moeilijk hanteerbaar worden ervaren. De Nederlandse inzet bij de interpretatie en herziening van de Europese regels in Brussel wordt bepaald door de beginselen van non-discriminatie, transparantie, proportionaliteit, effectieve concurrentiestelling, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.

In 2002 evalueert EZ het Interdepartementaal Overleg Europese Aanbesteding (IOEA). Dit overlegorgaan heeft een faciliterende rol bij de toepassing van Europese aanbestedingsregels. Tevens inventariseert EZ de instrumenten die in andere Europese landen ingezet worden ten behoeve van naleving van deze regels. Deze inventarisatie dient om het Nederlandse instrumentarium hiermee te vergelijken en eventueel aan te passen. Tot slot, de projectorganisatie Professioneel Inkopen en Aanbesteden bevordert het gebruik van het aanbestedingsinstrument bij de Rijksoverheid.

1.2.3 Het versterken van de economische dynamiek door onder meer de operatie Beter Bestuur voor Burger en Bedrijf en het verminderen van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven

Achtereenvolgens wordt op de volgende beleidslijnen ingegaan:

1.2.3.1 De operatie Beter Bestuur voor Burger en Bedrijf

1.2.3.2 Het verminderen van de administratieve lasten

1.2.3.3 Het verlagen van de toetredingsdrempels

1.2.3.1 Operatie Beter Bestuur voor Burger en Bedrijf, naar een nieuwe balans tussen overheid en samenleving

In vervolg op de operatie Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (MDW) start het kabinet de operatie Beter Bestuur voor Burger en Bedrijf. EZ, BZK en Justitie coördineren de operatie, die drie speerpunten kent:

• Vergroten van de keuzevrijheid van burgers en ondernemers

• Terugdringen van bureaucratie en regelzucht

• Verbeteren kwaliteit overheidsfunctioneren en publieke dienstverlening

De precieze invulling van de agenda van de operatie zal vorm krijgen door contact met de maatschappij. Burgers, ondernemers, gemeenten en instellingen zullen bevraagd worden naar de problemen die zij ondervinden met regelgeving, bestuur en markten. EZ wil in de operatie in ieder geval de volgende voornemens verwezenlijken.

Vergroten van de keuzevrijheid van burgers en ondernemers door:

• invoeren van vraaggestuurde systemen;

• verruimen van toetredingsmogelijkheden tot markten;

• vergroten van markttransparantie;

• verruimen van de mogelijkheden voor maatwerk op de arbeidsmarkt;

• verbeteren van het ondernemings- en innovatieklimaat.

Terugdringen bureaucratie en regelzucht door:

• uitvoeren van de taakstelling voor verlaging van administratieve lasten;

• stroomlijnen en vereenvoudigen van regelgeving;

• verbeteren van uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van regels.

Verbeteren kwaliteit overheidsfunctioneren en publieke dienstverlening door:

• toetsen van overheidstaken op de mogelijkheid om deze aan de samenleving over te laten;

• verbeteren van de kwaliteit van uitvoering;

• vergroten van de afrekenbaarheid en transparantie.

Het kabinet komt na de zomer met een plan van aanpak voor de operatie.

Naast de nieuwe operatie, richt EZ zich op de implementatie van projecten uit de MDW operatie.

In totaal zijn er 69 MDW projecten. Daarvan zijn er 36 in de kabinetsperiode 1994–1998 gestart (MDW I projecten). Het vorige kabinet heeft ernaar gestreefd de MDW I projecten in de kabinetsperiode 1998–2002 nog volledig te implementeren. Dit is niet in alle gevallen gelukt. Hoewel er het afgelopen jaar vooruitgang is geboekt bij de zes projecten die nog niet zijn afgerond, is de doelstelling van 2002 niet gehaald. Met name bij de projecten Benzinemarkt, Loodsen en Markt en Overheid is de politieke discussie nog niet afgerond. In de andere gevallen heeft het wetgevingstraject meer tijd nodig dan verwacht.

De implementatie van de MDW II projecten kent in sommige gevallen een versnelling (AWBZ, Ketengarantiestelsels) en in andere vertraging (Geneesmiddelen, PVD/GDV). Ten opzichte van de vorige begroting zijn er elf nieuwe projecten in het schema opgenomen. Hieronder volgt een uitgebreid overzicht van de planning van de implementatie van de MDW I en MDW II projecten.

Tabel 1.2.3.1a: Voortgang implementatie MDW I projecten
Medio 2002 gereedNa medio 2002 gereed
AccountancyBenzinemarkt
AdvocatuurGeluidhinder
ArbowetgevingKinderopvang
AssurantiebemiddelingLoodsen
BeroepspensioenenMarkt en Overheid
BouwregelgevingVergunningsprocedures bedrijfsvestiging
 Concurrentiebeding
 Concurrentie en prijsvorming in de gezondheidszorg
Doorberekening handhavingkosten 
Eigen betalingen 
Elektronische rechtshandelingen 
Gerechtsdeurwaarders 
Hoger onderwijs 
Incasso auteursrechten 
Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (IVB) 
Kwaliteit EG-regelgeving 
Levensmiddelen wetgeving 
Makelaars 
Normalisatie en certificatie 
Preventief toezicht vennootschappen 
Productwetgeving 
Rijtijden 
Specifieke uitkeringen 
Stad en Regels 
Taxivervoer 
Toezicht geprivatiseerde nutsvoorzieningen 
Winkeltijdenwet 
Wet toegang ziektekosten verzekering (WTZ) 
Wet verontreiniging oppervlaktewateren (WVO) 

Vet gedrukte projecten zijn afgelopen jaar afgerond.

Tabel 1.2.3.1b: Voortgang implementatie MDW II projecten
Thans gereedPer 1-1-2003 gereedMedio 2003 gereedNa medio 2003 gereed
Harmonisatie ondernemers- en zelfstandigenbegripAWBZConcessies en aanbestedingenFaillissementswet
Toetsingsinstrumentarium decentrale regelgevingBinnenstadsdistributieGeneesmiddelenOnteigeningswet
Vouchers en PGB'sKetengarantiestelselsHarmonisatie planproceduresKansspelen
 LoonbegripMedische beroepenOpenbare inrichtingen
 PDV/GDVToezicht op het bedrijfsleven 
 ScholingsmarktZaaizaad- en plantgoedwet 
 Verhandelbare rechten  
 Voortijdige schoolverlaters  
 Woningcorporaties  
    
(3 projecten)(9 projecten)(6 projecten)(4 projecten)

Vet gedrukte projecten zijn afgelopen jaar afgerond.

In het overzicht zijn nog niet de projecten opgenomen die recent in de implementatiefase zijn gekomen en waarvoor nog geen implementatieplan beschikbaar is.

Sinds twee jaar worden de maatschappelijke kosten en baten van het MDW-programma in beeld gebracht. Deze kosten en baten zijn langs de vier beleidslijnen van MDW gerangschikt: het verminderen van administratieve lasten, het slechten van toetredingsdrempels tot markten, het bevorderen van kwaliteit en transparantie van wet- en regelgeving en kaderstellende projecten.

Het Kabinet heeft in de zevende voortgangsrapportage (Kamerstukken II 2001–2002, 24 036, nr. 258) over de implementatie van MDW voor de derde keer de maatschappelijke effecten van MDW-projecten geïnventariseerd, zoals al aangegeven in de begroting over 2002. Hieronder volgen enkele conclusies die op basis van deze brief kunnen worden getrokken:

Projecten in MDW beleidslijnGemeten effectenVoorbeelden van bijbehorende projecten
Verminderen administratieve lasten van wet- en regelgevingRuim 470 mln euro lastenverlichtingLoonbegrip, Bouwregelgeving, IVB Wm.
Bevorderen concurrentie door wegnemen toetredingsdrempels• Openbreken markten met exclusieve marktposities • Versterking concurrentie door introductie nieuwe concurrentiemiddelen • WerkgelegenheidseffectenProjecten gericht op vrije beroepen, Taximarkt, Benzinemarkt, Winkeltijden
Bevorderen kwaliteit en transparantie wet- en regelgevingModernisering overheid door: • Opschonen verouderde wetten en regels • Betere afstemming wetgevingscomplexenLevensmiddelenwetgeving, HOZ, Loonbegrip, EG-regelgeving
Kaderstellende projectenOntwikkeling nieuwe marktconforme, effectieve en efficiënte beleidsinstrumentenAccountancy, Normalisatie en certificatie, Toezicht op geliberaliseerde nutssectoren

1.2.3.2 Vermindering van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven

Administratieve lasten zijn de kosten om te voldoen aan informatieverplichtingen voortvloeiend uit wet- en regelgeving van de overheid. Zo spoedig mogelijk zal EZ aan de Tweede Kamer een plan van aanpak aanbieden gericht op een forse reductie van de administratieve lasten. Hierin zullen naast concrete maatregelen ook kwantitatieve reductiedoelstellingen per departement worden opgenomen.

EZ is op twee manieren betrokken bij de reductie van de administratieve lasten. Enerzijds als coördinerend ministerie, anderzijds als individueel ministerie met een eigen departementaal actieprogramma. Coördinatie wil niet zeggen dat EZ verantwoordelijk is voor het welslagen van het beleid: de beleidsverantwoordelijkheid voor de daadwerkelijke realisatie van de lastenreductie berust bij elk van de ministeries.

Als systeemverantwoordelijke zorgt EZ voor coördinatie en onderstaande infrastructuur. Naast frequent bilateraal contact tussen de ministeries en EZ organiseert EZ hiertoe het maandelijkse overleg met de departementale coördinatoren administratieve lasten Daarnaast voert EZ het secretariaat van de in 2002 gestarte Stuurgroep Administratieve lasten. In deze stuurgroep wordt de voortgang op hoog ambtelijk niveau besproken. EZ rapporteert jaarlijks aan de Tweede Kamer over de voortgang van de Rijksbrede aanpak van de administratieve lasten.

Vermindering van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven gebeurt hoofdzakelijk langs drie actielijnen:

1. Jaarlijks te actualiseren departementale actieprogramma's gericht op reductie van de administratieve lasten van bestaande regelgeving. Met ingang van de begroting 2003 worden deze actieprogramma's niet meer apart aangeboden aan de Kamer maar maken zij onderdeel uit van de departementale begrotingen;

2. Per 1 mei 2000 is een onafhankelijk adviescollege voor de toetsing van nieuwe regelgeving op de gevolgen voor de administratieve lasten (Actal) opgericht. Dit college wordt in 2002 geëvalueerd. Actal publiceert een eigen jaarverslag;

3. Versterkte inzet van ICT-toepassingen door uitvoering van het overheidsbrede Programma «ICT & Administratieve Lasten».

Tabel 1.2.3.2a: Prestatie-indicatoren departementale actieprogramma's
Instrument/activiteitPrestatie-indicator
Voortgangsrapportage administratieve lastenJaarlijkse publicatie gelijktijdig met departementale jaarverslagen
Departementale actieprogramma'sJaarlijks opgesteld door elk departement

De eerste actielijn betreft onder meer het eigen actieprogramma van EZ. In 2001 was de nulmeting voor EZ gereed. Uit deze nulmeting bleek dat EZ in totaal € 55,5 mln aan administratieve lasten veroorzaakt. Inmiddels heeft EZ haar lastendruk met 40% ten opzichte van 1994 verlaagd. Van de overige wetgeving van EZ heeft ongeveer 75% een internationaal karakter. EZ is dan ook niet in staat om deze wetgeving autonoom te wijzigen.

In 2002 heeft EZ onderzocht welke regelgeving van het Rijk met administratieve lasten zijn herkomst vindt in supranationale regelgeving (communautaire of verdragsrechtelijke verplichtingen) en wat het aandeel van die supranationale regelgeving is in de totale administratieve lasten in Nederland. Hiermee is inzichtelijk gemaakt bij welke regelgeving reductiemogelijkheden niet anders dan via een nieuw voorstel van de Europese Commissie gerealiseerd kunnen worden1.

Tabel 1.2.3.2b: Overzicht voorgenomen acties in 2003
WetsgevingsdomeinUitkomst NulmetingVoorgenomen actieInwerkingtredingVerwachte reductie
CBS-wet€ 45 mlnHerziening gehele wet2003€ 4,5 mln
Handelsregisterwet€ 25,372 mlnDiverse acties vanuit invoer elektronische dienstverlening2003 en 2004€ 1,4 mln
Vestigingswet€ 0,224 mlnDeregulering gehele wetUiterlijk 2006€ 0,224 mln
IJkwet€ 1,366 mlnImplementatie van EU-Richtlijn MetrologieStructureel vanaf 2004PM*
Wet Uitvoering Internationaal Milieuprogramma€ 0,055 mlnWordt in 2002 in overleg met de betrokkenen bepaald. 2003PM*

* Kwantificering is op dit moment nog niet mogelijk.

De derde actielijn is – zoals hierboven aangegeven – stroomlijning en koppeling van administratieve processen via de inzet van ICT. Op deze manier kunnen ondernemers makkelijker voldoen aan de informatievraag van de overheid en wordt de informatie die zij verschaffen beter benut. Ook binnen deze actielijn vervult EZ een coördinerende en regisserende rol.

Eind 2001 zijn de Regiecommissie ICT & Administratieve Lasten (meest betrokken overheidsorganisaties op hoog ambtelijk niveau) en het Platform ICT & Administratieve Lasten (vertegenwoordiging van overheid en bedrijfsleven) ingesteld. Onder verantwoordelijkheid van deze gremia is een overheidsbreed Programma ICT & Administratieve Lasten ontwikkeld. Reeds langer lopende projecten als het Bedrijvenloket, Elektronische Heerendiensten, Basisbedrijvenregister en Overheidsformulieren Online zijn onderdeel van dit programma. Het programma zorgt voor een gedeelde en actueel gehouden visie op de gewenste ontwikkelingen, voor een gezamenlijke kader voor domeinoverstijgende afstemming en aansturing, alsmede voor een gerichte implementatiestrategie die de noodzakelijke voortgang waarborgt. In 2003 staat de uitvoering van dit programma centraal.

Daarnaast zet EZ ook een aantal nieuwe projecten op. Zo wordt een intermediaire organisatie ingericht die het informatie- en gegevensverkeer tussen het bedrijfsleven en de overheidsinstellingen gaat faciliteren.

Tabel 1.2.3.2c: Prestatie-indicatoren ICT-projecten
Instrument/activiteitPrestatie-indicator
BasisbedrijvenregisterAanbieding van voorstel Wet op het Basisbedrijvenregister aan Raad van State in 2004
Overheidsformulieren OnlineFormulierengenerator beschikbaar voor departementen en daaraan gelieerde uitvoeringsorganisaties

Naast de genoemde actielijnen beschikt EZ in het kader van de Bedrijfseffectentoets over het Steunpunt Voorgenomen Regelgeving. Dit Steunpunt ondersteunt ministeries bij het in kaart brengen van de bedrijfseffecten (en in samenwerking met het ministerie van VROM de milieueffecten) van ontwerpregelgeving ten behoeve van een meer afgewogen besluitvorming door ministerraad en parlement. De administratieve lasten voor het bedrijfsleven vormen een onderdeel van deze Bedrijfseffectentoets.

Ook geeft EZ nader vorm aan de structurele aanpak van de verbetering van regelgeving op Europees niveau. Dit gebeurt onder meer via participatie in een High Level Group die voorstellen heeft geformuleerd voor de verbetering en vereenvoudiging van regelgeving op Europees niveau. Deze voorstellen zijn besproken tijdens de Europese Raad in Sevilla in juni 2002. Nederland dringt aan op een «fast-track» procedure, zodat vereenvoudiging van bestaande regelgeving efficiënt kan worden doorgevoerd en het instellen van een monitoringgroep (instellingen én lidstaten) die uitvoering nauwgezet volgt. Hiernaast wordt op het Europese vlak zowel op formele als informele wijze getracht richting te geven aan de verbetering van de kwaliteit van de regelgeving vanuit de Europese Commissie. Dit gebeurt enerzijds in het Internal Market Advisory Committee (IMAC) dat zich bezighoudt met deregulering op Europees niveau en anderzijds via het Better Regulation Network dat bedoeld is voor overleg tussen lidstaten over efficiëntere EU-regelgeving en uitwisseling van praktijkvoorbeelden.

1.2.3.3 Het verlagen van de toetredingsdrempels

EZ beoogt belemmeringen voor ondernemerschap en concurrentie zoveel mogelijk weg te nemen en, waar publiek belang en/of Europese regelgeving om regels vragen, deze regels tot een minimum te beperken. Als vanwege een algemeen of publieke belang sectorale marktordening gewenst is, streeft EZ een zodanige ordening na, dat zoveel mogelijk prikkels aanwezig zijn voor aanbieders van producten of diensten. Veelal is hier sprake van interventies richting andere ministeries of Brussel. Voorbeelden van sectoren waar EZ zich in 2003 actief mee bezig zal houden zijn de gezondheidszorg, advocaten en notarissen.

EZ komt in 2003 met een voorstel voor nieuwe wetgeving voor certificeringsbevoegde accountants. In dit wetsvoorstel komen onder andere de taken en bevoegdheden te staan van de nieuwe toezichthouder en wordt ook de verhouding tussen de toezichthouder en EZ vastgelegd.

In 2002 heeft EZ in een brief aan de Tweede Kamer (Tweede Kamer, 2001–2002, Niet-Dossierstuk ez02000215) aangegeven wat de actiepunten zijn naar aanleiding van de evaluatie-uitkomsten van de Wet op de kamers van koophandel. EZ zal in 2003 onder meer de mogelijkheden van verdere doorvoering van het profijtbeginsel verkennen en het heffingsbesluit aanpassen.

Tabel 1.2.3.3: Prestatie-indicatoren toetredingsdrempels
Instrument/activiteitPrestatie-indicator
VestigingswetIntrekken uiterlijk 2006
AccountantswetgevingAanpassingswetsvoorstel gereed
Wet kamers van koophandelVoortgangsrapportage aan Tweede Kamer

1.2.4 Het bevorderen van transparante en eerlijke handel zowel tussen de ondernemer en consument als tussen ondernemers onderling door onder meer aandacht voor de positie van de consument en instrumenten als normalisatie/certificatie en accreditatie

Transparante en eerlijke handel wordt bevorderd door aandacht voor de positie van de consument, het bieden van instrumenten als normalisatie, certificatie en accreditatie en toezicht op de naleving van de IJkwet en de Wet op de Kansspelen.

a) Aandacht voor de positie van de consument: EZ beoogt een evenwichtige positie van de consument ten opzichte van aanbieders te bevorderen. Het gaat dan vooral om het creëren van keuzemogelijkheden voor de consument. De consument moet toegang hebben tot relevante marktinformatie en niet met onnodig belemmerende overstapkosten worden geconfronteerd. Daarnaast moeten consumenten én leveranciers over de rechten en plichten van consumenten en over mogelijkheden voor geschillenbeslechting geïnformeerd zijn.

Zoals per brief aangekondigd door de staatssecretaris van EZ (Kamerstukken II, 2001/2002, 27 879, nr. 1) opent EZ eind 2002 een internetportaal met onder meer informatie over rechten en plichten van consumenten, geschillenbeslechting en keurmerken. In 2003 vindt een mediacampagne plaats om bekendheid te geven aan dit portaal. Daarnaast zal EZ een instrument ontwikkelen waarmee de «niet-internettende» consument het beste kan worden bereikt. Ook hier gaat het om informatie over onder meer de rechten en plichten van consumenten, organisaties die de consument van advies kunnen dienen en mogelijkheden tot geschillenbeslechting. Indien dit instrument tijdig gereed is, richt de mediacampagne zich ook hier op. Eind 2002 informeert EZ de Tweede Kamer over de uitkomsten van de doorlichting van diverse markten met de Consumentenmarkttoets. Het gaat om de markten voor rookwaren, grote huishoudelijke apparaten, bioscopen, diensten van verpleeghuizen en de markt voor bemiddeling in financiële diensten. De resultaten van deze doorlichtingen kunnen aanleiding zijn tot beleidswijzigingen of overleg met betrokken partijen. Ook in 2003 licht EZ met de Consumentenmarkttoets enkele markten door.

Ook op Europees vlak is aandacht voor versterking van de positie van de consument, bijvoorbeeld in het Groenboek consumentenbescherming. In dit Groenboek staan twee mogelijkheden om een sterke positie van de consument te waarborgen; via generieke of via specifieke wetgeving. De Commissie heeft een mededeling gepubliceerd als vervolg op dit Groenboek. Hierin pleit de Commissie voor de generieke aanpak met een allesomvattende kaderrichtlijn, gebaseerd op een algemene bepaling dat men zich moet onthouden van oneerlijke handelspraktijken. Daarnaast bereidt EZ in 2003 een aantal consumentenonderwerp(en) voor die Nederland wil inbrengen tijdens het voorzitterschap van de Europese Unie in 2004.

Tabel 1.2.4a: Prestatie-indicatoren consumentenbeleid
Instrument/activiteitPrestatie-indicator
ConsumentenmarkttoetsAnalyse van 2 tot 4 markten in 2003
ConsumentenportaalCampagne in 2003

b) Instrumenten als normalisatie, certificatie en accreditatie: Technische normen (afspraken) zijn nodig om veiligheid, gezondheid en bijvoorbeeld milieuvriendelijkheid van producten en processen te garanderen. Europese en internationale normen spelen op dit terrein een belangrijke rol. Het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) stelt zich ten doel om – in het belang van gezondheid, veiligheid en doelmatigheid – normen tot stand te brengen. EZ financiert het NEN projectgericht.

Het kabinetsbeleid op het terrein van normalisatie, certificatie en accreditatie berust op twee uitgangspunten:

1. Het benutten van het zelfregulerend vermogen in de markt, waarbij normalisatie en certificatie een alternatief kan zijn voor wet- en regelgeving;

2. Het bijdragen aan het opheffen van technische handelsbelemmeringen op de internationale en Europese markt met behoud van veiligheid, gezondheid en milieu.

Om zowel veiligheid, gezondheid en bijvoorbeeld milieuvriendelijkheid van producten en processen te garanderen als segmentering van markten en ondoorzichtige informatie over producten en diensten door verschillende specificaties per land te voorkomen, is het beleid gericht op:

– Het instandhouden van een effectieve en efficiënte infrastructuur voor normalisatie (via het NEN);

– Het initiëren van normalisatieprojecten die de markt laat liggen;

– Het stimuleren dat de markt deze projecten overneemt. Het streven is dat marktpartijen tenminste 50% van de door EZ medegefinancierde projecten overnemen.

Het NEN heeft een Taskforce Business Development. Deze nieuwe Taskforce onderzoekt de mogelijkheden van het inzetten van het instrument normalisatie bij nieuwe vakgebieden. In 2002 is gekozen voor de vakgebieden veiligheid, inspectie en toezicht, zakelijke dienstverlening en de rol van normen van het NEN bij certificering.

De Europese Commissie heeft met een aantal grote handelsblokken (bijvoorbeeld Verenigde Staten en Japan) overeenkomsten gesloten tot wederzijdse erkenning van conformiteitsbeoordelingen (Mutual Recognition Agreements). Deze overeenkomsten dienen in de nationale wetgeving geïmplementeerd te worden. Bedrijven die handel drijven met landen uit genoemde handelsblokken kunnen zich hierdoor voor de beoordeling van de conformiteit aan de eisen van dat land vervoegen bij Europese keuringsinstellingen die ook de conformiteitsbeoordeling voor de Europese interne markt verzorgen.

Tabel 1.2.4b: Prestatie-indicatoren normalisatie
Instrument/activiteitPrestatie-indicator
Projectgerichte financiering NENTenminste 50 % van de afgelopen projecten krijgt vervolg
Taskforce Business DevelopmentOnderzoek op minimaal drie nieuwe (deel) markten
Implementatie MRA-richtlijnenPublicatie van Kaderwet in Staatsblad

c) IJkwet en de Wet op de Kansspelen: De IJkwet regelt het toezicht op het correct meten en wegen met goede apparatuur. Het Nederlands Meet Instituut (NMi) en haar dochters dragen hieraan bij door:

– Het beheren van standaarden;

– Het houden van toezicht op de naleving van de IJkwet;

– Het verlenen van metrologische en technische ondersteuning aan EZ bij het opstellen van wetgeving en vertegenwoordiging in internationale gremia.

Uit de evaluatie in 2002 van de financiering, sturing en uitvoering van de publieke taken die het NMi en haar dochters uitvoert, blijkt dat het NMi als privaat bedrijf effectief en efficiënt functioneert. Om de sturingsrelatie meer structuur te geven is EZ gestart met de herziening daarvan door de introductie van strategische meerjarenplannen en het ontwikkelen van prestatie-indicatoren. Begin 2003 is deze herziening afgerond zodat met ingang van 2004 gewerkt kan worden volgens deze nieuwe werkwijze. Op deze wijze vindt nadere invulling plaats van de ministeriële verantwoordelijkheid.

In de eerste helft van 2003 zal de Europese richtlijn Meetinstrumenten waarschijnlijk worden vastgesteld en gepubliceerd. Deze ene richtlijn vervangt elf bestaande richtlijnen op het terrein van de metrologie. De nieuwe eisen in deze richtlijn zijn minder gedetailleerd en de richtlijn biedt de fabrikant meerdere mogelijkheden om overeenstemming met de nieuwe eisen aan te tonen. Ondermeer via een herziening van de IJkwet wordt deze nieuwe richtlijn omgezet in nationaal recht.

Tabel 1.2.4c: Prestatie-indicatoren IJkwet
Instrument/activiteitPrestatie-indicator
IJkwetAanpassingwetsvoorstel gereed in 2004

Via een stelsel van keuringen van en stringent toezicht op speelautomaten en casinospelen streeft EZ een transparante en eerlijke markt na voor kansspelen in horeca, speelhallen en casino's. Dit biedt niet alleen bescherming aan de consument (de speler), maar ook worden gokverslaving en criminaliteit tegengegaan. Binnen deze doelstellingen dient een rendabele exploitatie voor de speelautomatensector mogelijk te zijn. In 2003 bekijkt het Kabinet of ook voor de markt voor casinospelen exploitatie voor eigen gewin binnen deze doelstellingen mogelijk is. Daarnaast zal in 2003 een evaluatie van de Speelautomatentitel in de Wet op de kansspelen aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

1.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 1 : Werking van de binnenlandse markten (in € mln)
 2001200220032004200520062007
Verplichtingen (totaal)1 073,187,988,483,883,483,283,2
Programma-uitgaven1 038,155,954,053,052,752,752,7
Operationeel doel 1.2.2: Bevorderen concurrentiemechanismen       
– Deelname in aandelenkapitaal TenneT835,6      
– Tegemoetkoming Demkolec en stadsverwarmingsprojecten180,629,529,529,529,529,529,5
Operationeel doel 1.2.3: Versterken economische dynamiek       
– Bijdrage aan Actal0,50,70,6    
Operationeel doel 1.2.4: Bevorderen transparante en eerlijke handel       
– Bijdrage aan het NMi15,415,815,815,814,714,714,7
– Bijdragen aan diverse instituten2,33,62,51,31,31,31,3
Algemeen       
– Opdrachten en onderzoek Marktordening/MDW3,76,35,66,47,27,27,2
        
Apparaatsuitgaven35,032,034,430,830,730,530,5
– Personeel Marktordening (DGM&E)4,85,95,75,65,65,55,5
– Personeel Actal0,60,50,30000
– Apparaatsuitgaven NMa/DTe29,625,628,425,225,125,025,0
        
Uitgaven (totaal)1 050,598,989,984,681,482,682,9
        
Ontvangsten (totaal)89,1111,3121,2118,9118,9118,9118,9
– Ontvangsten NMa/DTe1,05,34,04,04,04,04,0
– Ontvangsten TenneT 11,311,3    
– Opbrengsten casino's80,691,3102,5111,6111,6111,6111,6
– Opbrengst uit vergunningen en keuringen speelautomaten1,71,61,61,61,61,61,6
– Ontvangsten NMi5,60,70,70,60,60,60,6
– Diverse ontvangsten0,21,11,11,11,11,11,1
Artikel 1: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 Realisatie 2001raming 2002raming 2003
 gemiddelde bezettinggemiddelde prijsformatiegemiddelde prijsformatiegemiddelde prijs
DG M&E -personeel97,055,893,862,993,860,3
NMa (incl. DTe) – personeel172,769,4300,052,4300,055,8
NMa (incl. DTe) – materieel172,7102,0300,032,5300,034,6
Actal11,850,39,057,29,036,4

Het verschil in materiële kosten per FTE bij NMa wordt verklaard door eenmalige uitgaven in verband met de herhuisvesting in 2001 (€ 8,8 mln) en een stijging van de bezetting in 2002.

1.4 Budgetflexibiliteit

Budgetflexibiliteit beleidsartikel 1 (in € 1 000)
 2003 2004 2005 2006 2007 
1. Totaal geraamde kasuitgaven89 933 84 630 81 353 82 605 82 913 
2. Waarvan app.uitgaven34 417 30 931 30 709 30 529 30 529 
3. Dus programma uitgaven55 516 53 699 50 644 52 076 52 384 
4. Waarvan juridisch verplicht3 8787%6381%00%00%00%
5. Waarvan bijdragen aan instellingen/instituten46 47884%46 78587%45 61090%45 48787%45 48487%
6. Waarvan complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden00%00%00%00%00%
7. Waarvan beleidsmatige reserveringen5 1609%6 27612%5 03410%6 58913%6 90013%
8. Totaal55 516100%53 699100%50 644100%52 076100%52 384100%

De raming bestaat in belangrijke mate uit apparaatsuitgaven voor de EZ-diensten NMa en DTe, voor het kernministerie en voor Actal (adviescollege voor de toetsing van nieuwe regelgeving op de gevolgen voor de administratieve lasten). Deze uitgaven zijn in bestuurlijk opzicht slechts beperkt flexibel. Daarnaast zijn bijdragen geraamd aan het NMi ten behoeve van de uitvoering van een wettelijke taak (IJkwet). Gegeven deze wetgeving is dit deel van de uitgavenraming als niet-flexibel te beschouwen.

1.5 Evaluatieplanning

Evaluatieonderzoek beleidsartikel 1
Operationeel doelEvaluatiemoment 
1. Operationeel doel 1.2.12006   
– Mededingingswet2002   
2. Operationeel doel 1.2.22004/2005 
– Gas en elektriciteitswet2002   
3. Operationeel doel 1.2.32006   
– Accountantswetgeving2002   
4. Operationeel doel 1.2.42005   
– Nederlands Meetinstituut2002   

1.6 Groeiparagraaf

• In 2003 beziet EZ of het mogelijk is meetinstrumenten te ontwikkelen ten aanzien van beleidseffecten van het tegengaan van concurrentieverstoringen (operationele doelstelling 1.2.1). Het blijkt vooralsnog niet mogelijk te zijn om te komen tot één zinvolle internationale graadmeter voor marktwerking. Het is complex om bepalende factoren (kwaliteit, productiviteit, prijs etc.) bij elkaar op te tellen en de werking van diverse markten samen te voegen.

• Ten aanzien van het in 2002 opgerichte Kenniscentrum ordeningsvraagstukken wordt in 2003 bezien of, en zo ja, welke prestatie-indicatoren hiervoor ontwikkeld kunnen worden. Doelstelling is dat de prestatie-indicatoren een duidelijke invulling geven van de te ondernemen activiteiten van het kenniscentrum.

• Energiemarkten: Startend in 2002 zal een benchmarkstudie naar het investeringsklimaat elektriciteitsproductievermogen worden uitgevoerd. Naar aanleiding hiervan zal worden bezien hoe indicatoren voor dit investeringsklimaat kunnen worden geïmplementeerd in de markt.

• Consumentenmarkten energie: in 2003 wordt bezien of het mogelijk is om een prestatie-indicator te ontwikkelen waarmee het consumentengedrag in een volledig geliberaliseerde energiemarkt gemonitord kan worden. Hierbij wordt het switchgedrag van consumenten en de bekendheid van afnemers met stroometikettering betrokken.

2 BEVORDEREN VAN INNOVATIEKRACHT

   
 Onderdelen toelichting
 2.1Algemene doelstelling
 2.2Operationele doelstellingen
  2.2.1 Infrastructuur voor innovatie
  2.2.2 Innovatie in de markt
  2.2.3 Excellente basis ICT
 2.3Budgettaire gevolgen van beleid
 2.4Budgetflexibiliteit
 2.5Programmering evaluatieonderzoek
 2.6Groeiparagraaf

2.1 Algemene beleidsdoelstelling

De instrumenten onder het artikel 2 dragen bij aan een duurzame economische groei door: het versterken van de innovatiekracht van de Nederlandse economie op het gebied van kennis, technologie, arbeid en innovatief ondernemerschap. Daarbij worden als doelgroepen onderscheiden: de marktsector, de kennisinfrastructuur en de intermediaire organisaties. De uitdaging van het innovatiebeleid is om de innovatiekracht in 2005 tenminste te brengen op het niveau van het EU-gemiddelde en in 2010 op het niveau van de kopgroep van EU-landen.

Innovatie is een sleutelfactor voor het realiseren van een duurzame economische groei. Het economisch groeivermogen wordt immers in sterke mate bepaald door het vermogen om op basis van nieuwe kennis voortdurend nieuwe en kwalitatief betere producten, processen en diensten met succes op de markt te brengen.

In het innovatiebeleid wordt uitgegaan van het dynamisch innovatiesysteem. De essentie daarvan is dat innovatie wordt gezien als het resultaat van een complex en intensief samenspel tussen bedrijven, kennisleveranciers, intermediairs, eindgebruikers, infrastructurele voorzieningen (o.a. octrooibureaus, beschikbaarheid van kapitaal en standaarden & normering) en randvoorwaarden (o.a. fiscaal klimaat, een goed opgeleide beroepsbevolking en ondernemerschap). De systeemgedachte betekent voor het innovatiebeleid een integrale aanpak: belemmeringen die bedrijven hinderen om te innoveren moeten in samenhang worden bezien met het functioneren van het hele innovatiesysteem. Belemmeringen voor innovatie kunnen overigens verschillen afhankelijk van het type markt, de soort technologie, het karakter van het netwerk en de aard van het innovatieproces. Voor het innovatiebeleid komt het er dus op aan met een evenwichtige mix van beleidsinstrumenten adequaat te reageren op mogelijk belemmerende factoren.

Artikel 2 brede beleidsacties in 2003

Om de tijdens de Europese Raden van Lissabon en Barcelona afgesproken ambities te realiseren en Nederland naar een koppositie te brengen, is de komende jaren een stevige beleidsagenda nodig met een gezamenlijke inzet van kabinet, bedrijfsleven en (publieke) kennisinfrastructuur1. Om dit te realiseren is vernieuwing van het innovatiebeleid nodig. Het recente EPC-rapport, de Broad Economic Guidelines, het Kok/Blair-paper en de conclusies van Barcelona geven de richting aan. Belangrijke vernieuwingslijnen zijn:

• het versterken van de private investeringen in onderzoek en ontwikkeling;

• het versterken van publiek-private samenwerking tussen bedrijven enerzijds en universiteiten en publieke kennisinstellingen anderzijds;

• de aanpak van de tekorten aan R&D-personeel;

• meer en beter gebruik van intellectuele eigendomsrechten in Europa en

• het investeren in strategische technologiegebieden als ICT en Life Sciences.

Daarnaast bevat het IBO Technologiebeleid (mei 2002) aanbevelingen om het innovatiebeleid te verbeteren:

• stroomlijning van het aantal regelingen is noodzakelijk om de transparantie voor de gebruikers te verbeteren;

• vermindering van de departementale verkokering van beleid door betere interdepartementale coördinatie;

• verlegging van het accent in de beleidsmix naar instrumenten die zich richten op de verbetering van de oriëntatie en benutting van de publieke R&D;

• verbetering van de kwaliteit van de informatie over de effectiviteit door het formuleren van scherpere doelstellingen en betere evaluatiemethoden.

In 2003 wordt hier verder invulling aan gegeven. Om de samenhang in het innovatiebeleid beter inzichtelijk te maken, wordt voortaan jaarlijks een overzichtsconstructie innovatie gerelateerde uitgaven als bijlage bij de EZ-begroting opgenomen. Voor de begroting 2003 zal deze overzichtsconstructie seperaat naar de Tweede Kamer worden gestuurd.

De internationale component van het innovatiebeleid zal in 2003 veel aandacht vragen. Het gaat om de voorbereidingen op het Nederlands voorzitterschap van Eureka en het voorzitterschap van de Europese Unie in 2004. Daarnaast gaat het om het goed positioneren van de Nederlandse kennisinfrastructuur voor de Networks of Excellence en de Integrated Projects van het Zesde Kaderprogramma dat in 2003 start.

Prestatie-indicatoren

Omdat de innovatiekracht zich moeilijk met één indicator laat meten, is ervoor gekozen om op het niveau van de algemene doelstelling vier prestatie-indicatoren te hanteren die een globale indruk geven van de innovatiekracht. Aan de hand van de volgende indicatoren wordt het «Innovatieprofiel» van Nederland geschetst:

1. R&D-uitgaven van bedrijven als % van het bruto binnenlands product;

2. Aandeel innovatieve bedrijven als % van het totaal aantal bedrijven;

3. Aandeel innovatieve bedrijven met samenwerkingsverbanden als % van het totaal aantal innovatieve bedrijven;

4. Omzetaandeel met nieuwe of verbeterde producten in de industrie als % van de totale omzet in de industrie.

1) Investeringen in R&D liggen aan de basis van het innovatieproces. R&D heeft daarbij een tweeledige functie. R&D is nodig om zelf kennis voor nieuwe producten, processen en diensten te kunnen ontwikkelen, maar ook om elders ontwikkelde kennis te kunnen toepassen. Nederlandse bedrijven investeren relatief minder in R&D dan gemiddeld in de EU-landen.

2) De tweede indicator betreft het aandeel innovatieve bedrijven als percentage van het totaal aantal bedrijven. Innovatieve bedrijven zijn gedefinieerd als bedrijven die de laatste drie jaar vernieuwde producten en/of vernieuwde productieprocessen hebben gerealiseerd. In het Innovatieprofiel is een uitsplitsing gemaakt naar innovatieve bedrijven in de industrie (2.a) en in de diensten (2.b). Nederland telt in vergelijking met andere landen redelijk veel innovatieve industriële bedrijven. Daarentegen heeft Nederland relatief weinig innovatieve bedrijven in de dienstverlening. Het percentage is lager dan het EU-gemiddelde.

3) De indicator, het aandeel innovatieve bedrijven met samenwerkingsverbanden, zegt iets over de mate waarin bedrijven samen of met publieke kennisinstellingen innoveren. Juist die samenwerking is bij innovatie vaak van groot belang. Uit het Innovatieprofiel blijkt dat het aandeel innovatieve bedrijven dat samenwerkt rond het EU-gemiddelde ligt.

4) Het omzetaandeel van innovatieve producten in de totale omzet brengt het belang van de vernieuwing voor bedrijven tot uitdrukking. In de Community Innovation Survey is dit gemeten voor de industrie. Hoewel het aandeel innovatieve bedrijven in de Nederlandse industrie goed is, blijkt de omzet behaald met nieuwe of verbeterde producten in 1996 laag te zijn (NL: 25% versus EU15: 32%)1. Het aandeel van de vernieuwing in het totaal van de activiteiten is dus relatief klein.

Grafiek: Innovatieprofiel EU-landen (relatieve afwijkingen van EU-gemiddelde)kst-28600-XIII-2-1.gif

Bronvermelding2

De kwaliteit van de prestaties is alleen goed te beoordelen door vergelijking met andere landen. De streefwaarden zijn daarom gerelateerd aan het EU-gemiddelde. Het beleid is er op gericht om in 2005 eventuele achterstanden ten opzichte van het EU-gemiddelde in te halen en in 2010, in lijn met de Lissabon-doelstelling en de daarop aanvullend geformuleerde nationale doelstelling voor alle indicatoren, een positie in de kopgroep van de EU15-landen te realiseren.

Prestatie-indicatorStreefwaarden (gelijk voor alle indicatoren)
1. R&D-uitgaven van bedrijven als % bruto binnenlands product• 2005: afhankelijk van huidige situatie realiseren EU15-gemiddelde (voor indicatoren 1, 2b, 4) of handhaven en uitbouwen positie boven EU15-gemiddelde (voor indicatoren 2a, 3)• 2010: kopgroep van EU15-landen
2. Aandeel innovatieve bedrijven als % totaal aantal bedrijven a. Aandeel innovatieve bedrijven in de industrie b. Aandeel innovatieve bedrijven in de diensten
3. Aandeel innovatieve bedrijven met samenwerkingsverbanden als % totaal aantal innovatieve bedrijven
4. Omzetaandeel met nieuwe of verbeterde producten in de industrie als % totale omzet industrie 

Bij de verantwoording van het innovatiebeleid treedt een dubbele vertraging op. Ten eerste werkt het innovatiebeleid pas op middellange termijn door in de innovatiekracht. Ten tweede wordt de innovatiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven met een vertraging van enkele jaren gemeten. Internationale vergelijkingen zijn vaak nog later beschikbaar en bovendien niet met een jaarlijkse frequentie. Eén van de belangrijkste gegevensbronnen, de Community Innovation Survey van Eurostat, wordt eens in de vier jaar gehouden (zie ook groeiparagraaf). Derhalve zijn de effecten van het huidige beleid pas na 5 tot 8 jaar in de statistieken terug te vinden. Nieuwe internationaal vergelijkbare gegevens voor 2000 zijn pas in de loop van 2003 te verwachten.

Het meten van innovatiekracht is nog sterk in ontwikkeling. Het gaat dan om het verbeteren van de metingen, het verbeteren van de internationale vergelijkbaarheid en het ontwikkelen van betere indicatoren. Grote verschillen tussen landen en verschillen in scores in de tijd moeten dan ook vooralsnog voorzichtig worden geïnterpreteerd.

Veronderstellingen over het doelbereik

Het innovatiebeleid is gericht op het creëren van randvoorwaarden en de juiste prikkels voor innovatie door het wegnemen van markt- en systeemimperfecties. Bedrijven nemen echter zelf beslissingen over de hoogte en richting van hun investeringen in innovatie. Of bedrijven succesvol innoveren is, behalve van de randvoorwaarden die de overheid creëert, afhankelijk van goed ondernemerschap, de stand van de (internationale) conjunctuur en het macro-economische klimaat.

2.2 Operationele doelstellingen

De algemene doelstelling kan worden onderverdeeld in drie operationele doelstellingen:

2.2.1 Een internationaal toonaangevende infrastructuur voor innovatie

2.2.2 Ontwikkeling van innovatie in de markt

2.2.3 Een excellente ICT-basis

2.2.1 Een internationaal toonaangevende infrastructuur voor innovatie

Het beleid richt zich op de voortdurende verbetering van de innovatieve infrastructuur met als doel zich in alle opzichten aan het internationale niveau te kunnen meten. Binnen deze operationele doelstelling zijn de activiteiten primair gericht op:

A. Het verbeteren van de aansluiting van de publieke kennisontwikkeling op de kennisvraag van bedrijven;

B. Het verbeteren van de balans tussen kennisbescherming en kennisverspreiding;

C. Het versterken van de bijdrage van het menselijk kapitaal aan innovatie;

D. Het stimuleren van innovatief ondernemerschap.

A. Het verbeteren van de aansluiting van de publieke kennisontwikkeling op de kennisvraag van bedrijven

Het beleid richt zich op versterking van de interactie tussen de publieke kennisinfrastructuur en kennisvraag van het bedrijfsleven op strategische onderzoeksgebieden. Langs twee lijnen wordt ingezet op het duurzaam vergroten en verbreden van de samenwerking tussen kennisinfrastructuur en bedrijfsleven.

Ten eerste wordt, samen met het Ministerie van OCW, bezien hoe via transitieprocessen in het onderzoeksstelsel de wisselwerking tussen de publieke kennisinfrastructuur en de marktsector kan worden versterkt. In de eerste geldstroom zal de kwaliteit van het onderzoek invloed krijgen op de verdeling van de middelen. Voor innovatierelevant onderzoek wordt de toepasbaarheid van het onderzoek onderdeel van de kwaliteitsbeoordeling.

De tweede lijn waarlangs de interactie wordt gestimuleerd is via het instrumentarium. De instrumenten zijn primair gericht op (fundamenteel-) strategisch onderzoek. Kenmerk is de betrokkenheid van het bedrijfsleven, waarbij de vorm (programmatisch, in een instituut, e.d.) en de omvang van de financiële betrokkenheid afhangen van de ontwikkelingsfase van het onderzoeksterrein. Verankering van de samenwerking voor de lange termijn en kennisdiffusie spelen een belangrijke rol in de instrumenten.

Daarnaast is EZ primair verantwoordelijk voor de Interdepartementale Commissie inzake het Economische Structuurbeleid (ICES) en als onderdeel daarvan de werkgroep Kennisinfrastructuur (ICES/KIS). Van ICES/KIS 3 zal een krachtige impuls uitgaan naar de kennisinfrastructuur op voor de Nederlandse economie strategische gebieden door bundeling van relevante publieke en private partijen. Bij de totstandkoming van ICES/KIS 3 is veel aandacht besteed aan het bottom-up vormgeven van de thema's en het mobiliseren van kennisinstellingen en bedrijfsleven om via kennisconsortia gezamenlijk investeringsvoorstellen in te dienen. Dit biedt een goede basis voor verankering van de samenwerking op lange termijn.

Om de kennisinfrastructuur op een aantal strategische gebieden te versterken, heeft het vorige kabinet voor ICES/KIS 3 voor de periode tot 2010 een bedrag gereserveerd van € 805 miljoen. Het huidige kabinet zal op basis van de kwaliteit van de ingediende projectvoorstellen besluiten over het definitieve budget voor ICES/KIS 3 en de verdeling over de kennisthema's, de beleidszwaartepunten en de projectvoorstellen. In de ministeriële regeling is hierom een begrotingsvoorbehoud opgenomen voor zowel het totaal beschikbare budget voor ICES/KIS 3 als de verdeling van het definitieve budget over de periode 2003–2006 en 2007–2010.

De instrumenten die worden ingezet zijn:
InstrumentOmschrijving
Technologiestichting STWVia de Technologiestichting STW stimuleert EZ de ontwikkeling van vraaggericht excellent technisch-wetenschappelijk onderzoek aan de Nederlandse universitaire onderzoeksinstellingen. Drie aspecten spelen daarbij een essentiële rol: gebruikersbetrokkenheid bij het onderzoek, utilisatie en onderzoeksrendement. De evaluatie van STW is in 2002 afgerond en zal leiden tot een aantal aanpassingen in procesorganisatie en een betere prioriteitstelling.
  
Innovatiegerichte Onderzoeksprogramma's (IOP's)Het IOP beoogt via een programmatische aanpak het strategische onderzoek aan de Nederlandse universiteiten en onderzoeksinstituten te versterken in de richting van de innovatiebehoefte van het bedrijfsleven. Er zijn IOP's voor de technologiegebieden beeldverwerking, genomics, industriële eiwitten, mens-machine-interactie, milieutechnologie/zware metalen, oppervlaktetechnologie, precisietechnologie en electromagnetische vermogenstechniek. Er is een IOP Generieke Communicatie in voorbereiding. De middelen worden per programma beschikbaar gesteld voor onderzoek en kennisdiffusie.
  
EZ-financiering aan Grote Technologische Instituten (GTI's)De vijf Grote Technologische Instituten (GTI's: Marin, WL, NLR, GeoDelft en ECN) hebben als doel wetenschappelijke kennis om te zetten in toepassingsgerichte kennis voor het bedrijfsleven en overheid. EZ geeft in combinatie met andere departementen financiering aan Marin, WL, NLR en ECN (voor ECN zie artikel 4). EZ geeft basis/missiefinanciering aan Marin en doelfinanciering aan Marin, NLR en WL. Via cofinanciering (doelfinanciering EZ is afhankelijk van bijdrage bedrijfsleven aan projecten) wordt bevorderd dat het onderzoek van de GTI's goed aansluit op de vraag uit het bedrijfsleven.
  
EZ-doelfinanciering TNOTNO heeft als doel wetenschappelijke kennis om te zetten in toepassingsgerichte kennis voor het bedrijfsleven en overheid. Met de doelfinanciering wordt de financiering van TNO door EZ afhankelijk gemaakt van de mate waarin TNO bedrijven bereid vindt om bij te dragen aan onderzoeksprojecten. Daarmee wordt beoogd de vraaggerichtheid van het strategisch en toegepast onderzoek te bevorderen.
  
Technologische Top Instituten (TTI's)Met de bijdrage aan de Technologische Top Instituten wil EZ op een aantal selecte gebieden het innovatievermogen en de concurrentiekracht van Nederlandse bedrijven vergroten. Dit gebeurt via bedrijfsrelevant fundamenteel-strategisch onderzoek van excellent internationaal niveau in een institutionele samenwerking tussen de publieke kennisinfrastructuur en bedrijfsleven. Het gaat om de volgende gebieden: telematica, voeding, polymeren en metalen. De TTI's zijn in 2001 geëvalueerd. Op basis van de evaluatie is besloten de overheidssubsidie aan de vier TTI's te continueren tot en met 2007.
Tabel 2.2.1.A: Prestatiegegevens kennisontwikkeling en kennisvraag
Prestatie-indicatorStreefwaardeHuidige situatie
Aandeel innovatieve bedrijven dat innoveert in samenwerking met universiteiten en researchinstellingen als % van het totaal aantal innovatieve bedrijven2005: Realiseren EU15-gemiddelde 2010: Kopgroep van EU15-landen voor zowel samenwerking met universiteiten als samenwerking met researchinstellingenHet aandeel innovatieve bedrijven dat samenwerkt met universiteiten (7%) respectievelijk researchinstellingen (8%) ligt iets onder het EU-gemiddelde (voor zowel samenwerking met universiteiten als researchinstellingen 8%)

Bron : CBS. De cijfers voor Nederland hebben betrekking op 1998; het cijfer voor het EU-gemiddelde op 1996.

B. Het verbeteren van de balans tussen kennisbescherming en kennisverspreiding

Een goed intellectueel eigendomsysteem is van groot belang voor het bevorderen van de Nederlandse innovatiekracht. Het is belangrijk om een juiste balans te vinden tussen kennisbescherming en vrij gebruik van kennis. Het intellectueel eigendomsysteem wordt in sterke mate internationaal bepaald. Het beleid is dan ook voor een groot deel gericht op het mede vormgeven van de wettelijke kaders die internationaal totstandkomen. Daarnaast vormt de implementatie van de internationaal overeengekomen wettelijke kaders in nationale wet- en regelgeving een belangrijk onderdeel van het beleid.

In 2003 zal het intellectueel eigendomsbeleid verder worden gemoderniseerd langs de lijnen geschetst in de beleidsverkenning Intellectueel Eigendom en Innovatie. De modernisering betreft onderwerpen als de mogelijkheid en wenselijkheid van differentiatie van het octrooistelsel, de positie van het MKB in de octrooi-infrastructuur, de benutting van (dwang)licenties, de octrooieerbaarheid van software en business methods, de economische betekenis van het auteursrecht en het octrooi- en licentiegedrag van publieke kennisinstellingen. Ook de inbreng in internationale fora zal op deze lijnen worden afgestemd.

Een belangrijke beleidslijn is het bevorderen van industriële toepassing van in de publieke kennisinfrastructuur ontwikkelde kennis. Met name een actief universitair octrooigedrag is hiervoor van belang. De nadere invulling van het universitair octrooibeleid in 2003 geschiedt mede naar aanleiding van het eind 2002 beschikbare OESO-onderzoek naar het octrooi- en licentiegedrag van publieke kennisinstellingen.

Op het terrein van de intellectuele eigendom bestaat een nationale en internationale infrastructuur. Nationaal is met name het agentschap Bureau voor de Industriële Eigendom (BIE) van belang. Via het Strategisch Plan 2002–2005 en het in 2002 gestarte project Innovatie door Octrooi-Informatie wordt een gerichte benadering en advisering door het Bureau voor de Industriële Eigendom van specifieke doelgroepen als het MKB en de universiteiten bevorderd.

InstrumentenOmschrijving
Internationale organisaties: WTO (World Trade Organisation) WIPO (World Intellectual Property Organisation) EG (Europese Gemeenschap) EOO (Europese Octrooi Organisatie) BeneluxIn deze organisaties komen de internationale afspraken (verdragen, verordeningen, richtlijnen) tot stand die het (wettelijke) kader vormen van het intellectuele eigendomsbeleid.
Infrastructuur: BIE (Bureau voor de Industriële Eigendom) BMB (Benelux Merken Bureau) BTMB (Benelux Tekeningen of Modellen Bureau) EOB (Europees Octrooi Bureau) OHIM (Bureau voor Harmonisatie van de Interne Markt)In alle organisaties van de infrastructuur vervult het Ministerie van Economische Zaken bestuursfuncties. Het Bureau voor de Industriële Eigendom is de uitvoerende organisatie van het Nederlandse octrooisysteem. Het BIE stimuleert het gebruik van het octrooisysteem. Dat systeem is gericht op bescherming van technische kennis en op verspreiding en op het toegankelijk maken van deze kennis.
  
Belangrijkste wetgeving: Rijksoctrooiwet 1995 (ROW 1995) Benelux Merken Wet (BMW) Benelux Tekeningen of Modellen Wet (BTMW) Europees Octrooi Verdrag (EOV) Verordeningen en richtlijnen (EG) voor merken, modellen en het auteursrecht Agreement on Trade Related Aspects of Intellectual Property Rights (TRIPs) in het kader van de WTOHet Ministerie van Economische Zaken oefent invloed uit op de afspraken die in de Europese of ruimere internationale context worden gemaakt. Een directe verantwoordelijkheid is er voor de nationale wetgeving en de Benelux-wetten.
Tabel 2.2.1.B: Prestatiegegevens kennisbescherming en kennisverspreiding
Prestatie-indicatorStreefwaardeHuidige situatie
Aandeel van Nederlandse octrooi-aanvragen in totaal octrooi-aanvragen in kader Europees Octrooi Verdrag (EOV)Handhaven positie in top 5 EOV-lidstatenNL: 8,9% (3e plaats)Top 5 EOV-lidstaten: Dui: 40,4%; Fra: 13,7%; VK: 8,8%; Zwi: 7,2%

Bron gegevens huidige situatie: Europees Octrooi Bureau (EOB), Jaarverslag 2000.

C. Het versterken van de bijdrage van het menselijk kapitaal aan innovatie

Menselijk kapitaal, in de vorm van een goed opgeleide beroepsbevolking, is een essentiële voorwaarde voor innovatie in een kenniseconomie. Het beleid is gericht op het verbeteren van de werking van de onderwijs-, scholings- en arbeidsmarkt en de aansluiting van deze markten onderling.

Het onderwijs en de scholingsmarkt zouden meer op de kansen en mogelijkheden van individuele onderwijsdeelnemers moeten inspelen. In 2003 zal, in samenwerking met OCW, worden ingezet op het realiseren van meer vraagsturing en op het vergroten van de invloed en verantwoordelijkheid van het individu (leerling, student of werknemer).

In de tweede helft van 2002 zal een kabinetsreactie op het SER-advies over een Leven Lang Leren worden opgesteld. Daarbij zal rekening worden gehouden met de Beleidsagenda Leven Lang Leren, die het Ministerie van OCW in april 2002 naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Ook vindt, onder regie van het Ministerie van SZW, een interdepartementale verkenning plaats rond de vraag of meer beleid gericht moet worden op de bovenkant van de arbeidsmarkt.

In 2003 zal het accent liggen op het tegengaan van tekorten aan R&D-personeel en onderzoekers, en samen met het Ministerie van OCW, op een nieuwe agenda rond het bèta-/techniek-vraagstuk. Daarnaast zal in 2003 meer aandacht uitgaan naar de regionale samenwerking tussen actoren.

De instrumenten die worden ingezet hebben als doel:

1. het inzicht in vraagknelpunten rond specifieke beroepsgroepen te vergroten (Arbeidsradars);

2. het verhogen van de bereidheid van werkgevers te investeren in een strategisch personeelsbeleid in ondernemingen (Investors in People, Employability Advies, fiscale scholingsaftrek, EVC, Scholingsimpuls);

3. het verhogen van de bereidheid van werknemers om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen inzetbaarheid op de arbeidsmarkt (EVC);

4. knelpunten op de arbeidsmarkt voor IT-personeel weg te nemen (ICT-Taskforce-projecten);

5. aansluiting tussen (delen van het) onderwijs en arbeidsmarkt te verbeteren (Stichting AXIS voor bèta en technische vakgebieden, experiment met vouchers in het HBO, Regioregisseurs).

InstrumentOmschrijving
Stichting AXISDe Stichting AXIS is gericht op het bevorderen van het aantal bèta en technische studenten. Hiertoe laat zij o.a. analyses uitvoeren en ondersteunt zij projecten. De subsidieperiode loopt tot en met juni 2004.
  
ArbeidsradarMet de Arbeidsradar wil de overheid het inzicht vergroten in de knelpunten op de arbeidsmarkt van specifieke beroepsgroepen. Hiertoe voert zij, samen met sociale partners en externe deskundigen, een integrale analyse (instroom, doorstroom en uitstroom) uit van de problemen en verzamelt en verspreidt zij de best-practices waarmee deze problemen verholpen kunnen worden. In 2003 zijn vier Arbeidsradars voorzien.
  
Taskforce RisseeuwDe ICT-taskforce is gericht op het stimuleren van sociale partners tot het ontwikkelen van initiatieven om knelpunten op de ICT-arbeidsmarkt weg te nemen. Negen projecten worden uitgevoerd.
  
Fiscale scholingsfaciliteitMet de fiscale scholingsfaciliteit wil de overheid investeringen van bedrijven in scholing bevorderen. In 2001 zijn de effecten onderzocht. De faciliteit wordt volop gebruikt, maar vraagtekens zijn te plaatsen bij het effect van de faciliteit op investeringsbeslissingen van ondernemers ten aanzien van scholing. Met name constateren de onderzoekers dat de specifieke, extra prikkel voor investeringen in scholing van oudere werknemers gering is en beter vormgegeven zou kunnen worden via een directe prikkel gericht op de oudere werknemer zelf in plaats van diens werkgever. Op basis van de evaluatie wordt daarom voorgesteld de extra aftrekmogelijkheid voor scholing van werknemers ouder dan 40 jaar af te schaffen.
  
ScholingsimpulsDe Subsidieregeling scholingsimpuls voorziet in financiële ondersteuning van brancheorganisaties voor het ontwikkelen en testen van innovatieve opscholingstrajecten en de verspreiding van de in het project opgedane ervaringen en resultaten. De regeling is gestart in 2001 en loopt tot en met 2005.
  
Employability-adviesMet de bijdrage aan diverse projecten van branche-organisaties, CNV en Syntens wil EZ branche-organisaties en bedrijven (vooral MKB) bewegen om een strategisch HRM-beleid te voeren dat goed is geënt op de innovatiedoelen van de onderneming. In het bijzonder gaat het hierbij om het driejarige programma Profijt van Mens en Kennis dat Syntens uitvoert en dat ca. 15 000 bedrijven zal bereiken. Dit programma wordt ondersteund door een monitoring-systeem aan de hand waarvan onder meer kan worden nagegaan of de inspanningen leiden tot meer innovatie.
  
Erkenning van Elders Verworven Competenties (EVC)EVC is gericht op het verhogen van employability door het vergroten van de erkenning en zichtbaarheid van reeds verworven competenties in en rond het werk. Hiertoe heeft EZ (in samenwerking met OCW en SZW) het kenniscentrum EVC opgericht. Doelen van het kenniscentrum zijn het bevorderen van kennisoverdracht, het bijdragen aan de ontwikkeling van EVC-systematieken en het stimuleren van het gebruik van EVC. Eind 2004 moet EVC een bekend en geaccepteerd instrument zijn binnen het HRM-beleid van bedrijven. Het kenniscentrum is in januari 2001 gestart. De subsidieperiode loopt tot en met einde 2004.
  
Investors in PeopleMet het keurmerk Investors in People wil de overheid employability vergroten door bedrijven en instellingen te stimuleren om te investeren in de employability van hun medewerkers. Hiertoe is het bureau Investors in People opgericht dat zorg draagt voor het in de markt zetten van het keurmerk. De subsidieperiode loopt tot en met einde 2004.
  
Experiment HBO-vouchersDe Ministeries van OCW en EZ participeren samen in een experiment met vouchers in het HBO. HBO-studenten krijgen vouchers waarmee ze de laatste twee jaar van hun opleiding kunnen samenstellen. Tien hogescholen participeren in het experiment dat zal duren tot en met 2003. Doel is om praktijkervaring op te doen met een vorm van vraagsturing en na te gaan wat de effecten ervan zijn op leerling, docent en omgeving.
  
RegioregisseursHet Ministerie van EZ financiert drie voorbeeldprojecten die tot doel hebben de wisselwerking tussen HBO's en MKB-bedrijven te intensiveren. Enerzijds gaat het hierbij om stageplaatsen en duale leer-werkplekken bij MKB-bedrijven voor studenten én docenten, anderzijds om een versterking van de onderwijsinhoud en/of het betrekken van werknemers uit het bedrijfsleven bij de inrichting van het onderwijs. De projecten eindigen eind 2003.
Tabel 2.2.1.C: Prestatiegegevens Menselijk kapitaal
Prestatie-indicatorStreefwaardeHuidige situatie
• Aandeel kenniswerkers (HRST) als percentage van bevolking ouder dan 15 jaar• (Middel)lange termijn: handhaven positie in top 5 van EuropaNL: 29,5%Top 5: 29%
• Aandeel 25 tot 64-jarigen dat vier weken voorafgaand aan de enquête participeerde in enige vorm van scholing of training• (Middel)lange termijn: handhaven positie in top 5 van EuropaNL: 16,3% Top 5: 19,8%

Bron gegevens huidige situatie: CBS/Eurostat (jaarlijks)

– Cijfers over Kenniswerkers hebben betrekking op 2000.

– Cijfers over Scholing en training hebben betrekking op 2001.

D. Het stimuleren van innovatief ondernemerschap

Innovatief ondernemerschap draagt in belangrijke mate bij aan het vergroten van het innovatievermogen en de dynamiek van de Nederlandse economie. Uit de Ondernemerschapsmonitor blijkt dat «gewoon» ondernemerschap zich goed ontwikkelt in Nederland, maar dat het aandeel innovatieve starters en snelle groeiers achterblijft bij het buitenland. Het beleid richt zich dan ook op het bevorderen van innovatief ondernemerschap, met name in de vorm van innovatieve (techno)starters en snelgroeiende ondernemingen. Doelen zijn het wegnemen van specifieke belemmeringen voor technostarters en snelle groeiers, het stimuleren van ondernemerschap (houding en vaardigheden) vanuit het onderwijs en het bijdragen aan een «ondernemende» cultuur.

Er zijn in korte tijd verschillende, met name regionale, initiatieven gericht op snelle groeiers en technostarters ontstaan. In 2003 wordt geprobeerd via stroomlijning en bundeling van deze initiatieven de effectiviteit en transparantie van de infrastructuur te versterken.

In 2003 wordt onderzocht of de bestaande initiatieven kunnen worden verbreed naar niet-technologische innovatie. Voor de dienstensector, de grootste sector van de Nederlandse economie, is immers niet-technologisch gedreven innovatie van groot belang. In het bijzonder zal de commerciële dienstverlening, een sector waar bij uitstek niet-technologische innovaties plaatsvinden (nieuwe diensten, nieuwe marktfuncties, nieuwe vormen van ondernemerschap), onder de loep worden genomen. Daarbij wordt steeds bezien of, en waar er een rol voor de overheid ligt.

Tenslotte wordt in 2003 gewerkt aan een bredere toepassing van de MKBalans, een hulpmiddel waarmee ondernemers hun performance zelf kunnen beoordelen en dat hun aangrijpingspunten biedt voor verbetering van de bedrijfsvoering.

EZ streeft naar een toename van het aantal technostarters met 50 procent in 2004 ten opzichte van 19991. Behalve de in de instrumententabel vermelde instrumenten dragen ook BioPartner (technostarters in de Life Sciences, zie paragraaf 2.2.2) en Twinning (technostarters in de ICT, zie paragraaf 2.2.3) aan deze doelstelling bij.

De instrumenten die worden ingezet zijn:

InstrumentOmschrijving
DreamstartDreamstart heeft tot doel het aantal technostarters te vergroten door potentiële starters te informeren over hoe een bedrijf te starten. Dreamstart heeft een eigen website (www.dreamstart.nl) waar informatie wordt verschaft over de organisaties en initiatieven die kunnen helpen in de verschillende fasen van de technostarter, zoals het maken van een ondernemersplan, het aantrekken van risicokapitaal e.d. Daarnaast stimuleert Dreamstart de bewustwording bij studenten, potentiële technostarters en kennisinstellingen via de organisatie van evenementen e.d. De subsidieperiode loopt tot en met mei 2003.
  
Growthplus NederlandGrowthplus Nederland is een ondernemersnetwerk van snelle groeiers. Op dit moment telt het 14 snelgroeiende ondernemingen. De doelstelling is om binnen drie jaar na oprichting 25 leden te hebben (jaar van oprichting is 2000). De activiteiten bestaan uit het organiseren van netwerkbijeenkomsten, het fungeren als klankbord voor Economische Zaken, het leveren van kennis en expertise bij activiteiten als het door EZ georganiseerde internationale seminar in Noordwijk, en het fungeren als platform voor kennis en verspreiding van informatie over snelgroeiende ondernemingen. De subsidieperiode loopt tot en met 2003 en wordt per jaar beoordeeld.
  
Actieplan Facility SharingMet het actieplan Facility Sharing wil de overheid bevorderen dat kleine en startende ondernemingen toegang krijgen tot geavanceerde onderzoeks- en testfaciliteiten bij universiteiten, grote ondernemingen en andere kennisinstellingen. Het actieplan gaat van start in 2003.
  
TechnostartersregelingPubliek gefinancierde kennisinstellingen kunnen een subsidie van maximaal 50% van de projectkosten verkrijgen voor het stimuleren van technostarters. De doelgroep bestaat uit publieke kennisinstellingen (de zogenaamde bekostigde instellingen) en via deze de starter zelf. De maximale bijdrage per project bedraagt € 5 mln. Aangezien maximaal 50% van de projectkosten worden gesubsidieerd zullen ook andere partijen moeten investeren in het project. Dit kan de kennisinstelling zelf zijn, maar ook tenminste één andere deskundige partij (bv. Regionale overheden of private partijen). De subsidieregeling heeft het karakter van een tenderregeling. De regeling is in april 2002 in werking getreden en zal van kracht zijn tot en met 2003.
  
MKBalansMKBalans is een voor het midden- en kleinbedrijf ontwikkeld, online en kostenloos analyse-instrument. De MKBalans geeft de ondernemer een beeld van de immateriële aspecten van zijn bedrijfsvoering door sterktes en zwaktes inzichtelijk te maken. Tevens krijgt de ondernemer adviezen aangereikt waarmee hij kan werken aan de verbetering van de bedrijfsvoering. Eind 2002 zal de MKBalans officieel worden geïntroduceerd in de markt.
Tabel 2.2.1.D: Prestatiegegevens Innovatief ondernemerschap
Prestatie-indicatorStreefwaardeHuidige situatie
• Aantal technostarters• Toename aantal technostarters met 50% in 2004 t.o.v. 1999• 1999: 1100 technostarters
• Aandeel snelle groeiers als % van het aantal middelgrote bedrijven• Op lange termijn op gemiddelde van benchmarklanden (VS, VK, Denemarken, België, Duitsland)• 1995–1998: NL, 10% gemiddelde benchmarklanden: 17%

Bron :

– Ernst & Young (2001), Internationale Benchmark Technostarters, Utrecht.

– EIM (2001), Internationale benchmark ondernemerschap 2001, Zoetermeer.

2.2.2 Ontwikkeling van innovatie in de markt

De ontwikkeling van innovatie in de markt beoogt het versterken van de innovatiekracht van het bedrijfsleven. De doelstelling is er op gericht om het bedrijfsleven voortdurend te stimuleren tot het vernieuwen van productieprocessen en producten, zodat de Nederlandse bedrijven tot de internationale koplopers gaan c.q. blijven behoren. Binnen deze operationele doelstelling zijn de activiteiten gericht op:

A. Het vergroten van investeringen in kennisontwikkeling door individuele bedrijven en in samenwerkingsverbanden;

B. Het vergroten van de verspreiding van kennis naar bedrijven, met name het MKB;

C. Het stimuleren van kennisontwikkeling en -benutting op strategische gebieden.

Voor deze operationele doelstelling zijn geen specifieke prestatie-indicatoren geformuleerd. Het beleid gericht op deze doelstelling draagt direct bij aan prestaties van de marktsector en dus aan de vier prestatie-indicatoren zoals geformuleerd voor de algemene beleidsdoelstelling in paragraaf 2.1. Met name de indicator R&D-uitgaven van bedrijven (als % BBP) is een directe prestatie-indicator voor deze operationele doelstelling.

A. Het vergroten van investeringen in kennisontwikkeling door individuele bedrijven en in samenwerkingsverbanden.

Het beleid is er op gericht om de investeringen door bedrijven in kennisontwikkeling te vergroten en het rendement op deze investeringen te verhogen. Dit door het stimuleren van nationale en internationale samenwerking bij innovatieprojecten tussen bedrijven onderling en met kennisinstellingen.

Als gevolg van markt- en systeemfalen investeren bedrijven minder in kennis dan maatschappelijk wenselijk is. Hier vormen met name (financiële) risico's en gebrek aan financieringsbronnen buiten het bedrijf, naast de beschikbaarheid van onderzoekspersoneel, belangrijke belemmeringen voor kennisontwikkeling. De instrumenten zijn er op gericht deze markt- en systeemimperfecties weg te nemen.

In 2003 gaat veel aandacht uit naar de voorlichting en advisering aan Nederlandse partijen over deelname aan het Zesde Kaderprogramma. Het komt er met name op aan Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen goed te positioneren voor de Networks of Excellence en de Integrated projects. Activiteiten zijn onder meer het stimuleren van Nederlandse deelname door het organiseren van bijeenkomsten voor de verschillende doelgroepen en het verlenen van ondersteuning via EG-Liaison (hulp bij het zoeken naar partners en advies over het indienen van voorstellen).

De instrumenten die worden ingezet zijn:

InstrumentOmschrijving
Kennisontwikkeling individuele bedrijven
Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO)De WBSO is een fiscale aftrek, waarmee de overheid investeringen in speur- en ontwikkelingswerk door ondernemers en zelfstandigen wil bevorderen. Via een vermindering van de afdracht van loonbelasting en premies volksverzekeringen worden de loonkosten van S&O-werknemers verlaagd. De regeling is ook van toepassing op zelfstandigen met S&O-activiteiten, de verrekening heeft dan plaats via de inkomstenbelasting. Voorwaarde om in aanmerking te komen voor de WBSO is dat het gaat om technologische S&O-activiteiten die nieuw zijn voor het bedrijf. Technostarters worden in het kader van de WBSO extra gestimuleerd. De evaluatie van de WBSO (juni 2002) wijst uit dat de WBSO significant bijdraagt aan de verhoging van de S&O-intensiteit van het Nederlandse bedrijfsleven. Het effect is vergelijkbaar met dat van soortgelijke fiscale maatregelen in het buitenland. Kleine bedrijven lijken meer baat te hebben van de WBSO dan grote bedrijven. Dit hangt samen met het feit dat de WBSO in het bijzonder gericht is op het stimuleren van S&O bij kleine ondernemingen.
 Met ingang van 2003 zal de WBSO worden aangescherpt. Aanleidingen hiervoor zijn mede gelegen in de evaluatie en het IBO Technologiebeleid. Door de aanscherping valt een aantal activiteiten waar de WBSO niet primair voor bedoeld is niet meer onder de regeling.
  
Technologische Ontwikkelingsprojecten (TOP)Met de TOP wil de overheid technisch risicovolle innovatieprojecten stimuleren door een financiële bijdrage te leveren aan de ontwikkelingskosten. Aan de TOP is een terugbetalingsregeling verbonden.
  
Kennisontwikkeling in samenwerking
Regeling Technologische Samenwerking (TS)Samenwerkingsverbanden van bedrijven of van bedrijven en kennisinstellingen kunnen op basis van de Regeling Technologische Samenwerking subsidie krijgen voor technologische projecten gericht op fundamenteel/industrieel onderzoek of pre-concurrentiële ontwikkeling.
  
EUREKAEUREKA is een Europees intergouvernementeel technologienetwerk dat grensoverschrijdende technologische samenwerking bevordert. Het EUREKA-label wordt toegekend aan technologisch innovatieve projecten die relatief dicht bij de markt liggen. EUREKA-projecten worden nationaal gefinancierd, in Nederland via de Regeling Technologische Samenwerking.
  
Programma Economie, Ecologie en Technologie (EET)Samenwerkingsverbanden van bedrijven of van bedrijven en kennisinstellingen kunnen in het programma EET subsidie krijgen voor grote onderzoeksprojecten die door middel van technologische innovaties substantiële stappen vooruit kunnen betekenen op zowel ecologisch als economisch gebied. Op deze manier wordt bijgedragen aan verduurzaming van de economie.
  
EU KaderprogrammaHet Kaderprogramma (KP) is een programma van de Europese Unie om het innovatievermogen te verhogen via het bevorderen van grensoverschrijdende wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen uit de lidstaten. De betrokkenheid voor EZ bij het KP is: het via de Onderzoeksraad tot stand brengen van een voor Nederland interessant KP, advisering over de werkprogramma's via de Nederlandse vertegenwoordiging in Programma Comités en voorlichting aan het Nederlandse bedrijfsleven via Senter-EGLiaison. Het 5e KP loopt in 2002 ten einde en inmiddels wordt in EU-verband gewerkt aan de voorbereiding van het 6e KP, dat in 2003 zal starten.

B. Het vergroten van de verspreiding van kennis naar bedrijven, met name het MKB.

Het concurrentievermogen van het bedrijfsleven is, naast het vermogen om te innoveren door nieuwe kennis te ontwikkelen, ook afhankelijk van het vermogen nieuwe kennis slim toe te passen. Verspreiding van kennis is belangrijk om tot toepassing van nieuw ontwikkelde kennis te komen. Met name het MKB heeft moeite op eigen kracht nieuwe kennis in huis te halen. Naast de bedrijven en de kennisinstellingen zelf, spelen intermediairs een grote rol in het verspreiden van kennis.

In 2003 gaat Innovatienet van start. Via internet kunnen ondernemers hier terecht voor al hun vragen met betrekking tot innovatieve bedrijfsvoering. Zij kunnen kennis opdoen en hun netwerk uitbreiden.

Tevens wordt de vernieuwde aansturing van Syntens geïmplementeerd. Deze vernieuwing heeft tot doel een effectievere en efficiëntere inzet van de middelen, om het innovatieve vermogen van de MKB-ondernemers te vergroten zonder de particuliere (advies)markt te verstoren.

De instrumenten die worden ingezet zijn:

InstrumentOmschrijving
Kennisverspreiding 
SyntensSyntens is een landelijk netwerk, met 15 vestigingen verdeeld over 6 regio's, dat als doel heeft het versterken van het innovatief vermogen van het MKB door technologische en niet-technologische innovatiegerichte kennis toegankelijk en toepasbaar te maken voor het MKB.
  
Branchegericht kennisoverdracht instrument (SKB)De regeling beoogt via branches een actieve kennisoverdracht van praktisch toepasbare kennis en technologie naar het MKB te bereiken. Branches kunnen via deze regeling subsidie krijgen voor kennispositieprojecten en kennisoverdrachtprojecten.
  
Kennisoverdracht ondernemers MKB (SKO)De regeling stimuleert het technologievolgend MKB om bestaande, maar voor het bedrijf nieuwe technologieën in processen, producten of diensten toe te passen. Concreet kunnen MKB-bedrijven subsidie krijgen voor het m.b.v. een externe deskundige opstellen van een strategieplan, voor een haalbaarheidsproject of voor het in dienst nemen van een (pas) afgestudeerde die een technologische vernieuwing m.b.v. een vernieuwingsplan doorvoert in de onderneming van de aanvrager.
  
First Mover Faciliteit (FMF)De Onderlinge Verzekeringsmaatschappij «FMF» (op te richten door marktpartij) bevordert de marktintroductie van nieuwe milieutechnologieën door het afdekken van first mover risico's. EZ is voornemens een achtergestelde lening te verstrekken aan de Onderlinge.

C. Het stimuleren van kennisontwikkeling en -benutting op strategische gebieden.

Naast de inzet van generieke instrumenten om knelpunten voor de marktsector in het dynamische innovatiesysteem aan te pakken, wordt aan een aantal technologiegebieden specifieke aandacht besteed. De potentiële baten van deze gebieden voor de Nederlandse economie zijn groot (bijvoorbeeld door het «enabling» karakter van de technologieën ICT, Life Sciences e.v.). Bij de prioritering van gebieden wordt gekeken of er zowel een sterke kennisbasis als een sterke industriële basis in Nederland aanwezig is en of de potentiële toegevoegde waarde groot is.

Samenwerking in innovatieve clusters en netwerken speelt een grote rol bij zowel het ontwikkelen als het beter benutten van kennis en staat in het beleid centraal. Het dynamisch innovatiesysteem en aantoonbaar markt- en systeemfalen vormen ook hierbij het referentiekader.

In 2003 zullen de volgende activiteiten worden opgepakt. Op het gebied van Life Sciences zijn de follow-up van het Europese Strategy paper en de invulling van de resultaten van het interdepartementale onderzoek naar innovatiebelemmerende biotech-wet- en regelgeving van belang.

Eind 2002 worden nieuwe strategische gebieden geselecteerd die vanaf 2003 nader aandacht zullen krijgen. Daarbij wordt gekeken naar onder andere microsysteemtechnologie, functionele materialen, robotica en scheidingstechnologie. Voor de geselecteerde gebieden zullen programma's worden opgezet om met behulp van het beschikbare instrumentarium de gesignaleerde knelpunten aan te pakken.

De instrumenten die worden ingezet zijn:

InstrumentOmschrijving
Strategische gebieden
  
Life Sciences
BiopartnerBioPartner is gericht op het bevorderen van nieuw ondernemerschap in het Life Sciences-cluster. Het actieplan bestaat uit het verschaffen van informatie, risicokapitaal, facility sharing en incubator-faciliteiten voor starters.
  
Actieplan GenomicsHet kabinet heeft voor de periode 2001–2006 € 190 miljoen beschikbaar gesteld voor Genomics, dit is inclusief het reeds eerder gestarte IOP Genomics. Het bij NWO ondergebrachte regieorgaan heeft in 2002 aangegeven welke zwaartepunten in de onderzoeksprogrammering voor Genomics moeten worden aangebracht.
  
Katalyse
KatalyseBedrijven, kennisinstellingen en overheid werken samen op het gebied van Katalyse in het platform ACTS. Katalyse kan met behulp van actieve stoffen, micro-organismen of enzymen nieuwe processen en producten mogelijk maken. Ze kan een belangrijke bijdrage leveren aan het duurzamer maken van bestaande (bio)chemische processen door bij te dragen aan verminderen van het energieverbruik en de hoeveelheid afval en het verkleinen van fabrieken. Er loopt reeds een tweetal onderzoeksprogramma's: «Duurzame Waterstof» en «Integratie van Biosynthese en Organische Synthese». Mogelijk volgen meer onderzoeksprogramma's.
  
EMVT 
Elektromagnetische Vermogenstechniek (EMVT)EMVT, ook wel de nieuwe elektrotechniek genoemd, is de techniek die het steeds sneller schakelen van steeds hogere vermogensdichtheden met steeds kleinere halfgeleidercomponenten mogelijk maakt. Kennisinstellingen en bedrijven worden uitgedaagd om een gezamenlijk investeringsplan voor EMVT onderzoeksfaciliteiten bij (non-profit) kennisinstellingen op te stellen.
  
Lucht- en Ruimtevaart
Civiele Vliegtuig Ontwikkeling (CVO)Met de CVO-regeling bevordert de overheid de civiele vliegtuigontwikkeling in Nederland, door de deelname van Nederlandse bedrijven aan internationale vliegtuig-ontwikkelingsprogramma's te ondersteunen. Deze programma's betreffen industrieel onderzoek en pre-concurrentiële ontwikkeling. Ondersteuning vindt plaats door middel van subsidies en kredieten.
  
Nederlands Instituut voor Vliegtuig-ontwikkeling en Ruimtevaart (NIVR)Het NIVR is een intermediaire organisatie die diverse regelingen voor de overheid uitvoert en platforms organiseert op diverse terreinen van lucht- en ruimtevaart. Naast de uitvoerende taak heeft het NIVR ook een adviserende taak richting de overheid via de Raad van Advies.
  
ESA-contributie en projectfinanciering RuimtevaartbeleidMet de ESA-contributie en de projectfinanciering Ruimtevaartbeleid draagt de overheid bij aan het zo goed mogelijk inzetten en benutten van de unieke toegevoegde waarde van een mondiale ruimtevaartinfrastructuur voor maatschappelijke, economische en wetenschappelijke vooruitgang. Dimensies daarbij zijn: Nederland als loyale partner in Europees verband, optimaal gebruik maken van het middel ruimtevaart ten behoeve van onderzoek en maatschappelijke vraagstukken, en ruimtevaart om bedrijfsleven en kennisinstellingen technologisch hoogwaardige kennis te laten ontwikkelen.

2.2.3 Een excellente ICT-basis

EZ stelt zich als doel om internationaal voorop te lopen in de creatie van nieuwe activiteiten en toepassingen van ICT in bestaande economische activiteiten. Dit vraagt om een geconcentreerd en samenhangend beleid dat gestoeld is op de meest recente inzichten op het gebied van innovatiebeleid en dat aangrijpt op overheid, markt en kennisinfrastructuur. Het gaat daarbij om:

A. Het bevorderen van samenhang en integratie van het overheidsbrede ICT-beleid;

B. Het ontwikkelen van een ICT-kennispositie van een hoog gehalte;

C. Het stimuleren van de toepassing van internet en e-commerce door het MKB;

D. Het verbeteren van de randvoorwaarden voor de informatiemaatschappij.

Via het beleid, gericht op het creëren van een excellente ICT-basis, wordt tevens een belangrijke bijdrage geleverd aan het terugdringen van de administratieve lasten (zie artikel 1 Werking binnenlandse markten).

A. Het bevorderen van samenhang en integratie van het overheidsbrede ICT-beleid.

ICT dringt door tot in de haarvaten van de maatschappij. Er zijn dan ook meerdere departementen betrokken bij het streven naar een excellente ICT-basis. Ieder met zijn eigen specifieke verantwoordelijkheid. EZ speelt echter ook een centrale rol voor het kabinetsbrede ICT-beleid. Deze rol bestaat uit het bewaken van de samenhang en het toezien op een integrale aanpak zoals vervat in de nota De Digitale Delta en de hierin genoemde vijf pijlers: de (tele)communicatie-infrastructuur, kennis en innovatie, toegang en vaardigheden, regelgeving en ICT in de publieke sector. Geen van deze pijlers van de ICT-basis mag worden verwaarloosd. Alle pijlers moeten op orde zijn en elkaar onderling versterken. Verder heeft EZ het voortouw bij het toetsen van de voortgang in de uitvoering van de (gezamenlijke) beleidsagenda en het initiëren van nieuwe initiatieven. Tot slot heeft EZ een spilfunctie in de communicatie over het kabinetsbrede beleid. Concrete activiteiten hierbij zijn:

– Tweejaarlijkse voortgangsrapportage van De Digitale Delta (najaar 2002);

– De tweejaarlijkse ICT-toets (najaar 2002);

– Beheer van het Elektronische Snelwegenbudget;

– De site www.dedigitaledelta.nl;

– Het als coördinerend secretaris van de Commissie Technologie- en Informatiebeleid (CTI) mede vormgeven van het kabinetsbrede beleid op deze gebieden.

B. Het ontwikkelen van een ICT-kennispositie van een hoog gehalte.

De ambitie, zoals neergelegd in het actieplan Concurreren met ICT-competenties, is om een kennispositie van hoog gehalte te realiseren, voor zowel ICT-technologie als ICT-toepassingen. De gehele kennisketen staat hierin centraal. Doel is sterke ICT-clusters te creëren, waarin aanbieders en gebruikers van ICT zorgen voor vernieuwende toepassing van deze kennis en een topkennisinfrastructuur voor ICT-onderzoekers en -deskundigen.

De overheid geeft nu voor het derde jaar haar aanjagersfunctie vorm door het mobiliseren van stakeholders en financiële ondersteuning (investeringen in kennisopbouw en R&D-subsidies). In ICT-Clusters uit zich dit in aanzetten tot breed gedragen Next Generation denken en doorbraken in de toepassing van ICT.

Om het Nederlandse ICT-onderzoek te versterken en de samenwerking tussen kennisinstellingen en het bedrijfsleven te verbeteren, is het Nederlands ICT-Forum opgericht. Het ICT-Forum werkt aan vergroting van transparantie en samenhang in het ICT-onderzoek en agendeert nieuwe routes.

Een belangrijke impuls voor versterking van het ICT-onderzoek wordt verwacht van ICES-KIS 3. Diverse consortia werken op basis van nationale ambities, draagvlak en zwaartepuntvorming aan investeringsvoorstellen voor de belangrijkste hoofdroutes in het ICT-onderzoek. Daarbij zal ook aansluiting worden gezocht bij het 6e Kaderprogramma van de EU.

In september 2002 vond de tweede editie van het nationale ICT-Kenniscongres plaats. Een evaluatie moet aantonen of de derde editie van dit grootschalige ontmoetingsevenement met marktplaats wederom in 2003 dan wel in een tweejaarsritme wordt voortgezet.

Aangezien de uitvoering van het actieplan Concurreren met ICT-Competenties zich richt op samenwerking en mobilisering van stake-holders om de ambities te realiseren en transitieprocessen in gang te zetten, is communicatie met de doelgroep essentieel. Een centrale plaats hierin heeft de website www.cic-online.nl naast o.a. het ICT-Kenniscongres.

De subsidieregeling Breedbandproeven ondersteunt gemeenten bij het uitvoeren van lokale experimenten met breedband internet. De regeling is gestart in 2002. In 2003 lopen de projecten af en krijgen de uitstralingsactiviteiten vorm.

De instrumenten die hierbij worden ingezet zijn:

InstrumentOmschrijving
TwinningTwinning bevordert nieuw ondernemerschap in het ICT-cluster. Met Twinning voorziet de overheid in risicokapitaal, incubator-faciliteiten en toegang tot een internationaal netwerk van technische deskundigen en ervaren ICT-ondernemers. Nadat bleek dat vervreemding in 2002 niet mogelijk was, is besloten Twinning vooralsnog als stand-alone operatie voort te zetten.
  
Micro-elektronica-stimuleringMiddels subsidies worden ontwikkelingen van nieuwe technologieën en nationale en internationale samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen in het micro-electronicacluster gestimuleerd. Verreweg de meeste steun vindt plaats in het kader van de Eureka programma's ITEA (looptijd 1999 t/m 2007) en MEDEA+ (looptijd 2001 t/m 2008).
  
Actieplan Concurreren met ICT-Competenties (CIC)Met het Actieplan CIC bevordert de overheid de Nederlandse kennis- en innovatiepositie via kennisopbouw, strategische samenwerking in ICT-doorbraakprojecten en efficiënte inzet van ICT-deskundigheid. Doelgroep: bedrijven en kennisinstellingen aan ICT-vraagzijde en ICT-aanbodzijde. Looptijd: 2000–2005. Instrumenten betreffen het mobiliseren van stakeholders (onder meer door Next Generation trajecten, ICT-Forum, ICT-Kenniscongres en -beurs, marktinitiatief voor Software Efficiency, www.cic-online.nl) en subsidies voor R&D-samenwerkingsprojecten (Progress formule, subsidieregeling Technologische Samenwerking, ICES-KIS).
  
 Bevordering van een efficiëntere inzet van ICT deskundigheid wordt gestimuleerd met het marktinitiatief «strategische inzet van software». Daarnaast is een meerjarig onderzoeksprogramma voor kennisopbouw in geavanceerde software-engineering opgestart: «JACQUARD».
  
BreedbandproevenDe subsidieregeling Breedbandproeven ondersteunt gemeenten bij het uitvoeren van lokale experimenten met breedband internet. Doelstelling is om te komen tot businessmodellen die de aanleg van een breedbandige infrastructuur faciliteren. De leer- en uitstralingseffecten zijn hierbij belangrijke aspecten.
Tabel 2.2.3.A: Prestatiegegevens ontwikkelen ICT-kennispositie
Prestatie-indicatorStreefwaardeHuidige situatie
R&D op het gebied van ICT (zowel de aanbod- als gebruikerskant) door bedrijven en researchinstellingen, gemeten in arbeidsjaren en uitgavenEen hogere groei van de ICT-R&D door bedrijven en researchinstellingen in manjaren en uitgaven dan de groei van de R&D op andere technologiegebiedenIn 1999 bedroeg de ICT-R&D 21 341 manjaren en in uitgaven € 2 008 miljoen. De R&D op andere technologiegebieden bedroeg 30 185 manjaren en in uitgaven € 2 766 miljoen

Bron : CBS (2001)

– Onder de ICT-R&D-cijfers (in termen van mensjaren/fte's of uitgaven) voor de huidige situatie wordt verstaan R&D besteed aan de technologiegebieden Elektronica, Fabricagetechnologie, Procestechnologie, Informatietechnologie en Logistieke systemen. Deze afbakening is nog niet de volledig gewenste afbakening van ICT-R&D, maar is momenteel het maximaal haalbare. Zo is de gebruikerskant in deze cijfers onderbelicht, wordt er door de gehanteerde indeling R&D meegeteld die deels ook niet-ICT-R&D betreft en is het ICT-onderzoek bij universiteiten niet meegenomen. Ook is het niet mogelijk om een internationale vergelijking te maken.

– De R&D-uitgaven (exploitatiekosten en investeringen) zijn gebaseerd op de verdeling van R&D-mensjaren (FTE's) over de verschillende technologiegebieden. Het gebruiken van de FTE's als verdeelsleutel voor de R&D-uitgaven impliceert dat binnen een bedrijf de uitgaven per FTE voor de verschillende technologiegebieden gelijk zijn. Dit hoeft in de werkelijkheid niet zo te zijn. De cijfers moeten dus met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd.

C. Het stimuleren van de toepassing van internet en e-commerce door het MKB.

Doelstelling is het verhogen van de toepassing van internet en e-commerce door het MKB tot een niveau dat zich kan meten met de top van Europa. Nagestreefd wordt dat tweederde van het MKB eind 2005 elektronische transacties verricht.

De instrumenten die hierbij worden ingezet zijn:

InstrumentenOmschrijving
Plan van Aanpak «Het MKB in De Digitale Delta»Het plan is bedoeld om gedurende 4 jaar (2002–2005) het MKB aan te zetten tot het toepassen van internet en e-commerce. Bij de uitvoering van het Plan van Aanpak speelt Syntens, het landelijk innovatienetwerk voor ondernemers, een central rol. Zij verzorgen o.a. grote aantallen regionale workshops, spreekuren en maatwerkadviezen voor het MKB. Verder organiseert Syntens het brancheprogramma «Nederland gaat digitaal», dat in nauw overleg met VNO-NCW en MKB Nederland is opgezet. Het Telematica Instituut levert daaraan een bijdrage rond de thema's «Elektronische Marktplaatsen» en «Application Service Providers». Het Electronic Commerce Platform Nederland draagt bij aan de inbreng van de gedragscode e-commerce in het brancheprogramma. Samen met de Hoofdbedrijfschappen Detailhandel en Ambachten voert Syntens het project «Over De Digitale Drempel» uit. Al deze activiteiten vinden plaats onder de vlag van «Nederland gaat digitaal».
Tabel 2.2.3. B: Prestatiegegevens toepassing van internet en e-commerce door het MKB
Prestatie-indicatorStreefwaardeHuidige situatie
Percentage MKB-bedrijven dat zakelijke transacties via internet verrichtIn 2005 verricht tweederde van het MKB zakelijke transacties via internet (i.e. doet op elektronische wijze zaken met afnemers, toeleveranciers of andere zakelijke relaties)2001 4e kwartaal: 59% 2001 1e kwartaal: 36% 1999 4e kwartaal: 18%

Bron gegevens huidige situatie: NIPO.

– De NIPO-meting in het vierde kwartaal van 2001 toont een zeer forse groei van het aantal bedrijven dat op elektronische wijze zakelijke transacties verricht. Hierbij moet worden opgemerkt dat het in een groot aantal gevallen uitsluitend nog maar gaat om telebankieren. Het is de bedoeling dat dit zich in kwalitatieve zin gaat bewegen naar andere vormen van zakelijke transacties (zoals in- en verkoop via internet).

D. Het verbeteren van de randvoorwaarden voor de informatiemaatschappij.

Door de snelle technologische en maatschappelijke ontwikkelingen op het terrein van de informatiemaatschappij is de overheid voortdurend bezig bestaande wetgeving te toetsen aan de nieuw ontstane situatie.

Actuele aandachtsvelden zijn: (grond-)rechten, privacy en het internationale handelsverkeer in de elektronische omgeving, waaronder het waarborgen van transparantie en toegankelijkheid van markten. Daarbij valt ook te denken aan effectieve allocatiemechanismen voor etherfrequenties en de toegang van diensten tot infrastructuren. Andere aandachtspunten zijn het verzekeren van de betrouwbaarheid van het elektronisch verkeer en de veiligheid van internet, onder andere door het tot stand brengen van een Nederlandse infrastructuur van gecertificeerde Trusted Third Parties en uitvoering geven aan de nota Kwetsbaarheid op internet (KWINT) en voorlichtingscampagnes.

De informatiemaatschappij ontwikkelt zich in belangrijke mate onafhankelijk van traditionele geografische grenzen. Internationale samenwerking bij het opstellen van juridische randvoorwaarden is op dit terrein dan ook een sine qua non. EZ draagt bij aan de beleidsvorming en wet- en regelgevingstrajecten op bovenstaande terreinen, zowel in nationale als internationale kaders. Doelstelling daarbij is een optimaal investerings- en innovatieklimaat te creëren waarin elektronische handel volledig tot ontplooiing kan komen en bedrijven en consumenten optimale rechtszekerheid wordt geboden.

Om het beleid op dit nieuwe en dynamische werkterrein te kunnen ontwikkelen en monitoren zijn o.a. betrouwbare statistieken over e-commerce nodig. Het kunnen beschikken over betrouwbare statistieken over de digitale economie, waar mogelijk internationaal vergelijkbaar, vormt een blijvend punt van ontwikkeling en aandacht. In 2003 zal voor de derde keer de CBS-publicatie «De Digitale Economie» worden uitgebracht. Ten einde het CBS in staat te stellen optimaal gebruik te kunnen maken van in de samenleving aanwezige kennis over dit onderwerp, alsmede ook gebruikers buiten de overheid in staat te stellen specifieke wensen over de inhoud van deze publicatie-in-wording kenbaar te maken, is er een virtuele klankbordgroep gevormd.

De instrumenten die hierbij worden ingezet zijn:

InstrumentOmschrijving
Electronic Commerce Platform Nederland (ECP.NL)ECP.NL is een belangrijk contactpunt voor e-commerce. ECP.NL helpt versneld voorwaarden te scheppen voor een toonaangevende rol van het Nederlandse bedrijfsleven in het elektronisch zakendoen.
  
E-Commerce MonitorDe ontwikkeling van een monitor-instrument waarmee het mogelijk wordt om op basis van objectieve en vergelijkbare cijfers regelmatig de positie van Nederland op het gebied van E-commerce te bepalen. Jaarlijkse publicatie van «De digitale economie».
 Een van de aandachtspunten vormt het samenstellen van statistieken die een meer inhoudelijke beschrijving geven van de activiteiten binnen de (enabling) ICT-sector. Mede in dit verband is het CBS samen met Nederland-ICT een project gestart dat is gericht op het afstemmen van begrippen en definities over de ICT-sector. Actualiteit van de cijfers over de digitale economie wordt gewaarborgd door in Statline (CBS) – via internet bereikbaar – continu nieuwe beschikbare (kern)cijfers op te nemen.
  
Gedragscode E-commerceEZ stimuleert de implementatie van een gedragscode voor elektronisch zakendoen om daarmee het vertrouwen van burgers en bedrijven hierin te vergroten. In het kader van het brancheprogramma «Nederland gaat digitaal» (onderdeel van «Het MKB in De Digitale Delta») wordt door ECP.NL in samenwerking met Syntens gewerkt aan branchespecifieke uitwerkingen van de gedragscode.

2.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 2: Bevorderen van innovatiekracht (in € mln)
 2001200220032004200520062007
Verplichtingen (totaal)628,3709,9573,6497,9471,5474,9487,4
Programma-uitgaven550,8656,4520,0444,4417,3420, 8433,3
Operationeel doel 2.2.1: Infrastructuur voor innovatie       
– Bijdrage aan Stichting voor de Technische Wetenschappen17,918,918,918,618,518,418,4
– Innovatiegerichte onderzoeksprogramma's16,016,114,614,614,614,614,6
– Bijdrage aan TNO29,028,127,927,727,527,327,3
– Bijdrage aan Topinstituten22,628,528,328,228,027,827,8
– Bijdragen aan instituten lucht- en ruimtevaart8,24,95,95,86,4 6,46,4
– Bijdrage aan diverse instituten3,94,04,04,03,93,93,9
– Technologische vernieuwing33,339,133,321,112,712,713,0
– Technologie en Samenleving2,92,80,00,00,00,00,0
– Innovatief ondernemerschap15,436,523,14,210,710,710,7
Operationeel doel 2.2.2: Innovatie in de markt       
– Technologische Ontwikkelingsprojecten30,541,141,041,041,041,041,0
– Technologische Samenwerkingsprojecten83,072,667,466,557,355,262,0
– BIT/Opkomende markten6,04,34,34,34,34,34,3
– Kennisoverdrachtinstrumenten12,120,012,012,012,07,07,0
– Programma Economie, Ecologie, Technologie47,535,263,934,034,034,034,0
– First Mover faciliteit 27,2     
– Overige regelingen milieutechnologie3,21,80,00,00,00,00,0
– Bijdrage aan Syntens34,733,132,732,632,432,232,2
– Internationale ruimtevaartprogramma's26,2106,932,527,620,431,041,0
– Nationale ruimtevaartprogramma's3,63,63,63,63,63,63,6
– Bevordering civiele luchtvaart41,74,51,30,03,94,60,0
Operationeel doel 2.2.3: Excellente basis voor ICT       
– Micro-elektronica stimulering37,945,445,445,436,336,336,3
– Nationaal Actieplan Elektronische Snelwegen51,335,933,333,333,333,333,3
– Overig ICT-beleid 28,510,53,71,41,41,4
Algemeen       
– Onderzoek DG Innovatie23,98,87,98,17,07,07,0
– Beleidsexperimenten DG Innovatie 8,68,18,18,18,18,1
        
Apparaatsuitgaven77,553,553,653,554,254,154,1
– Personeel DG Innovatie10,611,311,010,910,910,810,8
– Bijdrage DG I aan BLD BIE30,514,614,614,614,614,614,6
– Bijdragen pensioenen EOB1,31,01,01,01,01,01,0
– Adviezen door EOB4,52,42,42,42,42,42,4
– Bijdrage DG Innovatie aan BLD Senter27,722,121,921,921,921,921,9
– Uitgaven TWA-netwerk2,12,02,02,02,72,72,7
– Diverse uitgaven (adviesraad en Eureka-secretariaat)0,80,10,70,70,70,70,7
        
Uitgaven (totaal)490,2565,7587,9560,8546,0531,9551,4
        
Ontvangsten (totaal)126,4150,1104,5121,897,497,497,4
– Terugontvangst Senter0,2      
– Ontvangsten uit Rijksoctrooiwet23,625,025,425,425,425,425,4
– Diverse ontvangsten BIE9,1      
– Ontvangsten TOP31,436,336,336,336,336,336,3
– Ontvangsten uit het Fes28,075,928,928,923,923,923,9
– Ontvangsten EET-gelden (OC&W) 8,412,313,710,210,210,2
– Diverse Ontvangsten Innovatiekracht34,14,51,617,51,61,61,6

De raming voor personele uitgaven van het kernministerie kent de volgende opbouw:

Artikel 2: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 realisatie 2001raming 2002raming 2003
 gemiddelde bezettinggemiddelde prijsformatiegemiddelde prijsformatiegemiddelde prijs
DG Innovatie – personeel189,755,6182,161,8182,160,5
TWA's – personeel8,0199,08,0242,88,0240,6

Fiscale maatregelen

Naast het EZ-instrumentarium dragen met name de Fiscale scholingsfaciliteit en de fiscale maatregel WBSO bij aan de bevordering van de innovatiekracht van Nederland. Voor een nadere toelichting op deze instrumenten wordt verwezen naar respectievelijk de paragrafen 2.2.1. en 2.2.2. Voor een totaaloverzicht van alle belastinguitgaven en de meerjarig hiervoor geraamde bedragen wordt verwezen naar de Miljoenennota 2003, bijlage 5 Belastinguitgaven.

Fiscale maatregelen met betrekking tot Innovatiekrachtkracht (in € mln, op transactiebasis)
 2001200220032004200520062007
Fiscale scholingsfaciliteit271280200212224237249
WBSO324363367347347347347

2.4 Budgetflexibiliteit

Budgetflexibiliteit beleidsartikel 2 (in € 1 000)
 2003 2004 2005 2006 2007 
1. Totaal geraamde kasuitgaven587 881 560 837 545 959 531 906 551 437 
2. Waarvan apparaatsuitgaven54 624 52 854 52 861 52 782 55 151 
3. Dus programma uitgaven533 257 507 983 493 098 479 124 496 486 
4. Waarvan juridisch verplicht415 58878%235 79746%166 30034%109 45323%56 84611%
5. Waarvan bijdragen aan instellingen/instituten20 5254%97 96219%105 08221%102 77721%113 41423%
6. Waarvan complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden97 14418%114 00022%100 00020%105 00022%10200021%
7. Waarvan beleidsmatige reserveringen00%60 22412%121 71625%161 89434%224 22645%
8. Totaal538 707100%521 702100%512 604100%503 628100%524 870100%

Uit de tabel blijkt dat 78% van de voor 2003 geraamde programma-uitgaven moet worden aangehouden ter financiering van verplichtingen die tot en met 2002 zijn aangegaan.

Voor de programma-uitgaven die geraamd worden voor de met ingang van 2003 aan te gane verplichtingen geldt dat tussen de € 100 en € 113 mln zijn voor bijdragen aan instellingen en instituten. De flexibiliteit daarvan is in bestuurlijk opzicht beperkt.

De raming van de overige programma-uitgaven (2003: € 97 mln) is voor het merendeel bestemd voor het subsidie-instrumentarium ten behoeve van de verschillende operationele doelen van innovatiekracht en heeft een meerjarig karakter. Van deze programma-uitgaven is een groot deel bestuurlijk gebonden. Allereerst gaat het hierbij om de gelden uit de Kennis- en innovatieimpuls die het kabinet in de begroting 2001 extra heeft uitgetrokken voor het realiseren van de Lissabon-agenda. Daarnaast zijn de gelden voor de internationale lucht- en ruimtevaartprogramma's grotendeels bestuurlijk gebonden, aangezien daar internationale afspraken aan ten grondslag liggen.

Voor het Nationale Actieplan Elektronische snelweg zijn specifiek voor dit doel interdepartementaal gelden aan EZ ter beschikking gesteld. Bestuurlijk gebondenheid geldt tot slot tevens voor het Life Sciences-programma en de Innovatiegerichte Onderzoeksprogramma's (IOP's).

De reeks beleidsmatige reserveringen loopt in de tijd op. De budgetten voor de subsidieregelingen zijn in zoverre flexibel dat deze jaarlijks worden gepubliceerd en derhalve jaarlijks in beginsel kunnen worden gewijzigd. De regelingen staan echter voor meerjarig beleid.

2.5 Programmering Evaluatie-onderzoek

Tabel Evaluatieonderzoek beleidsartikel 2 in 2002 en 2003
Operationeel doelEvaluatiemoment
2.2.1 Een toonaangevende infrastructuur voor innovatieAfgerond in 2002
– Stichting voor de Technische WetenschappenAfgerond in 2002
– Innovatiegerichte Onderzoeksprogramma's: 
– Tussenevaluatie IOP Mens-Machine InteractieLoopt in 2002
– Tussenevaluatie IOP PrecisietechnologieLoopt in 2002
– Eindevaluatie IOP Beeldverwerking2003
– Eindevaluatie IOP Oppervlaktetechnologie2003
– ArbeidsradarLoopt in 2002
– Nationaal Lucht- en ruimtevaartlaboratorium (NLR)2003
– Waterloopkundig Laboratorium (WL)Loopt in 2002
– IOC: Stichting Duurzame Energie2003
– Dreamstart2003
– Stichting WeTen2003
– TNO2003 (in samenwerking met OCW)
  
2.2.2 Ontwikkeling van innovatie in de marktAfgerond in 2002
– WBSOAfgerond in 2002
– SyntensLoopt in 2002
– Programma Economie, Ecologie en TechnologieLoopt in 2002
– NIVRLoopt in 2002
– Schoner ProducerenLoopt in 2002
– Referentieprojecten milieutechnologieLoopt in 2002
– Kennisoverdrachtinstrumenten2003
– Civiele Vliegtuig Ontwikkeling (CVO)2003
  
2.2.3 Een Excellente ICT-basisAfgerond in 2002
– Brancheprogramma Nederland gaat DigitaalLoopt in 2002
– Sp.OEDLoopt in 2002
– MEDEA+2003
– GigaPortJaarlijks (ICES/KIS2)

De evaluatie van de algemene doelstelling van beleidsartikel 2 Bevorderen Innovatiekracht wordt ingevuld door middel van het IBO Technologiebeleid (mei 2002). Het IBO beslaat onder meer het gehele artikel 2 en geeft daarmee vorm aan het evalueren van de relevantie van de doelstellingen en van de doelmatigheid ervan1.

Naast deze evaluatie van het algemene doel blijft voor de komende jaren de programmering van de evaluaties van de onderliggende individuele instrumenten gehandhaafd. Hierin wordt een verband gelegd met de VBTB-doelstelling waar het instrument aan beoogt bij te dragen. Een nieuwe totale evaluatie van de VBTB-doelstellingen ten aanzien van het technologiebeleid komt in 2007/2008 aan de orde.

2.6 Groeiparagraaf

In deze paragraaf wordt ingegaan op de punten waarop EZ het artikel 2 verder wil verbeteren. De punten uit de groeiparagraaf van de begroting 2002 zijn grotendeels geadresseerd. Punten die in 2003 nog doorlopen zijn:

Verbeteren actualiteit gegevens: De gegevens over de indicatoren zijn grotendeels afkomstig uit de Community Innovation Survey die door EUROSTAT wordt gecoördineerd. De Community Innovation Survey wordt vooralsnog één maal in de vier jaar gehouden; de internationale gegevens zijn daarom weinig actueel. Voor Nederland zijn meer recente gegevens beschikbaar, omdat het CBS één maal in de twee jaar een innovatie-enquête houdt. Inmiddels wordt in Eurostat/OESO-verband, mede op basis van signalen van Nederland, de behoefte aan meer frequente gegevens over innovatie erkend en is een discussie gaande over de wijze waarop hierin kan worden voorzien. Nederland heeft aangegeven voorkeur te hebben voor het, zoals nu reeds al door het CBS wordt gedaan, één maal in de twee jaar uitvoeren van de Community Innovation Survey. Vanwege de afhankelijkheid van internationale besluitvorming is het moeilijk te voorspellen wanneer dit punt zal zijn afgerond.

Verbeteren monitoren/evalueren van innovatie: Het IBO Technologiebeleid heeft uitgewezen dat de kwaliteit van de informatie over de effectiviteit van het innovatiebeleid moet verbeteren. De doelstellingen van het beleid moeten scherper worden geformuleerd en er moet een standaard worden ontwikkeld voor de te hanteren evaluatiemethodiek. Tevens moet er een mogelijkheid komen om de informatie over de effectiviteit van het beleid te verbeteren door het uitvoeren van beleidsexperimenten. EZ zal deze aanbevelingen in 2003 oppakken en integreren in beleidsevaluaties.

ICT: In 2003 zal op basis van de R&D-cijfers CBS 2001 voor het eerst bekend worden of de huidige streefwaarde voor de prestatie-indicator «R&D op het gebied van ICT» is gehaald. Hieruit valt af te leiden of er inderdaad een hogere groei van R&D op het gebied van ICT heeft plaatsgevonden ten opzichte van andere technologiegebieden. Doelstelling is vervolgens om in 2003, mede aan de hand van bovengenoemde gegevens en nieuw beschikbaar gekomen gegevens bij het CBS (zie groeiparagraaf 2002), te komen tot een verbeterde prestatie-indicator voor «R&D op het gebied van ICT».

3 BEVORDEREN ONDERNEMINGSKLIMAAT

 Onderdelen toelichting 
 3.1Algemene doelstelling
  3.1.1 Doelbereik en rol van EZ
  3.1.2 Algemene effectindicator
 3.2Operationele doelstellingen
  3.2.1 Fysieke ruimte
  3.2.2 Productiefactoren
  3.2.3 EZ als partner voor andere overheden en het bedrijfsleven
 3.3Budgettaire gevolgen van beleid
 3.4Budgetflexibiliteit
 3.5Programmering beleidsevaluaties
 3.6Groeiparagraaf

3.1 Algemene beleidsdoelstelling

Op nationaal en regionaal niveau voorwaarden scheppen voor een internationaal concurrerend ondernemingsklimaat in Nederland.

Bedrijvigheid en ondernemerschap zijn de drijfveer achter economische groei, achter welvaartsgroei. De overheid heeft hierbij de verantwoordelijkheid voor het scheppen van de juiste randvoorwaarden. De toenemende liberalisering en internationalisering van de economie leiden ertoe dat bedrijven, meer dan ooit, worden geconfronteerd met intensieve (inter)nationale concurrentie. Bedrijven kunnen deze concurrentie alleen aan indien ze in de eerste plaats zelf concurrentiekrachtig zijn. Dit begint bij ondernemerschap en beschikbaarheid van bedrijfsruimte, (risico) kapitaal en goed geschoolde werknemers. Het zijn de bedrijven die het moeten doen. Evenwel kunnen bedrijven dat niet zonder een overheidsbeleid dat de voorwaarden schept voor de beschikbaarheid en optimale inzet van deze (productie)factoren.

Het voorwaardenscheppende overheidsbeleid is een dynamisch proces. Dit betekent dat de randvoorwaarden van het ondernemingsklimaat continu onderhoud nodig hebben om het welvaartscheppende vermogen van het in Nederland gevestigde bedrijfsleven op peil te houden. Een belangrijk onderdeel van deze onderhoudsfunctie is gericht op het aanpakken van knelpunten en het wegwerken van relatieve achterstanden.

De prestaties van de Nederlandse economie in het afgelopen decennium, in termen van economische groei, de toename van het inkomen per inwoner en de creatie van nieuwe werkgelegenheid, kunnen, ook in internationaal perspectief, zonder meer goed worden genoemd. Deze prestaties zijn in belangrijke mate het gevolg van het – tot voor kort – gunstige ondernemingsklimaat van Nederland, waaraan het gevoerde financieel-economische beleid substantieel heeft bijgedragen1. Inmiddels is de economische groei vertraagd. Daarbij is de Nederlandse groei voor het eerst sinds 1995 zelfs onder de groei in de Europese Unie terechtgekomen. Parallel met de conjuncturele teruggang verslechtert sinds enige tijd tevens het vestigings- en investeringsklimaat. Zo zijn de winstgevendheid en rentabiliteit van het eigen vermogen, mede door de fors oplopende arbeidskosten, behoorlijk teruggelopen2. Om deze negatieve ontwikkeling een halt toe te roepen is het noodzakelijk actuele knelpunten op te lossen en nieuwe uitdagingen op te pakken. Dit uit zich in de operationele doelstellingen van artikel 3 die worden besproken in paragraaf 3.2.

3.1.1 Doelbereik en rol van EZ

Om de gestelde doelen met betrekking tot bevordering van het ondernemingsklimaat te bereiken, beschikt EZ over een aantal instrumenten. Tegelijkertijd werkt EZ sterk samen met andere overheidsinstanties en het bedrijfsleven. Samenwerking met andere overheidsinstanties, op centraal, regionaal en gemeentelijk niveau, is aan de orde omdat zij voor een aantal beleidsterreinen (eerste) verantwoordelijkheid dragen. Samenwerking met het bedrijfsleven is aan de orde omdat de rode draad door het voorwaardenscheppende EZ-beleid is dat uiteindelijk de bedrijven het zullen moeten doen. Dit betekent dat de resultaten bij de operationele doelen van artikel 3 in hoge mate resultaat zijn van een gezamenlijke inspanning van actoren. EZ is hierbij het departement dat bij uitstek de samenhang bewaakt, onderhoudt en bevordert.

3.1.2 Algemene effectindicator

Tegen bovenstaande achtergrond is het opnemen van een algemene prestatie-indicator voor artikel 3 niet opportuun. Wel kan door middel van een aantal effectindicatoren een graadmeter worden geschetst van de stand van zaken van het ondernemingsklimaat in Nederland. Zo kan de ontwikkeling van de bedrijfsinvesteringen in Nederland, in de vorm van de bedrijfsinvesteringsquote, worden gezien als graadmeter voor de bereidheid van ondernemers risico's te nemen en te anticiperen op toekomstige productie en afzet. Investeringen zijn in de praktijk de motor achter het realiseren van toegevoegde waarde en werkgelegenheidsgroei en nodig om de productiviteit van werknemers op peil te houden en te vergroten. In het Centraal Economisch Plan 2001 geeft het CPB een analyse van de ontwikkeling van de investeringsquote.

Figuur 1: Investeringsquote bedrijven 1971–2003 (in %)kst-28600-XIII-2-2.gif

Uit deze analyse blijkt dat in het begin van de jaren zeventig de investeringsquote op een relatief lager niveau is komen te liggen dan in de jaren vijftig en zestig, de tijd van de wederopbouw. Vanaf het midden van de jaren zeventig is een golfbeweging waar te nemen. Daarbij vallen de pieken en dalen vaak samen met respectievelijk perioden van economische groei en economische neergang. Tevens lijkt het er volgens het CPB op dat de pieken en dalen bij elke golf iets hoger zijn komen te liggen. Zo ligt de piek van midden jaren tachtig op een hoger niveau dan de piek in de tweede helft van de jaren zeventig en ligt het dal van begin jaren negentig op een hoger niveau dan het dal van begin jaren tachtig. De voorspoedige economische ontwikkeling, vooral ingezet na 1994, heeft op haar beurt weer tot een gestage stijging van de investeringsquote geleid met een piek in 2000 die op krap 20% lag. Net als in 2001 het geval was, voorziet het CPB voor dit jaar een teruggang. Bovendien stemmen de flink gedaalde winstquote en rentabiliteit van het eigen vermogen1 weinig optimistisch voor de komende jaren.

De beleidsuitdaging is erop gericht om het beeld dat de investeringsquote, met inbegrip van economische golven, de afgelopen jaren te zien heeft gegeven door te trekken naar de toekomst, dat wil zeggen pieken en dalen geleidelijk aan op een hoger niveau brengen. Het dal van 1994 (ruim 16%) en de (voorlopige) top van 2000 (bijna 20%) kunnen hierbij als ijkpunten dienen. De randvoorwaarden van het ondernemingsklimaat moeten zodanig worden ingericht dat bij economische vooruitgang het niveau van de investeringsquote kan doorgroeien en bij economische teruggang de teruggang relatief beperkt kan blijven.

Tabel 3.1.2: Effectindicator investeringsquote
EffectindicatorStreefwaarde
Investeringsquote van bedrijvenaRelatieve toename van de investeringsquote ten opzichte van de afgelopen jaren. Het voorlopige dal van 1994 (ruim 16%) en de voorlopige piek van 2000 (bijna 20%) zijn hierbij ijkpunt.

aInvesteringen in vaste activa (exclusief woningen) als percentage van de bruto toegevoegde waarde tegen factorkosten (exclusief verhuur van en handel in onroerend goed).

Hoewel de investeringsquote als een goede graadmeter voor het ondernemingsklimaat in Nederland kan worden beschouwd, is één effectindicator voor de relatief brede algemene beleidsdoelstelling van artikel 3 beperkt. Door de aan de Universiteit van Amsterdam gelieerde Stichting Economisch Onderzoek (SEO) zijn de mogelijkheden onderzocht voor het ontwikkelen van een «barometer» van het ondernemingsklimaat. De eerste resultaten geven aan dat het mogelijk is om een indicator te presenteren die helder en op hoofdlijnen de kwaliteit van het ondernemingsklimaat op een viertal deelterreinen kan schetsen: ruimtelijk-economisch, arbeidsmarkt & productiecapaciteit, kapitaalmarkt en economic performance. Deze barometer zal naast de investeringsquote indicatoren bevatten op het gebied van arbeid, kapitaal en omgevingsfactoren. In de begroting voor 2004 zullen naar verwachting gekwantificeerde streefwaarden worden opgenomen.

3.2 Operationele doelstellingen

De algemene beleidsdoelstelling van artikel 3 heeft drie operationele doelstellingen:

3.2.1 Fysieke ruimte: Het versterken van het ondernemingsklimaat door te zorgen voor ruimte om te ondernemen, een goede bereikbaarheid van economische centra en economisch vitale steden en regio's.

3.2.2 Productiefactoren: Creëren en bewaken door de overheid van de randvoorwaarden die een optimale inzet van productiefactoren mogelijk maakt.

3.2.3 EZ als partner voor andere overheden en het bedrijfsleven: EZ signaleert knelpunten in het ondernemingsklimaat en reageert daarop en treedt op als zakelijke klant en partner in projecten, zowel richting andere overheden als richting het bedrijfsleven.

3.2.1 Fysieke ruimte

Deze operationele doelstelling wordt langs drie beleidslijnen ingevuld:

A) Zorgen voor voldoende fysieke ruimte van de juiste kwaliteit om te ondernemen.

B) Bereikbaarheid: goede bereikbaarheid van de economische centra, waaronder lucht- en zeehavens.

C) Regionaal economisch beleid: ontwikkeling van economisch vitale steden en regio's.

A) Zorgen voor voldoende fysieke ruimte van de juiste kwaliteit om te ondernemen.

De kwantitatieve en kwalitatieve opgave op het vlak van bedrijventerreinen is de komende jaren groot. De vraag naar bedrijventerreinen beloopt in de periode 2000–2010 zo'n 15 000 hectare en tot 2030 ruim 40 000 hectare. De laatste jaren is de voorraad snel teruggelopen. In diverse regio's zijn zelfs acute tekorten aan het ontstaan. Bovendien is van het in gebruik zijnde areaal meer dan 10 000 hectare, overeenkomend met een zesde van de totale omvang, verouderd1. Het opknappen van deze verouderde bedrijventerreinen is van groot belang om de vitaliteit in de betrokken (stedelijke) gebieden een extra impuls te geven, om de beschikbare ruimte voor bedrijven efficiënter te gebruiken en om nadelige milieu-effecten te verminderen en de leefomgeving positief te beïnvloeden. Hier is dus een flinke inhaalslag nodig.

Zonder voldoende bedrijfslocaties van een goede kwaliteit komt hetduurzaam economisch groeivermogen in gevaar. EZ heeft daarom in het voorjaar van 2002 een Actieplan Herstructurering (Kamerstukken II, 2001/2002, 28 324, nr. 1) naar de Tweede Kamer gezonden met voorstellen voor uitbouw en intensivering van het beleid. De daarin verwoordde ambitie is om samen met de medeverantwoordelijke overheden én private partijen het areaal verouderde bedrijventerreinen van tenminste 10 000 hectare te gaan herstructureren en te voorkomen dat deze terreinen opnieuw snel verouderen.

In het licht van het Strategisch Akkoord zijn de plannen inmiddels op cruciale punten achterhaald. Het gaat in het bijzonder om de huidige budgettaire situatie. Het actieplan is gebaseerd op de permissie dat er extra gelden voor het beleid beschikbaar zouden komen. In het licht van de huidige budgettaire kaders en taakstellingen is dat echter niet mogelijk gebleken. Ambitie, strategie en effectiviteit van de wel beschikbare middelen worden om die reden opnieuw bezien.

EZ zal om die reden in de loop van 2002 met aangepaste voorstellen komen waarmee het de beschikbare middelen op zodanige wijze inzet dat maximaal invulling wordt gegeven aan herstructurering van de nationale opgave.

Verschillende overheden hebben een verantwoordelijkheid bij de deelonderwerpen van bedrijventerreinen (vraag en aanbod, Bedrijfslocatiemonitor, veroudering etc). In 1999 is het convenant Samenwerking in de Regio afgesloten, dat voorziet in afstemming en samenwerking op die deelonderwerpen. Met de wijziging van het convenant in het voorjaar van 2002 zijn, naast het Ministerie van EZ (dat het convenant coördineert), het Ministerie van VROM, het Ministerie van V&W, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de provincies partners in het convenant. Hoofddoel van het convenant is het realiseren van een gunstiger regionaal economisch klimaat (zie ook onderdeel C: Regionaal economisch beleid).

Tabel 3.2.1.A: Prestatiegegevens bedrijventerreinen
EffectindicatorStreefwaarde
Tijdige realisatie door andere overheden van kwalitatief en kwantitatief voldoende ruimte voor economische activiteiten op de juiste plek. • Verrichten inhaalslag herstructurering verouderde bedrijventerreinen • Nieuwe omvangrijke herstructureringsopgave wordt voorkomen.

In de begroting 2002 is de ontwikkeling van een «verouderingsmonitor» aangekondigd (samen met VROM) waarmee inzichtelijk wordt of het beleid gericht op (kwalitatief) voldoende aanbod van bedrijventerreinen afdoende is. Met deze indicator wordt ook gemeten of een nieuwe omvangrijke herstructureringsopgave wordt voorkomen. Eind 2002/begin 2003 zal de monitor operationeel zijn en zal op basis hiervan een eerste nulmeting beschikbaar komen.

Belangrijke instrumenten die ingezet worden zijn:

InstrumentOmschrijving
TIPPDe Tenderregeling Investeringsprogramma's Provincies is de opvolger van de Stimuleringsregeling Ruimte voor Economische Activiteit (StiREA). Provincies kunnen maximaal € 6,8 mln subsidie krijgen voor een programma gericht op de ontwikkeling en/of herstructurering van bedrijventerreinen. De tenders worden in de periode 2001–2003 uitgevoerd.
DBTHet stimuleringsprogramma Duurzame Bedrijventerreinen ondersteunt samenwerkingsprojecten gericht op verbetering van zowel milieu- als economische prestaties van ondernemers op bedrijventerreinen. Het programma voorziet in financiële ondersteuning van masterplannen en haalbaarheidsstudies en in het ontwikkelen en verspreiden van kennis en ervaringen over duurzame bedrijventerreinen. Looptijd van het programma is 1999–2002. Verlenging met 1 jaar is in voorbereiding. Voor DBT is een budget van € 14 mln beschikbaar.
Convenant EZ-IPO-VNG-VROM-V&W Samenwerking in de regioIn het convenant zijn bestuurlijke afspraken gemaakt die een randvoorwaarde vormen voor samenwerking en afstemming, gericht op tijdige realisering en kwaliteit.

B) Bereikbaarheid: goede bereikbaarheid van de economische centra, waaronder lucht- en zeehavens

Een goede bereikbaarheid van economische centra vormt een sleutelingrediënt voor een internationaal concurrerend ondernemingsklimaat. Lucht- en zeehavens vormen essentiële schakels in de interne- en externe bereikbaarheid van Nederland. Ze zijn tevens belangrijke bronnen van werkgelegenheid en welvaartsgroei. Een goede bereikbaarheid van economische centra en voldoende ruimte voor duurzame economische ontwikkeling van lucht- en zeehavens zijn daarom belangrijke doelstellingen van het economische beleid.

EZ werkt op dit terrein nauw samen met de Ministeries van V&W en VROM en andere relevante departementen. Op regionaal niveau zijn provincies en gemeenten belangrijke partners. EZ werkt concreet mee aan de voorbereiding en uitvoering van majeure landelijke en regionale beslissingen over mobiliteit en de ruimtelijke ontwikkeling (groei) van lucht- en zeehavens. Voorbeelden zijn de discussies over het Nationaal Verkeer en Vervoer Plan (NVVP), en de kabinetsbesluiten over Schiphol, kleine en regionale luchthavens, Project Mainport Rotterdam en grote investeringsprojecten, zoals de Zuiderzeelijn en het «Rondje Randstad». Op regionaal niveau levert EZ een bijdrage aan streekplannen alsmede aan de werkzaamheden van provinciale plancommissies.

EZ adviseert het kabinet over de uitvoering van maatschappelijke kosten-batenanalyses en over de economische consequenties van investerings- en mobiliteitsmaatregelen. EZ levert tevens kennis over marktordenings- en mededingingsaspecten van het beleid.

Het effect van deze inspanningen moet blijken uit de mate waarin het kabinetsbeleid bijdraagt aan de genoemde economische doelen. Het kabinet neemt echter integrale besluiten, waarbij verschillende in het geding zijnde belangen tegen elkaar worden afgewogen. Als zodanig is het ondoenlijk om effect- of prestatie-indicatoren van EZ afzonderlijk weer te geven, omdat dat op gespannen voet zou staan met de integrale afweging binnen het kabinet.

Dit operationele doel wordt niet nagestreefd met een subsidie-instrument. De doelen hebben een lange termijn karakter en worden nagestreefd door participatie in de voorbereiding van grote kabinetsnota's, zoals de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening en in RPC en Planologische Plan Commissies. Tevens neemt EZ samen met andere departementen deel aan studies waarin de mogelijkheden voor grootschalige projecten worden onderzocht. Voorbeelden hiervan zijn het onderzoek naar de kilometerheffing, mainport Rotterdam en de Zuiderzeelijn.

Ook voert EZ het secretariaat van de Interdepartementale Commissie Economische Structuur (ICES). Daardoor is EZ direct betrokken bij besluitvorming over grote investeringsprojecten die van cruciaal belang zijn voor de bereikbaarheid van de economische centra. In april 2002 heeft het kabinet de bouwstenenbrief voor een nieuwe ICES-impuls naar de TK gezonden. Het nieuwe kabinet zal op basis hiervan een concrete beslissing over een investeringsimpuls nemen.

C) Regionaal economisch beleid: Ontwikkeling van economisch vitale steden en regio's

Het regionaal economisch beleid bevordert de economische ontwikkeling van steden, regio's en landelijk gebied. Het is gericht op een evenwichtige spreiding van economische groei in Nederland. Daarmee worden de economische potenties van Nederland als geheel beter benut. Bij de uitwerking van dit beleid gaat het om het stimuleren van provincies en grote steden tot het voeren van economisch beleid waarmee de eigen economische potenties zo goed mogelijk worden benut. Dit gebeurt onder andere via het versterken van het toerisme en het ondersteunen van regio's met economische achterstanden. Bij de ontwikkeling van economisch vitale steden en regio's gaat het niet alleen om de fysieke ruimte om te ondernemen en een goede bereikbaarheid, maar ook om de doorwerking van andere bakens op de EZ-agenda, zoals ondernemerschap en menselijk kapitaal.

Het versterken van de economische structuur van de grote steden in Nederland is één van de drie hoofddoelstellingen van het Grotestedenbeleid (GSB). Het gaat om beleid gericht op fysieke factoren (bijvoorbeeld ruimte voor bedrijventerreinen) en niet-fysieke factoren (bijvoorbeeld stimuleren van kansrijke sectoren). Op basis van meerjarige ontwikkelingsplannen zijn met dertig (meest grotere) steden afspraken gemaakt. Het gaat hier om de G25 en vijf «aanleungemeenten». Een nulmeting op basis van een nieuwe gestandaardiseerde indicator voor de G30 komt eind 2002 beschikbaar.

De looptijd van het GSB, inclusief het niet-fysieke deel van het economisch stimuleringsbeleid, was oorspronkelijk t/m 2003. Voor de benchmark gemeentelijk ondernemingsklimaat zal eind 2003 een tweede herhalingsmeting worden uitgevoerd. Inmiddels is besloten de looptijd te verlengen t/m 2004, waarmee een gelijkschakeling wordt bereikt met het fysieke deel via het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing. Over aanvullende prestatie-afspraken en budget voor het jaar 2004 worden nog aparte afspraken tussen het Rijk en de steden gemaakt. Totaalverantwoording door de steden volgt dan medio 2005.

Voor de versterking van de economische structuur van het Noorden heeft het Samenwerkingsverband Noord Nederland (SNN) een operationeel ontwikkelingsprogramma 2000–2006 uitgewerkt, geheten «Kompas voor het Noorden». Hiermee wordt een zo effectief mogelijke aanwending van de middelen voor het Noorden nagestreefd. Om flexibel te blijven, werkt SNN met jaarprogramma's die voor goedkeuring aan EZ worden voorgelegd. Naast EZ dragen ook andere departementen en de EU bij aan de uitvoering van dit plan. De centrale Investeringspremieregeling (IPR) richt zich op financiële ondersteuning van bedrijfsinvesteringen in onder meer de aangemerkte economische kernzones van Noord-Nederland.

Om te zien of Kompas en het EPD voor het Noorden aan de verwachtingen voldoen, zal eind 2002/begin 2003 een midterm review gehouden worden door een externe beoordelaar. SNN en EZ zijn hiervan gezamenlijk opdrachtgever. De evaluatie zal expliciet ingaan op de (verwachte) effecten van uitvoering van deze (overlappende) programma's, zoals met name de uitgelokte investeringen en additionele werkgelegenheid.

In 2003 wordt dus bezien of koerswijzigingen noodzakelijk zijn. Ten opzichte van 2002 is als prestatie-indicator toegevoegd de uitgelokte investeringsquote. Naast de ontwikkeling in werkgelegenheid en bedrijventerreinen wordt hiermee een completer beeld gegeven van de effecten van «Kompas voor het Noorden».

Het onder A genoemde convenant Samenwerking in de regio speelt ook een rol in het nastreven van een gunstiger regionaal economisch klimaat. Daarmee beperkt het zich niet tot bedrijventerreinen. De convenantpartners hebben daartoe tevens afspraken gemaakt over het regionaal investeringsklimaat in brede zin, lokaal economisch beleid, innovatiebeleid en het verbeteren van de marktwerking en efficiëntie.

In maart 2002 hebben de Staatssecretarissen van EZ en LNV het Toeristisch-Recreatief ActieProgramma (TRAP) naar de Tweede Kamer gezonden (Kamerstukken II 2001/2002, 26 419, nr. 9). Dit programma is gericht op het realiseren van de twee hoofddoelstellingen van het toeristisch-recreatief beleid:

– Zorgdragen voor kwantitatief en kwalitatief voldoende recreatiemogelijkheden voor alle inwoners van Nederland;

– Behoud en duurzame versterking van de concurrentiepositie van de toeristisch-recreatieve sector in internationaal verband.

Ten opzichte van de begroting 2002 heeft een indikking van de effectindicatoren met betrekking tot het toeristische beleid van 4 naar 1 plaatsgevonden. Belangrijkste reden hiervoor is de samenhang die tussen de afzonderlijke effectindicatoren bestaat. De inspanningen van EZ met betrekking tot het toeristisch beleid komen nu tot uitdrukking in de effectindicator «belang toerisme».

Tabel 3.2.1.C: Prestatiegegevens regionaal economisch beleid
EffectindicatorStreefwaarde
Steden 
Oppervlakte gerevitaliseerde bedrijfsruimte in grote stedenOntwikkeling conform streefcijfers 2004 aangegeven in individuele stedelijke ontwikkelingsplannen.
  
Ontwikkeling werkgelegenheid individuele steden t.o.v. landelijk gemiddeldeStijging 2003 t.o.v. 2000. Middelgrote steden (G21) tot hoger dan landelijk gemiddelde, grootste vier steden dicht bij landelijk gemiddelde.
  
Verbetering gemeentelijk ondernemingsklimaat volgens benchmarkHogere scores in herhalingsmeting eind 2003 op aangegeven verbeterpunten van elk van de G25-steden. Bereiken eind 2003 van door elk van de G25-steden begin 2000 aangegeven prestaties.
  
Noord Nederland 
Ontwikkeling werkgelegenheid t.o.v. landelijk gemiddeldeSnellere ontwikkeling werkgelegenheid om achterstand in te halen, gemiddeld 2 500 additionele werkgelegenheid per jaar in de periode 2000–2006.
  
Uitgelokte investeringenUitgelokte investeringen gemiddeld € 800 mln per jaar in de periode 2000–2006.
  
Ontwikkeling in beschikbare bedrijventerreinen en kantoorruimteBedrijventerreinen:• Nieuwe terreinen: 1000 ha netto in de periode 2000 t/m 2006.• Revitalisatie: 1100 ha bruto in de periode 2000 t/m 2006. Stationsgebieden:• Nieuwe kantoorruimte: 200 000 m2 bruto in de periode 2000 t/m 2006.• Revitalisatie kantoorruimte: 200 000 m2 bruto in de periode 2000 t/m 2006.
  
Toerisme: 
Belang toerismeGroei omzet toerisme: van € 25,9 miljard in 2000 tot € 34,0 miljard in 2005. Marktaandeel reële bestedingsgroei van het inkomend toerisme tenminste gelijk aan het NW-Europese gemiddelde.

De nadruk van het regionaal economische beleid ligt op financiële instrumenten. Vanzelfsprekend kunnen deze alleen succesvol zijn als ze worden ingezet in combinatie met gedegen onderzoek en participatie in beleid van en bestuurlijke afspraken met andere overheden, zowel departementen als regionale overheden. Voor het Noorden zijn de financiële instrumenten gecombineerd tot een programma-financiering in het kader van het «Kompas voor het Noorden». De IPR maakt hier voor wat betreft het Noorden ook deel van uit. Evenwel wordt deze apart op de begroting verantwoord. Enkele gemeenten in Overijssel en in Zuid-Limburg vallen namelijk ook onder de IPR, maar niet onder het Kompas.

Belangrijke instrumenten die ingezet worden zijn:

InstrumentOmschrijving
Convenant EZ-IPO-VNG-VROM-V&W Samenwerking in de regioIn het convenant zijn bestuurlijke afspraken gemaakt die een randvoorwaarde vormen voor samenwerking en afstemming, gericht op het realiseren van een gunstiger regionaal economisch klimaat.
Kompas voor het NoordenProgramma financiering via het Samenwerkingsverband Noord Nederland op basis van het rapport Langman.
Fysieke StadseconomieOnderdeel van het Grote Stedenbeleid (GSB). Het EZ-deel wordt via de wet Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing van VROM ingezet. Het budget bedraagt € 113,9 mln (voor de periode 1999–2004). Het wordt verdeeld over de 30 grootste steden voor onder meer het stimuleren van (ver)bouw van kleinschalige bedrijfsruimten voor diverse doelgroepen in renovatiegebieden, de herstructurering van verouderde bedrijventerreinen, functiemenging (wonen/werken) en verbetering van bereikbaarheid van werklocaties.
Niet-fysieke stadseconomieMaakt ook deel uit van het GSB. Budget is € 51,4 mln voor de periode 2000–2003. Het is gericht op de organisatorische en «zachte» componenten van economische structuurversterking. De twee prioriteiten zijn «ondernemerschap» en «kansrijke sectoren en clusters».
EFRO co-financieringCo-financiering van projecten die door de Europese Commissie worden ondersteund uit hoofde van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling. In de beleidsperiode 2000 2006 worden in Nederland regio's ondersteund via doelstelling 1 (uitfasering, Flevoland), Doelstelling 2 (ondersteuning van de economische en sociale omschakeling van in structurele moeilijkheden verkerende zones in noord, oost en zuid Nederland) en Interreg (grensregio's).
ROM'sDe Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM's) initiëren in samenwerking met het bedrijfsleven nieuwe economische investeringen in hun provincies teneinde bij te dragen in versterking van de economische structuur. EZ draagt bij in de apparaatskosten van de ROM's.
TRNActiviteiten ter bevordering van het Toerisme worden gestimuleerd via een bijdrage aan Toerisme en Recreatie Nederland (TRN), de intermediaire marketingorganisatie voor inkomend en binnenlands toerisme en voor de congressector.

3.2.2 Productiefactoren

De operationele doelstelling die gericht is op de randvoorwaarden voor een optimale inzet van de productiefactoren, wordt langs twee beleidslijnen ingevuld:

A) Bevorderen van ondernemerschap door optimale inzet van productiefactoren;

B) Bevorderen van duurzaamheid, o.a. door verbetering van de synergie tussen milieu en economie en maatschappelijk verantwoord ondernemen.

A) Bevorderen van ondernemerschap door optimale inzet van productiefactoren

Ondernemerschap is een van de bakens waarop het EZ-beleid zich richt om het duurzaam groeivermogen van de Nederlandse economie te vergroten. Ondernemerschap staat immers aan de bron van economische activiteit en dynamiek en moet vanuit die optiek daarom volop de ruimte krijgen. De inzet van EZ is hierbij in algemene zin gericht op het verbeteren van de omgeving voor ondernemers door het wegnemen van belemmeringen.

Het gaat hierbij om belemmeringen in alle fasen van het ondernemerschap (van de start- tot beëindigingsfase). De afgelopen jaren zijn hierbij op verschillende punten resultaten geboekt, bijvoorbeeld op het terrein van de vestigingswet, de overgang van werknemerschap naar ondernemerschap en op het terrein van de faillissementswet. Voor de komende jaren liggen er echter nog een aantal belangrijke uitdagingen, bijvoorbeeld op het terrein van flexibilisering van het ondernemingsrecht (waaronder corporate governance). Hierover wordt in de beleidsagenda van deze begroting gesproken.

Een voorbeeld van een concreet instrument dat EZ hanteert om belemmeringen voor ondernemerschap weg te nemen, is het Besluit Borgstellingsregeling MKB (BBMKB). Door middel van deze regeling wordt de toegang van bedrijven in het midden- en kleinbedrijf tot het bankkrediet vergroot. Wat betreft de aanbodkant van de kapitaalmarkt komen in 2003 nadere gegevens beschikbaar over de positie van informal investors. Op basis van deze informatie wordt bezien of nader beleid wenselijk is. Voorts komen in 2003 de resultaten beschikbaar van een onderzoek naar financieringsknelpunten van middelgrote ondernemingen. Naast de stimulering van ondernemerschap in algemene zin is de stimulering van ondernemerschap onder bepaalde doelgroepen aandachtspunt van het EZ-beleid. Bijvoorbeeld waar het gaat om etnisch en vrouwelijk ondernemerschap. Doelstelling hiervan is de integratie en participatie van groepen door middel van ondernemerschap te bevorderen en de groei van productiviteit te stimuleren.

Hoewel het beleid gericht is op de creatie van de juiste randvoorwaarden voor ondernemerschap, zijn de uiteindelijke resultaten ook mede afhankelijk van conjuncturele en maatschappelijke ontwikkelingen. De ontwikkelingen zijn daarmee het resultaat van een samenspel van factoren. Over deze ontwikkelingen rapporteert EZ vier maal per jaar in de «Ondernemerschapsmonitor». De in deze monitor opgenomen indicatoren hebben niet het karakter van prestatie-indicatoren. Ze zijn meer indicatief voor de stand van zaken op het gebied van het ondernemerschap in Nederland.

Om op geaggregeerd niveau iets te kunnen zeggen over de ontwikkeling van het ondernemerschap in Nederland, worden voor 2003, net als in de begroting 2002, effectindicatoren gehanteerd. Naast de specifieke indicator voor het gebruik van de BBMKB-regeling wordt hierbij een algemene indicator gehanteerd, die iets aangeeft over de algemene ontwikkeling van het ondernemerschap. Hierbij is ten opzichte van de begroting 2002 een verfijning in de indicator aangebracht. Deze verfijning houdt in dat nu de ontwikkeling van het aantal ondernemers als percentage van de beroepsbevolking als leidraad wordt genomen en niet het saldo van starters en stoppers in het MKB-segment als maatstaf wordt gehanteerd. De nieuwe indicator sluit beter aan op de beleidsdoelstelling, het bevorderen van ondernemerschap.

Tabel 3.2.2.A: Prestatiegegevens bevorderen ondernemerschap
EffectindicatorStreefwaarde
Gebruik van de BBMKB-regeling€ 450 mln garanties in 4 000 kredieten, waarvan 60% starters.
Aantal ondernemers als % van de beroepsbevolkingMinimaal 10% en niet meer dan 1%-punt achter t.o.v. het gemiddelde van de EU15 en de VS.

Belangrijke instrumenten die ingezet worden zijn:

InstrumentOmschrijving
BBMKBDe borgstellingsregeling vergroot de toegang van bedrijven in het MKB tot het bankkrediet. Voor bedrijven die over onvoldoende zekerheden beschikken staat de overheid borg voor een deel van de nieuwe kredietverstrekking. De regeling is per 1 januari 2002 aangepast en daarmee aantrekkelijker geworden voor starters.
Programma-onderzoek MKB en ondernemerschapEZ subsidieert het programma-onderzoek MKB en ondernemerschap van het EIM. Deze subsidie is bestemd voor het verzamelen, bijhouden en bewerken van basisinformatie.

B) Bevorderen van duurzaamheid, onder andere door verbetering van de synergie tussen milieu en economie en maatschappelijk verantwoord ondernemen

Verbeteren synergie van milieu en economie

EZ richt zich op het realiseren van een duurzame economische groei. In relatie tot het milieubeleid is de doelstelling van EZ het realiseren van een structurele synergie van milieu en economie. EZ is geen eindverantwoordelijke voor het milieubeleid, maar heeft wel een duidelijke visie op hoe gewerkt moet worden aan de synergie tussen milieu en economie. Transitiebeleid, internaliseren van milieukosten door marktconforme instrumenten, kosteneffectiviteit en het creëren van draagvlak bij het bedrijfsleven en andere maatschappelijke actoren zijn hierbij sleutelwoorden. Het Ministerie van VROM is eindverantwoordelijke voor het milieubeleid. EZ streeft synergie na door marktconformiteit, kosteneffectiviteit en draagvlak voor het bedrijfsleven. Om de synergie tussen milieu en economie te bereiken, participeert EZ in beleidstrajecten en in interdepartementaal overleg (onder meer RMC en RROM), wordt overleg gevoerd met het bedrijfsleven en milieu- en natuurorganisaties over de hoofdlijnen van het beleid en wordt strategisch onderzoek uitgevoerd. In 2002/2003 wordt bijvoorbeeld een onderzoek voorzien naar verdergaande mogelijkheden om de synergie tussen milieu en economie te versterken. Voor de begroting 2004 zal de haalbaarheid van een prestatieindicator onderzocht worden.

Belangrijke instrumenten die ingezet worden zijn:

InstrumentOmschrijving
ParticipatieParticipatie bij het tot stand brengen van het milieubeleid van het kabinet. Hiervoor participeert EZ o.a. in interdepartementaal overleg (o.a. RMC).
Onderzoek en kennisdiffusieJaarlijks enkele strategische studies op het gebied van milieu en economie

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

Ontegenzeggelijk is de ontwikkeling van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) in Nederland de laatste jaren in een stroomversnelling geraakt. Dit betekent dat de druk van consumenten op het bedrijfsleven om zich in te zetten voor maatschappelijke doeleinden en hier publiekelijk verantwoording over af te leggen, is toegenomen. MVO is in Nederland niet meer weg te denken. Het kan worden gezien als een van de trends van het nieuwe consumeren en het nieuwe ondernemen. Het bedrijfsleven beseft dat zelf ook in toenemende mate en onderneemt allerlei activiteiten. De overheid heeft hierbij vooral een faciliterende rol. De basis voor het MVO-beleid is gelegd in de kabinetsreactie op het SER-advies «De winst van waarden» (april 2001). EZ werkt, in nauwe samenspraak met de relevante stakeholders (andere departementen, bedrijven, maatschappelijke organisaties), aan de realisatie van de voornemens die in dit standpunt zijn genoemd.

Een belangrijk instrument om MVO te bevorderen, is het Kenniscentrum MVO. Dit is in de begroting 2002 aangekondigd en zal eind 2002 operationeel zijn. Het Kenniscentrum heeft de rechtsvorm van een stichting, waaraan EZ subsidie verleent. Het Kenniscentrum heeft een tweeledig doel:

• Het bevorderen van kennis- en informatieoverdracht over MVO, zowel in de nationale als de internationale context.

• Het bevorderen en faciliteren van de onderlinge dialoog over MVO tussen ondernemers, maatschappelijke organisaties, (lokale) overheden en burgers.

In 2002 is als prestatie-indicator opgenomen het percentage jaarverslagen met rapportage over MVO. Omdat er nog geen helder kader is voor verslaglegging op dit gebied wordt de indicator minder geschikt geacht. Derhalve is nu gekozen voor een meer volledige en directe meting via de Ondernemerschapsmonitor.

Tabel 3.2.2.B: Prestatiegegevens maatschappelijk verantwoord ondernemen
EffectindicatorenStreefwaarde
Het aantal bedrijven dat aan MVO doetGemiddeld 55%

3.2.3 EZ als partner voor andere overheden en het bedrijfsleven

EZ brengt de algemene beleidsdoelstelling van artikel 3 tot uitvoering via eigen instrumenten en via samenwerking en afstemming met andere overheden op lokaal, regionaal, nationaal en internationaal niveau. Hierbij is een goede relatie met het bedrijfsleven een noodzakelijke voorwaarde voor EZ om te kunnen werken aan de randvoorwaarden voor een internationaal concurrerend ondernemingsklimaat in Nederland. Daarmee kan de beschikbare kennis van het bedrijfsleven over ontwikkelingen in het ondernemingsklimaat worden ontsloten voor de EZ-beleidsontwikkeling en tegelijkertijd het bedrijfsleven worden gewezen op specifieke kansen en beleidsontwikkelingen. EZ geeft dit vorm door middel van een algemeen aanspreekpunt voor het bedrijfsleven.

De signalen die via de aanspreekfunctie van het bedrijfsleven worden ontvangen, vormen belangrijke input voor een brede monitoringsfunctie van het ondernemingsklimaat. Gerichte monitoring en signalering van relevante trends in binnen- en buitenland stellen EZ in staat de strategie op het gebied van het ondernemingsklimaat op (middel)lange termijn te bepalen en te concretiseren. Het actief kennismanagement in deze wordt onder andere vormgegeven door het beheer van een intern bedrijfscontactensysteem.

Naast de algemene rol van EZ als aanspreekpunt en monitor van factoren die het ondernemingsklimaat beïnvloeden, is EZ samenwerkingspartner van andere overheden en buitenlandse bedrijven bij het bevorderen van de buitenlandse investeringen in Nederland. Voorts bevordert EZ de rol van de overheid als zakelijke klant via het Project Innovatief Aanbesteden (PIA) en de inschakeling van de private sector bij de realisatie of uitvoering van publieke dienstverlening (publiek-private samenwerking (PPS)).

Concreet wordt aan deze operationele doelstelling invulling gegeven langs drie beleidslijnen:

A) Bevorderen level playing field bedrijfsleven.

B) Stimulering van buitenlandse investeringen in Nederland.

C) De overheid stelt zich op als zakelijke klant en partner.

A) Bevorderen level playing field bedrijfsleven

Het speelveld voor bedrijven wordt in toenemende mate internationaal bepaald, waarbij een belangrijke rol is weggelegd voor de Europese Unie. EZ onderhoudt en stimuleert daarom zijn internationale netwerk. Daarbij is voor de condities van het internationale ondernemingsklimaat de Europese Raad voor het concurrentievermogen een belangrijk gremium. EZ stelt zich pro-actief op bij de ontwikkeling van nieuw beleid. Uitgangspunt is het bewerkstelligen van internationaal gelijke concurrentieverhoudingen (level playing field) voor het Nederlandse bedrijfsleven. Zo vormt het bewerkstelligen van een internationaal levelplaying field bijvoorbeeld het uitgangspunt bij de EZ-beoordeling en -bijdrage aan de ontwikkeling van generieke steunkaders. Met ingang van 1 januari 2001 was de ordersteun voor zeescheepsnieuwbouw niet meer toegestaan binnen de EU. Als reactie op dumpingpraktijken van Zuid Korea is tijdens de Industrieraad op 5 juni in principe besloten tot het instellen van een tijdelijk defensief steunmechanisme voor de Europese industrie. Als de onderhandelingen tussen Zuid-Korea en de EU niet het gewenste resultaat opleveren zal dit met ingang van 1 oktober van kracht worden voor bepaalde typen schepen. Evenals in het verleden is het aan de individuele lidstaten om hier invulling aan te geven. Over de consequenties van het EU-besluit en de opstelling van Nederland zal, na overleg met de scheepsbouwsector, een besluit worden genomen.

Een terrein dat zowel vanuit de klantenrol van de overheid als het streven naar een level playing field van EZ aandacht krijgt, is de Defensiemarkt. De omvangrijke aanschaffingen van het Ministerie van Defensie hebben vaak een technologisch hoogwaardig karakter dat kansen kan bieden voor Nederlandse bedrijven. Daarnaast kent de internationale defensiemarkt slechts een beperkte marktwerking. Veel landen passen specifieke maatregelen toe, waarmee de eigen industrie een betere uitgangspositie heeft om opdrachten te verwerven dan de buitenlandse. Het Nederlandse beleid in internationaal verband is gericht op het creëren van vrije concurrentie op de defensiemarkt. Om de uitgangspositie van Nederlandse bedrijven voor een concurrerende positie op deze markt te versterken, past Nederland op militaire aanschaffingen door het Ministerie van Defensie het compensatiebeleid toe. Met buitenlandse leveranciers van materieel worden contracten gesloten, waarin de Nederlandse inbreng wordt afgesproken. Het Ministerie van Defensie is verantwoordelijk voor de Nederlandse inbreng in aanschaffingen die in internationaal verband worden gedaan. EZ heeft hierbij een adviserende rol. Daarnaast wordt de uitgangspositie versterkt door de technologiestimuleringsregelingen Codema en JSF. Deelname aan de ontwikkeling en productie van dit megaproject is van strategisch belang voor de Nederlandse defensiegerelateerde industrie.

Tabel 3.2.3.A: Prestatiegegevens level playing field bedrijfsleven
EffectindicatorStreefwaarde
Inschakeling defensiegerelateerde bedrijven Aandeel Nederlandse bedrijven in Nederlandse defensie-aanschaffingen Continueren op niveau van 70%
Gerealiseerde invulling compensatie-verplichtingenGemiddeld € 350 mln per jaar

Belangrijke instrumenten die ingezet worden zijn:

InstrumentOmschrijving
GS ZeescheepsnieuwbouwOpdrachten geplaatst voor 1 januari 2001 kunnen volgens EU-regels worden gesteund. In de daaropvolgende jaren vindt alleen nog uitfinanciering plaats van toezeggingen die in de voorafgaande jaren zijn gedaan.
Deelname aan internationaal overlegZowel op het gebied van scheepsbouw als van defensiematerieel wordt door EZ intensief deelgenomen aan internationaal overleg. De inzet is om steeds een stap verder te komen naar liberalisering van de markt en het bestaan van een level playing field waarop Nederlandse bedrijven op basis van gelijkwaardige omstandigheden kunnen concurreren met buitenlandse.
CompensatiebeleidHet compensatiebeleid is gericht op het maken en effectueren van afspraken met buitenlandse industrieën en overheden over het inschakelen van Nederlandse bedrijven bij de ontwikkeling en productie van defensiematerieel.
Codema regeling en JSF regelingDe regeling Codema en de regeling JSF stimuleren technologie-ontwikkeling waardoor de kansen van Nederlandse bedrijven om deel te nemen aan ontwikkeling en productie van defensiematerieel stijgen. De tweede is met name gericht op versterking van de uitgangspositie van Nederlandse bedrijven bij deelname aan het JSF-programma.
Deelname JSF-SDD faseIn 2002 heeft Nederland besloten deel te nemen aan de ontwikkelingsfase voor de JSF. Het ministerie van Economische Zaken neemt een deel van de voorfinanciering van de bijdrage van de Nederlandse industrie voor haar rekening. De inspanningen van EZ in de komende periode zijn gericht op de optimale inschakeling van de Nederlandse industrie bij de ontwikkeling en productie van de JSF.
Instrument financiering schepenDit voorgenomen instrument is gericht op de problematiek die is ontstaan door het wegvallen van de fiscale CV-regeling in het nieuwe belastingstelsel. Dit omdat uit onderzoeken blijkt dat er sprake is van marktimperfecties op de kapitaalmarkt voor scheepsbouw. Met name de kleinere, minder kapitaalkrachtige reders kunnen hierdoor de financiering van schepen moeilijk rond krijgen. Andere Europse landen kennen vergelijkbare maatregelen voor deze problematiek.

B) Stimulering van buitenlandse investeringen in Nederland

Buitenlandse investeringen dragen bij aan de economische ontwikkeling van Nederland op nationaal en regionaal niveau. EZ rekent het stimuleren van buitenlandse investeringsprojecten tot zijn taken. Deze leveren – direct en indirect – nieuwe arbeidsplaatsen en investeringen op. Bovendien bevorderen ze de concurrentie en versterken ze de kennisbasis van de Nederlandse economie1. Daarnaast is het vermogen om buitenlandse footloose investeringen aan te trekken een gevoelige graadmeter voor de gesteldheid van het Nederlandse ondernemingsklimaat in relatie tot dat van de ons omringende landen. Het vermogen om buitenlandse investeringen aan te trekken wordt naast de kwaliteit van het Nederlandse ondernemingsklimaat bepaald door economische ontwikkelingen in het buitenland, gerichte informatievoorziening aan potentiële investeerders, een effectieve samenwerking met regionale en lokale overheden in Nederland en de concurrentie van de ons omringende landen.

Tabel 3.2.3.B: Prestatiegegevens buitenlandse investeringen in Nederland
EffectindicatorStreefwaarde
Omvang van de aangetrokken investeringen€ 325 mln in 80 projecten
Hiermee gemoeide werkgelegenheid3 400 arbeidsplaatsen
Percentage investeringen in hightech sectorencirca 50%

Het belangrijkste instrument voor het aantrekken van buitenlandse investeringsprojecten is een netwerk van buitenlandse EZ-kantoren in de economische centra van de wereld waar zich het grootste potentieel aan op Europa gerichte buitenlandse investeringen bevindt. Vanuit deze kantoren worden de bedrijven met Europese investeringsplannen opgespoord, benaderd en van professionele zakelijke informatie over het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat voorzien. Tevens wordt, in samenwerking met de thuisbasis in Nederland, assistentie geboden bij de voorbereidingen die een investeerder moet treffen alvorens zich in Nederland te kunnen vestigen. In dit verband wordt ook intensief samengewerkt met andere, met name regionale, overheidsinstanties.

De streefwaarde voor buitenlandse investeringen in Nederland is met respectievelijk € 25 mln en 100 arbeidsplaatsen naar beneden bijgesteld. Deze bijstelling is het gevolg van de van de taakstellingen in het Strategisch Akkoord welke is toegepast op het budget voor het Suppletie-instrument Infrastructuur en Kennisbasis. Deze bezuiniging leidt ertoe dat minder grootschalige, met name kapitaalintensieve, investeringsprojecten van buitenlandse investeerders via beschikbare instrumenten, zoals het Besluit Subsidies Regionale Investeringsprojecten, kunnen worden gestimuleerd.

C) De overheid stelt zich op als klant en zakelijke partner

Actieplan professioneel inkopen en aanbesteden

Bij een concurrerend ondernemingsklimaat hoort een overheid die zich richting de aanbieders uit het bedrijfsleven opstelt als een veeleisende en zakelijke inkoper van producten, diensten en werken. Tegen deze achtergrond wil de overheid op een meer professionele wijze vorm geven aan haar inkoop- en aanbestedingsbeleid, zodat meer value for money wordt gehaald uit de omvangrijke inkoopportefeuille. Hiertoe heeft EZ samen met de andere departementen de projectorganisatie Professioneel Inkopen en Aanbesteden (PIA) opgericht. Deze projectorganisatie heeft als taak de eerste stappen richting een professioneler inkopende overheid te zetten in de periode 2001–2004.

De projectorganisatie PIA is begonnen in april 2001 en heeft een looptijd van drie jaar. De resultaten van het actieplan zullen pas na afloop van deze looptijd goed zichtbaar zijn. Derhalve zal een resultaatmeting alleen voor de verantwoording over 2004 plaatsvinden. In de tussenliggende jaren zal de verantwoording worden beperkt tot een prestatiemeting waarmee de uitvoering van PIA kan worden gevolgd.

In 2003 ligt de nadruk (o.a.) op de uitbouw van een netwerk van inkopers en aanbesteders bij de overheid (deelproject PIANO). Dit netwerk heeft tot doel de samenwerking en kennisuitwisseling tussen de inkopers en aanbesteders van de afzonderlijke departementen te versterken zodat synergievoordelen benut kunnen worden. Voorts ligt in 2003 de nadruk op het verder stimuleren van het gezamenlijk inkopen en aanbesteden door departementen. De indicatoren zijn hier op afgestemd. De in 2002 opgenomen indicator was een in 2002 gerealiseerde inputindicator.

Tabel 3.2.3.C.: Prestatiegegevens Overheid als klant en zakelijke partner
EffectindicatorStreefwaarde
Een goed functionerend professioneel inkopers- en aanbestedersnetwerk overheid (PIANO)Minimaal 5 bijeenkomsten in 200330–50 deelnemers
Meer gezamenlijk inkopen en aanbesteden door departementenStijging van 25% in 2004 t.o.v. 2002

Belangrijke instrumenten die ingezet worden zijn:

InstrumentOmschrijving
PIADe projectorganisatie Professioneel Inkopen en Aanbesteden (PIA) heeft als doel nu en in de toekomst professioneel inkopen en aanbesteden bij de Nederlandse rijksoverheid te stimuleren.

Bevorderen publiek-private samenwerking

Publiek-private samenwerking (PPS) kan bijdragen aan het verhogen van de kwaliteit en efficiency van de dienstverlening van de overheid. De Rijksoverheid moet de kansen voor samenwerking met private partijen beter benutten. Met name op het gebied van ruimte en infrastructuur, maar ook op het gebied van onderwijs en zorg, liggen kansen voor verbetering van de publieke dienstverlening door private betrokkenheid. EZ wil daarom PPS stimuleren. In dit kader is EZ in 2002 nader de mogelijkheden gaan onderzoeken van directe PPS-bevordering in een aantal concrete projecten in plaats van de ontwikkeling van het PPS-keuzemodel dat in de begroting 2002 is aangekondigd. Naar verwachting is in de tweede helft van 2002 duidelijk welke projecten hiervoor concreet in aanmerking komen. Het opnemen van een effectindicator voor deze activiteiten in de begroting 2003 is tegen deze achtergrond niet opportuun.

3.3 Budgettaire gevolgen van het beleid

Bevorderen ondernemingsklimaat (in € mln)
 2001200220032004200520062007
Verplichtingen (totaal)651,5685,7637,8583,9592,9601,1601,1
Programma-uitgaven634,7665,4618,9567,0578,0586,3586,3
Operationeel doel 3.2.1: Fysieke ruimte       
– Bedrijventerreinen (waaronder TIPP)34,083,868,322,934,242,142,1
– REON – Kompas voor het Noorden68,960,060,560,960,861,061,0
– Centraal deel IPR6,422,821,021,021,021,021,0
– Suppletie-instrument Infra- & Kennisbasis28,69,07,07,07,07,07,0
– Cofinanciering EZ in EFRO-projecten59,52,3   1,21,2
– Bijdrage aan TRN22,726,322,622,222,222,122,1
– Bijdrage aan World Tourism Organisation (WTO)0,20,20,20,20,20,20,2
– Bijdragen aan apparaat ROM's5,67,37,27,27,17,07,0
– Bijdragen aan financiering ROM's2,76,8     
– Regio- en infrastructuurprogramma's 5,06,4    
Operationeel doel 3.2.2: Productiefactoren       
– Borgstellingen MKB (jaarlijks garantieplafond)356,7384,5384,5384,5384,5384,5384,5
– Bijdragen aan diverse instituten4,94,64,54,54,54,44,4
– Bijdragen aan bedrijven bij calamiteiten 0,30,30,30,30,30,3
– Duurzaamheid 7,1     
Operationeel doel 3.2.3: Partner voor overheden en bedrijf       
– Uitgaven CBIN-netwerk6,76,86,86,86,86,86,8
– Bijdrage scheepsbouwindustrie29,12,70,00,00,00,00,0
– Instrument financiering schepen 15,913,613,613,618,218,2
– Codema-regeling4,84,73,33,33,3  
– Bijdragen ontwikkeling JSF       
Algemeen       
– Opdrachten & onderzoek Ondernemingsklimaat2,811,310,09,99,87,87,8
– Vernieuwingsprogramma's1,14,02,72,72,72,72,7
        
Apparaatsuitgaven16,820,318,916,914,914,814,8
– Personeel DG Ondernemingsklimaat16,614,914,514,313,713,613,6
– Personeel PIA0,24,23,21,4   
– Bijdrage DG Ondernemingsklimaat aan BLD Senter 1,21,21,21,21,21,2
        
Uitgaven (totaal)293,7298,5311,0323,3300,7281,2262,2
        
Ontvangsten (totaal)18,627,735,127,921,719,615,7
– Ontvangsten ruimtelijk economisch beleid3,70,98,20,90,90,9 0,9
– Ontvangsten BBMKB14,812,512,612,612,512,512,4
– Ontvangsten Fes 8,913,313,37,14,70,0
– Diverse ontvangsten Ondernemingsklimaat0,15,41,01,11,21,52,4
Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 realisatie 2001raming 2002raming 2003
 gemiddelde bezettinggemiddeldeprijsformatiegemiddelde prijsformatiegemiddelde prijs
DG Ondernemingsklimaat personeel*239,068,4233,460,8233,459,7
PIA- personeel4,058,87,0106,17,074,3

* Inclusief de FTE's werkzaam voor beleidsartikel 4 (4,5 FTE's) en beleidsartikel 6 (2 FTE's).

Fiscale maatregelen

Naast het EZ-instrumentarium dragen ook verschillende fiscale maatregelen direct bij aan een gunstig ondernemingsklimaat in Nederland. De belangrijkste hiervan worden in de tabellen nader toegelicht. Voor een totaaloverzicht van alle belastinguitgaven en de meerjarig hiervoor geraamde bedragen wordt verwezen naar de Miljoenennota 2003, bijlage 5 Belastinguitgaven.

Verlaging lastendruk op ondernemingen

Fiscaal instrumentOmschrijving
ZelfstandigenaftrekEen ondernemer die voldoet aan het urencriterium (per jaar ten minste 1225 uur en ten minste 50% van de totale werktijd werkzaam in de onderneming) en nog geen 65 jaar is heeft recht op een fiscale aftrek van de winst. Door de zelfstandigenaftrek is een ondernemer in staat een gedeelte van de winst aan te wenden voor reserveringen of investeringen.
Extra zelfstandigenaftrek startersStartende ondernemers hebben recht op een extra zelfstandigenaftrek. De regeling is bedoeld om ondernemerschap te stimuleren door het bevorderen van de bereidheid startersrisico te lopen.
Fiscale oudedagsreserve, niet omgezet in een lijfrenteOndernemers in de inkomstenbelasting kunnen een oudedagsreserve vormen. Een ondernemer die voldoet aan het urencriterium en nog geen 65 jaar is, kan 12% van de winst per kalenderjaar aan de oudedagsreserve toevoegen. De oudedagsreserve biedt ondernemers de mogelijkheid in eigen beheer een oudedagsvoorziening op te bouwen.
MeewerkaftrekIndien de partner van een ondernemer die zelf aan het urencriterium (zie de beschrijving van de zelfstandigenaftrek) voldoet, meewerkt in diens onderneming zonder hiervoor een vergoeding te ontvangen, heeft de ondernemer recht op meewerkaftrek.

Andere maatregelen gericht op het wegnemen van praktische belemmeringen voor ondernemingen zijn de Stakingsaftrek, Doorschuiving stakingswinst en Doorschuiving winst aanmerkelijk belang bij aandelenfusie.

Fiscale regelingen gericht op het stimuleren van investeringen

Fiscaal instrumentOmschrijving
Investeringsaftrek, w.o. kleinschaligheidsinvesteringsaftrekDe investeringsaftrek is een extra aftrek op de fiscale winst. Deze aftrek is een percentage van het totale investeringsbedrag in een kalenderjaar. De investeringsaftrek kan de vorm hebben van kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, van energie-investeringsaftrek en van milieu-investeringsaftrek. De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek is gericht op het stimuleren van investeringen in bedrijfsmiddelen.
Willekeurige afschrijving andere aangewezen bedrijfsmiddelenDe aanschaffingskosten of voortbrengingskosten van bepaalde bij ministeriële regeling aangewezen bedrijfsmiddelen kunnen door de belastingsplichtige willekeurig worden afgeschreven. Het gaat onder meer om bedrijfsmiddelen die de economische ontwikkeling of de economische structuur bevorderen, zoals bevordering van het ondernemerschap (willekeurige afschrijving starters)

Fiscale regelingen gericht op verlaging lastendruk op inkomsten uit vermogen

Fiscaal instrumentOmschrijving
Vrijstelling beleggingen in durfkapitaal t.b.v. beginnende ondernemersDoel van deze regeling is het bevorderen van ondernemerschap door direct en indirect beleggen in durfkapitaal te stimuleren. Deze regeling is op 1 januari 2001 van kracht geworden als de opvolger van de Tante Agaath-regeling. Belastingplichtigen die direct of indirect geld ter beschikking stellen aan een beginnende ondernemer hebben recht op een gemaximeerde vrijstelling voor de vermogensrendementsheffing. Daarnaast geldt dat verliezen op directe beleggingen in durfkapitaal tot een gemaximeerd bedrag in aftrek komen op het inkomen uit werk en woning van de belastingplichtige.

In onderstaande tabel worden de met de meest relevante fiscale regelingen gemoeide bedragen gepresenteerd.

Budgettair belang fiscale maatregelen (in € mln)
 20032004200520062007
Zelfstandigenaftrek9771 0081 0291 0451 060
Extra zelfstandigenaftrek starters6668707172
Fiscale oudedagsreserve, niet omgezet in lijfrente221228233236240
Meewerkaftrek1717171818
Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek309325341358377
Willekeurige afschrijving starters2122232426
Vrijstelling durfkapitaal forfaitair rendement4546474850

3.4 Budgetflexibiliteit

Budgetflexibiliteit beleidsartikel 3 (in € 1 000)
 2003 2004 2005 2006 2007 
1. Totaal geraamde kasuitgaven311 041 323 300 300 705 281 192 262 226 
2. Waarvan app.uitgaven19 139 17 145 15 067 14 806 14 806 
3. Dus programma uitgaven291 902 306 155 285 638 266 386 247 420 
4. Waarvan juridisch verplicht210 67472%202 74066%155 78255%82 39031%47 05019%
5. Waarvan bijdragen aan instellingen/instituten38 25613%40 49113%40 71014%40 53415%40 52216%
6. Waarvan complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden25 3379%38 45313%58 13620%80 36130%93 66838%
7. Waarvan beleidsmatige reserveringen17 6356%24 4718%31 01011%63 10124%66 18027%
8. Totaal291 902100%306 155100%285 638100%266 386100%247 420100%

Uit de tabel blijkt dat 72% van de voor 2003 geraamde programma-uitgaven is bestemd voor de uitfinanciering van verplichtingen die tot en met 2002 zijn aangegaan. Dit deel van de kasraming is derhalve vanuit juridische en administratief-technische invalshoek niet flexibel.

Daarnaast is in 2003 € 64 mln (oplopend tot € 134 mln in 2007) complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden, met als gevolg beperkte flexibiliteit. € 40 mln hiervan is structureel gereserveerd voor bijdragen aan instellingen en instituten (o.a. TRN en ROM's). Verder zijn hierin begrepen de middelen voor het Kompas voor het Noorden (€ 4 mln in 2003 oplopend tot € 69 mln in 2007), de voorgenomen compensatieregeling CV-constructie Scheepsbouw (ca. € 14 mln), de laatste tender uit het huidige TIPP-programma (€ 2,3 mln) en de middelen voor regio- en infrastructuurprogramma's, de Codema-regeling (t/m 2005) en de bijdrage aan bedrijven bij calamiteiten.

De beleidsmatige reserveringen bestaan in 2003 met name uit kasuitgaven die zijn geraamd zijn voor onderzoek en vernieuwingsprogramma's op het terrein van Bevorderen ondernemingsklimaat. De oploop bestaat voor een belangrijk deel uit de kasuitgaven gereserveerd voor herstructurering van bedrijventerreinen en een tweede tranche in het kader van de stadseconomie.

3.5 Programmering beleidsevaluaties

Voor Artikel 3 vinden evaluaties primair plaats op het niveau van operationeel doel. In 2003 wordt gestart met «fysieke ruimte». Dit sluit overigens niet uit dat een deel van de instrumenten, met name de regelingen, ook separaat geëvalueerd worden. In onderstaande tabel is de evaluatieplanning voor de komende jaren weergegeven.

Tabel Evaluatieonderzoek beleidsartikel 3Evaluatie-moment
Operationeel doelEvaluatiemoment
  
3.2.1 Fysieke ruimte2003
– TIPP2003
– DBT2002
– Convenant IPO-VNG-V&W-EZ2002
– Kompas voor het NoordenMidterm: 2003
– EFRO-cofinanciering2002
  
3.2.2 Productiefactoren2005
  
3.2.3 EZ als partner2007
– CompensatiebeleidIBO afgerond 2002
– JSF-regeling2002
  
Fiscaal instrumentarium2006

3.6 Groeiparagraaf

Voor de begroting 2004 zal voor de barometer van het ondernemingsklimaat de investeringsquote naar verwachting uitgebreid worden met arbeid, kapitaal en omgevingsfactoren.

In 2002/2003 zal de haalbaarheid onderzocht worden van een prestatieindicator voor de synergie tussen economie en milieu. Gedacht wordt aan de mate waarin milieu-instrumenten scoren op de criteria marktconformiteit, kosteneffectiviteit en draagvlak bij het bedrijfsleven. Aansluitend aan het haalbaarheidsonderzoek kan een nulmeting worden uitgevoerd. Het streven is om de resultaten daarvan in de begroting 2004 op te nemen.

4 DOELMATIGE EN DUURZAME ENERGIEVOORZIENING

 Onderdelen toelichting 
 4.1Algemene doelstelling
  4.1.1 Verantwoordelijkheden
  4.1.2 Overkoepelende thema's
  4.1.3 Regelingen
  4.1.4 Novem baten-lastendienst
 4.2Operationele doelstellingen
  4.2.1 Energie-efficiëntie
  4.2.2 Duurzame energie
  4.2.3 CO2-reductie
  4.2.4 Internationaal beleid
 4.3Budgettaire gevolgen van beleid
 4.4Budgetflexibiliteit
 4.5Evaluatieplanning
 4.6Groeiparagraaf

4.1 Algemene beleidsdoelstelling

Bevorderen van een doelmatige en duurzame energievoorziening.

In het Strategisch Akkoord wordt gesteld dat het energiebeleid gericht moet zijn op een overgang naar een duurzame energiehuishouding en een kosteneffectieve uitvoering van de Kyotoverplichtingen. Het streven naar een doelmatige en duurzame energievoorziening blijft ook binnen de randvoorwaarden van een liberaliserende markt onverkort van kracht. Het Energierapport 2002 (Kamerstukken II 2001/02, 28 241, nr. 1) geeft aan dat dit streven zich richt op energievoorziening die goed scoort op de thema's voorzieningszekerheid, economische efficiëntie en milieukwaliteit. De economische efficiëntie en milieukwaliteit dragen tevens bij aan het realiseren van de Nederlandse reductieverplichting in het kader van het Kyoto-protocol.

De reductie van broeikasgassen wordt voor een groot deel gerealiseerd via het energiebesparings- en duurzame energiebeleid in het binnenland. Hierin draagt het energiebesparingsbeleid ongeveer voor de helft bij aan de reductie van broeikasgassen en het duurzame energiebeleid voor ongeveer een kwart. Het resterende kwart wordt geleverd vanuit beleid voor de overige broeikasgassen. In de toekomst zullen ook klimaatneutrale fossiele energiedragers een belangrijke bijdrage moeten leveren. Een ander deel van de Kyoto-verplichting wordt in het buitenland gerealiseerd via de inzet van flexibele instrumenten.

De realisatie van beleidsdoelstellingen van dit artikel is niet alleen afhankelijk van de inzet van de beschreven instrumenten. Naast het beleid van andere departementen en medeoverheden zijn met name de inspanningen van marktpartijen zelf onontbeerlijk. Verder is de mate en het tempo van realisatie van de beleidsdoelstellingen afhankelijk van een aantal externe factoren zoals de ontwikkeling van de economische groei, de energieprijzen, het beleid van de EU en het aanbod van nieuwe technologie in het buitenland.

4.1.1 Verantwoordelijkheden

Het sectorspecifieke energiebesparingsbeleid is geïnternaliseerd naar de sectordepartementen. De departementen die primair verantwoordelijk zijn voor de integrale afweging per beleidsterrein zijn nu ook primair verantwoordelijk voor het energiebesparingsaspect op deze beleidsterreinen. EZ blijft verantwoordelijk voor energiebesparing in industrie, diensten- en energiesector (en apparaten) en voor de ontwikkeling van energiebesparingsbeleid op hoofdlijnen, generieke regelingen, energiebesparingsonderzoek, internationale aangelegenheden (notificatie van regelingen, reacties op richtlijnen, contacten met de International Energy Agency) en monitoren op macroniveau.

EZ en VROM hebben gezamenlijk het initiatief genomen om het beleid rondom energiebesparing en klimaat beter te coördineren. Daartoe is een interdepartementaal coördinatiesecretariaat opgezet. Dit secretariaat zal op nationaal niveau en per sector monitoren:

– De ontwikkeling van de energie-efficiëntie en CO2-uitstoot;

– De uitvoering van de relevante actiepunten uit het Energierapport 2002 en de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid deel I (UK I);

– De (kosten)effectiviteit van het instrumentarium.

Jaarlijks zullen de monitoringsgegevens worden gerapporteerd aan de Tweede Kamer.

Het secretariaat zal tevens de afstemming tussen sectoraal beleid en generiek beleid, voor zover van belang voor het realiseren van de doelstellingen van het energie-efficiëntie- en klimaatbeleid, bewaken.

Tevens zal er jaarlijks samen met andere departementen die betrokken zijn bij dit beleid een sector worden doorgelicht op de vraag wat in die sector het energiebesparingsbeleid heeft opgeleverd.

EZ is primair verantwoordelijk voor het beleid en de instrumenten op gebied van duurzame energie. Op deelterreinen wordt samengewerkt met de Ministeries van Verkeer en Waterstaat en VROM en voor het fiscale instrumentarium uiteraard met het Ministerie van Financiën. Daarnaast blijft EZ tevens inhoudelijk (mede) verantwoordelijk voor de inzet van generieke instrumenten ten behoeve van energiebesparing en duurzame energie zoals overkoepelende voorlichting en generieke financiële en fiscale instrumenten zoals de Regulerende Energiebelasting (REB) en de Energie-investeringsaftrek (EIA). Het Strategisch Akkoord heeft geleid tot belangrijke wijzigingen in ondersteuning van duurzame energie en warmte kracht koppeling (WKK) (zie ook paragraaf 4.1.3).

4.1.2 Overkoepelende thema's

Het streven naar een doelmatige en duurzame energievoorziening in een geliberaliseerde energiemarkt vertaalt zich in een zoveel mogelijk generiek, marktconform en vraaggericht beleid en bijbehorende instrumenten. Er zijn dan ook duidelijke raakvlakken tussen dit beleidsartikel en beleidsartikel 1, bijvoorbeeld waar het gaat om de totstandkoming van een markt voor groene energie. Ook wordt in artikel 1 uitgebreid ingegaan op voorzieningszekerheid.

Gezien de veranderde situatie in de energiemarkt, is het huidige besparings- en duurzame energiebeleid op een aantal terreinen onder de loep genomen. Op basis van de ontwikkeling van strategische visies op deze terreinen is het besparings- en duurzame energiebeleid verder aangepast. Hieronder wordt daar nader op ingegaan.

Ten aanzien van het beleid voor duurzame energie is in het Energierapport 2002 aangekondigd hoe de extra beleidsinzet zal worden ingevuld. Bij operationele doelstelling 4.2.2 wordt de gekozen strategie nader toegelicht.

a) Transitiemanagement: De beleidsinzet voor de transitie naar een duurzame energiehuishouding is opgenomen in het Energierapport 2002 dat in april aan de Kamer is gezonden. EZ wil de Nederlandse bijdrage aan dit transitieproces begeleiden door marktpartijen op dit gebied met elkaar in verbinding te brengen, zo nodig nieuwe marktinitiatieven op dit gebied uit te lokken en niet marktconforme barrières, zoals bijvoorbeeld de ruimtelijke ordening af te breken. Ook wordt gezocht naar internationale samenwerkingsmogelijkheden.

Voor de start van het transitieproces zijn in overleg met maatschappelijke partijen enkele concrete deelprojecten gestart. Hierbij gaat het om «Modernisering energieketens», «Biomassa Internationaal», «Nieuw Gas» en «Duurzaam Rijnmond». Daarnaast wordt het project «Beleidsvernieuwing» opgestart, dat antwoord moet geven op de vraag welke instrumentele aanpassingen nodig zijn. Om de voortgang van dit proces te bewaken zijn de volgende voorlopige indicatoren ontwikkeld (zie ook de groeiparagraaf):

Tabel 4.1.2: Procesindicatoren transitiemanagement
IndicatorStreefwaarde
1 Aantal trajecten met stakeholder en actoranalyse 4
2 Aantal trajecten met samenwerkingsallianties tussen marktpartijen 4
3 Aantal trajecten met communiceerbare leerdoelen 4
4 Aantal transitie-onderdelen met samenwerkingsrelaties met internationale netwerken 4

b) Energieonderzoek: In de overgang naar een duurzame energiehuishouding is en blijft technologische ontwikkeling essentieel. De overheid heeft een nieuwe strategie voor het publiek gefinancierde energieonderzoek ontwikkeld en het parlement heeft hiermee in december 2001 ingestemd (Kamerstukken II 2001/02, 28 108, nr 1). De vijf strategische hoofdlijnen van de nieuwe strategie zijn:

• Selectieve inzet van publieke middelen;

• Versterking van internationale samenwerking;

• Verhoging efficiëntie en herschikking publieke middelen;

• Aanpassing onderzoeksinfrastructuur;

• Verhoging toepassing van kennis.

De implementatie van de nieuwe energieonderzoekstrategie vindt in 2002 plaats en bestaat uit drie hoofdonderdelen:

• Het opstellen van de energie R&D-portfolio;

• Een heroriëntatie op het instrumentarium van het energie-onderzoek;

• Nader bezien van de organisatie van het Nederlands energie-onderzoek.

De Tweede Kamer wordt voor het eind van 2002 over de energie R&D-portfolio geïnformeerd.

Om de voortgang van deze nieuwe strategie te bewaken zijn de volgende indicatoren ontwikkeld. In de groeiparagraaf wordt hier nader op ingegaan.

Tabel 4.1.3: Prestatie-indicatoren energieonderzoek
IndicatorStreefwaarde
1 Relatieve omvang energieonderzoek in Nederland: R&D/ BNPTop 5 positie in de wereld handhaven
2 Omvang EU-financiering aan Nederlands onderzoekBijdrage EU minimaal handhaven

Op het terrein van energieonderzoek en -technologieontwikkeling profiteerden de Nederlandse instellingen bovengemiddeld van de 5e Kaderprogrammasubsidies van EU. In 19% van de projecten zijn Nederlandse onderzoekers trekker op het gebied van het lange termijn energieonderzoek. Inmiddels is bij EU het 6e Kaderprogramma in voorbereiding. In plaats van de vele projecten van het 5e Kaderprogramma zal in het 6e Kaderprogramma de nadruk komen te liggen op een kleiner aantal «integrated projects» naast een aantal te vormen «Networks of Excellence». Het 6e Kaderprogramma gaat begin 2003 van start.

4.1.3 Financiële ondersteuning

Het financieel instrumentarium neemt een belangrijke plaats in binnen het beleid gericht op een doelmatige en duurzame energievoorziening. Zowel gericht op energiebesparing als op duurzame energie wordt een verscheidenheid aan instrumenten ingezet. Deze instrumenten zijn zowel financieel als niet-financieel van aard (bijvoorbeeld afspraken met marktpartijen, voorlichting etc). Omdat de intensiteit van het besparingsbeleid bepaald wordt door de CO2-opgave zal bezien worden of en hoe besparingen en besparingsinstrumenten ook in CO2-termen uitgedrukt kunnen worden. De introductie van emissiehandel roept vragen op over de samenhang tussen bestaande beleidsinstrumenten zoals bijvoorbeeld de REB en het nieuw te ontwikkelen instrument emissiehandel.

Mede naar aanleiding van eigen evaluaties, het onderzoek van de Algemene Rekenkamer en de rapportage in het kader van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek naar de kosteneffectiviteit van energiesubsidies (IBO) (Kamerstukken II 2001/2002, 28 155, nr. 1), zijn (en zullen) de hierin genoemde instrumenten worden aangepast met als doel een betere (kosten)effectiviteit en een efficiëntere uitvoering en handhaving, waarbij met name het terugbrengen van het aandeel van de zogenaamde free-riders1 aandacht krijgt.

Na invoering van de anti free-rider maatregelen resteren voor de non-profit sector relatief kostbare en weinig besparende technieken. Dit zal leiden tot een ingrijpende daling van het aantal subsidieaanvragen voor de EINP. Mede gezien de subsidietaakstelling voor EZ van € 244 mln is besloten de EINP per 1 januari 2003 in zijn geheel te beëindigen. Een belangrijke overweging hierbij is ook dat het, gezien de prioriteit die beleidsmatig wordt gegeven aan de transitie naar een duurzame energiehuishouding niet wenselijk is om naast de € 16 mln voor duurzaam verder te korten op de RD&D budgetten (Research, Development en Demonstratie).

Voor de financiële ondersteuning van duurzame energie, WKK en klimaat-neutrale fossiele energiedragers wordt een effectiever instrumentarium ingezet. De producentenvergoedingen in de REB worden vervangen door niet-fiscale stimulering via een wijziging van de Elektriciteitswet 1998 ter stimulering van de milieukwaliteit van elektriciteitsproductie (wetsvoorstel MEP; zie navolgend).

Ter invulling van de subsidietaakstelling wordt afgezien van voortzetting van de Duurzame Energie-impuls. De Duurzame Energie-impuls betrof een intensivering voor duurzame energie die door Paars II was ingesteld voor de periode 1998–2010. De Duurzame Energie-impuls was voor de komende jaren nog niet ingevuld en met de uitvoering van de effectievere MEP is dit ook niet meer nodig. De stopzetting levert een besparing van jaarlijks € 16 mln.

Wetsvoorstel MEP: Door de grote kostenverschillen tussen de verschillende manieren om duurzame energie op te wekken, leidt de bestaande generieke stimulering via de Regulerende energiebelasting (REB) – het nihiltarief Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) art. 36i en de producentenvergoedingen in Wbm art. 36o, art. 36r en art. 36u – voor sommige duurzame energieproductie tot relatieve overstimulering. Daarbij komt dat een groot deel van de in Nederland verbruikte duurzame elektriciteit uit het buitenland afkomstig is, waar productie veelal tegen een lagere kostprijs dan in Nederland mogelijk is. Hierdoor vloeien er belastingopbrengsten naar het buitenland, zonder dat daar een gegarandeerde toename van de duurzame-energiecapaciteit in Europa tegenover staat. Vanuit het buitenland kan immers duurzame energie naar Nederland geëxporteerd worden, terwijl het eigen binnenlandse gebruik voor een groter deel gedekt wordt met fossiele of nucleaire energieproductie. Daarnaast bestaat het gevaar dat door de toenemende import de opwekking in Nederland onder druk komt te staan. Tenslotte biedt de huidige wijze van stimulering onvoldoende zekerheid voor investeerders in duurzame energie, waardoor de nationale productie van duurzame energie onvoldoende van de grond komt.

Om deze redenen wordt in het Belastingplan 2003 deel I een aantal maatregelen voor 2003 aangekondigd:

• Het nihiltarief voor duurzame elektriciteit voor een verbruik tot en met 10 000 kWh en gas voor een verbruik tot en met 5 000 m3 (Wbm art. 36i) wordt met ingang van 1 januari 2003 omgezet in een met 2,9 €ct/kWh (elektriciteit) respectievelijk 8,3 €ct per m3 (gas) verlaagd tarief ten opzichte van het reguliere tarief voor deze verbruikscategorieën. Dit niveau komt meer overeen met de geldende normen voor de kosten van CO2-emissiereductie. Daarmee worden tevens de vermeden externe effecten van CO2 emissies gewaardeerd. Aangezien duurzame elektriciteit en duurzaam geproduceerd gas deze externe kosten niet kennen, komen deze in aanmerking voor de genoemde verlaging van het REB-tarief. Dit niveau ligt bovendien meer in lijn met de stimulering van duurzame energie die gangbaar is in andere Europese lidstaten en draagt dus bij aan een meer level playing field voor duurzame energie. Zowel de CO2-grondslag van de REB als het Europese speelveld voor energieaanbieders wordt hierdoor versterkt. Bovendien wordt de hierboven geschetste relatieve overstimulering verminderd.

• De producentenvergoedingen voor duurzame energie komen te vervallen (Wbm art. 36o per 1 januari 2003, art. 36r per 1 augustus 2002, art. 36u treedt niet in werking). Voor binnenlandse vormen van duurzame elektriciteitopwekking waarvoor het voordeel van Wbm art. 36i onvoldoende is om het kostenverschil met fossiele energie te overbruggen, wordt een stimulering van het nationale aanbod van duurzame elektriciteit in het leven geroepen via een wetsvoorstel tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 ten behoeve van de stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie (wetsvoorstel MEP).

Uitgangspunt van dit wetsvoorstel is dat in het bijzonder het nationale potentieel van biomassa en wind (land én zee) wordt benut. Het wetsvoorstel MEP zal ook van toepassing zijn op warmtekrachtkoppeling (WKK) en klimaatneutrale fossiele energiedragers. Voor WKK geldt dat in Nederland circa 40% van de elektriciteit met deze energiezuinige techniek wordt opgewekt. De huidige concurrentiepositie van met WKK opgewekte elektriciteit is in veel gevallen ongunstig. Voor het realiseren van de Nederlandse klimaatdoelstelling blijft een brede toepassing van WKK evenwel van groot belang. Ten gevolge van ontwikkelingen op de energiemarkten (een relatief hoge gasprijs en een bijzonder lage elektriciteitsprijs van importstroom) zijn WKK-installaties op dit moment economisch niet aantrekkelijk en behoeven deze stimulering, zodat de energiebesparing en CO2-reductie door WKK niet verloren zal gaan. De tot nu toe bestaande afdrachtskorting (art 36 t van de Wbm) wordt vervangen door een stimulering via het netbeheer zoals opgenomen in het wetsvoorstel MEP.

Het wetsvoorstel MEP behelst een tegemoetkoming voor producenten van duurzame elektriciteit, elektriciteit uit WKK en klimaat-neutrale fossiele energiedragers wanneer zij deze invoeden op het Nederlandse elektriciteitsnet. Het biedt de mogelijkheid om voor een periode van maximaal 10 jaar de tegemoetkoming voor duurzame elektriciteit en klimaatneutrale energiedragers vast te zetten, waardoor investeerders meer zekerheid zullen krijgen. De stimulering voor WKK wordt gekoppeld aan de daadwerkelijke CO2-reductie, gebaseerd op een CO2-index. Hiermee wordt een prikkel gegeven om zowel de techniek als de bedrijfsvoering op CO2 te optimaliseren.

De tegemoetkomingen worden gefinancierd uit een verhoging van de aansluittarieven die de beheerders van het elektriciteitsnet in rekening brengen. Het uitgangspunt van deze operatie is dat de lasten voor afnemers gelijk blijven. Daarom wordt de voorgestelde verhoging van de aansluittarieven volledig gecompenseerd in de REB. Daartoe zal het bedrag van de bestaande belastingvermindering per electriciteitsaansluiting in de REB (art. 36j Wbm) worden verhoogd. De MEP wordt opgenomen in de Elektriciteitswet 1998. Het wijzigingsvoorstel van deze wet is reeds voor advies naar de Raad van State gestuurd. Inwerkingtreding wordt voorzien per 1 januari 2003.

4.1.4 Novem baten-lastendienst

Op 27 juni 2002 is een overeenkomst tussen Staat en Novem B.V. getekend, die de feitelijke overdracht regelt van personeel en taken vanuit de B.V. naar de tijdelijke baten-lastendienst Novem per 1 juli 2002. Omdat Novem B.V. nog een aantal zaken moet afhandelen – waaronder het opmaken van de jaarrekening alsmede de stadsverwarmingscontracten – zal de vennootschap eerst in een latere fase tot afwikkeling komen. In het voorjaar van 2003 wordt het voornemen tot de instelling van de definitieve baten-lastendienst Novem aan de Kamer voorgelegd. De bedoeling is dat de definitieve status van de baten-lastendienst ingaat op 1 januari 2004 (Kamerstukken II 26 800 XIII, nr 61).

4.2 Operationele beleidsdoelstellingen

De algemene beleidsdoelstelling wordt uitgewerkt in vier operationele doelstellingen, te weten:

4.2.1 Een verbetering van de energie-efficiëntie met 1,3 % per jaar.

4.2.2 Aandeel duurzame energie in de energievoorziening naar 10% in 2020 en 9% duurzame elektriciteit in 2010.

4.2.3 Via CO2-reductiestimuleringsregelingen op een kosteneffectieve wijze bijdragen aan de realisatie van de doelstellingen van het klimaatbeleid.

4.2.4 Bevorderen van de realisatie van Nederlandse wensen op energiegebied in internationaal verband en van internationale draagvlak voor de Nederlandse aanpak.

4.2.1 Verbetering energie-efficiëntie met 1,3 % per jaar

Zoals ook in het Energierapport 2002 is verwoord, baseert het Kabinet het besparingsbeleid op de vraag welk besparingstempo nodig is om de Nederlandse doelstelling voor broeikasgasemissiereductie te halen (de Kyoto-verplichting). De reductie van broeikasgassen wordt voor een groot deel gerealiseerd via het energiebesparings- en duurzame energie beleid in het binnenland. Het energiebesparingsbeleid draagt ongeveer voor de helft bij aan de reductie van broeikasgassen. Uit de ramingen van het Energie Onderzoekcentrum Nederland (ECN) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne (RIVM) blijkt dat Nederland bij uitvoering van het huidige beleid en van de huidige beleidsvoornemens haar emissiedoelstelling zal halen. Daarbij hoort een besparingstempo van 1,3% per jaar.

In het verleden bestond vaak verwarring over het besparingscijfer. Dit kwam omdat de instituten en EZ verschillende definities hanteerden voor energiebesparing. De afgelopen jaren is door de instituten (Centraal Planbureau (CPB), ECN, NOVEM en RIVM) een protocol energiebesparing opgesteld waarin eenduidige definities en methoden zijn vastgelegd. Om de kwaliteit van de protocolresultaten te waarborgen en verbeteren is een Platform Protocol Energiebesparing opgericht. Hierin nemen het CPB, ECN, Novem, het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het RIVM deel. Door het platform worden eventuele aanpassingen van de protocolaanpak gecoördineerd en worden aanbevelingen gedaan voor behoud of verbeterde beschikbaarheid van data. Hiermee is op dit punt invulling gegeven aan de groeiparagraaf uit de EZ-begroting van 2002. De ontwikkeling van de energie-efficiëntie zal jaarlijks door het genoemde platform worden berekend.

Het energiebesparingsbeleid is zoveel mogelijk generiek, marktconform en vraaggericht. Aanbodgericht beleid wordt alleen gevoerd als hiervoor een specifieke reden bestaat. De kern van het instrumentarium bestaat uit:

A. Regulerende Energiebelasting

B. Fiscale en financiële stimulering

C. Regelgeving

D. Afspraken met marktpartijen

A. Regulerende energiebelasting

De Regulerende Energiebelasting (REB) is een belasting op onder meer gas en elektriciteit. De REB leidt tot een verhoging van de energieprijs voor de eindverbruiker waarbij tevens de externe kosten van energieverbruik in de prijzen worden verdisconteerd. De hogere eindprijs heeft een regulerend effect op het energieverbruik. Hogere prijzen leiden tot minder verbruik van efficiëntere apparaten en zuiniger gedrag. Op deze wijze draagt de REB bij aan het behalen van de doelstelling ten aanzien van energiebesparing.

B. Fiscale en financiële stimulering

a) Besluit subsidies energieprogramma's (BSE): EZ geeft voor onder meer energiebesparing (en voor duurzame energie, zie operationele doelstelling 4.2.2) programma's in uitvoering aan Novem en Senter via één- of meerjarige programmaovereenkomsten. De activiteiten die Novem en Senter binnen deze overeenkomsten uitvoeren of laten uitvoeren door derden dragen bij aan de in het beleid geformuleerde doelstellingen met betrekking tot energiebesparing en duurzame energie. Belangrijk onderdeel van de programma's is de uitvoering van het Besluit subsidies energieprogramma's (BSE), waarmee activiteiten van derden worden gesubsidieerd. Het BSE kent energieprogramma's die gericht zijn op energiebesparing in de industrie en dienstverlening, in de gebouwde omgeving (woon- en bedrijfsgebouwen en -terreinen), in huishoudens en bij energieconversie. De scope van deze programma's gaat van haalbaarheidsstudies en onderzoek tot marktintroductie.

b) Stimulering warmtekrachtkoppeling (WKK): Het toepassen van warmtekrachtkoppeling (WKK; gecombineerde opwekking van elektriciteit en warmte) bespaart energie en reduceert dus ook de uitstoot van CO2. De tot nu toe bestaande afdrachtskorting (art 36 t van de Wbm) wordt vervangen door het Voorstel van wet tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 ten behoeve van de stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie (wetsvoorstel MEP). In dit wetsvoorstel wordt de stimulering gekoppeld aan de daadwerkelijke CO2-reductie, gebaseerd op een CO2-index. Hiermee wordt een prikkel gegeven om zowel de techniek als de bedrijfsvoering op CO2 te optimaliseren. Op de MEP wordt meer in detail ingegaan in paragraaf 4.1.3.

c) Subsidieregeling Energievoorzieningen in de non-profit en bijzondere sectoren (EINP) en Energie-investeringsaftrek (EIA): De Energie-investeringsaftrek (EIA) is een fiscaal beleidsinstrument gericht op ondersteuning van investeringen in energiezuinige bedrijfsmiddelen en duurzame energie. Voor die sectoren die in beginsel niet belastingplichtig zijn voor de vennootschaps- en inkomstenbelasting en om die reden geen gebruik kunnen maken van de fiscale EIA-regeling was de subsidieregeling Energievoorzieningen in de non-profit en bijzondere sectoren (EINP) van toepassing.

De EIA en de EINP zijn in 2001 geëvalueerd in het kader van het Interdepartementale Beleidsonderzoek naar de kosteneffectiviteit van energiesubsidies en in het kader van reguliere evaluatie van energiebesparinginstrumenten. In 2002 is een aantal wijzigingen doorgevoerd waarmee beoogd is het aandeel free-riders te verminderen. Na deze anti free-rider maatregelen resteren voor de nonprofit sector relatief kostbare en weinig besparende technieken. Dit zou leiden tot een ingrijpende daling van het aantal subsidieaanvragen. Mede gezien de subsidietaakstelling voor EZ van € 244 mln is besloten de EINP per 1 januari 2003 in zijn geheel te beëindigen. Zie ook paragraaf 4.1.3.

Verder zal door rationalisering de belastingderving in verband met de EIA in de IB en de Vpb worden beperkt. Daarnaast heeft het kabinet besloten om energie-investeringen niet langer via de VAMIL te kwalificeren, aangezien deze ook voor EIA in aanmerking komen en hier dus cumulatie zou optreden.

d) Energiepremieregeling: Per 2000 is de Energiepremieregeling ingesteld, in het kader van de terugsluis van de Regulerende energiebelasting. Mensen die energiezuinige apparaten kopen, energiebesparende bouwkundige voorzieningen aanbrengen of duurzame energiemaatregelen nemen, komen in aanmerking voor een energiepremie. De energiepremieregeling is gebaseerd op maatregelenlijsten die jaarlijks worden geactualiseerd.

In de eerste helft van 2002 is een evaluatie-onderzoek uitgevoerd. Het eindrapport van dit onderzoek is aangeboden aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2001–2002, niet-dossierstuk FIN 0200342). Uit dit evaluatieonderzoek is gebleken dat in de jaren 2000 en 2001 € 159 mln aan energiepremies is uitbetaald. Mede door de energiepremieregeling is het marktaandeel energiezuinige apparaten fors gestegen. Door de aangekochte apparaten en aangebrachte voorzieningen is in 2002 een reductie van CO2 met 0,2 Mton bereikt. De energiepremieregeling kent echter ook bezwaren. Zo zijn de uitvoeringskosten zeer hoog. Bovendien zijn er aanwijzingen dat er voor bepaalde maatregelen op de energiepremielijst een groot aantal «free-riders» is ontstaan. Daarom is door het kabinet besloten de energiepremieregeling te beperken tot haar meest effectieve onderdelen. Per productcategorie wordt voortaan alleen een premie verbonden aan het topsegment van de markt op het terrein van energie-efficiëntie.

In de tweede plaats wordt voorgesteld de regeling te defiscaliseren. Dit houdt in dat de regeling wordt omgezet in een «normale» subsidieregeling . De regeling zal met ingang van 1 januari 2003 worden opgenomen in de begroting van het ministerie van VROM. Om de uitvoeringskosten te verlagen wordt een nieuwe uitvoeringsorganisatie gezocht. EZ blijft inhoudelijk verantwoordelijk voor het gedeelte van de regeling dat betrekking heeft op huishoudelijke apparaten en duurzame energie.

e) Overige regelingen: Verder is er nog een aantal bredere regelingen die zich niet specifiek richten op de energiebesparing, maar waarvan het verbeteren/optimaliseren van de energie-efficiëntie wel een integraal onderdeel vormt. Zo kunnen projecten die in aanmerking komen voor een bijdrage in gevolge één van de technologieregelingen van EZ directe of indirect ook een bijdrage leveren aan de energiebesparingsdoelstelling, zoals bijvoorbeeld de regeling Economie, Ecologie en Technologie regeling (EET) en de Wet Bevordering Speurwerk en Ontwikkeling (WBSO). Ook het CO2-reductieplan draagt bij aan de energiebesparingsdoelstellingen. Dit plan wordt uitgebreid toegelicht bij operationele doelstelling 4.2.3.

Tabel 4.2.1a: Prestatie-indicatoren financiële en fiscale instrumenten energiebesparing
InstrumentStreefwaarde
EIA: omvang ondersteunde investeringen voor energiebesparing€ 761 mln (investeringen)
BSE: omvang gestimuleerde uitgaven voor energiebesparing€ 70 mln
Optimaliseren WKK-instrumentenStimulering WKK op basis CO2 per 1 januari 2003

C. Regelgeving

De Wet Energiebesparing Toestellen wordt ingezet voor de implementatie van EU-richtlijnen ten aanzien van energie-etikettering en minimum-efficiëntienormering van toestellen (waaronder ook personenauto's). Doel van deze verplichte energie-etikettering is consumenten bewust te maken van het energiegebruik van apparaten zodat zij dit bewust meenemen bij de aanschaf. Voor koel- en vriesapparatuur, wasmachines, wasdrogers, wasdroogcombinaties, vaatwassers en lampen is energie-etikettering verplicht gesteld. Voor CV-ketels en warmwatertoestellen zijn energie-etiketten in voorbereiding. Voor koel- en vriesapparatuur en wasmachines worden aanscherpingen van de energielabels voorzien.

Met ingang van 1 juli 2003 worden ook energielabels voor elektrische ovens en airconditioners verplicht. In Nederland wordt het energie-etiket (A-label) ook gebruikt in de Energiepremieregeling.

Daarnaast gelden er minimumefficiëntie-eisen voor CV-ketels, koel- en vriesapparatuur en starters (voor TL-verlichting) die in de EU op de markt gebracht worden.

D. Afspraken met marktpartijen

a) Convenant Benchmarking energie-efficiëntie: Op 6 juli 1999 sloot de Nederlandse overheid met de energie-intensieve industrie het Convenant Benchmarking energie-efficiëntie. Doel is de uitstoot van CO2 te verminderen door efficiënter om te gaan met energie. De industrie heeft toegezegd zo snel mogelijk, maar uiterlijk in 2012 tot de wereldtop te behoren op het gebied van energie-efficiëntie voor procesinstallaties. In ruil daarvoor zal de overheid de deelnemende ondernemingen geen extra specifieke nationale maatregelen gericht op energiebesparing of CO2-reductie opleggen.

In februari 2002 is de tussenstand over de uitvoering van het convenant verschenen. Daaruit blijkt dat 103 ondernemingen (232 inrichtingen) met een gezamenlijk energiegebruik van 1060 Petajoule (PJ) zijn toegetreden tot het convenant. Dit is het overgrote deel van de potentiële Benchmarkbedrijven. Al deze ondernemingen hebben voor hun processen de wereldtop vastgesteld of zijn daar mee bezig. In een energie-efficiëntieplan wordt per inrichting aangegeven welke maatregelen worden genomen. Het vaststellen van de top en het opstellen van de plannen heeft meer tijd in beslag genomen dan van tevoren voorzien.

Uit de tot nu toe ingediende energieplannen is te berekenen dat deze leiden tot 5,7 mln ton vermeden CO2-emissie in 2012 bij de industrie. Het betreft de industriële bedrijven die onder het convenant vallen. Over de bedrijven uit de elektriciteits-productiesector zijn nog onvoldoende gegevens bekend om een inschatting van de vermeden CO2 te kunnen maken.

Tabel 4.2.1b: Prestatie-indicatoren afspraken (Convenant Benchmarking)
EffectenindicatorStreefwaarde
Aandeel energie-efficiëntieplannen 2001–2004 ingediend100%

b) Meerjarenafspraken energie-efficiëntie 2 (MJA2): Op 6 december 2001 ondertekenden de Ministers van EZ, LNV en VROM, het IPO en de VNG, en zestien brancheorganisaties de MJA2. Deze afspraak is bedoeld voor bedrijven met een energieverbruik van minder dan 0,5 PJ per jaar en heeft een looptijd tot 2012. Bedrijven treden tot de MJA toe middels een toetredingsbrief.

Met de ondertekening van de MJA2 hebben de overheden en het bedrijfsleven afspraken gemaakt over een vergaande gezamenlijke inspanning om de energie-efficiëntie in de industrie verder te verbeteren en zo de uitstoot van CO2 te beperken. Als tegenprestatie verplicht de rijksoverheid te bevorderen dat ondernemingen geen aanvullende specifieke nationale maatregelen krijgen opgelegd op het gebied van energiebesparing of CO2-reductie.

Voor de deelnemende bedrijven betekent dit dat zij alle zekere energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd tot vijf jaar voor 2005 moeten nemen. Deze maatregelen worden vastgelegd in een energiebesparingsplan (EBP). Ook zijn zij verplicht systematische energiezorg te implementeren. Daarnaast moeten zij zich inspannen om energiebesparing te realiseren door middel van verbredingsthema's als energiezuinig productontwerp, optimalisatie van transport en logistiek, duurzame bedrijventerreinen en de inzet van duurzame energie.

In april 2002 waren al zeventien brancheorganisaties en 340 bedrijven toegetreden tot de MJA2. Naar verwachting zullen zich uiteindelijk circa 20 branches met in totaal zo'n 800 bedrijven bij MJA2 aansluiten.

De bestaande MJA's met het Hoger Beroepsonderwijs en het Wetenschappelijk onderwijs lopen nog tot 2006. De MJA met de intramurale gezondheidszorg is afgelopen en niet verlengd. Voor deze doelgroep wordt in overleg met het ministerie van VWS naar een alternatieve aanpak gezocht.

Tabel 4.2.1c: Prestatie-indicatoren afspraken (MJA2)
EffectenindicatorStreefwaarde
Aantal energiebesparingsplannen 2001–2004 geaccordeerd800
Uitvoering energiebesparingsplannen op schema67%

In de groeiparagraaf van artikel 4 van de EZ-begroting 2002 is aangegeven dat in de begroting 2003 zowel wat betreft het Convenant Benchmarking als de MJA2 indicatoren zouden worden opgenomen met betrekking tot de resultaten in termen van energie-efficiëntieverbetering. Deze gegevens komen echter pas eind 2002 beschikbaar. Opname van deze gegevens is daarom eerst aan de orde in het kader van de begroting 2004.

c) Meerjarenafspraken energie-efficiëntie 2 (MJA2): Aanbieders van een aantal apparaten en installaties hebben in het verleden onderling afspraken gemaakt over de verbetering van de energie-efficiëntie van hun producten voor de Europese markt. Deze afspraken zijn goedgekeurd door de Europese Commissie. Er zal in 2003 ingezet worden op nieuwe afspraken (convenanten) voor die apparaten waar nog een efficiëntiewinst te behalen valt en waarvoor nog geen regelgeving (zoals bijvoorbeeld een verplicht energielabel) bestaat, en op een aanscherping van bestaande afspraken.

4.2.2 Aandeel duurzame energie in het energieverbruik naar 10% in 2020 en 9% duurzame elektriciteit in 2010

4.2.2.1 Implementatie nieuwe strategie duurzame energie

In de Derde Energienota (december 1995) heeft de overheid zich ten doel gesteld dat in 2020 het aandeel duurzame energie in het energieverbruik minimaal 10% zal bedragen. Als tussendoelstelling is hiervoor in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid (UK I) een aandeel van 5% in 2010 genoemd. Door de EU-richtlijn duurzame energie is Nederland gehouden aan een aandeel duurzame elektriciteit in het elektriciteitsverbruik van 9% in 2010. Als tussendoelstelling hiervoor geldt een aandeel van 6% in 2005.

In de EZ-begroting 2002 is een nieuwe strategie voor het bereiken van de doelstelling van 10% duurzame energie in 2020 gepresenteerd. Daaruit komt naar voren dat biomassa en windenergie cruciaal zijn voor de realisatie van de doelstelling. In het Energierapport 2002 is voor deze twee bronnen extra beleidsinzet aangekondigd.

Voor energiewinning uit biomassa stelt het Energierapport 2002 een biomassa-actieplan in het vooruitzicht. Dit wordt door overheid en marktpartijen opgesteld. Voor windenergie op land loopt het BLOW-convenant (Bestuursovereenkomst Landelijke Ontwikkeling Windenergie). Het Energierapport noemt de volgende extra acties (zie ook 4.2.2.2 onder C) Afspraken):

– Een intensieve afstemming van beleidsontwikkeling en -uitvoering binnen het Rijk op initiatief van EZ;

– Het inrichten van een centrale EZ-helpdesk voor overheden;

– Een verkenning van mogelijkheden voor bekorting en vereenvoudiging van de (vergunning-)procedures waar initiatiefnemers van windenergieprojecten (en andere energieproductieprojecten) mee te maken hebben.

Als onderdeel van de 10% duurzame energie in 2020 wordt gestreefd naar de realisatie van 6000 MW windenergie op zee in 2020 (Energierapport 2002). De mogelijkheden van windenergie op zee zullen worden gedemonstreerd in het Near Shore Windpark van circa 100 MW binnen de 12-mijlszone voor de kust van Egmond. Voor dit park is een gebruiksovereenkomst getekend door de Minister van EZ, de Staatssecretaris van Financiën en het consortium Noordzeewind (Shell en NUON). Ingebruikname wordt voorzien voor 2003/2004. Voor windenergie op zee zijn in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening twee voorkeursgebieden buiten de 12-mijlszone aangewezen. De uitgifte van locaties zal geschieden via een concessiestelsel (zie ook 4.2.2.2 onder A. Wet- en regelgeving). Voor het initiatief van E-Connection voor een windpark van ca. 100 MW buiten de 12-mijlszone is reeds vergunning verleend. De bouw is gepland in 2003/2004.

Verder is in het Energierapport 2002 gesignaleerd dat de markt onzeker is over het investeringsklimaat voor duurzame energie, met name over de continuïteit van de financiële instrumenten. De in paragraaf 4.1.3 al genoemde MEP beoogt hiervoor een oplossing te bieden.

Voor «Duurzame energie achter de meter» (fotovoltaïsche en thermische energie, benutting omgevingsenergie via warmtepompen) is in een brief aan de Kamer (Kamerstukken II 2001–2002, 28 000 XIII nr. 49) het beleid nader uiteengezet. Onder meer is hier melding gemaakt van overleg met bij «Duurzame energie achter de meter» betrokken partijen. In dit zogeheten DEAM-overleg zijn de vier punten van de zogeheten Verklaring van Rotterdam leidraad. In het overleg is geconstateerd dat de door marktpartijen gewenste directe ondersteuning van projectontwikkelaars via de huidige Energiepremie-regeling niet mogelijk is. Voor een aantal andere instrumenten (Energieprestatienormering (EPN), energieprestatieadvies (EPA)) is geconcludeerd dat het met meer transparantie mogelijk is duurzame energie in de bebouwde omgeving een extra accent te geven. De Staatssecretaris van VROM heeft inmiddels aangekondigd bereid te zijn een aanscherping van de energieprestatie-eisen voor nieuwbouwwoningen te onderzoeken en de overlegpartijen bij dit onderzoek te betrekken. Ook is de overlegpartijen gewezen op de lopende implementatie van de nieuwe energieonderzoekstrategie (zie 4.1.2). Tenslotte is door EZ en VROM de bereidheid uitgesproken om, als vervolg op de aflopende en afgelopen optiegerichte convenanten, DEAM-brede samenwerkingsverbanden te ondersteunen als deze door EZ en VROM erkende knelpunten oplossen.

4.2.2.2 Aanpak en Instrumenten

A. Wet- en regelgeving

a) Groene markt: De vraag naar duurzame energie wordt krachtig ondersteund door de groene markt. De groene markt wordt nader beschreven in beleidsartikel 1 bij operationele doelstelling 1.2.2 «Het Bevorderen van concurrentiemechanismen in met name netwerk- en (semi-)publieke sectoren». Belangrijk element hierbij is de implementatie van de Richtlijn betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwde energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt (2001/77/EG) die uiterlijk 27 oktober 2003 gereed moet zijn.

b) Concessiestelsel Wind op Zee: Gestreefd wordt naar de realisatie van 6000 MW windenergie op zee in 2020. Voor de uitgifte van locaties wordt een concessiestelsel ontworpen op basis van de Wet Beheer Rijkswaterstaatwerken (Wbr). Dit concessiestelsel zal in 2003 gereed zijn.

Tabel 4.2.2.2a: Prestatie-indicator wet- en regelgeving
IndicatorStreefwaarde
Concessiestelsel Wind op Zee Gereed in 2003

B. Fiscale en financiële stimulering

a) Wetsvoorstel Milieukwaliteit elektriciteitsproductie (MEP): Het wetsvoorstel MEP is uitgebreid toegelicht in paragraaf 4.1.3.

b) Besluit subsidies energieprogramma's (BSE) en Novem-programma duurzame energie: Ook in 2003 geeft EZ aan Novem een programma op het gebied van duurzame energie in opdracht. Bij het programma hoort een subsidieregeling op basis van het Besluit subsidies energieprogramma's. De subsidiëring gebeurt grotendeels via het uitschrijven van tenders. Als invulling van de subsidietaakstelling van het Strategisch Akkoord wordt afgezien van de in eerdere meerjarenbegrotingen opgenomen intensivering van € 16 mln voor duurzame energie. Zie hiervoor ook paragraaf 4.1.3.

c) Energie Investeringsaftrek (EIA) en Subsidieregeling Energievoorzieningen in de non-profit en bijzondere sectoren (EINP): Voor investeringen in duurzame energie gelden vergelijkbare stimulansen als voor energiebesparingsmaatregelen. Ondernemers kunnen een percentage van hun investeringen in duurzame energie aftrekken van hun fiscale winst (EIA), instellingen in de non-profit konden gebruik maken van EINP-regeling.

Zoals reeds aangekondigd in paragraaf 4.2.1.B.c wordt de EINP per 1 januari 2003 beëindigd. Daarmee vervalt ook de voorziening in de EINP voor natuurlijke personen die investeren in een windturbine. Voor hen bestaat in bepaalde gevallen nog wel de mogelijkheid om gebruik te maken van de EIA. Daarnaast heeft het kabinet besloten om energieinvesteringen niet langer via de VAMIL te kwalificeren, aangezien deze ook voor EIA in aanmerking komen en hier dus cumulatie zou optreden.

d) Regeling energiepremies: Alle gebruikelijke vormen van duurzame energie in woningen (foto-voltaïsche-panelen (pv), zonneboilers, warmtepompen en warmtepompboilers) komen in aanmerking voor een energiepremie, zowel bij bestaande woningen als bij nieuwbouwwoningen. Voor de woningeigenaar of huurder betekent dit dat de investering per saldo 30–50% lager uitvalt. In 4.2.1 is reeds beschreven dat de Energiepremieregeling wordt gedefiscaliseerd en vanaf 1 januari 2003 zal worden opgenomen op de begroting van het ministerie van VROM.

e) Overige regelingen: Veel van het fiscale en financiële instrumentarium dat in 4.2.1 voor energiebesparing genoemd is, zoals WBSO en EET, is ook van toepassing op duurzame energie. Voor de financiële en fiscale regelingen worden bij de doelgroepen gestimuleerde uitgaven voor duurzame energie als prestatie-indicator gebruikt. De hoogte van deze indicator is gebaseerd op ervaringscijfers van de afgelopen jaren.

Tabel 4.2.2b: Prestatie-indicatoren financiële en fiscale instrumenten
InstrumentStreefwaarde
EIA: omvang ondersteunde investeringen voor duurzame energie€ 200 mln (investeringen)
BSE: omvang gestimuleerde uitgaven voor duurzame energie€ 50 mln

C. Afspraken

AVI-convenant en Convenant Zonneboilers: Het aantal convenanten is ten opzichte van de begroting 2002 verminderd. Het convenant «Energie uit afval» met de Vereniging Regulerende Belasting Afvalverbranders (Vereba) en de exploitanten van afvalverbrandingsinstallaties (AVI's) is 1 augustus 2002 geëindigd. Dit convenant was de voorwaarde voor de stimuleringsregeling via Wbm art 36r. In een gezamenlijke evaluatie met alle partijen is geconcludeerd dat dit convenant het afgesproken resultaat aan duurzame energie heeft opgeleverd en dat de stimuleringsregeling via Wbm art. 36r daarbij voor voldoende financiële ondersteuning heeft gezorgd. Convenant en stimuleringsregeling hebben hiermee hun functie gehad en zijn per 1 augustus 2002 beeindigd. Stimulering van nog verdergaande productie van duurzame energie uit afval zal worden bezien in het kader van wetsvoorstel MEP (zie onder a) hierboven). In de begroting 2002 werd gesproken van «convenanten duurzame-energieopties achter de meter», hiermee werden het Convenant Zonneboilers en het Convenant warmtepompsystemen in de woningbouw bedoeld. Het Convenant Zonneboilers loopt 31 december 2002 af en wordt niet verlengd, vandaar dat onder d) gesproken wordt van het Convenant Warmtepompsystemen in de woningbouw.

a) Bestuursovereenkomst windenergie BLOW: De Bestuursovereenkomst Landelijke Ontwikkeling Windenergie (BLOW) is op 10 juli 2001 gesloten tussen Rijk, IPO en VNG en beoogt de daadwerkelijke realisatie van ten minste 1500 MW windvermogen op land in 2010. In 2002 hebben bijna alle provincies plannen van aanpak opgesteld, waarin ze uitgewerkt hebben hoe ze de toegewezen taakstelling gaan invullen. Een belangrijk ijkpunt in de overeenkomst is 31 december 2005. Vóór die datum moet finale planologische besluitvorming op gemeentelijk niveau hebben plaatsgevonden over voldoende plaatsingsruimte.

b) Convenant kolencentrales en CO2-reductie: In augustus 2000 is met de eigenaren van kolencentrales een akkoord op hoofdlijnen bereikt over de reductie van 6 mln ton CO2 in de periode 2008–2012. Op 24 april 2002 is hieraan uitwerking gegeven via het Convenant Kolencentrales en CO2-reductie. Partijen in dit convenant zijn de Ministers van EZ en VROM, de eigenaren van kolencentrales in Nederland en hun branchevereniging EnergieNed. Ruim de helft van de afgesproken CO2-reductie zal plaatsvinden door het mee- of bijstoken van biomassa in de kolencentrales. Dit betekent een extra productie aan duurzame energie van circa 28 PJ. Eventuele financiële ondersteuning hiervan zal plaatshebben via de wetsvoorstel Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie MEP en niet via Wbm art. 36u. Het resterende deel van de CO2-reductie zal plaatshebben in het kader van het convenant Benchmarking (zie paragraaf 4.2.1)

c) Convenant Warmtepompsystemen in de woningbouw: Dit convenant is in 2000 gesloten tussen de overheid en diverse betrokkenen om de toepassing van warmtepompsystemen in de woningbouw te bevorderen, leidend tot de toepassing van ruim 10 000 warmtepompsystemen in de convenantperiode. 2003 is het laatste jaar van het convenant. In lijn met de nieuwe strategie duurzame energie zal het convenant niet verlengd worden.

Tabel 4.2.2.2c: Prestatie-indicatoren afspraken
IndicatorStreefwaarde
BLOW Voldoen aan eisen convenant (in 2005)
Convenant Warmtepompsystemen woningbouwRealisatie op schema

* Convenant ligt op schema wanneer de deelnemende partijen hun voorziene inbreng ook daadwerkelijk leveren en de realisatie overeenkomt met de prognose in het convenant.

D. Voorlichting

Het Projectbureau Duurzame energie (PDE) moet de bekendheid met en het gebruik van duurzame energie bevorderen. Onderdeel van het PDE is het Informatiecentrum Duurzame energie (IDE). Het IDE beantwoordt jaarlijks ruim 10 000 vragen. De prestatie-indicator is de tevredenheid van de vragenstellers met de antwoorden van het IDE. In 2002 worden het PDE en IDE geëvalueerd en wordt besloten over voortzetting na 2003.

Tabel 4.2.2.2d: Prestatie-indicator PDE
IndicatorStreefwaarde
Klanttevredenheid98%

4.2.3 Via CO2-reductieregelingen op een kosteneffectieve wijze bijdragen aan de realisatie van de doelstellingen van het klimaatbeleid

In het Protocol van Kyoto heeft Nederland een reductie van de emissie van broeikasgassen van 6% voor de budgetperiode 2008–2012 op zich genomen. Dit betekent een reductie van de uitstoot van 200 Mton CO2-equivalent in de periode 2008–2012. Dit is 40 Mton per jaar. Aan het halen van de binnenlandse klimaatdoelstelling dragen uiteraard ook de maatregelen genoemd bij de operationele doelstellingen 4.2.1 en 4.2.2 voor energiebesparing en duurzame energie voor een belangrijk deel bij. De aanvullende instrumenten die EZ gebruikt voor haar bijdrage aan deze nationale en de internationale klimaatdoelstelling zijn het CO2-reductieplan, Joint Implementation en emissiehandel.

a) CO2-reductieplan: Uit de € 680 mln aan Klimaatgelden van het eerste paarse Kabinet is naar de huidige stand van zaken € 425,4 mln voor het CO2-reductieplan beschikbaar. Het CO2-reductieplan is een samenwerkingsverband van de ministeries van LNV, VROM, VenW en EZ en bestaat uit een aantal subsidieregelingen, waaronder als belangrijkste de EZ-regeling «Besluit subsidies CO2-reductieplan». Daarnaast omvat het een aantal losse projecten die niet op basis van een dergelijke regeling zijn geselecteerd, zoals bijvoorbeeld het Near Shore Wind project, de ondergrondse opslag van CO2 en de zogenaamde «eerste tranche» projecten. De Tweede Kamer wordt regelmatig over de voortgang van het CO2-reductieplan geïnformeerd.

In het voorjaar van 2002 heeft een evaluatie plaatsgevonden van de eerste drie tenders. Binnenkort wordt deze evaluatie, met een beleidsreactie van het kabinet, naar de Tweede Kamer gestuurd.

Van het totaal beschikbaar budget van het CO2-reductieplan is thans € 244,7 mln bestemd voor de EZ-regeling Besluit subsidies CO2-reductieplan. Er zijn inmiddels drie tenders afgerond, waarbij 2,22 megaton CO2-reductie per jaar is gecontracteerd voor een subsidiebedrag van € 111,7 mln. Voor een aantal grote projecten dient de Europese Commissie nog toestemming te geven. In februari 2002 is de vierde tender gesloten.

Deze tender vond plaats onder een gewijzigde regeling; de deelprogramma's zijn afgeschaft. En voor alle aanvragen gold dezelfde maximale kosteneffectiviteitsgrens van € 9 per ton CO2-reductie. Bovendien is de regeling uitgebreid naar de overige broeikasgassen uit het Kyotoprotocol. Het budget van deze tender, € 68 mln, is volledig benut. Hiermee is een CO2-reductie van jaarlijks 3 Mton gecontracteerd. Dit getal is vooral zo groot door een toename van het aantal biomassaprojecten. Najaar 2002 start een vijfde tender. In 2003 worden de subsidies voor deze tender toegekend.

Er zijn twee «eerste tranche» projecten afgerond. Er loopt nog één project, het Flexergieproject. De totale CO2-reductie bedraagt 0,112 megaton, voor een subsidiebedrag van € 32,4 mln.

Voor het Wind Near Shore project is een budget van € 27,2 mln beschikbaar. Er is een selectieprocedure gehouden waarbij één consortium als beste uit de bus is gekomen. Na afsluiting van een overeenkomst met dit consortium en de vergunningverlening, moet in 2003 of 2004 de bouw beginnen (zie ook 4.2.2.1).

b) Joint Implementation: Het Kyoto Protocol staat landen toe gebruik te maken van Joint Implementation (JI). JI biedt de mogelijkheid om projectgebonden broeikasgasreducties, die worden gerealiseerd in zogenaamde Annex I landen (dit zijn landen die een Kyoto doelstelling hebben), aan te wenden voor het bereiken van de eigen doelstelling.

De Emission Reduction Unit Procurement Tender (ERUPT) is een Europese aanbestedingsprocedure waarmee Nederland op een kosteneffectieve manier CO2-reducties in betreffende landen aankoopt. In de eerste tender in 2001 zijn vier voorlopige contracten getekend met bedrijven die de reducties in Centraal- en Oost-Europa zullen bereiken. De Minister van EZ zal eind 2002 contracten tekenen voor projecten in de tweede tender. In 2003 zal EZ doorgaan met het aankopen van CO2-reducties via deze tenderprocedure.

Nederland neemt deel aan het Prototype Carbon Fund (PCF) van de Wereldbank om samen met andere overheden en bedrijven ervaring op te doen met Joint Implementation en het Clean Development Mechanism (CDM)1. De prijs per ton CO2 blijft onder het streefbedrag van 5,6 dollar per ton CO2. EZ zal haar deelname aan het PCF in 2003 vergroten met maximaal € 7 mln. Daarnaast wordt onderzocht of CO2 kan worden aangekocht door samenwerking met multilaterale financiële instellingen, en met private banken. EZ ontwikkelt een regeling om via private banken en fondsen CO2 aan te kopen. Het is de bedoeling in 2002 een tender voor hen te openen.

c) Internationale emissiehandel: Nederland streeft ernaar de klimaatdoelstelling gedeeltelijk via internationale emissiehandel te realiseren. EZ werkt dan ook actief aan de totstandkoming van een internationaal systeem voor emissiehandel binnen de Europese Unie. Daarnaast streeft EZ er naar om via zogenoemde «early trading» een klein deel van het nationale emissiebudget van Oost-Europese landen te kopen. Voorwaarde hierbij is dat die landen de opbrengsten aan het milieu besteden.

Tabel 4.2.3a: Prestatie-indicatoren bijdrage aan realisatie van doelstellingen van klimaatbeleid
InstrumentIndicatorStreefwaarde
Besluit subsidies CO2-reductieplan, 5e tenderHoeveelheid broeikasgasreducties1 Mton CO2 per jaar[2008–2012]
ERUPT, derde tenderHoeveelheid aangekochte claims op CO2-credits1,2 Mton CO2 per jaar[2008–2012]
Prototype Carbon FundHoeveelheid aangekochte CO2-credits0,2 Mton CO2 per jaar[2008–2012]

4.2.4 Bevorderen van de realisatie van Nederlandse wensen op energiegebied in internationaal verband en van internationale draagvlak voor de Nederlandse aanpak

Hiertoe worden diverse interventietaken op internationaal gebied uitgevoerd. EZ hanteert de volgende twee instrumenten voor het invullen van deze doelstelling.

a) Coördinatie EU/ECT/IEA/IEED: Het doel is tweeledig. Ten eerste een deskundige en effectieve Nederlandse inbreng in internationale energiefora. Ten tweede het opdoen van relevante kennis en contacten via deze internationale energiefora om zodoende het Nederlandse energiebeleid te kunnen benchmarken en om aangesloten te blijven op de rest van de wereld.

b) Bilaterale relaties (China, Zuid-Afrika, Indonesië): Dit instrument heeft tot doel draagvlak te creëren voor investeringen en export voor het Nederlandse energiebedrijfsleven door bijvoorbeeld overleg op overheidsniveau en presentaties over energietechnologie. Dit vindt vooral plaats bij bezoeken van de ambtelijke top en bewindslieden. Naast EZ zijn bij de uitvoering betrokken Novem, Buitenlandse Zaken en de Economische Voorlichtingsdienst (EVD). Omdat de samenwerking met Zuid-Afrika minder inhoud heeft gekregen dan verwacht, wordt deze in 2003 beëindigd.

4.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 4: Doelmatige en duurzame energievoorziening (in € mln)
 2001200220032004200520062007
Verplichtingen (totaal)230,2344,6205,7243,6216,1215,9215,9
Programma-uitgaven211,4332,3193,8231,7204,2204,1204,1
Operationeel doel 4.2.1: Verbetering Energie-efficiëntie       
– Programma's Energie-efficiëntie36,752,247,147,847,747,847,8
– EINP27,233,1     
Operationeel doel 4.2.2: Duurzame Energie       
– Programma's Duurzame Energie36,146,530,430,430,430,430,4
– EINP – Wind3,23,4     
– Projectbureau Duurzame Energie2,22,32,32,32,32,32,3
– Afwikkeling oude programma's Duurzame Energie0,5      
Operationeel doel 4.2.3: CO2-reductieregelingen       
– CO2-reductieplan50,098,0     
– Joint Implementation0,543,561,066,071,071,071,0
Algemeen       
– Opdrachten uitvoering door derden 16,316,316,316,316,316,3
– Bijdrage Algemene Energie Raad0,30,10,10,10,10,10,1
– Bijdrage aan diverse instituten 1,51,51,51,51,51,5
– Bijdrage aan ECN38,631,931,731,531,331,131,1
– Diverse programma uitgaven Energie0,5  32,4   
– Opdrachten en onderzoek Energie15,63,53,43,43,63,63,6
        
Apparaatsuitgaven18,812,311,911,911,911,811,8
– Personeel Energie (DG M&E)4,54,94,54,54,54,44,4
– Bijdrage DG M&E aan BLD Senter14,37,47,47,47,47,47,4
        
Uitgaven (totaal)200,6236,7206,7261,6241,5242,5228,3
        
Ontvangsten (totaal)15,481,011,911,911,911,911,9
– Dividend ontvangsten UCN15,080,411,311,311,311,311,3
– Diverse ontvangsten Energie0,40,60,60,60,60,60,6

Fiscale maatregelen

De Energie-investeringsaftrek (EIA) is een fiscaal beleidsinstrument dat ondernemers stimuleert bij het investeren in energiezuinige (en duurzame) apparaten en voorzieningen die voldoen aan een generiek besparingscriterium. Deze komen voor de aftrek in aanmerking (budget 2003: € 143 mln). Voor onder meer een totaal overzicht van alle belastinguitgaven en de meerjarig hiervoor geraamde bedragen wordt verwezen naar de Miljoenennota 2003 en naar het belastingplan 2003, deel 1.

Artikel 4: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 realisatie 2001raming 2002raming 2003
 gemiddelde bezettinggemiddelde prijsformatiegemiddelde prijsformatiegemiddelde prijs
DG M&E – personeel*80,855,878,262,478,259,6

* Exclusief 4,5 FTE's van DGO, geraamd op beleidsartikel 3.

4.4 Budgetflexibiliteit

Budgetflexibiliteit beleidsartikel 4 (in € 1 000)
 2003 2004 2005 2006 2007 
1. Totaal geraamde kasuitgaven206 671 261 628 241 467 242 476 228 332 
2. Waarvan app.uitgaven29 062 28 317 28 284 28 257 28 257 
3. Dus programma uitgaven177 609 233 311 213 183 214 219 200 075 
4. Waarvan juridisch verplicht127 81672%135 37458%78 97737%42 21420%36 60818%
5. Waarvan bijdragen aan Instellingen/instituten32 84518%35 03015%35 18017%35 72316%34 99318%
6. Waarvan complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden00%00%00%00%00%
7. Waarvan beleidsmatige reserveringen16 94810%62 90727%99 02646%136 28264%128 47464%
8. Totaal177 609100%233 311100%213 183100%214 219100%200 075100%

Uit de tabel blijkt dat 72% van de voor 2003 geraamde programma-uitgaven aangehouden wordt ter financiering van verplichtingen die tot en met 2002 zijn aangegaan. Dit deel van de kasraming is derhalve niet flexibel.

De uitgaven die geraamd worden voor de met ingang van 2003 aan te gane verplichtingen zijn in structureel opzicht voor ruim € 60 mln benodigd voor apparaatsuitgaven en instellingen en instituten.

4.5 Evaluatieplanning

Evaluatieonderzoek beleidsartikel 4
Operationeel doelEvaluatiemoment
1. Operationeel doel2006
– Evaluatiemoment2001
– EIA en EINP2001
– EPR2002
2. Operationeel doel 4.2.22005
– AVI-convenant2002
– Projectbureau Duurzame energie2002
3. Operationeel doel 4.2.32005
– CO2-reductieplan2002

4.6 Groeiparagraaf

• De prestatie-indicatoren voor energieonderzoek die onder de algemene doelstelling worden genoemd, zijn voorlopige indicatoren. Zoals in paragraaf 4.1.2 vermeld zal de Tweede Kamer voor het eind van 2002 bij brief worden geïnformeerd over de speerpunten. Mede op basis hiervan zullen ten behoeve van de begroting 2004 structurele prestatie-indicatoren worden ontwikkeld. Dan wordt ook bezien onder welke operationele doelstelling het energieonderzoek kan worden geschaard.

• Het transitiemanagement is ook onder de algemene doelstelling van artikel 4 geplaatst. Transitiemanagement staat de komende twee jaar met name in het teken van het op gang brengen van het transitieproces. De elementen van dit proces hebben betrekking op stakeholderanalyse, het samen met stakeholders concrete experimenten definiëren, het sluiten van een intentieovereenkomst, experimenten uitwerken, en het sluiten van een samenwerkingscontract (PPS). De prestatie-indicatoren die nu worden voorgesteld hebben hier ook betrekking op. De prestatie-indicatoren voor transitie naar een duurzame energiehuishouding worden afgestemd met de andere transitietrajecten. Na het startproces wordt duidelijk wat de inzet van het transitietraject is in termen van doelstellingen en kunnen ten behoeve van de begroting 2005 nieuwe prestatie-indicatoren worden ontwikkeld.

• De prestatiegegevens voor financiële regelingen voor energiebesparing en duurzame energie blijven vooralsnog dezelfde als vorig jaar. In het project heroverweging instrumentarium en bij het verder vormgeven van de unit coördinatie energiebesparing wordt de ontwikkeling en interdepartementale afstemming van prestatie-indicatoren meegenomen.

• De relatie tussen de hoogte van de besparingsdoelstelling en de klimaatdoelstellingen zal in 2003 nader worden bezien. Dit heeft ook een relatie met de vaststelling van sectorale streefwaarden voor het geïnternaliseerde besparingsbeleid. Dit kan leiden tot nieuwe prestatie-indicatoren en eventueel een aanpassing van de operationele doelstelling voor energiebesparing.

• Vanuit de nieuwe strategie duurzame energie zijn er drie aandachtsgebieden (wind op land, wind op zee en biomassa). Voor wind op land geldt de BLOW indicator. Voor biomassa zal aan de hand van het actieplan biomassa, dat voor het eind van 2002 zal verschijnen een indicator kunnen worden ontwikkeld. Voor wind op zee wordt bezien of voor de begroting 2004 een structurele indicator kan worden ontwikkeld.

• Zoals vermeld bij operationele doelstelling 4.2.1 is het voor MJA2 en het Convenant Benchmarking energie-efficiëntie in 2003 nog niet mogelijk om te rapporteren in termen van resultaten in termen van energie-efficiëntieverbetering. Vanaf 2004 is het wel mogelijk om de verbetering van de energie-efficiëntie als indicator te hanteren.

5 BUITENLANDSE ECONOMISCHE BETREKKINGEN

 Onderdelen toelichting
 5.1Algemene doelstelling
 5.2Operationele doelstellingen
  5.2.1 Het vervolmaken en uitbreiden van de Europese interne markt
  5.2.2 Multilaterale handels- en investeringssysteem
  5.2.3 Nederlandse participatie en presentie
 5.3Budgettaire gevolgen van beleid
 5.4Budgetflexibiliteit
 5.5Evaluatieplanning
 5.6Voortgang VBTB-implementatie in 2002
 5.7Groeiparagraaf

5.1 Algemene beleidsdoelstelling

De Nederlandse economie is een buitengewoon open economie. De welvaart en werkgelegenheid in Nederland en de winstgevendheid en concurrentiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven zijn sterk afhankelijk van de mogelijkheden om te exporteren en te importeren. Het gaat hierbij niet alleen om de export en import van goederen en diensten, maar ook van kennis, technologie en kapitaal.

Nederland heeft dus belang bij zo open mogelijke markten en zo min mogelijk handels- en investeringsbelemmeringen, niet alleen in Europa (de Europese interne markt), maar ook elders in de wereld.

Het streven van EZ is het beperken van internationale handels- en investeringsbelemmeringen en het bestrijden van internationale concurrentievervalsing en marktverstoringen. Als hierdoor de comparatieve voordelen van landen beter tot hun recht komen en een efficiëntere internationale arbeidsverdeling ontstaat, zal dat in principe leiden tot een verbetering van de productiviteit en een toename van het nationale inkomen.

De algemene beleidsdoelstelling van het buitenlandse economische beleid kan worden omschreven als:

Het scheppen van gunstige voorwaarden voor en geven van nieuwe impulsen aan de internationale economische activiteiten van burgers en bedrijven zodat zij bijdragen aan de duurzame groei van de Nederlandse economie.

Deze algemene beleidsdoelstelling is een afgeleide van de missie van het Ministerie van Economische Zaken, het bevorderen van duurzame economische groei in Nederland.

In het buitenlands economische beleid gaat het om vraagstukken zoals het versterken van de internationale economische rechtsorde, het vrijmaken van het internationale handels- en investeringsverkeer, het tegengaan van internationale concurrentievervalsing en marktverstoring, het tot stand brengen van een samenhangend, strategisch en goed onderbouwd beleid ten aanzien van de Europese Unie en het faciliteren van Nederlandse ondernemingen die in het buitenland actief (willen) zijn.

5.2 Operationele doelstellingen

Om nader invulling te geven aan de hierboven geformuleerde algemene beleidsdoelstelling van het buitenlands economisch beleid onderscheidt EZ drie doelstellingen:

5.2.1 Het vervolmaken en uitbreiden van de Europese interne markt;

5.2.2 Het verder uitbreiden en versterken van het open multilaterale handels- en investeringssysteem;

5.2.3 Het bevorderen van een zo groot mogelijke participatie en presentie van Nederlandse bedrijven en producten op buitenlandse markten, zowel nabije als veraf gelegen.

Veel activiteiten die voortvloeien uit deze doelstellingen bestaan voor een belangrijk deel uit de organisatie van en /of deelname aan nationaal en internationaal overleg, na voorafgaande interdepartementale coördinatie. EZ stelt zich tot doel om het Europese en buitenlandse beleid zodanig te beïnvloeden dat daarin de Nederlandse economische belangen goed doorklinken. Hiertoe draagt EZ de standpunten van de Nederlandse regering uit, initieert EZ nieuwe voorstellen en initiatieven in internationale gremia en tracht EZ pro-actief partners te vinden voor de Nederlandse standpunten. Hoewel Nederland in het algemeen een zeer actieve rol speelt in het internationale overleg over economische aangelegenheden en er doorgaans in slaagt veel invloed uit te oefenen, zijn de uitkomsten niet altijd volledig conform de door Nederland gewenste resultaten. Voornamelijk voor de eerste twee doelstellingen geldt dat het uiteindelijke resultaat mede afhankelijk is van een groot aantal externe factoren.

Om een betere afstemming van de verschillende Europese economische dossiers, verbeterde samenwerking binnen EZ en de creatie van relevante netwerken in verband met Europa te bewerkstelligen, heeft het in 2001 afgeronde Project Europa bouwstenen geleverd om de inbreng van EZ in het Europese circuit meer inhoud en herkenbaarheid te verschaffen.

Voor een aantal belangrijke activiteiten onder de eerste twee doelstellingen ontvangt de Tweede Kamer periodieke rapportages. De hoofdlijnen van die rapportages worden ook in het jaarverslag opgenomen, zodat een goede voortgangscontrole mogelijk is. Bij de eerste (Europese interne markt) en de derde doelstelling (Nederlandse participatie en presentie) zijn effectindicatoren opgenomen.

5.2.1 Het vervolmaken en uitbreiden van de Europese interne markt

Deze doelstelling bestaat uit de volgende elementen:

A) Vervolmaking van de Europese interne markt

B) Uitbreiding van de Europese interne markt

Op beide elementen wordt hieronder nader ingegaan. Daarnaast wordt in het kader van deze operationele doelstelling aandacht gegeven aan (1) de voorbereiding op het Nederlandse EU voorzitterschap in de tweede helft van 2004 en (2) de in voorbereiding zijnde overdracht van de interdepartementale coördinatie van de Benelux aan het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Wat het Nederlandse voorzitterschap betreft, zullen in 2003 de voorbereidingen in volle gang zijn. Het ministerie van Economische Zaken zal daarbij een actieve rol spelen en ervoor zorgdragen dat de EZ doelstellingen op evenwichtige wijze doorklinken in de agenda voor het voorzitterschap, zodat een optimale synergie kan worden bereikt tussen de nationale en Europese beleidsvorming. Dit betekent tevens dat het ministerie van Economische Zaken in de tweede helft van 2003 zal moeten bepalen welke prioriteiten op economisch terrein tijdens het Nederlandse voorzitterschap worden gesteld. Daarnaast zullen in 2003 diverse organisatorische aspecten van het voorzitterschap moeten worden geregeld.

Omdat de reikwijdte van de Benelux samenwerking in de loop der jaren veel breder is geworden dan het oorspronkelijke economische werkterrein, is het ministerie van Economische Zaken met het ministerie van Buitenlandse Zaken in overleg getreden om de ambtelijke coördinatie van de uitvoering van het Benelux verdrag over te nemen. Het ministerie van Buitenlandse Zaken, dat reeds lang optreedt als Benelux coördinator op politiek niveau, heeft inmiddels ingestemd met deze overname van de interdepartementale coördinatie. Het gevolg hiervan is dat, zodra de details van de overdracht zijn ingevuld, de tot nu toe op de begroting van EZ staande Benelux-contributie zal worden overgeheveld naar de begroting van Buitenlandse Zaken.

A) Vervolmaking van de Europese interne markt

De voornaamste problemen en uitdagingen zijn:

• Verbetering van de werking van de interne markt: De werking van de interne markt kan verder worden verbeterd door:

– De kwaliteit van de EU-regelgeving te verbeteren opdat deze beter na te leven, uit te voeren en te handhaven is, door zowel producenten als consumenten. Nederland steunt om die reden de initiatieven op EU-niveau om te komen tot stroomlijning van de wet- en regelgeving, in het kader van het SLIM-programma (Simplification Legislation Internal Market) en het BEST-programma (Business Environment Simplification Taskforce). Verder steunt Nederland de voorstellen van de Commissie in het kader van het actieprogramma betere regelgeving. Verbetering van de kwaliteit van EU-regelgeving is tevens een verantwoordelijkheid van Justitie.

– Het creëren van eerlijke concurrentieverhoudingen door middel van naleving van de EU-staatssteunregels. EZ draagt in Nederland zorg voor voldoende bekendheid met zowel de formele aanmeldingsplicht van steunvoornemens als met de materiële eisen die aan nationale steun worden gesteld.

– Het wegnemen van resterende handelsbelemmeringen tussen de lidstaten ten behoeve van Nederlandse bedrijven, op terreinen zoals productwetgeving, industriële eigendom, douane, erkenning van diploma's, fiscale zaken en detachering van werknemers.

– Coördinatie van economisch beleid in het kader van de interne markt, gericht op economische hervormingen om beter van de interne markt te profiteren. In dit kader wordt het economisch beleid van de Lidstaten onderling vergeleken opdat Lidstaten hun «best practices» uitwisselen en elkaar positief beïnvloeden. In de zogenaamde «Cardiff-procedure» staat naast het functioneren van product- en kapitaalmarkten ook het functioneren van de interne markt centraal.

– Het verbeteren van de inrichting en werkwijze van de Europese instellingen teneinde de slagkracht en doelmatigheid te vergroten. Het gaat hier om het realiseren van institutionele hervormingen van de EU. Deze hervormingen zijn, mede gelet op het grote aantal nieuwe lidstaten dat binnen afzienbare tijd zal toetreden tot de EU, dringend nodig.

In termen van activiteiten en output betekent dit het volgende:

• Mede dankzij de inspanningen van EZ is tijdens de Europese Raad van Sevilla 21 juni 2002, besloten om een Raad voor de Concurrentiekracht in te stellen. Het aantal raadsformaties is teruggebracht naar 9. Deze nieuwe raad is een fusie van drie raden; Interne Markt Raad, Industrie Raad en Onderzoeksraad. De uitdaging voor EZ in 2003 zal zijn door goede coördinatie en gedegen voorbereiding bij te dragen aan een integratie van deze verschillende raden in een krachtige Raad voor de Concurrentiekracht en langs die weg een nieuw impuls te geven aan de vervolmaking van de interne markt en bij te dragen aan het realiseren van de Lissabondoelstellingen.

• In het kader van de open coördinatie van het economisch beleid wordt jaarlijks door de individuele lidstaten een nota opgesteld over de werking van de eigen product- en kapitaalmarkt (de zogenaamde «Cardiff-procedure»). De Nederlandse inbreng bestaat verder uit het, in samenwerking met een andere lidstaat, opstellen van één van de thematische rapporten, waarin de stand van zaken ten aanzien van een bepaald horizontaal thema nader wordt bezien. Nederland levert bijdragen aan de conclusies die de Raad aan de toetsing verbindt, ook wat het functioneren van de interne markt betreft.

• Het klachtenloket Europese markt (onderdeel EZ) is een contactpunt dat Nederlandse bedrijven bijstaat bij het verhelpen van problemen op de interne markt. Ook andere landen kennen een vergelijkbaar systeem van contactpunten die zorgdragen voor probleemoplossing en advisering. Om de coördinatie en oplossing van interne markt problemen verder te verbeteren, heeft de Commissie in 2002 een nieuw systeem voor effectieve probleemoplossing, SOLVIT, gepresenteerd. SOLVIT is een online databank waarop contactpunten in alle lidstaten aangesloten zijn. Na een pilotfase in 2002 wordt het SOLVIT in 2003 operationeel. Het gevolg is dat het klachtenloket zich voortaan ook zal bezighouden met interne markt problemen over Nederland die afkomstig zijn uit andere lidstaten. Dit impliceert een uitbreiding van de dienstverlenging van het Klachtenloket.

• De Europese Commissie heeft in de loop der jaren een complex staatssteunbeleid ontwikkeld. Om de kennis omtrent het staatssteunbeleid te concentreren en verder uit te bouwen zal in 2003 binnen EZ een kenniscentrum staatssteun operationeel zijn. Dit kenniscentrum behandelt de vaak complexe staatssteundossiers, welke afkomstig zijn van de verschillende directoraten-generaal van EZ. Verder zal het kenniscentrum het staatssteunbeleid van de Commissie interpreteren en vertalen naar potentiële steundossiers van EZ. Het kenniscentrum heeft verder tot taak te adviseren over het al dan niet aanmelden van maatregelen bij de Commissie en te zorgen voor kennisdiffusie over staatssteun binnen EZ. Ook zal het kenniscentrum beleidsontwikkelingen volgen en daarop inspelen.

• Het ministerie van Economische Zaken zal actief bijdragen aan de formulering van de Nederlandse inbreng in het debat over de «Toekomst van de Europese Unie», om ervoor zorg te dragen dat de institutionele inrichting en de toedeling van bevoegdheden aan de EU ondersteunend is voor de verwezenlijking van de EZ-doelstellingen. In de loop van 2003 zal de in 2002 bijeengeroepen Conventie zijn eindrapportage afronden ter voorbereiding van de Intergouvernementele Conferentie, die later dat jaar zal aanvangen.

Tabel 5.2.1 a: Effectindicator vervolmaking van de Europese interne markt
IndicatorStreefwaarde
Index1 van de interne markt (bron: Scorebord van de interne markt, halfjaarlijkse publicatie van de Europese Commissie)zie groeiparagraaf 5.7

1 Deze index is in de periode 1996–2000 gestegen van 100 naar 105,1.

B) Uitbreiding van de Europese interne markt

De voornaamste problemen en uitdagingen zijn:

• Het op een economisch verantwoorde wijze uitbreiden van de Europese Unie. Tijdens de Europese Raad van oktober 2002 zal de EU op basis van de nieuwe voortgangsrapporten van de Commissie besluiten welke landen zij gereed acht om per 2004 tot de Unie toe te treden. Naar verwachting zullen tijdens de Europese Raad van Kopenhagen in december 2002 de toetredingsonderhandelingen met deze landen, conform de «road map» worden afgerond. De stand van zaken bij de toetredingsonderhandelingen met de kandidaat lidstaten ondersteunt deze verwachting. In juni 2002 was met 10 landen, waarvan verwacht werd dat ze per 2004 zouden toetreden, het merendeel van de 31 onderhandelingshoofdstukken voorlopig afgesloten (zie ook figuur nr. 1). Bij de besluitvorming over de toetreding en de voorbereiding hiervan is het belangrijk aandacht te geven aan de consequenties ten aanzien van de werking van de interne markt als gevolg van de toetreding tot de EU van nieuwe lidstaten per 2004. Het gaat er hierbij in het bijzonder om of de economieën van de toetredende landen beschikken over een functionerende markteconomie en/of op adequate wijze kunnen omgaan met de, over het algemeen, hogere concurrentiedruk binnen de Unie (economische Kopenhagencriteria).

• Hervorming van het landbouw- en structuurbeleid in relatie tot de uitbreiding van de EU met nieuwe lidstaten.

In termen van activiteiten en output betekent dit het volgende:

Bovengenoemde overwegingen zullen een belangrijke rol spelen bij de politieke besluitvorming die in najaar 2002 onder Deens voorzitterschap over de uitbreiding zal plaatsvinden. Voor Nederland is het van groot belang dat daarbij op hoofdlijnen afspraken worden gemaakt over de hervorming van het gemeenschappelijke landbouwbeleid en de structuurfondsen. Verder zijn van belang de onderhandelingsresultaten met betrekking tot de overgangstermijnen, die het functioneren van de interne markt zo min mogelijk belemmeren. Daarbij gaat voor EZ de aandacht met name uit naar de deels nog openstaande hoofdstukken vrij verkeer van goederen, diensten, werknemers en kapitaal, mededinging, energie en regionaal beleid. Om dit alles te bewerkstelligen zal EZ via diverse kanalen (Raadswerkgroep Uitbreiding, Coreper, Algemene Raad en Europese Raad) bijdragen leveren.

• Inzet financieel instrument PSO preaccessie (PSO-PA, evaluatie van dit instrument gaat van start in 2002): Om tot een economisch verantwoorde uitbreiding te komen zullen de economische instituties in de kandidaat lidstaten moeten worden versterkt. Het economisch relevante «EU acquis» kan immers alleen goed in de praktijk worden gebracht als de betrokken kandidaat lidstaten voldoende geëquipeerd zijn om de economische wet- en regelgeving te kunnen implementeren en handhaven. Met het financiële instrument PSO preaccessie, dat door EZ wordt ingezet in alle kandidaat lidstaten met uitzondering van Malta en Cyprus, wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan de institutionele versterking in deze landen. Het instrument wordt in nauwe samenwerking met het BuZa programma MATRA preaccessie uitgevoerd. Daarnaast levert EZ een bijdrage aan de uitvoering van het EU programma PHARE Twinning dat voorziet in de detachering van experts uit EU lidstaten in de kandidaat lidstaten. Ook dit programma is gericht op «institution building» in de kandidaat lidstaten. Voorts worden op ambtelijk en politiek niveau regelmatig gesprekken gevoerd met de autoriteiten in de kandidaat lidstaten over de voortgang die op economisch gebied wordt geboekt bij het toetredingsproces. In het kader van die gesprekken wordt ook aandacht besteed aan de projecten die met behulp van genoemde instrumenten worden uitgevoerd dan wel opgezet. Na de toetreding van de kandidaat lidstaten tot de EU zal gedurende een beperkte periode de bilaterale assistentie aan deze landen worden voortgezet, complementair aan de door de EU tijdelijk voort te zetten steun. Voorts wordt reeds gedacht aan steun voor landen zoals Kroatië, die waarschijnlijk spoedig de status van kandidaat lidstaat zullen verwerven.

• Mede in het licht van de financiering van de aanstaande uitbreiding van de EU zal EZ participeren in het debat over de hervorming van het Europese structuurbeleid en het gemeenschappelijk landbouwbeleid. De door Nederland beoogde hervormingen zullen hun beslag moeten krijgen in de aanloop naar de – pas na 2003 voorziene – besluitvorming over de Financiële Perspectieven voor de periode vanaf 2007. Het debat over het structuurbeleid, waarin wordt ingezet op een concentratie van middelen op de minst welvarende lidstaten, zal een impuls krijgen door de in 2003 verwachte presentatie van het Derde Cohesierapport van de Commissie. Het verloop van het debat over de hervorming van het gemeenschappelijke landbouwbeleid zal mede bepaald worden door de uitkomst van de voor 2002 voorziene Mid-Term Review.

Tabel 5.2.1 b: Effectindicator uitbreiding van de Europese interne markt
IndicatorStreefwaarde*
Stand van zaken toetredingsonderhandelingen met kandidaat lidstaten in termen van aantal afgesloten hoofdstukken (op basis van de road map van de Europese Commissie opgenomen in het Enlargement Strategy Paper)Begin 2003: 31 afgesloten hoofdstukken met max. 10 kandidaat lidstaten Begin 2004: ratificatie toetredingsverdrag met max. 10 kandidaat lidstaten

* gaat om systeemverantwoordelijkheid van EZ.

Voortgang uitbreiding EU (stand juni 2002)kst-28600-XIII-2-3.gif

5.2.2. Het verder uitbreiden en versterken van het open multilaterale handels- en investeringssysteem

Deze doelstelling bestaat uit de volgende elementen:

A) Handhaving, uitbreiding en versterking van het multilaterale handelsstelsel en bevordering van een doorzichtig, stabiel en vrij investeringsklimaat.

B) Bevordering van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen over de grenzen.

A) Handhaving, uitbreiding en versterking van het multilaterale handelsstelsel en bevordering van een doorzichtig, stabiel en vrij investeringsklimaat.

De voornaamste problemen en uitdagingen zijn:

• Internationale markttoegang en marktwerking worden nog belemmerd door tal van maatregelen. Dit betekent een maximale inzet voor verdere afbraak van handelsbelemmeringen in derde landen en voor openstelling van de EU-markt. Bijzondere aandacht zal worden gegeven aan het wegnemen van markttoegangsbelemmeringen voor ontwikkelingslanden.

• Het ontbreken van afdwingbare multilaterale spelregels op een aantal economisch relevante terreinen doet afbreuk aan markttoegang en rechtszekerheid. Het streven is totstandkoming van nieuwe WTO-regels die een betere markttoegang en marktwerking bevorderen (bijv. op terreinen als mededinging, investeringen, douaneprocedures en overheidsaanschaffingen). Daarnaast wordt ingezet op betere nakoming van WTO-verplichtingen en voorkoming van handelsgeschillen, via verheldering van de bestaande WTO-regels. De WTO-geschillenbeslechting functioneert in dit verband nog niet optimaal. De herziening van de geschillenbeslechtingregels, die in mei 2003 moet worden afgerond, is in het belang van het Nederlandse bedrijfsleven en het imago van de WTO. Ten slotte zal verder worden gewerkt aan vergroting van het maatschappelijk draagvlak voor WTO.

• Participatie van ontwikkelingslanden in de WTO schiet tekort. De toetredingsprocedures blijken een moeilijk te nemen horde voor een aantal Minst Ontwikkelde Landen (MOL's). Verder hebben vele van met name de armste ontwikkelingslanden geen eigen permanente vertegenwoordiging bij de WTO in Genève, wat hun deelname aan de WTO-werkzaamheden ernstig bemoeilijkt. Veel ontwikkelingslanden hebben moeite met implementatie van verplichtingen en profiteren nog onvoldoende van WTO-lidmaatschap. Daarom is er behoefte aan concrete activiteiten op het gebied van technische assistentie en capaciteitsopbouw die bijdragen aan verbeterde participatie van ontwikkelingslanden die reeds lid zijn, met name van de MOL's, en aan versnelling van toetreding van de MOL's die nog geen lid zijn van de WTO. Ook is verdere uitwerking van de WTO-bepalingen voor speciale en gedifferentieerde behandeling van ontwikkelingslanden nodig.

• Onvoldoende helderheid over de beleidsruimte die de WTO-regels bieden op het terrein van milieu. Er is daarom behoefte aan verheldering van de relatie tussen WTO-regels en Multilaterale Milieuakkoorden.

• Ondanks groeiende internationalisering van het bedrijfsleven is het geheel van spelregels voor investeringen nog grotendeels nationaal/ regionaal georganiseerd. Dit leidt o.a. tot markttoegangsbelemmeringen en rechtsonzekerheid voor het internationaal opererende Nederlandse bedrijfsleven. Een internationaal kader zou de positieve gevolgen van investeringen kunnen vergroten en de negatieve gevolgen kunnen minimaliseren. Daarvoor zijn meer kennis, inzicht en consensus over de te volgen weg nodig.

• Effectieve exportcontrole zien te verzoenen met eerbiediging van rechtszekerheid en vermijding van onnodige lasten en handelsbeperkingen.

In termen van activiteiten en output betekent dit voor EZ het volgende:

De activiteiten die op dit terrein zullen worden ondernomen om de hierboven gesignaleerde uitdagingen te lijf te gaan, bestaan voor een belangrijk deel uit het uitoefenen van invloed in EU-kader (door middel van overleg met de Commissie en andere EU-lidstaten, interventies in EU-bijeenkomsten, indienen position papers etc.) op de positie die de onderhandelaars van de EU innemen in WTO-overleg. Bij dat laatste gaat het in 2003 met name om de eind 2001 te Doha gestarte WTO-onderhandelingsronde (de «Doha Development Agenda»), die volgens de huidige planning eind 2004 zou moeten zijn afgerond. Nederland vraagt daarbij speciale aandacht voor de ontwikkelingsdimensie van deze onderhandelingen. Ten minste tweemaal per jaar zal een periodieke voortgangsrapportage over de WTO, waarin o.a. een indicatie wordt gegeven van verrichte inspanningen, naar de Kamer worden verstuurd. Verder zal EZ de volgende activiteiten ontplooien:

• Regelmatig overleg met maatschappelijke organisaties en het verzorgen van /bijdragen aan voorlichting over de WTO en WTO-regels /processen.

• Het maken van internationale investeringsafspraken bij overeenstemming met één of meerdere landen over de wenselijkheid daarvan. Implementatie van gemaakte afspraken. Ondertekende investeringsbeschermingsovereenkomsten (IBO's) worden ter goedkeuring aan de Kamer voorgelegd (tenminste 2 à 3 IBO's voor 2003 lijkt haalbaar).

• Zich ervoor inzetten in internationale organisaties als OESO en UNCTAD dat actuele problemen op investeringsterrein worden geanalyseerd. Overleg met alle «stakeholders» over deze analyses en daaraan te verbinden conclusies.

• Zorgen voor transparantie van exportcontrolebeleid en internationale afstemming van gerichte en effectieve exportcontrole. Bij de voorziene evaluatie van het Wassenaar Arrangement in 2003 zal EZ zich er bij de partnerlanden sterk voor maken, dat producten die gezien de technologische ontwikkelingen in de wereld niet langer als militair gevoelig kunnen worden beschouwd, van de controlelijsten worden verwijderd. Bij dezelfde evaluatie zal EZ zich sterk maken voor meer uitwisseling van gegevens over de uitvoer van kleine wapens tussen de exportcontrole-autoriteiten van de bij het Wassenaar Arrangement aangesloten landen. Elk jaar wordt in mei en oktober een rapportage over beleid en uitvoering /handhaving van de exportcontrole naar de Kamer gestuurd.

• Aansturing van diensten belast met uitvoering, toezicht, opsporing en inlichtingen (Douane, FIOD-ECD, CDIU, AIVD) op het terrein van exportcontrole. Met deze organisaties worden daarover schriftelijk vastgelegde afspraken gemaakt.

B) Bevordering van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen over de grenzen

De voornaamste problemen en uitdagingen zijn:

Betrokkenheid in de maatschappij bij de wijze waarop Nederlandse bedrijven in derde landen bepaalde normen en waarden in acht nemen. De overheid wil maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) van Nederlandse bedrijven over de grens zoveel mogelijk stimuleren. Dat gebeurt o.m. via de voorwaarden verbonden aan het gebruik van het export- en investeringsinstrumentarium. Het kader voor deze normen en waarden zijn de in 2000 herziene OESO-Richtlijnen voor multinationale ondernemingen. Zo dienen gebruikers van het export- en investeringsinstrumentarium te verklaren deze OESO-Richtlijnen te kennen en naar vermogen toe te passen. Tevens wordt bij de aanvraagprocedure aandacht besteed aan omkoping, milieu en sociale arbeidsnormen (zie Kamerstukken II, 2001–2002, nrs. 19H, 20, 22).

Het Nationale Contactpunt voor multinationale ondernemingen (NCP) fungeert als aanspreekpunt voor vragen over de juiste toepassing van deze Richtlijnen. Zie voor MVO-nationaal tevens artikel 3 Bevorderen Ondernemingsklimaat (par. 3.2.2.).

In termen van activiteiten en output betekent dit het volgende:

Inbreng in activiteiten in OESO-kader (o.a. «peer review») om te bevorderen dat steeds meer bedrijven over de grens aan MVO doen, onderhouden van een netwerk met bedrijven en non-gouvernementele organisaties (NGO's) en het faciliteren van overleg, met name via het NCP. Tenminste een keer per jaar zal een rapportage over de door het NCP verrichte activiteiten alsmede over andere relevante ontwikkelingen naar de Kamer worden gestuurd.

5.2.3 Het bevorderen van een zo groot mogelijke participatie en presentie van Nederlandse bedrijven en producten op buitenlandse markten, zowel nabije als veraf gelegen.

Voor een gezonde groei van de Nederlandse economie is het van belang dat Nederlandse bedrijven hun weg naar het buitenland goed weten te vinden. De primaire verantwoordelijkheid hiervoor ligt vanzelfsprekend bij het bedrijfsleven zelf; de overheid speelt vooral een kaderscheppende rol, gericht op versterking van het nationale en internationale ondernemersklimaat. Binnen het economisch buitenlandbeleid is een aantal redenen om, naast de inzet voor versterking van de internationale economische rechtsorde en marktwerking, het Nederlandse bedrijfsleven dat actief is op buitenlandse markten direct te ondersteunen. Het gaat hierbij om de aanpak van specifieke marktimperfecties of marktverstoringen. Zo wordt het Nederlandse bedrijfsleven op buitenlandse markten nog steeds geconfronteerd met (handels)belemmeringen en overheidsgesteunde concurrentie. Aansluitend wordt ingegaan op deze belemmeringen en aangegeven met welke (financiële en non-financiële) instrumenten EZ deze bestrijdt.

PriceWaterhouseCoopers heeft begin 2002 een benchmarkonderzoek uitgevoerd van het financieel buitenlandinstrumentarium1. Belangrijkste conclusie van dit onderzoek is dat het Nederlands financieel buitenlandinstrumentarium ten opzichte van het buitenland redelijk concurrerend is. Er wordt een aantal (m.n. detail)verschillen geconstateerd. Deze kunnen voor bepaalde Nederlandse ondernemingen en sectoren echter uitermate relevant zijn. Een andere constatering is dat in de uitvoering van het Nederlandse instrumentarium verdere verbeteringen mogelijk zijn.

a) Belemmeringen op het gebied van kennis, informatie en contacten:

Informatie over marktkansen en bedreigingen, lokale eisen met betrekking tot bedrijfsvoering en relevante counterparts vormen essentiële factoren voor het bedrijfsleven. De toegankelijkheid van deze informatie op buitenlandse markten kan beperkt zijn, zodat ondernemers niet kunnen beschikken over export- en investeringsrelevante kennis. Ook kan, door kennisachterstand in het ontvangende land, de lokaal aanwezige «ontvangststructuur» de participatie van Nederlandse bedrijven bemoeilijken. Met name in voormalig centraal geleide economieën is bevordering van de transitie naar een markteconomie dan ook nadrukkelijk een gerelateerde doelstelling2.

EZ zet voor het beperken van deze belemmeringen de volgende instrumenten in.

InstrumentOmschrijving
Voorlichting en promotieOm het bedrijfsleven te faciliteren bij problemen op het gebied van kennis, informatie en contacten zet EZ zich in voor het informeren van het bedrijfsleven over interessante marktkansen en ontwikkelingen. De Economische Voorlichtings Dienst (EVD), als agentschap van EZ, speelt een belangrijke rol bij het vervullen van deze taken. De EVD informeert Nederlandse bedrijven over buitenlandse markten en ondersteunt deze bedrijven bij het selecteren en bewerken van die markten. De EVD organiseert tevens, samen met EZ, promotionele activiteiten waarbij zij het Nederlandse bedrijfsleven in contact brengt met buitenlandse zakenpartners. Dit varieert van handelsmissies, al dan niet onder leiding van een bewindspersoon, tot deelname aan beurzen. Met name in landen en binnen sectoren waar de (lokale) overheid een bepalende of minstens invloedrijke factor bij transacties is, blijkt de inzet van de Nederlandse overheid bij het assisteren van bedrijven een grote toegevoegde waarde te hebben (de zogenaamde economische diplomatie).
PostennetwerkOok het postennetwerk is ingericht om netwerken te onderhouden. Ambassades, consulaten generaal en economische steunpunten spelen hierbij een belangrijke rol bij het vergaren en verstrekken van informatie, alsook bij het verlenen van assistentie ter plekke aan het Nederlandse bedrijfsleven. Samen met de Ministeries van Buitenlandse Zaken en Landbouw, Natuurbeheer en Visserij is gewerkt aan een versterking van de economische functie van de posten. De prioriteitsstelling is hierbij verbeterd. Landen zijn in dit kader naar economisch belang in categorieën ingedeeld. Mede daardoor is het afgelopen jaar de dienstverlening beter afgestemd op de behoeften van het bedrijfsleven en meer transparant gemaakt.
PSBHet Programma Starters Buitenlandse Markten (PSB) verlaagt de exportdrempel voor MKB-bedrijven met weinig of geen ervaring op buitenlandse markten.
PESPHet Programma Economische Samenwerking Projecten (PESP) is een geïntegreerd haalbaarheidsinstrument ter voorbereiding van export en investeringen naar niet OESO-markten.
PSOHet Programma Samenwerking Oost-Europa (PSO) bevordert kennisoverdracht via projecten ten einde de positie van Nederlandse bedrijven in Oost-Europese (transitie)markten te versterken.
TA-regelingDe Technische Assistentie-regeling (TA) draagt met managementondersteunings- en scholingsprojecten bij aan Nederlandse investeringen door MKB-bedrijven in opkomende markten.
Trustfunds bij IFC en EBRDVia de EZ-trustfunds bij de International Finance Corporation (IFC) en de European Bank for Reconstruction and Development (EBRD) wordt Nederlandse technische assistentie gefinancierd ter ondersteuning van (zo mogelijk Nederlandse) investeringen en andere activiteiten van IFC en EBRD.
PUM, Studie cum stageHet bieden van assistentie en kennisoverdracht aan Midden en Oost-Europese bedrijven door uitzending van Nederlandse gepensioneerde managers en experts (Programma Uitzending Managers (PUM)), en het aanbieden van cursussen gecombineerd met een stage in Nederland aan managers uit Oost-Europa (Studie cum stage).

b) Belemmeringen op het gebied van rendement – financiële knelpunten en oneerlijke concurrentieverhoudingen:

Vele, met name opkomende, markten kenmerken zich door imperfecties ten aanzien van markttoegang, financiële infrastructuur (waardoor moeilijk of geen ondernemingsfinanciering is te krijgen) en rendementsbeperkende wet- en regelgeving. Daarnaast is op buitenlandse afzetmarkten voor het Nederlandse bedrijfsleven niet altijd sprake van een eerlijke concurrentieverhouding en /of een «level playing field». Het Nederlandse bedrijfsleven kan op deze markten geconfronteerd worden met overheidsgesteunde concurrentie.

EZ ondersteunt het bedrijfsleven op buitenlandse markten wanneer de barrières voor markttoegang op commerciële basis niet, of tegen prohibitief hoge kosten, door het bedrijfsleven kunnen worden aangepakt. Voor het handhaven van een «level playing field» ondersteunt EZ het bedrijfsleven met name in multilateraal kader (WTO/ OESO/EU). Daarbij zet EZ zich in voor verdere vergroting van discipline en regels gericht op enerzijds het verminderen van buitenlandse overheidssteun aan eigen exporteurs en, anderzijds, ter vergroting van transparantie van de toegestane overheidssteun.

EZ zet zich binnen Nederland in om het Nederlandse bedrijfsleven zoveel mogelijk dezelfde reguliere ondersteuningsmogelijkheden te bieden als concurrenten kunnen krijgen van hun overheid. Volgens de internationale regels toegestane financiële instrumenten worden hiertoe door EZ (deels samen met BuZa/OS) aangeboden aan het Nederlandse bedrijfsleven. Het instrument dat samen met BuZa/OS wordt aangeboden is ORET/MILIEV.

EZ zet voor het beperken van deze belemmeringen de volgende instrumenten in.

InstrumentOmschrijving
IFOMVoor het slechten van financiële barrières op buitenlandse markten stelt EZ de Investeringsfaciliteit Opkomende Markten (IFOM) ter beschikking van het Nederlandse bedrijfsleven, ter ondersteuning van Nederlandse investeringen in ontwikkelingslanden en opkomende markten1. Bij de IFOM staat de Nederlandse overheid borg voor de achtergestelde leningen aan joint ventures van Nederlandse bedrijven met lokale bedrijven. In 2003 zal de IFOM naar verwachting worden geïncorporeerd in de door de FMO op te zetten Faciliteit Opkomende Markten (FOM).
BSE-ROFMet de vernieuwde generieke Renteoverbruggingsfaciliteit (ROF-2002) biedt EZ exporteurs in de vorm van rentesubsidie financieringssteun aan, tot een in OESO-kader afgesproken minimumrente.

1 Er bestaat geen algemeen aanvaarde definitie van Opkomende Markten. De term doelt op de groep ontwikkelingslanden met behoorlijke groeiperspectieven. EZ rekent landen met een BBP groter dan 40 mld USD, een groei boven het OESO gemiddelde (2,8%), een aandeel in de wereldimport van tenminste 0,3% en een redelijk aandeel in de stroom buitenlandse investeringen tot de opkomende markten (zie de EZ nota «Opkomende Markten, Ontwikkelingen en Perspectieven» (verschijnt jaarlijks)).

Naast bovengenoemde instrumenten kent EZ ook de zogenaamde zware matching. Deze is in principe bedoeld om buitenlandse steun op projectbasis door EZ te matchen indien een Nederlandse exporteur kan aantonen dat hij met een concurrent wordt geconfronteerd die, buiten de spelregels van de OESO om, wordt gesteund door een buitenlandse overheid. Door een strikte naleving van internationale (OESO) regels vindt dergelijke oneerlijke concurrentie in de praktijk nog amper plaats. De enige uitzondering betreft de scheepsbouw. De Europese Commissie beziet of matching van scheepsbouwsteun is toegestaan binnen het EU kader. Een uitspraak van de Europese Commissie wordt eind 2002 / begin 2003 verwacht. Gelet op deze ontwikkelingen wordt geen budget voor zware matching gepubliceerd.

c) Belemmeringen ten aanzien van risico's:

Export naar en investeringen in bepaalde markten kunnen gepaard gaan met dusdanig grote commerciële en politieke risico's dat deze niet op de commerciële markt kunnen worden verzekerd. EZ ondersteunt het Nederlandse bedrijfsleven door het bieden van herverzekering voor commerciële en politieke risico's.

EZ bevordert het level playing field voor het Nederlandse bedrijfsleven in multilateraal kader (WTO/OESO/EU) door zich in te zetten voor verdere vergroting van discipline en regels gericht op enerzijds het verminderen van buitenlandse overheidssteun aan eigen exporteurs en, anderzijds, ter vergroting van transparantie van de toegestane overheidssteun.

EZ zet zich binnen Nederland in om het Nederlandse bedrijfsleven zoveel mogelijk dezelfde ondersteuningsmogelijkheden te bieden als concurrenten kunnen krijgen van hun overheid. Volgens de internationale regels toegestane financiële instrumenten worden hiertoe door EZ (samen met Financiën) aangeboden aan het Nederlandse bedrijfsleven. De instrumenten die samen met Financiën worden aangeboden zijn de exportkrediet-verzekeringsfaciliteit en de regeling herverzekering investeringen.

EZ zet voor het beperken van deze belemmeringen de volgende instrumenten in:

InstrumentOmschrijving
SENODe SENO-faciliteit van EZ is bedoeld om betalingsrisico's verbonden aan leveranties aan Oost-Europese dan wel Indonesische afnemers af te kunnen dekken en waarvoor geen reguliere exportkredietverzekering beschikbaar is.
GOMDe Garantiefaciliteit Opkomende Markten (GOM) van EZ biedt herverzekering aan voor het commercieel gefinancierde deel dat is verbonden aan een ORET/MILIEV-transactie en waarvoor geen reguliere exportkredietverzekering beschikbaar is.
Tabel 5.2.3: Effect-indicatoren Nederlandse participatie en presentie
IndicatorStreefwaarde
Positie van Nederland op de wereldranglijst van belangrijkste handels- en investeringsnaties1Nederland handhaaft zich als exporteur van goederen en diensten én als buitenlandse investeerder in de mondiale top-10
Toenemend aandeel van MKB bedrijven dat exporteert214% van alle MKB bedrijven in Nederland exporteert
Succesratio voorlichting en promotie (missies) 3PM (nulmeting in 2002)
Succesratio4 / export-investeringsmultiplier5 m.b.t. financieel instrumentariumPM (worden in 2002 bepaald)

1 Vergelijking NL handel- en investeringscijfers met mondiale ontwikkeling. In 2000 was Nederland mondiaal de achtste exporteur van goederen, de zevende exporteur van diensten en de vierde buitenlandse investeerder. Bron: WTO, Trade Statistics (handelscijfers); UNCTAD, World Investment Report (investeringscijfers).

2 In 2001 waren er 80 000 exporterende bedrijven in Nederland (14% van de totale Nederlandse bedrijfspopulatie). Meer dan 90% daarvan behoorde tot het MKB (bedrijven < 100 werknemers). In 2001 exporteerde 13% van alle Nederlandse MKB bedrijven (bron: EVD Business Monitor).

3 Relevante effectindicatoren hierbij zijn het bereik, de klanttevredenheid en de succesratio (zie ook paragraaf 5.6 ad. a.1)

4 Het aandeel van de projecten dat leidt tot een daadwerkelijke exportorder of investering.

5 De mate waarin een project resulteert in (vervolg)opdrachten in termen van export of investeringen.

De tweede indicator is anders geformuleerd dan in de begroting 2002. De reden hiervoor is dat het exportinstrumentarium er vooral op is gericht meer MKB bedrijven te laten exporteren (grote bedrijven exporteren meestal toch al). Uit onderzoek is gebleken dat er onder het MKB een groot onbenut exportpotentieel zit.

De wijziging heeft geen negatief effect op de continuïteit van de gegevens in het beleidsartikel, in 2002 was namelijk nog geen streefwaarde opgenomen.

5.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 5: Buitenlandse economische betrekkingen (in € mln)
 2001200220032004200520062007
Verplichtingen (totaal)290,7249,8189,8189,7189,6189,6189,6
Programma-uitgaven259,7210,7150,0149,9149,9149,9149,9
Operationeel doel 5.2.1: Europese interne markt       
– Bijdrage aan Benelux2,73,03,03,03,03,03,0
Operationeel doel 5.2.1: Multilaterale handelsinvesteringssysteem       
– Bijdragen aan diverse organisaties (o.a. WTO)4,05,13,83,83,83,83,8
Operationeel doel 5.2.3: Nederlandse presentie op buitenlandse markten       
– Exportbevordering Exportfinanciering11,154,819,919,919,919,919,9
– Exportbevordering Herverzekering135,531,822,722,722,722,722,7
– Exportbevordering – PESP11,711,111,111,111,111,111,1
– Exportbevordering – PSB7,07,32,72,72,72,72,7
– Bijdrage aan de EVD12,7      
– Instr.uitgaven EVD 2,92,92,92,92,92,9
– Exportfin ODA0,71,1     
– Invest.bevordering – TA-regeling4,011,36,86,86,86,86,8
– Investeringsbevordering Financiering5,24,54,54,54,54,54,5
– Economische samenwerking PSO53,361,960,260,160,160,160,1
– Economische samenwerking Trustfunds2,911,17,77,77,77,77,7
– Econ. samenwerking Managementondersteuning7,13,43,43,43,43,43,4
Algemeen       
– Beleidsondersteuning DG BEB1,81,41,41,41,41,41,4
        
Apparaatsuitgaven31,039,139,839,839,739,739,7
– Personeel DG BEB8,98,68,48,48,38,38,3
– Bijdrage DG BEB aan BLD EVD13,721,622,522,522,522,522,5
– Bijdrage DG BEB aan BLD Senter8,48,98,98,98,98,98,9
        
Uitgaven (totaal)245,9187,6190,5167,8169,8166,3163,7
        
Ontvangsten (totaal)7,01,81,81,81,81,81,8
– Ontvangsten EVD0,8      
– Ontvangsten kredieten en garanties4,70,70,70,70,70,70,7
– Diverse ontvangsten BEB1,51,11,11,11,11,11,1
Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 realisatie 2001raming 2002raming 2003
 gemiddelde bezettinggemiddelde prijsformatiegemiddelde prijsformatiegemiddelde prijs
DG Buitenlands Economische Betrekkingen – personeel150,459,0138,662,4138,660,8

5.4 Budgetflexibiliteit

Budgetflexibiliteit beleidsartikel 5 (in € 1 000)
 2003 2004 2005 2006 2007 
1. Totaal geraamde kasuitgaven190 469 167 844 169 830 166 304 163 700 
2. Waarvan app.uitgaven38 391 38 396 38 340 38 291 38 291 
3. Dus programma uitgaven152 078 129 448 131 490 128 013 125 409 
4. Waarvan juridisch verplicht119 83779%66 17051%39 63030%22 82018%12 84611%
5. Waarvan bijdragen aan instellingen/instituten6 7944%6 7785%6 7525%6 7525%6 7525%
6. Waarvan complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden00%00%00%00%00%
7. Waarvan beleidsmatige reserveringen25 44717%56 50044%85 10865%98 44177%105 81184%
8. Totaal152 078100%129 448100%131 490100%128 013100%125 409100%

Juridisch verplicht zijn de uitgaven (meerjarig) die horen bij alle tot en met 2002 aangegane verplichtingen. Bijdragen aan instituten omvatten de contributies aan internationale organisaties als de Benelux, de WTO, OESO en Internationale grondstoffen- en overige Internationale organisaties.

Bij de beleidsmatige reserveringen kunnen de volgende kanttekeningen worden geplaatst: het gaat om exportkredietgarantieregelingen waarvan het beroep mede afhankelijk is van het beroep op een instrument van BuZa/OS (ORET). Daarnaast zijn hiervoor meerjarig bedragen geraamd voor schades op eerder aangegane verplichtingen. Verder gaat het om een aantal al dan niet gepubliceerde subsidieregelingen en opdrachtenprogramma's. Bij één van de opdrachtenprogramma's (Programma Samenwerking Oost-Europa) is een deel van de uitgaven al door middel van Memoranda of Understanding toegezegd aan een tiental landen in Midden- en Oost-Europa. De meeste regelingen worden uitgevoerd door externe uitvoeringsorganisaties, waarbij de relatie niet zomaar door EZ kan worden opgezegd. Uit het voorgaande blijkt dat de budgetflexibiliteit bij gelijkblijvend beleid gering is.

5.5 Evaluatieplanning

Conform de Ministeriële Regeling Prestatiegegevens en Evaluatieonderzoek Rijksoverheid dienen de in de begroting opgenomen doelen periodiek (om de vijf jaar) te worden geëvalueerd. In onderstaande tabel is voor artikel 5 de programmering van evaluatieonderzoek opgenomen. Het betreft alle in 2002 afgeronde, lopende en geplande evaluaties met betrekking tot de beleidsdoelen van artikel 5 (zie ook de leeswijzer voor een algemene toelichting op het evaluatiebeleid van EZ).

Evaluatieonderzoek beleidsartikel 5 in 2002 en 2003
Operationeel doelEvaluatiemoment
5.2.1 Vervolmaken en uitbreiden Europese interne markt2007
– PSO PAloopt in 2002
  
5.2.2 Uitbreiden en versterken van multilaterale handels- en investeringssystemen2006
  
5.2.3 Nederlandse participatie en presentie2007
– PSBAfgerond in 2002
– PUMAfgerond in 2002
– TA-regeling2003
– IFOM2003

5.6 Voortgang VBTB-implementatie in 2002

Zoals aangegeven in paragraaf 5.2.1, kunnen bedrijven eventuele problemen die zij ondervinden bij het zakendoen op de Europese interne markt aanmelden bij het zogenaamde Klachtenloket. In de begroting 2002 werd gesteld dat onderzocht zou worden of het aantal en de aard van de klachten een indicatie konden zijn voor de mate waarin de Europese interne markt goed functioneert. Uit het inmiddels verrichte onderzoek is gebleken dat de respons die het Klachtenloket krijgt niet voldoende aangrijpingspunten biedt voor een (te ontwikkelen) effectindicator voor de doelstelling «vervolmaking van de Europese interne markt».

Het door de Europese Commissie gepubliceerde Scorebord van de interne markt biedt wat dit betreft wel een aangrijpingspunt, omdat daarin de uitkomst van een berekening van een «index van de interne markt» wordt gepresenteerd. Als maatstaf voor het bereiken van de doelstelling «vervolmaking van de Europese interne markt» lijkt deze op een twintigtal variabelen gebaseerde index bruikbaar. Wel moet hierbij worden aangetekend dat de index aangeeft wat de 15 EU lidstaten gezamenlijk hebben gepresteerd en niet wat Nederland op dit front heeft gepresteerd. Verder moet worden bedacht dat de Nederlandse bijdrage aan deze gezamenlijke prestatie het resultaat is van inspanningen van meerdere ministeries. EZ is er daar slechts één van. Niettemin kan worden gesteld dat de inspanningen van EZ een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan het uiteindelijke resultaat dat met behulp van de index wordt gemeten.

Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het «Klachtenloket» niet gebruikt zal worden als effectindicator voor de doelstelling «vervolmaking van de Europese interne markt». In plaats daarvan zal gebruik gemaakt worden van de index van de interne markt die eenmaal per jaar wordt berekend en gepubliceerd in het Scorebord van de interne markt van de Europese Commissie.

Ten aanzien van de doelstelling 5.2.3. «het bevorderen van een zo groot mogelijke participatie en presentie van Nederlandse bedrijven en producten op buitenlandse markten, zowel nabije als veraf gelegen» is afgelopen jaar een belangrijke slag gemaakt bij de meting van de effecten. Langs de bovengenoemde driedeling van het instrumentarium zijn / worden de onderstaande effectindicatoren ontwikkeld.

Ad a) Belemmeringen op gebied van kennis, informatie en contacten

1. Non financiële instrumenten

Voorlichting en Promotie: Zoals opgenomen in de groeiparagraaf van het beleidsartikel 5 van de begroting 2002, is in 2002 bekeken hoe de doeltreffendheid van handelsmissies en deelname aan beurzen in het buitenland gemeten kan worden. Aan de hand van de specifieke doelstellingen marktverkenning, matchmaking en het verstevigen van de positie in het buitenland zijn effectindicatoren ontwikkeld waarmee het bereik, de klanttevredenheid en de mate waarin de activiteit bijdraagt aan internationalisatie van een bedrijf gemeten wordt. Voor de informatietaak van de EVD zijn dezelfde indicatoren ontwikkeld. In 2002 zal nulmeting plaatsvinden, op grond waarvan streefwaarden ontwikkeld worden.

2. Financiële instrumenten

In 2002 is een zo eenduidig mogelijke set effectindicatoren ontwikkeld. Deze is samengesteld uit effectindicatoren die in de loop van dit jaar zijn geïmplementeerd c.q. worden beproefd bij de instrumenten PSB, PESP en PSO. Het gaat hierbij om de multiplier (spin-off gedeeld door de financiële bijdrage; zowel te bepalen direct na afloop als twee jaar na ondersteuning) en de succesratio (percentage van de ondersteuning dat daadwerkelijk tot een financieel resultaat leidt).

Ad b) Belemmeringen op het gebied van rendement – financiële knelpunten en oneerlijke concurrentieverhoudingen

BSE: Voor de door Senter uitgevoerde Matchingfonds en Renteoverbruggingsfaciliteit zijn effectindicatoren ontwikkeld. Deze betreffen de exportmultiplier en de mate waarin de instrumenten hebben bijgedragen aan de internationalisatie van de bedrijven (succesratio). In 2002 worden de effectindicatoren beproefd op praktische bruikbaarheid.

Ad c) Belemmeringen ten aanzien van risico's

SENO / GOM: Voor beide faciliteiten zijn in 2002 effectindicatoren ontwikkeld. Deze betreft vooralsnog de succesratio. In 2002 wordt deze effectindicator beproefd op praktische bruikbaarheid.

5.7 Groeiparagraaf

In aanvulling op de in paragraaf 5.2.1 voorgestelde indicatoren het volgende: In het in november 2001 door de Europese Commissie gepubliceerde Scorebord van de interne markt wordt voor het eerst een poging gedaan om de verbetering van de Europese interne markt te meten met behulp van een samengesteld indexcijfer. Deze index is in de periode 1996–2000 gestegen van 100 naar 105,1. De index is gebaseerd op een twintigtal variabelen en geeft als zodanig een redelijke indicatie van de vorderingen die zijn gemaakt met de uitvoering van de strategie voor de interne markt. Volgens de Europese Commissie is de werkelijkheid van de interne markt veel te ingewikkeld om perfect te kunnen worden samengevat in een getal, maar dat neemt niet weg dat de Commissie van oordeel is dat zo'n index iets kan zeggen over de richting waarin de ontwikkelingen gaan. Kortom, de index is vooralsnog omgeven met de nodige «mitsen» en «maren». Dat er toch een index is gepubliceerd vloeit voort uit de opvatting van de Commissie dat gedeeltelijk meten beter is dan helemaal niet meten. Zowel de index zelf als de verschillende variabelen die er aan ten grondslag liggen, zullen in de nabije toekomst, naarmate er meer en betere gegevens beschikbaar komen, worden geëvalueerd en bijgesteld. Op termijn zal in de begroting voor deze effectindicator waarschijnlijk dus wel een streefwaarde kunnen worden opgenomen.

Aangrijpingspunten voor een effectindicator voor de doelstelling «uitbreiding van de Europese interne markt» biedt het «Enlargement Strategy Paper» van de Europese Commissie. In dit document wordt verslag gedaan van de voortgang bij de toetredingsonderhandelingen met de kandidaat lidstaten. In één van de bijlagen bij dit document wordt een hoofdstuksgewijs overzicht gegeven van de stand van zaken bij de toetredingsonderhandelingen met iedere kandidaat lidstaat afzonderlijk.

Voor de meeste indicatoren, zoals genoemd in de vorige paragraaf, geldt 2002 als proefjaar. De geschikt bevonden indicatoren zullen derhalve voor het eerst in de begroting 2004 kunnen worden opgenomen.

Beleidsonderbouwend onderzoek naar in hoeverre effectindicatoren kunnen worden ontwikkeld (zoals toegezegd in de groeiparagraaf van de begroting 2002) voor de door respectievelijk FMO en VNO-NCW uitgevoerde instrumenten TA, IFOM en PUM, start in 2002. Daarnaast wordt in 2002 bezien in hoeverre bij diverse kennisinstrumenten (waaronder trustfunds) de transitiedoelstelling meetbaar kan worden gemaakt.

6 VITALE BELANGEN TEN TIJDE VAN CRISIS

 Onderdelen toelichting
 6.1Algemene doelstelling
 6.2Operationele doelstellingen
  6.2.1 Algemene crisisbeheersing
  6.2.2 Oliecrisisbeleid
 6.3Budgettaire gevolgen van beleid
 6.4Budgetflexibiliteit

6.1 Algemene beleidsdoelstelling

In geval van een omvangrijke en/of langdurige crisis waarbij één of meerdere vitale belangen in het geding komen, kan het sociaal en maatschappelijk leven ontwricht raken. De veiligheid omvat in het kader van het crisisbeheersingsbeleid vier vitale belangen, te weten: de nationale rechtsorde, de internationale rechtsorde, de openbare en de economische veiligheid. Dit laatste belang betreft de bescherming van de economie, de allocatie van schaarse middelen ten behoeve van de vitale belangen. De algemene beleidsdoelstelling van EZ inzake het crisisbeheersingsbeleid luidt:

Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van de ontwrichting van het sociaal en maatschappelijk leven door het scheppen van voorwaarden die de economische veiligheid waarborgen.

6.2 Operationele doelstellingen

EZ geeft langs twee beleidslijnen inhoud aan crisisbeheersing:

6.2.1 Algemene crisisbeheersing: het scheppen van voorwaarden voor het instandhouden van de vitale functies van het economisch proces tijdens crises.

6.2.2 Oliecrisisbeleid: het zodanig voorbereid zijn op een onderbreking in de olieaanvoer dat de nadelige gevolgen daarvan kunnen worden voorkomen of tenminste zoveel mogelijk beperkt.

6.2.1 Algemene crisisbeheersing: het scheppen van voorwaarden voor het instandhouden van de vitale functies van het economisch proces tijdens crises

Rijksbreed is het Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming vastgesteld. Dit handboek dient binnen ieder ministerie te worden geïmplementeerd. Tweejaarlijks wordt hierover een rijksbrede rapportage aan de Tweede Kamer opgesteld.

De departementale implementatie vindt plaats aan de hand van een met alle ministeries afgestemd referentiekader, bedoeld als checklist met minimumeisen voor iedere departementale crisisorganisatie (bijlage 1 van de Voortgangsrapportage crisisbeheersing door de overheid op rijksniveau 1999–2002).

Het Programma Crisisbeheersing geeft aan deze implementatie vorm onder meer door het deelnemen/organiseren van (inter)departementale oefeningen, het actueel houden van een Handboek Crisisbeheersing en het op peil houden van het crisiscentrum inclusief telecomvoorzieningen.

Tabel 6.2.1: Prestatie-indicator algemeen crisisbeleid
Prestatie-indicatorStreefwaarde
Voldoen aan de minimum-eisen voor de departementale crisisorganisatie*Een ruim voldoende audit resultaat

* Deze eisen zijn vastgelegd in bijlage 1 van de tweejaarlijkse tussenrapportage (nr PM) en middels auditing zal jaarlijks getoetst worden of hieraan wordt voldaan.

6.2.2 Oliecrisisbeleid: het zodanig voorbereid zijn op een onderbreking in de olie-aanvoer dat de nadelige gevolgen daarvan kunnen worden voorkomen of tenminste zoveel mogelijk beperkt

Een ongestoorde energievoorziening is essentieel voor een goed functioneren van de Nederlandse economie. Ongeveer eenderde van de Nederlandse energiebehoefte wordt gedekt door olieproducten. Tevens vervult de Nederlandse oliesector een essentiële rol in de olievoorziening van Noordwest-Europa.

Aanpak en instrumenten

In 2001 is door het parlement ingestemd met een voorstel tot modernisering van het Nederlandse oliecrisisbeleid (TK 99/00, 23 531). Het oliecrisisbeleid is er nu op gericht om te komen tot een eenvoudige en marktgeoriënteerde invulling van het Nederlandse pakket van maatregelen. Ook is in 2001 de Wet voorraadvorming aardolieproducten (Wva 2001) door het parlement aangenomen (Stbl. 2001, 155).

Met de hierna beschreven maatregelen en werkzaamheden wordt beoogd invulling te geven aan de internationale eisen op het gebied van de olievoorzieningszekerheid.

A Algemene maatregelen en werkzaamheden

a. Nationale crisisorganisatie: In de Internationale Energie Overeenkomst (IEP) is vastgelegd dat de IEA landen een National Emergency Sharing Organisation (NESO) opzetten. NESO is in Nederland ondergebracht bij het ministerie van EZ.

b. Participatie internationale fora: Er zijn internationaal diverse overleggroepen voor de internationale oliecrisisvoorbereiding waarin Nederland participeert (EU, IEA en Benelux). Daarnaast lopen onderhandelingen met zeven EU-lidstaten over wederzijdse erkenningsovereenkomsten voor het aanhouden van verplichte olievoorraden.

c. Energie-informatiesysteem: Om te kunnen voldoen aan de internationale verplichtingen moet het ministerie van EZ beschikken over een adequaat informatiesysteem. Dit was in 2002 operationeel.

B Maatregelen aan de aanbodzijde

De Wet voorraadvorming aardolieproducten (Wva 2001) regelt sinds 1 april 2001 de manier waarop Nederland de internationale voorraadverplichtingen invult. De voorraadverplichtingen rusten voor een deel op het oliebedrijfsleven (producenten en handelaren), maar voor het merendeel op de Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA). Artikel 8, lid 3 van de Wva spreekt van te nemen maatregelen die speculatie in olie moeten tegengaan. Dit onderwerp is door de Europese Unie in haar werkprogramma opgenomen. In 2003 wordt duidelijk of dit tot maatregelen leidt die Nederland in haar wetgeving moet opnemen. Vooralsnog is daarom afgezien van het eigenstandig ontwikkelen van regelgeving.

Nederland zet in op minimaliseren van de hoogte van de voorraadheffing (huidige waarde € 0,66 cent/liter). Daarnaast worden de uitvoeringswerkzaamheden van de bilaterale verdragen in het kader van de olievoorraadverplichtingen verricht.

Tabel 6.2.2: Prestatie-indicatoren oliecrisisbeleid
Prestatie-indicatorenStreefwaarden
AanbodzijdeOp elk moment van het jaar voldoen aan de voorraadverplichtingen zoals geregeld in de Wva 2001
OliecrisishandboekOliecrisishandboek gereed voor te nemen acties ten tijde van een crisis

In 2001 is door het parlement ingestemd met een voorstel tot modernisering van het Nederlandse oliecrisisbeleid (Kamerstukken II 1999–2000, 23 531). Het oliecrisisbeleid is nu gericht op een eenvoudige en marktgeoriënteerde invulling van het Nederlandse pakket van maatregelen. Als afsluiting van de maatregelen om tot deze modernisering te komen dient een actualisering plaats te vinden van het oliecrisishandboek van het ministerie. In het crisisdraaiboek staan alle procedures, relevante partijen en besluitvormingsstructuren beschreven die in tijden van een dreigende of daadwerkelijke oliecrisis van belang kunnen zijn. Ook bevat het handboek een beschrijving van alle mogelijke maatregelen en hoe die geactiveerd dienen te worden ten tijde van de crisis zelf. Tot welk pakket maatregelen (voorraad inzetten/of vraagbeperkende maatregelen) in een specifieke crisissituatie daadwerkelijk wordt besloten, zal afhankelijk zijn van de internationale en nationale besluitvorming in het licht van een daadwerkelijke crisissituatie.

6.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 6: Vitale belangen ten tijde van crisis (in € mln)
 2001200220032004200520062007
Verplichtingen (totaal)255,482,782,382,382,382,382,3
Programma-uitgaven255,282,582,182,182,182,182,1
Operationeel doel 6.2.1: Algemene crisisbeheersing       
– Algemene crisisbeheersing0,10,50,10,10,10,10,1
Operationeel doel 6.2.2: Oliecrisisbeheersing       
– Oliecrisisbeheersing – doorsluis COVA73,682,082,082,082,082,082,0
– Oliecrisisbeheersing – leningen181,5      
        
Apparaatsuitgaven0,20,20,20,20,20,20,2
– Personeel Energie (DG M&E)0,20,20,20,20,20,20,2
        
Uitgaven (totaal)73,982,882,382,382,382,382,3
        
Ontvangsten (totaal)73,682,082,082,082,082,082,0
– Ontvangsten doorsluis COVA73,682,082,082,082,082,082,0
Artikel 6: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 realisatie 2001raming 2002raming 2003
 gemiddelde bezettinggemiddelde prijsformatiegemiddelde prijsformatiegemiddelde prijs
DG M&E – personeel*4,055,83,962,43,960,4

* Exclusief 2 FTE's van DGO, geraamd op beleidsartikel 3.

6.4 Budgetflexibiliteit

Budgetflexibiliteit beleidsartikel 6 (in € 1 000)
 2003 2004 2005 2006 2007 
1. Totaal geraamde kasuitgaven82 325 82 293 82 325 82 325 82 325 
2. Waarvan app.uitgaven236 236 236 236 236 
3. Dus programma uitgaven82 089 82 057 82 089 82 089 82 089 
4. Waarvan complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden82 089100%82 057100%82 089100%82 089100%82 089100%
5. Totaal82 089100%82 057100%82 089100%82 089100%82 089100%

De uitgavenraming heeft nagenoeg volledig betrekking op het aanhouden van een voorraad aardolieproducten, krachtens de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001 (Wva 2001). De raming is derhalve als niet-flexibel te beschouwen.

6.5 Evaluatieplanning

Evaluatieonderzoek beleidsartikel 4
Operationeel doelEvaluatiemoment
1. Operationeel doel 6.2.12004 (tweejaarlijkse interdepartementale evaluatie)
2. Operationeel doel 6.2.22006/7
– Wet voorraadvorm. aardolieproducten2006/7

6.6 Groeiparagraaf

Voor dit artikel worden geen significante verbeteringen voorzien in het kader van het groeitraject VBTB.

7 BEHEER BODEMSCHATTEN

 Onderdelen toelichting 
 7.1Algemene doelstelling
 7.2Operationele doelstellingen
  7.2.1 Staatsbaten
  7.2.2 Mijnbouwklimaat
  7.2.3 Veiligheid, gezondheid en milieu
  7.2.4 Beheer ondergrond
 7.3Budgettaire gevolgen van beleid
 7.4Budgetflexibiliteit
 7.5Groeiparagraaf

7.1 Algemene doelstelling

Het duurzaam en verantwoord beheer van de nationale bodemschatten (olie, gas, zout) met optimale opbrengsten voor de samenleving.

7.2 Operationele doelstellingen

De algemene doelstelling valt uiteen in de volgende operationele doelstellingen:

7.2.1 Het ten behoeve van een optimale opbrengst voor de samenleving uitvoering geven aan de publiek- en privaatrechtelijke bepalingen omtrent de aan de Staat toekomende baten (niet-belastingmiddelen) uit de winning van koolwaterstoffen en zout.

7.2.2 Het zorgdragen voor een goed mijnbouwklimaat.

7.2.3 Het tegengaan van nadelige gevolgen van de exploratie en exploitatie van bodemschatten voor veiligheid, gezondheid en milieu.

7.2.4 Het zorgdragen voor een zorgvuldig beheer van de ondergrond.

7.2.1 Het ten behoeve van een optimale opbrengst voor de samenleving uitvoering geven aan de publiek- en privaatrechtelijke bepalingen omtrent de aan de Staat toekomende baten (niet-belastingmiddelen) uit de winning van koolwaterstoffen en zout

a) Koolwaterstoffen (aardgas): Bij de winning van koolwaterstoffen gaat het in het bijzonder om de winning van aardgas. De belangrijkste (maar niet de enige) manier waarop de samenleving profiteert van de nationale bodemschatten is het meedelen in de opbrengst van de winning. Kerngedachte is dat de Staat niet bereid is de bodemschatten over te dragen aan derden met het oog op winning zonder daarvoor een optimale vergoeding te verkrijgen. Het beleid met betrekking tot de afdrachten staat beschreven bij operationele doelstelling 7.2.2 inzake het mijnbouwklimaat.

De ontwerp-Mijnbouwwet is op 9 april 2002 aanvaard door de Tweede Kamer en op dezelfde dag ingediend bij de Eerste Kamer. Behandeling door de Eerste Kamer wordt verwacht in het najaar van 2002. Bij inwerkingtreding, beoogd is 1 januari 2003, zal de verantwoordelijkheid voor de vaststelling en invordering van op grond van de Mijnbouwwet verschuldigde afdrachten overgaan naar deRijksbelastingdienst. Samen met het gelijktrekken van de grondslagen voor de vennootschapsbelasting en het winstaandeel betekent dit een administratieve lastenverlichting voor zowel overheid als bedrijfsleven. De verantwoordelijkheid voor het beleid ter zake blijft berusten bij de Minister van EZ.

De hoogte van de aardgasbaten is géén beleidsdoel. Voor de hoogte van deze aardgasbaten is dan ook geen prestatie-indicator in de begroting opgenomen. Wél is in de onderstaande tabel aangegeven wat de bepalende factoren voor het ramen van de aardgasbaten zijn en welke kengetallen daarvoor in de begroting worden gehanteerd. De bepalende factoren zijn de geproduceerde hoeveelheid m3 aardgas, de prijs van aardolie (in dollars) en koers van de euro ten opzichte van de dollar.

Kengetallen aardgasraming
 200220032004200520062007
Hoeveelheidgegevens      
Productie in mrd m3747269707376
Prijsgegevens      
Euro/dollarkoers ($/€)0,941,001,001,001,001,00
Olieprijs ($/vat)24,024,523,023,023,023,0

De aardgasbaten worden gevormd door opbrengsten uit de Meeropbrengstregeling (MOR) Groningen, de participaties die de Staat via Energiebeheer Nederland B.V. (EBN) houdt, opbrengsten vanwege de mijnbouwwetgeving en het dividend van de N.V. Nederlandse Gasunie. Conform de instellingswet van het Fonds economische structuurversterking (Fes) (Kamerstukken II 1992–1993, 23 002, nrs. 1–2) komt 41,5% van de jaarlijkse gasbaten ten gunste van de begroting van dit fonds. De bijdrage aan het Fes (2003: € 1 528 mln) wordt hier verwerkt als een minpost van het totaal van de gasbaten niet-belastingmiddelen.

Eind 2001 heeft de Staat de certificaten die DSM N.V. hield in EBN gekocht (zie Kamerstukken II, 2001–2002, 28 109, nr. 1). De Staat heeft daarom nu recht op de volledige winst van EBN, dus inclusief het dividend van jaarlijks ca. € 65 mln dat voorheen naar DSM ging. Deze volledige winst is opgenomen onder de aardgasbaten. Het dividend van jaarlijks circa € 65 mln wordt echter buiten de bepaling van de Fes-afdracht gehouden.

De Staat voert met Shell en ExxonMobil besprekingen over de herstructurering van het Gasgebouw in verband met gevolgen van de verdere ontwikkeling en regulering van de interne gasmarkt en de positie voor Gasunie daarbij. Op 19 november 2001 en 8 april 2002 zijn brieven aan het parlement gestuurd (Kamerstukken II 2001–2002, 28 109, nrs. 1 en 2) waarin de regering haar voornemens en visie op de herstructurering van het gasgebouw heeft kenbaar gemaakt, onder meer op de splitsing van handel en transport. De brief van 19 november 2001 is door de Tweede Kamer behandeld waarbij bleek dat de Tweede Kamer het voornemen tot aanpassing onderschreef alsmede de publieke uitgangspunten en criteria daarbij. De op 9 april 2002 met algemene stemmen aangenomen motie-Blaauw (Kamerstukken II 2001–2002, 26 219, nr. 81) spreekt onder meer uit dat de verdere ontwikkeling en regulering van de interne gasmarkt grote gevolgen zal hebben voor de positie van de handels- en transportactiviteiten van Gasunie en verzoekt daarom de regering dringend bij de gesprekken met de partners in het Gasgebouw over de herstructurering ervoor zorg te dragen dat de publieke belangen (met name van kleine velden) gewaarborgd zullen blijven. De gesprekken worden in dit licht voortgezet. Er wordt van uitgegaan dat een akkoord uiterlijk eind 2002 wenselijk en mogelijk is en dat implementatie kort daarna plaats zal vinden. In dat verband zullen nieuwe overeenkomsten, aanpassingen van bestaande overeenkomsten en aanpassingen van bestaande wetgeving (met name Gaswet en Mijnbouwwet) aan de orde zijn.

b) Zout: Op grond van een overeenkomst van 13 juli 1918 (laatstelijk gewijzigd per machtiging bij wet van 7 juli 1988, Stb. 372), behorende bij de mijnbouwconcessies voor de winning van zout, draagt Akzo Nobel Salt B.V. jaarlijks een bedrag aan de Staat af.

7.2.2 Het zorgdragen voor een goed mijnbouwklimaat

De Staat schept met wet- en regelgeving de kaders waarbinnen exploratie en exploitatie van onze nationale bodemschatten doelmatig, zorgvuldig en verantwoord kan plaatsvinden. Die wet- en regelgeving moet een bijdrage leveren aan een goed mijnbouwklimaat. Kerngedachte daarbij is dat de waarde van de bodemschatten voor de samenleving pas tot uitdrukking kan komen als mijnbouwondernemingen daadwerkelijk tot opsporing en winning overgaan.

Een goed mijnbouwklimaat vereist beleid met betrekking tot het depletietempo en de kleine velden, de financiële aspecten rond mijnbouw en de monitoring van mijnbouwactiviteiten. Hieronder wordt op deze onderdelen nader ingegaan.

a) Depletiebeleid en kleineveldenbeleid: Uitgangspunt van het depletiebeleid is dat alle economisch winbare voorkomens, ook de kleinere, daadwerkelijk tot ontwikkeling gebracht moeten kunnen worden, voor zover dit kan gebeuren zonder schade toe te brengen aan het milieu. Het is ongewenst dat winbaar gas ongebruikt in de bodem achterblijft. Het winnen van gas is van belang voor de betrokken sector en de economie, voor de gasvoorziening en de voorzieningszekerheid, voor de aanzienlijke gasbaten voor de samenleving én voor het milieu, want er is geen schonere fossiele energie denkbaar dan verantwoord gewonnen gas. Om dit te bereiken is in de nieuwe Mijnbouwwet het instrument van het winningsplan geïntroduceerd, waarmee onder andere bereikt kan worden dat geen winbaar gas achterblijft in een veld waarvoor een winningsvergunning is aangevraagd. Voor de kleinere gasvelden geldt dat de kans op rendabele ontwikkeling de komende jaren nog relatief gunstig is, zolang de fysieke infrastructuur met name in de vorm van buisleidingen op het continentaal plat nog beschikbaar is én zolang het Groningenveld nog voldoende flexibiliteit heeft om de inpassing van het kleineveldengas te accommoderen. Voor kleine velden geldt «nu of nooit». Het kleineveldenbeleid is vastgelegd in de Gaswet. Voortzetting van het kleineveldenbeleid is een belangrijk aandachtspunt bij de herziening van het gasgebouw. In de brief van 8 april 2002 (Kamerstukken II 2001–2002, 28 109, nr. 2) is aangegeven dat het kleineveldenbeleid intact blijft en dat beoogd wordt de uitvoering van het kleineveldenbeleid en de rol die het Groningenveld daarbij vervult te leggen bij de Maatschap Groningen. Ook in het Strategisch Akkoord wordt voortzetting van kleine veldenbeleid als belangrijk gezien als bijdrage aan de welvaart en de overgang naar een duurzame energiehuishouding. Voor het eind van 2002 brengt de minister van EZ een gasnota uit waarin nader op het kleine velden beleid en nut en noodzaak van boren in gevoelige gebieden wordt ingegaan.

b) Financieel beleid: Uitgangspunt van het financiële beleid is dat de samenleving moet delen in de opbrengsten van de winning. Bij de uitwerking daarvan moet uiteraard zorgvuldig rekening worden gehouden met de eisen die een goed mijnbouwklimaat stelt. Als het afdrachtenstelsel mijnbouwondernemingen zou doen afzien van concrete activiteiten is de samenleving daar immers niet mee gebaat. Met de nieuwe Mijnbouwwet zijn de al eerder ingevoerde verbeteringen in het afdrachtenstelsel wettelijk vastgelegd (Kamerstukken II 1999–2000, 26 219, nr. 11).

c) Monitoring: Het jaarboek Olie en Gas geeft jaarlijks een verslag van de mijnbouw-activiteiten. Artikel 58 van de Gaswet kende de verplichting tweejaarlijks een rapportage uit te brengen. Het artikel is niet in werking getreden, met name omdat het niet mogelijk bleek vanwege commerciële gevoeligheid de in het artikel genoemde gegevens te verstrekken. Wel is aan de Tweede Kamer gelijktijdig met het Energierapport 2002 de rapportage Aardgasstromen in Nederland, prognose voor de periode 2002 tot 2011 (Niet-dossierstuk Tweede Kamer, 2001–2002, ez02000 146) gestuurd. Deze rapportage bevat een groot deel van de rapportage die met artikel 58 werd beoogd. Bij de behandeling van de ontwerp-Mijnbouwwet is een periodieke rapportage aan de orde geweest. Dit heeft via een amendement geleid tot het opnemen van artikel 102a in de Mijnbouwwet, dat voorziet in een tweejaarlijkse rapportage. Tegelijkertijd werd artikel 58 van de Gaswet geschrapt.

7.2.3 Het tegengaan van nadelige gevolgen van de exploratie en exploitatie van bodemschatten voor veiligheid, gezondheid en milieu

Bij de uitoefening van mijnbouwactiviteiten zetten zowel de overheid als mijnbouwondernemingen zich ervoor in om onveilige situaties bij mijnbouwactiviteiten en schade aan het milieu te voorkomen. Naast het stellen van regels en het maken van afspraken, onder andere in het milieuconvenant olie- en gasindustrie, vindt er toezicht op de naleving plaats.

Het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) houdt toezicht op het verrichten van verkenningsonderzoeken en op het opsporen en het winnen van delfstoffen. Het gaat daarbij om aardgas, aardolie en zout in Nederland en het Nederlandse deel van het continentaal plat. Daarnaast geeft SodM adequate advisering en deskundige inbreng bij maatschappelijke discussies.

SodM heeft in februari 2002 zijn meerjarenstrategie uitgebracht onder de titel Strategisch beleid 2002–2007 (Niet-dossierstuk Tweede Kamer, 2001–2002, ez02000 108). Hierin wordt een groot aantal kritische succesfactoren voor het functioneren van SodM weergegeven, voorzien van prestatienormen en streefcijfers. SodM zal de waarde van de prestatienormen en de eventuele afwijking ten opzichte van het bijbehorende streefcijfer jaarlijks aan de Kamer rapporteren. De belangrijkste van dezeprestatienormen, de nalevingsnorm, wordt hier als prestatie-indicator voor SodM overgenomen.

Tabel 7.2.3: Prestatie-indicator Staatstoezicht op de Mijnen
IndicatorStreefwaarde
Percentage rapporten waarin overtredingen zijn geconstateerdmax. 2%

7.2.4 Het zorgdragen voor een zorgvuldig beheer van de ondergrond

De overheid wil situaties waarbij ondoelmatig wordt gewonnen of anderszins het belang van een planmatig beheer van de ondergrond wordt geschaad, en het ontstaan en de gevolgen van schade door bodembewegingen als gevolg van delfstoffenwinning, zoveel mogelijk beperken. Bij het nemen van beslissingen laat zij zich bijstaan, informeren en adviseren door onafhankelijke deskundigen.

a) Mijnraad: De Mijnraad is de adviseur voor opsporing en winning van delfstoffen. De leden geven de Minister van EZ een onafhankelijk oordeel over mijnbouwaangelegenheden op grond van hun specifieke deskundigheid.

b) Technische commissie bodembeweging (Tcbb): De onafhankelijke Technische Commissie Bodembeweging (Tcbb) geeft de Minister van EZ advies over de nadelige gevolgen van bodembewegingen als gevolg van delfstoffenwinning. Op grond van de taakuitbreiding van de Tcbb, die is opgenomen in paragraaf 2 van het Instellingsbesluit Technische commissie bodembeweging en de artikelen 99a t/m 99d van de ontwerp-Mijnbouwwet, kan ook degene die zaakschade heeft geleden bij de commissie aankloppen met de vraag of zijn schade veroorzaakt is door mijnbouwactiviteiten. De Tcbb kan dan op basis van eigen onafhankelijk onderzoek aangeven of dat inderdaad het geval is en hoe hoog het schadebedrag is. Het advies van de Tcbb is niet juridisch bindend, maar de verwachting bestaat dat partijen op grond van dit onafhankelijke advies tot een schikking zullen komen.

c) Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen (NITG-TNO): Het NITG-TNO heeft op grond van een overeenkomst met de Minister van EZ van 1997 een taak inzake het verwerven, kwaliteitsborgen, verwerken, interpreteren en beschikbaar stellen van gegevens inzake de ondergrond. Verder adviseert NITG-TNO het ministerie van EZ inzake mijnwettelijke taken. De uitvoering in het kader van deze taak vindt plaats in het DINO-programma (Data en Informatie Nederlandse Ondergrond), dat op de begroting van het ministerie van OCW is opgenomen onder de TNO-financiering en via een groot aantal afzonderlijke opdrachten, waarvoor hier de uitgaven zijn begroot.

d) Bijdragen aan de mijnindustrie: De bijdragen aan de mijnindustrie betreffen oude verplichtingen die voortvloeien uit het beheer van de drie mijnschadestichtingen.

7.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 7: Beheer bodemschatten (in € mln)
 2001200220032004200520062007
Verplichtingen (totaal)1 325,629,57,57,47,47,47,5
Programma-uitgaven1 320,524,52,52,52,52,52,6
Operationeel doel 7.2.1: Staatsbaten       
– Dividenduitkering aandelen EBN74,822,0     
– Aankoop certificaten EBN1 243,3      
Operationeel doel 7.2.4: Beheer ondergrond       
– Beheer mijnschadestichtingen0,00,10,10,10,10,10,1
– Opdrachten en onderzoek Bodembeheer2,42,42,42,42,42,42,5
        
Apparaatsuitgaven5,15,05,04,94,94,94,9
– Personeel Energie (DG M&E)1,11,21,21,21,11,11,1
– Apparaatsuitgaven SodM4,03,83,83,73,83,83,8
        
Uitgaven (totaal)1 324,131,07,57,47,47,47,5
        
Ontvangsten (totaal)2 364,72 382,42 223,41 900,41 695,41 812,41 958,4
– Aardgasbaten3 911,54 000,03 750,03 200,02 850,03 050,03 300,0
– Bijdrage aan het Fes– 1 623,3– 1 641,0– 1 528,0– 1 301,0– 1 156,0– 1 239,0– 1 343,0
– Dividend EBN/Aardgas BV74,822,0     
– Ontvangsten zoutwinning1,71,41,41,41,41,41,4
Artikel 7: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 Realisatie 2001Raming 2002Raming 2003
 Gemiddelde bezettingGemiddelde prijsFormatieGemiddelde prijsFormatieGemiddelde prijs
DG M&E – personeel20,255,819,562,319,559,5
SodM – personeel46,659,346,064,346,063,6
SodM – materieel46,626,746,019,946,019,2

Fiscale maatregelen

In het Belastingplan 2003 is aangekondigd dat de fiscale faciliteit ter stimulering van opsporings- en winningsactiviteiten op het Nederlands deel van het continentaal plat Willekeurige afschrijving continentaal plat (Aanwijzigingsregeling willekeurige afschrijving continentaal plat, Stcrt. 1995, 123) wordt beëindigd per 1 januari 2003.

7.4 Budgetflexibiliteit

Budgetflexibiliteit beleidsartikel 7 (in € 1 000)
 2003 2004 2005 2006 2007 
1. Totaal geraamde kasuitgaven7 452 7 423 7 391 7 361 7 456 
2. Waarvan app.uitgaven4 971 4 942 4 910 4 880 4 880 
3. Dus programma uitgaven2 481 2 481 2 481 2 481 2 576 
4. Waarvan juridisch verplicht00%00%00%00%0%0%
5. Waarvan bijdragen aan Instellingen/instituten914%914%914%914%914%
6. Waarvan complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden00%00%00%00%00%
7. Waarvan beleidsmatige reserveringen2 39096%2 39096%2 39096%2 39096%2 48596%
8. Totaal2 481100%2 481100%2 481100%2 481100%2 576100%

De uitgaven van dit artikel bestaan voor circa tweederde uit apparaatsuitgaven voor het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) en kernministerie en bijdragen ten behoeve van opdrachten en onderzoek. De opdracht gelden zijn met name bestemd voor advisering van EZ inzake mijnwettelijke taken door het NITG-TNO. De apparaatsuitgaven en de opdrachtgelden zijn in bestuurlijk opzicht slechts in beperkte mate flexibel.

7.5 Evaluatieplanning

Evaluatieonderzoek beleidsartikel 7
Operationeel doelEvaluatiemoment
1. Operationeel doel 7.2.1Geen evaluatie gepland
2. Operationeel doel 7.2.22006/7
– Mijnbouwwet2006/7
3. Operationeel doel 7.2.32006/7
– Mijnbouwwet2006/7
4. Operationeel doel 7.2.42006/7
– Mijnbouwwet2006/7

7.6 Groeiparagraaf

Voor de operationele doelstelling Het zorgdragen voor een goed mijnbouwklimaat is de afgelopen jaren nog geen prestatie-indicator ontwikkeld. Het mijnbouwklimaat zou immers in belangrijke mate worden bepaald door de financiële randvoorwaarden, die nog moesten worden vastgelegd in een nieuwe Mijnbouwwet. Nu deze wet is aangenomen door het parlement en de financiële randvoorwaarden daarmee vastliggen, kan een prestatie-indicator worden ontwikkeld. Volgende EZ-begrotingen zullen een tweetal indicatoren gaan bevatten: één indicator zal het daadwerkelijke volume aan mijnbouw-activiteiten weergeven. Deze indicator alleen zou echter geen goede weergave zijn van het mijnbouwklimaat: het daadwerkelijke volume aan mijnbouwactiviteiten hangt immers ook af van factoren als de energieprijs, het succes van eerdere opsporings- en winningsactiviteiten etc. Daarom zal een tweede indicator worden toegevoegd, een internationale benchmark die weergeeft in hoeverre Nederland, met de financiële randvoorwaarden in de Mijnbouwwet, aantrekkelijk is voor het uitvoeren van mijnbouw-activiteiten in vergelijking met de ons omringende landen. Deze benchmark zal, afhankelijk van de dynamiek van de markt en de beleidsontwikkeling in andere landen voor wat betreft financiële en milieurandvoorwaarden, eens in de 3 à 5 jaar worden uitgevoerd.

8 ECONOMISCHE ANALYSES EN PROGNOSES

8.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het bevorderen van een samenhangend economisch beleid van het kabinet door het maken van onafhankelijke analyses en prognoses.

8.2 Operationele doelstelling

Om invulling te geven aan de hierboven geformuleerde algemene doelstelling is het Centraal Planbureau (CPB) opgericht. De algemene beleidsdoelstelling wordt door het CPB als volgt geoperationaliseerd: «Het maken van onafhankelijke economische analyses en prognoses die wetenschappelijk verantwoord en up-to-date zijn en die relevant zijn voor het beleid van de regering, het parlement en andere maatschappelijke organisaties, zoals politieke partijen en bedrijfsleven.» In onderstaand overzicht is dit vertaald in doelstellingen en daaraan verbonden streefwaarden en prestatie-indicatoren.

Tabel 8.2a: Overzicht prestatiegegevens
DoelstellingPrestatie-indicatorNorm
1. Een goede beoordeling van de kwaliteit van het CPB1.a Evaluatie kwalitatief functioneren CPB door een visitatiecommissie1.a Elke 5 à 6 jaar onderzoek door (internationale) visitatiecommissie. De eerstkomende visitatie vindt plaats in 2002/2003
 1.b Evaluatie kwalitatief functioneren CPB door een toetsgroep van beleidsmakers1.b Elke 5 à 6 jaar onderzoek door toetsgroep van beleidsmakers. De eerstkomende visitatie vindt naar verwachting plaats in 2007/2008
   
2. Een goede beoordeling van CPB-producten2.a Projectevaluatie van elk project > 3 maanden2.a. Oordeel goed, evenwicht tussen inzet en resultaat
 2.b Aantallen publicaties die aan wetenschappelijke standaarden voldoen2.b 10 Discussion papers en 9 artikelen in wetenschappelijke publicaties
   
3. Zowel specifieke klanten als het brede publiek bedienen met voor hen relevante ramingen en analyses3.a Mate van tevredenheid van CPC en CEC over het CPB-werkplan en de CPB-jaarrapportage3.a Goedkeuring werkplan en jaarrapportage op hoofdlijnen door CPC en CEC
 3.b Percentage persberichten bij CPB-publicaties3.b Persberichten bij 90% van de CPB-publicaties
 3.c Aandacht in de landelijke pers n.a.v. CPB-persberichten3.c Artikelen in tenminste twee landelijke dagbladen bij tenminste 75% van de CPB-persberichten
 3.d Aandacht in de landelijke pers3.d Tenminste 1x per maand expertrol van CPB terugzien in publiciteit
 3.e Leesbaarheid van publicaties en persberichten voor klanten d.m.v. onderzoek onder journalisten3.e Oordeel goed
 3.f Jaarlijkse groei aantal bezoekers Internetsite3.f Minimaal gelijk aan jaarlijkse groei Internetgebruik in Nederland

1 Centrale Plancommissie en Centraal Economische Commissie.

Ook laat de taak van het CPB zich vertalen naar de volgende activiteiten met de daaraan gekoppelde inzet van fte's, aantallen en daarmee gemoeide apparaatskosten.

Tabel 8.2b: Overzicht activiteiten (apparaatskosten x € 1 000)
 realisatie 2001raming 2002raming 2003
Activiteiten   
1. Centraal Economisch Plan (aantal)111
– apparaatskosten829809780
– aantal FTE's10,39,59,5
2. Macro Economische verkenning (aantal)111
– apparaatskosten539460492
– aantal FTE's6,75,46,0
3. CPB Report (aantal)444
– apparaatskosten217213222
– aantal FTE's2,72,52,7
4. Onderzoeksprojecten (aantal)363035
– apparaatskosten4 7593 4054 843
– aantal FTE's59,140,059,0
5. Aanvullende projecten (aantal)231215
– apparaatskosten1 7241 0001 326
– aantal FTE's17,017,017,0
6. Notities i.h.k.v. beleidsondersteuning (aantal)785075
– apparaatskosten507766739
– aantal FTE's6,39,09,0
7. Overige publicaties   
• CPB documents (aantal)161510
• Discussion papers (aantal)31810
• Speciale publicaties (aantal)655
• Wetenschappelijke artikelen (aantal)899
– apparaatskosten4 2216 0604 084
– aantal FTE's52,472,252,4
    
Totaal   
– apparaatskosten12 79612 71312 488*
– aantal FTE's154,5155,6155,6*

* rekening is gehouden met de aanvullende projecten (projecten in opdracht van andere ministeries).

Het kengetal Discussion papers (17) is verlaagd van 18 naar 10, omdat in de praktijk is gebleken dat het opstellen en doorlopen van het wetenschappelijke referee traject voor 18 van dergelijke publicaties een te zware belasting vormt voor de organisatie binnen de beschikbare capaciteit.

8.3 Budgettaire gevolgen van het beleid

Artikel 8: Economische analyses en prognoses (bedragen in € mln)
 2001200220032004200520062007
Verplichtingen (totaal)12,812,711,211,211,111,011,0
Apparaatsuitgaven CPB12,812,711,211,211,111,011,0
        
Uitgaven (totaal)12,812,911,211,211,111,011,0
        
Ontvangsten (totaal)1,61,30,00,00,00,00,0

De daling van de uitgaven en inkomsten met ingang van 2003 wordt verklaard doordat de (nog niet bekende) aanvullende projecten niet worden geraamd.

Artikel 8: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 realisatie 2001raming 2002raming 2003
 gemiddelde bezettinggemiddelde prijsformatiegemiddelde prijsformatie*gemiddelde prijs
CPB – personeel154,564,1155,665,4138,664,9
CPB – materieel154,518,7155,616,4138,615,7

* excl. personeel werkzaam voor aanvullende projecten.

De materiële kosten per FTE waren in 2001 hoger dan in 2002 doordat de kosten voor extra opdrachten relatief meer toenamen dan de personele bezetting.

8.4 Budgetflexibiliteit

De raming bestaat uitsluitend uit apparaatsuitgaven van het CPB. Deze uitgaven zijn in bestuurlijk opzicht slechts in zeer beperkte mate flexibel.

8.5 Groeiparagraaf

Met betrekking tot de formulering van doelstellingen en prestatiegegevens worden geen specifieke ontwikkelingen voorzien.

9 VOORZIEN IN MAATSCHAPPELIJKE BEHOEFTE AAN STATISTIEKEN

9.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is verantwoordelijk voor de statistische beschrijving van relevante maatschappelijke ontwikkelingen in Nederland. De taak van het CBS is vastgelegd als «het verrichten van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap en het openbaar maken van de op grond van zodanig onderzoek samengestelde statistieken» (CBS/CCS-wet, art. 3).

9.2 Operationele doelstellingen

Voor de middellange termijn heeft het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) de ambitie om zijn rol als nationaal statistisch bureau te versterken door beter in te spelen op de vraag naar statistische informatie. Vanwege het toenemende belang van internationaal vergelijkbare statistieken, wil het CBS ook zijn internationale positie versterken. Om deze ambities te verwezenlijken, is een aantal concrete doelen geformuleerd. Deze doelen zijn opgenomen in de strategienota «Statistieken die tellen». Het gaat om de volgende doelen:

A. Op het gebied van statistiekproductie

1. Verbetering kwaliteit statistische processen;

2. Verbetering gebruik statistische informatie output;

3. Vermindering enquêtedruk.

B. Op het gebied van informatie ontwikkeling:

1. Verbetering servicegraad departementen, onder andere door een centrum voor Beleidsstatistieken.

C. Op het gebied van ICT en methodologie

1. Verbetering van de positionering op het gebied van informatievoorziening ten opzichte van andere statistiekbureaus.

De externe doelen zijn in tabel 9.2 geoperationaliseerd.

Bij de realisatie van deze doelstellingen gelden onder meer de volgende randvoorwaarden:

• Het CBS dient kosteloze toegang te krijgen tot bestaande registraties;

• Het toenemend gebruik van registraties, het onderling koppelen daarvan en de combinatie met enquêtegegevens stellen hoge eisen aan de privacybescherming.

In 2000 is bij het CBS een grootschalige reorganisatie doorgevoerd. De structuur van de organisatie is aangepast aan de nieuwe productieprocessen. Daarmee zijn de voorwaarden gecreëerd voor een aanzienlijke verbetering van de effectiviteit en de efficiency. De uiteindelijk te bereiken efficiencywinst, die leidt tot een structurele reductie van de kosten met € 11 mln op jaarbasis, zal eind 2003 worden gerealiseerd.

In de zomer van 2000 heeft het kabinet een standpunt ingenomen over het rapport naar aanleiding van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek bij het CBS. Belangrijke elementen uit dit standpunt zijn:

• Het CBS zal rechtspersoon en Zelfstandig Bestuursorgaan (ZBO) worden.

• Het CBS zal onder het baten-lastenstelsel gaan werken.

• De Centrale Commissie voor de Statistiek (CCS) zal ook een toezichtfunctie krijgen ten aanzien van de efficiëntie en effectiviteit van de statistieken.

• Het CBS zal kosteloos toegang krijgen tot registraties.

• Het CBS zal beter betrokken worden bij de communautaire besluitvorming.

De wetgeving om een en ander te realiseren is inmiddels bij de Tweede Kamer ingediend. In de raming voor 2003 is voorzien in structurele uitbreiding voor het CBS om aan de vele communautaire verplichtingen te kunnen voldoen.

Tabel 9.2: Overzicht prestatiegegevens
DoelstellingIndicatorStreefwaarde
a.1 Verbetering kwaliteit statistische processen  
a.1.1 Ontwikkeling databestanden als SSB en ESB1Toename statistische dataGroei
a.2 Verbetering gebruik statistische informatie output  
a.2.1 Alle gepubliceerde reguliere CBS-gegevens op InternetVulling StatLine database op InternetIeder jaar 100%
a.2.2 Groeiend gebruik CBS informatie op InternetGebruik StatLine database op Internet20% groei per jaar
a.2.3 Maximaal gebruik CBS persberichtenLandelijke overname persberichten>= 75% dekking
a.2.4 Effectief wetenschappelijk gebruik microdataOordeel NWO evaluatiecommissieVoldoende
a.3 Vermindering enquêtedruk  
a.3.1 Groei gebruik informatie uit registraties bij statistiekproductie% statistieken gebaseerd op registraties.Groei
a.3.2 Beperking enquêtedruk bedrijfslevenCBS Enquêtedrukmeter<= 60% nivo 1993
b.1 Verbetering servicegraad departementen, w.o. door centrum beleidsstatistieken  
b.1.1 Verbeteren van servicegraad departementenOpleveren van resultaten door centrum voor beleidsstatistiekenGroei
c.1 Verbetering van positionering  
c.1.1 Versterken van positie als kennisinstituutVolledig uitvoeren van strategisch onderzoek en samenwerking met andere wetenschappelijke en kennisinstellingenUitvoering programma

1Sociaal statistisch bestand (SSB) en economisch statistisch bestand (ESB).

9.3 Budgettaire gevolgen voor het beleid

Artikel 9: Voorzien in maatschappelijke behoefte aan statistieken (bedragen in € mln)
 2001200220032004200520062007
Verplichtingen (totaal)168,6172,4170,1157,8156,2155,0155,0
Apparaatsuitgaven CBS168,6172,4170,1157,8156,2155,0155,0
        
Uitgaven (totaal)168,6172,4170,1157,8156,2155,0155,0
        
Ontvangsten (totaal)12,810,510,510,510,510,510,5
Artikel 9: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 realisatie 2001raming 2002raming 2003
 gemiddelde bezettinggemiddelde prijs*formatiegemiddelde prijs*formatiegemiddelde prijs*
CBS-personeel2 266,953,02 279,056,22 279,055,7
CBS-materieel2 266,917,42 279,015,32 279,014,5

* Exclusief reorganisatiekosten.

De materiële kosten per FTE waren in 2001 hoger dan in andere jaren door onder meer: extra kosten vanwege een groter aantal opdrachten, incidentele huisvestingskosten, de invoering van de Euro en een lagere bezetting.

9.4 Budgetflexibiliteit

De raming bestaat uitsluitend uit apparaatsuitgaven van het CBS. Deze uitgaven zijn in bestuurlijk opzicht slechts in zeer beperkte mate flexibel.

9.5 Groeiparagraaf

Het primaire produktieproces van statistieken is niet in de operationele doelstellingen opgenomen. In het kader van het ZBO-traject worden thans voor de verschillende besturingsniveaus geëigende aansturingsgrootheden geoperationaliseerd alsmede kengetallen die daarmee samenhangen. Het jaar 2003 wordt een proefjaar, vooruitlopend op de ZBO-status. Eveneens wordt het kwaliteitsbeleid vorm gegeven in een te ontwikkelen kwaliteitsplan. Eisen met betrekking tot nauwkeurigheid, betrouwbaarheid en tijdigheid van statistieken zullen daarin een plaats krijgen.

10 EFFECTIEVE TELECOMMUNICATIE- EN POSTMARKT

   
 10.1Algemene doelstelling
 10.2Operationele doelstellingen
  10.2.1 Infrastructuur en diensten
  10.2.2 Waarborgen publieke belangen
  10.2.3 Optimale marktcondities
  10.2.4 Telematica
 10.3Beleidsinstrumenten
 10.4Budgettaire gevolgen van beleid
 10.5Budgetflexibiliteit
 10.6Evaluatieplanning
 10.7Groeiparagraaf

10.1 Algemene beleidsdoelstelling

EZ schept de voorwaarden voor hoogwaardige informatie- en communicatie netwerken en wil op deze wijze bereiken dat het aanbod van voorzieningen ten behoeve van telecommunicatie, telematica en post blijvend tegemoet komt aan de vraag van burgers, bedrijven en overheden en dat onze concurrentiepositie internationaal wordt bestendigd.

De primaire zorg voor de ontwikkeling, het onderhouden en exploiteren van de communicatienetwerken is een marktaangelegenheid. Met het bieden van randvoorwaarden in termen van beleidskaders, regulering en stimulering zorgt EZ voor ordening en richting. EZ heeft hier derhalve een systeemverantwoordelijkheid.

De aanbieders van ICT- en postvoorzieningen zijn primair verantwoordelijk voor investeringen en aanleg van de nodige infrastructuur. Verondersteld is, dat bevordering van concurrentie en het stimuleren van innovatie leidt tot een tijdig aanbod van voldoende hoogwaardige voorzieningen. Tevens is verondersteld dat zonder de voorgenomen beleidsinspanning hiervan geen of onvoldoende sprake zal zijn.

Effectbereik van de operationele doelstellingen is in sterke mate afhankelijk van de economische ontwikkeling; alsmede van het gedrag van aanbieders en afnemers van de voorzieningen.

10.2 Operationele doelstellingen

Om nader invulling te geven aan de hierboven geformuleerde algemene beleidsdoelstelling onderscheidt EZ vier operationele doelstellingen:

10.2.1 Infrastructuur en diensten: het zorgen voor zodanige randvoorwaarden dat een aanbod van eerste klas infrastructuur en diensten op het gebied van informatie en communicatie tot stand kan komen.

10.2.2 Waarborgen publieke belangen: het zorgen voor zodanige randvoorwaarden dat publieke belangen, die verbonden zijn met de toegang tot, het gebruik en de inpassing van informatie- en communicatievoorzieningen zijn behartigd.

10.2.3 Optimale marktcondities: het zorgen voor zodanige randvoorwaarden dat de markt zich zo gunstig mogelijk kan ontwikkelen.

10.2.4 Telematica: het zorgen voor zodanige randvoorwaarden dat effectief gebruik kan worden gemaakt van informatie- en communicatie-infrastructuur en -diensten.

10.2.1 Infrastructuur en diensten: het zorgen voor zodanige randvoorwaarden dat een aanbod van eerste klas infrastructuur en diensten op het gebied van informatie en communicatie tot stand kan komen

Het gaat hier om:

– een effectief en efficiënt beheer van de frequentieruimte ondermeer met behulp van een frequentieplan en door de uitgifte van vergunningen;

– het vaststellen van open technische standaarden;

– het creëren van een permanente experimenteeromgeving gericht op innovatie;

– een (in een Europese context) passend wettelijk kader.

EZ schept zodanige randvoorwaarden dat dienstenaanbieders en overheden de frequentieruimte goed kunnen benutten voor vitale overheidstaken en het leveren van door burgers en bedrijven gewenste diensten. Zodat aanbieders de komende tien jaar voor een geleidelijke uitrol van breedbandvoorzieningen (first mile) naar burgers en bedrijven zorgdragen, dat bedrijven en overheidsinstellingen de komende jaren experimenteren met infrastructurele voorzieningen (zowel vast, mobiel als fixed wireless) alsmede met diensten ten behoeve van burgers en bedrijven in Kenniswijk.

Tabel 10.2.1: Prestatie-indicator Infrastructuur en diensten
Prestatie-indicatorStreefwaarde
Aantal alternatieve infrastructuren en de ontwikkeling daarvanExacte streefwaarde is nog niet bekend, maar wordt gerelateerd aan het toenemend gebruik van nieuwe technologische voorzieningen en netwerkgebonden diensten.

Ten opzichte van de begroting 2002 zijn de prestatie-indicatoren op het gebied van betrouwbaarheid en aansluitingen/gebruik vervallen. Onderzocht wordt of betere prestatie-indicatoren kunnen worden ontwikkeld.

Penetratie van verschillende infrastructuren en randapparatuur in Nederland
Afgerond, x1000199920002001
Totaal PSTN7 5007 1006 700
Totaal ISDN1 9002 7003 200
ADSL10–15145
Mobiele telefoons6 90010 00012 234
KabelaansluitingenA6 1206 2006 160
PC (particulier en zakelijk)5 7006 3006 900
Internetaansluitingen (particulier en zakelijk)3 0005 0009 183
Satelietontvangers320330418

Bron: TNO-STB.

A 1999 en 2000 op basis van Vecai, 2001 op basis van TNO-STB (2002a).

10.2.2 Waarborgen publieke belangen: het zorgen voor zodanige randvoorwaarden dat publieke belangen die verbonden zijn met de toegang tot, het gebruik en de inpassing van informatie- en communicatievoorzieningen zijn behartigd

Voor EZ betekent dit het volgende:

– EZ wil bereiken dat burgers en bedrijven vertrouwen hebben in de veiligheid, privacy, consumentenbescherming en goede inpassing van infrastructuur en dat ze kunnen rekenen op goede toegankelijkheid, betaalbaarheid (universele dienst) en betrouwbaarheid van de voorzieningen. Daartoe zorgt EZ voor passende regelgeving, overlegplatforms met maatschappelijke organisaties, convenanten met andere overheden, kennisdiffusie en vergroting van de bewustwording ten aanzien van onveiligheid en experimenten gericht op de burger.

– Vitale communicatiediensten voor burgers en bedrijven dienen breed beschikbaar te zijn en door hen betrouwbaar gevonden te worden in het gebruik.

– EZ wil de burger in staat stellen zelf verantwoordelijkheid te nemen bij het gebruik van communicatienetwerken en -diensten, waaronder het kunnen aanspreken van aanbieders. De overheid moet zorgen voor randvoorwaarden die de vitale belangen van de samenleving waarborgen bij het gebruik van communicatienetwerken en -diensten.

– Bij de aanleg van voorzieningen wil EZ bereiken dat enerzijds de belangen van aanleggers van telecommunicatienetwerken en anderzijds belangen op onder meer het gebied van planologie, milieu, (verkeers)veiligheid en openbare orde met elkaar in evenwicht zijn. De aftapbaarheid van telecommunicatienetwerken en -diensten ten behoeve van de opsporing en staatsveiligheid dient gewaarborgd te worden, omdat hiermee misdrijven tegen mens of staat opgelost kunnen worden.

– Het aanbod van nummers en domeinnamen moet in balans zijn met de behoefte van burgers en bedrijven. Grootschalige omnummering zal vermeden worden.

– EZ stelt tenslotte minimumeisen met betrekking tot een bepaald pakket aan voorzieningen en diensten, zowel in de telecomsector als in de postsector. Dit pakket is en blijft overal in het land voor eenieder tegen betaalbare en uniforme tarieven bereikbaar.

Tabel 10.2.2: Prestatie-indicatoren Waarborgen publieke belangen
Prestatie-indicatorenStreefwaarden
Aantal postkantoren per 100 000 inwoners en per 1000 km2Aantal brievenbussen per 10 000 inwoners en per 100 km2Exacte streefwaarde is nog niet bekend, maar wordt gerelateerd aan het voldoen aan de universele dienst verplichting.

Ten opzichte van de begroting 2002 zijn de prestatie-indicatoren op het gebied van tariefontwikkeling en betrouwbaarheid vervallen. Onderzocht wordt of betere prestatie-indicatoren kunnen worden ontwikkeld.

Nederland heeft per 100 000 inwoners minder postkantoren dan de diverse Europese landen. Door de hogere bevolkingsdichtheid kunnen evenwel meer inwoners door één postkantoor worden bediend.

Aantal postkantorenkst-28600-XIII-2-4.gif

Internationale vergelijking: gemiddelde verzorgingsgebied per postkantoor.

Bron: Europese Commissie (2001e).

Het aantal brievenbussen per 10 000 inwoners is in Nederland het laagst van de genoemde landen. Dit hangt samen met de hoge bevolkingsdichtheid van Nederland. Per 100 km2 zit Nederland namelijk in de hoge regionen.

Aantal brievenbussenkst-28600-XIII-2-5.gif

Internationale vergelijking: gemiddelde aantal brievenbussen per 10 000 inwoners en 100 km2.

Bron: Europese Commissie (2001e).

10.2.3 Optimale marktcondities: het zorgen voor zodanige randvoorwaarden dat de markt zich zo gunstig mogelijk kan ontwikkelen.

EZ wil bereiken dat de markt voor informatie- en communicatienetwerkvoorzieningen zich zo ontwikkelt dat consumenten en bedrijven een zo groot mogelijke keuzevrijheid hebben ten aanzien van aanbieders, alsmede dat er een veelzijdig aanbod is tegen een redelijke prijs-kwaliteitverhouding. Voorts is het streven van EZ dat zich vergelijkbare marktcondities voordoen in andere landen, in het bijzonder binnen de Europese Unie.

Tabel 10.2.3: Prestatie-indicatoren Optimale marktcondities
Prestatie-indicatorenStreefwaarden
Ontwikkeling vaste en mobiele aansluitingenOntwikkeling marktaandeel vaste telefonie-dienstenExacte streefwaarde is nog niet bekend maar wordt gerelateerd aan de continuïteit van het aantal partijen op de markt voor vaste- en mobiele telefonie.

Ten opzichte van de begroting 2002 zijn de prestatie-indicatoren op het gebied van marktaandelen van KPN op deelmarkten en marktaandelen van aanbieders van internet vervallen.

Ontwikkeling marktaandelen mobiele telefoniekst-28600-XIII-2-6.gif

Bron: TNO-STB, op basis van bedrijfsinformatie.

Gebruik vaste telefoniediensten door consumenten, 2e en 4e kwartaal 2000, 2e kwartaal 2001 kst-28600-XIII-2-7.gif

Bron: NTM (2001).

10.2.4 Telematica: het zorgen voor zodanige randvoorwaarden dat effectief gebruik kan worden gemaakt van informatie- en communicatie infrastructuur en diensten.

EZ wil bereiken dat burgers en bedrijven op het gebied van verkeer en vervoer de vele mogelijkheden van communicatie-infrastructuren en informatiediensten gebruiken voor hun vervoerskeuzen en voor een betere benutting van fysieke infrastructuren. Bezien zal worden op welk moment deze gerichte inspanning op het gebied van verkeer en vervoer kan worden geïncorporeerd in een meer generieke benadering.

10.3 Beleidsinstrumenten

Om genoemde doelen te bereiken worden de volgende beleidsinstrumenten gehanteerd:

Beleidsvoorbereiding en -ontwikkeling

Beleidskaders vaststellen is van belang om marktpartijen die primair verantwoordelijk zijn voor infrastructuur en diensten richting te geven. Ter voorbereiding van deze beleidskaders wordt ex-ante onderzoek verricht. Daarnaast wordt onderzoek verricht naar de beleidseffecten van de bestaande kaders op de markt en op de consument. Op het gebied van frequentiebeleid zijn inspanningen gericht op een doelmatiger gebruik van de ether, op het uitgeven van AM- en FM-frequenties volgens de nieuwe (Zero Base) planningstechnieken, op aandacht voor toegangsnetwerken (waaronder de uitgifte van vergunningen WLL) en op de digitalisering van de ether.

In de periode tussen 2003 en 2007 zal de aandacht ook zijn gericht op de World Radio Conference 2003 (WRC 2003) en de voorbereiding van de WRC 2006, de aanpassingen van het Nationaal Frequentie Plan, de flexibilisering van allocatie-, verdelings- en herverdelingsprincipes (waaronder de mogelijkheden van verhandelbaarheid), en op de ontwikkelingen van nieuwe technieken (mn digitalisering en Ultra Wide Band) en de inpassing ervan in het Nederlandse beleid. Concrete randvoorwaarden waar EZ voor zorgt zijn:

– Een tijdige door de belangrijkste gebruikers van het frequentiespectrum gedragen instructie voor de Nederlandse delegatie in de World Radio Conference in 2003 ten behoeve van wereldwijde afspraken over het toekomstig gebruik van het frequentiespectrum.

– Uitbreiding van de mogelijkheid vergunningen te verhandelen.

– Inzicht in de mogelijkheden van spectrumpricing.

– Digitalisering van het gebruik van het frequentiespectrum, waar dit leidt tot een efficiënter gebruik van het spectrum, bijvoorbeeld voor omroep.

– Ruimte in het spectrum voor het gebruik van Ultra Wide Band in 2003.

Andere prioriteiten betreffen het verbeteren van de samenhang tussen de verschillende netwerken en het formuleren van een maatschappelijk breed gedragen Breedbandvisie en -strategie.

Verder zorgt EZ voor:

– Een effectief Nationaal Nummeroverleg en een nummerplan voor telefonie dat tegemoet komt aan de vraag naar schaarstegevoelige nummers met name in de geografische netnummergebieden, alsmede nummers voor mobiele telefonie en de korte informatienummers. In 2003 zijn hiervoor overgangsplannen voorzien.

– Een algemeen kader van regels wordt gegeven voor een domeinnaam-register in de Telecommunicatiewet. Een internationaal geharmoniseerde implementatie vindt plaats (ENUM) in het Nederlandse domein ter ondersteuning van de convergentie bij telefoonnummers en internet domeinnamen.

Uitvoering wordt gegeven aan de nota Kwetsbaarheid op Internet (KWINT), waarmee het overkoepelend beleidskader is vastgesteld op het terrein van internetveiligheid. EZ zal in nauwe samenwerking met marktpartijen onder andere zorgen voor inzicht in de kwaliteit van de dienstverlening via het internet door eenduidige en uniforme indicatoren en een meetmethodiek, alsmede voor bewustwording van de internetgebruiker in de mogelijke risico's van internet en het vermogen hiernaar te handelen.

Tenslotte wordt onderzoek verricht naar de betekenis en mogelijkheden van communicatie-infrastructuren en telematicadiensten ten behoeve van betere vervoerskeuzen en een betere en slimmere benutting van fysieke infrastructuren.

Demonstraties en pilots

Ruimte creëren en onderhouden voor experimenten en deze zonodig bekostigen draagt bij aan een gunstig en innovatief klimaat waarin marktpartijen hun rol moeten spelen. Dit draagt ook bij aan het zekerstellen van publieke belangen. In een vorm van publiek-private samenwerking zal de Kenniswijk nader gestalte krijgen in de periode 2003–2007. EZ neemt mede namens een zestal andere departementen deel in de algemene aandeelhoudersvergadering, ondersteunt financieel de BV Kenniswijk en geeft uitvoering aan een tweetal subsidieregelingen voor de experimenteeromgeving. Concreet streeft EZ naar een tweehonderdtal diensten in het regionaal midden- en kleinbedrijf, een tweehonderd en vijftig innovatieve breedbanddiensten en circa 15 000 breedbandaansluitingen per ultimo 2005. Samen met andere departementen zijn Breedband pilots gestimuleerd. De resultaten zullen de komende jaren in beleid worden vertaald. Tevens zullen deze worden betrokken in de voor 2004 geplande tussentijdse evaluatie.

Actuele en klantspecifieke informatiediensten zijn in toenemende mate van belang voor een goede afwikkeling van het verkeer en vervoer.

Om mobilisten goede informatie over verkeer en vervoer te kunnen geven (o.a. verkeersinformatie, aansluiting openbaar vervoer, parkeren) wordt een programma vormgegeven om te bevorderen dat in 1 of 2 stedelijke agglomeraties, een dergelijk dienstenpakket via een ICT-infrastructuur wordt gerealiseerd. De ervaring die daarmee wordt opgedaan wordt gebruikt om op termijn door te kunnen groeien naar een aantrekkelijk pakket informatiediensten voor verkeer en vervoer op landelijke schaal. Hierbij is ook een belangrijke rol voor de private sector weggelegd.

Tevens wordt het benutten van kansrijke nieuwe technieken en nieuwe netwerken gestimuleerd in de vorm van experimenten. Het gaat bijvoorbeeld om de inzet van Location Based Services en Cell Broadcast ten behoeve van informatiediensten (o.a. noodberichten, verkeersinformatie) op basis van de mogelijkheden van mobiele telecommunicatie (GSM, GPRS, UMTS).

Communicatie en draagvlak

Internationale onderhandelingen zijn nodig om de nationale belangen in de internationale beleidsvorming en -besluitvorming te verzekeren. Op tal van manieren wordt vorm en inhoud gegeven aan de makelaars- en onderhandelaarsrol. In samenhang met de totstandkoming van een Computer Emergency Response Team voor de Rijksoverheid (CERT-RO) zal een waarschuwingsdienst met betrekking tot verstoringen en aanvallen op internet voor burgers en bedrijfsleven, met name het middenen kleinbedrijf, worden opgezet. De bewustwordings- en voorlichtingsinspanningen ten aanzien van veilig Internet zullen worden gecontinueerd.

EZ zorgt voor kennisoverdracht over het graafregiem met betrekking tot de aanleg van vaste communicatie-infrastructuur (kabels) aan gemeenten.

Financiële stimulering/bijdragen

Stimuleringskaders vaststellen en stimuleringsprojecten definiëren en deze zonodig bekostigen draagt bij aan het slechten van barrières in de markt om tot vernieuwing te komen. Hierbij gaat het in 2003 om de volgende projecten en bijdragen:

– De inspanningen om te komen tot een netwerk van wetenschappers met kennis van de technologische en economische aspecten van telecommunicatie en een passend onderzoeksprogramma hebben geleid tot de reservering van een budget van € 4 miljoen voor de komende 4 jaar uit middelen van het NAP (Nationaal Actieprogramma Elektronische Snelweg).

– De jaarlijkse bijdrage aan de OPTA (Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit) dient ter financiering van de activiteiten voor bezwaar en beroep en voor advisering van de Minister van EZ. De bijdrage aan het agentschap Inspectie Telecom dient ter financiering van de kosten van strafrechtelijke repressieve handhaving en van bezwaar en beroep.

– De bijdragen aan internationale organisaties betreffen met name de jaarlijkse contributies aan de International Telecommunication Union (ITU), de Universal Postal Union (UPU), de Conférence Eurpéenne des Administrations des Postes et des Telecommunications (CEPT) en het European Telecommunications Standard Institute (ETSI). Naast de contributies zijn er diverse uitgaven verbonden aan het lidmaatschap van de internationale organisaties.

– In 2001 is een startsubsidie verleend ten behoeve van de kerktelefonie. De subsidie richt zich op de ontwikkeling van systemen en randapparatuur, gericht op het bieden van alternatieven voor de kerktelefoon. De subsidie is verleend voor een periode van 4 jaar.

– Subsidieregelingen ten behoeve van Kenniswijk BV, de ontwikkeling van diensten en breedbandinfrastructuur met financiële gevolgen voor de begroting van 2003 zijn in 2002 tot stand gekomen.

– De beleidsregel SEC (Stimulering Elektronische Communicatie) is in 2002 omgezet in een subsidieregeling met een beslag op de middelen van het NAP.

Wet- en regelgeving.

Zolang geen sprake is van een geheel liberale, open markt zonder monopolies zal er behoefte zijn aan sectorspecifieke regelgeving. EZ zorgt voor het van toepassing zijn van de Europese Communicatieregels (ONP-review) in de Telecommunicatiewet, uiterlijk 25 juli 2003. Hierdoor zullen de sectorspecifieke mededingingsregels meer in lijn zijn met de algemene mededingingsregels en een meer technologieonafhankelijke strekking krijgen. De werkingssfeer van de wet zal hierdoor worden verbreed naar de communicatiemarkt. Na implementatie van de wijzigingen in de wet zal in de komende jaren ook de lagere regelgeving dienen te worden aangepast. In lijn met een nauwere aansluiting tussen algemene mededingingsregels en sectorspecifieke regels wordt OPTA als aparte Kamer onder gebracht bij de NMa.

Vooruitlopend op de implementatie van de nieuwe Europese Communicatie richtlijnen is reeds een voorstel voor wijziging van de Telecommunicatiewet aan de Tweede Kamer gestuurd met betrekking tot verbetering van de regulering van de toegang tot kabelnetwerken. De voorgestelde aanpak komt overeen met de aanpak volgens de nieuwe richtlijnen. Dat betekent dat de toezichthouder op basis van een marktanalyse moet vaststellen of een van de marktpartijen aanmerkelijke marktmacht heeft op de relevante markt en, zo ja, welke verplichtingen in dat geval passend zijn. Deze wijziging is met name van belang voor toegang van aanbieders van radio- en tv programma's en voor aanbieders van internet. Tevens wordt geregeld dat OPTA, vooruitlopend op de implementatie van de nieuwe richtlijnen, reeds kan starten met het uitvoeren van de nodige marktanalyses, zodat OPTA na implementatie sneller de noodzakelijke maatregelen kan treffen.

Op de agenda staat voorts het voornemen om NOZEMA te verzelfstandigen, de flexibilisering van de telecommunicatiewet om bij de verdeling van schaarse frequenties beter aan te sluiten bij snelle veranderingen in de markt en de herziening van de postale regelgeving met het oog op de voorziene nadere liberalisering. Aanpassing van de regelgeving voor graafrechten vindt plaats voor wat betreft door partijen gedragen regels omtrent verantwoordelijkheden en bevoegdheden en een geschillenregeling.

Convenanten en afspraken

Beheer van kennis, kennisinfrastructuur en zonodig gedeeltelijke bekostiging daarvan zijn in het belang van de ontwikkeling naar een sterke marktsector die in belangrijke mate in staat is de gewenste produkten te leveren. Het Rijk heeft met de grotere telecommunicatieaanbieders een overeenkomst afgesloten over continuïteitsplanning en crisismanagement onder de naam NACOTEL. Hierin zijn afspraken gemaakt over hoe telecommunicatiediensten ongestoord kunnen blijven functioneren en hoe een storing zo snel mogelijk verholpen kan worden. De afspraken ten aanzien van een landelijk dekkend stel continuïteitsplannen zullen de komende periode worden geïmplementeerd.

Beleidsevaluaties

In paragraaf 10.6 is de planning van beleidsevaluaties opgenomen.

10.4 Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 10: Effectieve telecommunicatie- en postmarkt (in € mln)
 2001200220032004200520062007
Verplichtingen (totaal)  34,632,031,530,621,4
Programma-uitgaven  19,117,017,016,87,5
Operationeel doel 10.2.1: Infrastructuur en diensten       
– Bijdragen internationale organisaties  0,20,20,20,20,2
– Kenniswijk  9.19,19,19,1 
Operationeel doel 10.2.2: Waarborgen publieke belangen       
– Subsidie kerktelefonie       
Operationeel doel 10.2.3: Optimale marktcondities       
– Bijdrage aan OPTA  1,51,51,51,51,5
Deel HGIS  2,02,02,02,02,0
– Bijdragen aan internationale organisaties  2,02,02,02,02,0
Algemeen       
– Beleidsvoorbereiding en evaluaties  6,24,14,13,93,8
        
Apparaatsuitgaven  15,515,014,513,813,8
– Personeel DG Telecommunicatie en Post  12,211,811,310,610,6
– Bijdrage DG Telecommunicatie en Post aan agentschap Telecom  3,33,23,23,23,2
        
Uitgaven (totaal)  34,632,031,530,621,4
        
Ontvangsten (totaal)  140,192,592,191,882,7
– Ontvangsten personeel en materieel  0,40,40.40,40,4
– Ontvangsten agentschap Telecom  0,60,60,3  
– Ontvangsten FES  9,19,19,19,1 
– Ontvangsten OPTA  0,20,20,20,20,2
– Ontvangsten KPN en TPG  129,882,182,182,182,1

De ontvangsten KPN en TPG hebben betrekking op de ontvangsten die voortvloeien uit het aandeelhouderschap.

Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 realisatie 2001raming 2002raming 2003
 gemiddelde bezettinggemiddelde prijsformatiegemiddelde prijsformatiegemiddelde prijs
DG Telecommunicatie en Post13857,512061,611461,0

De raming voor 2003 heeft een voorlopig karakter aangezien over de exacte omvang en het budget van het personeel dat naar EZ overgaat, nog overleg plaatsvindt met het Ministerie van V&W.

10.5 Budgetflexibiliteit

Budgetflexibiliteit beleidsartikel 10 (in € 1 000)
 2003 2004 2005 2006 2007 
1. Totaal geraamde kasuitgaven34 643 32017 31 468 30 589 21 352 
2. Waarvan app.uitgaven15 467 14 974 14 471 13 835 13 835 
3. Dus programma uitgaven19 167 17 043 16 997 16 754 7 642 
4. Waarvan juridisch verplicht5 15227%1 5449%1 5139%1 4939%1 49320%
5. Waarvan bijdragen aan instellingen/instituten          
6. Waarvan complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden10 26753%11 94670%11 94570%11 64569%2 26430%
7. Waarvan beleidsmatige reserveringen3 74820%3 55321%3 53921%3 61622%3 88550%
8. Totaal19 167100%17 043100%16 997100%16 754100%7 642100%

Toelichting bij juridische verplichtingen

In de regel «juridisch verplicht» zijn de overlopende verplichtingen opgenomen en de bijdrage aan OPTA. EZ is verplicht om de kosten van bezwaar en beroep en de kosten van advisering van de minister te financieren. Deze kosten mogen niet aan de marktpartijen worden doorberekend.

Toelichting bij complementaire uitgaven/bestuurlijk gebonden uitgaven

In de regel «complementaire/bestuurlijk gebonden uitgaven zijn de kosten van het lidmaatschap van diverse internationale organisaties opgenomen. Hiernaast zijn de kosten opgenomen van het project Kenniswijk, dat in een PPS-constructie wordt uitgevoerd.

Toelichting bij beleidsmatige reserveringen

In de regel «beleidsmatige reserveringen» zijn de uitgaven voor de waarschuwingsfunctie op het gebied van internetveiligheid opgenomen.

10.6 Evaluatieplanning

Evaluatieonderzoek beleidsartikel 10
Operationeel doelEvaluatiemoment
10.2.1 Infrastructuur en diensten 
– Nummerbeleidloopt in 2002
– Frequentiebeleid2003
  
10.2.2 Waarborgen publieke belangen 
– Aftapbeleid2003
– TTP-beleid2003
– Continuïteitsbeleid2003
  
10.2.3 Optimale marktcondities 
– Tariefbeheersingssysteem Postloopt in 2002

Vooralsnog is geen evaluatie per operationeel doel gepland. Zie hiervoor ook paragraaf 10.7.

De belangrijkste doelstellingen van het nummerbeleid zijn het voorkomen van schaarste, de beschikbaarheid van adequate nummers en het voorkomen van grootschalige omnummeringen. Ten aanzien van deze doelstellingen is de voorlopige conclusie van de in 2002 opgestarte evaluatie dat het nummerbeleid effectief is geweest. De studie zal nog worden afgerond en worden vertaald naar het huidige beleid.

In de evaluatie van het frequentiebeleid wordt bekeken of de doelstelling van een doelmatig frequentiegebruik in de praktijk ook tot stand komt. Hiertoe worden indicatoren en meetmethoden ontwikkeld, die ook na de evaluatie jaarlijks geactualiseerd kunnen worden.

De evaluatie aftapbeleid heeft betrekking op de vormgeving en uitvoering van het aftapbeleid, waarover in de Telecommunicatiewet regels zijn gesteld. Het onderzoek zal zich richten op de effectiviteit van het beleid in de praktijk en nagaan in hoeverre het beleid effectief is vertaald naar wet-en regelgeving.

De evaluatie van het TTP-beleid (Trusted Third Parties) beoogt na te gaan in welke mate een betrouwbare dienstverlening tot stand is gekomen, wat dit betekent voor de betrouwbaarheid van elektronische communicatie en of dit handvaten oplevert voor eventuele aanpassing van beleid.

De evaluatie van het Nationaal Continuiteitsplan Telecommunicatie heeft tot doel om na te gaan in hoeverre de met de deelnemende telecommunicatie-aanbieders gemaakte afspraken over de ontwikkeling en implementatie van continuïteitsmaatregelen tot uitvoering zijn gebracht.

Postale diensten die tot de zogenaamde universele dienst behoren zijn onderworpen aan een tariefbeheersingssyteem. In essentie houdt dit in dat de stijging van de tarieven van deze diensten gekoppeld zijn aan de gemiddelde loonsomindex van TPG. In 2002 zal worden geëvalueerd of dit systeem voldoende garandeerd geeft dat de consument geen te hoge prijzen voor de postale dienstverlening – met name voor de monopoliediensten – betaalt en anderzijds TPG voldoende ruimte geeft voor het behalen voor een redelijk rendement op haar diensten.

De ontwikkelingen in de telecommunicatie- en postsector worden in opdracht van EZ in beginsel door TNO-STB gevolgd. Op basis van circa 90 indicatoren wordt het beleid gemonitord en jaarlijks gepubliceerd in«Netwerken in Cijfers». De in deze begroting opgenomen indicatoren geven vervolgens de belangrijkste ontwikkelingen aan. Tevens worden, conform de toezegging in de kabinetsnota's «De Digitale Delta» en «Netwerken in de Delta», periodiek benchmarkstudies verricht naar de stand van zaken van onze telecominfrastructuur en -diensten. De laatste benchmarkstudie wordt in de tweede helft van 2002 afgerond. De daaruit voortvloeiende inzichten worden tevens gebruikt om de ontwikkelingen in de sector te blijven volgen en waar zinvol het beleid aan te scherpen.

10.7 Groeiparagraaf

In deze ontwerp-begroting zijn alle toezeggingen uit de vorige groeiparagraaf uitgewerkt.

De overgang van het Directoraat Generaal Telecommunicatie en Post van V&W naar EZ kan mogelijk van invloed zijn op dit beleidsartikel in de komende jaren.

De opgenomen prestatie-indicatoren bij dit beleidsartikel zijn ten opzichte van de begroting 2002 gewijzigd. Tevens is een operationele doelstelling toegevoegd. Deze wijzigingen komen voort uit de wens om het VBTB-gehalte van het beleidsartikel verder te verbeteren. Onderzocht wordt welke verdere verbetermogelijkheden bestaan, zoals het beschrijven van de maatschappelijke betekenis van het gevoerde beleid. Hiervoor worden nieuwe prestatie-indicatoren ontwikkeld, die naar verwachting in de begroting 2004 kunnen worden opgenomen.

Bijvoorbeeld:

– Om de doelmatigheid van het beheer en het gebruik van het frequentiespectrum te meten zal een aantal indicatoren worden ontwikkeld. Prestatie-indicatoren waaraan wordt gedacht zijn de mate van digitalisering en ruimte voor het gebruik van Ultra Wide Band.

– Om inzicht te krijgen in de kwaliteit en de veiligheid van de dienstverlening via internet zullen eveneens indicatoren en meetinstrumenten worden ontwikkeld. Prestatie indicatoren waaraan wordt gedacht zijn het aantal continuïteitsplannen, het aantal hits op internetpagina «surf op safe» en het aantal diensten verleend door CERT.

– Voor het voorkomen van schaarste aan nummers wordt tenslotte gedacht aan een indicator die per bestemming in een nummerplan het aantal uitgegeven nummers relateert aan het totaal aantal beschikbare nummers.

Daarnaast wordt onderzocht of voor de vervallen prestatie-indicatoren op de gebieden van betrouwbaarheid & aansluitingen/gebruik en tariefontwikkeling & betrouwbaarheid, nieuwe indicatoren ontwikkeld kunnen worden.

Tenslotte zullen in de begroting 2004 evaluaties op het niveau van de operationele doelstelling worden opgenomen en wordt een koppeling gelegd tussen doelstellingen en beleidsinstrumenten.

2.3 DE NIET-BELEIDSARTIKELEN

21 ALGEMEEN

Op dit niet-beleidsartikel worden de apparaatsuitgaven geraamd die niet zijn toegerekend aan de beleidsartikelen. Het betreft de personele en materiële uitgaven van de stafdiensten (inclusief algemene leiding), de centrale personeelsuitgaven en de facilitaire overhead van het kernministerie. Naar hun aard hebben deze uitgaven een slechts indirecte relatie met de activiteiten en uitgaven zoals geraamd op de beleidsartikelen. Om deze reden wordt de voorkeur gegeven aan raming op dit niet-beleidsartikel. Niet minder belangrijk is dat daarmee de aansluiting wordt behouden met de interne sturing en beheersing van deze uitgaven.

In onderstaande tabel volgt een opsomming.

Budgettair overzicht

Artikel 21: Algemeen (bedragen in € mln)
 2001200220032004200520062007
Verplichtingen (totaal)93,691,188,793,487,888,791,0
Personeel Algemeen       
– Personeel stafdiensten26,028,730,029,729,329,029,0
– Centraal personeelsbudget11,410,910,212,210,010,012,2
– Personeel Buitenland2,52,52,52,52,52,52,5
– Wachtgeld1,61,71,91,91,91,91,9
– Post actief personeel2,82,72,62,52,22,22,2
– Personeel adviescolleges 0,10,10,10,10,10,1
– Afwikkeling oude verplichtingen 0,10,10,10,10,10,1
        
Materieel Algemeen       
– ICT15,210,28,810,18,29,310,9
– Materieel diversen1,62,51,01,31,01,31,0
– Voorlichting7,63,53,42,92,82,83,1
– Materieel kernministerie (incl. huisvesting)24,928,226,527,627,227,025,5
– Huisvesting (t.b.v. investeringen)  1,62,52,52,52,5
        
Uitgaven (totaal)93,4102,789,893,587,988,691,1
        
Ontvangsten (totaal)4,69,55,15,96,67,47,4
– Diverse ontvangsten algemeen4,65,94,55,05,45,95,9
– Afdracht Senter 3,60,60,91,21,51,5
Artikel 21: Gegevens inzake formatie en gemiddelde prijs (bedragen in € 1 000)
 realisatie 2001raming 2002raming 2003
 gemiddelde bezettinggemiddelde prijsformatiegemiddelde prijsformatiegemiddelde prijs
Stafdiensten – personeel1507,753,9568,453,2568,452,8
Kerndepartement – materieel 2, 31 304,837,81 334,033,31 334,030,9

1 Algemene Leiding, AEP, AD, FEZ, IZ, DC, BSG, WJZ, POI, Herijkingsdienst.

2 Stafdirecties én DG I, M&E, BEB en O.

3 Betreft materiële uitgaven die betrekking hebben op kerndepartement: ICT, materieel diversen, voorlichting, materieel kerndepartement.

22 NOMINAAL EN ONVOORZIEN

Op dit niet-beleidsartikel zijn reserveringen opgenomen voor de volgende typen uitgaven:

• Loonbijstelling;

• Prijsbijstelling;

• Onvoorzien;

• Nog te verdelen posten.

De loonbijstelling en prijsbijstelling betreffen middelen die meestal bij Voorjaarsnota worden toegedeeld aan de EZ-begroting voor de jaarlijkse ophoging van alle loongevoelige en prijsgevoelige budgetten op de EZ-begroting. De loonbijstelling en prijsbijstelling worden vervolgens verdeeld binnen de EZ-begroting. Tezamen dienen loonbijstelling en prijsbijstelling ter compensatie van de uitholling van de reële EZ-uitgaven door inflatie.

De post onvoorzien wordt aangehouden voor relatief bescheiden onvoorziene uitgaven die niet elders op de EZ-begroting kunnen of mogen worden ingepast.

De nog te verdelen posten betreffen (positieve of negatieve) reeksen die reeds aan de EZ-begroting zijn toegevoegd, maar waarvan nog niet duidelijk is op welke beleidsartikelen zij uiteindelijk zullen worden verwerkt. In dit geval gaat het om het restant van de taakstellingen uit het Strategisch Akkoord voor subsidies en apparaat dat nog niet is ingevuld en dat bij Nota van Wijziging over de beleidsartikelen zal worden verdeeld.

Budgettair overzicht

Artikel 22: Nominaal en onvoorzien (in € mln)
 2001200220032004200520062007
Verplichtingen (totaal) 9,1– 92,9– 72,1– 79,3– 72,8– 73,3
– Loonbijstelling 5,24,83,63,32,72,5
– Prijsbijstelling 3,44,24,16,87,67,6
– Budget onvoorzien 0,50,50,50,50,50,5
– Nog te verdelen posten 0,0– 102,4– 80,3– 89,9– 83,6– 83,9
        
Uitgaven (totaal) 9,1– 44,8– 71,5– 95,9– 106,3– 94,9

23 AFWIKKELING OUDE VERPLICHTINGEN

Op dit niet-beleidsartikel wordt de uitfinanciering geraamd van met name in het verleden aangegane verplichtingen betreffende NedCar, de regeling Bedrijfsbeëindigingshulp en de garantieregeling Particuliere Participatiemaatschappijen.

NedCar

Na het tekenen van de overeenkomsten tussen Volvo, NedCar en de Staat bestaat de financiële relatie met NedCar nog uit de volgende twee elementen (in de ontvangstenraming):

• Terugbetaling door NedCar van de in het verleden verstrekte renteloze lening.

• Het recht van de Staat op betalingen uit hoofde van de verkoop van onderdelen voor de Volvo-400-serie door Volvo tot en met 2016.

Regeling Bedrijfsbeëindigingshulp

Met de inwerkingtreding van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) per 1 juli 1987, is de regeling Bedrijfsbeëindigingshulp (BBH) gesloten voor nieuwe toetreders. Derhalve is sprake van bestandsafbouw, waardoor de raming een trendmatige daling vertoont.

Garantieregeling Particuliere Participatiemaatschappijen

Op dit onderdeel vinden alleen nog betalingen en ontvangsten plaats voortvloeiende uit verleende garanties uit hoofde van het Besluit Garantieregeling Particuliere Participatiemaatschappijen (PPM) (Stb. 1994, 318). De regeling is met ingang van 1996 beëindigd.

Budgettair overzicht

Artikel 23: Afwikkeling oude verplichtingen (in € mln)
 2001200220032004200520062007
Verplichtingen (totaal)8,54,94,94,64,23,83,8
– Afwikkeling overeenkomst inzake Nedcar3,5      
– Afwikkeling BBH-regeling5,04,94,94,64,23,83,8
        
Uitgaven (totaal)68,25,75,44,84,23,83,8
        
Ontvangsten (totaal)66,978,9119,870,25,13,63,6
– Ontvangsten NedCar66,878,9119,870,25,13,63,6
– Ontvangsten garantieregeling PPM'810,1      

3 DE BEDRIJFSVOERING

De mededeling over de bedrijfsvoering – groeitraject naar 2004

Binnen EZ is een model ontwikkeld dat gebruikt zal worden als basis voor de totstandkoming van de mededeling. De departementale planning- en controlcyclus (bij EZ de «werkplancyclus» genoemd) vormt daarbij een belangrijk instrument. Via die cyclus vindt sturing en beheersing van de beleidsdoelstellingen, daaruit voortvloeiende activiteiten en beschikbare middelen plaats. Dit wordt vastgelegd in met de departementsleiding overeen gekomen (werk)plannen. Monitoring en verantwoording vindt plaats via tussen- en verantwoordingsrapportages.

Bij de uitvoering van de overeengekomen activiteiten zullen door de departementsleiding of bovendepartementaal vastgestelde kaders in acht genomen moeten worden. Deze kaders hebben betrekking op verschillende bedrijfsvoeringsaspecten, bijvoorbeeld ten aanzien van het financieel beheer, het personeel beheer, de VIR en milieuzorgnormen.

Bij de totstandkoming van de mededeling over de bedrijfsvoering zal nagegaan worden of de activiteiten zoals afgesproken in de werkplancyclus zijn uitgevoerd met inachtneming van de vastgestelde kaders en richtlijnen.

Via onderstaand model wordt beoogd de samenhang transparant te maken tussen de beleidsdoelstellingen en de daarvoor te ondernemen activiteiten enerzijds en daarbij in acht te nemen kaders en randvoorwaarden anderzijds. kst-28600-XIII-2-8.gif

De uitwerking van het Referentiekader bij EZ vindt plaats door een werkgroep. Deze zal ook de meerjarenvisie van EZ op sturing en beheersing, verantwoording en toezicht beschrijven. Dit zal gebeuren door het samenvoegen van reeds bestaande rapporten op dit gebied en toetsing of deze samen het integrale beeld weergeven en er geen «witte vlekken» zijn. Ook de specifieke normen voor de verschillende bedrijfsprocessen zullen door de werkgroep, daar waar dat nodig is, worden ontwikkeld.

Het «Referentiekader mededeling over de bedrijfsvoering» bepaalt dat departementen in 2004 de gewenste eindsituatie over de mededeling bereikt moeten hebben, dat wil zeggen dat over het jaar 2004 de mededeling afgegeven wordt over de volledige bedrijfsvoering, inclusief de relatie met de adviescolleges, rwt's en zbo's die onder de verantwoordelijkheid van de minister van EZ vallen. In de jaren 2002 en 2003 wordt voorzien in een groeipad. EZ vult dit groeitraject in, rekening houdend met de huidige stand van de bedrijfsvoering en de ontwikkeling die EZ op genoemde terreinen voorziet. Dit betekent dat over het jaar 2002 de mededeling afgegeven wordt over de opzet en het bestaan van de werkplancyclus, het financieel en het materieel beheer. In het jaar 2003 zal de reikwijdte van de mededeling zich mede uitstrekken over de werking van de werkplancyclus, het personele beheer, het ICT beheer, de VIR en de doelstellingen van EZ op het terrein van huisvesting. Vanaf 2004 zal de mededeling uiteraard de volledige bedrijfsvoering beslaan. Daartoe zal, naast eerdergenoemde aspecten, tevens milieuzorg deel uitmaken van de reikwijdte van de mededeling. In 2004 zal tevens het instrument van risico-analyse bij EZ volledig ingebed zijn in het interne systeem van sturing en beheersing. Dit betekent overigens niet dat er geen risico-analyse vòòr het jaar 2004 plaatsvindt, maar dat uiterlijk in 2004 de situatie bereikt wordt waarbij het instrument van risico-analyse over alle terreinen wordt toegepast. Opgemerkt wordt dat voortschrijdend inzicht ertoe kan leiden dat de reikwijdte van de mededeling wijzigt, in de bedrijfsvoeringsparagraaf van het jaarverslag zal uiteraard de reikwijdte van de mededeling nader toegelicht worden.

EZ heeft ervoor gekozen om in ieder geval de komende jaren nog niet met «deelmededelingen» te gaan werken. Eerst zullen ervaringen worden opgedaan met het bij EZ ontwikkelde model en de totstandkoming van een mededeling voor heel EZ, voordat eventueel besloten wordt om tot deelmededelingen over te gaan.

Bedrijfsvoeringsonderzoeken worden opgenomen in het jaarplan, dat door het Audit Committee (AC) besproken en vastgesteld wordt. De taak en functie van het AC wordt binnen EZ opnieuw vormgegeven, daarbij zal ook aandacht worden gegeven aan de relatie naar de politieke leiding. De ambtelijke leiding is in het AC vertegenwoordigd. De bedrijfsvoeringsonderzoeken zullen worden uitgevoerd onder leiding van daartoe gekwalificeerde auditors. Deze werken conform de normen en standaards die aan een professionele uitvoering van de audits mogen worden gesteld. In interdepartementaal verband wordt het handboek DAD aangepast aan zowel de ontwikkelingen in de accountancy als de nieuwe taak van de auditdiensten. Vanzelfsprekend zullen deze ontwikkelingen een doorvertaling krijgen naar de EZ specifieke situatie en de naar de wijze waarop de bedrijfsvoeringmededeling wordt ingevuld.

Overige ontwikkelingen op het gebied van bedrijfsvoering

Na Senter, de EVD en het Bureau I.E. zal met ingang van 1 januari 2004 Novem een volwaardig agentschap worden. Vooruitlopend hierop is aan Novem de status van tijdelijk agentschap toegekend.

Als uitvloeisel van het IBO-rapport zal het CBS worden verzelfstandigd in de vorm van een ZBO. Dit proces, tezamen met de overige ontwikkelingen rond het CBS, vergt zorgvuldige voorbereiding en zal in 2003 en daarna veel aandacht vragen. Het resultaatgerichte sturingsmodel en de implementatie van het baten-lastenstelsel zullen de transparantie en efficiency van het CBS verder vergroten.

Behalve het CBS bevindt ook de NMa zich in een omvormingsproces tot ZBO. Het voorstel tot omvorming is ingediend bij de Tweede Kamer.

4. BATEN-LASTENDIENSTEN

SENTER

1. Missie

Senter is een agentschap van het Ministerie van Economische Zaken (EZ) dat overheidsbeleid uitvoert op het terrein van technologie, energie, milieu, export en internationale samenwerking. Doelstelling hierbij is het duurzaam versterken van de positie van bedrijfsleven en kennisinstellingen in ons land.

2. Strategie en doelstellingen op hoofdlijnen

Om deze doelstelling te bereiken heeft Senter de volgende vier strategische (middellange termijn) doelstellingen geformuleerd vanuit het perspectief van de bedrijven en kennisinstellingen, de opdrachtgevers, de eigenaar (EZ) en de interne organisatie:

1. Het verbeteren van de dienstverlening aan de doelgroep;

2. Het kunnen inspelen op de wensen en doelstellingen van de opdrachtgevers;

3. Het kunnen inspelen op de wensen en doelstellingen van de eigenaar;

4. Het verbeteren van de interne kwaliteit van de primaire processen.

Aan deze doelstellingen heeft Senter een aantal Kritische Succes Factoren (KSF'en) gekoppeld, waarvan een selectie is opgenomen in tabel 1. De KSF'en worden getoetst aan de hand van meetbare prestatie-indicatoren (PI's).

Naast interne sturing worden deze PI's gebruikt ter toetsing van de doelmatigheid en doeltreffendheid van het agentschap.

3. Producten en diensten Senter

Senter verzorgt voor diverse ministeries en de EU de uitvoering van stimuleringsregelingen en -programma's, zoals subsidie-, krediet- en fiscale regelingen1. De uitvoering van een regeling/programma kan bestaan uit juridische vormgeving, communicatie, inhoudelijke beoordeling van subsidie- en kredietaanvragen, administratie, financiën en controle. Ondernemers kunnen bij Senter terecht met verzoeken om een partner in binnen- of buitenland te zoeken (match-making) of om samen te werken bij de realisatie van innovatieve projecten.

Daarnaast kan Senter haar opdrachtgevers adviseren over de wijze waarop zij hun beleidsdoelen kunnen vertalen in regelingen en/of programma's. Ook wordt aan opdrachtgevers assistentie verleend om kengetallen te definiëren die, in het kader van VBTB, de beleidseffecten kunnen meten.

4. Doelmatigheid en doeltreffendheid

De doelmatigheid en doeltreffendheid van Senter zijn zichtbaar door de ontwikkeling in de tijd van PI's (tabel 1). Tevens is de doelmatigheid zichtbaar in de ontwikkeling van financiële kengetallen (tabel 5).

Tabel 1 doelmatigheids- en doeltreffendheidsindicatoren
BedrijvenRealisatie 2001Streefwaarde 2003
Klanttevredenheid1kwalificatie «goed» en hoger: 77 % – 1999185%
 2Netto doorlooptijd declaraties: 52 dagen2< 43 dagen
OpdrachtgeversRealisatie 2001Streefwaarde 2003
Realiseren beleidsdoelstellingen1Bij 50 % van de regelingen vindt door Senter effectmeting plaats.1Effectmeting bij elke regeling, voorzover gewenst door opdrachtgevers.
Lage uitvoeringskosten1Uitvoeringskosten als % beleidsgeld1 
 aTotaal: 3,4 %a≤ 3,3%
 bExclusief WBSO/EIA: 6,2 %b≤ 6,2%
Eigenaar (EZ)Realisatie 2001Streefwaarde 2003
Efficiency; verhouding omzet (output) t.o.v. kosten gecorrigeerd voor inflatie en vergeleken per jaar.1Herrekende omzet tov 1994/kosten gecorrigeerd voor inflatie is in 2001 gestegen met 3,1 procentpunt t.o.v. 2000.1Stijging efficiency met 1,0 % t.o.v. 2002. Hierbij is effect van nieuwe huisvesting niet meegenomen.
Integriteit/kwaliteit1Financiele foutpercentage: 0,2 %1≤ 0,5 %
 2Formele foutpercentage: 11,9 %2≤ 5,0 %
 3% bezwaarschriften WBSO: 1,3 %3< 2,0 % (alle regelingen)
 4Inbreuken integriteitsbeleid: 14geen
Interne organisatieRealisatie 2001Streefwaarde 2003
Deskundig en gemotiveerd personeel1Verhouding Ambtenaar/Inhuur: 58/42160/40
 2Opleidingskosten als % loonsom:2,0 %22,0%
 3Ziekteverzuim: 4,5 %3< 4,8 %

Een aantal indicatoren wordt hieronder kort toegelicht.

Klanttevredenheid

In het laatst gehouden onafhankelijke onderzoek (1999) naar de klanttevredenheid en het imago van Senter bleek de tevredenheid groot onder bedrijven en instellingen die wel eens een aanvraag hebben ingediend. In de zomer van 2002 wordt het onderzoek naar de klanttevredenheid en bekendheid opnieuw uitgevoerd door een extern bureau.

De netto-doorlooptijd betreft het aantal dagen waarin Senter verzoeken tot betaling afhandelt. Het is de bedoeling de netto-doorlooptijd de komende jaren fors te verkorten tot uiteindelijk 30 dagen.

Realiseren beleidsdoelstellingen opdrachtgevers

De effectmeting van het beleidsinstrumentarium dat Senter uitvoert wordt steeds actueler door ontwikkelingen als VBTB en de toenemende vraag naar beleidsinformatie. In overleg met de opdrachtgevers zijn per regeling relevante prestatie-indicatoren geformuleerd. In 2003 wordt gestreefd naar effectmeting bij alle regelingen die Senter uitvoert, voorzover dat door de opdrachtgevers wordt gewenst en de meting (technisch) haalbaar is.

Efficiency

Senter streeft ernaar om de reële uitvoeringskosten trendmatig te verlagen. Daartoe wordt de omzet uitgedrukt in een percentage van de kosten. Voor een goede vergelijking wordt de omzet gecorrigeerd voor de tariefontwikkeling en de kosten met de wisselende mutaties in de voorzieningen en de inflatie. Een stijging van het kengetal weerspiegelt een gunstige ontwikkeling van de doelmatigheid; de omzet neemt in verhouding meer toe dan de kosten.

Indien wordt geabstraheerd van de stijgende huisvestingskosten, dan bedraagt de nagestreefde efficiencyverbetering 1,0 procentpunt in 2003. De verbetering blijft achter bij de realisatie in 2001 doordat wordt uitgegaan van een stabiele omzet in 2003. Reden van de stabiele omzetraming is dat nog niet duidelijk is wat de consequenties zijn van het beleid van het nieuwe kabinet.

Opgemerkt wordt dat de ontwikkeling van de efficiency in 2003 sterk zal afhangen van de daadwerkelijke reële omzetontwikkeling.

Integriteit/Kwaliteit

Het financiële foutenpercentage is de verhouding tussen het gecorrigeerde bedrag gedeeld door het totaal gecontroleerde bedrag aan dossiers. De streefwaarde is in de afgelopen jaren ruimschoots gerealiseerd.

Het formele foutenpercentage is de verhouding tussen het aantal dossiers met formele correcties gedeeld door het totaal aantal gecontroleerde dossiers. De streefwaarde is constant gebleven ondanks een hogere realisatie in de afgelopen jaren.

5. Begroting van baten en lasten

Tabel 2 Meerjarenbegroting (bedragen in € 1 000)
 20012002200220032004200520062007
Realisatie Ontwerp-begroting Geactualiseerd        
Baten        
Omzet moederdep.36 45032 89938 50039 37039 41039 42039 54039 810
Omzet overige depar7 9227 53310 90011 15011 16011 16011 20011 270
Omzet derden1 092499800820820820820830
Rentebaten39720430090120130140140
Overige baten005000000
Totaal baten45 86141 13550 55051 43051 51051 53051 70052 050
         
Lasten        
Apparaatskosten        
* personele kosten34 45432 71839 00040 39040 82041 21041 59041 930
* materiële kosten7 1587 8968 3509 2309 1509 0108 8708 720
Rentelasten0001301101009080
Afschrijvingskosten        
* materieel1 3671 1801 1002 0601 6201 5701 5301 720
* immaterieel00000000
Vrijval egalisatierekening000– 420– 420– 420– 420420
Mutaties voorzieningen1 7934535000000
Dekking interne projecten– 861– 771– 10000000
Buitengewone lasten20000000
Totaal lasten43 91341 06748 70051 39051 28051 47051 66052 030
         
Saldo van baten en lasten1 948681 85040230604020
         
Taakstelling efficiency apparaat   – 310– 619– 929– 1 238– 1 238
Taakstelling inhuur externen   – 291– 291– 291– 291– 291
Dekking taakstelling uit:        
Resultaat 2002   56168060900
Exploitatiereserve (EV)     21800
Saldo van baten en lasten na dekking vd taakstellingen        
 1 948681 85000– 333– 1 449– 1 489

Toelichting

Taakstellingen

In het strategisch regeerakkoord is aan EZ een bezuinigingstaakstelling opgelegd. Aan Senter zijn in dit kader tot nu toe twee soorten taakstellingen opgelegd. Dit betreft een taakstelling «efficiency van het apparaat» en «inhuur externen», die in de vorm van een verplichte jaarlijkse resultaatuitkering aan EZ afgedragen zou moeten worden vanaf 2003.

Naast deze bezuinigingstaakstelling is in het Strategisch Akkoord een subsidietaakstelling aangekondigd. Hierbij zullen ministeries subsidieregelingen afschaffen en/of versoberen. Hierdoor komt de omzet van Senter stevig onder druk te staan. In de aanloop naar de begroting 2003 bestond er Rijksbreed nog geen volledig beeld van invulling van deze subsidietaakstelling, zodat het niet mogelijk was om een goede inschatting te maken van de gevolgen die de subsidietaakstelling heeft voor de omzetontwikkeling van Senter. Vanwege deze onzekerheid is in de raming van de omzet vooralsnog geabstraheerd van de effecten van de subsidietaakstelling en zijn de bezuinigingstaakstellingen die Senter zijn opgelegd, vooralsnog geparkeerd in de meerjarenbegroting van Senter. Wanneer de ministeries hebben aangegeven welke subsidies afgeschaft en/of versoberd worden, zal Senter haar raming voor de omzet daarop aanpassen en in haar begroting zichtbaar maken of en op welke wijze zij invulling kan geven aan de nu deels geparkeerde taakstellingen.

De mogelijkheden van Senter om de taakstellingen in te vullen, zijn in belangrijke mate afhankelijk van Senters omzetontwikkeling en de invulling van efficiency maatregelen. Senter is nog in overleg met EZ hoe deze zal worden ingevuld.

Baten

Algemeen

De omzet wordt enerzijds beïnvloed door de tariefontwikkeling en anderzijds door volumeontwikkeling. In 2003 zal de tariefstijging vermoedelijk boven de inflatie liggen. Dit wordt grotendeels veroorzaakt door hogere huisvestingskosten als gevolg van de eerder gememoreerde verhuizing en door omzetdaling. Naar verwachting zal vanaf 2004 de ontwikkeling van de tarieven weer het inflatiepercentage volgen. Voor zowel de opdrachten van EZ als de niet-EZ opdrachten is de reële omzetgroei voor 2003 vooralsnog ingeschat op nihil.

De reële omzetgroei is voor 2003 ingeschat op nihil. Enerzijds omdat Senter afhankelijk is van de beleidsprioriteiten van het nieuwe kabinet ten aanzien van door Senter uitgevoerde instrumenten voor de rijksoverheid. Anderzijds worden in 2003 naar verwachting de effecten voor Senter merkbaar van de verdere stroomlijning van het subsidie instrumentarium van EZ.

Omzet moederdepartement

Gezien de hierboven geschetste ontwikkeling wordt bij EZ voor de komende jaren geen reële groei verwacht.

Omzet overige departementen en overige opdrachtgevers (derden)

De «omzet overige departementen» en de «omzet overig» betreffen de uitvoering van opdrachten die passen binnen de doelstellingen en de werkgebieden van Senter (technologie, energie, milieu, export en internationale samenwerking).

Onder de «omzet overige departementen» vallen de opdrachten die worden uitgevoerd voor het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, het ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen, het ministerie van Buitenlandse Zaken (inclusief Ontwikkelingssamenwerking), het ministerie van Verkeer en Waterstaat, het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

De «omzet overig» betreft de omzet die buiten de Rijksoverheid wordt gerealiseerd. Deze heeft met name betrekking op opdrachten voor de Europese Unie.

Lasten

Algemeen

Als gevolg van fluctuaties in de opdrachtenportefeuille heeft Senter een flexibele personeelsinzet. Om die reden wordt een deel van het personeelsbestand extern ingehuurd via een detacheringsbureau.

In de meerjarenraming is een efficiencydoelstelling verwerkt op zowel de personeelskosten als de materiële kosten. Deze wordt hieronder toegelicht.

Personele kosten

De hoogte van de personeelskosten wordt bepaald door prijs- en volumeontwikkelingen. De prijsontwikkelingen zijn het gevolg van de CAO-verhoging en de reguliere beloningsronde. Als gevolg van het jonge personeelsbestand (nog niet in het einde van de schaal) zijn de gevolgen van een beloningsronde relatief omvangrijker dan het gemiddelde bij de rijksoverheid.

De volumeontwikkeling komt tot uitdrukking in enerzijds een toename/afname van het personeelsbestand als gevolg van de omzetontwikkeling en anderzijds in een daling van de verwachte personeelsinzet als gevolg van efficiencywinst. Deze efficiencydoelstelling houdt in dat via een productiviteitstijging en een reductie van de hoeveelheid (duurdere) inhuurkrachten tot de gewenste verhouding tussen ambtelijk en niet-ambtelijk personeel, de kostenstijging beperkt blijft. Daarnaast komt de efficiencydoelstelling tot uiting in de taakstelling dat de hoeveelheid indirecte medewerkers (staf) maximaal met 20 % van de volumegroei van de directe medewerkers mag toenemen.

Voor 2003 wordt het aantal FTE's geraamd op 700 (413 ambtenaren, 287 inhuurkrachten). De gemiddelde loonkosten bedragen per fte circa € 53 900 voor ambtenaren en € 58 600 voor inhuurkrachten.

Materiële kosten

De materiële kosten zullen in 2003 stijgen als gevolg van de verhuizing. De verwachte kostenstijging bedraagt 2,5 %.

De huisvestingskosten betreffen de grootste post binnen de totale materiële kosten. De huurkosten in 2003 van de panden in Den Haag en Zwolle bedragen circa € 3,9 mln per jaar. De geplande verhuizing eind 2002 zal voor Senter leiden tot een toename van de huisvestingskosten. Vanwege het nieuwe karakter van de huisvesting en de prijsontwikkeling op de vastgoedmarkt stijgt de prijs per m2. Dit wordt echter gedeeltelijk gecompenseerd doordat het gebruik van m2 afneemt. Het kantoorpand krijgt een flexibele opzet met verschillende typen, grotendeels innovatieve, werkplekken waardoor minder m2 benodigd zijn.

Afschrijvingskosten

In 2003 bedragen de afschrijvingskosten € 2,1 mln. Deze bestaan uit afschrijvingen op meubilair (€ 0,14 mln), hardware (€ 0,83 mln), overig (€ 0,08 mln) en de investeringen in de nieuwe huisvesting (€ 1,0 mln). De afschrijvingstermijnen bedragen vijftien jaar voor bouwkundige kosten, tien jaar voor installaties en inrichting, vijf jaar voor meubilair/overig en drie jaar voor hardware.

Als gevolg van de op dit moment verwachte huurdersinvesteringen in het nieuwe pand in Den Haag, stijgen de afschrijvingskosten in 2003 ten opzichte van 2002. Vanaf 2004 is weer een dalende trend zichtbaar. Een deel van de huurdersinvesteringen wordt gefinancierd vanuit de in het verleden gevormde egalisatierekening. In de meerjarenbegroting is vanaf2003 zichtbaar dat de hiermee gemoeide afschrijvingskosten worden gefinancierd door middel van een overeenkomstige vrijval van de egalisatierekening (€ 0,42 mln). De afschrijvingskosten van de huurdersinvesteringen, die niet gefinancierd worden uit de egalisatierekening, komen ten laste van de reguliere exploitatie.

Het gevolg daarvan is dat de tariefstijging in 2003 (eenmalig) boven het reguliere niveau kan liggen. Deze tariefstijging is natuurlijk ook afhankelijk van de omzetontwikkeling en de efficiencywinst.

Saldo van baten en lasten

Het resultaat van baten en lasten in de meerjarenbegroting (exclusief taakstellingen) laat de komende jaren kleine marges zien. Dit is het gevolg van de intentie de tarieven zo laag mogelijk te houden.

6. Vermogensontwikkeling

Onderstaande tabel geeft inzicht in de meerjarige vermogensontwikkeling van Senter.

Tabel 3 Overzicht Vermogensontwikkeling (bedragen in € 1000)
 2001200220032004200520062007
1 Eigen vermogen per 1 januari*3 8543 9424 0683 5072 8271 449– 40
2 saldo van baten en lasten1 9481 85040230604020
3 directe mutaties in het eigen vermogen:       
3a uitkering aan moederdep.– 1860– 1 724– 601– 910– 1 220– 1 529– 1 529
3b bijdrage moederdepartement ter versterking EV0000000
3c overige mutaties0000– 21800
Eigen vermogen per 31/12*3 9424 0683 5072 8271 449– 40–1 549

* inclusief onverdeeld resultaat

Senter stelt de jaarrekening op voor resultaatbestemming. In het daarop volgende jaar wordt het resultaat verdeeld conform de door de Secretaris-Generaal van EZ goedgekeurde resultaatbestemming. De uitkering aan het moeder-departement betreft de aan Senter opgelegde bezuinigingstaakstelling. Senter is nog in overleg met EZ hoe deze zal worden ingevuld.

In het jaarwerkplan van Senter vindt invulling plaats van het risicobeleid door middel van een beschrijving van de kansen en bedreigingen in de omgeving en de wijze waarop Senter hierop inspeelt.

7. Kasstroomoverzicht

Tabel 4 Kasstroomoverzicht (bedragen in € 1000)
 2001200220032004200520062007
 Realisatie      
1. Rekening courant RHB en overige liquide middelen per 1 januari13 37016 0785 6127 0977 4066 7175 116
        
2. Totaal operationele kasstroom4 1501 4901 2871 9491 7311 1481 306
        
3a. -/- totaal investeringen– 1 442– 9 772– 320– 450– 920– 940960
3b. + totaal boekwaarde desinvesteringen0000000
3. Totaal investeringskasstroom– 1 442– 9 772– 320– 450– 920– 940– 960
        
4a. -/- eenmalige uitkering aan moederdepartement0– 3 584– 601– 910– 1 220– 1 529– 1 529
4b. + eenmalige storting door moederdepartement00000 00 
4c. -/- aflossing op leningen00– 280– 280– 280– 280– 280
4d. + mogelijk beroep op leenfaciliteit01 4001 4000000
4. Totaal financieringskasstroom0– 2 184519– 1 190– 1 500– 1 809– 1 809
5. Rekening courant RHB en overige liquide middelen per 31 december16 0785 6127 0977 4066 7175 1163 653

Het kasstroomoverzicht geeft een analyse van de liquiditeitsontwikkeling.

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het geraamde saldo van baten en lasten, gecorrigeerd voor afschrijvingen en mutaties in de voorzieningen en het werkkapitaal.

Investeringskasstroom

De investeringskasstroom wordt bepaald door de geraamde vervangingsinvesteringen en geplande investeringen als gevolg van de verhuizing eind 2002 in Den Haag.

De voor 2003 geraamde investeringen (€ 0,3 mln) hebben met name betrekking op investeringen in meubilair, hardware en overige activa voor de Zwolse vestiging. In vergelijking met 2002 zijn de investeringen in 2003 laag tot zeer laag.

De uitkering in 2002 aan het moederdepartement heeft betrekking op de resultaatuitkering 2000 en 2001.

Financieringskasstroom

Uitgaande van het geraamde saldo van baten en lasten en de maximale exploitatiereserve (5% van de gemiddelde omzet van drie jaren) is berekend dat in 2003 geen reguliere resultaatuitkering zal plaatsvinden aan het moederdepartement. De uitkering aan het moederdepartement betreft de aan Senter opgelegde bezuinigingstaakstelling. Het (mogelijke) beroep op de leenfaciliteit in 2003 (en 2002) is bestemd ter financiering van de investeringen in de Haagse vestiging. De hiermee verband houdende aflossingen zijn gelijk aan de omvang van de afschrijvingskosten van de met de lening gefinancierde huurdersinvesteringen (10 jaar).

8. Financiële kengetallen

Tabel 5 Financiële kengetallen (bedragen in € 1000)
 2001200220032004200520062007
 Realisatie      
Omzet per FTE71,171,475,775,775,775,976,4
Personele kosten per FTE53,957,859,760,360,961,562,0
Materiële kosten per FTE*13,313,515,915,114,814,514,5
Toegevoegde waarde per FTE*57,857,959,860,660,961,461,9

* exclusief mutaties voorzieningen, dekking interne projecten en taakstellingen.

Toelichting

Omzet per FTE

De omzet per FTE wordt beïnvloed door de ontwikkeling in de tarieven, de verwachte volumegroei in de omzet en de nagestreefde doelmatigheid. Senter streeft naar een jaarlijkse reële stijging van de omzet per FTE. In 2003 is de mogelijke stijging van het tarief de belangrijkste oorzaak van de stijging van de omzet per FTE.

Personele kosten per FTE

Als gevolg van autonome kostenontwikkelingen (CAO, reguliere beloningsronde) stijgen de personele kosten in 2003 met naar verwachting meer dan 5 %. Door middel van efficiencymaatregelen (reductie van het aandeel inhuurkrachten) wil Senter deze groei beperken.

Materiële kosten per FTE

Senter streeft naar een gematigde ontwikkeling van de materiële kosten per FTE. In 2003 zijn ten opzichte van 2002 de gevolgen zichtbaar van de hogere huurkosten van de nieuwe huisvesting. Als gevolg van de nieuwe huisvesting zijn besparingen mogelijk op de overige materiële kosten.

Toegevoegde waarde per FTE

De toegevoegde waarde wordt berekend door de omzet te verminderen met de materiële kosten en de afschrijvingskosten. Hierbij wordt geabstraheerd van de mutaties in de voorzieningen en de post dekking interne projecten.

De toegevoegde waarde is het bedrag dat beschikbaar is voor de belanghebbenden van de organisatie. Hiermee wordt het belonen van medewerkers voor verrichte arbeid en van de eigenaar voor het verstrekte vermogen bedoeld. Vanaf 2003 is een stijging van de toegevoegde waarde zichtbaar van circa 1,0% per jaar.

EVD

1. Missie

De EVD heeft als taak de buitenlandse handel en investeringen van het Nederlandse bedrijfsleven te versterken en te vergemakkelijken1. Vanuit deze publieke taak wordt informatie aan bedrijven en intermediaire organisaties verstrekt en worden er voorlichtings-, promotionele en publicitaire activiteiten georganiseerd. De EVD beschikt hiertoe over eenprofessionele informatiearchitectuur voor het verzamelen en verspreiden van informatie, werkt samen met het mondiale postennetwerk van het ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) en beschikt over een brede expertise. Vanuit zijn overheidspositie en publieke taak kan de EVD opereren als neutrale, onafhankelijke partij en als overheidsdienst in het buitenland vaak deuren openen voor Nederlandse bedrijven die anders gesloten zouden blijven. De EVD richt zich binnen de geldende beleidskaders direct op de behoeften van het Nederlandse bedrijfsleven. Om zo goed mogelijk te kunnen voldoen aan de wensen van de bedrijven worden de producten en diensten voortdurend vernieuwd. Voor die productvernieuwing zijn de ICT-ontwikkelingen cruciaal. De EVD heeft daarin de afgelopen jaren dan ook aanzienlijk geïnvesteerd en zal dat ook in de toekomst blijven doen.

2. Strategie en doelstellingen op hoofdlijnen

De EVD wil de komende jaren zijn positie versterken als centrale overheidsorganisatie voor de internationalisatie van het bedrijfsleven. Teneinde dit te bereiken streeft de EVD onder andere naar een grotere bekendheid bij de doelgroep, een groter bereik van de doelgroep en een grotere klanttevredenheid.

In onderstaand overzicht zijn de doelstellingen die de EVD zich op totaalniveau heeft gesteld nader geconcretiseerd.

Tabel 1 Doelstellingen
 realisatie 2001streefcijfer 2002streefcijfer 2003streefcijfer 2004
Vergroting van de spontane bekendheid13%17%18%19%
Vergroting van de geholpen bekendheid44%55%56%57%
Groter bereik van de doelgroep (ca. 80 000 bedrijven)13%17%20%25%
Vergroten aantal klantcontacten933 299800 000975 0001 000 000
Vergroten % effectieve klantcontacten (tevredenheid)81%80%83%85%
Vergroting aantal effectieve klantcontacten755 972640 000809 250850 000

Om de groeiende trend van de laatste jaren met betrekking tot de bekendheid, het bereik en de klanttevredenheid vast te houden, blijft de EVD aandacht schenken aan verbetering van de kwaliteit van de EVD-producten. Daarbij zijn twee zaken van belang. Het eerste betreft continue informatie over de wijze waarop de producten van de EVD voorzien in de behoefte van het Nederlandse bedrijfsleven. Daartoe wordt het marketingonderzoek en de marketing van de producten van de EVD verder verbeterd. Door de versterking van de marketing moet het bereik van de EVD groeien.

Het tweede betreft versterken van de bekendheid van de EVD door het verbeteren en intensiveren van de communicatie met de doelgroep hetzij rechtstreeks, hetzij via intermediaire organisaties. Daardoor zullen zowel de bekendheid als het bereik groter worden.

Voortdurend wordt in het oog gehouden dat de rol van de EVD binnen de kaders gesteld door de commissie markt en overheid moet blijven. De activiteiten zijn beperkt tot het aanbieden van diensten in aanvulling op of tot versterking van hetgeen door de private markt van handelsbevordering wordt aangeboden.

3. Producten en diensten

De producten van de EVD staan ten dienste van de klant: het bedrijfsleven met exportpotentieel. De kosten daarvan worden in de regel in rekening gebracht bij de opdrachtgever (een ministerie). Een deel van de kosten wordt echter in rekening gebracht bij de klant (het bedrijfsleven). De aan de klant doorberekende kosten worden bepaald aan de hand van het EVD-prijsbeleid. De doelstelling van dat prijsbeleid is een prijsstelling voor de doelgroep te realiseren die recht doet aan de kerntaak van de EVD: bedrijven te stimuleren goed voorbereid buitenlandse markten te betreden. Daartoe geldt voor sommige producten een drempelverlagende prijs, die echter wel zo hoog is dat alleen echt geïnteresseerde bedrijven het product afnemen.

Naast de kosten die de kostprijs bepalen kent de EVD uitgaven die wel betrekking hebben op een product maar in feite doorsluisposten zijn. Het gaat hierbij om de Promotionele Projecten Posten (PPP) -middelen, de bijdrage aan de Stichting tot Bevordering van de Uitvoer (SBU) en de subsidiemiddelen die betrekking hebben op het Programma voor Starters op Buitenlandse markten (PSB).

4. Prioriteiten voor 2003

In de paragraaf strategie en doelstellingen zijn de prioriteiten voor 2003 opgenomen. Naast de daar genoemde prioriteiten is er nog een drietal prioriteiten dat EVD nastreeft.

Versterking van het maatwerk

In de afgelopen jaren heeft de EVD een tendens waargenomen van meer behoefte aan maatwerk bij de klant. Daarin probeert de EVD te voorzien door meer individuele ondersteuning aan de klant ter beschikking te stellen. Naast de vernieuwde PSB (zie tabel 6) wordt de individuele marktbewerking verder ontwikkeld (zie tabel 7).

Vergroting van kennis van de doelgroep

Om de dienstverlening te kunnen verbeteren streeft de EVD naar vergroting van kennis en inzicht in de wensen en behoeften van zijn doelgroep en aanpalende marktontwikkelingen. Dit om de beleidsinteractie, klantgerichtheid en gedifferentieerde kennis van doelgroepsegmenten te versterken. In 2003 zullen op basis van het Customer Relationship Management meer gestructureerde beleidsrelevante analyses worden vervaardigd.

Verbreding opdrachtenbasis

De EVD is als agentschap gestart met één opdrachtgever: het directoraat-generaal Buitenlandse Economische Betrekkingen (DG BEB). In 2001 zijn ook het ministerie van BZ evenals het Nuffic en Senter opdrachtgevers. Ook in 2003 zal de inspanning gericht zijn op verbreding van de kring van opdrachtgevers.

5. Begroting

Tabel 2 Meerjarenbegroting (bedragen in in € 1 000)
 2001200220032004200520062007
 RealisatieOntwerp-begroting     
Baten       
Omzet moederdepartement20 87422 93325 10825 15825 15825 15825 158
Omzet overige departementen2 3263 6363 0483 0483 0483 0483 048
Omzet derden1 0961 3611 3991 3991 3991 4001 400
Rentebaten17734125115105110115
Overige baten0000000
Totaal baten24 47327 96429 68029 72029 71029 71629 721
        
Lasten       
Apparaatskosten       
* personele kosten8 5278 5719 5829 5969 5969 5969 596
* materiële kosten15 06818 48818 94818 80618 72218 64918 665
Rentelasten23445462432923
Afschrijvingskosten       
* materieel269450633680675670665
* immaterieel0000000
Dotaties aan voorzieningen699257273288288288288
Vrijval voorzieningen– 286000000
Buitengewone lasten0000000
Totaal lasten24 30027 81029 49029 43229 32429 23229 237
        
Saldo van baten en lasten173154190288386484484

Toelichting

De cijfers voor de begroting 2003 zijn gebaseerd op de opdrachten 2002, zoals die zijn overeengekomen met de opdrachtgevers, vermeerderd met de loon- en prijscorrectie. De kosten van die opdrachten liggen boven het niveau dat was voorzien in de begroting 2002.

Baten

Opbrengst moederdepartement

De baten en lasten toegerekend naar de verschillende deelprogramma's geven het volgende beeld:

Tabel 3 Deelprogramma Informatie
 2001200220032004200520062007
 RealisatieOntwerp-begroting     
Totale kosten (€ 1 000)11 20011 97112 86212 88612 88612 88712 887
Ontvangsten van klanten (€ 1 000)315414310310310310310
Kostprijs per product (€)73 552144 393104 603104 802104 802104 802104 802
Kostprijs per klantcontact (€)11,715,4110,710,510,510,510,5

1 In de begroting 2002 stond 29,6 als kostprijs. In 2002 is de meetsystemathiek gewijzigd (zie onder toelichting Informatie). Voor een goede vergelijking wordt hier de «herberekende» kostprijs opgenomen.

Toelichting «Informatie»

De doelstelling van het deelprogramma informatie is het leveren van betrouwbare, actuele en relevante informatie over buitenlandse markten ten behoeve van (segmenten van) de (potentieel) exporterende Nederlandse bedrijven. De distributie van de informatie geschiedt met diverse producten zoals het blad Buitenlandse Markten en de website www.evd.nl.

In overleg met de opdrachtgever zijn de indicatoren bepaald. Voor de ontwerpbegroting 2002 is aan de klantcontacten van de verschillende producten een wegingcoëfficiënt toegekend. Voor de recent bepaalde indicatoren is dat op verzoek van de opdrachtgever juist niet gedaan en wordt uitgegaan van het nominale bereik. Voor een goede historische vergelijking van de kostprijs per klantcontact dient dezelfde methodiek te worden toegepast. Daarmee komt de kostprijs per klantcontact in 2002 uit op € 15,4 in plaats van € 29,6 zoals in de ontwerpbegroting 2002 is opgenomen.

Ten opzichte van 2001 is er een stijging van de kostprijs per product en per klantcontact in 2002 en daarna weer een daling. Een belangrijke oorzaak daarvan is dat de «bijdragen aan BEB-dossiers» alleen in 2002 als product wordt meegeteld en in de jaren daarna niet, omdat dit geen product is dat rechtstreeks ten goede komt aan het bedrijfsleven maar uitsluitend wordt vervaardigd ten behoeve van DG BEB. De daling van de totale kosten is hierdoor beperkt, terwijl de kostprijs per product hierdoor verdubbeld wordt. Voorts wordt de piek in 2002 verklaard doordat het geraamde aantal bezoekers op de internetsite achterblijft bij de realisatie in 2001. Dit was nog niet zichtbaar bij het opstellen van de begroting 2002.

In de begroting voor 2003 is rekening gehouden met een stijging van het aantal bezoekers op internet. De kostprijs per klantcontact daalt vanwege dat effect. De hogere kosten in 2003 worden veroorzaakt door de uitbreiding van dit deelprogramma met de marktverkenningen, een product dat eerder in het deelprogramma Collectieve Marktbewerking was opgenomen. Als gevolg hiervan daalt de kostprijs per product.

Tabel 4 Deelprogramma Holland Promotie
 2001200220032004200520062007
 RealisatieOntwerp-begroting     
Totale kosten (€ 1 000)1 2791 3521 5331 5361 5361 5361 536
Ontvangsten van klanten (€ 1 000)00182182182182182
Kostprijs per product (€)106 605225 347193 013193 413193 413193 413193 413
Kostprijs per klantcontact (€)0,30,40,30,30,30,30,3

Toelichting «Holland Promotie»

Binnen het deelprogramma Holland Promotie worden producten ingezet waarmee wereldwijd bekendheid wordt gegeven aan de Nederlandse economie, de belangrijkste sectoren, bedrijven en producten. Het gaat daarbij om producten zoals publicaties, persberichten, een cd-rom en de website www.hollandtrade.com. Het doel van dit deelprogramma is Nederland en Nederlandse bedrijven beter te positioneren bij het zakendoen met het buitenland.

Het aantal producten is gehalveerd doordat de bijdrage van de EVD aan «Holland Horizon» (een blad van het Ministerie van BZ) vanaf 2002 niet meer wordt meegeteld. De kostprijs per product verdubbelt hierdoor in 2002.

De producten uit dit deelprogramma genereren bij buitenlandse bedrijven en intermediaire organisaties voor de handelsbevordering informatieve vragen over het Nederlandse bedrijfsleven. De beantwoording van deze vragen wordt vanaf 2003 als een afzonderlijk product beschouwd, waardoor de kostprijs per product in 2003 weer daalt ten opzichte van 2002.

Tabel 5 Deelprogramma Collectieve Marktbewerking
 2001200220032004200520062007
 RealisatieOntwerp-begroting     
Totale kosten (€ 1 000)7 2068 1397 8927 9077 9077 9077 907
Ontvangsten van klanten (€ 1 000)728663907907907908908
Kostprijs per product (€)43 18257 53955 87555 99955 99955 99955 999
Kostprijs per klantcontact (€)4 7845 7635 3735 3855 3855 3855 385

Toelichting «Collectieve Marktbewerking»

De doelstelling van dit deelprogramma is door middel van promotionele activiteiten het Nederlandse bedrijfsleven te informeren over de mogelijkheden zaken te doen op buitenlandse markten alsmede hen in contact te brengen met buitenlandse zakenpartners. De producten die onder dit deelprogramma vallen, betreffen zakenmissies naar het buitenland, deelname aan buitenlandse beurzen en het organiseren van seminars en workshops in het buitenland.

Tabel 6 Deelprogramma Starters op buitenlandse markten
 2001200220032004200520062007
 RealisatieOntwerp-begroting     
Totale kosten (€ 1 000)326380912914914914914
Kostprijs per product/klantcontact (€)3714471 8251 8271 8271 8271 827
Instrumentele uitgaven007 3007 3007 3007 3007 300

Toelichting «Starters op buitenlandse markten»

Het programma Starters op Buitenlandse markten (PSB) beoogt ondernemers uit het MKB, die niet of in beperkte mate beschikken over exportervaring, te ondersteunen bij het betreden van een nieuwe buitenlandse markt. De ondersteuning bestaat voor een belangrijk deel uit een subsidie in de vorm van financiering van advies en begeleiding bij het opstellen en uitvoeren van een exportstrategie. Daarnaast wordt een financiële tegemoetkoming geboden in de kosten van een aantal instrumenten voor de uitvoering van het plan.

Evaluatie van de bestaande subsidieregeling heeft geleid tot verbetering van dit instrument. Het PSB nieuwe stijl beoogt jaarlijks 500 ondernemers daadwerkelijk door middel van ondersteuning een exportdoelstelling te laten realiseren. Daarmee verschuift de aandacht van kwantiteit (zo veel mogelijk ondernemers bereiken) naar kwaliteit (zo veel mogelijk daadwerkelijke exportgroei). De kostprijs per product en klantcontact stijgen hierdoor echter.

De evaluatie heeft, behalve de verbetering van de effectiviteit van dit instrument, ertoe geleid dat de EVD de gehele uitvoering ervan op zich zal nemen, waardoor de kosten die de EVD maakt voor dit programma stijgen, terwijl de kosten van Senter voor dit programma zullen dalen.

Tabel 7 Deelprogramma Individuele Marktbewerking
 2001200220032004200520062007
 RealisatieOntwerp-begroting     
Totale kosten (€ 1 000)8387081 7241 7271 7271 7271 727
Ontvangsten van klanten (€ 1 000)53000000
Kostprijs per product (€)4271 5731 8151 8181 8181 8181 818
Kostprijs per klantcontact (€)4271 573908909909909909

Toelichting «Individuele Marktbewerking»

Individuele Marktbewerking heeft tot doel individuele bedrijven stap voor stap te begeleiden bij het betreden van een aantal buitenlandse (vooral opkomende) markten. Het in direct contact brengen van Nederlandse bedrijven met potentiële zakelijke partners na een gedegen voorbereiding en met Nederlandse assistentie ter plaatse zijn hierin de belangrijkste elementen. Naast een concentratie op een beperkt aantal opkomende markten (zoals China, Brazilië, Mexico, India en Polen) gaat er aandacht uit naar Japan en de marktkansen op grond van de activiteiten van de Wereldbankgroep.

De verdubbeling van de kosten van het programma Individuele marktbewerking wordt veroorzaakt door een intensivering van het gebruik van het instrument «Netherlands Business Support Offices (NBSO's)». Dat zijn handelskantoren in specifiek daarvoor geselecteerde landen (Mexico, China, India, Polen, Frankrijk, Brazilië).

In 2001 en in de ontwerpbegroting 2002 worden producten en klantcontacten op dezelfde manier geteld: de samenstelling van bedrijfsdossiers ten behoeve van matchmaking is zowel een product als een klantcontact. Met ingang van 2003 worden alleen de producten nog op deze wijze gemeten. Voor de meting van het aantal klantcontacten wordt niet alleen uitgegaan van het aantal samengestelde bedrijfsdossiers, maar ook van het aantal (handelsaan-)vragen. Daardoor daalt in 2003 de kostprijs per klantcontact ten opzichte van 2002.

Tabel 8 Deelprogramma Promotionele Posten Projecten, SBU, Handelsbevordering door KvK's, Beleidsondersteuning, Senter, DG Ondernemingsklimaat en DG Innovatie
 2001200220032004200520062007
 RealisatieOntwerp-begroting     
Totale kosten (€ 1 000)1 1211 4581 5841 5871 5871 5871 587
Instrumentele uitgaven2 7502 8922 9262 9262 9262 9262 926

Toelichting Promotionele Posten Projecten, SBU, Handelsbevordering door KvK's, Beleidsondersteuning, Senter, DG Ondernemingsklimaat en DG Innovatie

Deze restcategorie bevat het instrument voor handelsbevorderende activiteiten door de posten van de dienst Buitenlandse Zaken. Ook zijn de bijdragen aan de SBU en de Kamers van Koophandel in het buitenland opgenomen. Een ander initiatief is de zogenaamde elektronische vierhoek. Dat is een extranet (een gemeenschappelijk intranet) tussen het DG BEB, de posten DBZ, het kerndepartement van BZ en de EVD dat handelsinformatie bevat. Het extranet is door elk van de betrokken diensten te raadplegen. Voorts zijn hierin nieuwe (kleine) opdrachten van Senter, DG Innovatie en het DG Ondernemingsklimaat opgenomen.

Omzet overige departementen

Tabel 9 Omzet overige departementen
 2001200220032004200520062007
 RealisatieOntwerp-begroting     
Opdrachten Buitenlandse Zaken       
Elektronische vierhoek (€ 1 000)114162167167167167167
Steunpunten (€ 1 000)2 2123 4742 8802 8802 8802 8802 880
Opdracht OC&W       
• Nuffic0011111
• Instrumentele uitgaven00189189189189189

Onder de omzet overige departementen vallen de opdrachten die worden uitgevoerd voor het ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Omzet derden

De omzet derden betreft de omzet die buiten de rijksoverheid wordt gerealiseerd en heeft betrekking op bijdragen van bedrijven en instellingen aan promotionele en voorlichtingsactiviteiten en op de opbrengsten uit verkoop van voorlichtingsmateriaal.

Lasten

Personele kosten

De hoogte van de personele kosten wordt bepaald door prijs- en volumeontwikkelingen. De prijsontwikkelingen zijn een gevolg van de reguliere beloningsronde en een nieuwe CAO. De volumeontwikkeling komt tot uitdrukking in een groei van het personeelsbestand vanwege nieuwe opdrachten.

Voor 2003 wordt het aantal fte's op 178,5 geraamd, onderscheiden naar 141 ambtenaren en 37,5 inhuurkrachten. De gemiddelde personele kosten per ambtelijke fte zijn begroot op € 52 500 en voor een inhuurkracht op € 57 900. De kosten voor de inhuur van personeel zijn toegenomen ten opzichte van 2002 vanwege de inhuur van relatief duur automatiseringspersoneel.

Materiële kosten

De materiële kosten zijn onder te verdelen in directe en indirecte materiële kosten. Directe materiële kosten zijn de kosten ten behoeve van de uitvoering van de opdrachten en daaronder vallende producten. In 2003 worden deze kosten op € 14,9 mln geraamd. Hiertoe behoren onder andere kosten ten behoeve van de exploitatie van de NBSO's, kosten in verband met het bevragen van externe databanken, kosten van standbouw, drukkosten en dergelijke.

Indirecte materiële kosten zijn kosten die niet direct aan een product toe te rekenen zijn. De grootste post betreft huisvestingskosten (€ 1,2 mln). De huurprijs van het pand bedraagt circa € 0,5 mln per jaar.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingstermijnen bedragen voor aanpassingen aan het gebouw tien jaar, voor inventaris vijf jaar en voor automatisering drie jaar.

In 2003 bedragen de afschrijvingskosten € 0,6 mln. Deze kosten bestaan met name uit afschrijvingen op inventaris (€ 0,1 mln), automatisering (€ 0,5 mln).

Dotaties aan voorzieningen

Geraamd is een jaarlijkse dotatie aan de voorziening voor personele kosten. Deze voorziening is bedoeld voor de opvang van personele risico's zoals wachtgeld.

6. Vermogensontwikkeling

Onderstaande tabel geeft inzicht in de meerjarige vermogensontwikkeling.

Tabel 10 Overzicht Vermogensontwikkeling (bedragen in € 1 000)
 2001200220032004200520062007
1 Eigen vermogen per 1/1535708862862862862862
        
2 saldo van baten en lasten173154190288386484484
        
3a. uitkering aan moederdepartement00– 190– 288– 386– 484– 484
3b. bijdrage moederdepartement ter versterking EV0000000
3c. overige mutaties0000000
3 directe mutaties in het eigen vermogen00– 190– 288– 386– 484– 484
        
Eigen vermogen per 31/12708862862862862862862

Toelichting op de vermogensontwikkeling

De EVD stelt de jaarrekening op vóór resultaatbestemming. In het daarop volgende jaar wordt het resultaat verdeeld conform de door de Secretaris-Generaal van EZ goedgekeurde resultaatbestemming. Het eigen vermogen per 1/1 bevat het onverdeelde resultaat van het voorgaande boekjaar en het eigen vermogen per 31/12 bevat het onverdeelde resultaat van het huidige boekjaar.

In het risicobeleid van de EVD wordt aangeven welke risico's de EVD dekt uit de voorzieningen en welke risico's worden gedekt uit de exploitatiereserve.

7. Kasstroomoverzicht

Onderstaand kasstroomoverzicht geeft een analyse van de liquiditeitsontwikkeling.

Tabel 11 Kasstroomoverzicht 2003 (bedragen in € 1 000)
 2001200220032004200520062007
1. Rekening courant RHB 1 januari (incl. deposito)07 0136 7356 4566 2126 0616 366
        
2. Totaal operationele kasstroom7 8092264966567491 1481 143
        
3a. -/- totaal investeringen– 590– 1 492– 1 271– 231– 231– 231231
3b. + totaal boekwaarde desinvesteringen       
3. Totaal investeringskasstroom– 590– 1 492– 1 271– 231– 231231– 231
        
4a. -/- eenmalige uitkering aan moederdepartement– 449 – 190–288–386–484–484
4b. + eenmalige storting door moederdepartement       
4c. -/- aflossing op leningen– 206– 283– 364– 381– 283– 128– 70
4d. + beroep op leenfaciliteit4491 2711 050    
4. Totaal financieringskasstroom– 206988496– 669– 669– 612– 554
        
5. Rekening courant RHB 31 december (incl. deposito)7 0136 7356 4566 2126 0616 3666 724

Toelichting

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het saldo van baten en lasten, gecorrigeerd voor de afschrijvingen en de mutaties in de balanspost voorzieningen.

De realisatiecijfers over 2001 bevatten tevens de mutaties in de balanspost kortlopende vorderingen (€ 3,6 mln). De afname van deze balanspost is met name een gevolg van de afwikkeling van de vorderingen op het moederdepartement, zoals opgenomen in de openingsbalans bij de start van het agentschap. Daarnaast zijn in 2001 de kortlopende schulden met € 3,5 mln toegenomen.

Investeringskasstroom

De investeringskasstroom is bepaald op basis van de geraamde vervangingsinvesteringen. Daarnaast zijn incidentele investeringen voorzien in de vervanging van het financiële systeem (€ 0,3 mln in 2002 en € 0,4 mln in 2003) en de aanschaf van actieve netwerkcomponenten (€ 0,3 mln). Tevens is een verbouwing van de kantoorruimte gepland (€ 0,7 mln in 2002 en 2003).

Financieringskasstroom

Reguliere investeringen worden gedekt uit de operationele kasstroom. De overname van activa ultimo 2000 en incidentele investeringen worden gefinancierd door een beroep op de leenfaciliteit. Deze leningen worden afgelost door afschrijvingen op de betreffende activa. De uitkering aan het moederdepartement vloeit voort uit de efficiency- en inhuurtaakstelling.

Bureau voor de Industriële Eigendom (Bureau I.E.)

1. Missie

Het Bureau I.E. is een baten-lastendienst van het ministerie van Economische Zaken (EZ), dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van het octrooibeleid. Tot deze taak behoren het beschermen en verspreiden van octrooikennis en zorgdragen voor de Nederlandse inbreng in internationale organisaties, in opdracht van het DG Innovatie1.

Het Bureau I.E. beoogt om, in een blijvend op verbetering gericht proces, zijn wettelijke taken en informatieve dienstverlening, in afstemming met opdrachtgever en eigenaar, zodanig uit te voeren dat:

• de huidige en toekomstige klanten optimaal worden bediend;

• het gebruik van kennisbescherming en octrooi-informatie sterk wordt bevorderd;

• nationaal en internationaal een toonaangevende rol op het terrein van de industriële eigendom wordt gespeeld;

• een inspirerend en boeiend werkklimaat wordt geboden.

2. Strategie en doelen op hoofdlijnen

De missie van het Bureau I.E. is in relatie gebracht met de vier «stakeholders» van de organisatie, zijnde:

• de afnemers van de door Bureau I.E. geboden diensten (de klanten);

• de opdrachtgever van de aan het Bureau I.E. opgedragen taken (DG Innovatie);

• de eigenaar (Bureau Secretaris-Generaal);

• de organisatie zelf (het personeel).

Per missieonderdeel zijn Kritische Succes Factoren (KSF 'n) geformuleerd die betrekking hebben op de verbetering van de huidige producten en/of het creëren van nieuwe producten. De KSF 'n zijn vervolgens vertaald in doelen waarmee deze gerealiseerd gaan worden. Tenslotte is bij elke KSF de wijze van meten (prestatie-indicator) en de streefwaarde (instelniveau) bepaald. Naast interne sturing worden deze prestatie-indicatoren gebruikt ter toetsing van de doelmatigheid en doeltreffendheid (zie paragraaf 4).

3. Producten en diensten

Het Bureau I.E. heeft de volgende taken:

• de octrooiverlening conform de in de Rijksoctrooiwet geformuleerde voorwaarden;

• de voorlichting over het octrooisysteem alsmede de verspreiding en het toegankelijk maken van de in de octrooiliteratuur opgeslagen technische kennis;

• het medebesturen, tezamen met het DG Innovatie, van internationale organisaties op het gebied van de industriële eigendom.

Het Bureau I.E. onderscheidt de volgende productgroepen:

• De behandeling van octrooiaanvragen; activiteiten die worden uitgevoerd om te voldoen aan de wettelijke en verdragsrechtelijke verplichtingen ten aanzien van octrooiverlening.

• Het beheer van octrooien; activiteiten die worden uitgevoerd met het oog op een goed beheer van de verleende octrooien en de uitgegeven octrooidocumenten.

• Informatieverstrekking; het geven van voorlichting over de betekenis en inhoud van de octrooiregelgeving aan de gebruikers van het octrooisysteem.

• Bevordering van het octrooibewustzijn; het versterken van het octrooibewustzijn bij en het benutten van octrooi-informatie door kennisinfrastructuur, bedrijfsleven en overheid. De kennisverspreidende activiteiten zijn verwoord in een strategisch plan.

• Bijdragen aan beleidsvoorbereiding en overleg; de verschillende (nationale en internationale) gremia voor industriële en intellectuele eigendomsrechten.

4. Belangrijkste strategische ontwikkelingen in 2003

• Het wegvallen van de oude Rijksoctrooiwet 1910 (ROW 1910) heeft consequenties voor de aard en omvang van de werkzaamheden van het Bureau I.E., hetgeen een reorganisatie in de loop van 2003 noodzakelijk maakt. Bovendien is de instandhouding van kwalitatief hoogwaardige octrooideskundigheid ten behoeve van de wettelijke adviestaak van het Bureau geen vanzelfsprekendheid meer.

• Uitvoering zal worden gegeven aan het programma van kennisoverdracht van vertrekkende Octrooiraadleden aan nieuwe technici en juristen. Het Bureau I.E. onderzoekt samen met het Octrooibureau van het Verenigd Koninkrijk of het voor dat Bureau octrooi-onderzoeken en -beoordelingen kan verrichten. Gestreefd wordt om op 1 januari 2003 van start te gaan. Dit werk zou kunnen voorzien in de instandhouding van hoogwaardige octrooideskundigheid.

• Conventionele methoden voor het beheer van de octrooicollectie worden vervangen door digitale methoden. Ook de manier van het beschikbaar stellen van informatie is onder invloed van ICT sterk aan verandering onderhevig. De virtuele bestanden zullen op den duur ook de fysieke bibliotheek overbodig maken. De introductie van elektronisch gescande aanvragen zal van invloed zijn op het primaire proces.

• De door de Europese Commissie voorgenomen invoering van het Gemeenschapsoctrooi zal van invloed zijn op het volume en de aard van de werkzaamheden van het Bureau I.E.

5. Doelmatigheid en doeltreffendheid

De doelmatigheid en doeltreffendheid van het Bureau I.E. zijn zichtbaar door de ontwikkeling in de tijd van onderstaande prestatie-indicatoren.

KlantenDoelPrestatie-indicatorenStreefwaarde
Goede kwaliteit van dienstenOntwikkelen en nakomen kwaliteits-afspraken1Inschrijving nieuwe wet aanvragen in octrooiregister binnen 19 maanden na indieningsdatum1100%
  2Foutenpercentages mutaties octrooiregister2max. 1%
  3Behandeling nieuwheidsonderzoeken binnen 10 maanden3100%
Toegankelijke octrooi informatieVerbeteren van performance en functionaliteit systemen1Beschikbaarheid systemen OIO, Espacenet en STAR binnen kantooruren (8.30 – 17.00 uur)199%
Optimale communicatieOntwikkelen en aanbieden van electronische dienstverlening1Electronisch octrooi aanvragen mogelijk maken1Begin 2004 gereed
  2Electronische taksbetalingsopdrachten voor betaalbureaus en octrooigemachtigden mogelijk maken2Einde 2003 gereed
Goede infrastructuur bij de doelgroepen van kennisverspreidingBenaderen via intermediairs en eigen samenwerkingsverbanden1Octrooi adviseurs detacheren bij vijf centraal gelegen Syntens-vestigingen1Vanaf 2002
 Inrichten van de organisatie naar doelgroepen2Opzetten bureaubrede front- en backoffice structuur2Conceptfase voor einde 2003
EigenaarDoelPrestatie-indicatorenStreefwaarde 2003
Hoogwaardig agentschapOrdelijk en controleerbaar financieel beheer1Accountantsverklaring en toezichtsverslag FEZ1Goedkeurend en positief advies
Efficiënte bedrijfsvoeringHogere produktiviteit door inzet electronische middelen1Efficiencywinst110% in 5 jaar
  2Directe uren ten opzichte van totaal aantal uren2Toename van 2% ten opzichte van 2002
OpdrachtgeverDoelPrestatie-indicatorenStreefwaarde 2003
Uitstekende uitvoerder Rijksoctrooiwet 1995Strikte en integere uitvoering van de wet en regelgeving1Percentage adviezen dat door de rechter wordt overgenomen1100%
Efficiënte uitvoeringAantrekkelijke tarieven1 Gunstige tariefontwikkeling1Reëele stijging 0%
  2Resultaat2Positief
Bijdrage aan goed bestuur bij internationale I.E. organisatiesActieve houding in internationale besturen1Tevredenheid opdrachtgever (meten door enquete)1Goed
Mate doelbereiking opdrachtenHaalbare doelen zoveel mogelijk bereiken1% doelbereiking jaaropdracht en specifieke opdrachten195%
PersoneelDoelPrestatie-indicatorenStreefwaarde 2003
Aantrekkelijke marktconcurrerende werkgever zijn door professioneel HRM en moderne middelenFlexibele inschalings-systematiek en functiereeksen toepassen1Realisatiegraad1Eind 2003 gereed
 Persoonlijke ontwikkelingsplannen voor alle medewerkers2Procentele aanwas van realisatie (van alle medewerkers)233%
 Moderne werkomgeving3Vervanging PC-systemen in procenten van werkplek333%
 Optimale delegatie van bevoegdheden4Organisatorische aanpassing4Realisatie in 2003
 Ontwikkelingsmogelijkheden5Opleidingsbudget per FTE5€ 1044

6. Begroting van baten en lasten

Tabel 2 Meerjarenbegroting (bedragen in € 1000)
 Ontwerpbegroting 2002Raming 200220032004200520062007
Baten       
Omzet moederdepartement17 38018 15318 08818 08818 08818 08818 088
Omzet overige departementen000 000
Omzet derden227231198198198198198
Rentebaten0000000
Overige baten0000000
Totaal baten17 60718 38418 28618 28618 28618 28618 286
        
Lasten       
Apparaatskosten       
* personele kosten8 8039 2849 6619 6829 6049 6049 604
* materiële kosten; advieskosten EOB2 3602 1781 7461 7461 7461 7461 746
* materiële kosten; overig4 9015 1915 2695 3005 3005 3005 300
Rentelasten12712794141171189196
Afschrijvingskosten       
* materieel1 1801 1881 1111 0671 0791 2221 413
* immaterieel000 000
Dotaties voorzieningen000 000
Buitengewone lasten000 000
Totaal lasten17 37117 96817 88117 93617 90018 06118 259
        
Saldo van baten en lasten23641640535038622527

Toelichting:

Baten

Omzet moederdepartement

Het Bureau I.E. verkrijgt zijn opbrengsten voor het overgrote deel uit de opdracht van het DG Innovatie.

De omzet is als volgt over de productgroepen verdeeld:

Tabel 3 Omzet per productgroep (bedragen in € 1000)
 200220032004200520062007
Activiteiten in verband met de behandeling van octrooiaanvragen7 7346 4406 4406 4406 4406 440
Activiteiten in verband met het beheer van octrooien3 8514 1344 1344 1344 1344 134
Activiteiten in verband met informatieve taken2 5472 5102 5102 5102 5102 510
Bevorderen octrooibewustzijn3 4234 3434 3434 3434 3434 343
Bijdragen aan beleidsvoorbereiding en overleg796859859859859859
Totaal producten18 35118 28618 28618 28618 28618 286
Overige omzet33     
Totaal18 38418 28618 28618 28618 28618 286

De lagere omzet ten aanzien van de behandeling van octrooi aanvragen is het gevolg van de afname van werkzaamheden in het kader van de oude Rijksoctrooiwet 1910. De daling wordt deels gecompenseerd door een toename van activiteiten ter bevordering van het octrooibewustzijn.

Omzet derden

Dit betreft voornamelijk aan klanten van het Bureau I.E. in rekening gebrachte diensten met betrekking tot fotokopieën en prints van octrooiliteratuur en inschrijfgelden van workshops.

Rentebaten

De renteopbrengst wordt berekend aan de hand van het gemiddelde saldo op de rekening-courant met de Rijkshoofdboekhouding.

Lasten

Personeel

Teneinde flexibel in te kunnen spelen op veranderingen in de vraag streeft het Bureau I.E. naar een aandeel van 20% aan flexibel personeel in het totale personeelsbestand. De gemiddelde bezetting aan ambtelijke fte is als volgt:

Tabel 4 gemiddelde bezetting ambtelijk personeel in fte (bedragen in € 1 000)
 200220032004200520062007
Aantal fte ambtelijk personeel175176176176176176
Tarief per ambtelijke fte (in € 1000)535555555555

Het tarief van ambtelijk personeel stijgt in 2003 doordat er rekening is gehouden met een CAO-stijging en periodieken.

Materieel; advieskosten EOB

Internationale nieuwheidonderzoeken worden verplicht uitgevoerd door het Europees Octrooibureau (EOB). De nationale nieuwheidonderzoeken kunnen gedeeltelijk worden uitbesteed aan het EOB.

Door de intrekking van de Rijksoctrooiwet 1910 heeft het Bureau I.E. de ruimte om met ingang van 2003 meer personele capaciteit in te zetten voor bijvoorbeeld het zelf uitvoeren van nationale nieuwheidonderzoeken. Dit leidt tot een verschuiving van advieskosten EOB naar personele kosten van ongeveer € 0,4 mln op jaarbasis.

Materieel; overig

De overige materiële kosten bestaan voor het overgrote deel uit directe kosten ten behoeve van de opdracht van het DG Innovatie. Deze kosten zullen de komende jaren naar verwachting ongeveer € 3,2 mln. bedragen.

Het Bureau I.E. is gehuisvest in het pand van het Europees Octrooi Bureau (EOB). Voor het gebruik van het pand worden huuren servicekosten in rekening gebracht.

Tabel 5 Huisvestingskosten (bedragen in € 1000)
Huur870
Servicekosten huisvesting EOB1 002
Overige huisvestingskosten133
Totaal2005

Rentelasten

De rentelasten hebben betrekking op leningen die worden opgenomen ten behoeve van investeringen in materiële vaste activa. Voor de leningen wordt een beroep gedaan op de leenfaciliteit bij het ministerie van Financiën.

Afschrijvingskosten materieel

De materiële vaste activa op de openingsbalans en de investeringen in de jaren 2002 tot en met 2007 worden afgeschreven in 3 of 5 jaar. Kantoorautomatisering wordt in 3 jaar afgeschreven en inventaris, software en hardware in 5 jaar.

Afgeschreven wordt over de materiële vaste activa per 1 januari 2002 en de investeringen in vaste activa in de periode van 2002 tot en met 2007. Daarbij is onder meer rekening gehouden met de vervanging van informatiesystemen die de primaire taken van het Bureau I.E. ondersteunen.

Saldo van baten en lasten

Het positieve saldo van baten en lasten wordt toegevoegd aan de exploitatiereserve met een maximum van 5% van de omzet van het begrote jaar. Daarna wordt gestreefd naar een maximum van 5% van het gemiddelde over de drie meest recente realisatiejaren. Het saldo boven het maximum wordt uitgekeerd aan het moederdepartement.

7. Overzicht vermogensontwikkeling

Onderstaande tabel geeft inzicht in de meerjarige vermogensontwikkeling.

Tabel 6 Overzicht vermogensontwikkeling (bedragen in € 1000)
 200220032004200520062007
1 Eigen vermogen per 1/14648801 1111 1981 2311 014
2 Saldo van baten en lasten41640535038622527
3 Directe mutaties in het eigen vermogen:      
3a uitkering aan moederdepartement0– 174– 263– 353– 442– 442
3b exploitatiebijdrage moederdepartement000000
3c overige mutaties000000
Eigen vermogen per 31/128801 1111 1981 2311 014599

Toelichting:

Het Bureau I.E. stelt de jaarrekening op vóór resultaatbestemming. In het daarop volgende jaar wordt het resultaat verdeeld conform de door de Secretaris-Generaal van EZ goedgekeurde resultaatbestemming. Het eigen vermogen per 1/1 bevat het onverdeelde resultaat van het voorgaande boekjaar en het eigen vermogen per 31/12 bevat het onverdeelde resultaat van het huidige boekjaar.

Voor dekking van de exploitatierisico's in het eerste jaar als agentschap is, conform het risicobeleid, een startkapitaal door EZ verstrekt van € 0,46 mln.

8. Kasstroomoverzicht

Onderstaand kasstroomoverzicht geeft een analyse van de liquiditeitsontwikkeling.

Tabel 7 Kasstroomoverzicht (in € 1000)
 200220032004200520062007
1. Rekening courant RHB 1 januari01 3141 7351 7531 6951 144
       
2. Totaal operationele kasstroom1 1271 0041 0391 2901 3021 295
       
3a. -/- totaal investeringen– 1 348– 1 363– 1 363– 1 363– 1 363– 1 363
3b. + totaal boekwaarde desinvesteringen000000
3. Totaal investeringskasstroom– 1 348– 1 363– 1 363– 1 363– 1 363– 1 363
       
4a. -/- eenmalige uitkering aan moederdepartement0– 174– 263– 353– 442– 442
4b. + storting door moederdepartement32000000
4c. -/- aflossing op leningen– 133– 409– 758– 995– 1 211– 1 411
4d. + beroep op leenfaciliteit1 3481 3631 3631 3631 3631 363
4. Totaal financieringskasstroom1 53578034215– 490– 490
       
5. Rekening courant RHB 31/121 3141 7351 7531 6951 144586

Toelichting:

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het saldo van de baten en lasten, gecorrigeerd voor afschrijvingen en mutaties in de voorzieningen. Aangenomen is dat het werkkapitaal op de balansdatum onveranderd blijft.

Investeringskasstroom

Deze wordt gesteld op een gemiddelde van € 1,3 mln per jaar.

De investeringen in 2003 hebben voornamelijk betrekking op de aankoop van hardware en de ontwikkeling van software (€ 0,6 mln), de herinrichting van werkplekken (€ 0,5 mln) en de aanschaf van kantoorautomatisering (€ 0,2 mln).

Financieringskasstroom

De leningen worden afgelost uit de afschrijvingscomponent, ingecalculeerd in de ontvangen opdrachtsom van het moederdepartement. De vaste activa op de openingsbalans worden gefinancierd uit de langlopende voorzieningen. Voor de financiering van de investeringen in 2002 en volgende jaren wordt een beroep gedaan op de leenfaciliteit.

De uitkering aan het moederdepartement vloeit voort uit de efficiency- en inhuurtaakstelling uit het regeerakkoord.

Telecom

Per 1 januari 1996 is het agentschap Telecom (voorheen Inspectie Verkeer en Waterstaat, divisie Telecom) intern verzelfstandigd tot een agentschap van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Met ingang van 22 juli 2002 is het eigenaarschap overgegaan naar het ministerie van Economische Zaken.

De bijdrage van het moederdepartement aan het agentschap Telecom wordt verantwoord op beleidsartikel 10 van de begroting van het Ministerie van Economische Zaken.

1. Taken en grondslag (missie)

Het agentschap Telecom is de nationale instantie die voor Nederland uitvoering geeft aan het telecommunicatiebeleid en de daarbij behorende wet- en regelgeving.

De missie van het agentschap Telecom luidt als volgt:

Het zorgdragen voor optimale telecommunicatiemogelijkheden.

Binnen dit kader vervult het agentschap Telecom de volgende hoofdtaken:

1. het verwerven van frequentieruimte

2. het toewijzen van frequentieruimte

3. het beschermen van frequentieruimte

4. uitvoering van het Nationaal Antennebeleid

2. Producten en diensten

De producten en diensten van het agentschap Telecom zijn opgenomen in de tabellen 1 en 3 van paragraaf 3.

3. Tarieven en prestatie-indicatoren

Tarieven

Het agentschap Telecom opereert in zijn totaliteit kostendekkend. Speerpunt van het tarievenbeleid is, naast een kostendekking in totalen, een kostendekking van 100% per productgroep in meerjarig perspectief. Daarnaast is het uitgangspunt dat de baathebber betaalt voor de uitvoering van telecommunicatiebeleid, in dit geval de kosten van het agentschap Telecom.

Prestatie-indicatoren

Het verlenen van vergunningen voor het gebruik van het frequentiespectrum en hiertoe behorende apparatuur.

Tabel 1 Overzicht vergunningverlening agentschap Telecom
 2001200220032004200520062007
Aantal vaste verbindingen7 5337 7158 2159 21510 21510 21510 215
Aantal mobiele communicatie296 474282 490243 890243 890243 890243 890243 890
Aantal openbare telefonie en semafonie27262626262626
Aantal radiodeterminaties11 33011 26011 26011 26011 26011 26011 260
Aantal radiozendamateurs14 52214 34513 50012 50012 50012 50012 500
Aantal omroepen473500500500500500500
Aantal examens11 72412 50012 50012 50012 50012 50012 500
Aantal verklaringen, keuringen en erkenningen9101010101010
Aantal randapparatuur (x 1 000)74 84075 00076 00077 00078 00078 00078 000

Ten aanzien van de vergunningverlening gelden de volgende kwalitatieve doelstellingen:

Tabel 2 Kwalitatieve doelstellingen vergunningverlening
VergunningNorm
Standaardvergunning100% huisvestingsmogelijkheden
Complexe vergunningen100% huisvestingsmogelijkheden conform afspraak
Electronische vergunningsaanvragenBinnen 8 weken afgehandeld
Vergunningaanvragen met internationale coördinatie95% afgehandeld conform afspraak
Naleving vergunningsvoorwaardenConform afspraken op Produkt-Markt niveau

Ter toelichting op de gegevens met betrekking tot vergunningverlening het volgende.

Momenteel wordt onderzoek gedaan naar de mogelijke vrijstelling van enkele vergunningscategorieën. Het gaat daarbij vooralsnog om vergunningen voor VHF/UHF installaties voor maritiem gebruik (marifoons), radar-installaties voor maritiem gebruik en radiozendamateurs. Dat kan er toe leiden, dat vanaf 2003 de aantallen voor de productgroepen mobiele communicatie, radiodeterminatie en radiozendamateurs substantieel afnemen. Besluitvorming hierover moet nog plaatsvinden. Ook het aantal examens loopt mogelijk fors terug als gevolg van de overdracht van activiteiten aan derden.

Het houden van toezicht op de naleving van de wet- en regelgeving

Tabel 3 Overzicht handhaving Telecom
 2001200220032004200520062007
Aantal goedgekeurde inspecties3 6873 6003 0002000500500500
Aantal afgehandelde controles gebruiksvoorw.618500300300300300300
Aantal uren optreden tegen illegaal gebruik4 8021200013 0008 0006 0006 0006 000
Aantal afgehandelde storingsklachten1 0871 0001 000800600600600
Aantal controles R&TTE richtlijn345300200200200200200

Ten aanzien van de handhaving gelden de volgende kwalitatieve doelstellingen:

Tabel 4 Kwalitatieve doelstellingen handhaving
OnderwerpNorm
Doorlooptijd storingsklachten van levensbelang100% binnen 4 uur
Doorlooptijd storingsklachten van maatschappelijk belang100% binnen 24 uur
Doorlooptijd storingsklachten van economisch belang90% binnen 48 uur
Doorlooptijd storingsklachten van individueel belang85% binnen 30 dagen
Kostendekking per produktgroep in meerjarig perspectief100%

Ter toelichting op de gegevens met betrekking tot handhaving het volgende.

De afname van de prestatiegegevens wordt veroorzaakt door: een hoog nalevingniveau, effecten van bestuursrechtelijk optreden, daling van de klachten door intelligente apparatuur en meer kennis van radiocommunicatie bij gebruikers. Een aantal activiteiten wordt overgenomen door het vast meetnet. Niet-kerntaken, zoals toezicht op veiligheid aan boord van schepen ten behoeve van de Scheepvaartinspectie worden mogelijk afgestoten. Eén en ander zal leiden tot een kleinere, compacte handhavingorganisatie met een brandweerfunctie (uitgerust voor calamiteiten).

4. Begroting van baten en lasten

Tabel 5 Meerjarenbegroting (bedragen in € 1 000)
 Realisatie2001200220032004200520062007
Baten       
Opbrengst productgroepen23 17223 12525 33326 24927 06027 93030 440
Opbrengst moederdepartement6 2473 3903 2893 1853 2153 2153 215
Rentebaten415227227227227227227
Diversen541113113113113113113
Overige opbrengsten09081 9281 9281 9281 9281 928
Totaal baten30 37527 76330 89031 70232 54333 41335 923
        
Lasten       
Apparaatskosten       
* personele kosten17 68318 28919 53019 07619 07619 07619 076
* materiële kosten7 4769 1689 73110 00410 00510 00610 007
Rentelasten372499577672835786707
Afschrijvingskosten       
* materieel3 5592 9502 9503 1763 9935 0825 445
* immaterieel0000000
Dotaties voorzieningen248272272272272272272
Buitengewone lasten76000000
Totaal lasten29 41431 17833 06033 20034 18135 22235 507
        
Saldo van baten en lasten961– 3 415– 2 170– 1 498– 1 638– 1 809416

Toelichting op de begroting van baten en lasten

Baten

Bij de bepaling van de baten wordt rekening gehouden met het tarievenbeleid zoals dat bepaald is binnen het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Opbrengst productgroepen

In de eerstkomende jaren worden de opbrengsten uit de productgroepen relatief laag gehouden. Dit in verband met de vereiste afbouw van het agentschapvermogen. Na afbouw van het eigen vermogen, conform het beleid in dezen van het Ministerie van Financiën, zullen de tarieven weer op een kostendekkend niveau worden gebracht.

De opbrengst is als volgt onderverdeeld naar productgroep:

Tabel 6 Omzet naar produktgroep (bedragen in € 1 000)
 2001200220032004200520062007
Vaste verbindingen2 8122 1802 3882 4752 5512 6332 870
Mobiele communicatie10 71110 54311 54911 96712 33712 73313 878
Mobiele openbare telefonie1 7641 6311 7871 8521 9091 9702 147
Radiodeterminatie425461505523539557607
Radiozendamateurs576565619641661682743
Omroep4 2774 7765 2335 4225 5885 7706 289
Examens230233255264273281306
Afgifte verklaringen, keuringen en erkenningen203387424439453467509
Randapparatuur2 1742 3492 5732 6662 7492 8373 091
Totaal23 17223 12525 33326 24927 06027 93030 440

Momenteel wordt nader onderzoek gedaan naar wenselijkheid van de voortzetting van het huidige vergunningsregime. Op onderdelen zou dit een wijziging kunnen inhouden.

Daardoor kan de opbrengst van de productgroepen onder druk komen te staan. Echter, in de gepresenteerde opbrengsten van de productgroepen is rekening gehouden met het huidige vergunningenen tarievenbeleid en zijn de financiële gevolgen van de vrijstellingen niet doorberekend. Voorzien wordt dat een gedeelte van de lasten niet gefinancierd kan worden middels de opbrengsten van de productgroepen. Zodra over de (on)mogelijkheden van het vrijstellen meer bekend is, zal besluitvorming over de wijze van financiering plaats moeten vinden.

Opbrengst moederdepartement

De opbrengst moederdepartement bestaat in 2003 uit een bijdrage in de kosten van bezwaar en beroep, repressief strafrechtelijke handhaving, compensatie van de rente die moet worden betaald voor het beroep op de leenfaciliteit en kosten die voortvloeien uit het aspect veiligheid.

Diversen

Onder de post diversen zijn de incidentele baten opgenomen die niet het directe resultaat zijn van de bedrijfsvoering van het agentschap Telecom.

Overige opbrengsten

De overige opbrengsten hebben betrekking op werkzaamheden die het agentschap Telecom uitvoert in opdracht van DGTP en op werkzaamheden ten aanzien van het Nationaal Antennebureau. In 2002 wordt de wijze van financiering van het Nationaal Antennebureau nader uitgewerkt. In 2002 zullen deze kosten worden gefinancierd uit het eigen vermogen van het agentschap Telecom. Vanaf 2003 worden opbrengsten verwacht voor het Nationaal Antennebureau, wat de verhoging verklaart ten opzichte van 2002.

Lasten

Personeel

In 2003 is een incidentele groei in de formatie voorzien van 12 FTE's. De verwachte gemiddelde bezetting in 2003 bedraagt 353 FTE's.

Deze groei zal na 2003 worden afgebouwd. De tijdelijke groei in formatie is noodzakelijk om de kwaliteit van de dienstverlening naar de relaties van het agentschap Telecom op gewenst niveau te kunnen houden en is een gevolg van de noodzakelijke herverlening van vergunningen. Extra zorg voor het aspect veiligheid vergt structureel extra inzet. Bovendien wordt een stijging in de salarislasten voorzien als gevolg van CAO-afspraken. De gemiddelde personele kosten per FTE zijn voor 2003 begroot op € 55 000.

Materieel

De materiële lasten hebben betrekking op de huisvesting en andere algemene kosten die het agentschap Telecom moet maken voor de uitvoering van het beleid. De huisvestingskosten in de begrotingsperiode zijn begroot op € 2,42 mln.

De rentelasten zijn het gevolg van het beleid van het Ministerie van Financiën de vaste activa te laten financieren middels vreemd vermogen waarover rente is verschuldigd.

Saldo van baten en lasten

Over de komende jaren worden negatieve resultaten voorzien. Dit negatieve resultaat zal ten laste van het eigen vermogen worden gebracht zodat invulling gegeven kan worden aan het beleid van het Ministerie van Financiën het eigen vermogen af te bouwen tot een maximum van 5% over de gemiddelde omzet van de laatste drie jaren. Middels het in rekening brengen van niet kostendekkende tarieven wordt in de komende jaren geleidelijk het eigen vermogen afgebouwd. Conform het vastgestelde tarievenbeleid worden de resultaten over voorgaande jaren betrokken in de tariefstelling voor het komende jaar. Op deze wijze wordt tevens voorkomen dat de tarieven jaarlijks te veel fluctueren.

5. Agentschapvermogen

Onderstaande tabel geeft inzicht in het begrote verloop van het vermogen van het agentschap Telecom.

Tabel 7 Overzicht Vermogensontwikkeling (bedragen in € 1 000)
 2001200220032004200520062007
1 Eigen vermogen per 1 januari13 25611 7678 3526 1824 6853 0471 238
2 saldo van baten en lasten961– 3 415– 2 170– 1 497– 1 638– 1 809416
3 directe mutaties in het eigen vermogen:       
3a uitkering aan moederdep. – 2 450000000
3b bijdrage moederdepartement ter versterking EV       
3c overige mutaties       
        
Eigen vermogen per 31 december11 7678 3526 1824 6853 0471 2381 654

Het agentschap Telecom heeft in 1996 bij de oprichting als agentschap een startkapitaal ontvangen van DGTP van € 2,45 mln. In 2001 zijn DGTP en het agentschap Telecom overeengekomen dat Telecom het startkapitaal terug zou storten in een termijn van vier jaren. Het startkapitaal is in mindering gebracht op het eigen vermogen en als schuld opgenomen.

Tabel 8 Normering vermogen (bedragen in € 1 000)
 1998199920002001200220032004200520062007
Gerealiseerde omzet (excl. Rentebaten en diversen)27 66528 26229 93729 419      
Geprognosticeerde omzet (idem)    27 42330 55031 36231 20333 07333 972
           
5% van de gemiddelde omzet van de laatste drie jaren  1 4311 4601 4461 4571 4891 5691 6111 654
           
Normering agentschapvermogen  1 4311 4601 4461 4571 4891 5691 6111 654

6. Kasstroomoverzicht

Tabel 9 Kasstroomoverzicht (bedragen in € 1 000)
 2001200220032004200520062007
 Realisatie      
1. Rekening courant RHB en overige liquide middelen per 1 januari13 37013 0299 2587 3076 0864 4592 707
        
2. Totaal operationele kasstroom2 442– 4657801 6792 3563 2735 862
        
3a. -/- totaal investeringen– 3 896– 4 855– 3 180– 5 599– 7 757– 3 508– 3 338
3b. + totaal boekwaarde desinvesteringen       
3. Totaal investeringskasstroom– 3 896– 4 855– 3 180– 5 599– 7 757– 3 508– 3 338
        
4a. -/- eenmalige uitkering aan moederdepartement       
4b. + eenmalige storting door moederdepartement       
4c. -/- aflossing op leningen– 2 982– 2 406– 2 731– 2 900– 3 983– 5 025– 5 397
4d. + mogelijk beroep op leenfaciliteit4 0953 9553 1805 5997 7573 5083 338
4. Totaal financieringskasstroom1 1131 5494492 6993 774– 1 517– 2 059
5. Rekening courant RHB en overige liquide middelen per 31 december(maximale roodstand 0,5 miljoen euro)13 0299 2587 3076 0864 4592 7073 172

Toelichting op het kasstroomoverzicht

De operationele kasstroom bestaat grotendeels uit het resultaat van baten en lasten, mutaties in de balans en uit de afschrijvingen.

In 2003 zal naar verwachting ca € 3,2 mln worden geïnvesteerd in materiële vaste activa.

De investeringen hebben voornamelijk betrekking op: kantoormachines, communicatie apparatuur, hard- en software en vervoermiddelen (€ 1,5 mln) en electronische meetapparatuur (€ 1,3 mln).

In de begroting is er van uitgegaan dat de opbrengst van de productgroepen in de komende jaren zal stijgen. Indien deze stijging niet gerealiseerd kan worden, bijvoorbeeld als gevolg van het vrijstellen van vergunningen, dan wordt een negatief rekening courant saldo voorzien.

5. DE VERDIEPINGSBIJLAGE

In deze verdiepingsbijlage bij de EZ-begroting 2003 vindt u per beleidsartikel een toelichting op de majeure beleidsmatige mutaties, voorzover deze niet reeds zijn opgenomen in de eerste suppletore begroting 2002. Als uitgangspunt voor de toe te lichten mutaties worden de verplichtingenmutaties genomen omdat het EZ-beleid in eerste instantie tot uitdrukking komt in het aangaan van verplichtingen. De kasuitgaven zijn daarna volgend, waarbij kasbetalingen veelal gespreid over meerdere jaren plaatsvinden. Hierdoor bestaat er meestal een verschil tussen de verplichtingenmutatie en de uitgavenmutatie.

Tevens worden de belangrijkste ontvangstenmutaties toegelicht.

Artikel 1 Werking binnenlandse markten

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x € 1000)
 t/m 20002001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002 47 72746 81545 64745 45545 457 
Mutatie 1e suppl. Begroting 2002 37 76737 09033 99033 99033 990 
Nieuwe mutaties  2 4224 4744 2083 9793 780 
1. NMa  1443 2083 3983 3983 398 
2. Taakstelling efficiency   – 182– 364– 545– 728 
3. Taakstelling externen   – 851– 851– 851– 851 
4. Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties  2 2782 4812 2062 1601 961 
Stand ontwerp-begroting 2003 8 441  1 073 09887 91688 37983 84583 42483 22783 227
Waarvan nog te betalen7 3591 059 07587 84788 32483 84583 11082 91382 913
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x € 1000)
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002 49 11447 42846 26343 38044 832 
Mutatie 1e suppl. Begroting 2002 41 69537 22533 99033 99033 990 
Nieuwe mutaties 8 0535 2804 3773 9833 783 
Stand ontwerp-begroting 20031 050 47498 86289 93384 63081 35382 60582 913
w.v. Algemeen9 27714 05212 37712 40010 60212 12412 435
w.v. Tegengaan concurrentieverst.26 24229 28328 43225 32625 14124 99424 994
w.v. Bevordering concurrentiebev.999 08533 56329 50029 50029 50029 50029 500
w.v. Versterken economische dynamiek32977660747   
w.v. Bev. Transp. en eerlijke handel15 54121 18819 01717 35716 11015 98715 984
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x € 1000)
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002 97 096108 396117 427117 427117 427 
Mutatie 1e suppl. Begroting 2002 12 83512 8351 4901 4901 490 
Nieuwe mutaties 1 365     
Stand ontwerp-begroting 200389 098111 296121 231118 917118 917118 917118 917

Toelichting mutaties

1. De NMa heeft met ingang van 2002 extra middelen toegekend gekregen (oplopend tot € 3,4 mln structureel). Hiervan heeft € 1,4 mln betrekking op toezicht op de marktwerking in de financiële markten. Het resterende bedrag (€ 2 mln) zal grotendeels worden aangewend voor extra toezicht op de marktwerking in de zorgsector.

2. Betreft de verwerking van de 4%-efficiencykorting op het overheidspersoneel uit het Strategisch Akkoord.

3. Betreft de invulling van de taakstelling externen uit het Strategisch Akkoord.

Artikel 2 Bevorderen van innovatiekracht

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 t/m 20002001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002  594 228579 277525 414504 728513 377 
Mutatie 1e suppl. begroting 2002  17 4053 2713 2803 2863 285 
Nieuwe mutaties  98 260– 8 913– 30 798– 36 489– 41 797 
1. Internationale ruimtevaartprogramma's<  24 050     
2. First Mover Faciliteit  23 041– 6 807– 6 807– 6 807– 6 807 
3. Joint Strike Fighter   – 1 400– 2 700– 12 000– 11 300 
4. Regeling Infrastructuur Technostarters   11 345    
5. Kennis- en Innovatie-Impuls  8 420     
6. Actieplan Life Sciences   – 7 714    
7. Technologische vernieuwing   – 7 798– 6 076– 6 076– 6 076 
8. Kennisoverdrachtinstrumenten   – 7 059– 7 059– 7 059– 12 059 
9. Diverse regelingen Innovatiebeleid   – 5 901– 6 454– 8 672– 8 687 
10. Bijdrageregeling Technologische Samenwerking  5 200 – 1 013   
11. Subsidieregeling technostarters    – 5 000   
12. Economie, Ecologie en Technologie  4 5384 992    
13. Scholingsimpuls  3 8476 000    
14. Twinning  4 538     
15. MEDEA  3 631     
16. Concurreren met ICT-Competenties  3 553     
17. InnovatieNet  3 176     
18. Geomatica Business Park  – 2 269     
19. Innovatieve Onderzoeksclusters  1 951     
20. Regionale Technostartersregeling  1 815     
21. Loon- en prijsbijstellingen  6 9906 8776 9106 9426 878 
22. Taakstelling externen   – 1 119– 1 119– 1 119– 1 119 
23. Taakstelling efficiency   – 84– 169– 253– 337 
24. Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties  5 779– 245– 1 311– 1 445– 2 290 
Stand ontwerp-begroting 2003834 518628 277709 893573 635497 896471 525474 865487 432
Waarvan nog te betalen792 739610 410678 355551 845479 191453 912457 915471 615
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002 580 750567 251568 707581 518584 656 
Mutatie 1e suppl. begroting 2002 – 2 093– 10 340– 2 718– 10 594– 16 540 
Nieuwe mutaties – 12 96830 970– 5 152– 24 965– 36 210 
Stand ontwerp-begroting 2003490 173565 689587 881560 837545 959531 906551 437
w.v. Algemeen45 83858 52353 87749 55950 24951 17650 903
w.v. Infrastructuur voor innovatie120 314151 835168 449157 104159 065134 506175 105
w.v. Innovatie in de markt228 395263 116271 021259 558259 821271 878249 777
w.v. Excellente basis voor ICT95 62692 21594 53494 61676 82474 34675 652
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)>
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002 154 64899 358100 69897 22297 222 
Mutatie 1e suppl. begroting 2002 – 4 7125 00020 882   
Nieuwe mutaties 178178178178178 
Stand ontwerp-begroting 2003126 383150 114104 536121 75897 40097 40097 400

Toelichting mutaties

1. In de Ministersconferentie van november 2001 is op EU-niveau tot toewijzing van middelen aan de diverse ruimtevaartprogramma's besloten. De Tweede Kamer is hierover op 17 december 2001 geïnformeerd (Kamerstukken II 2001/02, 24 446, nr. 13). De hiermee samenhangende commiteringen worden in 2002 verricht, met als gevolg dat het daarvoor in 2001 gereserveerde verplichtingenbudget dient te worden verschoven van 2001 naar 2002.

2. In april 2002 is de opzet van de First Mover Faciliteit gemeld aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2001/02, 28 347, nr. 1). Bij de start van dit instrument, voorzien in het najaar van 2002, zal een verplichting van € 27,2 mln worden aangegaan in verband met een achtergestelde lening aan de Onderlinge Waarborgmaatschappij. Gezien deze eenmalige commitering wordt voorgesteld de verplichtingenbudgetten in de jaren 2003 tot en met 2006 naar het jaar 2002 te verschuiven.

3. Deze mutatie houdt verband met de dekking van het benodigde budget voor de Joint Strike Fighter vanuit de middelen voor de regeling Civiele Vliegtuigontwikkeling. Zie ook de toelichting bij artikel 3 Bevorderen Ondernemingsklimaat.

4. Publicatie van de subsidieregeling Infrastructuur Technostarters heeft plaatsgevonden op 17 april 2002 (Stcrt. 2002, 74). Voor deze regeling is in totaal een bedrag van € 45,4 mln gereserveerd, ten behoeve van de periode 2001 tot en met 2004. Vanwege het feit dat de regeling pas vanaf 2002 tot commiteringen zal leiden, wordt voorgesteld het budget voor 2001 door te schuiven naar 2003.

5. De Kennis- en Innovatie-impuls is minder snel van start gegaan dan verwacht. Programma's voor vraaggestuurd fundamenteel-wetenschappelijk onderzoek vergen een lange voorbereidingstijd in verband met de complexiteit van de afstemming tussen vraag en aanbod, het zorgvuldig bepalen van de onderzoeksfocus en de lange uitvoeringstermijn. Na de totstandkoming van de programma's moeten onderzoekstenders worden georganiseerd, projectvoorstellen worden beoordeeld en projectsubsidies worden toegewezen. Wanneer projectsubsidies zijn toegewezen, duurt het in de huidige onderzoeksarbeidsmarkt dikwijls geruime tijd voordat geschikte onderzoekers zijn gevonden. Van het oorspronkelijke budget in 2001 van € 11,7 mln is tot nu toe € 1,0 mln verplicht als ophoging van de TNO-doelsubsidie in 2001 en € 2,3 mln voor Katalyse. Voorgesteld wordt het restantbudget (€ 8,4 mln) door te schuiven naar 2002 voor de reeds eerder geplande uitgaven.

6. Voor het Actieplan Life Sciences is voor de periode 1999 t/m 2004 in totaal € 47,6 mln beschikbaar. In 2000 en 2001 is de uitputting van het budget in een aanzienlijk hoger tempo gegaan dan was voorzien. Voorgesteld wordt het extra benodigd budget van € 7,7 mln te versnellen uit het jaar 2003.

7. Ter invulling van de subsidietaakstelling in het Strategisch Akkoord wordt voor diverse regelingen die vallen onder Technologische Vernieuwing het budget verlaagd of beëindigd. Het gaat hierbij om het aflopen van de bijdrage aan de Innovatieve Onderzoeksclusters (IOC's) en verlaging van het budget voor de Scholingsimpuls en de Kennisimpuls. Voor beide laatstgenoemde regelingen geldt dat de verlaging een klein gedeelte van het totale budget betreft. Aangezien de streefwaarden relatief generiek van karakter zijn, is er geen aanleiding deze aan te passen.

8. Ter invulling van de subsidietaakstelling in het Strategisch Akkoord wordt het budget voor Kennisoverdrachtinstrumenten verlaagd. Vanwege lager dan verwacht beroep op de regelingen Kennisoverdracht Ondernemers MKB (SKO) en Kennisoverdracht Branches (SKB), wordt voorgesteld de budgetten voor deze regelingen in de jaren 2003 tot en met 2005 te verlagen. Om invulling te geven aan de subsidietaakstelling zijn de budgetten in 2006 en 2007 € 5 mln additioneel verlaagd.

9. Deze mutatie betreft met name beëindiging van de regelingen Technologie & Samenleving en Subsidieregeling Referentieprojecten Milieutechnologie, ter invulling van de subsidietaakstelling in het Strategisch Akkoord.

10. Voor de regeling Technologische Samenwerking (TS) was in 2002 publicatie van een drietal tenders voorzien, ter grootte van elk € 23,6 mln. Ten gevolge van een hoger dan verwacht beroep op de tweede tender van 2001 was er in 2002 een tekort van € 12,9 mln. Dit is gedekt door ten eerste een verlaging van het budget voor de tweede tender 2002 van € 23,6 naar € 15,9 mln, ten tweede € 4,2 mln verplichtingenbudget over te hevelen van de First Mover Faciliteit naar de TS en ten derde € 1,0 mln verplichtingenbudget van de TS van 2004 te verschuiven naar 2002.

11. Ter invulling van de subsidietaakstelling in het Strategisch Akkoord wordt het budget voor de Subsidieregeling Infrastructuur Technostarters ad € 45,4 mln, met € 5,0 mln verlaagd. Deze relatief geringe verlaging van het budget vormt, gezien het globale karakter van de prestatie-indicator, geen aanleiding om de streefwaarden voor het aantal technostarters te wijzigen.

12. Betreft een temporisatie van het verplichtingenbudget voor EET. In 2001 is de achtste tender verricht, welke tot een lager aantal voorstellen heeft geleid dan verwacht. De verwachting is dat het merendeel van de uitgebleven voorstellen alsnog in de volgende tender zal worden ingediend. Daarnaast is de verwachting dat het aantal EET-voorstellen zal groeien, evenals de omvang van deze projecten. Dit komt door het effect van terugkerende voorstellen. Een EET-voorstel kan, als de eerste fase een succes is, in een volgende tender een verzoek voor een vervolgproject indienen. Deze krijgen in de ranking extra punten toegekend. Succesvolle vervolgprojecten hebben vaak een grotere omvang. Op basis van deze twee effecten wordt verwacht dat de inschrijving voor de 9e en 10e tender aanzienlijk hoger zal zijn dan voor tender 7 en 8.

13. Voor de regeling Scholingsimpuls, welke in juni 2001 is gepubliceerd, sloot voor de eerste serie projecten de indieningstermijn in oktober 2001. Vanwege het belang van een zorgvuldige procedure zijn de projecten pas begin 2002 beoordeeld, met als gevolg dat de verplichtingenruimte in 2002 en 2003 is benodigd in plaats van in 2001.

14. Van het beschikbare budget voor Twinning in 2001 ten bedrage van € 15,9 mln is in totaal € 11,4 mln gecommiteerd. Het resterende bedrag van € 4,5 mln is doorgeschoven naar 2002, om te worden aangewend voor het creëren van een situatie waarin Twinning vooralsnog als stand-alone operatie kan worden gecontinueerd.

15. Met betrekking tot MEDEA resteerde vanwege onvoorziene omstandigheden in 2001 een verplichtingenbudget van € 3,6 mln. Aangezien het MEDEA-budget voor de komende jaren laag is ten opzichte van het verwachte aantal aanvragen, wordt voorgesteld het bedrag van € 3,6 mln door te schuiven naar 2002.

16. De start van het Actieplan Concurreren met ICT-Competenties (CIC) in 2001 betrof vooral het opstarten van activiteiten, welke in de daarop volgende jaren tot het aangaan van financiële verplichtingen leiden. In verband hiermee wordt voorgesteld een verplichtingenbudget van € 3,6 mln door te schuiven van 2001 naar 2002.

17. Doelstelling van InnovatieNet is om met gebruikmaking van de mogelijkheden van de Internettechnologie het innoverend vermogen van vooral MKB-bedrijven te bevorderen. Inmiddels is gestart met de Europese aanbesteding van het project. In een hierop aansluitende eerste fase van 1½ tot 2 jaar dient nader zicht te worden gekregen op de levensvatbaarheid van het initiatief. De mutatie betreft het verschuiven van verplichtingenruimte van 2001 naar 2002, in verband met de langere voorbereidingstijd dan aanvankelijk verwacht.

18. Betreft een overheveling naar artikel 3 Bevorderen ondernemingsklimaat in verband met cofinanciering van EZ in EFRO-projecten inzake Geomatica Business Park. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de betreffende mutatie bij artikel 3 van de verdiepingsbijlage.

19. Betreft temporisatie van 2001 naar 2002 van het budget voor Innovatieve Onderzoeksclusters in verband met latere commitering.

20. Betreft een temporisatie van het budget voor de Subsidieregeling Integraal Regionaal Technostartersbeleid. Deze regeling is in 2002 van start gegaan in plaats van in 2001, zoals eerder voorgenomen.

21. Betreft het totaal van de in 2002 toegekende loon- en prijsbijstelling aan dit artikel.

22. Betreft de invulling van de taakstelling externen uit het Strategisch Akkoord.

23. Betreft de verwerking van de 4%-efficiencykorting op het overheidspersoneel uit het Strategisch Akkoord.

Artikel 3 Bevorderen ondernemingsklimaat

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 t/m 20002001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002  604 644599 855597 986607 326619 117 
Mutatie 1e suppl. begroting 2002  86 878     
Nieuwe mutaties  – 5 82837 910– 14 079– 14 407– 17 984 
1. Temporisering bedrijventerreinen   45 378    
2a Deelname JSF  72 900  – 6 250– 13 328 
2b JSF overboeking  – 72 900     
3. Suppletie instrument Infra- en Kennisbasis   – 10 712– 10 885– 4 809– 4 984 
4. Bijdrage ROM's        
5. Naar V&W: Bijdrage Sloelijn  – 8 500     
6. Technische correctie internalisatie  – 6 800     
7. Vliegveld Eelde   6 368    
8. Toerisme  3 342     
9. Scheepsbouw  2 694     
10. EFRO-cofinanciering  2 269     
11. Taakstelling externen   – 740– 740– 740– 740 
12. Taakstelling efficiency   – 85– 170– 255– 340 
13. Overige niet beleidsrelevante mutaties  – 1 167– 2 299– 2 284– 2 3531 408 
Stand ontwerp-begroting 2003823 375651 500685 694637 765583 907592 919601 133607 097
Waarvan nog te betalen715 986302 241309 004217 447210 031219 039227 811227 775
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002 302 330320 857311 973305 956294 689 
Mutatie 1e suppl. begroting 2002 – 9411 3502 098496534 
Nieuwe mutaties – 2 884– 11 1669 229– 5 747– 14 031 
Stand ontwerp-begroting 2003293 732298 505311 041323 300300 705281 192262 226
w.v. Algemeen23 01035 59935 91032 83631 16227 85728 867
w.v. Fysieke ruimte195 518190 267213 153234 054214 883203 975185 224
w.v. Productiefactoren19 21529 26222 41522 11621 40921 37721 376
w.v. Partner voor overh. en bedrijfsl.55 98943 37739 56334 29433 25127 98326 759
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002 21 15833 15625 90021 15818 787 
Mutatie 1e suppl. begroting 2002 6 4941 8181 887496800 
Nieuwe mutaties 5389895336 
Stand ontwerp-begroting 200318 59027 70535 06327 87621 70719 62315 745

Toelichting mutaties

1. De mutatie betreft het doorschuiven van de verplichtingenruimte uit het tweede amendement Hindriks (Kamerstukken II 2000/01, 27 400 XIII, nr. 22) dat is ingediend ter ondersteuning van het herstructureringsbeleid voor bedrijventerreinen. Het amendement wordt betrokken bij de ICES-bouwstenenbrief ten behoeve van het nieuwe regeerakkoord. Vooralsnog is de verplichtingenruimte vanuit 2001 doorgeschoven naar 2003.

2. Mutatie 2a: JSF

De mutatie heeft betrekking op de verwerking van de EZ-bijdrage aan de financiering van de Nederlandse deelname aan de SDD-fase van de Joint Strike Fighter. In aanvulling op de bijdrage van € 43,5 mln die bij Voorjaarsnota 2002 is verwerkt, wordt nu de EZ-bijdrage meerjarig verwerkt. Het bedrag van € 72,9 mln is opgebouwd uit verschuivingen van verplichtingenruimte uit de verschillende jaren, waaronder de bijdrage van artikel 2 Bevorderen Innovatiekracht, onderdeel Civiele Vliegtuigontwikkeling. Dekking binnen artikel 3 is voornamelijk gevonden door de inzet van middelen voor de Codema-regeling (vanaf 2006 volledig).

Mutatie 2b. Overboekingen JSF

Van de vrijgemaakte middelen wordt € 48,6 mln overgeboekt naar het Ministerie van Defensie. Het bedrag van € 24,3 mln wordt overgeboekt naar artikel 22 Nominaal en onvoorzien, ter compensatie van de rentereeks die bij Voorjaarsnota is overgeboekt naar het Ministerie van Financiën. Deze overboeking dient ter dekking van de kosten van de voorfinanciering van de industriebijdrage.

3. De mutatie betreft de ombuiging op het Suppletie instrument Infrastructuur en Kennisbasis die uit hoofde van de subsidietaakstelling in het Strategisch Akkoord is doorgevoerd. Deze ombuiging leidt ertoe dat minder grootschalige, met name kapitaalintensieve investeringsprojecten van buitenlandse investeerders via beschikbare instrumenten, zoals het Besluit Regionale Investeringsprojecten, kunnen worden gestimuleerd.

4. In het kader van de voorgenomen fusie tussen de GOM en OOM zal een additionele kapitaalinjectie nodig zijn om tot voldoende slagkracht te komen. De kapitaalinjectie vindt plaats in een nieuw overeengekomen aandelenverhouding, waarin het EZ-belang in de gefuseerde ROM aanzienlijk wordt afgebouwd (minderheidsbelang). Op basis van de nieuwe verhoudingen is een bijdrage van € 6,8 mln van het rijk nodig. Voorts is in het kader van de nieuwe beleidslijn ROM's (Kamerstukken II, 2000/01, 26 570, nr. 17) toegezegd dat met ingang van 2003 de apparaatskostenvergoeding aan de BOM, OOM en GOM structureel zou worden verhoogd. Ter dekking hiervan is € 1,6 mln overgeheveld uit het onderdeel Algemeen van artikel 3. Hierdoor is geen mutatie zichtbaar.

5. De mutatie betreft een overboeking naar het Ministerie van Verkeer en Waterstaat voor de investeringen ten behoeve van de Zeeuwse haveninfrastructuur en de ontsluiting daarvan. De EZ-bijdrage wordt ter beschikking gesteld vanwege het sterke publiek-private karakter van het investeringsplan en de grote economische en maatschappelijke spin-off. De middelen worden aangewend in het deelproject optimalisatie railontsluiting Sloegebied.

6. Het sectorspecifieke energiebesparingsbeleid is geïnternaliseerd. Binnen EZ heeft het DG Ondernemingsklimaat de energiebesparing in de industrie nu onder zich (Convenant Benchmarking, MJA2). De in 2001 gedane overboeking wordt gecorrigeerd, omdat de middelen meer bijdragen aan de doelstellingen van artikel 4 Duurzame Energievoorziening.

7. De verplichtingenruimte voor de baanverlenging van het vliegveld Eelde is in 2001 niet gebruikt, omdat de besluitvorming nog niet was afgerond. Naar verwachting zal dit in 2003 plaatsvinden, zodat wordt voorgesteld de verplichtingenruimte naar 2003 door te schuiven.

8. Voorgesteld wordt € 2,3 mln verplichtingenruimte voor de toeristische campagne naar aanleiding van de MKZ-crisis en de gebeurtenissen op 11 september 2001 en € 1 mln verplichtingenruimte voor een bijdrage aan de reorganisatiekosten voor TRN door te schuiven naar 2002, omdat deze middelen niet meer in 2001 konden worden gecommiteerd.

9. Voorgesteld wordt de verplichtingenruimte voor twee «decembercontracten» voor de generieke steunregeling scheepsnieuwbouw door te schuiven van 2001 naar 2002, omdat de commitering niet meer in 2001 kon plaatsvinden.

10. Ten behoeve van de realisatie van het project Geomatica Business Park wordt aan de provincie Flevoland een extra bijdrage toegezegd van € 2,3 mln. Hiermee wordt beoogd een samenwerkend cluster te realiseren voor de ontwikkeling en productie van geomatica producten. De middelen worden overgeheveld van artikel 2 Bevorderen van innovatiekracht en worden ingezet als cofinanciering op het EFRO-programma voor de periode 2000 t/m 2006.

11. Betreft de invulling van de taakstelling externen uit het Strategisch Akkoord.

12. Betreft de verwerking van de 4%-efficiencykorting op het overheidspersoneel uit het Strategisch Akkoord.

Artikel 4 Doelmatige en duurzame energievoorziening

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x € 1000)
 t/m 20002001200220032004200520062007
Stand ontwerpbegroting 2002  248 579262 721295 586263 361263 363 
Mutatie 1e suppl. begroting 2002  93 889– 4 006– 4 006– 4 006– 4 006 
Nieuwe mutaties  2 148– 53 026– 48 025– 43 239– 43 455 
1. Stopzetting EINP-regeling   – 33 086– 33 086– 33 086– 33 087 
2. Duurzame energie BSE   – 16 000– 16 000– 16 000– 16 000 
3. Actualisatie raming Joint Implementation  – 9 592– 3 4371 5636 5636 563 
4. Technische correctie internalisatie  7 158     
5. Stopzetting EINP-wind   – 3 403– 3 401– 3 402– 3 402 
6. Taakstelling externen en efficiency   – 191– 219– 248– 276 
7. Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties  4 5823 2773 4903 4923 492 
Stand ontwerpbegroting 2003489 756230 241344 616205 689243 555216 116215 902215 901
Waarvan nog te betalen412 572180 326269 317202 639240 255212 566212 351212 351
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x € 1000)
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerpbegroting 2002 228 426263 583308 620282 639291 262 
Mutatie 1e suppl. begroting 2002 28 940– 10 828– 7 456– 4 006– 4 006 
Nieuwe mutaties – 20 705– 46 084– 39 536– 37 166– 44 780 
Stand ontwerpbegroting 2003200 586236 661206 671261 628241 467242 476228 332
w.v. Algemeen61 89384 82269 863101 55974 11673 29672 566
w.v. Verbetering energie-efficiëncy79 07068 23265 53373 33266 61866 75474 287
w.v. Duurzame energie44 02142 19741 89045 79651 00144 52349 260
w.v. CO2-reductieregelingen15 60241 41029 38540 94149 73257 90332 219
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x € 1000)
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerpbegroting 2002 20 98711 91211 91211 91211 912 
Mutatie 1e suppl. begroting 2002 60 000     
Stand ontwerpbegroting 200315 37480 98711 91211 91211 91211 91211 912

Toelichting mutaties

1. De subsidieregeling Energievoorzieningen in de non-profit en bijzondere sectoren (EINP) is in 2001 geëvalueerd in het kader van het Interdepartementale Beleidsonderzoek naar de kosteneffectiviteit van energiesubsidies en in het kader van reguliere evaluatie van energiebesparinginstrumenten. Onder meer het aandeel free-riders sprong in het oog. In 2002 is een aantal wijzigingen in de regeling doorgevoerd om dit aandeel te verminderen. Na deze anti free rider maatregelen resteren voor de non profit sector relatief kostbare en weinig besparende technieken. Dit zal leiden tot een ingrijpende daling van het aantal subsidieaanvragen. Mede gezien de subsidietaakstelling van € 200 mln uit het Strategisch Akkoord is besloten de EINP per 1 januari 2003 in zijn geheel te beëindigen. Een belangrijke overweging hierbij is ook dat het, gezien de prioriteit die beleidsmatig wordt gegeven aan de transitie naar een duurzame energiehuishouding, niet wenselijk is om naast de € 16 mln voor duurzaam verder te korten op de budgetten voor onderzoek, ontwikkeling en demonstratie (RD&D).

2. Novem voert in opdracht van EZ een programma op het gebied van duurzame energie uit. Bij het programma hoort een subsidieregeling op basis van het Besluit subsidies energieprogramma's. De subsidiëring gebeurt grotendeels via het uitschrijven van tenders. Met de inzet van de MEP (regeling Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie) en ter invulling van de subsidietaakstelling van het Strategisch Akkoord wordt afgezien van voortzetting van de Duurzame Energie-impuls. Dit levert een besparing van jaarlijks € 16 mln.

3. In het Regeerakkoord 1998 zijn middelen beschikbaar gesteld voor Joint Implementation. Via dit instrument wordt een deel van de Nederlandse Kyoto-doelstellingen voor CO2-reductie in het buitenland gerealiseerd. Op grond van de huidige inschatting van daadwerkelijk te verplichten en te betalen bedragen worden deze budgetten bijgesteld, waarbij geldt dat niet-bestede middelen beschikbaar blijven voor latere jaren.

4. Het sectorspecifieke energiebesparingsbeleid is geïnternaliseerd. De beleidsverantwoordelijken hebben daarmee tevens de verantwoordelijkheid voor dit aspect van hun beleid gekregen. Binnen EZ heeft het DG Ondernemingsklimaat de energiebesparing in de industrie nu onder zich (Convenant Benchmarking, MJA2). Het bijbehorende budget is vorig jaar door het DG Marktordening en Energie overgeboekt. Deze overboeking wordt teruggedraaid. In de VBTB-begroting is immers niet de indeling van de organisatie het belangrijkste ordeningsprincipe, maar de indeling naar beleidsterreinen. Alle activiteiten van EZ op het gebied van energiebesparing komen nu weer tezamen op operationeel doel 4.1.

5. Besloten is de subsidieregeling Energievoorziening in de non-profit en bijzondere sectoren (EINP) per 1 januari 2003 te beëindigen. Daarmee vervalt ook de voorziening in de EINP voor natuurlijke personen die investeren in een windturbine. Voor hen bestaat nog wel de mogelijkheid om gebruik te maken van de fiscale Energie-investeringsaftrek (EIA).

6. Betreft de invulling van zowel de taakstelling externen als de 4%-efficiencykorting op overheidspersoneel uit het Strategisch Akkoord.

Artikel 5 Buitenlandse economische betrekkingen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 t/m 20002001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002  231 240219 622219 617219 611219 613 
Mutatie 1e suppl. begroting 2002  24 2671 8321 8161 7901 790 
Nieuwe mutaties  – 5 685– 31 690– 31 729– 31 780– 31 831 
1. Nul publicatie zware matching   – 30 000– 30 000– 30 000– 30 000 
2. Compensatie PSB t.l.v. BSE  – 7 850     
3. Ophoging PSB  4 600     
4. Overige beleidsmatige niet-relevante mutaties  – 2 435– 1 690– 1 729– 1 780– 1 831 
Stand ontwerp-begroting 2003796 735290 655249 822189 764189 704189 621189 572189 572
Waarvan nog te betalen318 103191 100187 899157 555157 495157 413157 363157 363
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002 201 578200 266178 179178 431177 635 
Mutatie 1e suppl. Begroting 2002 – 11 197– 6 048– 2 9502 1462 146 
Nieuwe mutaties – 2 752– 3 749– 7 385– 10 747– 13 477 
Stand ontwerp-begroting 2003245 860187 629190 469167 844169 830166 304163 700
w.v. Algemeen9 49010 70510 3309 6629 6069 5569 556
w.v. Europese interne markt2 7003 0003 0003 0003 0003 0003 000
w.v. Multil. Handels- en invest. Syst.4 7633 9934 7154 7003 9933 7523 752
w.v. Ned. Presentie op buitenl. Markten228 907169 931172 424150 482153 231149 996147 392
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002 1 8151 8151 8151 8151 815 
Stand ontwerp-begroting 20037 0301 8151 8151 8151 8151 8151 815

Toelichting mutaties

1. De regeling zware matching onder het Besluit Subsidie Exportfinanciering (BSE), is bedoeld om buitenlandse steun op projectbasis door EZ te matchen indien een Nederlandse exporteur kan aantonen dat hij met een concurrent wordt geconfronteerd die, buiten de spelregels van de OESO om, wordt gesteund door een buitenlandse overheid. Door een strikte naleving van internationale (OESO) regels vindt dergelijke oneerlijke concurrentie in de praktijk nog amper plaats. De enige uitzondering betreft de scheepsbouw. De Europese Commissie beziet of matching van scheepsbouwsteun is toegestaan binnen het EU kader. Een uitspraak van de Europese Commissie wordt eind 2002/begin 2003 verwacht. Gelet op deze ontwikkelingen wordt geen budget voor zware matching gepubliceerd.

2 en 3. Het verplichtingenbudget voor het Programma Starters Buitenland (PSB) was in 2001 7,3 mln. Voor 2002 en latere jaren was oorspronkelijk € 2,7 mln per jaar geraamd. Afhankelijk van de uitkomst van de evaluatie van dit instrument, zou het budget weer op het niveau van € 7,3 mln worden gebracht. Evaluatie van het instrument heeft uitgewezen dat het in de behoefte voorziet en succesvol is. Daarnaast heeft de Tweede Kamer tijdens de begrotingsbehandeling 2002 uitgesproken dat zij de terugval het budget in 2002 ten opzichte van 2001 onacceptabel vindt. Daarom is het budget voor het jaar 2002 opgehoogd tot € 7,3 mln ten laste van het instrument Besluit Subsidies Exportfinancieringsarrangementen (BSE).

Het verschil tussen beide verplichtingenbedragen wordt veroorzaakt door verschillende technische intrekkingspercentages.

Artikel 6 Vitale belangen ten tijde van crises

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x € 1000)
 t/m 20002001200220032004200520062007
Stand ontwerpbegroting 2002  82 30082 29482 29482 29482 294 
Nieuwe mutaties  40831313131 
Stand ontwerpbegroting 2003726 134255 39082 70882 32582 32582 32582 32582 325
Waarvan nog te betalen8673 87882 70882 32582 32582 32582 32582 325
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x € 1000)
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerpbegroting 2002 82 30082 29482 26282 29482 294 
Nieuwe mutaties 48531313131 
Stand ontwerpbegroting 200373 88782 78582 32582 29382 32582 32582 325
w.v. Algemeen226244236236236236236
w.v. Algemene crisisbeheersing965439159919191
w.v. Oliecrisisbeheersing73 56581 99881 99881 99881 99881 99881 998
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x € 1000)
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerpbegroting 2002 8199881998819988199881998 
Stand ontwerpbegroting 200373 56581 99881 99881 99881 99881 99881 998

Artikel 7 Beheer bodemschatten

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x € 1000)
 t/m 20002001200220032004200520062007
Stand ontwerpbegroting 2002  75 84474 45572 18471 72871 728 
Mutatie 1e suppl. Begroting 2002  – 46 616– 46 616– 46 616– 46 616– 46 616 
Nieuwe mutaties  321– 20 387– 18 145– 17 721– 17 751 
1. Dividend EBN   – 20 638– 18 370– 17 916– 17 916 
2. Taakstelling efficiency en externen   – 59– 91– 121– 151 
3. Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties  321310316316316 
Stand ontwerpbegroting 2003131 325 59029 5497 4527 4237 3917 3617 456
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x € 1000)
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerpbegroting 2002 75 84474 45572 18471 72871 728 
Mutatie 1e suppl. Begroting 2002 – 46 616– 46 616– 46 616– 46 616– 46 616 
Nieuwe mutaties 1 798– 20 387– 18 145– 17 721– 17 751 
Stand ontwerpbegroting 20031 324 12631 0267 4527 4237 3917 3617 456
w.v. Algemeen1 1281 2181 1631 1561 1491 1421 142
w.v. Staatsbaten1 318 10822 000     
w.v. Veiligheid, gezondheid en milieu3 9903 8733 8083 7863 7613 7383 738
w.v. Beheer ondergrond9003 9352 4812 4812 4812 4812 576
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x € 1000)
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerpbegroting 2002 2 379 1701 953 0701 552 8361 366 3321 472 517 
Mutatie 1e suppl. Begroting 2002 – 172003– 67 159– 64 819– 64 437– 64 437 
Nieuwe mutaties 175 194337 450412 344393 466404 281 
4. Gasbaten 300 000528 160658 754626 477644 965 
5. Bijdrage aan het Fes – 124 806– 190 710– 24 645– 233 011– 240 684 
Stand ontwerpbegroting 20032 364 6792 382 3612 223 3611 900 3611 695 3611 812 3611 958 361

Toelichting mutaties

1. In het licht van de te verwachten aanpassingen in de structuur van het Gasgebouw zijn de financiële belangen van DSM in het Gasgebouw beëindigd. De Staat heeft voor € 1,24 mld de certificaten Energie Beheer Nederland B.V. van DSM overgenomen. Door de aankoop van de certificaten hoeven dividenden betreffende de boekjaren 2002 en verder niet meer te worden doorgesluisd. De dividenden zijn nodig om de rentelasten van de aanschaf van de certificaten te financieren. Alhoewel deze reeks in de toekomst onderdeel uitmaakt van de reguliere gasbatenraming, zal zij niet als basis dienen voor de voeding van het Fonds Economische Structuur (Fes) uit 41,5% van de totale gasbaten. Alvorens de voeding van het Fes uit gasbaten te bepalen, zal deze reeks daarom voortaan in mindering worden gebracht op de berekeningsbasis.

2. Betreft de invulling van zowel de taakstelling externen als de 4%-efficiencykorting op overheidspersoneel uit het Strategisch Akkoord.

4 en 5. De raming van de gasbaten wordt bijgesteld op grond van actuele gegevens (doorwerking cijfers voorjaarsnota en cijfers KMEV2002). In beleidsartikel 7 wordt een overzicht van de actuele verwachting van de dollarkoers, olieprijs en omzet gegeven. Kortheidshalve verwijzen we hier op deze plaats naar. Omdat een percentueel deel van de gasbaten in het Fes wordt gestort, verandert de raming van de bijdrage aan het Fes eveneens.

Artikel 8 Economische analyses en prognoses

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 t/m 20002001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002  10 85610 82410 86310 85710 859 
Nieuwe mutaties  1 869347292225156 
1. Taakstelling efficiency en externen   – 133– 203– 271– 340 
2. Overige beleidsmatig niet-relevante mutaties  1 869480495496496 
Stand ontwerp-begroting 200313412 79612 72511 17111 15511 08211 01511 015
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002 10 85610 82410 86310 85710 859 
Nieuwe mutaties 2 003347292225156 
Stand ontwerp-begroting 200312 79512 85911 17111 15511 08211 01511 015
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002 4343434343 
Nieuwe mutaties 1 251     
Stand ontwerp-begroting 20031 5621 2944343434343

Toelichting mutaties

1. Betreft de invulling van zowel de taakstelling externen als de 4%-efficiencykorting op overheidspersoneel uit het Strategisch Akkoord.

Artikel 9 Voorzien in maatschappelijke behoefte aan statistieken

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 t/m 20002001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002  153 368148 933147 932147 857147 649 
Mutatie 1e suppl. Begroting 2002  598598598598598 
Nieuwe mutaties  18 43320 5229 3057 7066 729 
1. Loon- en prijsbijstelling  7 9907 5647 6847 7007 692 
2. EU-verplichtingen   2 5002 5002 5002 500 
3. Reorganisatie  7 0297 015646   
4. Taakstelling efficiency   – 969– 1 937– 2 906– 3 875 
5. Taakstelling externen   – 910– 910– 910– 910 
6. Overige beleidsmatige niet relevante mutaties  3 4145 3221 3221 3221 322 
Stand ontwerp-begroting 2003 168 567172 399170 053157 835156 161154 976154 976
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002 10 52810 52810 52810 52810 528 
Stand ontwerp-begroting 200312 75410 52810 52810 52810 52810 52810 528

Toelichting

1. Betreft de toedeling van loon- en prijsbijstelling voor de personele en materiële uitgaven van het CBS.

2. Betreft extra middelen die nodig zijn om de nieuwe Europese statistische verplichtingen uit te voeren. Het betreft onder meer projecten op het vlak van de EMU, het sociaal en economische beleid en het regionaal beleid die door het CBS moeten worden uitgevoerd.

3. Incidentele bijdrage om het CBS in staat te stellen per ultimo 2003 een netto uitstroom van 300 FTE te realiseren en versnelling van uitgaven in het kader van de reorganisatie van het CBS. De vrijval van middelen is deels structureel en vindt deels plaats in de periode 2008–2016.

4. Betreft de verwerking van de 4%-efficiencykorting op het overheidspersoneel uit het Strategisch Akkoord.

5. Betreft de invulling van de taakstelling externen uit het Strategisch Akkoord.

Artikel 10 Effectieve Telecommunicatie- en Postmarkt

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x € 1000)
 t/m 20002001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002   00000
Mutatie 1e suppl. begroting 2002        
Nieuwe mutaties   34 64332 01731 46830 58921 352
1. overboeking van V&W   34 64332 01731 46830 58921 352
Stand ontwerp-begroting 2003   34 64332 01731 46830 58921 352
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x € 1000)
  2001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002   00000
Mutatie 1e suppl. begroting 2002        
Nieuwe mutaties   140 10192 45492 14791 84182 697
Stand ontwerp-begroting 2003   140 10192 45492 14791 84182 697

Toelichting mutaties

Ad 1. Deze mutatie betreft de overboeking van de middelen voor het Directoraat-Generaal Telecommunicatie en Post (inclusief het agentschap Telecom) van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat in het kader van het Strategisch Akkoord.

Artikel 21 Algemeen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 t/m 20002001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002  83 82982 65387 55580 14482 588 
Mutatie 1e suppl. Begroting 2002  1 340204– 60– 33– 33 
Nieuwe mutaties  5 9605 8505 9527 7256 163 
1. Loon- en prijsbijstelling  2 2262 2602 3152 2792 284 
2. Taakstelling efficiency   – 504– 1 005– 1 511– 2014 
3. Taakstelling externen   – 472– 472– 472– 472 
4. Overige beleidsmatige niet relevante mutaties  3 7344 5665 1147 4296 365 
Stand ontwerp-begroting 200318 53293 57391 12988 70793 44787 83688 71891 013
Waarvan nog te betalen18 51593 56191 12988 70793 44787 83688 71891 013
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002 84 26783 37787 47180 29982 370 
Mutatie 1e suppl. Begroting 2002 1 340204– 60– 33– 33 
Nieuwe mutaties 17 0866 2426 1287 6186 269 
Stand ontwerp-begroting 200393 354102 69389 82393 53987 88488 60691 120
w.v. Personeel42 77250 63147 46949 09246 19145 76548 034
w.v. Materieel50 58252 06242 35444 44741 69342 84143 086
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002 3 6473 6473 6473 6473 647 
Mutatie 1e suppl. Begroting 2002 4 167     
Nieuwe mutaties 1 7241 4652 2122 9593 706 
5. Resultaat uitkering Senter 1 724     
6. Taakstelling efficiency  7471 4942 2412 988 
7. Taakstelling externen  718718718718 
Stand ontwerp-begroting 20034 5879 5385 1125 8596 6067 3537 353

Toelichting

1. Betreft de toedeling van loon- en prijsbijstelling voor de personele en materiële uitgaven op dit artikel. Het betreft de Algemene Leiding, AEP, AD, FEZ, IZ, DC, BSG, WJZ, POI en de Herijkingsdienst.

2. Betreft de verwerking van de 4%-efficiencykorting op het overheidspersoneel uit het Strategisch Akkoord.

3. Betreft de invulling van de taakstelling externen uit het Strategisch Akkoord.

4. Betreft resultaatuitkering van Senter aan de eigenaar in verband met behaalde winst in 2001.

Artikel 22 Nominaal en onvoorzien

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002 11 47211 0669 43511 82311 473 
Mutatie 1e suppl. Begroting 2002 15 77318 19715 76212 9119 844 
Nieuwe mutaties – 18 177– 122 172– 97 253– 104 040– 49 129 
1. Uitdeling loon- en prijsbijstelling – 19 937– 22 590– 23 021– 23 237– 23 424 
2. Compensatie taakstelling VJN   2 5505 2508 250 
3. Taakstelling Strategisch Akkoord  – 102 308– 80 189– 89 906– 83 576 
4. Prijsbijstelling 1 7602 7263 4073 8534 621 
Stand ontwerp-begroting 2003 9 068– 92 909– 72 056– 79 306– 72 812– 73 326
Waarvan nog te betalen 9 068– 44 784– 71 507– 95 933– 106 263– 94 882
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002 11 47211 0669 43511 82311 473 
Mutatie 1e suppl. begroting 2002 15 77318 19715 76212 9119 844 
Nieuwe mutaties – 18 177– 74 047– 96 704– 120 667– 127 580 
Stand ontwerp-begroting 2003 9 068– 44 784– 71 507– 95 933– 106 263– 94 882
w.v. Loonbijstelling 5 1854 7823 5713 3202 6842 541
w.v. Prijsbijstelling 3 4294 1634 1086 8267 6267 595
w.v. Onvoorzien 454454454454454454
w.v. Nog te verdelen posten  – 54 183– 79 640– 106 533– 117 027– 105 472

Toelichting mutaties

1. Betreft de toedeling van loon- en prijsbijstelling voor personeel en materieel van het kernministerie, de diensten van EZ, de door EZ gesubsidieerde instellingen en diverse beleidsbudgetten.

2. Betreft een technische mutatie. Bij eerste suppletore begroting 2002 zijn tijdelijk middelen van dit artikel afgehaald ten behoeve van de dekking van de JSF. De dekking van de JSF is inmiddels definitief ingevuld, waardoor de middelen nu weer op dit artikel terugkomen. Zie ook de toelichting bij beleidsartikel 3 Bevorderen ondernemingsklimaat in deze verdiepingsbijlage.

3. Betreft het nog niet ingevulde deel van de taakstellingen voor EZ uit het Strategisch Akkoord. Deze zullen bij Nota van Wijziging worden ingevuld.

4. Betreft de uitdeling door het Ministerie van Financiën van prijsbijstelling tranche 2002.

Artikel 23 Afwikkeling oude verplichtingen

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 t/m 20002001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002  5 2974 9374 5744 2113 848 
Mutatie 1e suppl. begroting 2002  – 388     
Stand ontwerp-begroting 200361 6888 4804 909493745744 2113 8483 848
Waarvan nog te betalen61 2268 4804 9094 9374 5744 2113 8483 848
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002 5 9325 4364 8694 3103 848 
Mutatie 1e suppl. begroting 2002 – 388     
Nieuwe mutaties 1651– 67– 99  
Stand ontwerp-begroting 200368 1785 7095 4374 8024 2113 8483 848
Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x € 1000)
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerp-begroting 2002 78 873119 75370 2455 1283 630 
Stand ontwerp-begroting 200366 93878 873119 75370 2455 1283 6303 630

6. DE BIJLAGE MOTIES EN TOEZEGGINGEN

(moties)

IndienerOmschrijvingVindplaatsStand van Zaken
Vendrik Motie over de informatievoorziening aan de Kamer en over de inbreng van Nederland in Europees en WTO-verband.TK 2001–2002, 25 074, nr. 49De Tweede Kamer is hierover per brief geïnformeerd (TK 2001–2002, 25 074, nr. 50).
    
Witteveen-Hevinga, 1) In notitie wijze uitwerken waarop NL. en Eur. aardgasbeleid als onderdeel van energiebeleid kan bijdragen aan transitie naar duurzame energie in 2060; 2) Discussie initiëren in Eur. verband. TK 1999–2000, 26 463, nr. 83 1) De Tweede Kamer is hierover in maart 2001 per brief geïnformeerd (TK, 2000–2001, ez00000170); 2) De minister heeft dit punt aan de orde gesteld in Energieraad van december 2000. Gebleken is dat de lidstaten op geheel verschillende wijze tegen die transitie aankijken.
Rabbinge Motie met oproep om een stelsel van positieve etikettering in het leven te roepen voor duurzaam geproduceerd hout en het gebruik ervan te bevorderen via financiële stimulansen. EK, 2001–2002, 26 998, nr. 168e betreft een initiatief wetsvoorstel van het lid M. Vos.
Bolhuis Met het oog op de beoordeling van de ICES-3 investeringsimpuls moet er helderheid zijn over de missie en de duurzaamheidstrategie van het kabinet, die nadrukkelijk gericht dient te zijn op kennisintensivering en ecologische duurzaamheid. TK 2000–2001, 25 017, nr. 36Missie en strategie zijn aan de orde gekomen in de Verkenning Economische Structuur («Naar een hoogwaardige en duurzame kenniseconomie») en de brief «Bouwstenen voor de economische structuurversterking van Nederland» d.d. 15 april 2002 (EZ02000259).
Bolhuis Bij de voorbereiding van ICES-3 moet een project worden geformuleerd en worden voorgelegd aan de planbureaus gericht op het oplossen van leefbaarheids- en duurzaamheidknelpunten bij de Rijksinfrastructuur. TK 2000–2001, 25 017, nr. 37 Projecten zijn ingediend bij de planbureaus en beoordeeld. Het CPB heeft hierover een publicatie uitgebracht onder de naam «Selectief Investeren», zie bijlage bij de brief «Bouwstenen voor de economische structuurversterking van Nederland» d.d. 15 april 2002 (EZ02000259).
Ravestein Verzoekt de regering om aan te geven in welke MKB-sectoren zich problematiek voordoet van opschorten betalingsverplichtingen/openbreken leveringscontracten door grote bedrijven. TK 2001–2002, 28 000 XIII, nr. 19 De problematiek is gerelateerd aan richtlijn 2000/35/EG van het Europees Parlement betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties. Er ligt thans een voorstel tot wet bij het parlement m.b.t. implementatie van de Richtlijn (TK 2001–2002, 28 239).
Vendrik Voorstellen van regering om ambitie van 2% van de jaarverslagen over MVO in 2002 opwaarts bij te stellen. TK 2001–2002, 28 000 XIII, nr. 12 Deze motie is n.a.v. het AO over MVO op 19 december 2001 voorgelegd aan de Raad voor de Jaarverslaggeving.
Hindriks Bestrijding van winkelcriminaliteit. TK 2001–2002, 27 838, nr. 3 Deze motie is overgedragen aan het Ministerie van Justitie. De Tweede Kamer is hier in februari 2002 per brief over geïnformeerd (O/B/BC 02002301).
Ten Hoopen Verzoekt de regering naar analogie van de CPB-bedrijfslocatiemonitor voor industrieterreinen een monitor tot stand te brengen voor detailhandelsruimteontwikkeling.TK 2001–2002, 27 838, nr. 2 Er volgt binnenkort een gesprek met IPO en de VNG.
Van DijkeBij de evaluatie van de mededingingswet ook de concentratiedrempel meenemenHTK 2000–2001, 29-2523Is meegenomen in de evaluatie van de mededingingswet (TK, 2001–2002, ez 02000293)
Van den Akker Verzoekt de regering om bij de evaluatie van de Mededingingswet aan te geven op welke wijze sturing op hoofdlijnen van de werkzaamheden van de NMa door de Minister van Economische Zaken kan geschieden.TK 2001–2002, 27 639, nr. 51 In de evaluatie van de Mededingingswet (TK, 2001–2002, ez02000293) is aandacht besteed aan de doelmatigheid en prioritering van de NMa. In de follow-up evaluatie mededingingswet zal hier verdere aandacht aan worden gegeven.
Bolhuis Verzoekt de regering om bij de evaluatie van de Mededingingswet voorstellen tot aanscherping van die wet te doen wat betreft de opsporings- en sanctiemogelijkheden bij misbruik van e.m.p.'s en/of feitelijk afgestemde gedragingen. TK 2001–2002, 27 639, nr. 53 In de evaluatie van de Mededingingswet (TK 2001–2002, ez02000293) is hieraan aandacht besteed en zijn oplossingsrichtingen verkend. Wordt meegenomen in follow-up evaluatie Mededingingswet.
Bolhuis Verzoekt de regering om bij de evaluatie van de Mededingingswet met een analyse te komen over het waarborgen van het publiek belang en daarover voorstellen te doen. TK 2001–2002, 27 639, nr. 54 In de evaluatie van de Mededingingswet (TK 2001–2002, ez02000293) is een analyse gemaakt. Eventuele verdere acties worden meegenomen in follow-up evaluatie Mededingingswet.
Bolhuis Actiever beleid NMa m.b.t. onderzoek naar misbruik van economische machtsposities en opsporen van kartels. TK 2001–2002 28 000 XIII nr. 11 Eind juni 2002 is het jaarverslag van de NMa naar de Tweede Kamer verzonden. In de begeleidende brief (TK 2001–2002, 28 000 XIII, nr. 62) is ingegaan op deze motie.
Van BaalenVerzoekt de regering na overleg met de beroepsorganisaties NIVRA en NovAA de Kamer een nadere notitie te doen toekomen waarbij aangegeven wordt hoe zij de onafhankelijkheid en het extern toezicht daarop wettelijk wenst te regelen op basis van een aantal uitgangspunten.TK 2001–2002, 28 090, nr. 3 De notitie zal naar verwachting najaar 2002 naar de Tweede Kamer worden gestuurd.
Voûte- DrosteBevordering oprichting Europese ACTAL. TK 2001–2002, 28 000 XIII, nr. 16 Mede dankzij de Nederlandse inzet is tijdens de top van Sevilla een Actieplan Verbetering Kwaliteit van de Wetgeving aanvaard. De uitwerking hiervan wordt nu ter hand genomen. Oprichting van een Europese Actal is op dit moment niet haalbaar.
Remkes Administratieve lasten verlagen met minimaal 25% TK 1997–1998, 25 600, nr. 17 Op 7 mei 2002 is een tussenrapportage naar de Tweede Kamer gestuurd (Tk 2001–2002, 24 036, nr. 255). Over de verdere uitvoering van deze doelstelling wordt in het najaar van 2002 een plan van aanpak aan de Tweede Kamer aangeboden.
Vos Verzoekt het kabinet de mogelijkheden te onderzoeken om binnen de NMa op korte termijn een Vervoerkamer op te richten, waarbinnen ook de consumentenbelangen worden behartigd. TK 2001–2002, 27 639, nr. 31 De Tweede Kamer is hierover per brief geïnformeerd (TK 2001–2002, 27 639, nr. 59).
Remkes Verzoek om evaluatie Wet Kamers van Koophandel over uiterlijk vier jaar + opnemen bepaalde aspecten. TK 1996–1997, 25 029, nr. 27 De evaluatie is op 4 december 2001 naar de Tweede Kamer gestuurd (TK 2001–2002, ez00000672).
Van den AkkerVerzoekt om onderzoek naar de wenselijkheid van toepassing van de Mededingingswet op praktijk van huisartsen en voor zover nodig de NMa een aanwijzing te geven die wet niet op de huisartsensector toe te passen. TK 2001–2002, 27 639, nr. 52De Tweede Kamer is hierover per brief geïnformeerd (TK 2001–2002, 27 639, nr. 60).
Voûte- Droste Vraagt om een notitie over de positie van sectorspecifieke kamers binnen de NMa. TK 2001–2002, 27 639, nr. 30 De Tweede Kamer is hierover op 12 december 2001 per brief geïnformeerd. (TK 2001–2002, ez00000698).
Ravestein Alle departementen dienen bij het aanbieden van de Miljoenennota 2002 een gekwantificeerd overzicht te geven van de gerealiseerde besparingen en een actieplan om in dat begrotingsjaar 1 mld gulden verlaging van de administratieve lasten te realiseren en in de volgende vier jaar de resterende 3 mld gulden verlaging. TK 2000–2001, 24 036, nr. 224 Bij de Miljoenennota 2002 is een brief bijgesloten met terugblik op de besparingen die sinds 1994 zijn bereikt en een plan gericht op besparing van 1 miljard in 2002.
Voûte-DrosteKenniscentrum liberalisering, privatisering en MDW oprichten en ontwikkelen kennistoets. TK 2001–2002, 28 000 XIII, nr. 17 De Tweede Kamer is hierover per brief geïnformeerd (TK 2001–2002, 28 000 XIII, nr. 54). In het najaar van 2002 zal de Tweede Kamer nader geïnformeerd worden over de verdere invulling en organisatie van het Kenniscentrum.
Crone Een in de tijd oplopend percentage duurzame energie verplichtstellen door een systeem van verhandelbare groene stroom certificaten.TK 1999–2000, 26 603, nr. 5 De Tweede Kamer is hierover per brief geïnformeerd. (TK 2000–2001, 27 400 XIII, nr. 51). Daarnaast is hier op ingegaan in de EZ-begroting 2002 (TK 2000–2001, 28 000 XIII, nr. 2) en in het Energierapport (TK 2001–2002, 28 241, nr. 2).
Witteveen-Hevinga In kader van Europees Energiehandvest streven naar Europees level playing field. TK 1999–2000, 26 463, nr. 84 Is opgenomen in Energierapport (TK 2001–2002, 28 241, nr. 2).
Witteveen-Hevinga Energiemarkten: analyse en beleidsmatige reactie voor 15 december 2001 naar TK over toenemende kartelkarakter energiemarkten NW Europa. NL en EU mededingpolitiek moet verder worden uitgewerkt. TK 2001–2002, 28 000 XIII, nr. 9 Is meegenomen in het Energierapport (TK 2001–2002, 28 241, nr. 2).
Ten Hoopen De regering wordt verzocht de mogelijkheden en consequenties in beeld te brengen van het vervroegen van de doelstelling 10 % duurzame energie naar 2015 dan wel 2010.TK 2001–2002, 27 801, nr. 8 Is meegenomen in het Energierapport (TK 2001–2002, 28 241, nr. 2).
Witteveen-HevingaVersterking toezicht door Europese Commissie op naleving voorraadverplichting. TK 2000–2001, 27 170, nr. 15 Is meegenomen in het kader van Groenboek Voorzieningszekerheid. Najaar 2001 is het kabinetsstandpunt hierover naar de Tweede Kamer gestuurd (TK 2001–2002, 21 501–14, nr. 52).
Van den Akker Verzoekt wettelijk te regelen dat TenneT over voldoende informatie kan beschikken voor de uitvoering van haar taken m.b.t. waarborging van de leveringszekerheid en een betrouwbare energievoorziening. TK 2000–2001, 27 250, nr. 42Is meegenomen in het Energierapport (TK 2001–2002, 28 241, nr. 2).
Witteveen-Hevinga Verzoekt tot vergunningen voor (proef)boren in de Biesbosch niet in behandeling te nemen. TK 2000–2001, 26 986, nr. 4 De boorvergunning is definitief van kracht geworden. Om daadwerkelijk te gaan boren, moet eerst nog een locatievergunning aangevraagd worden bij de Minister van Economische Zaken.
Witteveen-Hevinga Verzoekt de regering om het eerste mijnbouwbesluit na het van kracht worden van de Mijnbouwwet aan de Kamer voor te leggen. TK 2001–2002, 26 219, nr. 91Naar verwachting zal het mijnbouwbesluit in december 2002 aan de Tweede Kamer worden voorgelegd.
Blauw Verzoekt de regering er bij de gesprekken met de partners in het Gasgebouw over de herstructurering zorg te dragen dat de publieke belangen die bij de winning van het gas uit kleine velden in het geding zijn ook in de toekomst gewaarborgd zullen blijven. TK 2001–2002, 26 219, nr. 81De Tweede Kamer is hierover per brief geïnformeerd (TK 2001–2002, 28 109, nr. 2).
Vos Verzoekt de regering de huidige specifieke programma's en convenanten op het gebied van zon-pv en zonneboilers en warmtepompen voort te zetten. TK 2001–2002, 28 000 XIII nr. 34 De Tweede Kamer is hierover per brief geïnformeerd (TK 2001–2002, 28 000 XIII, nr. 49).
Van Middelkoop In voorbereiding van de 5e nota RO concrete taakstellingen te formuleren t.a.v. windenergie en zonodig uitvoeren d.m.v. rijks- projectenprocedure. TK 1999–2000, 26 800 XI nr. 31 De Tweede Kamer is hierover per brief geïnformeerd (TK 2000–2001, 27 578 en 27 210, nr. 2; TK 2000–2001, ez00 000 455).
Blaauw Bij voorziene wijziging WBM een zgn. «blauw»-certificatensysteem opnemen. TK 1999–2000, 26 463, nr. 86 De Tweede Kamer is hierover per brief geïnformeerd (TK 1999–2000, 27 177, nr. 1). Momenteel wordt hiernaar nader onderzoek verricht. De resultaten hiervan worden in 2003 verwacht.
CroneGeen verdere toestemming voor privatisering energiebedrijven te geven, zolang wetgeving niet is afgerond. TK 2001–2002, 28 323, nr. 1 Najaar 2002 ontvangt de Tweede Kamer een brief met de visie op privatisering van energiebedrijven
Crone Veilingbod vanuit duurzaamheid/ milieu realiseren. TK 2000–2001, 27 250 nr. 26 Bij beoordeling veilingaanbiedingen is hierop gelet.
Crone Verzoekt de Dte kwalitatief en kwantitatief op korte termijn te versterken en de TK jaarlijks te rapporteren. TK 2000–2001, 27 250 nr. 40 In 2002 is de Dte uitgebreid met 27 FTE's. In de begeleidende brief bij het jaarverslag van de NMA) TK 2001–2002, 28 000 XIII, nr. 62) is hierop ingegaan.
Crone Verzoek wetgeving voor te bereiden op basis waarvan per 1 januari 2002 privatisering van een minderheidsbelang mogelijk moet worden gemaakt onder voorwaarden. TK 2000–2001, 27 250 nr. 38Het wetsvoorstel is naar de Tweede Kamer gestuurd (TK 2001–2002, 28 190, nr. 3).
Hofstra Verzoekt de regering op korte termijn te starten met de veiling van benzinelocaties, waarbij dient te worden uitgegaan van het opheffen van de functiescheiding en waarbij de 4 grootste benzinemaatschappijen niet aan de reductieverplichting van 50 stations mogen voldoen via benzinemaatschappijen die een juridische, financiële en/of bedrijfsmatige relatie hebben met deze 4 maatschappijen waarbij op overtreding hiervan strenge sancties worden gesteld. TK 2001–2002, 24 036, nr. 252 De Tweede Kamer is hierover door de Minister van Financiën in juni 2002 per brief geïnformeerd (TK 2001–2002, 24 036, nr. 261). Daarnaast is over de functiescheiding de Tweede Kamer in juli 2002 apart per brief geinformeerd (TK 2001–2002, 24 036, nr. 264).
WijnBevorderen dat op korte termijn lokale pilotprojecten van start kunnen gaan waarbij alle deelnemende scholen aangesloten worden op een toekomstvast op glasvezel gebaseerde breedbandinternetinfrastructuur. TK 2000–2001, 27 400 XIII, nr. 40 De regeling breedbandproeven is in februari 2002 gepubliceerd (TK 2001–2002, ez00000686).
Hindriks Teneinde voor stroomlijning relevante vergelijkende effectiviteitinformatie te vergaren een integrale vergelijking tussen de op innovatie en R&D gerichte instrumenten te maken op basis van relatieve effectiviteit.TK 2000–2001, 27 400 XII, nr. 28 In september 2001 is een brief aan de Tweede Kamer gestuurd met daarin de resultaten van de internationale studie, de expertmeeting en de monitoringswijze van de nieuwe regelingen. Daarnaast is een IBO Technologiebeleid uitgevoerd (TK 2001–2002, ez02000 417). Hierover wordt cf. verzoek van de Kamer een kabinetsstandpunt opgesteld.
Hindriks Verzoekt de regering, indien bereik en kosten van snelle infrastructuur voor iedereen onvoldoende door marktwerking gewaarborgd kan worden, aanvullende maatregelen te nemen. TK 2000–2001, 26 643, nr. 17 Is meegenomen bij de bouwstenennotities lange termijn ICT-beleid, die in oktober 2001 aan de Tweede Kamer zijn gestuurd (TK 2001–2002, 26 643, nr. 32).
Voûte-Droste Verzoekt de regering concrete initiatieven te ondernemen teneinde het kennisaanbod inzichtelijk te maken voor MKB-ondernemers en tevens kennisinstellingen kennis op een zodanige wijze aan te laten bieden dat kennisoverdracht naar het MKB eenvoudig en doelmatig plaatsvindt. TK 2000–2001, 26 643, nr. 19 Is betrokken bij de invulling van Innovatienet. De Tweede Kamer is hierover per brief geïnformeerd (TK 2001–2002, ez00000538).
Bolhuis Samenwerking beroepsonderwijs en bedrijfsleven verbeteren door een taskforce een plan van aanpak te laten opstellen en te bezien hoe kwaliteit en organisatie beroepsonderwijs kan worden verbeterd en deze voorstellen tevens financieel te onderbouwen. TK 2001–2002, 28 000 XIII, nr. 15 De Tweede Kamer is hierover per brief geïnformeerd (TK 2001–2002, 28 000 XIII, nr. 44).
Stellingwerf Voorstellen in EG-verband doen over wijziging richtlijn, zodat menselijke lichaamsdelen zoals gensequenties, niet octrooieerbaar zijn. TK 2001–2002, 26 568, nr. 33 De Tweede Kamer is hierover per brief geïnformeerd (TK 2001–2002, ez02000220). Naar verwachting zal in oktober 2002 het Commissierapport verschijnen over de ontwikkeling en de implicaties van het octrooirecht op het gebied van de bio- en gentechnologie. In 2003 worden resultaten van de studie verwacht naar de effecten van (breed) verleende genoctrooien op onder meer de volksgezondheid, innovatie en het wetenschapsbeleid.
De Haan Verzoek aan de regering om via de Europese Raad weeffout in de richtlijn te herstellen zodat geen octrooi kan worden verleend op (delen van) het menselijk lichaam.TK 2001–2002, 26 568, nr. 35 De Tweede Kamer is hierover per brief geïnformeerd (TK 2001–2002, ez02000220). Naar verwachting zal in oktober 2002 het Commissierapport verschijnen over de ontwikkeling en de implicaties van het octrooirecht op het gebied van de bio- en gentechnologie. In 2003 worden resultaten van de studie verwacht naar de effecten van (breed) verleende genoctrooien op onder meer de volksgezondheid, innovatie en het wetenschapsbeleid.
De GraaffVerzoekt de regering bij de aanbieding van de beleidsplannen duidelijk te maken hoe een toekomstgerichte ontwikkeling van de kenniseconomie ondersteund gaat worden. TK 2001–2002, 28 375, nr. 35 Motie is verwerkt in de beleidsagenda bij de EZ-begroting 2003.
Bakker Time-out bij de sluiting van de postagentschappen.TK 2001–2002, 28 000 XII, nr. 61 De Tweede Kamer is per brief geïnformeerd over de opschorting van de plannen van TPG (TK 2001–2002, vw02000307).
Vendrik Bij de Postbank op aandringen het sluiten van Postbankloketten te stoppen. TK 2001–2002, 28 000 XII, nr. 56 De Vereniging van Banken heeft op 1 mei 2002 een rapport gepubliceerd over de toegankelijkheid van betalingsverkeer. De Minister van Financiën zal op korte termijn een reactie hierop naar de Tweede Kamer sturen.
Atsma Verzoekt het kabinet de kosten voor de regionale publieke omroepen verbonden aan frequentiewijziging volledig te vergoeden. TK 2001–2002, 24 095, nr. 92 De technische omschakelkosten zullen door V&W voor rekening worden genomen; de niet technische omschakelkosten zullen door OC&W voor rekening worden genomen. Beide worden gefinancierd uit de opbrengsten van het financieel instrument. Zowel OC&W als V&W zijn met de ROOS hierover in gesprek. ROOS en OC&W hebben hier inmiddels een akkoord over bereikt.
Vendrik Verzoekt de regering de partijen die een frequentiepakket krijgen een prijs te laten betalen gebaseerd op het criterium van een «redelijk rendement». TK 2001–2002, 24 095, nr. 89 Op 10 april 2002 is de regeling eenmalig bedrag commerciële radio-omroep 2002 in de Staatscourant gepubliceerd (nr. 69). De Tweede Kamer is hierover per brief geïnformeerd (TK 2001–2002, 24 095 nr. 102).
Nicolaï Minimaal 1 mln euro beschikbaar stellen voor de ontwikkeling van digitale etherradio (T-DAB). TK 2001–2002, 24 095, nr. 96 De Tweede Kamer is hierover per brief geïnformeerd (TK 2001–2002, 24 095, nr. 101).
Wagenaar Verzoekt de regering te bewerkstelligen dat de technische voorbereiding voor het uitzendklaar maken van de kavels voor nieuwkomers in gang wordt gezet. TK 2001–2002, 24 095, nr. 94De Tweede Kamer is hierover per brief geïnformeerd (TK 2001–2002, 24 095 nr. 102).
Atsma Garanderen van uitzendingen en ontvangst van Radio 1 via de middengolf. TK 2001–2002, 24 095, nr. 91 De Staatssecretaris van OC&W heeft de Tweede Kamer hierover per brief geïnformeerd (TK 2001–2002, 24 095, nr. 98).
Wagenaar Adequate dekking voor alle publieke regionale omroepen realiseren. TK 2001–2002, 24 095, nr. 95De Tweede Kamer is hierover per brief geïnformeerd (TK 2001–2002, 24 095, nr. 102).
Wagenaar Inhuren van PR-bureaus. TK 2001–2002, 24 095, nr. 99 De Tweede Kamer is hierover door de Minister-president per brief geïnformeerd (TK 2001–2002, 24 095, nr. 103).
Nicolaï Verzoekt de regering onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden om meer ruimte te bieden aan de telecomsector (problematiek van UMTS-vergunningen). TK 2001–2002, 24 095, nr. 100 De Tweede Kamer zal hierover binnenkort worden geïnformeerd.
Wagenaar Epidemiologisch onderzoek naar de effecten van straling door antennes. TK 2001–2002, 27 561, nr. 10 De Tweede Kamer is door de Ministers van VROM en VWS per brief hierover geïnformeerd (TK 2001–2002, 27 561, nr. 13).
BakkerTotstandkoming van een convenant antennebeleid. TK 2001–2002, 27 561, nr. 7 De ondertekening van de convenant heeft op 27 juni 2002 plaatsgevonden.

(Toezeggingen)

ToezeggingVindplaatsStand van Zaken
TK-informeren over gesprekken met NGO's over WTO. TK 2001–2002, 28 000 XIII, nr. 15 Zie brief van 30 oktober 2001 (niet-dossierstuk 2001–2002, EZ 00000571)
   
Reactie Oxfam-rapport aan TK sturen. TK 2001–2002, 28 000 XIII, nr. 15 Zie brief van 30 oktober 2001 (niet-dossierstuk 2001–2002, EZ 00000571)
Kenniscentrum MVO ook richten op buitenlandactiviteiten van het bedrijfsleven. TK 2001–2002, 28 000 XIII, nr. 15 Zie brief van 12 december 2001 (TK 2001–2002, 26 485, nr. 18)
TK informeren over vertaling MVO in financieel instrumentarium.111 TK 2001–2002, 28 000 XIII, nr. 15 Zie brief van 14 december 2001 (TK 2001–2002, 26 485, nr. 19)
Afronding evaluatie PSB en (bij positieve uitkomst) verhoging budget. TK 2001–2002, 28 000 XIII, nr. 15 Zie brief van 11 april 2001 (niet-dossierstuk 2001–2002, EZ 02000 209)
Vergroting VBTB-gehalte van exportdoelstellingen TK 2001–2002, 28 000 XIII, nr. 15 Wordt meegenomen bij volgende begroting
Vervolg Exportbrief: – Analyse wederuitvoer – Benchmark exportinstrumentarium TK 2001–2002, 28 000 XIII, nr. 15 Zie brief van 25 april 2002 (niet-dossierstuk 2001–2002, EZ 02000274)
Bij verslag van IMCR d.d. 26 november 2001 ingaan op MVO-aspecten bij richtlijn Europese aanbestedingen TK 2001–2002, 21 501-01, nr. 168 Zie brief van 11 december (TK 2001–2002 , 21 501-01, nr. 162)
Bezien waar mogelijk de subcategorieën A10 en B10 op te splitsen dan wel te specificeren zijn. TK 2001–2002, 22 504, nr. 61 Zal meegenomen worden bij jaarrapportage 2002.
Doorvoer militaire goederen betrekken bij jaarrapportage 2002. TK 2001–2002, 22 504, nr. 61 Zal meegenomen worden bij jaarrapportage 2002.
Bij andere EU-lidstaten bepleiten dat zij ook hun doorvoerwetgeving, en de controle daarop, aanscherpen. TK 2001–2002, 22 504, nr. 61 Zal o.a. bij jaarrapportage 2002 over gerapporteerd worden.
Verslag plenaire vergadering 'Wassenaar-arrangement' aan de TK toesturen. TK 2001–2002, 22 504, nr. 61 Zie brief van 28 juni 2002 (niet-dossierstuk 2001–2002, EZ 02000 345)
Handboek 'strategische goederen' aan de TK sturen. TK 2001–2002, 22 504, nr. 61 Zie brief van 15 februari 2002 (niet-dossierstuk 2001–2002, EZ 02000104)
TK informeren waarom Nederland het ILO-verdrag 182 (verbod kinderarbeid) nog niet heeft geratificeerd. TK 2001–2002, 26 485, nr. 20 Zie brief van 19 april 2002 (TK 2001–2002, 26 485, nr. 22)
TK nader informeren over de administratieve lastendruk in relatie met het incorporeren van MVO-aspecten bij het financieel buitenland instrumentarium. TK 2001–2002, 26 485, nr. 20 Zie brief van 19 april 2002 (TK 2001–2002, 26 485, nr. 22)
De Kamer in de tweede helft van 2000 zo mogelijk een eerste totaaloverzicht van de cofinanciering toesturen. Daarna de Kamer regelmatig over de stand van zaken informeren. TK 1999–2000, 21 062, nr. 97 Kamer geïnformeerd per brief (TK 2001–2002, 27 813, nr. 2)
Zodra één en ander is vastgelegd over nadere afspraken over decentralisatie van de uitvoering van (d2-)programma's tussen EZ en provincies en/of er worden afspraken gemaakt met betrokken bewindslieden, de Kamer daarvan op de hoogte stellen. TK 1999–2000, 21 062, nr. 97 Kamer geïnformeerd per brief (TK 2001–2002, 27 813, nr. 1)
ZZP: overleggen met SZW en Financiën of een aparte notitie over ZZP-ers kan worden uitgebracht en de TK informeren over de uitkomsten van dit overleg. TK 1999–2000, 26 736, nr. 3 Het onderzoek «Zelfstandigen zonder personeel en sociaal-economische voorzieningen» is op 22 april 2002 naar de Tweede Kamer gezonden (O/OFO/02012 418).
In voortgangsrapporta