Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2002-200328600-XII nr. 114

28 600 XII
Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (XII) voor het jaar 2003

nr. 114
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VERKEER EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 23 mei 2003

Mede namens de Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu-beheer, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van Economische Zaken en van Financiën bericht ik u het volgende.

Dossier bouwgrondstoffen niet langer kerntaak Verkeer en Waterstaat

Ik heb u in een brief van 17 oktober 2002 (kamerstuk 28 600-XI/28 600-A, nr. 5, blz. 2) meegedeeld dat ik het dossier Bouwgrondstoffen niet langer als een kerntaak van Verkeer en Waterstaat beschouw. Tijdens de begrotingsbehandeling van Verkeer en Waterstaat op 7 november 2002 is dit reeds aan de orde geweest. Ik heb toen aangegeven dat een eventuele afbouw van de regierol zorgvuldig moet gebeuren en dat ik met partijen hierover overleg zou voeren.

In deze brief wil ik u nader informeren over de voorgestelde nieuwe situatie en hoe deze bereikt kan worden.

Overleg met belanghebbenden

Het bedrijfsleven heeft in een vroeg stadium zijn bezorgdheid over mijn voornemen geuit middels brieven van het Algemeen Verbond Bouwbedrijf (AVBB) en het VNO/NCW.

In een brief van 6 november 2002 heeft het AVBB laten weten dat de rijksoverheid haar regierol niet kan laten schieten omdat zij een grote maatschappelijke verantwoordelijkheid draagt voor realisatie van de bouwopgave in Nederland.

VNO/NCW heeft in een brief van 4 december 2002 aan de Minister van VROM kenbaar gemaakt dat in deze sterk gereguleerde markt rijksbeleid onontbeerlijk is. Aangegeven wordt dat er feitelijk geen sprake is van een vrije markt, omdat de grondstoffenwinning geheel afhankelijk is van regelgeving en vergunningverlening door de diverse overheden. Zij pleiten ervoor het benodigde rijksbeleid op te nemen in de Nota Ruimte, gezien de relatie met de ruimtelijke ordening.

Naar aanleiding hiervan heb ik overleg gevoerd met de betrokken partijen. Afgesproken is om het Overlegorgaan Oppervlaktedelfstoffen (OOD) van Verkeer en Waterstaat te benutten om te verkennen wat de gevolgen zijn van mijn voornemen. Dit heeft geleid tot een tweetal workshops van het OOD met vertegenwoordigers van bedrijfsleven, het rijk, het IPO, de VNG en de Stichting Natuur en Milieu. Naar aanleiding van deze workshops heeft het OOD op 24 maart 2003 een rapport aan mij uitgebracht (bijlage 1)1.

Voordat ik inga op de reacties van de diverse partijen, begin ik met een overzicht van diverse bouwgrondstoffen en de stand van zaken met betrekking tot de voorziening in Nederland.

De bouwgrondstoffenvoorziening in Nederland

Ophoogzand

Ophoogzand komt in zeer grote hoeveelheden en wijd verspreid voor in de Nederlandse bodem en in de Noordzee. De winning ervan wordt zoveel mogelijk gecombineerd met andere projecten (werk met werk maken). Winning uit de Noordzee vindt reeds op grote schaal plaats. Het totale gebruik van ophoogzand op het land bedraagt jaarlijks circa 58 miljoen m3, waarvan circa 22 miljoen m3 uit de Noordzee afkomstig is. Daarmee vertegenwoordigt ophoogzand de grootste stroom bouwgrondstoffen. Ik verwacht geen knelpunten in de voorziening van ophoogzand.

Klei

Klei komt in grote hoeveelheden voor in ons land, met name langs de grote rivieren. Gezien het voorkomen aan het oppervlak worden bij kleiwinning vaak succesvolle functiecombinaties toegepast, zoals natuurontwikkeling bij uiterwaardverlaging. Jaarlijks wordt circa 3 miljoen m3 klei voor bouwdoeleinden toegepast (in de dijkbouw en als bakstenen en dakpannen). Ook hier verwacht ik geen knelpunten.

Kalkzandsteenzand

Zand geschikt voor kalkzandsteenfabricage komt vrij algemeen voor in ons land. Het gebruik ligt op een niveau van circa 3,5 miljoen ton per jaar. Het zand wordt gedurende een reeks van jaren op dezelfde plek verwerkt. Ik verwacht geen problemen met de voorziening van de oppervlaktedelfstof.

Schelpen

Schelpenwinning betreft het winnen van geconcentreerde schelpenvoorraden in delen van de Noordzee, Waddenzee en Zeeuwse wateren. Schelpen behoren tot de categorie van vernieuwbare grondstoffen. Op jaarbasis wordt ca. 300 000 m3 schelpen gewonnen. In 2001 is een partiële herziening van de Landelijke Beleidsnota Schelpenwinning uitgebracht, die geldig is tot 2010.

Grind

In 1990 is door de toenmalige Minister van Verkeer en Waterstaat een bestuursovereenkomst met de provincie Limburg afgesloten waarin is opgenomen dat grindwinning in Limburg voor de landelijke voorziening geleidelijk zal worden verminderd en uiteindelijk beëindigd. Deze afspraak houdt in dat vanaf 1990 uit de operationele grindwingebieden nog 20 miljoen ton gewonnen zou worden en uit het toen al aangewezen gebied Stevol nog 25 miljoen ton. Daarnaast zou de provincie Limburg als sluitstuk nog gebied(en) aanwijzen waar 35 miljoen ton grind gewonnen zou kunnen worden. Deze afspraak is deels vervallen, namelijk voor wat betreft het nog voor 35 miljoen ton aanwijzen van een nieuw gebied of gebieden. In het kader van het aanvaarden van het Deltaplan Grote Rivieren door het rijk en het IPO is overeengekomen dat de nieuwe grindwinningen zullen plaatsvinden binnen het Grensmaasproject en het Zandmaasproject. Naar het zich laat aanzien zal uit de gekozen in procedure zijnde uitvoeringsvariant van het Grensmaasproject circa 50 miljoen ton grind vrijkomen. In de inspraakreactie op deel 1 van het Structuurschema Oppervlaktedelfstoffen 2 (SOD2) is destijds van de kant van het bedrijfsleven zorg uitgesproken over de geleidelijkheid van de afbouw van de grindwinning. Deze zorg had betrekking op de nog te doorlopen procedures voor de genoemde projecten waardoor na afloop van het Stevol project niet direct aansluitend met grindwinning in het Grensmaasproject begonnen zou kunnen worden. Uit informatie van de provincie Limburg blijkt dat dit probleem zich naar verwachting niet zal voordoen omdat de grindwinning in het Grensmaasproject in 2005 operationeel kan zijn en in het project Stevol nog tot 2005, mogelijk met nog verlenging van 1 jaar, kan worden gewonnen. Bij een eventuele verlenging betreft het een uitspreiding van de reeds vastgestelde te winnen hoeveelheden over een iets langere periode.

Naar verwachting zal de grindwinning in Nederland vooralsnog op een niveau van circirca 6 miljoen ton per jaar voortgaan. De resterende behoefte wordt gedekt door import van grind en gebroken rots (circa 22 miljoen ton) en door secundaire grondstoffen (circa 3 miljoen ton).

Kalksteen

Ongeveer de helft van de kalksteenbehoefte voor de cementindustrie wordt in Nederland gewonnen (circa 1,3 miljoen ton). Daarnaast wordt in Nederland nog kalksteen gewonnen door de zogenaamde maalindustrie (0,5 miljoen ton). Een zelfde hoeveelheid wordt geïmporteerd. Alleen in Zuid-Limburg zijn aanzienlijke kalksteenvoorraden aanwezig. In verband met de landschappelijke, cultuurhistorische, natuurwetenschappelijke en aardkundige waarden van dit gebied is het beleid erop gericht dat er geen nieuwe groeves worden gegraven op het Plateau van Margraten en dat bestaande groeves op het Plateau niet worden uitgebreid.

Ik ondersteun het besluit van de provincie Limburg om een laatste beperkte uitbreiding van groeve 't Rooth toe te staan, doch laat de instemming met de voorgestelde omvang van deze uitbreiding afhangen van de nadere motivering door de provincie.

Zilverzand

Zilverzand is een hoogwaardige grondstof, die alleen voorkomt in Zuid-Limburg. Gelet op de momenteel vergunde voorraad en het jaarlijkse niveau van winning (circa 0,75 miljoen ton) zal naar verwachting in de periode tot 2025 nog een beperkt extra wingebied nodig zijn. De netto import bedraagt circa 0,3 miljoen ton per jaar.

Beton- en metselzand

Het gebruik van beton- en metselzand bedraagt jaarlijks circa 22 miljoen ton en wordt gebruikt in de bouwsector. Import en export hielden elkaar tot voor kort in evenwicht. Inmiddels wordt er meer geïmporteerd dan geëxporteerd.

Hoewel de geologische voorraden in Nederland zeer groot zijn, is er over grootschalige winning in Nederland afgelopen jaren discussie ontstaan. In de brief kom ik hier uitgebreid op terug.

Secundaire grondstoffen

Van de totale jaarlijkse hoeveelheid afval- en industriële reststoffen die, al of niet na bewerking, inzetbaar is als secundaire bouwgrondstof, wordt het overgrote deel van de jaarlijkse productie toegepast in de bouw. In totaal gaat het om een hoeveelheid van circa 25 miljoen ton per jaar, wat neerkomt op circa 15 % van het totale bouwgrondstoffengebruik. Dit is exclusief de stroom licht verontreinigde grond. Uit een eenmalige enquête over 1995–1997 bleek dat jaarlijks circa 7 miljoen ton wordt toegepast.

Vernieuwbare grondstoffen

Het beleid is gericht op het stimuleren van het gebruik van vernieuwbare grondstoffen in de bouw ter vervanging van oppervlaktedelfstoffen. Een aantal acties ter bevordering van houtgebruik in de bouw is geformuleerd in het rapport «Meer hout in de bouw». Kansrijke opties zijn bijvoorbeeld toepassingen van hout voor draagconstructies in de woningbouw en de toepassing van prefab houten constructie-elementen.

Rijkswaterstaat vervult binnen de GWW-sector een belangrijke voorbeeldfunctie, zowel voor vernieuwbare als secundaire grondstoffen.

Hoe ziet de nieuwe situatie eruit

Geen beleid ten aanzien van tijdige en voldoende voorziening

Het Rijk wil het beleid ten aanzien van tijdige en voldoende voorziening voor bouwgrondstoffen inclusief bijbehorende taakstellingen (vastleggen van hoeveelheden over een bepaald periode) loslaten. Op belangrijke onderdelen is het gevoerde beleid ten aanzien van de tijdige en voldoende voorziening niet effectief gebleken. Het rijk wil het overlaten aan de markt.

Het ontgrondend bedrijfsleven is van mening dat weliswaar op de langere termijn meer marktwerking mogelijk is, maar dat er op de korte tot middellange termijn belemmeringen zijn die het zelf niet kan oplossen. Het gaat hierbij vooral om de landelijke winning van beton- en metselzand. Het bedrijfsleven dat in deze sector actief is, constateert dat de regionale overheden steeds minder geneigd zijn voor grootschalige winningen op het land vergunningen af te geven. Het is van mening dat het rijk ervoor moet zorgen dat voor de periode dat minder kan worden gewonnen dan er vraag is, hiervoor toch voldoende mogelijkheden worden gecreëerd.

Ondanks de constatering van het bedrijfsleven met betrekking tot de verminderde hoeveelheden gewonnen beton- en metselzand ben ik van mening dat het beëindigen van het beleid ten aanzien van een tijdige en voldoende voorziening van bouwgrondstoffen zo spoedig mogelijk dient plaats te vinden. De rol van het rijk is in deze situatie vooral gericht op het stellen van een nationaal ruimtelijk kader en het stimuleren van een duurzaam grondstoffenbeleid. Provincies zullen ervoor zorgen dat de bouwgrondstoffenwinning volwaardig wordt meegewogen in de regionale ruimtelijke plannen en de vergunningprocedures. Voor Rijkswaterstaat geldt hetzelfde voor wat betreft de vergunningprocedures in de rijkswateren. Het bedrijfsleven zal zich moeten richten op kwalitatief goede en maatschappelijk verantwoorde projecten die voor winningen op het land in nauw overleg met de betrokken gemeenten worden ontwikkeld.

Voor de meeste bouwgrondstoffen zal het loslaten van het bouwgrondstoffenbeleid door Verkeer en Waterstaat geen problemen opleveren en zullen er voldoende mogelijkheden zijn om de Nederlandse markt te voorzien. Voor beton- en metselzand echter is de nieuwe situatie anders. Ik ga hier nader op in.

Gevolgen voor de winning van beton- en metselzand

De Commissie Taakstellingen en flankerend beleid beton- en metselzandvoorziening (Commissie Tommel) constateert reeds in haar eerste jaarlijkse advies van 21 oktober 2002 dat het systeem met taakstellingen niet wordt waargemaakt en dat er sprake is van schijnzekerheid. De Commissie Tommel pleit er voor om dit systeem van taakstellingen voor beton- en metselzand op relatief korte termijn los te laten en is van mening dat op die manier ook de noodzakelijke initiatieven voor het ontwikkelen van alternatieven voor de winning van beton- en metselzand in landlocaties gemakkelijker van de grond zullen komen.

Ik onderschrijf de conclusies van de Commissie Tommel. De laatste decennia is het belang van de winning van beton- en metselzand uit landlocaties geleidelijk minder gewicht toegekend, en hebben andere belangen in kracht gewonnen zoals de behoefte aan open ruimte, groen en natuur in het dichtbevolkte Nederland.

Voor beton- en metselzand zal het wegvallen van rijksregie betekenen dat de markt andere en nieuwe wegen zal moeten bewandelen. Dit betekent een grotere druk op de ontwikkeling van alternatieven zoals het (her)gebruik van rest- en afvalstoffen en hernieuwbare grondstoffen. Ook denk ik aan productinnovaties in de betonsector.

Daarnaast verwacht ik dat het ontgrondend bedrijfsleven zich steeds meer zal richten op het indienen van kwalitatief betere, maatschappelijk gewenste projecten. Omdat de alternatieven op de korte termijn niet voldoende beschikbaar zijn, zal naar verwachting een verhoogde import vanuit het buitenland plaatsvinden leidend tot een verhoging van de prijs van beton- en metselzand. Dit vind ik aanvaardbaar. Een prijsverhoging reflecteert juist de maatschappelijke schaarste van het product. Bovendien worden de maatschappelijke en milieukosten dan beter verdisconteerd in de bouwwerken (internalisering). Hierbij merk ik op dat deze prijsverhoging van de grondstof slechts voor een klein deel tot uitdrukking komt in de uiteindelijke prijs van de bouwwerken. Ik verwacht bijvoorbeeld dat in de woningbouw de prijzen met niet meer dan maximaal enkele tienden van procenten zullen stijgen.

Een gevolg van een stijging van de prijs van beton- en metselzand is dat op deze manier de alternatieven en innovatieve oplossingen voor ontgrondingen op land rendabeler ontwikkeld kunnen worden. Hoewel op de korte termijn meer grondstoffen, en mogelijk ook betonnen bouwproducten, uit het buitenland zullen worden aangevoerd, verwacht ik niet dat de continuïteit van de bouw in gevaar zal komen. Wel zal gemonitord worden of de verwachte ontwikkelingen naar meer marktwerking zich voltrekken.

Ruimtelijk beleid en duurzaam grondstoffenbeleid blijven bij VROM

Met het bovenstaande heb ik aangegeven dat het rijk geen rol meer wenst te spelen ten aanzien van beleid dat gericht is op de kwantitatieve invulling van de voorziening van bouwgrondstoffen. Dit betekent niet dat het rijk geen beleid meer zal voeren met betrekking tot oppervlaktedelfstoffen. Beleid gericht op aspecten betreffende de ruimtelijke ordening en de duurzame grondstoffenvoorziening zal blijven bestaan en wordt waar nodig aangescherpt.

Ruimtelijk beleid

Het aangeven van een nationaal ruimtelijk kader voor de winning van oppervlaktedelfstoffen valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van VROM. Dat kader wordt opgenomen in de PKB Nationaal Ruimtelijk Beleid (Nota Ruimte).

In de PKB Ruimte voor de Rivier zal ik waar mogelijk de secundaire winning van bouwgrondstoffen in het algemeen en beton- en metselzand in het bijzonder meenemen («werk met werk maken»).

Duurzaam grondstoffenbeleid

Naast het ruimtelijke beleid dat van belang is voor de winning van oppervlaktedelfstoffen is ook het beleid ten aanzien van het duurzaam gebruik van materialen en producten, waarvoor grondstoffen worden gewonnen, van belang. Dit beleid blijft onder de verantwoordelijkheid van de Minister van VROM.

Voor een duurzame bouwgrondstoffenvoorziening dient zoveel mogelijk gestreefd te worden naar zuinig, hoogwaardig en levensduurverlengend gebruik en vermindering van gebruik van eindige grondstoffen. Dit betekent bijvoorbeeld het bouwen met minder gebruik van materiaal, hergebruik van bouw- en sloopafval in bouwproducten en gebruik van hout. Met het oog op een milieuverantwoord materiaalgebruik wordt gestreefd naar vermindering van milieueffecten gedurende de levensloop van materialen (van winning van grondstoffen tot en met afvalverwerking na sloop of verwijdering).

Het OOD-rapport gaat ook in op een duurzaam grondstoffengebruik. In het rapport wordt gesteld dat de verantwoordelijkheid voor het beleid op dit punt bij de ministers van VROM (afvalstoffen en duurzaam bouwen) en LNV (vernieuwbare grondstoffen zoals hout) moet liggen. Geadviseerd wordt de ontwikkeling van duurzame grondstoffen en de toepassing ervan actief te stimuleren. Ook de Commissie Tommel heeft dit aanbevolen. Daartoe zullen VROM en LNV samen met de betrokkenen nader bezien welke instrumenten daarvoor kunnen worden gehanteerd, zullen innovatieve oplossingen worden gestimuleerd en belemmeringen zoveel mogelijk worden weggenomen.

Ten aanzien van duurzaam grondstoffengebruik verwacht ik van overheden dat zij hierin een voorbeeldfunctie vervullen. Dit kunnen zij doen door in projecten waar mogelijk en tegen aanvaardbaar kostenniveau duurzame grondstoffen en technieken toe te passen. Een aantal provincies heeft dit reeds in hun beleid verankerd. Ook Rijkswaterstaat heeft steeds een vooraanstaande rol vervuld bij projecten in de weg- en waterbouw. Deze zal worden voortgezet.

Bouwstoffenbesluit

Een belangrijk instrument voor de regulering van het gebruik van secundaire grondstoffen is het Bouwstoffenbesluit. Dit besluit regelt de toepassing van steenachtige bouwmaterialen. Onlangs is aan u de eindrapportage van de evaluatie van de werking van het besluit aangeboden (brief van de Staatssecretaris van VROM nr. BWL/2002076698 van 7 november 2002). Deze evaluatie leverde een groot aantal knelpunten op die in de praktijk worden ervaren. Aan de Tweede Kamer is onder andere meegedeeld dat er een stappenplan wordt opgesteld. Daartoe is eind vorig jaar het project «Herijking beleidskader bouwstoffen» gestart. Dit project heeft een visie opgeleverd die thans via een vervolgproject wordt uitgevoerd. Dit vervolgproject is gericht op vereenvoudiging van de uitvoeringsregels, het verminderen van administratieve, bestuurlijke en maatschappelijke lasten en het verbeteren van de handhaving. De twee doelstellingen van het Bouwstoffenbesluit, te weten bescherming van bodem (inclusief grondwater) en oppervlaktewateren en het stimuleren van hergebruik van secundaire materialen blijven gelden.

Resterende taken Verkeer en Waterstaat ten aanzien van bouwgrondstoffen

De uitvoerende taak van Rijkswaterstaat, namelijk als bevoegd gezag voor de Ontgrondingenwet voor wat betreft de rijkswateren, blijft bestaan. Voor winning op het land blijven de provincies bevoegd gezag.

Daarnaast is Rijkswaterstaat een belangrijke speler op de markt voor bouwgrondstoffen als grootverbruiker.

Hoe is de nieuwe situatie te bereiken

Zorgvuldige afbouw van de regierol van Verkeer en Waterstaat

Zoals ik eerder heb aangegeven tijdens de begrotingsbehandeling van Verkeer en Waterstaat in november 2002, is het belangrijk dat de afbouw van de regierol zorgvuldig gebeurt. Hoewel ik het kwantitatieve beleid ten aanzien van de bouwgrondstoffen zo spoedig mogelijk wil beëindigen, ben ik van mening dat een geleidelijke overgang nodig is.

Ten aanzien van de taakstellingen voor beton- en metselzand zijn de overheden en de Stichting Natuur en Milieu van mening dat een overgangsperiode tot 2009 voldoende is; het ontgrondend bedrijfsleven wil een termijn tot 2016 vanwege de lange proceduretermijn voor nieuwe vergunningen. Ik ben van mening dat een overgangsperiode van ruim vijf jaar voldoende is om het ontgrondend bedrijfsleven de gelegenheid te bieden projecten te ontwikkelen die maatschappelijk aantrekkelijk zijn. Ik verwacht dat daarmee het draagvlak voor ontgrondingen in Nederland zal toenemen. Wel zal ik samen met de minister van EZ in 2003 nader bepalen welke mogelijkheden er zijn om een optimale marktwerking te creëren.

Ten aanzien van de verantwoordelijkheidsverdeling op rijksniveau geldt het volgende. De minister van EZ is aanspreekpunt voor de sector vanwege diens verantwoordelijkheid voor goede marktwerking. De minister van VROM is verantwoordelijk voor ruimtelijk beleid en duurzaam grondstoffenbeleid. Ik blijf verantwoordelijk voor de Ontgrondingenwet tot duidelijk is hoe de wet- en regelgeving voor ontgrondingen zijn definitieve vorm krijgt. Tevens blijf ik betrokken bij een aantal acties zoals hieronder specifiek genoemd.

1. De bestaande taakstellingen voor beton- en metselzand zullen tot 2009 worden gecontinueerd. Rijkswaterstaat en de provincies zullen tot 2009 alle bestaande kwantitatieve afspraken ten uitvoer brengen. Ik heb hierover afspraken gemaakt met de provincies. Voor de winning van beton en metselzand op landlocaties betekent dit dat er voldoende vergunningen dienen te worden afgegeven om een hoeveelheid van 143 miljoen ton in de periode 1999 tot 2009 te kunnen winnen. Uit rijkswateren dient in diezelfde periode de winning van minstens 15 miljoen ton beton- en metselzand mogelijk gemaakt te worden. Wat het betekent voor de overige oppervlaktedelfstoffen heb ik reeds aangegeven in het eerste deel van de brief.

2. Ik zal samen met de minister van EZ in 2003 een plan uitwerken gericht op het creëren van randvoorwaarden voor het ontstaan van een optimaal functionerende markt. Het plan wordt opgesteld met de overige betrokken departementen, het IPO, de VNG, het bedrijfsleven en natuur- en milieuorganisaties.

3. Ik zal in 2003 onderzoeken of het mogelijk is de Ontgrondingenwet verder af te slanken en noodzakelijke onderdelen ervan onder te brengen in andere wetgeving en/of beleidsnota's. Hierbij worden nut en noodzaak van de Ontgrondingenwet verkend. Bij het onderzoek zal ik streven naar zoveel mogelijk vermindering van overheidsregelgeving. Het onderzoek wordt uitgevoerd in samenwerking met het IPO.

4. In het SOD2 deel 1 is aangegeven dat winning van beton- en metselzand vanuit rijkswateren, met name Noordzee en IJsselmeer bevorderd moet worden. Hiertoe zijn afgelopen jaren diverse studies uitgevoerd ten aanzien van het voorkomen van beton- en metselzand en de winbaarheid. Voor de Noordzee zal in het uit te brengen Tweede Regionale Ontgrondingenplan Noordzee (RON2) diepe winning (meer dan twee meter) van beton en metselzand worden toegestaan. Tevens zal ik in 2003 nagaan welke extra stimulansen ontwikkeld kunnen worden voor de winning van beton- en metselzand in Noordzee, IJsselmeer en Markermeer.

5. Voor het bevorderen van alternatieven zal ik samen met de provincies in de periode 2003–2007 een onderzoeksprogramma uitvoeren van bijna één miljoen euro per jaar. Het onderzoeksprogramma is gericht op de toepassing van grondstoffen in de bouw en alternatieven voor de winning van beton- en metselzand. Na deze periode van 4 jaar zal bezien worden of een verlenging van nog eens 4 jaar wenselijk is.

6. Een adequate monitoring van bouwgrondstoffen is van belang. Het bedrijfsleven verstrekt hiervoor een groot deel van de gegevens. Over de precieze invulling zullen in 2003 nadere afspraken worden gemaakt.

7. Het bedrijfsleven heeft een stimuleringsfonds voorgesteld ten behoeve van duurzame grondstoffenvoorziening. Een uitwerking ervan, zoals gesuggereerd door de rijksoverheid in het OOD-rapport, wacht ik af.

Structuurschema Oppervlaktedelfstoffen niet meer uitgebracht

In juli 2001 werd deel 1 (het beleidsvoornemen) van het SOD2 gepubliceerd. In juli 2002 is deel 2 (inspraakreacties en adviezen) van het SOD2 verstuurd aan de Tweede Kamer. In een brief van 12 april 2002 is aan de Tweede Kamer meegedeeld dat deel 3 van het SOD2 vertraging heeft opgelopen. Ik zal vanwege de geschetste ontwikkelingen deel 3 van het SOD2 niet meer uitbrengen.

Afspraken tussen partijen

Ik zal in overleg met alle betrokken partijen de in deze brief geschetste aanpak verder uitwerken en afspraken hierover maken.

De Commissie Tommel is bereid om gedurende de overgangsperiode het proces te volgen en ieder jaar over de voortgang te rapporteren. Ook kan de Commissie Tommel (on)gevraagd advies geven.

Ik zal u over de vorderingen van de uitvoering van de bovengenoemde acties jaarlijks berichten.

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

M. H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.