Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2002-2003 | 28600-VIII nr. 15 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2002-2003 | 28600-VIII nr. 15 |
Vastgesteld 29 oktober 2002
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen.
De daarop door de regering gegeven antwoorden zijn hierbij afgedrukt.
Als de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Van Leeuwen, in een interview met het Financieele Dagblad d.d. 5 oktober jl. spreekt over zijn ambitie de huidige fiscale maatregelen (regeling vrijstelling cultuurprojecten 2002, vrijstelling voorwerpen kunsten en wetenschap) te handhaven, is dit niet in tegenstelling tot de gemaakte afspraken in het strategisch akkoord? Geldt hetzelfde voor zijn uitspraken over nieuwe instrumenten om het beleggen in kunst te stimuleren, de zogenoemde kunstinvesteringsaftrek en stimulering via successierecht? Hoe ver is het overleg hierover gevorderd tussen OCW en Financiën? Wanneer kan de Kamer voorstellen tot behoud van de huidige, en invoering van de nieuwe fiscale maatregelen verwachten?
Met de staatssecretaris van Financiën heeft een eerste oriënterende bespreking over een aantal fiscale onderwerpen plaatsgevonden. Over eventuele voorstellen zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd. Zie ook het antwoord op vraag 380.
Als de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Van Leeuwen, in een interview met het Financieele Dagblad d.d. 5 oktober jl. belooft «alles in het werk te stellen om nog een extra bedrag beschikbaar te krijgen» voor het project «bibliotheek in beweging», op basis waarvan wordt dit gefinancierd? Aan welke bedragen wordt hiervoor gedacht? Op welke wijze worden deze bedragen ingezet?
Daarbij is gedacht aan herschikkingen binnen de eigen begroting. Daarnaast zal de staatssecretaris, zoals toegezegd in het AO bibliotheken van 26 september 2002, in overleg treden met andere departementen, met name BZK en Justitie/VI, om te kijken waar in termen van uitvoering van staand beleid gemeenschappelijke belangen liggen met betrekking tot de bibliotheekvernieuwing.
Als de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Van Leeuwen, in een interview met het Financieele Dagblad d.d. 5 oktober jl. zegt van plan te zijn om de maatschappij te «culturaliseren», waarom zijn hierover echter geen concrete beleidsvoornemens terug te vinden in de OCW-begroting? Kan aangegeven worden met welke beleidsdoelstellingen aan het begrip «culturalisatie» invulling wordt gegeven?
Met de term «culturalisatie» heeft de staatssecretaris aangegeven, zich in het bijzonder sterk te zullen maken voor voorzieningen waarvan grote delen van Nederlandse bevolking over een breed spectrum profijt hebben. Dat sluit naadloos aan op de doelstelling die de staatssecretaris zou willen formuleren als: «het versterken van de culturele factor in onze samenleving», ofwel meer culturele ervaringen in het leven van alledag.
Meer subsidiegeld is niet de enige, en ook niet altijd de beste manier om dat doel te bereiken.
Samenwerking met andere departementen, andere overheden, of het bedrijfsleven is vaak minstens zo effectief om meer mensen op een vanzelfsprekende, geïntegreerde manier te laten deelnemen aan het culturele leven. Het media-aanbod, de kwaliteit van onze woonomgeving, mode en design, zijn onderwerpen waar met overleg, het bieden van faciliteiten, het geven van het goede voorbeeld, samenwerking en overreding, vaak meer wordt bereikt dan met subsidies. Dit soort initiatieven vindt u inderdaad niet onmiddellijk terug in de begroting.
Kan in het kader van de in de begroting bepleite vermindering van de administratieve lasten een duidelijke ambitie worden geformuleerd, vergelijkbaar met die van het ministerie van Economische Zaken, te weten 25% reductie ten opzichte van het niveau van 1994? Op welke manier wordt hierover gerapporteerd aan de Kamer?
Het beleid rond de vermindering van de administratieve lasten steunt op een aantal pijlers. De aandacht richt zich op een efficiënte verzameling van gegevens, op het beschikbaar stellen van OCenW informatie aan betrokkenen en op service verlening aan instellingen waarmee de uitvoeringlast reduceert. Het beleid op deze aandachtgebieden bevindt zich in verschillende fases en heeft niet voor alle sectoren hetzelfde effect. De hoge ambitie op het terrein van de administratieve lasten laat zich hierdoor niet goed in een cijfer vatten.
Naast een efficiënte gegevensverzameling met de invoering van het onderwijsnummer als speerpunt, wordt veel verwacht van de service verlening aan instellingen. Met name het «elektronisch bekostigen» biedt perspectief. Deze service verlening bevindt zich in een verkennende fase. In de voortgangsrapportage informatiebeleid (brief 5 juni 2002, FEZ/IR/2002/8188) is de Tweede Kamer geïnformeerd over de start van een pilot «elektronisch bekostigen» in het voortgezet onderwijs. De verwachting is dat deze service een substantiële reductie van de uitvoeringslast bewerkstelligt. Met ervaringen uit de pilot kan inzicht komen over de omvang van de reductie.
De mate van reductie door het beschikbaar stellen van OCenW-informatie is afhankelijk van het gebruik van deze gegevens door andere partijen met reguliere informatierelaties met de instellingen. OCenW zal het initiatief nemen om het gebruik van de beschikbare gegevens door deze partijen te stimuleren.
In de begroting van 2003 is aangekondigd dat de Tweede Kamer door middel van het voorschreven format in de verantwoording 2003 geïnformeerd zal worden. Dit zal ook geschieden in de daarop volgende jaren.
Stemt de regering in met het gezamenlijk voorstel van VNO-NCW, VSNU, KNAW, TNO en NWO om te komen tot een kennisstrategie, waarin de regering haar ambities neerlegt, evenals haar voornemens om die ambities te kunnen realiseren, inclusief de daarmee gemoeide middelen?
De regering acht het een vanzelfsprekend en wezenlijk element van het kabinetsbeleid Nederland krachtig te equiperen om als kenniseconomie in de voerhoede van de EU zijn rol te spelen, conform de doelstelling die Nederland zichzelf bij de top van Lissabon heeft gesteld. De wens van VNO-NCW, VSNU, KNAW, TNO en NWO sluit daar precies op aan.
De plannen van het kabinet om Nederland als kenniseconomie en -maatschappij te versterken zullen terug te vinden zijn in de strategieplannen voor wetenschapsbeleid, hoger onderwijsbeleid en innovatiebeleid, inclusief de financiële kaders. Gezien de huidige economische situatie zullen deze kaders zuinig zijn.
Een krachtige kenniseconomie komt alleen tot stand als alle partijen hun verantwoordelijkheid nemen. Het kabinet nodigt de genoemde organisaties daarom uit aan te geven welke bijdrage zijzelf zullen leveren. Afspraken hierover zullen op hoofdlijnen in de verschillende strategieplannen worden opgenomen.
Inmiddels is er op 20 november a.s. een brainstorm georganiseerd met de Manifestpartijen (NWO, KNAW, TNO, VSNU, VNO-NCW), de DG Innovatie (EZ) en DGHW, ter voorbereiding van een gesprek op ministersniveau over een mogelijke verdere uitwerking en aanpak. Ten behoeve van de brainstorm maakt NWO een voorstel.
Wanneer vindt de evaluatie van de MUB (Wet Modernisering universitaire bestuursorganisateie) plaats?
De Tweede Kamer heeft bij brief van 6 september 2002 gevraagd om een standpuntbepaling over het functioneren van de MUB. Dit standpunt is thans in voorbereiding en zal u op korte termijn worden toegezonden. In dat standpunt zal worden ingegaan op de resultaten van de bezinning op het functioneren van de MUB, met name op het gebied van medezeggenschap. Ook zal daarin de door u gevraagde beleidsreactie worden gegeven op het inspectierapport over klachtenregelingen en de ombudsfunctie. Tenslotte zal in die brief worden ingegaan op de vraag of en wanneer evaluatie van de MUB zal plaatsvinden.
Welke indruk heeft de regering over hoe er met de bezinning MUB is omgegaan?
Zie het antwoord op vraag 6.
Kan op basis van het feit dat in de begroting voor het jaar 2003 niet wordt gesproken over de vaste boekenprijs worden verondersteld dat de regering ten aanzien van dit onderwerp van plan is te wachten op het initiatiefwetsvoorstel Dittrich of kan de Kamer voor die tijd eigen initiatieven van de regering verwachten?
Omdat de huidige regeling inzake de vaste boekenprijs loopt tot het jaar 2005 én omdat deze geen geld kost, is dit onderwerp niet opgenomen in de OCenW-begroting 2003. De vorige staatssecretaris en de minister van Economische Zaken hebben bij brief 13 juni 2002 hun voorlopige reactie op het CPB/SCP-onderzoek over de vaste boekenprijs aan de Kamer gestuurd. Tevens is een advies aan de Raad voor Cultuur gevraagd, dat begin december wordt verwacht. Naar verluidt zal het initiatiefwetsvoorstel voor of tegen die tijd worden ingediend. Het kabinet is in ieder geval gehouden het advies van de Raad voor Cultuur af te wachten om tot een standpuntbepaling te komen. Hoe dit zich in de tijd ten opzichte van het genoemde initiatief-wetsvoorstel zal verhouden, is nog niet te zeggen.
Is het waar dat brailletijdschriften minder of niet meer gesubsidieerd worden waardoor de prijs van brailletijdschriften enorm is gestegen?
Neen. Ik verwijs u hiervoor naar het Rijksvoorzieningenplan bibliotheekwerk voor blinden en slechtzienden, toegezonden bij brief van 9 oktober 2002.
Waarom wordt in de begroting geen aandacht besteed aan de problematiek rond zwarte en witte scholen en daarmee de toename van segregatie in het onderwijs? Welke maatregelen worden genomen om het proces van etnische segregatie in het onderwijs tegen te gaan?
De Onderwijsraad heeft een verkenning uitgevoerd naar de interpretatie van artikel 23 van de Grondwet in relatie tot de huidige maatschappelijke ontwikkelingen. Deze verkenning getiteld Vaste grond onder de voeten is op 10 juli 2002 aangeboden aan de Tweede Kamer. In de verkenning besteedt de Onderwijsraad ruim aandacht aan de segregatieproblematiek op grond van etniciteit (witte en zwarte scholen). Momenteel wordt een beleidsreactie op de verkenning voorbereid en binnenkort aan de Tweede Kamer aangeboden.
Klopt het dat er voor alfabetiseringscursussen geen extra budget is uitgetrokken? Zo neen, hoe groot is dat dan? Zo ja, hoe verhoudt dit zich met het Actieplan Alfabetisering dat onlangs van start is gegaan en waarmee de regering 75 000 Nederlandstalige analfabeten het komende jaar wil laten beginnen aan een cursus lezen en schrijven?
In 2002 heeft OCenW € 250 000 beschikbaar gesteld voor de landelijke campagne alfabetisering en de ontwikkeling van een meerjarenplan 2003–2006. Voor 2003 wordt dit bedrag verhoogd tot € 400 000, zodat de campagne kan worden voortgezet en enkele noodzakelijke faciliteiten (landelijke bellijn, monitoring) verzekerd zijn. Het budget voor de volwasseneneducatie blijft gelijk. Wel wijs ik erop dat met ingang van 2001 het (BZK, nu Justitie/V&I) budget voor taalonderwijs aan «oudkomers» (allochtonen die al in Nederland waren voordat in 1998 de Wet inburgering nieuwkomers van kracht werd) substantieel is verhoogd. Hierdoor is in beginsel meer ruimte ontstaan om prioriteiten te stellen binnen het educatiebudget dat gemeenten van OCenW ontvangen.
OCenW wil de gemeenten stimuleren om te peilen welke behoefte er bestaat aan een aanbod Nederlandse taal (NT1), zodat zij daarmee rekening kunnen houden bij de inkoop van cursussen bij een regionaal opleidingencentrum (roc). Ter ondersteuning is het Actieplan alfabetisering autochtone Nederlanders opgesteld. Dit bestaat uit een campagne (die op 9 september 2002 van start is gegaan) en de ontwikkeling van een meerjarenplan. De eerste resultaten van de campagne en de beschikbare middelen zullen nader moeten uitwijzen wat de komende jaren nodig en mogelijk is.
Wat is het plan van aanpak ten aanzien van de bestrijding van analfabetisme?
Conform zijn toezegging op 17 oktober 2001, heeft minister Hermans van OCenW de Tweede Kamer op 19 december 2001 een Actieplan alfabetisering autochtone Nederlanders toegezonden (OCW0 200 002). Dit actieplan richt zich op de naar schatting 250 000 «echte» analfabeten onder de autochtone bevolking. Het actieplan kent twee onderdelen: een campagne (die op 9 september 2002 van start is gegaan) en een meerjarenplan dat de Kamer nog dit jaar wordt aangeboden. Bedoeling is meer autochtone analfabeten te bereiken met een passend cursusaanbod. Gemeenten kunnen dit aanbod inkopen bij een regionaal opleidingencentrum (roc).
Klopt het dat er voor de ontwikkeling van brede scholen geen extra budget is uitgetrokken? Zo neen, hoe groot is dat dan? Zo ja, waarom is dat zo juist nu blijkt dat brede scholen een succes blijken te zijn, met name voor allochtone kinderen? Waarom worden de inspanningen die tot goede resultaten leiden niet beloond? Welke concrete maatregelen worden genomen opdat het concept brede school verder gestalte krijgt?
Brede scholen zijn een instrument van gemeenten, scholen en instellingen om verschillende doelen te bereiken. Brede scholen zijn geen doel op zich, maar voorzien in een lokale behoefte aan samenwerking om de ontwikkelingskansen van alle kinderen te vergroten. Het rijk ondersteunt deze ontwikkeling.
Voor de stimulering van brede scholen is door OCenW de komende jaren een bedrag van € 0,35 miljoen uitgetrokken.
In het eerste kwartaal 2003 zal uw Kamer een uitgangspunten- en actieprogramma ontvangen waarin onder andere de koers van de brede scholen wordt uitgezet. Daarnaast worden in het uitgangspunten- en actieprogramma verschillende door het vorige kabinet toegezegde voortgangsrapportages opgenomen, met name de voortgangsrapportage onderwijskansen, de voortgangsrapportage brede scholen, de verantwoording van de resultaten vve-regelingen 2000–2002, alsmede een kabinetsreactie op de OR- en RMO-adviezen over de voor- en vroegschoolse educatie.
Kan aangegeven worden welke financiële middelen beschikbaar zijn voor tussenschoolse opvang? Zo neen, wanneer komt hier duidelijkheid over?
Het totaal beschikbaar budget voor 2002 en 2003 bedraagt € 4,5 miljoen. Op grond van amendering tijdens de begrotingsbehandeling 2002 is dit bedrag éénmalig beschikbaar gesteld. Het totale budget is in zijn geheel reeds verplicht en is als volgt samengesteld.
| 2002 | 2003 | |
|---|---|---|
| OCenW | 1,2 | |
| VWS | 1,0 | 1,0 |
| SZW | 1,3 | |
| Totaal | 3,5 | 1,0 |
Kan een overzicht worden gegeven van de budgetflexibiliteit van de OCW-begroting?
In de begroting zijn de voorgenomen uitgaven uitgesplitst in drie categorieën:
1. Juridisch verplichte uitgaven. Deze uitgaven zijn voor de rechter afdwingbaar en liggen derhalve vast. Hier is geen ruimte voor nadere prioriteitstelling.
2. Complementair noodzakelijke of bestuurlijk gebonden uitgaven. Bij deze uitgaven is er tot op zekere hoogte ruimte voor nadere prioriteitstelling. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat voor dit type uitgaven geldt dat er bijvoorbeeld een bestuurlijke afspraak is gemaakt over de besteding van die middelen. Die bestuurlijke afspraak zal dan opnieuw in discussie moeten worden gebracht met degene met wie die afspraak is gemaakt. De hardheid van de afspraken en de schade die uit het niet nakomen van die afspraak kan voortvloeien verschilt.
3. Vrije ruimte. Deze middelen zijn voor het grootste deel beleidsmatig verplicht op grond van regelingen of beleidsprogramma's waarmee de Tweede Kamer heeft ingestemd, maar nadere prioriteitstelling is mogelijk.
De navolgende bedragen zijn de totale vrije ruimte en de totale complementair noodzakelijke/bestuurlijk gebonden uitgaven.
| 2003 | 2004 | 2005 | 2006 | |
|---|---|---|---|---|
| Complementair noodzakelijk/bestuurlijk gebonden | 63 096 | 83 274 | 583 134 | 616 366 |
| Vrije ruimte | 14 480 | 12 804 | 14 296 | 12 540 |
| Totaal | 77 576 | 96 078 | 597 430 | 628 906 |
Op welke punten wil de regering zoal gaan schrappen in de gedetailleerde subsidievoorwaarden die een bron van irritatie vormen?
In het algemeen streeft het kabinet naar deregulering en verlaging van administratieve lasten; subsidievoorwaarden inbegrepen. Een voorbeeld hiervan is de invoering van lumpsum in het primair onderwijs.
Zo veel mogelijk bekostigingsvoorschriften komen te vervallen. Ook komt er bestedingsvrijheid voor de middelen in het kader van «Groepsgrootte & Kwaliteit». In de bve-sector wordt de CREBO-procedure vereenvoudigd. Als een school een nieuwe opleiding wil starten, kan dat straks sneller. In de cultuursector worden subsidies verleend met behulp van het cultuurnotastelsel. Deze systematiek zal de komende periode kritisch tegen het licht worden gehouden. Hierover wordt u per separate brief nader geïnformeerd. De stand van zaken met betrekking tot deze voornemens, en andere, zullen in de toegezegde voortgangsrapportage «deregulering en verantwoording» worden opgenomen.
Op welke wijze worden in het mediabeleid voorwaarden geschapen om ook de kennis, cultuur en normen en waarden vanuit de allochtone groepen op een volwaardige en verantwoorde wijze aan de orde te laten komen?
Ten aanzien van de publieke omroep bestaat de taakstelling zoals neergelegd in artikel 13c van de mediawet: het verzorgen van een pluriform en kwalitatief hoogstaand aanbod van radio- en televisieprogramma's voor zowel een breed publiek als voor speciale doelgroepen binnen de bevolking. Het diversiteitsbeleid neemt daarbij binnen de publieke omroep een belangrijke plaats in en de Nederlandse Programma Stichting heeft op dit vlak een speciale taakstelling. Daarnaast bevordert OCenW in de vier grote steden de productie van televisieprogramma's gericht op allochtone groepen via productiemaatschappij Multiculturele Televisie Nederland. Ook het initiatief G4-radio multiculturele radio in de vier grote steden – moet hierbij vermeld worden.
Wat wordt bedoeld met «een open dialoog met de samenleving aangaan»? Op welke wijze wil de overheid in het kader van de aangekondigde aandacht voor «alledaagse ergernissen» ook de dialoog vormgeven met de individuele allochtone burger? Welke communicatielijnen staan daarbij open en welke zullen worden gebruikt, dan wel gecreëerd?
Met een «open dialoog met de samenleving aangaan» wordt bedoeld dat wij rechtstreeks met het betrokken veld en/of burgers in gesprek willen treden over zaken aangaande de beleidsterreinen van het ministerie van OCenW, zonder vooraf beperkingen te stellen aan de onderwerpen die daarbij ter sprake kunnen komen.
De «alledaagse ergernissen» van individuele allochtone burgers bereiken ons ondermeer via de telefonische, schriftelijke en digitale vragen en opmerkingen die bij het departement binnenkomen. Daarnaast zijn er enkele websites met discussiefaciliteiten waarop men zijn stem kan laten horen, met name www.bredeschool.net en www.onderwijsachterstanden.nl.
Bovendien neemt het departement zelf het initiatief deze groepen te benaderen wanneer (beleids)projecten worden geïnitieerd, waarbij verondersteld mag worden dat het relevant is de mening van allochtone groeperingen te kennen. In het verleden heeft OCenW hiertoe gespecialiseerde onderzoekers rechtstreeks allochtonen laten bevragen in de taal die zij het best beheersen, ondermeer bij projecten ter stimulering van ouderparticipatie en rond schooluitval. Het voornemen is bij een aantal nieuwe beleidstrajecten gebruik te maken van methoden voor «interactieve beleidsvorming». Daarbij zullen ook leden van allochtone groeperingen worden uitgenodigd.
Moet uit het feit dat de overheid een luisterend oor moet hebben, signalen serieus moet nemen en dus responsiever moet worden de conclusie worden getrokken dat de regering ten aanzien van het onderwijs geen initiërende taak voor zich ziet weggelegd? Zo niet, op welke thema's ziet de regering dan wel een initiërende taak voor de overheid op het gebied van het onderwijs?
De achtergrond van de aangehaalde passage is, dat OCenW met enige regelmaat de kritiek krijgt dat zij te weinig oog heeft voor problemen, zorgen en wensen in het veld en bij burgers. Die kritiek willen wij serieus nemen. De aangehaalde passage bedoelt uit te drukken dat het aangrijpingspunt voor overheidsbeleid niet enkel en uitsluitend bij de probleemdefinitie van de overheid dient te liggen, maar zeker ook door de zorgen en problemen zoals die door burgers en het veld worden beleefd.
Maar dat wil niet natuurlijk niet zeggen dat de politiek en het departement geen initiërende taak meer zou hebben. De beste metafoor is hier de dialoog: beide partijen kunnen hun eigen gesprekspunten inbrengen, maar beide partijen worden ook verondersteld naar elkaar te luisteren. De overheid brengt dus beleidsinitiatieven in, maar veel van die voorstellen zijn wel weer uitvloeisel van de problemen, zorgen en wensen die worden geuit door het veld en door burgers, en die de politiek bereiken – hetzij in rechtstreeks contact, hetzij via politieke partijen en andere organisaties.
Wat zijn de thema's waarop de overheid een initiërende taak voor zichzelf ziet weggelegd, en dus inbreng zijn voor deze dialoog? Deze worden geïmpliceerd door de concrete prioriteiten en voorstellen uit de begroting, gelet op de demissionaire status van het kabinet.
Wordt met «de juiste balans tussen loslaten en vasthouden» zomaar een of andere beargumenteerde middenweg bedoeld, of kan de juistheid van de balans ook nader worden geoperationaliseerd?
Het «operationaliseren» van de balans zal verschillen van onderwerp tot onderwerp. Een aantal algemene uitgangspunten hiervoor zijn in deze paragraaf toegelicht.
Welke stappen in de procedure tot het uitbrengen van Koers BVE en het Hoger Onderwijs en Onderzoeksplan zullen worden bekort teneinde deze beleidsdocumenten vervroegd te kunnen uitbrengen? Welke overwegingen liggen daaraan ten grondslag?
Het oogmerk is dat Koers BVE en het ontwerp-HOOP in mei 2003 aan de Tweede Kamer zullen worden aangeboden.
In beide documenten wordt een toekomstvisie op de bve-sector respectievelijk het hoger onderwijs neergelegd op hoofdlijnen, maar wel uitmondend in concrete stappen. Het is van belang de onderwijssectoren in een zo vroeg mogelijk stadium te laten weten wat onze inzet is gedurende de komende kabinetsperiode. Vandaar een keuze voor een versnelling in het proces. Aan beide documenten gaat een interactief proces vooraf dat als input dient voor Koers BVE en HOOP.
In tegenstelling tot eerdere jaren wordt voor het HOOP het overleg met externe partijen niet ná maar zoveel en intensief mogelijk voorafgaand aan het ontwerp-HOOP gevoerd. Het ontwerp-HOOP kan aldus spoedig na het verschijnen met de Tweede Kamer worden besproken.
Is de regering bereid de voornemens tot deregulering, teneinde fusies tussen universiteiten en hogescholen mogelijk te maken, en het uitbreiden van het voucherexperiment, die niet zijn opgenomen in de beleidsagenda, alsnog te vertalen in concrete doelen, acties en deadlines?
Ik ben voornemens instellingenfusie tussen hogescholen en universiteiten mogelijk te maken. Gezien de fundamentele aanpassing van de regelgeving die dat vergt, zal dit op langere termijn geschieden. In het HOOP 2003 zal dit onderwerp aan de orde komen.
Voucher-experimenten die nog niet in de beleidsagenda zijn opgenomen, zullen nader worden geconcretiseerd.
Is meer duidelijkheid te geven over de tijdsplanning met betrekking tot het terugdringen van administratieve lasten en bureaucratie met betrekking tot de diverse sectoren Cultuurbeleid inclusief de eigenaren van monumenten?
Over dit onderwerp wordt de Tweede Kamer in een afzonderlijke brief geïnformeerd. Het streven is deze brief nog voor de mondelinge behandeling van de begroting cultuur toe te zenden.
Wordt er in het concrete dereguleringsprogramma tevens rekening mee gehouden dat een grotere beleidsvrijheid voor de scholen tevens een zwaardere druk betekent op de bestuurlijke inzet van deze scholen? Zo ja, welke concrete consequenties verbindt de regering daaraan?
Met dit aspect zal rekening worden gehouden. Meer autonomie in het funderend onderwijs betekent dat meer verantwoordelijkheden bij de scholen worden gelegd. Het accent bij scholen verschuift van uitvoering van landelijke regels naar meer eigen beleidsontwikkeling. Dit stelt nieuwe eisen aan het management en bestuur van de scholen. Daar tegenover staat dat een deel van het dereguleringsprogramma betrekking heeft op het uitwerken en invoeren van concrete voorstellen tot vermindering van de administratieve lasten voor scholen.
Door beide ontwikkelingen in het kader van het programma in samenhang te bezien, zal meer inzicht worden gekregen over het effect van autonomie en deregulering op de bestuurlijke inzet van scholen.
Betekent het voornemen van de regering om de autonomie en de beleidsruimte in de sector beroepsonderwijs en volwasseneneducatie te vergroten dat het in de toekomst niet langer nodig zal zijn om instellingen tot wijzigingen in hun organisatie te prikkelen bijvoorbeeld teneinde voortijdig schoolverlaten te bestrijden of een betere aansluiting of het vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt te bewerkstelligen?
Bij de beantwoording van deze vraag wil ik een onderscheid maken tussen enerzijds mijn bredere beleidsdoelstellingen met betrekking tot de bve-sector en het beleid van de instellingen, en anderzijds de organisatie van de instellingen.
Met betrekking tot het eerste ga ik ervan uit dat het ook bij verdergaande deregulering zo blijft, dat de instellingen beleid van de overheid doorvertalen in hun eigen instellingsbeleid. Deels tracht ik de instellingen door een continue dialoog te overtuigen van mijn beleid, maar uiteindelijk zal ik natuurlijk blijven toetsen – onder meer via het toezicht van de inspectie of de instellingen in voldoende mate bijdragen aan het realiseren van de maatschappelijk gewenste doelen.
Wat betreft de organisatorische vormgeving van de instellingen meen ik dat terughoudendheid van mijn kant gewenst is; er is immers niet één recept voor de institutionele vormgeving van bijvoorbeeld de beroepskolom in een bepaalde regio. In mijn dereguleringsvoorstellen voor de bve-sector ga ik nader op de toekomstige institutionele vormgeving van de sector in.
Deze voorstellen zullen onderdeel uitmaken van de voortgangsrapportage deregulering, die ik de Tweede Kamer nog dit jaar zal zenden.
In welke opzichten zullen de nieuwe voucher-experimenten in het hoger onderwijs en de bve-sector gaan afwijken van de ideeën die de commissie Kemner destijds formuleerde in het rapport «Leerwegen gewogen»?
De experimenten in het hoger onderwijs en in de bve-sector zijn erop gericht de studenten maximale keuzevrijheid te geven bij de keuze van hun onderwijspakket. Dat geldt de samenstelling van de eindtermen, maar ook de wijze waarop die worden bereikt. Deze keuzemogelijkheden vinden hun grens bij de eisen die gesteld worden aan de eindkwalificaties van elke opleiding. Deze kwalificaties worden in opdracht van het bestuur van de onderwijsinstelling, bewaakt door examencommissies.
De kwintessens van de voorstellen die de commissie Kemner in 1995 heeft gedaan lag in de introductie van een systeem van (gelimiteerde) leerrechten voor de studiekwalificerende (bovenbouw havo en vwo) en in de beroepskwalificerende fase (mbo, hbo en wo). In enkele experimenten wordt beperking van leerrechten van studenten weliswaar gesimuleerd maar niet daadwerkelijk ingevoerd. Het gaat hier om de simulatie bekostiging masters-opleidingen én het «verdiepte» experiment met vraagfinanciering binnen het mkb-voucher experiment.
Wanneer kan de Kamer het aangekondigde concrete dereguleringsprogramma verwachten?
Nog dit jaar ontvangt de Tweede Kamer het programma in de vorm van een eerste voortgangsrapportage autonomie en deregulering. Deze rapportage bevat een (samenhangend) overzicht van de feitelijke stand van zaken met betrekking tot dit thema.
In hoeverre en op welke wijze zal de omvang van scholen worden meegenomen als relevante factor in het concrete dereguleringsprogramma?
De omvang van scholen vormt een bijzonder aandachtspunt bij de ontwikkeling en invoering van voorstellen inzake autonomie en deregulering. Een randvoorwaarde bij het proces van autonomievergroting en deregulering is dat de kleine schaal waarop onderwijs in basisscholen wordt gegeven, behouden blijft.
Deelt de regering de visie van het vorige kabinet dat fusie van hogescholen met universiteiten het onderscheid tussen hbo en wo niet nuanceert, maar vanwege het wegvallen van de onderlinge concurrentie juist aanzet tot verheldering van dat onderscheid?
Ja.
Is het de bedoeling van de regering om studenten door middel van vouchers maximale inhoudelijke keuzevrijheid te bieden of wil de regering studenten motiveren om te kiezen voor een samenhangend geheel van vakken?
Het systeem van de wet is zo dat een opleiding altijd een samenhangend geheel van vakken is. De afgifte van een diploma is daar de uitdrukking van. Daarmee wordt niet geëxperimenteerd. Maar een opleiding is meer dan een samenhangend geheel van vakken. Afgestudeerden dienen competent te zijn op een bepaald niveau. In het kader van deze experimenten kan een student een groter aantal keuzemogelijkheden worden geboden dan thans het geval is. Een andere variabele is de manier waarop of de weg waarlangs het eindniveau wordt bereikt.
Ook daarmee kan worden geëxperimenteerd.
Kan nauwkeurig worden aangegeven wat het budget is voor veiligheid op scholen en op welke wijze en voor welke doelen dit geld precies wordt ingezet? Hoeveel budget is er voor (boven-)schoolse opvang en de opvang van probleemjongeren? Hoeveel budget is er voor het tegengaan van geweld op scholen?
Scholen worden geacht in de eerste plaats zelf zorg te dragen voor een pedagogisch verantwoord en veilig schoolklimaat. Omdat OCW het belang van veilige scholen onderkent, worden aanvullende maatregelen genomen om scholen extra te ondersteunen.
Het budget dat is gereserveerd voor veiligheid op scholen, inclusief jeugdbeleid, tegengaan geweld in scholen en het Transferpunt jongeren, school en veiligheid bedraagt € 520 000.
Dit bedrag wordt onder meer ingezet voor het Transferpunt jongeren, school en veiligheid, ondergebracht bij het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum, waar scholen terecht kunnen voor allerlei vragen op het gebied van veiligheid. Ook de Onderwijstelefoon en Pestweb maken hier deel van uit.
Daarnaast is er samen met het ministerie van BZK een omvangrijk traject opgezet (looptijd tot 2006), gericht op sociale competentie en conflicthantering in het onderwijs. Voor (bovenschoolse) opvang van probleemjongeren zijn middelen beschikbaar via de Regeling sociale integratie en veiligheid van het grotestedenbeleid.
In welke opzichten zal het verminderen van de administratieve lasten substantieel méér om het lijf hebben dan reeds voortvloeit uit het ingezette beleid van de invoering van het onderwijsnummer?
De invoering van het onderwijsnummer is een belangrijke pijler, maar niet de enige pijler om de administratieve lasten voor instellingen rond het gegevensverkeer terug te dringen. Het beleid richt zich op het efficiënt verzamelen van gegevens, het breed beschikbaar stellen van informatie en daaraan gekoppeld een moderne serviceverlening.
Naast enkelvoudig opvragen van gegevens over deelnemers (invoering onderwijsnummer), personeel, financiën en andere instellingsgegevens, biedt het meervoudig gebruik van OCenW-informatie goede mogelijkheden de administratieve lasten te verminderen. Door OCenW-informatie beschikbaar te stellen neemt de informatiedruk voor de instellingen vanuit andere partijen af.
Door moderne serviceverlening aan instellingen komt enerzijds benchmarkinformatie beschikbaar ter ondersteuning van het management, maar kan ook het bekostigingsproces voor instellingen vereenvoudigen.
Voor de verstrekking van benchmarkinformatie zijn de eerste stappen gezet met de introductie van de site Onderwijs in cijfers voor vo- en bve-instellingen. Rond de serviceverlening bij bekostigingsprocessen zijn pilots in voorbereiding in de vo-sector. De service zal de administratieve lasten reduceren.
Op welke termijn kunnen leraren verwachten dat er een eind komt aan de alledaagse irritatie die de verplichte registratie van arbeidstijden voor hen betekent? Welke consequenties hangen de leraren tot die tijd boven het hoofd indien zij niet meewerken aan deze arbeidstijdenregistratie?
Vooropgesteld dient te worden dat de arbeidstijdenregistratie een verplichting is voor de werkgever en niet de leraar. Het niet meewerken aan deze registratie heeft dientengevolge geen directe gevolgen voor de leraar. Voor het onderwijs is inmiddels de afspraak gemaakt dat het lesrooster uitgangspunt is voor de registratie. Dit brengt een aanzienlijke reductie van de administratieve belasting met zich mee, omdat de administratieve last van de werkgever beperkt blijft tot de afwijkingen van het standaardrooster.
Overigens dient de leraar zijn werkgever wel (maandelijks) te informeren over de voorkomende afwijkingen ten opzichte van het rooster. Voorts zijn er voornemens tot verdere vereenvoudiging van regelgeving op de terreinen van arbeidsverhoudingen, arbeidsomstandigheden, sociale zekerheid en arbeidsmarkt. De arbeidstijdenwet maakt ook deel uit van deze voornemens tot deregulering. In dit kader zal worden bezien ter zake van de registratieverplichting tot een verdere (uitvoeringstechnische) vereenvoudiging van de regeling kan worden gekomen.
Op welke wijze meent de regering dat bureaucratie voor onderzoekers kan worden verminderd? Kunnen daarvan concrete voorbeelden worden gegeven?
De bureaucratie voor onderzoekers heeft een aantal oorzaken: (1) de informatievoorziening t.b.v de kwaliteitsbeoordeling en t.b.v. de ontwikkeling van onderzoekprogramma's; (2) de verantwoording; (3) de aanvraagprocedures t.b.v. project- en programmasubsidies.Wat het eerste betreft wordt er in 2003 een nieuw kwaliteitszorgsysteem ingevoerd door de organisaties NWO, KNAW en VSNU dat als uitgangspunt heeft vermindering van bureaucratie. Dit uitgangspunt geldt uiteraard ook voor de verantwoording waarbij vanuit de overheid én de organisaties maatwerk dient te worden geleverd over wat wel en niet relevant is voor een goed verantwoordingsproces. Wat betreft de aanvraagprocedures streeft de overheid naar afspraken met instellingen over minder, eenvoudiger instrumenten, regelingen en procedures waarin middelen veel meer in grote gehelen en voor langere periodes worden toegedeeld op basis van excellentie van onderzoeksgroepen en onderzoekers. Goede voorbeelden hiervan zijn bijvoorbeeld het genomicsprogramma dat ondergebracht is bij NWO. Een ander goed voorbeeld is de aanpak ten aanzien van de toponderzoekscholen. Ook zijn er programma's zoals ICES-KIS en de technologische topinstituten.
Klopt het dat door een relatie te leggen met de verplichte begintoets en de eindtoets de toegevoegde waarde van een school zal worden vastgesteld? Wat wordt bedoeld met «toegevoegde waarde»? Waarom worden leerlingen door middel van testen gebruikt om de kwaliteit van scholen te toetsen? Worden scholen met zwakke leerlingen hierdoor niet onterecht negatief beoordeeld? Zo neen, kan dit worden toegelicht?
Momenteel brengt de inspectie de opbrengsten van basisscholen in kaart aan de hand van de toetsen die scholen zowel aan het eind van de basisschool als tussentijds afnemen. De basis hiervoor is gelegd in de Wet op het onderwijstoezicht, die op 1 augustus jongstleden van kracht is geworden. Het is de bedoeling deze oordelen van de inspectie te verfijnen door gebruik te maken van een begintoets. Zo'n begintoets maakt het mogelijk om de opbrengsten van de basisschool te relateren aan de kwaliteiten waarmee kinderen de basisschool binnenkomen, zodat een genuanceerder oordeel mogelijk is over de «toegevoegde waarde» van een school.
Het begrip «toegevoegde waarde» moet in dit verband als een metafoor gezien worden: het gaat erom de opbrengsten van de school te kunnen relateren aan kenmerken van de leerlingenpopulatie. Een school die hoofdzakelijk bezocht wordt door kinderen die op hun vierde jaar al veel geleerd hebben van hun opvoeders of van de peuterspeelzaalleidsters heeft het immers makkelijker om hoge opbrengsten te realiseren dan een school die vooral bezocht wordt door kinderen die met relatief weinig bagage op cognitief en sociaal-emotioneel gebied de basisschool binnenkomen.
De kwaliteit van scholen wordt door de inspectie afgemeten aan een groot aantal indicatoren. De opbrengsten van het onderwijs vormen één van de aspecten van kwaliteit waarop een school beoordeeld wordt. Een oordeel over de opbrengsten van een school is niet mogelijk zonder gebruik te maken van gegevens over de vorderingen van de leerlingen.
In de manier waarop de inspectie de opbrengsten van een school in kaart brengt, wordt rekening gehouden met de aanwezigheid van zwakke leerlingen. Een school krijgt dus geen negatieve beoordeling van de opbrengsten op grond van een hoog aandeel van zwakke leerlingen. Integendeel, als een school veel zwakke leerlingen binnen het reguliere onderwijs weet op te vangen (en dus weinig leerlingen verwijst naar het speciaal basisonderwijs), zal dat juist leiden tot een hogere beoordeling van de kwaliteit van die school.
Hoe verhoudt het afnemen van een begintoets zich volgens de regering met de aard van en de variatie in de ontwikkeling van jonge kinderen?
Het is het kabinet bekend dat de ontwikkeling van jonge kinderen schoksgewijs kan verlopen. De ene week beheerst een kind een bepaalde vaardigheid in het geheel niet, een week later kan er een enorme sprong gemaakt zijn. Voor het bepalen van de «toegevoegde waarde» van een school is deze variatie op individueel niveau minder relevant. Het gaat hierbij immers om gemiddelden over alle kinderen van een bepaalde jaargang. Het kabinet gaat nog na in hoeverre de variatie op individueel niveau doorwerkt in de variatie of stabiliteit van dergelijke groepsgemiddelden.
Daarnaast beziet het kabinet op welke wijze een begintoets een bijdrage zou kunnen leveren aan een doelgerichtere verdeling van de middelen voor de bestrijding van onderwijsachterstanden. Hierover heeft de Onderwijsraad onlangs een advies uitgebracht. In dit advies wordt voorgesteld om deze middelen voor een deel te verdelen op grond van het opleidingsniveau van de ouders en voor een deel op grond van de resultaten van een taaltoets. Bij de besluitvorming wordt dit advies nadrukkelijk betrokken.
Kan de regering streefcijfers geven ten aanzien het terugbrengen van de omvang van het ministerie van OCW in de komende jaren? Hoe wil de regering de beoogde cultuuromslag bereiken?
Zoals ik in de begroting heb aangegeven ben ik binnen het ministerie bezig met een verandertraject genaamd de «Kwaliteitsslag». De keuze voor een ministerie dat minder regelt en meer aan het veld overlaat heeft verstrekkende gevolgen voor de positionering en werkwijze van OCenW. Autonomie en deregulering veronderstelt een ander type departement, met andere interventies, andere competenties en een andere mentaliteit. De kwaliteitsslag strekt er toe om de discrepantie tussen het interne functioneren en de extern van OCenW gewenste rol co-regisseur in een veld met autonome instellingen – te overbruggen.
Om de slag naar een vernieuwd departement te kunnen maken is een activiteitenprogramma in gang gezet dat bijdraagt aan het verwezenlijken van de volgende drie doelstellingen:
1. Scherpere focus. Bereikt moet worden dat directies een scherp oog hebben voor wat zich in de samenleving afspeelt en gesignaleerde ontwikkelingen snel en transparant kunnen doorvertalen naar doeltreffend en uitvoerbaar beleid.
2. Verbetering sturing en controle. Op het vlak van de bedrijfsvoering wordt gewerkt aan efficiëntere werkprocessen en systemen (o.a. integrale planning en controlcyclus, herinrichting personele-, informatie- en financiële functie). Hierdoor zal de administratieve lastendruk van de instellingen beduidend kunnen verminderen.
3. Vernieuwing van het HRM beleid. Hierbij gaat het onder meer om het ontwikkelen van een andere leiderschapsstijl en andere competenties, passend bij het departement van de toekomst.
Ik verwacht met deze kwaliteitsslag tevens gericht invulling te kunnen geven aan de taakstelling en kies dus bewust niet voor een kaasschaafmethode. Op dit moment zijn directies en bestuursraad bezig met het ontwikkelen van scenario's waarbij op basis van beleidsprioriteiten scherpe keuzes worden gemaakt ten aanzien van welke taken kunnen worden beëindigd of verminderd. De invulling in concrete fte's is op dit moment nog niet aan te geven. Zoals ik al in de begroting heb aangegeven heb ik in financieel-technische zin de taakstelling verwerkt.
De uiteindelijke verdeling over de departementale eenheden zal van die verdeling kunnen afwijken, afhankelijk van de nog nader te nemen beslissingen op de hierboven aangeduide scenario's.
De precieze omvang van de opbrengsten van de kwaliteitsslag is nog niet aan te geven. Ik ga ervan uit dat ik u daarover uiterlijk in de eerste suppletore begroting inzicht kan geven.
Kan de regering een overzicht geven van de taken die het ministerie van OCenW zal gaan afstoten met daarbij een specificatie van de vermindering van de omvang van het departement?
Zoals uit het antwoord op vraag 37 blijkt, ben ik op dit moment bezig met de kwalitatieve invulling van de veranderslag die het ministerie van OCenW in de komende jaren zal maken. In dat kader wordt ook bezien welke taken het ministerie zal gaan afstoten, en op welke wijze dat zijn neerslag zal krijgen in een vermindering van de omvang van het ministerie. Ik zal u daar uiterlijk bij de eerste suppletore begroting nader inzicht in geven.
Welke veranderingen van de bestuurlijke verhoudingen in het veld kan de, voor het waarmaken van de grotere verantwoordelijkheid en beleidsruimte benodigde cultuuromslag vereisen?
De inhoud van deze verandering verschilt per onderwijssector en hangt samen met de mate van autonomie en beleidsruimte waarover een sector nu beschikt.
Dit betekent dat gekozen dient te worden voor specifieke benaderingen die aansluiten bij de bestuurlijke omstandigheden in de verscheidende sectoren van het onderwijsbestel. Hieronder worden als voorbeeld van verschillende sectoren het primair- en voortgezet onderwijs toegelicht.
Zo zal het accent om de genoemde cultuuromslag in het primair onderwijs te maken in eerste instantie moeten worden gelegd op de versterking van de bestuurs- en managementkracht in de scholen.
In het voortgezet onderwijs, waarin deze kracht tegen de achtergrond van de grotere autonomie en beleidsruimte sterker is ontwikkeld, kan de omslag bevorderd worden door een gerichte ontwikkeling naar een brancheorganisatie. Deze organisatie zou niet alleen moeten functioneren als werkgeversorganisatie maar de scholen ook in hun integrale beleid moeten faciliteren en ondersteunen. Hierbij valt te denken aan kwaliteitsbeleid, het onderwijsbeleid, financiën en organisatie.
Is het al bekend wie er in de Taskforce leraren zullen plaatsnemen? Op welke termijn wordt de Taskforce ingesteld?
Op het departement is een programma-organisatie ingericht die zich zal bezighouden met de voorwaarden voor het personeelsbeleid in de school, en die tegelijkertijd de scholen bij zal staan bij de implementatie van hun personeelsbeleid. Deze programma-organisatie zal als «taskforce» opereren in nauwe samenwerking met scholen, werkgevers- en schoolorganisaties, het samenwerkingsorgaan beroepskwaliteit leraren (SBL) en uitvoeringsorganisaties zoals het bureau van het Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt (SBO).
De programma-organisatie wordt aangehaakt bij de directie Arbeidsmarkt- en Personeelsbeleid (AP) die binnen het departement de eindverantwoordelijkheid heeft voor het arbeidsmarkt- en personeelsbeleid. Uitgangspunt is een departementsbrede aanpak, waarin alle relevante directies – PO, VO, BVE, HBO en WO – hun bijdrage leveren.
De programma-organisatie gaat medio november van start; kwartiermakers zijn inmiddels bezig met de voorbereidingen.
Hoeveel ID-banen zijn er momenteel in het onderwijs en welke functies betreft dat?
In de sector onderwijs werken momenteel circa 9 000 ID-werknemers. Scholen zijn vrij in het creëren van ID-functies, mits aan de daarbij gestelde voorwaarden wordt voldaan. Het gaat om functies als bijvoorbeeld schoolassistent (hulpconciërge), lokaalassistent, assistent-toezichthouder, administratief assistent, assistent-medewerker tuinonderhoud, assistent-medewerker technisch onderhoud, medewerker opvang/verzorging, toezichthouder, assistent bibliotheek/mediatheek, assistent medewerker automatisering, assistent pc-beheerder, assistent verzuimbeleid/spijbelwacht.
Hoeveel ID-banen in het onderwijs verwacht de regering in het onderwijs te verliezen? Neemt de regering maatregelen om dit aantal zoveel mogelijk te beperken? Zo ja, welke?
In de sector onderwijs werken momenteel circa 9 000 ID-werknemers. De omvang van het verlies aan ID-banen is nog niet bekend, deze is afhankelijk van de invulling die gemeenten aan deze maatregel geven.
Maar de inzet is erop gericht om zoveel mogelijk ID-werknemers voor het onderwijs te behouden:
• De tijdelijke subsidieregeling onderwijsondersteuners 2002 (budget 4,5 miljoen), gericht op het bevorderen van ontwikkeling, beroepsgerichte scholing, begeleiding en aanstelling van onderwijsondersteuners is één van de maatregelen van OCenW die daartoe zou kunnen bijdragen. ID-werknemers behoren expliciet tot de doelgroep. Hiermee kunnen ID-werknemers doorstromen naar reguliere functies.
• Er worden nauwe contacten onderhouden met SZW en de VNG, de G4/G25; met werkgevers en werknemers in het georganiseerd overleg en met besturenorganisaties in periodiek overleg om tot oplossingen en draagvlak te komen.
• Zoveel mogelijk communicatiekanalen zullen worden gebruikt om de gebruikers relevante informatie te verstrekken.
Wanneer wordt duidelijk hoeveel ID banen in het onderwijs kunnen worden omgezet in reguliere banen? Kan er per gemeente een overzicht gegeven worden van het aantal ID-banen in het onderwijs?
Deze vraag is momenteel moeilijk te beantwoorden. Er zijn essentiële factoren die daar invloed op hebben en die nog niet bekend zijn. Bijvoorbeeld de nadere invulling van de taakstelling uit het strategisch akkoord door het ministerie van SZW, hoe de verdeling over de sectoren zal zijn, in welke mate de scholen en de gemeenten onderling afspraken maken over het behoud van de betreffende functies.
Gegevens over de verdeling van ID-plaatsen over gemeenten zijn bekend. Een volledige lijst beslaat meerdere pagina's. Dit overzicht over de verdeling van I/D banen treft u als bijlage 1 aan bij de beantwoording van deze vragen. Ongeveer een derde deel van alle ID-plaatsen is gesitueerd in de vier grote steden, maar in totaal kennen bijna 400 gemeenten ID-banen in het onderwijs.
Hoe verhoudt het bezwaar van enkele politieke groeperingen tegen ID-banen dat deze onvoldoende zouden resulteren in doorstroming naar reguliere banen, zich tot de overweging dat inkrimping van het budget voor ID-banen zo min mogelijk moet leiden tot verlies van nuttige onderwijsfuncties? Welke financiële middelen zijn noodzakelijk teneinde deze nuttige onderwijsfuncties te waarborgen?
De bezorgdheid die van vele kanten wordt geuit over het verlies van deze nuttige onderwijsfuncties is een duidelijke indicatie dat ID-banen van grote waarde zijn voor de scholen. Het loongebouw bij onderwijs kent relatief weinig laaggeschoolde functies. Dat betekent, dat uitstroom vanuit een ID-baan naar een reguliere baan in het onderwijs vaak lastig is. De laatste tijd begint daar enigszins verandering in te komen. De eerder genoemde tijdelijke subsidieregeling onderwijsondersteuners 2002 helpt daarbij.
De totale kosten die gemoeid zijn met ID-banen in het onderwijs betreffen structureel een bedrag van ongeveer € 140 miljoen. Het aantal ID-banen dat mogelijkerwijs verloren gaat is niet bekend. De omvang hiervan is afhankelijk van de invulling die gemeenten aan deze maatregel geven.
Op welke wijze wordt het budget voor competentiebeloning verdeeld over scholen? Krijgen scholen met een groot aantal achterstandsleerlingen hiervoor meer budget?
Deze vraag heeft kennelijk betrekking op het primair onderwijs. Het voortgezet onderwijs kent hiervoor geen apart budget. Het budget voor competentiebeloning (integraal personeelsbeleid) zit in het schoolbudget. Het schoolgewicht is medebepalend voor de hoogte van het schoolbudget. Het aantal onderwijsassistenten bijvoorbeeld is verdubbeld. Dat betekent dat scholen met achterstandsleerlingen naar verhouding meer krijgen.
Welke maatregelen worden nog meer genomen naast de bonus van het ABP om senioren te behouden voor het onderwijs?
Verdere versterking van de autonomie en zelfstandigheid van instellingen met meer mogelijkheden om integraal personeelsbeleid te voeren is van groot belang. Aandacht voor de individuele wensen en mogelijkheden van oudere werknemers, verdere functiedifferentiatie en een andere taakinvulling zoals de begeleiding van jongere leraren en zij-instromers komen daarbij aan de orde.
Ook kunnen de maatregelen in het kader van de uitvoering van de Arbo-convenanten, de preventie van ziekteverzuim en het terugdringen van de werkdruk genoemd worden.
Hoe verklaart de regering dat scholen en instellingen vooralsnog maar gedeeltelijk zijn gekomen tot een effectieve inzet van de vrij besteedbare schoolbudgetten? Wat is er in die tijd gebeurd met deze middelen?
De verhoging van de schoolbudgetten per 1 augustus 2001 maakte deel uit van het akkoord dat op 4 september 2001 met de werknemersorganisaties is gesloten over de verlenging van de cao 2000–2002 en de uitwerking van de maatregelen naar aanleiding van het rapport van de werkgroep Van Rijn. De effecten van dit akkoord op instellingsniveau zijn pas na de start van het schooljaar 2001–2002 zichtbaar geworden.
Om toch zo spoedig mogelijk inzicht te krijgen in de wijze waarop de instellingen de verhoogde schoolbudgetten gaan inzetten, is reeds in januari 2002 via een representatieve steekproef een onderzoek uitgevoerd naar de (plannen voor de) besteding van deze budgetten. Deze vroegtijdige meting heeft echter tot gevolg gehad dat nog niet alle scholen op dat moment konden aangeven waaraan het gehele schoolbudget zou worden besteed; op een deel van de instellingen was de besluitvorming nog niet afgerond. Zolang de besluitvorming over de inzet van (een deel van) de middelen nog niet is afgerond, worden deze middelen door de instelling vooralsnog gespaard.
In 2003 wordt opnieuw een onderzoek uitgevoerd naar de besteding van de schoolbudgetten.
Hoeveel middelen zijn bestemd voor de imagocampagne? Kan een overzicht worden gegeven van middelen die de afgelopen periode (1998–2002) naar imagocampagnes voor het onderwijs zijn gegaan?
Er is € 2,7 miljoen per jaar beschikbaar voor de periode 2000 t/m 2006.
In 1998 is € 0,8 miljoen besteed en in 1999 € 1,8 miljoen.
Op welke wijze wil de regering aandacht geven aan de positie van schoolleiders in het primair onderwijs, teneinde een voldoende potentieel te behouden respectievelijk te creëren?
Op de volgende wijze wordt aandacht gegeven aan de positie van schoolleiders in het primair onderwijs.
In de eerste plaats is bij de cao 2000–2002 de salarisstructuur van de schoolleiding aanzienlijk verbeterd, waardoor er een ten opzichte van de leraar afzonderlijke salarispositionering is ontstaan. Dit draagt bij tot het aantrekkelijker maken van het beroep van schoolleider in het primair onderwijs.
In de tweede plaats is de mogelijkheid gecreëerd om in het primair onderwijs een directeur te benoemen, zonder lesgevende taak, die niet de vereiste onderwijsbevoegdheid bezit, maar wel over managementervaring beschikt.
Zodoende wordt de mogelijkheid gecreëerd om vacatures als directeur te vervullen en de tekorten te bestrijden.
Voorts is met ingang van het studiejaar 2001–2002 een opleiding voor leraren met leidinggevende talenten – kandidaat schoolleiders – in het leven geroepen. Schoolbesturen kunnen investeren in de toekomst door talentvolle leraren binnen de schoolteams deze managementopleiding te laten volgen.
Tenslotte zal dit najaar een werkgroep «Arbeidsmarkt schoolleiders» starten.
Deze breed samengestelde werkgroep heeft tot taak nieuwe maatregelen te bedenken en uit te werken die ertoe zullen leiden dat er voldoende aanwas van leidinggevende functies in het primair onderwijs zal zijn, zowel vanuit de sector zelf als van buiten de (onderwijs)sector.
Is reeds voor alle academische studies een verkorte opleiding beschikbaar voor het behalen van een onderwijsbevoegdheid (naast of na de studie)? Zo neen, voor welke studies niet en waarom niet?
Voor vrijwel alle vakken in het vwo kan via de universiteit een eerstegraads bevoegdheid worden gehaald.
In het convenant met de universiteiten van 1998 over de universitaire lerarenopleidingen is afgesproken dat voor alle lerarenopleidingen (naast het éénjarige ulo-programma in aansluiting op de wo-opleiding) nieuwe varianten ontwikkeld zullen worden in duale vorm, danwel als «ingezakt» traject in de wo-opleiding of als op maat gesneden postdoctoraal traject. Het algemene beeld is thans dat het convenant veel in beweging heeft gebracht en dat de instellingen met het ontwerpen en invoeren van die varianten een flinke voortgang hebben geboekt. Het convenant krijgt een eindevaluatie in 2005; een tussenevaluatie medio 2003 zal het algemene beeld kunnen preciseren.
Niet alle wo-opleidingen zijn qua discipline en curriculum even relevant voor de vakken in het vwo; niettemin bestaan er zeer ruime mogelijkheden om via een wo-opleiding een traject te volgen dat leidt tot een bevoegdheid en dus tot het leraarsberoep.
Wat is er de oorzaak van dat een groot aantal jongeren wel een opleiding tot leraar in het voortgezet onderwijs volgt, maar vervolgens kiest voor een ander beroep?
De lerarenopleiding is voor jongeren een aantrekkelijke opleiding, omdat het een goede arbeidsmarktpositie garandeert, ook buiten het onderwijs. In de praktijk blijken deze jongeren namelijk ook terecht te kunnen in andere beroepen. Zo blijkt uit onderzoek (Onderwijsmonitor 2001) dat afgestudeerden van de tweede graads opleidingen vo/bve die niet voor het onderwijs kiezen, aan het werk gaan in administratieve functies in de (commerciële) dienstverlening, als sociaal cultureel medewerker of als onderwijskundig medewerker. Een deel van de afgestudeerden van de tweede graads lerarenopleidingen vo/bve kiest bovendien voor een vervolgstudie.
Studenten die voortijdig uitstromen uit de opleiding geven aan liever een andere opleiding gevolgd te hebben dan een lerarenopleiding, geen motivatie te hebben door te gaan, of de lessen te weinig interessant te vinden. Uitvallers met een secundaire beroepsopleiding geven als reden de opleiding vaak te moeilijk te vinden.
Bijna de helft van alle afgestudeerden wil in het onderwijs (blijven) werken. Een iets kleinere groep wil dit alleen onder bepaalde voorwaarden. De belangrijkste voorwaarden die genoemd worden, zijn: kleinere klassen, lagere werkdruk, betere salariëring, en loopbaanmogelijkheden als gevarieerdere werkzaamheden en mogelijkheden tot doorgroei naar hogere functies.
Bij de uitwerking van de plannen voor het vergroten van de instroom van onderwijspersoneel, zal in het bijzonder aandacht worden besteed aan de groep afgestudeerden van de lerarenopleiding die voor een ander beroep kiest.
Wat wordt bedoeld met een innovatie-arrangement dat opgezet gaat worden om grensverleggende vernieuwingen van instellingen met bijvoorbeeld het regionale bedrijfsleven te stimuleren?
Het innovatie-arrangement is bedoeld om samenwerkingsverbanden van onderwijsinstellingen in de beroepskolom met het bedrijfsleven in staat te stellen innovatieve ontwikkelingen ter versterking van de beroepskolom tot stand te brengen. Deze innovaties dienen substantieel te zijn, een regionale/sectorale insteek te hebben, van onderop plaats te vinden met co-financiering van het regionale/sectorale bedrijfsleven.
Is het bekend dat de audiovisuele sector geen gestructureerde sectororganisatie kent en ook geen opleidingsstructuur (vmbo-mbo-hbo) die (in overleg) met de sector regulier opleidt tot (technische, facilitaire en inhoudelijke) beroepen in de av-sector (met uitzondering van de scholen voor journalistiek)? Vormt dit geen belemmering voor met name jonge allochtone Nederlanders om op gelijkwaardige en professionele wijze in de media aan het werk te komen? Wordt hieraan in het kader van het versterken van de beroepskolom aandacht besteed? Kunnen de impulsgelden hierin een rol spelen?
Algemeen kenmerk van de av-sector is dat deze geen grote structurele samenhang kent. Werknemers uit de av-sector komen uit allerhande achtergronden en opleidingen. De arbeidsmobiliteit is hoog. Dit brengt met zich mee dat het eigen initiatief van de individuele werknemer op de eerste plaats deelname in deze beroepsgroep bepaalt.
In het kader van de impuls beroepskolom ontvangen alle (bekostigde) onderwijsinstellingen en de kenniscentra voor beroepsonderwijs en bedrijfsleven extra middelen voor het ontwikkelen van doorlopende leerwegen. Dit betekent dat impulsmiddelen kunnen worden ingezet daar waar reguliere opleidingen aansluiten op de behoeften van de av-sector (zoals bijvoorbeeld gebeurd in opleidingen voor de grafische sector; de reclamewereld en de techniek in de bve-sector en het kunstenonderwijs en communicatieopleidingen in het hbo).
Vanuit het mediabeleid worden diverse initiatieven ontplooid om participatie van leden uit minderheidsgroepen in brede zin te bevorderen. Bij de NOS bestaat hiervoor het diversiteitsbureu «Meer van Anders». Daarnaast subsidieert het ministerie van OCenW Mira Media en Mixed Media, beide stichtingen die zich onder andere richten op de instroom van leden van minderheidsgroepen in de av- en perssector.
Vormt uitspraak over moderne schoolgebouwen in alle sectoren van het onderwijs, gezien de decentralisatie van de huisvesting, een gratuite constatering, of gaat de regering op dit punt nieuw beleid voeren? Als dit laatste het geval is, op welke wijze wordt dit beleid vormgegeven?
De Regering is niet voornemens nieuw beleid te voeren waar het gaat om de decentralisatie van de verantwoordelijkheid voor huisvesting. Hier wordt slechts geconstateerd dat de staat van gebouwen een belangrijke factor is bij de vormgeving van onderwijsvernieuwingen en de uitstraling van het onderwijs.
Overigens wil het feit dat de verantwoordelijkheid voor huisvesting niet meer bij de rijksoverheid berust, niet zeggen dat zij geen enkele invloedsmogelijkheid meer heeft op de staat van de gebouwen. Vanaf 2002 bijvoorbeeld, zijn extra middelen ter beschikking gesteld aan gemeenten. Hiermee kunnen extra vierkante meters worden gebouwd voor scholen in het primair- en voortgezet onderwijs.
In het kader van deregulering en autonomievergroting wordt, zoals toegelicht op pagina 9, de verantwoordelijkheid voor het gehele onderhoud van de schoolgebouwen belegd bij scholen voor voortgezet onderwijs. Een zelfde maatregel voor het primair onderwijs zal worden verkend.
Is de regering van plan ook Kennislink in de beleidsvoornemens te betrekken inzake «de innovatieve onderwijsomgeving die moderne ict-voorzieningen vereist», aangezien met het alleen toekennen van gelden aan Kennisnet een te beperkt onderwijsgebied lijkt te worden bediend?
Nee, zie ook het antwoord op vraag 134.
Waarom is de financiering van de Kennisnetverbinding vanaf 2004 niet meer in de begroting opgenomen? Op welke wijze komt de visie op verdere integratie van ict in het onderwijs tot stand? Kan exacter worden aangegeven wanneer het standpunt wordt bepaald over de internetvoorziening van onderwijsinstellingen en de beslissing over de financiering voor de verbinding vanaf 2004? Is het de bedoeling dat de overheid in de komende jaren een substantiële bijdrage aan Kennisnet blijft leveren? Zo neen, op welke wijze moeten scholen die de kosten niet kunnen opbrengen de doelen halen van Kennisnet?
Vanaf 2004 is de financiering van de kennisnetverbinding nog niet geregeld. Over de inrichting van de internetvoorziening voor het onderwijs vanaf 2004 zal de Tweede Kamer in november een brief van het kabinet ontvangen.
Wordt door de aanpak van een zo vroeg mogelijke bestrijding van achterstanden via de voorschool en kinderopvang de lat niet op steeds jongere leeftijd steeds hoger gelegd?
In de voor- en vroegschoolse programma's vanaf 2 jaar wordt aangesloten bij de ontwikkeling van het kind.
Het accent in het aanbod ligt op spelend leren, waarbij veel nadruk ligt op het aanleren van de Nederlandse taal.
Op welke wijze wordt de taalachterstand gemeten op basis van de begintoets? In hoeverre zijn de resultaten van zo'n meting betrouwbaar?
Momenteel wordt bezien of reeds bestaande toetsen voor dit doel geschikt zijn. Als dat niet het geval is, zal een nieuwe toets ontwikkeld worden. Gezien het belang van de begintoets zal deze uiteraard moeten voldoen aan de hoogste kwaliteitseisen.
Is de regering van mening dat een begintoets in combinatie met een eindtoets een goed middel is om de toegevoegde waarde van het onderwijs van een school te meten? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de leerervaringen die leerlingen buiten de school opdoen?
Het begrip «toegevoegde waarde» is een metafoor voor de opbrengsten van een school, rekening houdend met kenmerken van de leerlingen op die school. Tussen het moment van een begintoets en het moment van een eindtoets doen kinderen vele ervaringen op, zowel binnen als buiten de school. Datgene wat ze tussen die beide toetsen bijgeleerd hebben, kan dan ook niet geheel aan de school toegeschreven worden. Daar gaat het ook niet om bij het vaststellen van de opbrengsten van een school. Waar het om gaat, is dat sommige scholen er beter in slagen om leerlingen tot hoge leeropbrengsten te brengen dan andere scholen. De inspectie doet bij het schooltoezicht uitspraken over die leeropbrengsten, rekening houdend met kenmerken van de leerlingen. Momenteel baseert de inspectie zich daarvoor op de resultaten van leerlingvolgsystemen en eindtoetsen. Introductie van een begintoets maakt het mogelijk in de uitspraken over de opbrengsten van een school rekening te houden met het beginniveau van de leerlingen.
Is er reeds een adequate begintoets beschikbaar?
Er zijn op dit moment reeds diverse toetsen voor kleuters beschikbaar. Al deze toetsen zijn ontwikkeld voor diagnostische doeleinden. Ze verschaffen leraren in groep 1 en 2 van de basisschool een inzicht in de ontwikkeling van deze kinderen. Of deze toetsen ook adequaat zijn voor de andere doeleinden die in het strategisch akkoord zijn genoemd (het in samenhang met een eindtoets bepalen van de toegevoegde waarde van een school en het verdelen van middelen voor de bestrijding van onderwijsachterstanden), wordt nog onderzocht.
Welke budgetten staan de regering ter beschikking voor de financiering van het beleid inzake «leven lang leren»?
In de beleidsagenda «Leven lang leren» (BVE/KenO/2002/10 802) van 17 april 2002 is in de bijlage een overzicht gegeven van initiatieven en maatregelen met bijbehorende budgetten. Dit overzicht is als bijlage 2 toegevoegd.
Betekent de opsomming van voorschool, basisschool, voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en hoger onderwijs dat het volgens de regering normaal is of moet worden dat kinderen een voorschoolse voorziening bezoeken? Wat zijn daarvan dan de consequenties?
Het kabinet acht het van belang onderwijsachterstanden terug te dringen. Hiervoor zijn ambitieuze doelstellingen geformuleerd in het landelijk beleidskader onderwijsachterstandenbeleid. Om die reden acht het kabinet het wenselijk dat jonge kinderen met achterstanden deelnemen aan een educatief programma in de vooren vroegschoolse periode. Gemeenten krijgen goa-middelen om dit in overleg met voorschoolse instellingen en scholen te realiseren.
Naar aanleiding van de afspraak in Lissabon om Europa te laten uitgroeien tot de meest dynamische en concurrerende kenniseconomie: wanneer zal Nederland de afgesproken 3% BNP (bruto nationaal product) bereiken? Is er een tijdpad om dat percentage te halen? Als deze begrotingsvoorstellen worden uitgevoerd, hoeveel procent van het BNP besteedt Nederland dan aan onderwijs?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 429, geldt het streefcijfer van 3% voor de Unie als geheel, niet voor individuele lidstaten. Het streefcijfer van 3% is dan ook geen planningsinstrument; het geeft echter wel de richting aan voor investeringen in onderzoek en ontwikkeling.
Op 11 september 2002 heeft de Commissie een mededeling over dit onderwerp gepubliceerd. Op basis van deze mededeling is er in de komende maanden een discussie over de strategie die de Unie zal volgen om de investeringen in onderzoek en ontwikkeling te verhogen in lijn met de conclusie van de Europese Raad. De Commissie komt vervolgens in het voorjaar van 2003 met een actieplan.
Ook in Nederland zal het nodige moeten gebeuren, waarbij het accent op de investeringen aan de private kant zal liggen. De ministers van Economische Zaken en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zullen verdere acties uitwerken.
Kan de regering een overzicht geven van de percentages BNP die de overige leden van de EU uitgeven aan onderwijs?
De meest recente, internationaal vergelijkbare, gegevens over onderwijsuitgaven zijn gepubliceerd in Education at a Glance 2001 en betreffen het jaar 1998:
| Land | Publieke en private uitgaven aan onderwijsinstellingen als percentage van het bruto binnenlands product |
|---|---|
| Nederland | 4,6 |
| Ierland | 4,7 |
| Griekenland | 4,8 |
| Verenigd Koninkrijk | 4,9 |
| Italië | 5,0 |
| België | 5,0 |
| Spanje | 5,3 |
| Duitsland | 5,6 |
| Finland | 5,7 |
| Portugal | 5,7 |
| Frankrijk | 6,2 |
| Oostenrijk | 6,4 |
| Zweden | 6,8 |
| Denemarken | 7,2 |
| Luxemburg | M |
Bron: Education at a Glance 2001, tabel B2.1a (expenditure on educational institutions as a percentage of GDP), blz. 80.
Hoe denkt de regering bij invoering van differentiatie in collegegelden de toegankelijkheid van het onderwijs en de rechtsgelijkheid te kunnen waarborgen?
In het strategisch akkoord van het huidige kabinet staat aangegeven dat differentiatie van collegegelden mogelijk wordt «in geval van specifieke opleidingen met erkende evidente meerwaarde». De regering zal op basis van de uitkomsten van een Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) naar de mogelijkheid van een gedifferentieerd collegegeld bij opleidingen met evidente meerwaarde, voorstellen doen voor collegegelddifferentiatie en dus ook hoe de toegankelijkheid van het onderwijs en de rechtsgelijkheid gewaarborgd wordt. De rapportage van het IBO wordt het tweede kwartaal van 2003 verwacht.
Mogen instellingen zelf de hoogte van de collegegelden bepalen? Is er een maximum aan de hoogte van het collegegeld gesteld? Zo ja, wat is het maximum en zo neen, waarom niet? Kan er een overzicht worden gegeven van de ontwikkeling van de rijksbijdrage per student in het hbo en wo in de periode 2002–2006?
Studenten die bij de aanvang van een voltijdse opleiding jonger zijn dan 30 jaar (én studiefinanciering genieten en afkomstig zijn uit de Europese Economische Ruimte) betalen voor het collegejaar 2002–2003 een wettelijk vastgesteld collegegeld van € 1 395,83 (art 7.43, WHW). De collegegelden worden jaarlijks geïndexeerd.
Krachtens art. 7.43, tweede lid en art. 7.44 WHW, kunnen de instellingsbesturen voor studenten die bij de aanvang van hun opleiding 30 jaar of ouder zijn en studenten die een deeltijdse of duale opleiding volgen het collegegeld zelf vaststellen; het collegegeld (collegejaar 2002–2003) bedraagt dan ten minste € 1 395,83 respectievelijk € 567,23. Voor de laatste twee categorieën van studenten is geen maximum collegegeld vastgesteld. De instellingen krijgen daardoor de ruimte om een koopkrachtige vraag te ontwikkelen en een actief doelgroepenbeleid te voeren.
Voor het antwoord op de vraag naar een overzicht van de rijksbijdrage per student verwijs ik naar de tabellen 6.13 en 7.2 (hbo respectievelijk wo) in de ontwerp-begroting 2003.
Wanneer verschijnt het zogenaamde «vooradvies» inzake het cultuurbeleid voor de periode 2005–2008 van de Raad voor Cultuur?
Op grond van de afspraken en het activiteitenplan zal de Raad voor Cultuur in het voorjaar van 2003 zijn vooradvies voor de Cultuurnota 2005–2008 uitbrengen.
Uit welke componenten gaat «een regionaal cultuurprofiel» bestaan?
In het algemeen kader cultuurconvenanten, zoals overeengekomen met het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), is vastgelegd dat de regionale cultuurprofielen bestaan uit enerzijds een «State of the art», waarin een analyse van de regionale culturele infrastructuur, alsmede de daarop gebaseerde uitgangspunten van het cultuurbeleid van de regionale convenantpartners zijn verwerkt, en anderzijds een beschrijving van de politiek-bestuurlijke prioriteiten van de regionale convenantpartners voor de komende convenantperiode, waarin tevens wordt aangegeven welke inspanning van de betrokken overheden wordt verwacht. De convenantgebieden kunnen hier naar eigen inzicht invulling aan geven.
Wordt het mediabeleid weer onderdeel van het cultuurbeleid? Zo ja, op welke wijze wordt aandacht besteed aan geconstateerde knelpunten zoals het beperkte aantal media-organisaties dat is opgenomen in de cultuurnotasystematiek, het niet aansluiten van de uitgangspunten, aanvraag- en beoordelingsprocedure sloten bij de activiteiten van deze media-organisaties en het ondersneeuwen van het onderwerp media door het geweld van de grote cultuurinstellingen?
Het mediabeleid heeft diverse raakvlakken met het cultuurbeleid, zoals het streven naar kwaliteit, pluriformiteit en onafhankelijkheid van het aanbod, dat gericht is zowel op het brede publiek als op smalle(re) publieksgroepen.Daarnaast heeft het mediabeleid specifieke doelstellingen. Ten eerste het stimuleren van een gevarieerd en kwalitatief hoogwaardig aanbod van radio, televisie, kranten, tijdschriften en nieuwe media en ten tweede, er voor zorgen dat dit aanbod toegankelijk, betaalbaar en beschikbaar is voor alle lagen van de bevolking. Deze specifieke doelstellingen maken het niet alleen wenselijk, maar ook noodzakelijk om het mediabeleid zelfstandig te formuleren en regelmatig te actualiseren, buiten de vierjaarlijkse cyclus van de Cultuurnota.Dit doet niet af aan de culturele functie die de publieke omroep ook heeft. Daarom worden de meerjarenplannen van de landelijke publieke omroep, het Stimuleringsfonds Nederlandse culturele omroepproducties, het Muziekcentrum voor de omroepen (MCO) en het Nederlands instituut voor beeld en geluid (voorheen Nederlands Audiovisueel Archief) overeenkomstig mediawettelijk voorschrift bij de advisering door de Raad voor cultuur en de besluitvorming door de regering in het kader van de Cultuurnota betrokken. De financiering van genoemde instellingen vindt evenwel niet plaats via de cultuurnotaprocedure, maar uit de omroepmiddelen en de daarmee verbonden voorschriften in de Mediawet. Daarbuiten dingt slecht een beperkt aantal instellingen mee naar een cultuurnotasubsidie.
In 1999 waren dit Omroep Allochtonen (nu: Mira Media), Jongeren Onderwijs Media, Grenzeloos Geluid en Het Nederlands Persmuseum. De twee eerstgenoemde instellingen verkregen cultuurnotasubsidie, voor de laatstgenoemde werd een oplossing gevonden bij het budget subsidies mediabeleid (rente omroepreserve).
Daarom bestaat er geen grond voor de stelling dat media-instellingen onvoldoende aan hun trekken komen bij de cultuurnota.
Betekent «meer ruimte voor scholen» in praktijk dat er meer ruimte voor leraren, ouders en leerlingen komt of meer ruimte voor schoolbesturen?
De ruimte voor scholen zal merkbaar zijn voor alle geledingen die tezamen de schoolorganisatie vormen (leerlingen, ouders, leerkrachten, schoolmanagement en bestuur). De mate waarin dit voor een bepaalde geleding het geval is, kan per concreet onderwerp verschillen. Zo zullen voorstellen ter vermindering van de administratieve lastendruk vooral in eerste instantie merkbaar zijn bij het management en bestuur.
Voorstellen om scholen onderwijsinhoudelijk meer ruimte te geven (bijvoorbeeld ten aanzien van de kerndoelen in het primair onderwijs of meer ruimte voor een eigen invulling van het studiehuis) zullen ook duidelijk merkbaar zijn bij de leerlingen, ouders en leerkrachten.
Welke feitelijke reductie van het lerarentekort en de daarmee verbonden lesuitval wordt nagestreefd? Welke concrete doelen worden gesteld? Hoe ziet het tijdpad eruit?
De voorspellingen voor de komende jaren laten zien dat het probleem – vooral in het voortgezet onderwijs – nog zal toenemen. De komende jaren zal er nog een groot beroep worden gedaan op de creativiteit van scholen. Zo moeten scholen worden gestimuleerd om uit nieuwe bronnen personeel te werven. Daar horen prestatieafspraken en beloningen bij. Een mogelijke uitwerking daarvan zou zijn dat afspraken worden gemaakt over het niet naar huis sturen van klassen.
Op het departement is een programma-organisatie ingericht die zich zal bezighouden met de voorwaarden voor het personeelsbeleid in de school, en die tegelijkertijd de scholen bij zal staan bij de implementatie van hun personeelsbeleid. Deze programma-organisatie zal werken aan maatregelen die ten minste de volgende kwantitatieve doelstellingen voor de periode 2002–2006 kunnen realiseren:
• 4000 zij-instromers in po, vo en bve;
• 3200 extra onderwijsassistenten en andere ondersteunende functies op mbo-niveau;
• 1000 fte extra lio's (leraren in opleiding), en
• 2500 fte nieuwe herintreders in primair en voortgezet onderwijs.
Over de uitwerking van deze plannen zullen op korte termijn afspraken worden gemaakt met alle betrokkenen. De Tweede Kamer zal nog voor het einde van 2002 van de resultaten hierover op de hoogte worden gesteld.
Aan welke randvoorwaarden moet een onorthodoxe aanpak van het lerarentekort voldoen?
Een onorthodoxe aanpak van het tekort aan onderwijspersoneel moet altijd zijn gericht op kwaliteitsbehoud.
Hoewel de urgentie van het lerarentekort groot is, zijn niet alle soorten maatregelen die dienen tot het in de school houden van leerlingen wenselijk.
Een goed voorbeeld is het anders organiseren van het onderwijsproces en het daarmee samenhangende arbeidsproces.
Dat biedt oplossingen voor het personeelstekort en stimuleert de kwaliteit van het onderwijs, maar vergt een fundamentele cultuuromslag in de scholen.
Is de regering van mening dat er een koppeling moet komen tussen deelname van leraren aan een post HBO-opleiding (lesgeven aan scholen in een achterstandsituatie die door verschillende Pabo's gegeven wordt) en de extra beloning? Kan een overzicht worden gegeven van het aantal leerkrachten dat tot nu toe gebruik heeft gemaakt van deze opleiding?
Extra beloning is gewenst voor leraren die in scholen werken met een hoog percentage kinderen met leer- en/of ontwikkelingsachterstanden. Het gaat daarbij om de koppeling tussen werkplek en beloning en niet om een expliciete koppeling tussen werkplek en gevolgde nascholing.
In 2001–2002 zijn ongeveer 40 leraren begonnen aan de post-hbo-opleiding «lesgeven op onderwijskansenscholen».
De verwachting is dat de belangstelling nog zal toenemen.
Betekent de nadruk op «doorlopende leerwegen» in het regeerakkoord dat er ook geld beschikbaar wordt gesteld voor de doorstroom van hbo naar wo? Acht de regering deze doorstroom van belang? Zo ja, op welke wijze zal dit worden bekostigd en in beleid tot uiting worden gebracht? Hoe groot is het beschikbare budget? Zo neen, waarom niet?
De middelen die extra beschikbaar zijn gesteld voor de beroepskolom en die in dat kader door instellingen kunnen worden gebruikt voor doorlopende leerwegen zijn bestemd om de doorstroom van vmbo naar mbo en van mbo naar hbo te versterken.
De regering hecht ook waarde aan de doorstroom van hbo naar wo. In het kader van de extra middelen, die in 2002 aan universiteiten beschikbaar worden gesteld voor de invoering van de bachelor-masterstructuur, is het bevorderen van de doorstroom van studenten met een hbo-bachelor naar wo-masteropleidingen dan ook één van de prioriteiten. Voor deze prioriteit is een budget van circa € 3 miljoen beschikbaar. De voorstellen van universiteiten met betrekking tot samenwerking met hogescholen op het terrein van doorstroom hbo-wo worden beoordeeld door een commissie van experts. Op grond van het advies van deze commissie zal eind november a.s. worden besloten welke voorstellen met de genoemde extra middelen worden gefinancierd.
Zijn op het ministerie van OCW niet reeds de mogelijkheden voor vermindering van regels geïnventariseerd en bekend? Zo ja, is het mogelijk de Kamer ook dit inzicht te verschaffen?
Door het ministerie worden voortdurend de mogelijkheden tot deregulering verkend. Daarbij wordt gewerkt langs drie sporen:
1. een concreet dereguleringsprogramma gericht op autonomievergroting van scholen, met opties voor de korte en de lange termijn;
2. het ontwikkelen van «algemene beginselen van onderwijskwaliteit» als een fundamenteel andere wijze van onderwijswetgeving die nauw aansluit bij de idee van een kaderstellende overheid en zelfverantwoordelijke scholen;
3. het vergroten van de experimenteerruimte voor scholen.
Het concrete dereguleringsprogramma zoals dat door het ministerie wordt gehanteerd, is geen «ambtelijk product»: het gaat bij concrete beslissingen over de noodzaak van bepaalde regelgeving steeds om politieke keuzen. Die politieke keuzen zijn beschreven in de beleidsagenda bij de begroting. Concreet gaat het dan om:
• meer ruimte voor een eigen invulling van het studiehuis, de basisvorming en de klassenverkleining;
• meer financiële bevoegdheden naar de scholen (invoering van lumpsumbekostiging in het primair onderwijs); vermindering van administratieve lasten;
• meer eigen ruimte voor scholen bij de invulling van het onderwijsprogramma;
• overdracht van de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van gebouwen naar de scholen.
Daarnaast kan nog gewezen worden op reeds langer lopende initiatieven om scholen meer ruimte te geven voor eigen personeelsbeleid (introductie van een schoolbudget, decentralisatie van de arbeidsvoorwaardenvorming), en om de middelen voor schoolbegeleiding aan de scholen uit te keren.
Over het tweede spoor is door mijn ambtsvoorganger reeds gerapporteerd in de notitie «Mogelijkheden tot modernisering onderwijswetgeving voor primair en voortgezet onderwijs» (als bijlage gevoegd bij een brief over de Wet op het onderwijstoezicht, Kamerstukken II 2001/02, 27 783, nr. 22). Vervolgens vond op 5 april 2002 een conferentie over dit thema plaats met vertegenwoordigers uit het onderwijsveld, de wetenschappelijke bureaus van de politieke partijen, de inspectie, de Onderwijsraad en de universitaire wereld. Gelet op de instemming met de aanpak die daarbij bleek, is in juni 2002 aan de universiteit van Tilburg verzocht een begin te maken met de uitwerking van een proeve voor een wet tot invoering van algemene beginselen van onderwijskwaliteit, en wel via een gefaseerde aanpak. De resultaten daarvan verwacht ik eind dit jaar.
Het derde spoor is in de beleidsagenda bij de begroting ook reeds kort aangestipt: de overheid wil meer ruimte geven voor experimenten, zodat vernieuwingen eerst op kleine schaal in de praktijk kunnen worden beproefd. De afgelopen jaren is hiermee ervaring opgedaan in de projecten «initiatiefrijke scholen» en «teamonderwijs op maat». Het is de bedoeling van het kabinet om de ruimte voor dergelijke experimenten te vergroten. Met ingang van volgend schooljaar kan dan bijvoorbeeld een pilot starten met scholen in het primair onderwijs die reeds met lumpsumbekostiging aan de slag gaan.
Wat verstaat de regering in verband met schoolgebouwen onder de «menselijke maat»? Zijn er in dit verband maximum leerlingenaantallen te noemen voor primair en voortgezet onderwijs?
Onder een menselijke maat wordt gedoeld op een organisatie van het onderwijsproces binnen een school waarbinnen leerlingen en onderwijspersoneel een aantrekkelijke en veilige leer- en werkomgeving aantreffen.
Een omgeving die zodanig is dat er geen sprake is van anonimiteit, maar van directe onderlinge betrokkenheid. Het in dit verband noemen van maximum leerlingaantallen per schoolgebouw is van relatieve betekenis, omdat de kwaliteit van de organisatie van grotere invloed lijkt op het welbevinden van leerlingen en onderwijspersoneel. Om een beter inzicht te krijgen in de feitelijke situatie, ook zoals die door scholen wordt beleefd, zal in het basisonderwijs een inventarisatie plaatsvinden.
In het voortgezet onderwijs kijkt de inspectie nu nauwkeurig naar de relatie tussen schoolgrootte, interne organisatie en kwaliteitskenmerken zoals het schoolklimaat. Ook loopt er een inventarisatie naar bouwkundige (her)inrichtingsmogelijkheden voor schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs. Scholen worden gestimuleerd om daar waar nodig en mogelijk zelf actie te ondernemen en bijvoorbeeld goede voorbeelden voor bouwkundige (her)inrichting over te nemen.
De beantwoording van de vragen 77, 78, 79 en 80, die allemaal betrekking hebben op de schaalgrootte, richt zich in eerste instantie op de situatie in het voortgezet onderwijs, omdat grote scholen in het primair onderwijs een uitzondering zijn.
Wat gaat de regering doen indien een gemeente van plan is om een grote school te bouwen, aangezien de vorming van steeds grotere scholen wordt afgeremd?
Als het om de bouw van een nieuwe school gaat blijft het schoolbestuur (en dat kan ook de gemeente zijn als bevoegd gezag) verantwoordelijk voor het bieden van een aantrekkelijke en veilige werk- en leeromgeving in een nieuw gebouw. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van goede voorbeelden met betrekking tot een inrichting van een gebouw die leidt tot een kleinschalige leeromgeving. Een dergelijk overzicht van goede praktijken wordt momenteel ontwikkeld en zal ter beschikking worden gesteld aan gemeenten en schoolbesturen.
Wat gaat de regering doen indien een gemeente van plan is twee of meer scholen te fuseren, aangezien fusies worden afgeremd?
In feite is er al sprake van een sterke afname van fusies. Het toetsingkader voor splitsing nevenvestiging en verplaatsing ex artikel 75 van de WVO zal worden doorgelicht en waar nodig aangepast. Ik ga echter wel uit van autonomie van de scholen. Fusies zullen niet worden verboden en scholen zullen niet worden gedwongen om te splitsen. Een voorbeeld van het stimuleren van de vorming van kleinere eenheden is de inmiddels gerealiseerde stichtingsnorm van 450 leerlingen (i.p.v. 600) voor nevenvestigingen in bovengenoemd toetsingskader.
Op welke wijze kunnen scholen invulling geven aan de wens van de regering om te komen tot een omvang op menselijke maat als de regering niet bereid is daar geld voor uit te trekken?
Het hanteren van een norm van 600 leerlingen, zoals sommigen doen, zal niet in alle gevallen leiden tot extra materiële uitgaven. Immers, het huidige gemiddeld aantal leerlingen per gebouw ligt rond de 320. Om bij nieuwbouw tot de gewenste kleinschalige leer- en werkomgeving voor leerling en leraar te komen, is niet als eerste en enige factor extra budget bepalend. Wat betreft bouwkundige (her)inrichtingsmogelijkheden van schoolgebouwen wacht ik het resultaat van een inventarisatie af (zie ook het antwoord op vraag 77).
Om scholen beter in staat te stellen zelfstandig afwegingen te maken en prioriteiten te stellen op het gebied van huisvesting, is in de begroting het plan opgenomen om te komen tot doordecentralisatie van het onderhoud van de scholen.
Heeft het streven naar een omvang op menselijke maat ook betrekking op het bestuurlijke niveau in het onderwijs?
Het streven naar een omvang op menselijke maat is gericht op de leer- en werkomgeving van de leerling en leraar en niet op het bestuurlijke niveau.
Betekent de grotere autonomie en keuzevrijheid die de regering wil invoeren «ten aanzien van profielen (vrij te kiezen vakkenpakketten)» dat het onderwijs weer teruggaat naar de wirwar van vakkenpakketten zoals die voor de invoering van de profielen tweede fase vo bestonden? Op welke punten wil de regering de vrije keuzes toch beperkter houden dan dat deze destijds waren?
De voorstellen voor verbeteringen in de tweede fase havo/vwo gaan uit van handhaving van de profielstructuur met vier profielen. Daarbij zal de opbouw van elk profiel blijven bestaan uit een gemeenschappelijk deel, een profieldeel en een vrij deel. Er is dus geen sprake van een terugkeer naar vrije vakkenpakketten zoals die voor de invoering van de nieuwe tweede fase met profielen bestond.
Grotere autonomie en keuzevrijheid worden nagestreefd door het scheppen van voldoende ruimte in het vrije deel om daarin twee volwaardige examenvakken te kiezen, en voorts door – waar mogelijk – binnen de profieldelen een beperkte keuzemogelijkheid tussen vakken aan te bieden. Over de verdere uitwerking hiervan wordt nog gesproken met de onderwijsorganisaties.
Wat voor regelgeving omtrent het studiehuis wordt herzien, aangezien het studiehuis nooit wettelijk is vastgelegd?
Het is juist dat het studiehuis in strikte zin nooit wettelijk is vastgelegd. In het spraakgebruik echter wordt met de term studiehuis veelal verwezen naar het geheel van de tweede fase havo/vwo, dus met inbegrip van de regelgeving rond de profielen. Wat betreft dit laatste zullen voorstellen tot herziening worden gedaan (zie het antwoord op vraag 81 voor de aard van de voorstellen).
Is de regering voornemens om naast de middelen die oorspronkelijk bedoeld waren voor de groepsgrootteverkleining in de onderbouw ook middelen vrij te maken voor groepsgrootteverkleining in de bovenbouw van het primair onderwijs?
Nee. Het voornemen is de oormerking van middelen voor groepsverkleining in de onderbouw los te laten en daarmee de inzet van deze middelen in de bovenbouw mogelijk te maken. Daarbij wordt uitgegaan van het beschikbare budget voor groepsverkleining. Voor de scholen bedraagt dit budget circa € 560 miljoen in 2003, oplopend tot circa € 585 miljoen jaarlijks vanaf 2006.
Als scholen in de toekomst zelf mogen bepalen of ze het geld dat is gegeven voor klassenverkleining in de onder- of bovenbouw willen inzetten, zonder dat er geld bijkomt, hoe groot acht de regering dan de kans dat er van klassenverkleining in noch de onder- noch de bovenbouw iets terecht komt?
De klassenverkleining is in 1997 gestart in de onderbouw van het basisonderwijs. Inmiddels is de gemiddelde groepsgrootte in de onderbouw gedaald van 23,7 leerlingen per 1 oktober 1994 naar 21,9 per 1 oktober 2001.
Uit onderzoek blijkt dat scholen – naast een feitelijke verkleining van groepen – steeds vaker kiezen voor de inzet van «meer handen in de klas» (onder andere een extra bevoegde leraar, onderwijsassistenten, leraren in opleiding), onderbouw coördinatoren, vakleraren en remedial teachers.
Het loslaten van de oormerking voor de groepsverkleining stelt scholen in staat professionele keuzes te maken bij de inzet van middelen. Hoewel aandacht voor het onderwijs aan het jonge kind ook door het huidige kabinet als prioriteit wordt gezien, kunnen door de voorgestelde ruimere bestedingsvrijheid van scholen eventuele knelpunten in de bovenbouw tijdig worden aangepakt. Daarmee staat – bij gelijk blijvende financiële middelen – het leveren van maatwerk toegespitst op de omstandigheden in de school voorop. De gedachte hierbij is dat scholen zelf het best in staat zijn zorgvuldige afwegingen te maken voor de inzet van middelen in onder- of bovenbouw.
Kan de regering inzicht verschaffen in de verschillen tussen de begrote en gerealiseerde personeelsbudgetten voor het primair onderwijs (declaratiebudget) in de jaren 1996–2001?
Onderstaand treft u aan de totale uitgaven op het personele artikel primair onderwijs (artikel 18.01) zoals opgenomen in de desbetreffende jaarverslagen. Deze uitgaven betreffen zowel declaratie-uitgaven als overige uitgaven. Voor een uitgebreide toelichting op de verschillen tussen de oorspronkelijk vastgestelde begrotingen en de realisaties verwijs ik u naar genoemde kamerstukken.
| Kalenderjaar | Kamerstuknummer | Oorspronkelijk vastgestelde begroting | Realisatie |
|---|---|---|---|
| 1996 | 25 479 nr. 10 | 3 560 504 | 3 640 479 |
| 1997 | 26 025 nr. 10 | 3 750 041 | 3 788 444 |
| 1998 | 26 542 nr. 5 | 4 054 467 | 4 143 062 |
| 1999 | 27 127 nr. 17 | 4 356 055 | 4 434 544 |
| 2000 | 27 700 nr. 17 | 4 472 129 | 4 708 233 |
| 2001 | 28 380 nr. 16 | 5 082 540 | 5 353 218 |
Hoe worden scholen geselecteerd voor de pilot «lumpsum»? Kunnen scholen zich daarvoor vrijwillig aanmelden?
Vooruitlopend op de introductie van lumpsumfinanciering in augustus 2005 zal per augustus 2003 een beperkt aantal bevoegd gezagsorganen uit het primair onderwijs in de gelegenheid worden gesteld om, op vrijwillige basis, deel te nemen aan een pilot. Deze bevoegd gezagsorganen krijgen de ruimte om te experimenteren met meer bestedingsvrijheid. Doel hiervan is ervaring op te doen en instrumenten te ontwikkelen. De pilot krijgt een wettelijke basis. Het betreffende wetsvoorstel wordt de Tweede Kamer binnenkort aangeboden. De pilotresultaten worden gebruikt bij het flankerend beleid dat de introductie van lumpsumfinanciering zal begeleiden. Er is veel belangstelling vanuit het veld voor deze pilot. Met de besturenorganisaties wordt een selectieprocedure ontworpen die er zorg voor draagt dat de ervaringen van pilotscholen overdraagbaar zijn naar de rest van het veld.
Wordt bij de invoering van de lumpsumfinanciering, en de pilot die hiervoor wordt uitgevoerd, ook gekeken naar mogelijkheden om de middelen en verantwoordelijkheid voor onderwijshuisvesting en achterstandbeleid ook direct bij de scholen neer te leggen i.p.v. bij de gemeenten, net zoals met onderwijsbegeleiding gebeurt? Zo neen, waarom niet?
Het traject tot invoering van lumpsumfinanciering is gericht op de, op zichzelf zeer ingrijpende, operatie om voor de personele vergoedingen aan scholen af te stappen van de huidige declaratiesystematiek. Deze operatie is een basisvoorwaarde om scholen in het primair onderwijs meer bestedingsvrijheid te geven. Uit oogpunt van uitvoerbaarheid en van risico's voor het tempo waarin deze operatie kan worden uitgevoerd, is het bezwaarlijk deze invoering als zodanig te belasten met discussies en mogelijk daaruit voortkomende besluitvorming over verschuivingen van verantwoordelijkheden en bijbehorende budgetten op andere beleidsdossiers. Dit ook omdat per dossier de omstandigheden en daarmee ook het tijdpad, anders liggen.
Dit laat onverlet dat het kabinet de mogelijkheden zoals genoemd in de vraag aan het verkennen is.
Via de voortgangsrapportage autonomie en deregulering (zie ook het antwoord op vraag 27) wordt de Tweede Kamer periodiek inzicht geboden over de voortgang en onderlinge samenhang tussen van deze dossiers.
Wordt bij de invoering van de lumpsumfinanciering, en de pilot die hiervoor wordt uitgevoerd, ook gekeken naar mogelijkheden om de middelen en verantwoordelijkheid voor het Weer-Samen-Naar-School beleid meer direct bij de scholen neer te leggen i.p.v. bij de WSNS-verbanden? Zo neen, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 87.
Hoe denkt de regering in het kader van de introductie van de lumpsum bekostiging om te gaan met de aan de bestuurlijke schaal gerelateerde onderscheiden risicoprofielen in het primair onderwijs?
Bij de invoering van lumpsumbekostiging wordt rekening gehouden met deze risicoprofielen die met name samenhangen met de voor het primair onderwijs kenmerkende kleinschalige organisatie van het onderwijs.
Daarom is randvoorwaarde bij invoering, dat de goede bereikbaarheid van scholen en pedagogische kleinschaligheid in het belang van het kind en de ouders behouden blijven.
Waarom is de VOO (Vereniging voor Openbaar Onderwijs) niet opgenomen als actor bij de verzelfstandiging van het openbaar onderwijs?
De verzelfstandiging van het openbaar onderwijs gaat over de bestuurlijke vormgeving. De Vereniging voor Openbaar Onderwijs (VOO) is niet als bestuurlijk betrokken actor genoemd omdat deze vereniging geen representant is van schoolbesturen in het openbaar onderwijs. Bij genoemde vormgeving zijn de bestuurlijk relevante actoren: de VNG vanuit de invalshoek van hoe gemeenten als lokale overheid aankijken tegen de bestuurlijke rol ten aanzien van het openbaar onderwijs en de VOS/ABB als organisatie van de schoolbesturen binnen het openbaar onderwijs.
De VOO is, naast behartiger van de belangen van ouders in het openbaar onderwijs, een vereniging van voorstanders van het openbaar onderwijs. Vanuit deze hoedanigheid zal de VOO door ons bij dit onderwerp worden betrokken.
Wat zal de strekking zijn van het convenant dat wordt afgesloten met de VNG in verband met de bestuurlijke verzelfstandiging van het openbaar onderwijs?
Wat betreft het kabinet zal de strekking van het convenant zodanig moeten zijn dat dit gemeenten, waarbinnen het college van burgemeester en wethouders nog steeds bestuur is van het openbaar onderwijs, stimuleert om het openbaar onderwijs bestuurlijk op afstand te zetten. De wijze waarop dit het beste gestalte kan krijgen is mede afhankelijk van de resultaten van de in 2003 uit te voeren inventarisatie naar bestuursvormen in het openbaar onderwijs en naar «good practices» met betrekking tot bestuurlijke verzelfstandigingen binnen dit onderwijs.
Op welke termijn kan de Kamer het wetsvoorstel inzake de samenwerkingsscholen verwachten?
Het wetsvoorstel inzake de samenwerkingsscholen wordt naar verwachting in april 2003 ingediend.
Wat wordt verstaan onder initieel onderwijs? Is het waar dat de regering verantwoordelijk is voor het initieel onderwijs? Komt er collegegelddifferentiatie in het initieel onderwijs?
De regering draagt de verantwoordelijkheid voor het initieel onderwijs, d.w.z. het onderwijs tot en met het niveau van de hbo-bachelor en het niveau van de wo-master. In verband met de in het strategisch akkoord opgenomen afspraak om differentiatie van collegegelden voor opleidingen met een erkende evidente meerwaarde mogelijk te maken wordt een Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) gehouden, dat zal worden afgerond in het voorjaar van 2003. Ook de werkgroep «topmasters» zal hierop haar visie geven.
Klopt het dat in het kader van de aangekondigde fundamentele herbezinning op de beroepsuitoefening van artsen, verpleegkundigen en paramedici er een ophoging van de opleidingscapaciteit in het wo en extra middelen voor het wo zijn te verwachten? Zal een vergelijkbare capaciteitsverhoging en upgrading ook plaatsvinden in het hbo en worden daarvoor ook extra middelen beschikbaar gesteld?
In lijn met het strategisch akkoord wordt een geleidelijke ophoging van de opleidingscapaciteit in de medische opleidingen nagestreefd. Per september 2002 is een instroom in de opleidingen geneeskunde gerealiseerd van 2550 studenten. Voor de verdere verhoging per september 2003 en over de daarvoor noodzakelijke middelen zullen nieuwe afspraken in het kabinet gemaakt moeten worden.
In de begroting voor 2003 worden voor de desbetreffende opleidingen in het hbo geen extra middelen beschikbaar gesteld. Ik wijs u erop dat voor de capaciteitsuitbreiding van de opleidingen mondhygiëne van 210 naar 300 plaatsen in de begroting 2002 een bedrag van 0,5 oplopend tot 2 miljoen euro in 2005 ter beschikking is gesteld. De upgrading dit studiejaar van de 3-jarige mondhygiëneopleidingen tot 4-jarige opleidingen mondzorg (tevens kwalificerend voor het verrichten van restauratieve werkzaamheden), vindt plaats op basis van autonome financiering. Hetzelfde geldt voor de studielastverzwaring bij de opleidingen Mensendieck, Caesar, Podotherapie en Orthoptie. Door het ministerie van VWS worden voor het studiejaar 2002 – 2003 een tweetal projecten gefinancierd (Utrecht en Nijmegen) gericht op het totstandkomen van een hbo-masteropleiding Physician Assistant.
Is het mogelijk om in het kader van het aangekondigde organisatieonderzoek in verband met de korting die aan de publieke omroepen wordt opgelegd, ook (zowel organisatorisch als financieel) aandacht te besteden aan het diversiteitsbeleid binnen de publieke omroepen, waarvoor in de wet aanwijzingen zijn opgenomen?
Momenteel wordt een onderzoeksopdracht voorbereid. Kern van deze opdracht zal zijn te onderzoeken welke mogelijkheden er binnen de mediabegroting zijn om – zonder programmatische gevolgen besparingen te realiseren. Hierbij wordt, conform het regeerakkoord, door de staatssecretaris primair gedacht aan een verhoging van de efficiency en een vermindering van overheadkosten. Verdergaande samenwerking tussen de omroeporganisaties en een verbetering van de productieprocessen zal daaraan ook kunnen bijdragen. De staatssecretaris acht het van belang dat het diversiteitsbeleid, zoals dat de afgelopen periode is ingezet, wordt gecontinueerd.
Waarop zijn de kwantitatieve doelstellingen voor het wegwerken van het tekort aan leraren gebaseerd?
De kwantitatieve doelstellingen voor het beleidsprogramma zijn gebaseerd op (eerste) ervaringsgegevens met betrekking tot de werving van nieuwe groepen zoals de zij-instromers, waarbij is verondersteld dat de aanloopmoeilijkheden geleidelijk worden overwonnen en de nieuwe beleidsinspanningen op dit terrein zullen leiden tot een vergrote effectiviteit van de maatregel. Voorts is waar het de groep onderwijsassistenten en andere ondersteunende functies betreft gekeken naar de capaciteit van de opleidingen en financieringsmogelijkheden. In de doelstelling aangaande de leraren in opleiding (lio's) is tevens gekeken naar ramingen aangaande de instroom in de lerarenopleidingen (de potentiële groep lio's) en het gebruik dat vierdejaars maken van de mogelijkheid om lio te worden. Bij de groep herintreders is bij de inschatting van de potentiële instroom in het onderwijs tevens rekening gehouden met de door de betrokken bemiddelaars gemaakte inschatting van het potentieel aan herintreders (in met name het primair onderwijs).
Welke bijdrage(n) verwacht de regering van de Stichting samenwerkingsorgaan beroepskwaliteit leraren (SBL) voor het aantrekkelijker maken van het leraarsberoep?
De Stichting Samenwerkingsorgaan Beroepskwaliteit Leraren (SBL) speelt een centrale rol bij het ontwikkelen van bekwaamheidseisen voor onderwijspersoneel en bij de ontwikkeling en hantering van professionaliseringsinstrumenten zoals het bekwaamheidsdossier, waarvan sprake is in het voorstel van de Wet op de beroepen in het onderwijs. Kringen van leraren spelen bij die ontwikkeling, onder regie van SBL een heel belangrijke rol. Op die wijze werken aan de professionalisering van het beroep, vooral ook door de beroepsbeoefenaren zelf, zal kunnen bijdragen aan de aantrekkelijkheid van dat beroep.
Wat gaat de regering doen indien de gestelde doelen niet gehaald worden, ofwel als er bijvoorbeeld geen 4000 zij-instromers geplaatst worden in de periode 2002–2006?
We prijzen ons gelukkig dat de belangstelling voor zij-instroom zeer groot is. Dat blijkt onder andere uit het hoge aantal mensen dat zich heeft ingeschreven bij de diverse bemiddelaars. Gezien ook de ervaringen tot nu toe ga ik er daarom vanuit dat deze 4 000 zij-instromers gehaald kunnen worden.
Hoe groot is de uitval, zowel in percentages als in absolute getallen, in het vmbo, mbo en hbo? Hoe loopt deze uitval uiteen in het eerste, tweede en de volgende lesjaren?
Het rmc (regionale meld- en coördinatiefunctie)-beleid richt zich op voortijdige schoolverlaters. Dit zijn leerlingen die zonder startkwalificatie het onderwijs verlaten. Een startkwalificatie wordt behaald met een diploma van het havo, van het vwo of van een opleiding op minimaal niveau 2 van het mbo.
Onderstaande gegevens over aantallen voortijdige schoolverlaters uit het v(s)o en uit het mbo zijn afkomstig uit de RMC-analyse 2001 van Sardes. Deze gegevens geven alleen de aantallen en percentages weer met betrekking tot de voortijdige schoolverlaters van wie de herkomst bekend is. Het totaal aantal voortijdige schoolverlaters in 2001 bedroeg 47 059. Van 34 050 voortijdige schoolverlaters is bekend of zij uit het v(s)o komen of uit het mbo.
De percentages drukken de verhouding uit van het aantal voortijdige schoolverlaters ten opzichte van het totaal aantal ingeschreven leerlingen in alle leerjaren op alle niveaus. Het gaat hier dus niet om de uitval per cohort van leerlingen.
Aantal voortijdige schoolverlaters in v(s)o: 15 153 Percentage voortijdige schoolverlaters in v(s)o van het aantal ingeschreven leerlingen in het v(s)o: 2% Aantal voortijdige schoolverlaters in mbo: 18 897 Percentage voortijdige schoolverlaters in mbo van het aantal ingeschreven leerlingen in het mbo: 5% Gegevens over uitval in het eerste, tweede en volgende lesjaren zijn niet bekend.
Op dit moment wordt in het kader van de beroepskolom de slaagkans, en daarmee de uitval, van deelnemers in het vmbo, mbo en hbo gemeten. Binnenkort zal hierover aan de Tweede Kamer worden gerapporteerd. De melding- en registratiepraktijk van het rmc-beleid zal verbeterd worden door invoering van het onderwijsnummer.
Gegevens over de uitval in het hbo zijn afkomstig uit het Centraal register inschrijving hoger onderwijs (CRIHO).
Van de ongeveer 305 000 studenten die in in 2000–2001 in het hbo waren ingeschreven, vertrokken er 55 100 met en 21 300 zonder diploma.
Van de 84 300 studenten die in het studiejaar 2000–2001 voor de eerste maal in het hbo waren ingeschreven, waren er 17 400 (21%) in het studiejaar 2001–2002 niet meer ingeschreven. Het vertrek zonder diploma na 2 jaar (van degenen die in 1999–2000 voor de eerste maal waren ingeschreven) was ca. 25%, na 5 jaar is het uitvalpercentage opgelopen tot 27%, na 10 jaar tot 31%. Een deel van de «uitgevallen» studenten keert later weer terug in het hbo. Uiteindelijk behaalt ongeveer 70% van de studenten een diploma.
Welke oorzaken van uitval in het vmbo zijn op dit moment bekend? Hoe worden deze oorzaken onderzocht? Welke maatregelen treft de regering om deze oorzaken weg te nemen?
Naar de oorzaken van uitval in het vmbo is onderzoek gedaan onder verantwoordelijkheid van de Inspectie van het onderwijs. In het rapport van dit onderzoek, Voor wie is de school (2000), wordt aangegeven dat het schoolklimaat, de motivatie en het gedrag van leerlingen de belangrijkste oorzaken zijn. De zorgstructuur van de vmbo-scholen, opvangmogelijkheden als time-outvoorzieningen voor leerlingen met ernstige gedragsproblemen en een goed functionerend netwerk van hulpverleninginstellingen rond de school voor advies en behandeling voor leerlingen met problemen zijn maatregelen om de genoemde oorzaken positief te beïnvloeden.
Daarnaast zijn er algemene maatregelen om voortijdig schoolverlaten te verminderen, zoals de leerplicht, de regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten, het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid en het grotestedenbeleid.
Welke rol speelt de verhouding van algemeen vormend onderwijs en praktijkonderwijs in het lesprogramma bij de uitval in het vmbo? Onderzoekt de regering de mogelijkheid om praktijkonderwijs eerder, of vaker, in het lesprogramma aan te bieden als mocht blijken dat deze verhouding een significante rol speelt bij de overwegingen van scholieren om hun opleiding te staken?
Sommige groepen leerlingen kunnen met meer praktijk, minder theorie en een praktijkgerichte didactiek en pedagogiek efficiënter naar een (start)kwalificatie worden begeleid. Deze leerlingen hebben overwegend een andere leerstijl; het zijn lerende doeners. Scholen kunnen dergelijke leerlingen in de basisberoepsgerichte leerweg sinds vorig schooljaar een leerwerktraject aanbieden, een flexibele variant waarbij een combinatie van binnenschools en buitenschools leren zorgt voor een aantrekkelijk en inspirerend leerklimaat. De leerlingen zijn een aanzienlijk deel van de onderwijstijd aan de slag in een leerbedrijf. De leerwerkplek is een opleidingsplek waar een groot stuk van het programma op een praktische manier wordt geleerd.
In de middellange termijnverkenning van de beroepskolom is het voornemen opgenomen om te onderzoeken of het leerwerktraject ook voor sommige groepen leerlingen inde kaderberoepsgerichte leerweg een aantrekkelijk traject zou zijn.
Hoe definieert de regering «onvoldoende doorstroom naar vervolgopleidingen» in de beroepskolom? Wat zijn de streefwaarden voor de jaren 2003–2007 voor doorstroom naar vervolgopleidingen en hoe wordt dit gemeten?
Eind oktober 2002 verschijnt de nulmeting «kwalificatiewinst in de beroepskolom». In deze meting wordt het rendement en de doorstroom van de beroepskolom – van vmbo tot en met hbo – in kaart gebracht.
Het gebruik van de term kwalificatiewinst is nieuw. In de doorstroomagenda van de commissie Boekhoud wordt kwalificatiewinst omgeschreven als «meer gekwalificeerden op alle kwalificatieniveaus» door het verbeteren van het (interne) rendement en de doorstroom binnen de beroepskolom.
Op basis van de resultaten van deze meting zullen in overleg met het veld reële streefwaarden worden bepaald als het gaat om het terugdringen van de uitval en het bevorderen van de doorstroom in de beroepskolom. Het streven is in het voorjaar van 2003 met het veld een hoofdlijnenakkoord af te sluiten waarin deze streefwaarden worden vastgesteld.
Ik zal deze nulmeting – samen met de tussenrapportage van de kwalitatieve monitor en een begeleidende brief waarin ik zal aangeven hoe het vervolgtraject wordt ingericht – zo spoedig mogelijk aan de Kamer toesturen.
Welke concrete maatregelen neemt de regering om doorstroming naar vervolgopleidingen binnen de beroepskolom te verbeteren?
In het kader van de impuls beroepskolom ontvangen alle onderwijsinstellingen (inclusief het groene onderwijs) en de kenniscentra voor beroepsonderwijs en bedrijfsleven in de komende vier jaar extra middelen voor het verbreden en intensiveren van de inhoudelijke vernieuwing die noodzakelijk is om de beroepskolom in de regio gestalte te geven (zie ook het antwoord op vraag 222 voor de hoogte van de extra middelen).
Over de inzet van de middelen en de ontwikkelingen die in gang zijn gezet, wordt u binnenkort via de monitorbrief beroepskolom geïnformeerd. De eerste resultaten zijn dat de instellingen in mbo en hbo de toegekende middelen volledig aanwenden voor activiteiten ter versterking van de beroepskolom. Alle instellingen houden zich bezig met het verbeteren van de pedagogisch-didactische en programmatische aansluiting tussen delen van de beroepskolom. Het grootste deel van de middelen gaat hier naar toe.
Wat wordt bedoeld met kwalificatiewinst en wat zijn de streefwaarden bij het realiseren hiervan in de periode 2003–2007?
Zie het antwoord op vraag 102.
Welke «grootschalige experimenten» worden opgestart om de uitval in het vmbo te bestrijden? Hoeveel scholen en leerlingen worden hierbij betrokken? Hoe lang duren deze experimenten en wat is het effect van deze experimenten op scholieren en onderwijskrachten? Welke concrete doelstellingen hebben de experimenten, hoe worden de resultaten gemeten en op welke wijze wordt hierover gerapporteerd?
In het vmbo is sprake van een zeer heterogene leerlingengroep. Vooral in de basisberoepsgerichte leerweg zitten kinderen die betere resultaten halen met een combinatie van theorie en praktijk en meer individuele aandacht door leerwegondersteunend onderwijs. Om de mogelijkheden voor ondermeer deze kinderen verder te vergroten zijn in gaande vorig schooljaar de leerwerktrajecten ingevoerd. Ondanks deze variant van de basisberoepsgerichte leerweg vreest een aantal scholen dat een categorie leerlingen mogelijk uit de boot gaat vallen. Het zou 15 á 20% van de leerlingen in de basisberoepsgerichte leerweg kunnen zijn. Deze leerlingen zijn te goed voor het praktijkonderwijs en niet plaatsbaar in leer-werktrajecten. De omschrijving van de leerlingengroep varieert per school waarbij vaak wordt aangegeven dat het beeld nog niet compleet is. Thans wordt deze problematiek in overleg met het veld verder geïnventariseerd en besproken. Algemene beleidsinitiatieven zijn op dit moment dan ook nog niet aan de orde.
In juni 2002 is tussen OCenW, het College van B&W Rotterdam en de onderwijsinstellingen vmbo en mbo in Rotterdam een convenant getekend Beroepsonderwijs ontketend – naar een integrale aanpak startkwalificaties. In het convenant wordt het streven geformuleerd dat in het belang van sociale integratie meer jongeren mét een startkwalificatie het onderwijs moeten verlaten. Het convenant formuleert daarbij twee doelstellingen, te weten een doorlopende leerlijn richting instroom op de arbeidsmarkt én het beter verbinden van de schoolloopbaan van jongeren met de domeinen jeugdbeleid, jeugdzorg en veiligheidsbeleid. De uitwerking van het convenant betreft een integrale aanpak die het aanbod van voorzieningen richt op het versterken van de schoolloopbaan en maatschappelijke participatie van risicojongeren. In het convenant wordt een aantal uitwerkingen genoemd, waaronder de invoering van een 40-urige«werkweek» voor jongeren mede omvattende de onderwijstijd, een beroepskwalificatie op maat voor elke leerling en verhoging van de ouderbetrokkenheid bij de leerling-loopbaan. Tevens worden randvoorwaarden verkend waaronder de integrale aanpak gerealiseerd moet worden, zoals een sterker human resource beleid in scholen en verbetering van de huisvestingssituatie.Thans wordt door Rotterdam het plan van aanpak afgerond dat vervolgens met OCenW zal worden besproken.
Zijn er verschillen bekend in de percentages uitval binnen resp. de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte, gemengde en theoretische leerwegen binnen het vmbo? Zijn er factoren bekend die de verschillen kunnen verklaren?
Uw vraag is op korte termijn niet te beantwoorden. Reden daarvoor is dat de ingestuurde gegevens ten behoeve van de integrale leerlingentelling (ilt) 16 november ter controle aan de scholen worden toegezonden, waarna op 17 januari 2003 er gevalideerde ilt-cijfers betrekking hebbende op het leerjaar 2002–2003 beschikbaar zijn, zodat dan een vergelijking tussen 2001 en 2002 plaats kan vinden.
In welke mate blijkt de lesuitval in het mbo bij te dragen aan het voortijdig schoolverlaten in deze onderwijssector?
Over de relatie tussen uitval en voortijdig schoolverlaten zijn geen harde gegevens bekend. Bij voortijdig schoolverlaten is vaak sprake van een complex van factoren, onder meer gerelateerd aan de persoonlijke omstandigheden van de leerling in kwestie, waarvan verzuim een gevolg kan zijn. Er zijn ook leerlingen die ondanks lesuitval of verzuim succesvol de eindstreep halen.
Klopt het dat de beroepskolom zo sterk is als haar zwakste schakel, nl het vmbo? Welke maatregelen worden genomen om de kwaliteit en aantrekkingskracht van het vmbo te verbeteren? Welke gelden gaan specifiek naar begeleiding van vmbo-scholen en verbetering van huidige problemen?
Het vmbo is het fundament van de beroepskolom. Het is voor de beroepskolom cruciaal dat het vmbo een stevige basis vormt.
In het strategisch akkoord wordt mede daarom extra aandacht voor het vmbo gevraagd. Van de € 136 miljoen die voor de beroepskolom beschikbaar is, gaat structureel de helft naar het vmbo. Naast het deel dat de vmbo-scholen via de lumpsum ontvangen, bereikt een deel van de financiële middelen de school via aanvullende bekostiging voor het opzetten van leerwerktrajecten en de invoering van leerwegen en via de beschikbaar gestelde ondersteuning van consulenten en onderwijsdeskundigen. Tevens worden gerichte impulsprojecten ter versterking van het vmbo gehonoreerd.
De maximale opbrengst van de vernieuwingen in het vmbo zoals leerwegen en zorgstructuur zijn 1 jaar na invoering nog niet voluit zichtbaar.
Kan worden toegelicht hoe de aandacht voor maatschappelijke oriëntatie in het onderwijsprogramma verwerkt zou kunnen worden? Waaraan moet minimaal worden voldaan? Heeft dit voornemen gevolgen voor het vak maatschappijleer?
De kerndoelen en de eindtermen in de examenprogramma's bepalen waaraan minimaal moet worden voldaan. De wijze waarop de kerndoelen basisvorming op dit punt worden herzien, bepaalt de eventuele gevolgen voor bijvoorbeeld het vak maatschappijleer.
Aandacht voor maatschappelijke oriëntatie is op dit moment op verschillende manieren in het onderwijsprogramma verwerkt. In de basisvorming is het bijvoorbeeld terug te vinden in de algemene onderwijsdoelen van het kerndoelenbesluit basisvorming. Als uitvoering hiervan zijn scholen verplicht onder andere in de volgende vakken subdoelen op te nemen: moderne vreemde talen, aardrijkskunde, geschiedenis, economie, verzorging, dans, drama en muziek. In de 2e fase van havo/vwo en het vmbo is het vak maatschappijleer verplicht als eindexamenvak. Daarnaast zijn bovengenoemde subdoelen onderdeel van de verschillende eindexamenprogramma's.
Om de aandacht voor maatschappelijke oriëntatie te vergroten wordt een tweesporenbeleid gevolgd. Aan de ene kant zal bezien worden hoe het onderwijsprogramma kan worden aangescherpt (de taakgroep vernieuwing basisvorming zal bij de voorstellen voor de nieuwe kerndoelen maatschappelijke oriëntatie nadrukkelijk meenemen). Aan de andere kant zal de verbinding tussen school en omgeving worden versterkt (o.a. door stimulering van de ontwikkeling van brede scholen), om dan maatschappelijke oriëntatie een plek te geven.
De media spelen een belangrijke rol in de aandacht voor en beeldvorming over verschillende levensbeschouwingen en beïnvloeden de maatschappelijke oriëntatie van de leerlingen. In hoeverre wordt binnen dit kader aandacht besteed aan media-educatie in de vorm van kritisch mediagedrag en zijn bij de actoren op dit terrein ook relevante organisaties en instellingen betrokken?
Zie het antwoord op vraag 391.
Zullen scholen tevens de vrijheid krijgen om de aandacht voor maatschappelijke oriëntatie en levensbeschouwingen vorm te geven geïntegreerd in andere vakken?
Ja. Integratie binnen andere vakken wordt reeds minimaal bepaald via een aantal subdoelen en eindtermen.
Zie ook het antwoord op vraag 109. Scholen krijgen zoveel mogelijk de ruimte om hieraan een eigen invulling te geven.
Hoe groot acht de regering de kans dat de invoering van een begintoets als middel om de bekostiging te verdelen zal leiden tot fraude?
Bij de verdere uitwerking van de begintoets zal het aspect van de fraudegevoeligheid nadrukkelijk betrokken worden. Indien de begintoets gevolgen heeft voor de bekostiging van de scholen, dient de afname van de begintoets aan hoge eisen van betrouwbaarheid te voldoen.
Heeft de regering een begintoets voor ogen die door de school of door een externe instantie wordt afgenomen?
De begintoets kan in de ogen van het kabinet drie functies vervullen. Ten eerste kan de school aan de hand van een toets (of een aantal toetsen) het beginniveau van de leerling vaststellen, zodat zij daar in het onderwijsaanbod rekening mee kan houden. Deze «diagnostische functie» van de begintoets komt het best tot haar recht als de school zelf de toets afneemt. Ten tweede kan de begintoets in combinatie met de eindtoets gebruikt worden om de toegevoegde waarde van een school te bepalen. En ten derde kan de begintoets een basis vormen voor de toedeling van een deel van de middelen voor de bestrijding van onderwijsachterstanden.
Voor de tweede en derde functie dient de afname van de toets aan hoge eisen van betrouwbaarheid te voldoen.
Het kabinet studeert nog op de wijze waarop hieraan vorm kan worden gegeven.
Wat is het causaal verband tussen de noodzaak tot het afschaffen van OALT (onderwijs in allochtone levende talen) en het leren van de Nederlandse taal, mede gelet op het strategisch akkoord?
Vanuit het integratieperspectief geeft het kabinet prioriteit aan de beheersing van de Nederlandse taal.
Het kabinet beschouwt het Nederlands als één van de fundamentele waarden die de Nederlandse samenleving kenmerken die van essentieel belang is om in de Nederlandse samenleving als volwaardig burger te participeren. Alle aandacht moet dan ook gericht worden op het zo snel mogelijk leren van het Nederlands bij allochtone kinderen; het leren van de eigen taal past daar niet in.
Hoe wordt het sociaal plan gefinancierd, dat erop gericht is om zoveel mogelijk OALT-leraren voor de onderwijsarbeidsmarkt te behouden?
In een brief aan de Kamer van 27 september 2002 (kenmerk PO/OO/2002/36 381) is in reactie op een verzoek van de Kamer gemeld dat in overleg met de werkgeversorganisaties, de vakbonden en de VNG flankerend beleid zal worden ontwikkeld om bij de beëindiging van de bekostiging van oalt per 1-8-2004 zoveel mogelijk oalt-leraren te behouden voor de (onderwijs)arbeidsmarkt. Dit overleg is nog niet gestart. Bij de indiening van het wetsvoorstel met betrekking tot de beëindiging van de bekostiging, voorzien begin 2003, zal worden aangegeven hoe het flankerend beleid wordt gefinancierd.
Wat houdt de herinrichting van het Transferpunt «Jongeren, school en veiligheid» precies in?
Om de veiligheid in en om de school te vergroten zullen de diensten van het Transferpunt «jongeren, school en veiligheid» meer vraaggericht ingezet worden. De genoemde herinrichting van het transferpunt houdt een omslag in naar een meer ondersteunende, faciliterende manier van werken. Het transferpunt kan hierdoor beter ingaan op vragen van scholen.
De omslag wordt vanuit OCenW geregisseerd. Veldorganisaties en ouder/leerlingorganisaties zullen hier intensief bij worden betrokken.
Als overheden worden aangesproken op hun verantwoordelijkheden waar het een sluitend netwerk van voorzieningen rond de school betreft, waarbij ook op cultuurterrein de samenwerking wordt bevorderd, is dan bij de opbouw van het netwerk (zoals omschreven op p. 90) ook rekening gehouden met initiatieven en instellingen die zich bezighouden met wijkmedia-activiteiten, ict en samenleving en digitale trapvelden? Zo ja, welke instellingen worden als actor betrokken?
Brede scholen zijn lokale initiatieven. Scholen en instellingen werken inhoudelijk samen om de ontwikkelingskansen van kinderen te vergroten en om andere doelen te bereiken. Uit het Jaarbericht brede scholen 2002 is op te maken dat de samenwerking tussen basisscholen, peuterspeelzalen en de kinderopvang het hart vormt van de brede scholen. Daarnaast zijn welzijns- en zorginstellingen in veel gemeenten van de partij. Van de culturele instellingen is de bibliotheek de meest actieve partner. Daarnaast zijn ook muziekscholen (in 25% van de gemeenten) en centra voor kunst en cultuur (in 23% van de gemeenten) partners binnen brede scholen.
Uit het jaarbericht blijkt eveneens dat naast doorgaande educatieve lijnen ook vrijetijdsbesteding nadrukkelijk deel uitmaakt van het aanbod van brede scholen. Hierbij gaat het vooral om culturele activiteiten (waaronder bibliotheekbezoek, muziek, dans en theater), sportieve activiteiten en ict.
Vrijetijdsbesteding is aan de orde op brede scholen in alle wijken.
Kan duidelijker worden aangegeven in welke richting gedacht wordt bij de invulling van de uitgavenruimte enveloppe in 2004? Wanneer kan een concrete invulling worden gegeven van de uitgavenruimte van de enveloppe over de gehele periode?
Oorspronkelijk was toegezegd de nadere invulling van de enveloppe voor de begrotingsbehandeling aan de Tweede Kamer te zenden. Als gevolg van de demissionaire status van het kabinet is vooralsnog niet duidelijk of en zo ja, wanneer dit zal gebeuren.
Kan de regering een opbouw van de taakstellingen voor wo en hbo geven vanaf de begrotingsstand ontwerpbegroting 2002, waaruit duidelijk blijkt op welke manier de loonsomevenredige verdeling is vastgesteld? Is het waar dat het hbo onevenredig zwaar moet bezuinigen? Is de regering bereid om de bezuiniging evenwichtiger te spreiden?
Bij de beantwoording van deze vraag ga ik er vanuit dat u doelt op de efficiencytaakstellingen hbo en wo.
De efficiencykorting loopt op van € 35,8 miljoen in 2003 tot € 143,1 miljoen vanaf 2006. De verdeling van deze korting over het hbo en het wo is gebaseerd op de loonsom 2006 naar de stand Miljoenennota 2002, verhoogd met de loonbijstelling 2002. Dit resulteert in de volgende loonsommen:
| HBO | 1 616,6 |
|---|---|
| WO (excl. academische ziekenhuizen) | 1 959,1 |
Verdeling van de efficiencykorting op basis van deze loonsommen leidt tot het volgende beeld:
| 2003 | 2004 | 2005 | vanaf 2006 | |
|---|---|---|---|---|
| HBO | 16,2 | 32,3 | 48,5 | 64,7 |
| WO (excl. academische ziekenhuizen) | 19,6 | 39,2 | 58,8 | 78,4 |
Voor hbo en wo zijn voor de berekening van de taakstelling dezelfde uitgangspunten gehanteerd. Op grond hiervan zie ik geen aanleiding om voor deze korting een verdeelmethodiek toe te passen die leidt tot een andere spreiding van deze taakstelling.
Kan worden toegelicht wat de gevolgen zijn van de efficiencykorting op het hoger onderwijs? Klopt het dat deze korting tot een bezuiniging zal leiden van 8 tot 10% op het budget van hbo-instellingen? Zo neen, waarom niet? Kan worden toegelicht op welke wijze de administratieve lasten moeten worden verlicht? Welke administratieve handelingen zullen verdwijnen om de bezuiniging van 8 tot 10% op te vangen? Klopt de stelling van Fontys-voorzitter Verbraak dat de administratieve last met een orde van grootte van 40% zou moeten afnemen om de totale bezuiniging op te vangen? Zo neen, waarom niet?
De efficiencykorting zal tot gevolg hebben dat hogescholen en universiteiten efficiencymaatregelen zullen moeten nemen om deze taakstelling te realiseren. Dit blijft een taak van de betreffende individuele instelling. Ik ben op dit moment in technisch overleg met de VSNU en de HBO-raad om te bezien op welke wijze de overheid een adequate bijdrage kan leveren aan de invulling van deze taakstelling, daarbij wordt ook bezien welke administratieve lastenverlichting mogelijk is.
Uw veronderstelling dat de korting zal leiden tot een bezuiniging van 8 tot 10% op het budget van de hbo-instellingen is niet juist. De efficiencykorting die is toegepast loopt op tot 4% in 2006 (berekening is toegelicht bij het antwoord op vraag 119).
De heer Verbraak heeft mij geen onderbouwing van zijn uitspraak toegezonden. Een antwoord op deze vraag kan ik dus niet geven.
Klopt het dat in de afgelopen jaren het hbo een bedrag van ongeveer € 60 miljoen aan stimuleringsgelden heeft ontvangen en dat in deze begroting dat bedrag wordt teruggebracht tot circa € 35 miljoen? Kan de regering verzekeren dat bij nieuwe stimuleringsinitiatieven het hbo-budget niet wordt aangesproken voor de financiering van deze initiatieven?
Zowel in 2001 als in 2002 lag het uitgavenkader voor stimuleringsgelden iets boven de € 60 miljoen.
Dat het bedrag voor stimuleringsgelden in deze begroting wordt teruggebracht van ongeveer € 60 miljoen naar € 35 miljoen is niet juist.
Reeds bij de vaststelling van de ontwerpbegroting 2002 bedroeg het budget voor specifieke stimulering in 2006 € 48,6 miljoen.
Verder wordt opgemerkt dat de ontwikkeling van het meerjarenbeeld wordt beïnvloed door stimuleringsactiviteiten die een tijdig karakter hebben. Als voorbeelden hiervan worden genoemd het Convenant lerarenopleidingen vo en bve en AXIS (zie ontwerpbegroting 2003; tabel 6.13 onder «*doelgroepenbeleid»).
Een verzekering dat bij nieuwe stimuleringsinitiatieven het hbo-budget niet wordt aangesproken voor de financiering van deze initiatieven kan niet worden gegeven.
Kan worden aangegeven met welke efficiencymaatregelen en of bezuinigingen het hoger beroepsonderwijs in de afgelopen tien jaar is geconfronteerd? Kan hierbij worden aangegeven om welke bedragen dit gaat?
Onderstaand is een overzicht opgenomen van de financiële gevolgen vanaf 2002 (afgerond op miljoenen euro's) van de taakstellingen voor het hbo vanaf het regeerakkoord 1994.
| 2002 | 2003 | 2004 | 2005 | 2006 | 2007 | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Rijksbegroting 1995 | ||||||
| Bijdrage dekking regeerakkoord | – 18 | – 18 | – 18 | – 18 | – 18 | – 18 |
| Rijksbegroting 1996 | ||||||
| Verlaging rijksbijdrage/verhoging collegegeld1 | – 56 | – 56 | – 56 | – 56 | – 56 | – 56 |
| subsidietaakstelling | – 3 | – 3 | – 3 | – 3 | – 3 | – 3 |
| Rijksbegroting 1997 | ||||||
| Taakstelling kunstvakonderwijs2 | – 11 | – 11 | – 11 | – 11 | – 11 | – 11 |
| Verblijfsduurakkoord3 | – 31 | – 31 | – 31 | – 31 | – 31 | – 31 |
| Overige bezuinigingen | – 1 | – 1 | – 1 | – 1 | – 1 | – 1 |
| Rijksbegroting 1998 | ||||||
| Geen | ||||||
| Rijksbegroting 1999 | ||||||
| Arbeidsproductiviteit4 | – 22 | – 22 | – 22 | – 22 | – 22 | – 22 |
| Budgettering incidenteel5 | – 8 | – 8 | – 8 | – 8 | – 8 | – 8 |
| Indexatie collegegeld1 | – 22 | – 22 | – 22 | – 22 | – 22 | – 22 |
| Rijksbegroting 2000 | ||||||
| Beperking incidenteel5 | – 6 | – 9 | – 9 | – 9 | – 9 | – 9 |
| Korting projectmiddelen | – 4 | – 4 | – 4 | – 4 | – 4 | – 4 |
| Rijksbegroting 2001 | ||||||
| Taakstelling 2e en 3e studies6 | – 5 | – 12 | – 15 | – 15 | – 15 | – 15 |
| Motie kunstvakonderwijs2 | 5 | 5 | 5 | 5 | 5 | 5 |
| Rijksbegroting 2002 | ||||||
| Wachtgelden/incidenteel7 | – 2 | – 3 | – 3 | – 3 | – 3 | – 3 |
| Rijksbegroting 2003 | ||||||
| Budgetflexibiliteit8 | – 1 | – 2 | – 7 | – 9 | – 9 | |
| Efficiencytaakstelling8 | – 16 | – 32 | – 49 | – 65 | – 65 | |
| Taakstelling incident. looncomponent8 | – 2 | – 3 | – 5 | – 6 | – 6 | |
| Taakstelling subsidies8 | – 1 | – 1 | 1 | – 2 | – 2 |
1 De verlaging van de rijksbijdrage is gecompenseerd door een verhoging/indexatie van de collegegelden.
2 Nieuwe maatregelen (i.h.k.v. de lopende herstructurering) gericht op kwaliteitsdifferentiatie en capaciteitsreductie leiden tot oplopende besparingen. De taakstelling is gecorrigeerd in de begroting 2001 (motie).
3 Vermindering rijksbijdrage t.g.v. studiefinanciering. Deze overheveling is het gevolg van afspraken over de verblijfsduur in het hbo die onderdeel uitmaakten van het HOOP 1996.
4 Bij de overheid is – net als in de marktsector – sprake van een jaarlijkse stijging van de arbeidsproductiviteit. Ingevolge het regeerakkoord wordt jaarlijks 0,55% afgeroomd.
5 De vergoeding voor incidentele loonontwikkeling is door het kabinet vastgesteld op 6% (in tegenstelling tot de raming van 8%).
6 Korting op tweede en derde studies in het hoger onderwijs.
7 Taakstelling i.v.m. meevallende wachtgelduitgaven/korting op vergoeding voor incidentele loonuitgaven.
8 Conform ontwerpbegroting 2003.
Kan worden aangegeven met welke efficiencymaatregelen en of bezuinigingen het wetenschappelijk onderwijs in de afgelopen tien jaar is geconfronteerd? Kan worden hierbij aangegeven om welke bedragen dit gaat?
De bezuinigingen en efficiencymaatregelen in het wetenschappelijk onderwijs hebben voornamelijk betrekking gehad op de universiteiten. In de bijgevoegde tabel is aangegeven met welke bezuinigingen en in welke omvang universiteiten vanaf 1993 zijn geconfronteerd. De bedragen luiden in miljoenen guldens.
| 1993 | 1994 | 1995 | 1996 | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2004 | 2005 | 2006 | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Begroting 1993 | ||||||||||||||
| Beperking incidenteel | – 5,8 | – 11,6 | – 11,6 | – 11,6 | – 11,6 | – 11,6 | – 11,6 | 11,6 | – 11,6 | – 11,6 | – 11,6 | – 11,6 | ||
| Beperking ziekteverzuim | – 30,5 | – 45,6 | – 45,6 | – 45,6 | – 45,6 | – 45,6 | – 45,6 | – 45,6 | – 45,6 | – 45,6 | – 45,6 | – 45,6 | – 45,6 | – 45,6 |
| Begroting 1994 | ||||||||||||||
| Efficiencytaakstelling | – 11,0 | – 11,0 | – 11,0 | – 11,0 | – 11,0 | – 11,0 | – 11,0 | – 11,0 | – 11,0 | – 11,0 | – 11,0 | – 11,0 | – 11,0 | |
| Gewijzigd aansprakenregime voor studenten | – 10,0 | |||||||||||||
| Begroting 1995 | ||||||||||||||
| Gewijzigd aansprakenregime voor studenten | – 10,0 | – 34,5 | – 34,5 | – 34,5 | – 34,5 | 34,5 | – 34,5 | – 34,5 | – 34,5 | – 34,5 | – 34,5 | – 34,5 | ||
| Taakstelling budgettaire problematiek | – 20,0 | – 20,0 | – 20,0 | – 20,0 | – 20,0 | 20,0 | – 20,0 | – 20,0 | – 20,0 | – 20,0 | – 20,0 | – 20,0 | ||
| Begroting 1996 | ||||||||||||||
| Bijdrage dekking regeerakkoord | – 18,0 | – 22,0 | – 26,0 | – 26,0 | – 26,0 | 26,0 | – 26,0 | – 26,0 | – 26,0 | – 26,0 | – 26,0 | |||
| Taakstelling HO: efficiencykorting | – 22,1 | – 25,9 | – 20,2 | – 15,4 | – 15,415,4 | – 15,4 | – 15,4 | – 15,4 | – 15,4 | – 15,4 | ||||
| Taakstelling HO: verlaging rijksbijdrage | – 23,4 | – 50,6 | – 77,5 | – 78,2 | 78,2 | – 78,2 | – 78,2 | – 78,2 | – 78,2 | – 78,2 | – 78,2 | |||
| Begroting 1997 | ||||||||||||||
| Stelselwijziging HO | – 50,0 | 100,0 | – 150,0 | – 200,0 | – 200,0 | – 200,0 | ||||||||
| Begroting 1999 | ||||||||||||||
| Regeerakkoord: arbeidsproductiviteit/incidenteel | 14,8 | – 33,2 | – 42,9 | – 49,9 | – 41,3 | – 41,3 | – 41,3 | – 41,3 | ||||||
| Regeerakkoord: indexatie collegegeld | – 6,9 | 13,5 | – 20,2 | – 27,5 | – 27,7 | – 27,7 | – 27,7 | – 27,7 | ||||||
| Begroting 2001 | ||||||||||||||
| Bekostiging 2e en 3e ho-studies | 5,0 | – 13,3 | – 16,7 | – 16,7 | – 16,7 | |||||||||
| Begroting 2002 | ||||||||||||||
| Taakstelling Voorjaarsnota/Kaderbrief | 7,7 | – 8,3 | – 10,1 | – 10,1 | – 10,1 | |||||||||
| Subtotaal in miljoenen guldens | – 30,5 | – 66,6 | – 92,4 | – 186,2 | – 221,2 | – 246,4 | – 264,0 | – 289,0 | 355,4 | – 432,4 | – 482,9 | – 538,1 | – 538,1 | – 538,1 |
| Subtotaal in miljoenen euro's | – 13,8 | – 30,2 | – 41,9 | – 84,5 | – 100,4 | – 111,8 | – 119,8 | – 131,2 | 161,3 | – 196,2 | – 219,1 | – 244,2 | – 244,2 | – 244,2 |
| bedragen in miljoenen euro's | ||||||||||||||
| Begroting 2003 | ||||||||||||||
| Efficiencytaakstelling | – 19,1 | – 38,1 | – 57,2 | – 76,3 | ||||||||||
| Taakstelling incidentele loonontwikkeling | – 2,0 | – 3,9 | – 5,9 | – 7,9 | ||||||||||
| Totaal in miljoenen euro's | – 13,8 | – 30,2 | – 41,9 | – 84,5 | – 100,4 | – 111,8 | – 119,8 | – 131,2 | – 161,3 | – 196,2 | – 240,2 | – 286,3 | – 307,3 | – 328,3 |
Naast de in de tabel opgenomen bezuinigingen zijn de universiteiten geconfronteerd met het niet of gedeeltelijk toekennen van prijscompensaties. In de jaren 1993, 1994 en 2002 zijn daarvoor structureel geen middelen beschikbaar gesteld, in de jaren 1996 en 1998 heeft dit in een beperkte omvang plaatsgehad.
Waarom is in tabel 3 (ombuigingen) het «niet-uitkeren prijsbijstelling 2002» ter grootte van € 81,1 miljoen niet opgenomen, terwijl dit wel wordt genoemd als een ombuiging bij OCW in antwoord op vraag 69a bij de feitelijke vragen van de miljoenennota?
De prijsbijstelling tranche 2002 is voor een kwart uitgedeeld over de departementale begrotingen. De resterende driekwart is niet uitgedeeld. Bij de 1e suppletore begroting van OCenW is aangegeven dat het kabinet voor die sectoren binnen de OCenW begroting waarvoor prijsbijstelling verplicht is, bijstelling zal plegen. In deze context heeft OCenW de maatregel niet als een ombuiging uit het strategisch akkoord gezien.
Hoeveel wordt exact omgebogen op OCW, is dit voor 2006 € 352,1 miljoen of is dit € 352,1 + 81,1 miljoen?
Het bedrag dat wordt omgebogen is voor 2006 € 352,1 miljoen.
De prijsbijstelling tranche 2002 is voor een kwart uitgedeeld over de departementale begrotingen. De resterende driekwart is in niet uitgedeeld. OCW heeft de prijsbijstelling die juridisch verplicht is naar de beleidsterreinen uitgedeeld. Het verschil in de jaren 2003 en verder dient nog in de komende begrotingen te worden opgelost.
Op wat voor posten wordt bezuinigd als gevolg van de «taakstelling subsidies» van € 10,4 miljoen in 2006?
De korting is naar de volgende beleidsartikelen doorvertaald: basisonderwijs, expertisecentra, voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en volwasseneneducatie, hoger beroepsonderwijs, wetenschappelijk onderwijs en onderzoek en wetenschappen. Binnen de stimuleringsuitgaven zal de komende jaren worden bepaald op welke specifieke posten de korting gerealiseerd zal worden.
Bestaat de grond voor het al of niet verlenen van subsidies voor de regering uit het belang van de voor subsidie voorgedragen activiteiten of redeneert de regering bij subsidieverlening vanuit de verantwoordelijkheid van de overheid?
De regering redeneert vanuit de verantwoordelijkheid van de overheid. Dat blijkt ook uit artikel 2 van de Wet overige OCenW-subsidies dat er op neer komt dat subsidieverstrekking altijd moet passen binnen het regeringsbeleid inzake onderwijs, onderzoek en cultuur.
Is de regering ervan op de hoogte dat 70% van de OALT-gelden wordt ingezet voor taalondersteuning? Is het afschaffen van OALT niet in tegenspraak met de prioriteit die moet worden gegeven aan het leren van Nederlands? Zijn er gegevens of onderzoeken die aantonen dat OALT als taalondersteuning geen noemenswaardige bijdrage levert aan het bevorderen van het Nederlandse taalniveau? Kan het budget dat nu wordt ingezet voor taalondersteuning voor dit doel worden behouden?
Ja, de regering is ervan op de hoogte dat ongeveer 70% van het huidige oalt-budget door gemeenten wordt ingezet voor taalondersteuning. Desondanks is het kabinet voornemens de bekostiging van oalt met ingang van 1 augustus 2004 te beëindigen.
Vanuit het integratieperspectief is het kabinet van mening, dat de inzet van alle betrokkenen nodig is om te mobiliseren wat de samenleving bindt, met behoud van pluriformiteit en met respect voor de fundamentele waarden die de Nederlandse samenleving kenmerken. De basis daartoe wordt gevormd door het beheersen van de Nederlandse taal. Vanuit deze gedachte wil het kabinet niet langer middelen beschikbaar stellen voor lessen in allochtone talen (cultuureducatie), noch voor het benutten van de allochtone taal ten behoeve van het leren van het Nederlands (taalondersteuning). Dit voornemen is mede ingegeven door het ontbreken van empirische gegevens die het positieve effect aantonen van eigentaalonderwijs op de beheersing van de Nederlandse taal. De Onderwijsraad schrijft hierover in het advies Samen naar de taalschool (Onderwijsraad, december 2001), dat «wetenschappelijke consensus ontbreekt over de problematiek rond onderwijs in eigen taal en de beste aanpak daarvan». Ook het SCP concludeert in de epiloog van het rapport Taal lokaal: gemeentelijk beleid onderwijs in allochtone levende talen» (SCP, Juni 2002), dat «harde empirische bewijzen dat stimulering van de eigen taal een positief effect heeft op de tweede taalverwerving ontbreken».
Ten tweede is de uitvoering van de huidige OALT-wet, sinds de inwerkingtreding in 1998, problematisch gebleken, mede als gevolg van de dubbele doelstelling (cultuureducatie én taalondersteuning) van de wet.
De verwerving van de Nederlandse taal heeft echter een centrale plaats gekregen in het onderwijsachterstandenbeleid. In de afgelopen jaren zijn goede randvoorwaarden gecreëerd om de beheersing van het Nederlands te bevorderen. Onder andere voor voor- en vroegschoolse educatie en onderwijskansen zijn veel extra middelen beschikbaar gekomen. In het landelijk beleidskader 2002–2006 is de ambitie neergelegd om taalachterstanden van gewichtenleerlingen in vier jaar met 25% terug te dringen. De beëindiging van de bekostiging van oalt en daarmee het opheffen de dubbele doelstelling zorgen ervoor dat gemeenten, in het kader van hun goa-beleid, één geldstroom ontvangen die effectief voor taalbeleid kan worden ingezet.
Waarop is de daling in de bekostiging van de opvang van asielzoekers gebaseerd? Is deze gerelateerd aan de prognoses voor de instroom van asielzoekers van het ministerie van Justitie? Zo ja, hoe?
Ja, de prognoses voor de instroom van asielzoekers die zijn gehanteerd zijn dezelfde als die van het ministerie van Justitie van de Voorjaarsnota 2002. In de raming is rekening gehouden met een afname van de instroom en daarmee ook een afname van de voorraad.
Van de instroom van asielzoekers (inclusief alleenstaande minderjarige asielzoekers) valt 30% binnen de leerplichtige leeftijd; per instromende leerplichtige asielzoeker wordt een bedrag van € 4 625 aan de begroting van OCenW toegevoegd.
Kan de regering nadere uitleg geven waarom de leerling- en studentenaantallen als gevolg van nieuwe telgegevens stijgen?
Voor de begroting wordt jaarlijks een nieuwe leerlingen- en studentenraming (Referentieraming) gemaakt. Nu leverden de tellingen van het studiejaar 2001/2002 zowel bij het middelbaar beroepsonderwijs als bij het hoger onderwijs circa 10 000 meer studenten op dan was geraamd ten behoeve van de vorige begroting. Een hogere telling dan vorig jaar was verwacht betekent ook een verhoging van de nieuwe raming ten opzichte van de voorgaande raming. Het verschil tussen de nieuwe raming en de voorgaande raming loopt in de prognosejaren tot 2006 op tot circa 25 000 meer deelnemers in het middelbaar beroepsonderwijs en eveneens circa 25 000 meer studenten in het hoger onderwijs. Deze oploop in ramingsverschillen komt voort uit het feit dat stijging van de eerstejaars in het mbo en het hbo met vertraging ook doorwerkt in de hogerejaars.
Zijn de financiële middelen die de stichting Kennisnet ter beschikking staan inmiddels voldoende om aan haar doelstellingen te kunnen voldoen? Geldt dit voor de langere termijn? Over welk budget kan zij in totaal beschikken?
Het genoemde bedrag van € 55 miljoen heeft geen betrekking op de stichting Kennisnet, maar is bedoeld voor extra middelen voor de dekking van het contract met nl.tree in 2003. De stichting Kennisnet heeft voor 2002 een subsidie ontvangen van € 19,2 miljoen. Voor de jaren 2003 tot en met 2005 is € 18,6 miljoen gereserveerd. Hiermee is de stichting in staat aan haar doelstellingen op het gebied van het ontsluiten van informatie, het aanbieden van diensten en het koppelen van content, diensten en infrastructuur, te voldoen zodat tegemoet kan worden gekomen aan de vragen van het onderwijsveld.
Wordt met de € 55 miljoen aan extra middelen voor Kennisnet niet slechts een beperkt deel van de onderwijsinstellingen bediend? Waarom zijn andere initiatieven als Kennislink niet betrokken in het onderstrepen van het belang van ict in het onderwijs, temeer daar Kennislink aanvullend is ten aanzien van Kennisnet, aangezien het een grote waarde aan betrouwbare, actuele en voor middelbare scholieren toegankelijke content biedt (n.b. een erkend probleem voor Kennisnet)? Is de Minister van plan haar stimuleringsbeleid te verbreden?
De € 55 miljoen extra middelen worden gebruikt voor het continueren van de kennisnetverbinding voor de onderwijssectoren primair- en voortgezet onderwijs en het beroepsonderwijs en volwasseneneducatie om ict meer als onderwijsmiddel in het onderwijs te integreren. Kennislink is een specifiek terrein op het gebied van onderzoek en wetenschapsbeleid. Wanneer Kennislink betrouwbare, actuele en voor scholieren toegankelijke content aanbiedt kan dit aanbod naar de scholen via Kennisnet worden uitgebreid.
Hoe kijkt de regering tegen een de vorm van synergie aan die een groot aantal kennisinstellingen en onderwijsorganisaties proberen te bereiken door het ontwikkelen van digitale leeromgevingen ter ondersteuning van nieuwe inzichten op het gebied van zelfstandig, actief en tijdig leren, waarvoor Kennislink, inclusief haar netwerk van kennispartners, een betrouwbare kennisbron biedt?
De regering juicht de ontwikkeling van digitale leeromgevingen toe en waardeert het als positief indien daarbij een vorm van synergie tussen kennisinstellingen en onderwijsorganisaties wordt bereikt. Met betrekking tot kennislink: zie het antwoord op vraag 134.
Als in de begroting wordt aangegeven dat ict een bijdrage moet leveren aan de verbetering en vernieuwing van het onderwijs, welke rol kan Kennislink in dat verband spelen? Wordt met het aflopen van de subsidiegelden (overbruggingskrediet voor 2002–2003, exploitatiegarantie voor daarna)voor Kennislink deze doelstelling juist niet ondermijnd als het gaat om de integratie van ict in het middelbaar onderwijs?
Kennislink is door de stichting Weten ontwikkeld op basis van een subsidie uit het NAP. Van stond af aan is daarbij duidelijk gestipuleerd dat het alleen ging om een ontwikkelingssubsidie en dat in de exploitatie op een andere wijze moest worden voorzien. Thans is aangeboden nog eenmaal een overbruggingskrediet toe te kennen vanuit het NAP, op voorwaarde dat de exploitatie daarna gegarandeerd is. Het is Weten evenwel niet gelukt om in het voortgezet onderwijs of elders voldoende betalende klanten te vinden om de exploitatie voort te zetten. Een structurele kostendekkende subsidie van de overheid is niet mogelijk omdat de overheid niet de kosten van de productie van leermiddelen vergoedt. Kennislink behoort tot deze categorie.
De regering is overigens van oordeel dat de doelstelling dat ict een bijdrage levert aan de verbetering en vernieuwing van het onderwijs, heel goed te realiseren valt zonder Kennislink.
Wat is de relatie tussen het afschaffen van de regeling bestuurlijke krachtenbundeling en de introductie van de lumpsumfinanciering? Wordt de lumpsum met het budget voor de regeling bestuurlijke krachtenbundeling verhoogd?
De regeling bestuurlijke krachtenbundeling heeft als doel om de management- en bestuurskracht in de scholen te versterken. Deze regeling loopt door tot 1 augustus 2004. Hiermee wordt een belangrijke basis gelegd voor invoering van de lumpsumbekostiging in 2005. Het is aan een volgend kabinet om te bezien hoeveel middelen na 1 augustus 2004 nodig zijn.
Blijft het bedrag dat wordt bezuinigd op de post bestuurlijke krachtenbundeling beschikbaar voor bestuurskosten in het primair onderwijs? Zijn er plannen om de negatieve gevolgen te compenseren van het besluit om bestuurlijke krachtenbundeling te schrappen voor bestaande samenwerkingsverbanden en zelfstandige rechtspersonen die een gedeelte van hun organisatiekosten uit dit bedrag dekken? Op welke manier denkt de regering tegemoet te komen aan dit probleem en welke budgetten zijn hiervoor beschikbaar?
Zie het antwoord op vraag 135.
Te zijner tijd wordt bij de voorstellen voor de invoering van lumpsumbekostiging op dit aspect ingegaan.
Wat wordt precies bedoeld met de Uitvoeringsorganisaties «onderwijs», «cultuur» en «wetenschappelijk»?
Hier wordt verwezen naar de niet-beleidsartikelen 21, 22 en 23 in de begroting. De uitvoeringsorganisaties onderwijs en wetenschappen zorgen ervoor dat scholen, instellingen, leerlingen en studenten het geld krijgen waarop zij recht hebben. Voorbeelden zijn de Centrale Financiën Instellingen (CFI) en de Informatie Beheer Groep. De uitvoeringorganisaties cultuur voeren een specifieke, wettelijke taak uit op het beleidsterrein cultuur. Te noemen zijn de Rijksarchiefdienst (RAD) en de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek.
Meer informatie over de uitvoeringsorganisaties is te vinden in de toelichtingen bij de bovenvermelde artikelen op pag. 337 t/m pag. 346, en de begrotingen van de baten lastendiensten CFI en RAD op pag. 354 t/m pag. 371.
Wat is het voornemen van de regering met betrekking tot het wetsvoorstel dat de verlaging van de leerplichtige leeftijd van vijf naar vier jaar regelt?
Het kabinet heeft het voornemen het wetsvoorstel verlaging enige leeftijdsgrenzen waaronder leerplicht in te trekken. Invoering van een leerplicht van 4-jarigen beknot de vrijheid van ouders en verzorgers om te beslissen over de schoolgang van hun kinderen. Dat strookt niet met het strategisch akkoord van de huidige regeringspartijen, dat juist meer ruimte voor scholen voorstaat, de verantwoordelijkheid van ouders en leerlingen benadrukt en administratieve lasten waar mogelijk wil beperken. Daarnaast zouden scholen worden opgezadeld met extra administratieve lasten, terwijl de effectiviteit beperkt is. Daarbij komt dat binnen het goa m.b.v. de VVE maatwerk geleverd kan worden.
Heeft de leerplichtmonitor die vanaf 1994 wordt gehanteerd, alleen betrekking op de leerlingen die bij geen enkele onderwijsinstelling als leerling ingeschreven staan, of maakt deze ook inzichtelijk hoeveel leerlingen geen onderwijs volgen ondanks het feit dat ze formeel ingeschreven staan bij een van de onderwijsinstellingen?
De leerplichtmonitor met gemeentelijke gegevens zal een beeld geven van het aantal leerlingen dat (nog) geen onderwijs volgt. Dit betreft dan zowel de ingeschreven leerlingen die verzuimen/thuis zitten als de niet ingeschreven leerlingen.
Kan worden aangeven hoeveel gemeenten er beschikken over een eigen monitor rond het gemeentelijke onderwijs achterstandenbeleid? Zo ja, wat is de indruk over de uitkomsten van beschikbare monitors?
Gemeenten die over een eigen gemeentelijk onderwijs achterstandenbeleid (goa) monitor beschikken en deze ook uitvoeren, rapporteren dit vooralsnog niet aan OCenW. Van een aantal gemeenten is wel bekend dat zij over een dergelijke monitor beschikken, onder andere de G4. De monitor verschilt onderling in deze steden. De goa (kern)monitor is nog in ontwikkeling.
Is het ministerie van OCW op enigerlei wijze betrokken bij de realisatie van de multiculturele educatieve serie «Circus Kiekeboe», die de NPS sinds kort uitzendt en die gericht is op de taalverwerving in de voorschoolse fase? Zo ja, hoe wordt de serie geëvalueerd en is er een voortzetting voorzien? Zo neen, hoe wordt de serie gewaardeerd en bestaan er plannen om een verdere ontwikkeling van deze serie mede mogelijk te maken? Zo neen, waarom niet?
De ontwikkeling van educatieve en schooltelevisieprogramma's is een verantwoordelijkheid van de omroepen en van onafhankelijke audiovisuele producenten. Scholen en andere onderwijsinstellingen kunnen als zij willen hun waardering uitspreken over televisieprogramma's.
De minister van onderwijs noch de staatssecretaris cultuur heeft rechtstreekse betrokkenheid bij of verantwoordelijkheid voor de inhoud van educatieve programma's.
Het betreffende programma heeft wel een eenmalige startsubsidie ontvangen van de Stichting Lezen. Ook de Nederlandse Taalunie werkt er aan mee. Het is aan hen om te beslissen over betrokkenheid bij een eventueel vervolg van de serie.
Waarom is de doelstelling m.b.t. het «verbeteren van de startpositie in het onderwijs d.m.v. het realiseren van deelname aan voor- en vroegschoolse educatie (vve)» gesteld op «tenminste 50%» van de doelgroep? Waarom niet tenminste 75 of 100%? Op welke veronderstellingen, wensen en/of verwachtingen is dit streefpercentage gebaseerd? En geldt dit streefpercentage voor het jaar 2006 of moet dit al eerder behaald zijn? Waarom blijft het oploopbudget achterwege?
In overleg met de gemeenten is besproken dat een hoger percentage dan 50% te ambitieus zou zijn gelet op de forse inspanning die door gemeenten moet worden verricht om een groot aantal kinderen te bereiken. Bovendien zijn de extra middelen die aan het goa-budget voor voor- en vroegschoolse educatie zijn toegekend gebaseerd op 50% van de doelgroep. Deze doelstelling moet per 1 augustus 2006 zijn gehaald. Demiddelen voor het gemeentelijk onderwijs achterstandenbeleid worden voor een periode van vier jaar toegekend.
Kan een geactualiseerd totaaloverzicht van de uitgaven voor het onderwijsachterstandenbeleid worden gegeven?
Zie bladzijde 50 van de ontwerpbegroting 2003, tabel 1.3. Aanvullend kan nog worden opgemerkt dat in deze tabel niet begrepen zijn de goa/cumi-middelen van het beleidsartikel voortgezet onderwijs onderdeel «personele uitgaven». Voor het gemeentelijk onderwijs achterstandenbeleid gaat het vanaf 2003 om een bedrag € 14 miljoen en voor culturele minderheden voor 2003 een bedrag van € 80 miljoen en vanaf 2004 € 90 miljoen.
Klopt het dat wordt gedacht over een totstandbrenging en uitbreiding van het aanbod gestructureerde vve-programma's? Momenteel worden er drie programma's gebruikt:. Is het de bedoeling dat er nieuwe programma's komen in de plaats van huidige programma's Pyramide, Kaleidoscoop en Startblokken, of komen er programma's bij? Is er enige gedachtevorming over de (on)wenselijkheid van een uitgebreid of juist beperkt aanbod aan vve-programma's?
Het is mij niet bekend of marktpartijen het initiatief nemen voor de ontwikkeling van een nieuw vve-programma.
Het ministerie van OCenW zal niet het initiatief nemen voor de ontwikkeling van nieuwe vve-programma's omdat er een voldoende kwalitatief aanbod aan vve-programma's ligt waar voorschoolse instellingen, scholen en gemeenten een keuze uit kunnen maken.
De ontwikkeling van educatieve programma's of de inhoud van het onderwijs is een eerste verantwoordelijkheid van de markt (vraag en aanbod partijen).
Hoe wordt de bevordering van de deskundigheid van medewerkers van kinderopvangvoorzieningen, peuterspeelzalen en de onderbouw van het basisonderwijs vormgegeven, gericht op het uitvoeren van effectieve vve-programma's? In hoeverre en op welke wijze wordt er zowel in de opleiding als in de huidige praktijk aandacht aan besteed?
Gemeenten hebben tot 1 augustus 2002 middelen ontvangen op basis van de vve-regeling van oktober 2000 en de aanvullende vve-regeling van juli 2001 voor het proces van voorbereiding, implementatie en uitvoering van vve-programma's. Gemeenten hebben hierin een belangrijke rol. De deskundigheidsbevordering van peuterleidsters en onderbouwleerkrachten maken deel uit van dit proces, waar overigens het ministerie van VWS verantwoordelijk is voor de deskundigheid en professionalisering van de medewerkers van de voorschoolse instellingen. Daarnaast zijn medewerkers van onderwijsbegeleidingsdiensten en welzijnsinstellingen geschoold om trainingen te verzorgen voor het personeel van voor- en vroegschoolse voorzieningen.
In de lerarenopleiding basisonderwijs is de aandacht voor het jonge kind met achterstanden, onderdeel van het reguliere curriculum. In de startbekwaamheidseisen leraren basisonderwijs staan eisen opgenomen die betrekking hebben op het om kunnen gaan met jonge kinderen met achterstanden.
Kan in relatie tot de gegevens over inzet van gewichtengelden in het basisonderwijs voor onder meer klassenverkleining ook informatie worden gegeven over hoe scholen voor voortgezet onderwijs de middelen uit de «cumi-regeling» inzetten en hoe het effect van deze regeling wordt gemeten?
De scholen voor voortgezet onderwijs krijgen de cumi-middelen als aanvullende bekostiging in de lumpsum. Dit houdt in dat scholen vrij zijn deze te besteden. Er is geen breed onderzoek beschikbaar naar de invulling van de middelen. Wel is van diverse scholen bekend dat de middelen met name ingezet worden ten behoeve van intensieve begeleiding van nieuwkomers om ze Nederlands te leren en te integreren in het onderwijssysteem van het voortgezet onderwijs. Zo wordt bijvoorbeeld ingezet op eerste opvang in kleine klassen, lessen NT2 per niveau in kleine groepjes, aparte decaan/mentoren voor begeleiding, huiswerkbegeleiding en sociaal werkers voor opvang van specifieke problemen.
Gaat de regering het advies van de Onderwijsraad opvolgen om een nieuwe NT2-regeling (Nederlands als tweede taal) te introduceren?
In relatie tot de begintoets die het kabinet voornemens is in te voeren in het basisonderwijs, wordt onderzocht welke mogelijkheden er zijn die toets te benutten voor de verdeling van de middelen voor de bestrijding van onderwijsachterstanden. Bij het vaststellen van een beleidsstandpunt rond herijking van de gewichtenregeling zullen de elementen opleidingsniveau van ouders als (taal)toetsen, betrokken worden. Of dit resulteert in het overnemen van het advies van de Onderwijsraad om tot een nieuwe NT2-regeling te komen, zal in samenhang worden bezien. Het kabinet kiest er voor eerst de mogelijkheden van de begintoets (zoals bedoeld in het strategisch akkoord) te onderzoeken, alvorens tot definitieve keuzes te komen over een herziening van de gewichtenregeling.
Gaat de regering het advies van de Onderwijsraad opvolgen om de mate van taalachterstand te meten d.m.v. taaltoetsen?
Het kabinet onderzoekt momenteel welke mogelijkheden er zijn om (naast het criterium «opleidingsniveau van ouders»), bij de verdeling van de middelen voor de bestrijding van onderwijsachterstanden, de uitkomsten van (begin)toetsen te betrekken.
Is het mogelijk de gegevens uit onderzoek door de inspectie en de Prima-cohortgegevens met betrekking tot de constatering dat de achterstanden van 0.90-leerlingen bij taal worden ingelopen, uit te splitsen naar lezen, spreken en schrijven? Hoe staat het met het inlopen van de achterstanden op het gebied van rekenkundige vaardigheden?
De Prima-taaltoets die in groep 4, 6 en 8 wordt afgenomen, is een algemene taalvaardigheidstoets en staat geen uitsplitsing naar deelvaardigheden toe. Bovendien worden vaardigheden als spreken, luisteren en technisch lezen in Prima niet getoetst. Wel wordt in groep 6 en 8 een aparte toets voor begrijpend lezen afgenomen.
De afgenomen 10 tot 12 jaar lopen de allochtone leerlingen hun rekenachterstand in. Turkse, Marokkaanse en Surinaamse leerlingen hebben in groep 8 minder dan een half jaar achterstand op autochtone leerlingen.
Verwacht de regering dat na het schrappen van OALT er nog steeds sprake zal zijn van een inlopen van de onderwijsachterstanden op het gebied van taal, zoals in het Prima-cohortonderzoek werd geconstateerd?
In de afgelopen jaren zijn goede randvoorwaarden gecreëerd om de beheersing van de Nederlandse taal te bevorderen. De taakstelling vormt één van de pijlers van het Landelijk Beleidskader 2002–2006 (gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid). Ook de doelstelling met betrekking tot voor- en vroegschoolse educatie is mede gericht op het aanleren van de Nederlandse taal door jonge risico-leerlingen. Daarom verwacht ik dat ook na het schrappen van oalt de onderwijsachterstanden op het terrein van taal worden ingelopen.
In hoeverre is de regering voornemens om de regelgeving ten aanzien van de leerlinggebonden financiering een vervolg te geven, nu de minister in de richting van het onderwijsveld heeft aangegeven dat zij niet voornemens is om na de inwerkingtreding van de nu bij de Eerste Kamer voorliggende regeling leerlinggebonden financiering met nieuwe voorstellen betreffende de bestuurlijke vormgeving van regionale expertisecentra te komen?
In de memorie van toelichting bij de begroting is gemeld dat het kabinet streeft naar invoering van het wetsvoorstel leerlinggebonden financiering per 01-08-2003. Vervolgens is het van belang dat de werking van de nieuwe wetgeving in de praktijk vanaf begin af aan goed wordt geëvalueerd. Ik acht het ongewenst om direct na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel en vooruitlopend op de evaluatie-uitkomsten alweer met nieuwe voorstellen te komen over de bestuurlijke vormgeving van regionale expertisecentra. Op basis van de evaluatie-uitkomsten zal blijken of en op welke punten verbeteringen en aanpassingen binnen het nieuwe wettelijke kader gewenst zijn.
Voorkomt de controle door de Landelijke commissie toezicht indicatiestelling (LCTI) op afdoende wijze dat Commissies voor de Indicatiestelling (CvI's) vanwege de financiering onnodige indicatiestellingen afgeven?
De werkwijze van de Landelijke commissie toezicht indicatiestelling (LCTI) wordt zodanig vormgegeven dat de LCTI toezicht houdt op het volgens wet- en regelgeving voorgeschreven gebruik van de vastgestelde criteria voor de bepaling van de toelaatbaarheid tot het (voortgezet) speciaal onderwijs of de leerlinggebonden financiering.
Op de indicatiestelling wordt dus streng toezicht gehouden. Het toezicht heeft als doel te zorgen dat leerlingen die extra zorg behoeven deze zorg ook krijgen. De criteria zijn hierop gericht.
Op blz. 54 en 55 wordt gesproken over respectievelijk een evaluatie «wetgeving leerlinggebonden financiering» en een evaluatie «in het kader van de eerste fase wetgeving leerlinggebonden financiering». Wanneer vindt de eerste evaluatie van beide plaats ?
Het kabinet streeft naar invoering van het wetsvoorstel leerlinggebonden financiering per 01-08-2003. In het schooljaar 2003/2004 zal voor het eerst ervaring kunnen worden opgedaan met de nieuwe wettelijke regeling. Zoals ook toegezegd aan de Tweede Kamer zal een zorgvuldige monitoring en evaluatie plaatsvinden van de nieuwe wetgeving. Deze evaluatie richt zich met name op het stelsel van indicatiestelling, de integratie van leerlingen met een handicap in het regulier onderwijs en het functioneren van de regionale expertisecentra. Eind 2004 is het mogelijk de ervaringen in het eerste schooljaar te evalueren.
De resultaten van deze evaluatie zullen in samenhang worden gebracht met de evaluatie van het wsns-beleid die gelijktijdig plaatsvindt.
Als het aantal leerlingen in het speciaal basisonderwijs is gedaald van 3,7% in 1994 naar 3,2% in 2001, wat is dan het landelijk deelnamepercentage in beide jaren voorafgaand aan de regelgeving inzake speciaal basisonderwijs en de voorlopers daarvan?
De onderlinge verhouding van het basisonderwijs, speciaal basisonderwijs en het speciaal onderwijs in de genoemde jaren zijn als volgt:
| 1994 | 2001 | |
|---|---|---|
| Basisonderwijs | 94,8% | 94,9% |
| Speciaal basisonderwijs | 3,7% | 3,2% |
| Speciaal onderwijs | 1,5% | 1,9% |
Het voortgezet speciaal onderwijs is hier buiten beschouwing gelaten omdat dit een andere leeftijdscategorie betreft.
Wordt de klassenverkleining zoals ingevoerd in het basisonderwijs ook doorgevoerd in het speciaal basisonderwijs en de REC-scholen (Regionale expertisecentra)?
Nee, de groepsverkleining geldt alleen voor het reguliere basisonderwijs.
Wel zijn er voor onderdelen van het speciaal onderwijs extra middelen beschikbaar gesteld voor klassenassistenten.
Op welke aantallen leerplichtige asielzoekers in de periode 2003–2007 zijn de budgetten in tabel 1.9 gebaseerd?
Het aantal leerplichtige asielzoekers waarop de budgetten zijn gebaseerd bedraagt 2900 leerlingen. Dit zijn de leerlingen die voor eerste opvang onderwijs in het primair onderwijs in aanmerking komen. Dit aantal is als volgt tot stand gekomen: 30% van de instroomprognose van asielzoekers (inclusief ama's) van het ministerie van Justitie, zoals die bij de Voorjaarsnota 2002 is gehanteerd, valt onder de leerplichtige leeftijd. Ongeveer een derde deel hiervan neemt deel aan het primair onderwijs.
Welk deel van de beschikbare middelen, genoemd in tabel 1.10, gaat op aan de overheadkosten van de Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland?
Aan overheadkosten wordt € 0,1 miljoen besteed.
Waarom is het streefbeeld met betrekking tot het aantreffen van de kwaliteitskenmerken voor goed basisonderwijs op alle scholen nog niet vertaald in een streefwaarde? Wanneer is die streefwaarde wel gedefinieerd?
De inspectie hanteert een groot aantal indicatoren voor de kwaliteit van het onderwijs op de scholen. In het algemeen streeft het kabinet naar verhoging van het aantal scholen dat op elk van de indicatoren voldoende scoort.
Heeft de regering kennisgenomen van het advies van het Platform Media Educatie aan de Commissie Wijnen? Zo ja, op welke wijze is hier in de nieuwe kerndoelen rekening mee gehouden? Is het mogelijk met een aparte notitie te komen over de integratie van media-educatie in het onderwijs curriculum en de opname van media-educatie in de kerndoelen?
Ja. Het advies van het Platform Media Educatie is mij bekend. In de afgelopen maanden is een groot aantal reacties binnengekomen op het advies van de Commissie kerndoelen basisonderwijs. De reacties vragen om zorgvuldige afweging. Daarbij is duidelijk dat er een spanningsveld bestaat tussen enerzijds het creëren van vrije ruimte voor scholen voor het maken van eigen inhoudelijke keuzes en anderzijds het honoreren van verzoeken tot aanvullingen op de huidige kerndoelen. De Tweede Kamer heeft nog een reactie tegoed op het advies van de Commissie kerndoelen basisonderwijs.
Daarbij is een samenhangend oordeel aan de orde over alle leergebieden.
Een afzonderlijke notitie over media-educatie zou afbreuk doen aan de integrale afweging die over de kerndoelen gemaakt moet worden.
Kan de regering aangeven welke effecten worden verwacht m.b.t. meer handen in de klas nu er zo fors in het aantal ID-banen wordt geschrapt?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op de vragen 41, 42 en 43.
Worden de beide doelstellingen die de wet OALT op dit moment heeft, te weten cultuureducatie en taalondersteuning, per 1 augustus 2004 afgeschaft? Is de minister genegen de doelstelling taalondersteuning ook na 1 augustus 2004 te financieren?
Ja, het kabinet is voornemens de bekostiging van oalt met ingang van 1 augustus 2004 te beëindigen en dus voor de beide doelstellingen met ingang van genoemde datum niet langer middelen beschikbaar te stellen. Ook de doelstelling taalondersteuning zal met ingang van 1 augustus 2004 niet langer uit oalt-middelen gefinancierd kunnen worden (zie verder het antwoord op vraag 128).
Is er geld gereserveerd voor de invoering voor verplicht schoolzwemmen? Zo ja, hoeveel is dat dan? Zo neen, waarom niet?
Door het vorige kabinet is er niet voor gekozen om het schoolzwemmen verplicht te stellen. In antwoord op vragen van de kamerleden Atsma en de Vries (via een brief met kenmerk PO/KB-02–35 996, d.d 27 september 2002) heb ik dit beleid bevestigd.
Wel is er meerjarig een reeks van € 4,5 miljoen binnen mijn begroting gereserveerd voor specifiek beleid op dit punt. Hiermee kunnen, om te beginnen, de 36 gemeenten die deelnemen aan de uitvoering van het plan van aanpak zwemvaardigheid aanvullingen treffen op hun reguliere beleid om zo de zwemvaardigheid bij 4- tot 12-jarigen te bevorderen.
Op welke gegevens is de bewering gebaseerd dat «het percentage kinderen dat de basisschool verlaat met een zwemdiploma in de deelnemende gemeenten in 2004 zal zijn gestegen tot 95%»?
In het algemeen gaan gemeenten de aan hen ter beschikking gestelde budgetten voor verbetering van de zwemvaardigheid specifiek inzetten voor kinderen die na het reguliere schoolzwemmen nog onvoldoende zwemvaardig zijn. Gemiddeld betreft dit zo'n 15% van de kinderen. Concreet streefdoel is dat ongeveer twee derde van de kinderen die via het reguliere schoolzwemmen al enige watergewenning hebben opgedaan, via de specifieke maatregelen alsnog een zwemdiploma zullen behalen.
Hoeveel van de middelen van het Vervangingsfonds en het Participatiefonds zijn in 2001 besteed?
Het Participatiefonds heeft in 2001 een exploitatieoverschot van € 26,8 miljoen Hiervan is € 22,7 miljoen teruggegeven aan het de scholen voor primair onderwijs (€ 3,6 miljoen) en voortgezet onderwijs (€ 19,1 miljoen). Het Vervangingsfonds behaalde in 2001 een overschot van € 52,5 miljoen, met name door minder vervangingskosten en door extra ontvangsten WAO-gelden. Dit overschot is toegevoegd aan de reserve.
Aan schoolbudgetten is in 2001 € 113,3 miljoen aan de scholen ter beschikking gesteld. Voor een nadere toelichting wordt kortheidshalve verwezen naar Kamerstuk vergaderjaar 2001–2002 nummer 28 380 nr. 16.
In de aanvraag vaststelling rijksvergoeding 2002 is opgenomen een informatieformulier schoolbudget, waarin door de scholen wordt aangegeven op welke wijze de besteding schoolbudget heeft plaatsgevonden. Aangezien de vaststelling van de rijksvergoeding plaatsvindt in november 2002 kan op dit moment nog geen totaalbeeld worden gepresenteerd.
Over het schooljaar 2000–2001 heeft overigens een monitoring plaatsgevonden, waaruit naar voren is gekomen dat de meeste scholen het schoolbudget hebben benut.
Waarop is de streefwaarde gebaseerd voor zij-instromers in het primair onderwijs van 400 personen per jaar tot en met 2007? Is deze streefwaarde niet erg laag ten opzichte van het aantal benodigde docenten in de komende jaren?
De streefwaarde van 400 zij-instromers per jaar in het primair onderwijs tot en met 2007 is gebaseerd op de verwachte realisatie van het aantal aangestelde zij-instromers in de genoemde jaren. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat de zij-instromer in de school een nieuw begrip is, waardoor met name in de eerste jaren het aantal aanstellingen relatief laag is geweest. In 2002 zal naar alle waarschijnlijkheid voor het eerst het aantal aanstellingen van 400 gehaald worden.
De streefwaarde is inderdaad relatief laag ten opzichte van het aantal benodigde leraren de komende jaren. Het aanstellen van zij-instromers is echter maar één van de mogelijkheden voor scholen om het probleem op de onderwijsarbeidsmarkt op te lossen. De aanpak van het tekort aan onderwijspersoneel vereist het combineren van alle mogelijke oplossingen, waarbij met name ook functiedifferentiatie belangrijk is. De ervaring leert dat schoolbesturen die een samenhangend pakket aan maatregelen nemen om hun integraal personeelsbeleid vorm te geven, er het best in slagen om de krappe arbeidsmarkt het hoofd te bieden.
Hoe lang blijft de beperking van kracht dat het schoolbudget vooralsnog uitsluitend mag worden besteed aan personele doeleinden? Zijn er ook scholen die dit schoolbudget aan niet toegestane zaken besteden?
De besteding van personele vergoedingen uitsluitend aan personele doeleinden is bepaald in artikel 149 van de Wet op het primair onderwijs (WPO). De mogelijke wijziging van bestedingsvoorschriften in de bekostiging wordt nader overwogen bij de invoering van lumpsumbekostiging.
Op dit moment is nog niet duidelijk of er scholen zijn die het schoolbudget aan niet toegestane zaken besteden. De aanvragen rijksvergoeding over 2001 zijn ontvangen, maar nog niet afgehandeld. De besteding van het schoolbudget moet apart verantwoord worden. Onrechtmatige bestedingen zullen moeten blijken uit opmerkingen van de externe accountant. In november 2002 worden de eerste afrekenbeschikkingen verzonden. Na afhandeling van de aanvragen rijksvergoeding kan aangegeven worden of en hoeveel scholen er zijn die het schoolbudget aan niet toegestane zaken besteden. Op dit moment zijn er geen aanwijzingen dat hiervan sprake is.
Is de regering van mening dat het schoolbudget toereikend is?
Het schoolbudget is een belangrijke stap op weg naar meer bestedingsvrijheid voor de scholen. Mede door de extra investeringen in het schoolbudget per 1 augustus 2001 is er op totaalniveau meer geld voor de scholen beschikbaar dan voorheen via aparte budgetten ter beschikking werd gesteld. Het schoolbudget is naar mijn mening in het algemeen toereikend.
De essentie van het schoolbudget is dat scholen een grote mate van vrijheid hebben in de besteding van dit budget. Uiteraard is het in bepaalde gevallen mogelijk dat het wensenpakket van de scholen de beschikbare middelen overtreft. Scholen moeten dan keuzes maken, prioriteiten stellen.
Wat zijn de gevolgen voor de lumpsumfinanciering als het schoolbudget niet toereikend is?
Zie ook het antwoord op vraag 200. Op dit moment zijn er geen aanwijzingen dat het schoolbudget niet toereikend zou zijn. Het schoolbudget gaat op in de lumpsumfinanciering voor het primair onderwijs. Uitgangspunt bij de invoering van lumpsumfinanciering is dat het primair onderwijs voldoende bekostigd wordt. Randvoorwaarden daarbij zijn dat, gegeven het lumpsumbedrag, scholen eigenstandige keuzes maken rond de aanwending van beschikbaar gestelde middelen en daartoe een adequaat financieel beheer voeren.
Aan wie wordt het bedrag van € 13,6 miljoen extra voor onderwijshuisvesting (later structureel € 68 miljoen) uit het zogenaamde accres uitgekeerd?
Het budget voor de onderwijshuisvesting (inclusief de naar € 68 miljoen oplopende reeks van het accres) wordt via het gemeentefonds uitgekeerd aan de gemeenten. Dit gebeurt aan de hand van de daarvoor gebruikelijke maatstaven voor onderwijshuisvesting in het gemeentefonds.
Hoe beschouwt de regering de regeling bestuurlijke krachtenregeling (bkb) in het licht van de afspraken die zijn vastgelegd in het strategisch akkoord, zoals de afspraak «fusies en de vorming van steeds grotere scholen worden afgeremd»? Is de regering voornemens om in 2004 en later nog middelen voor de bkb-regeling beschikbaar te stellen?
De regeling bestuurlijke krachtenbundeling is gericht op de versterking van de managements- en bestuurskracht in scholen. De regeling heeft niet geleid tot de vorming van grotere scholen. Dat was ook niet de bedoeling van de regeling. De regeling eindigt per 1 augustus 2004.
Wat zijn de uitkomsten van het onderzoek naar de financiële gevolgen van de invoering van de stelselwijziging van de schoolbegeleidingsdiensten, waarvoor in het kader van de formulering van randvoorwaarden binnen de begroting van OCW geld beschikbaar is gesteld? Hoe wordt omgegaan met de uitkomsten van dit onderzoek?
Er zijn onder verantwoordelijkheid van Edventure, de brancheorganisatie van de schoolbegeleidingsdiensten, 3 deelonderzoeken uitgevoerd naar de gevolgen van de stelselwijziging voor de kwaliteitseisen die gesteld moeten worden aan schoolbegeleidingsdiensten en producten van schoolbegeleidingsdiensten, naar de kosten van marktconforme arbeidsvoorwaarden en naar de risico's van de stelselwijziging.
Uitgaande van een aantal vooronderstellingen, zijn de berekende financiële consequenties aanzienlijk; deze kunnen echter niet zonder meer worden opgeteld. Edventure gebruikt het onderzoek als inbreng bij het overleg over flankerend beleid. Over de resultaten van dit overleg en het onderzoek zal ik u in december 2002 nader informeren.
Het is op de eerste plaats de sector die met behulp van de gemaakte analyses en aanbevelingen maatregelen moet treffen om goed op de situatie van vraagfinanciering te kunnen inspelen.
Voor mij is het uitgangspunt dat de schoolbegeleidingsdiensten op een zorgvuldige en verantwoorde wijze in de markt worden geplaatst. Er is een driejarige overgangstermijn voorgesteld waarin geleidelijk op volledige vraagfinanciering wordt overgeschakeld. Daarnaast worden afspraken gemaakt met de onderwijsorganisaties over de invoering van de vraagfinanciering.
De sector (Edventure) is uitgenodigd om aan te geven op welke onderdelen ondersteuning van het rijk noodzakelijk is om een goede uitgangspositie te realiseren. Dit als aanvulling op de inspanningen van de sector zelf.
Heeft de minister van OCW in het kader van flankerend beleid overeenstemming bereikt ten aanzien van een financiële tegemoetkoming voor schoolbegeleidingsdiensten, aangezien zij bezig zijn zich voor te bereiden op de invoering van de stelselwijziging die marktconformer werken noodzakelijk maakt, evenals een aanpassing in arbeidsvoorwaarden en bedrijfsvoering?
Zoals in het antwoord op vraag 171 is aangegeven, is het uitgangspunt dat de sector op een zorgvuldige en verantwoorde wijze in de markt wordt geplaatst. Schoolbegeleidingsdiensten zijn zelf verantwoordelijk voor hun bedrijfsvoering en de in hun sector geldende arbeidsvoorwaarden. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan de sector zelf maatregelen treffen om goed op de situatie van vraagfinanciering te kunnen inspelen. Over de noodzaak en omvang van een eventuele facilitering van deze maatregelen in het kader van flankerend beleid loopt nog overleg met Edventure.
Worden er met het oog op de aangekondigde ontwikkelingen rond schoolbegeleidingsdiensten afspraken gemaakt over het opvangen van de wachtgeldrisico's als gevolg van eventuele vraaguitval? Heeft de regering overwogen om in dit kader te kiezen voor een vangnetregeling voor wachtgeldkosten die tijdens een bepaalde overgangsperiode kunnen ontstaan, in relatie met een regeling verplichte aansluiting Participatiefonds en een wettelijke basis voor BWOO (Besluit Werkloosheid Onderwijs en Onderzoek)?
De noodzakelijke inspanningen van de sector schoolbegeleiding, de geleidelijke overgang naar vraagfinanciering en de afspraken met de betrokken organisaties moeten samen de wachtgeldrisico's minimaliseren.
Een garantie vooraf voor wachtgeldrisico's prikkelt de sector onvoldoende om snel in te spelen op een vraaggefinancierde situatie.
Schoolbegeleidingsdiensten zijn zelf verantwoordelijk voor de in hun sector geldende werkloosheidsvoorziening. Deze verantwoordelijkheid wordt door de sector genomen. De verplichte aansluiting bij het Participatiefonds is vervallen per 1 januari 2002; daarna hebben de schoolbegeleidingsdiensten zich vrijwillig bij het Participatiefonds aangesloten. De sector onderzoekt ook mogelijkheden om aansluiting te zoeken bij een ander fonds dan het Participatiefonds.
In de collectieve arbeidsovereenkomst onderwijsbegeleidingsdiensten voor het jaar 2002 zijn de protocolonderwerpen uit de cao sector onderwijs 2002–2003 opnieuw van overeenkomstige toepassing verklaard. Onder de protocolonderwerpen vallen onder meer de rechten en plichten van het personeel bij ontslag.
Aangezien de sector de eigen verantwoordelijkheid neemt voor de aansluiting bij het Participatiefonds of een vergelijkbaar fonds en voor een werkloosheidsvoorziening zie ik geen reden om hiervoor een wettelijke voorziening te treffen.
Zijn er ook afspraken gemaakt met gemeenten voor wat betreft de BTW-compensatie, althans voor zover het vraaggestuurde activiteiten betreft, dit in relatie tot de toezegging in de brief van de staatssecretaris d.d. 27 juni 2001 dat het kabinet de rijksbijdrage voor schoolbegeleiding met een bedrag ter compensatie voor deze BTW-afdracht zal verhogen?
De voorstellen voor vraagfinanciering schoolbegeleiding hebben alleen betrekking op de rijksmiddelen voor schoolbegeleiding en niet op de middelen die gemeenten hiervoor beschikbaar stellen. Momenteel wordt overleg gevoerd met de VNG over het vraagstuk van btw-heffing in relatie met de gemeentelijke middelen voor schoolbegeleiding. In de in het antwoord op vraag 171 toegezegd brief zal ik u hierover nader informeren.
Is het mogelijk om het huidige rijksbudget voor de schoolbegeleidingsdiensten al per 1 januari 2003 rechtstreeks uit te keren aan de scholen?
Nee, dit is niet mogelijk. De vraagfinanciering schoolbegeleiding moet bij wet worden geregeld. In december 2002 zal ik u informeren over de resultaten van het overleg dat met de betrokken organisaties is gevoerd over een verantwoorde en zorgvuldige invoering van de vraagfinanciering schoolbegeleiding en over de wijze waarop dit wettelijk gestalte moet krijgen.
Worden de gelden voor schoolbegeleiding die rechtstreeks aan scholen worden uitgekeerd geoormerkt? Hoeveel vrijheid hebben scholen bij de besteding van deze middelen? Op welke wijze worden de middelen verdeeld over de onderwijsinstellingen? Wat zijn, in dit licht, de plannen ten aanzien van andere gesubsidieerde ondersteunende organisaties zoals de landelijke pedagogische centra (LPC), de Stichting Leerplanontwikkeling en het Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling (CITO)?
Zoals in het antwoord op vraag 175 is gesteld zal ik u in december informeren over de plannen voor de invoering van vraagfinanciering voor schoolbegeleiding. De inzet is dat scholen, na afloop van een overgangsperiode waarin de bestedingsverplichting gefaseerd wordt afgebouwd, maximale bestedingsvrijheid krijgen ten aanzien van de middelen voor schoolbegeleiding. De verdeling van deze middelen over de scholen zal gaan via een bedrag per leerling.
De vraagfinanciering van Cinop/LPC is per 1 januari 2001 geheel gerealiseerd: één derde van de budgetten voor deze instellingen is geïncorporeerd in de lumpsum systematiek van de vo-scholen en de bve-instellingen.
Voor de innovatiebudgetten verwijs ik u naar de antwoorden op de vragen 179 en 227.
Wat is het modale aantal leerlingen per school en op hoeveel scholen heeft dat modale aantal betrekking in relatie tot het gemiddeld aantal leerlingen per school waarover in tabel 3.2. wordt gesproken?
In de begroting wordt het begrip school gebruikt in de betekenis van bekostigingseenheid. Houden we deze omschrijving aan dan heeft de modale school in het voortgezet onderwijs ruim 1300 leerlingen. Er zijn 35 scholen van deze grootte; het gaat dan om de klasse van 1300 tot 1400 leerlingen.
Echter kijken we naar de praktijk dan zien we dat de bekostigde school vaak uit meer dan een gebouw bestaat. De belevingswereld van de leerling sluit aan bij het gebouw waar hij/zij dagelijks onderwijs geniet en niet bij iets abstracts als een bekostigingseenheid. Het gemiddeld aantal leerlingen per gebouw is momenteel circa 320.
Wat is de oorzaak van de daling (1%) van het aantal leerlingen dat na het vbo géén of een bbl-opleiding (beroepsbegeleidende leerweg) gaat volgen?
De genoemde groep leerlingen omvat mede het aantal voortijdige schoolverlaters (dit zijn leerlingen die geen vervolgopleiding gaan volgen om een startkwalificatie te kunnen behalen). Uit de Tweede voortgangsrapportage voortijdig schoolverlaten (brief aan TK d.d. 15 april 2002) blijkt dat het aantal voortijdig schoolverlaters die naar het onderwijs worden teruggeleid van 1999 tot 2001 jaarlijks stijgt. De genoemde vermindering van het aantal leerlingen dat geen of een bbl-opleiding gaat volgen kan dan ook worden gezien als een positief effect van de maatregelen ter vermindering van voortijdig schoolverlaten (zie ook het antwoord op vraag 100).
Is het niet in strijd met de systematiek van de Nederlandse Mededingingsautoriteit als op basis van Wet SLOA (subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten) subsidies worden verstrekt voor specifieke activiteiten? Krijgen de diverse Pedagogische Centra allemaal hetzelfde bedrag aan subsidie? Zo neen, waarop zijn de verschillen gebaseerd?
Op basis van de Wet overige OCenW-subsidies verstrekt de minister subsidies volgens de daarvoor vastgestelde (aanbestedings)procedures. Voor de subsidieverstrekking voor SLOA-activiteiten is dit niet aan de orde. Deze vindt plaats op grond van zelfstandige wetgeving, met daarin door de wetgever indertijd vervatte taakstellingen. Derhalve is strijd met de systematiek van de NMA niet aan de orde.
Op basis van bepalingen in de Wet op de onderwijsverzorging (WOV, zie de artikelen 4, 11 en 51) werden de landelijke pedagogische centra bekostigd in relatie tot de diensten die zij verrichtten voor aantallen scholen en aantallen leerlingen. Van KPC en APS waren deze aantallen ongeveer gelijk.
Voor het CPS lag dit lager.
De overgang van de WOV naar de Wet SLOA maakte een budgettair neutraal kader voor de instellingen noodzakelijk. Dit ter voorkoming van herverdeeleffecten en daaraan verbonden wachtgeldproblematiek. Zie ook het antwoord op vraag 196.
De bestaande verhoudingen werden bij de overgang naar de Wet SLOA doorgetrokken. Daarop zijn de verschillen tussen subsidiebedragen van de instellingen gebaseerd.
Hoe groot is naar verwachting het percentage leerlingen uit het leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) dat op grond van beperkte capaciteiten (de voormalige A-leerling) het diploma basisberoepsgerichte leerweg niet behaalt, gerelateerd aan de omzetting van het voormalige vso-mlk in praktijkonderwijs en het voormalige vso-lom in lwoo?
Hoeveel leerlingen uit het lwoo op grond van beperkte capaciteiten het diploma basisberoepsgerichte leerweg niet behalen kan nog niet worden aangegeven.
Hierbij spelen de volgende zaken een rol.
Met de examinering is ervaring opgedaan in pilots. Naar aanleiding van deze pilots worden waar nodig aanpassingen gepleegd. Uit de pilotexamens over 2002 blijkt dat zowel voor de maakbaarheid als de organiseerbaarheid goede vooruitgang is geboekt.
Voor leerlingen uit het lwoo met beperkte capaciteiten geldt dat vanuit het extra budget voor leerwegondersteunend onderwijs door de scholen extra individuele aandacht en zorg kan worden gegeven. Ook een andere manier van onderwijs geven is hierdoor beter mogelijk.
Daarnaast is er de mogelijkheid voor leerlingen die beter leren in de combinatie van leren en praktijk in te stromen in leerwerktrajecten met welke variant het diploma leerwerken basisberoepsgerichte leerweg wordt behaald.
Zal de monitoring van de invoering van het vmbo in de toekomst even gedetailleerd plaatsvinden als dat is geschied bij de invoering van de Tweede fase havo/vwo? Zo neen, welke overwegingen liggen daaraan ten grondslag?
De voorbereiding op de invoering van de leerwegen en de zorgstructuur is driemaal – van 1999 tot en met 2001 gemonitord. De meest recente monitor beschrijft de stand van zaken in de maand mei 2002 van het eerste schooljaar, waarin de daadwerkelijke uitvoering van de leerwegen en de zorgstructuur hun beslag hebben gekregen. De monitor is opgebouwd uit een veldscan verricht door Regio-plan en een rapportage over de stand van zaken in de samenwerkingsverbanden vo-vso door het SCO Kohnstamm Instituut. Om de monitor van het eerste uitvoeringsjaar vmbo te kunnen vergelijken met de drie voorgaande invoeringsmonitors is zoveel als mogelijk aangesloten bij de vraagstelling in de voorafgaande monitors. De monitor vmbo 2002 is op dit moment geagendeerd voor het algemeen overleg op 30 oktober 2002.
Deze monitor betreft meer een «scan» over de breedte van de ontwikkelingen, dan dat een beeld «in de diepte» wordt gegeven. Nu de uitvoering van het vmbo goed op gang is gekomen wil ik mijn informatiebehoefte meer richten op het blootleggen van belemmeringen die de uitvoering van wet- en regelgeving in de weg zitten om daar waar nodig bij te kunnen sturen. Dan is het logischer om gerichte dieptemonitors in te zetten bijvoorbeeld gericht op de verbetering van de kwaliteit van zorg waarover overleg plaats heeft met het technisch overleg (waar o.a. de besturenorganisaties deel van uitmaken). Dat betekent dat de reeks van integrale, frequente monitors ter ondersteuning van het invoeringstraject vmbo wordt afgesloten.
Wat is de laatste stand van zaken ten aanzien van de Tweede fase? Wat is het oordeel van de regering over de wijze waarop de Tweede fase tot nu toe verloopt? Wat zijn de plannen voor de komende tijd? Waar zijn scholen op dit moment aan toe?
Er is een veelheid van gegevens over de ontwikkeling van de tweede fase havo/vwo beschikbaar. Met name verdienen vermelding de rapporten van het Tweede fase Adviespunt (monitoring en schoolbezoeken; alle aan de Tweede Kamer toegezonden), die van de SLO (vakdossiers) en die van de Inspectie (het meest recente daarvan is De tweede fase een fase verder, aan de Tweede Kamer toegezonden bij brief van 22 november 2001).
In deze studies wordt vastgesteld dat scholen en leraren veel in de vernieuwing hebben geïnvesteerd, en er veel mee bereikt hebben. Maar ook dat ondanks deze positieve resultaten niet alle ambities die met deze vernieuwing zijn verbonden, ook zijn gerealiseerd. Er worden knelpunten gesignaleerd die voor een deel door scholen op eigen kracht overwonnen zullen kunnen worden. Andere obstakels zijn echter van meer structurele aard: het gaat daarbij om zaken als de versnippering van het curriculum en overladenheid, die te weinig ruimte laten voor de didactische vernieuwing.
Deze knelpunten vragen om aanpassing van de centrale regelgeving. Het is mijn voornemen om voorstellen te formuleren die voorzien in het scheppen van voldoende ruimte voor de scholen. Ik ben thans bezig deze voorstellen te formuleren, in nauwe samenspraak met de vertegenwoordigende organisaties van het onderwijsveld en met de scholen.
Kan gespecifieerd worden op welke wijze verschillende omstandigheden invloed zullen hebben op de termijn waarop grote wijzigingen in de Profielen tweede fase havo/vwo (het zogenoemde groot onderhoud) in werking zullen treden?
Uiteraard zal het volledig proces van wetswijziging moeten worden doorlopen, en zal ook de regelgeving moeten worden aangepast op het punt van de inrichting van het onderwijs en de examenprogramma's van de afzonderlijke vakken. Daarnaast is van groot belang dat de educatieve uitgevers de gelegenheid krijgen om de schoolboeken aan te passen en dat de leraren de gelegenheid krijgen zich op de wijzigingen in de programma's voor te bereiden. Invoering van de nieuwe situatie zal daarom niet voor augustus 2005 zijn beslag kunnen krijgen.
Hoe wil de regering realiseren dat voldoende scholen deelnemen aan PISA 2003? In hoeverre kunnen scholen en/of leerlingen verplicht gesteld worden mee te werken aan PISA 2003?
Het overeenkomen van een verplichting voor scholen is binnen gemeen overleg met de organisaties van bestuur en management niet mogelijk gebleken.
In het bestuurlijk overleg informatievoorziening voor het voortgezet onderwijs is nagegaan of deelname aan PISA en vergelijkbare peilingen verplicht gesteld zou kunnen worden aan scholen via het informatiestatuut VO.
De besturenorganisaties wensten hier niet aan mee te werken en een dwingende eenzijdige actie vanuit het ministerie zonder bestuurlijk draagvlak is niet behulpzaam bij het laten meedoen van gemotiveerde scholen en leerlingen.
Met de uitvoerder van PISA 2003 in Nederland, het Cito, is een no cure no pay contract gesloten, waarbij de cure bestaat uit het behalen van voldoende respons.
Cito besteedt veel aandacht aan het individueel benaderen van de juiste personen op scholen voor deelname, leerlingen en betrokken coördinatoren op scholen ontvangen een (bescheiden) vergoeding.
Daarnaast wordt met de OECD en het voor PISA verantwoordelijke gremium de discussie aangegaan, dat niet de hoogte van de respons maar de representativiteit van de deelnemende leerlingen in de steekproef naar niveau het belangrijkste criterium zou moeten zijn. Door zijn gelede onderwijssysteem is Nederland beter dan welk ander land ook in staat te waken voor een evenredige vertegenwoordiging van leerlingen naar verschillende cognitieve niveaus (lwoo, vmbo bbl en kbl, vmbo, havo en vwo).
Waarom is de doelstelling ten aanzien van de onvoldoende leerresultaten «de negatieve ontwikkelingen een halt toeroepen» (woorden) in plaats van «de negatieve ontwikkelingen tot staan brengen en terugdringen» (daden)?
De negatieve ontwikkelingen ten aanzien van onvoldoende leerresultaten als geconstateerd in het inspectiejaarverslag «een halt toeroepen» betekent dat in eerste instantie de inspectie met de betrokken scholen afspraken maakt die moeten leiden tot verbeteringen. In die zin wordt dus ook ingezet op het terugdringen van de negatieve ontwikkelingen. Daarbij is er flankerend beleid op de verschillende terreinen: onderwijsachterstandenbeleid, lerarenbeleid en kwaliteitsbeleid.
Op welke overwegingen is het minimumpercentage van 80% gebaseerd als het gaat om het percentage leerlingen dat zich veilig voelt op school?
Uit onderzoek naar de veiligheidsbeleving van leerlingen in het voortgezet onderwijs is gebleken dat 83% van de leerlingen zelf aangeeft dat zij zich meestal of altijd veilig voelen op school (T. Mooij: Veilige scholen en (pro)sociaal gedrag in het voortgezet onderwijs, 2001). Daarnaast zijn er leerlingen die zich vaak veilig voelen op school (9%). Streven moet zijn, dat vrijwel alle leerlingen zich veilig voelen op school. Het aangegeven minimumpercentage van 80% is gebaseerd op de aangegeven waarden.
Welk percentage van leerlingen met onderwijsachterstand is niet-allochtoon?
Om deze vraag te kunnen beantwoorden lees ik voor «allochtonen», «cumi-leerlingen», waarbij een cumi-leerling een leerling is waarvoor de school een vergoeding krijgt op grond van de Regeling personele vergoeding culturele minderheidsgroepen en anderstalige leerlingen WVO.
Verder lees ik, om deze vraag te kunnen beantwoorden, voor «leerlingen met onderwijsachterstand» leerlingen die leerwegondersteunend onderwijs volgden, praktijkonderwijs volgden, svo-lom of svo mlk volgden.
Het percentage niet-cumi-leerlingen onder de leerlingen die in het schooljaar 01/02 lwoo-onderwijs volgden, pro-onderwijs volgden, svo-lom of svo mlk onderwijs volgden, is 70%. Het percentage niet-cumi-leerlingen onder de leerlingen die in het schooljaar 01/02 overig voortgezet onderwijs volgden is 93%.
Wat zijn de meest recente cijfers over het aantal scholen waar de meerderheid van de leerlingen van allochtone afkomst is?
Ik kan deze vraag beantwoorden als ik voor «leerlingen van allochtone afkomst» mag lezen «cumi-leerlingen», waarbij een cumi-leerling een leerling is waarvoor de school een vergoeding krijgt op grond van de Regeling personele vergoeding culturele minderheidsgroepen en anderstalige leerlingen WVO.
Opgemerkt zij dat de cumi-leerlingen slechts een deelpopulatie vormen van de leerlingen van allochtone afkomst.
Op basis van de telling met peildatum 1 oktober 2001 zijn er 36 scholen waarvan de meerderheid van de leerlingen wordt gevormd door cumi-leerlingen.
Aan hoeveel leerlingen wordt concreet gedacht bij de uitspraak «zoveel mogelijk leerlingen moeten minimaal een startkwalificatie halen»?
Er is geen streefcijfer vastgesteld voor het aantal leerlingen dat een startkwalificatie moet halen.
Er is wel een streefcijfer rond het verminderen van het aantal voortijdig schoolverlaters. In 2010 moet het aantal vsv'ers met 50% verminderd zijn, te bereiken via een vermindering met 30 procent in 2006.
In 2001 is 48% van de voortijdig schoolverlaters terug naar het onderwijs geleid met als doel alsnog een startkwalificatie te behalen.
In hoeverre wordt in het onderwijsachterstandenbeleid rekening gehouden met de ontwikkeling dat na 11 september 2001 veel onderwerpen in de multiculturele scholen gevoelig liggen en dat communicatie en discussie daarover confrontaties en misverstanden veroorzaakten? In welke zin is taal daarbij belangrijk en ook kennis van en begrip voor elkaars religieuze en culturele achtergrond om ongewenste confrontaties te voorkomen?
In de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertise centra en de Wet op het voortgezet onderwijs is opgenomen, dat het onderwijs er mede van uitgaat dat leerlingen opgroeien in een multiculturele samenleving. Ook in de kerndoelen komt het omgaan met verschillen in een multiculturele samenleving expliciet aan bod. In het onderwijsachterstandenbeleid vormen de gebeurtenissen van 11 september 2001 als zodanig, waar het landelijk beleid betreft, geen specifiek onderwerp. Op lokaal niveau kunnen scholen en gemeenten uiteraard tot maatwerk komen en daarbij dit thema aan de orde stellen. Scholen zijn zich er hierbij van bewust dat taal en ook kennis van en begrip voor elkaars religieuze en culturele achtergrond van belang zijn.
Overigens heeft het ministerie van OCenW, mede gelet op het overleg in januari 2002 met de Nationale Jeugdraad, een quick scan laten uitvoeren door het NICL naar de mate waarin leermiddelen intercultureel zijn, en een inventarisatie door FORUM naar de wijze waarop scholen reageerden op de spanningen in de samenleving naar aanleiding van de gebeurtenissen van 11 september. Deze gegevens zijn voor scholen beschikbaar.
Wat wordt bedoeld met expliciet en integraal taalbeleid?
Het voeren van een integraal taalbeleid is een van de doelstellingen binnen het landelijk beleidskader 2002–2006 van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid, waaraan scholen en gemeenten gezamenlijk invulling geven. Het leren van een taal beperkt zich niet tot de taalles.
Ook de overige vakken binnen het curriculum bieden gelegenheid om specifieke (schoolse) taalvaardigheden te leren die noodzakelijk zijn voor een succesvolle onderwijsloopbaan. Met name achterstandsleerlingen hebben baat bij een rijke taalomgeving op school. Het ontwikkelen van een gemeenschappelijke visie met betrekking tot de gewenste taalaanpak binnen de school, die tegemoet komt aan de speciale behoeften van anderstalige kinderen en die zich uitstrekt tot Nederlandse taal in lessen in andere vakken dan Nederlands, is hierbij van belang.
Is er al begonnen met de uitvoering van het onderwijs aan alleenstaande minderjarigen die in de terugkeervariant onder de nieuwe vreemdelingenwet worden opgevangen? Zo ja, hoe ziet de uitvoering eruit en wat zijn de resultaten hiervan? Zo neen, waarom niet? Kan worden aangegeven hoeveel budget er is voor de terugkeervariant?
Per 1 november 2002 start in Vught een pilot voor alleenstaande minderjarige asielzoekers (ama's) die worden opgevangen in de terugkeervariant. Het gaat dan om ama's waarvan aangenomen wordt dat zij geen kans maken op een positieve beschikking. Op de campus in Vught kunnen maximaal 360 ama's worden opgevangen. Per 6 januari 2003 zal een vergelijkbare pilot starten in Ede, met een capaciteit van 180 ama's.
Door het KPC is in samenwerking met de SLO een blauwdruk voor een onderwijsprogramma gemaakt, dat aansluit bij de 24-uurs opvang door het COA. Uitgangspunt is zoveel mogelijk aan te sluiten bij de capaciteiten van het kind en wat nodig is in het land van herkomst. Het onderwijs op de campus wordt gefinancierd op basis van de WVO (€ 7 414,22 per ama per jaar). Daarnaast wordt er gefinancierd op basis van de regeling specifieke uitkering (€ 1 363,00 per ama per 4 maanden).
Justitie draagt zorg voor de huisvesting en inrichting van de faciliteiten op de campus. Voor opvang is een bedrag beschikbaar van € 28 134 per ama per jaar.
De looptijd van de pilots bedraagt 1 jaar, waarna evaluatie van het experiment plaatsvindt op basis van het aantal al dan niet vrijwillig teruggekeerde ama's naar het land van herkomst. Aan de hand van de resultaten van deze evaluatie zal worden bepaald of deze wijze van opvang in de terugkeervariant wordt voortgezet.
Op welke termijn wordt er bezien of «er in de kabinetsperiode extra geld kan worden uitgetrokken voor personeelsbeleid op achterstandsscholen, in het vmbo en voor het belonen van extra prestaties»?
Gezien de huidige politieke situatie kan op dit moment geen termijn worden genoemd en geen concrete invulling worden gegeven omtrent het budget dat beschikbaar komt voor het versterken van de aantrekkelijkheid van het beroep in het onderwijs.
Voor de concrete invulling van deze prioriteit is mede van belang de afspraken die worden gemaakt in het cao-overleg voor de sectoren po en vo (de huidige cao loopt per 1-2-2003 af).
Kan worden toegelicht op welke punten de vraagstructuur van SLOA voor verbetering vatbaar blijft ondanks de gegevens die worden geïnterpreteerd als aanwijzingen van tevredenheid in het veld over de geleverde diensten en producten?
In het aan de Tweede Kamer op 13 december 2001 toegezonden verslag over de eerste twee hoofdlijnenbrieven SLOA is enerzijds geconstateerd dat er tevredenheid is in het veld over de gesubsidieerde activiteiten, maar dat anderzijds de vraagstructuur aandacht vraagt. In dat kader is de lijn ingezet dat bij innovaties de scholen veel meer rechtstreeks betrokken zullen worden. Derhalve vinden innovaties veel meer plaats in relatie met directe schoolparticipatie. Met het op dit punt verbeteren van de vraagstructuur zal de kwaliteit van de te leveren diensten en producten toenemen. Bij alle subsidieaanvragen voor de uit te voeren activiteiten in het kader van innovatiebeleid vindt op dit punt een check plaats.
Moet in tabel 3.14 niet staan «x € 1000» in plaats van «x € 1 mln»?
Ja, u heeft gelijk. De SLOA-activiteiten moeten gelezen worden als € 1,377 miljoen en niet in miljarden.
Wanneer zal het gehele innovatiebudget vrij te besteden zijn door de scholen?
Eenderde deel van het reguliere SLOA-budget van CINOP/LPC is in de overgangsperiode (1999–2001) overgeheveld naar scholen en roc's. Het innovatiebudget van de SLOA (LPC/SLO/CITO) is vanaf 1-1-2002 vrijgesteld voor open aanbesteding door de minister (vrijvalprocedure). In deze vrijvalactiviteiten wordt zoveel mogelijk door scholen geparticipeerd.
Het ineens vrijvallen van het gehele innovatiebudget bleek onmogelijk vanwege de enorme wachtgeldgevolgen ten laste van de rijksbegroting. Om deze reden is gekozen voor een gefaseerde opbouw van de vrijval. Met werkgevers- en werknemersorganisaties is een langdurig, meerjarig faseringsakkoord gesloten. Thans laat het zich aanzien dat verkorting van de faseringsperiode mogelijk is met eenderde van de aanvankelijk overeengekomen termijn. Derhalve kan voorzien worden dat de volledige vrijval in het schooljaar 2007/2008 gerealiseerd kan worden, mits dit met de werkgevers- en werknemersorganisaties overeengekomen kan worden.
Wanneer wordt het wetsvoorstel tot introductie van de ondernemingsraad voor het voortgezet onderwijs aan de Kamer aangeboden?
Op dit moment is daarover geen uitspraak te doen.
Als het gaat om schoolomvang, hoe definieert de regering in dat geval cijfermatig de «menselijke maat»?
Zie het antwoord op vraag 76.
Op welke overwegingen is de wens om in het schooljaar 2002–2003 te komen tot minimaal tien regionale arrangementen gebaseerd? Heeft de regering daarbij speciale regio's of opleidingsinstituten op het oog?
In het schooljaar 2001–2002 hebben 5 regionale arrangementen een start gemaakt. Inmiddels heeft de beleidsnotitie «Planningsvrijheid vmbo» van de Kamer brede steun gekregen. De bevordering van het tot stand komen van regionale arrangementen zal ik dan ook krachtig ter hand nemen. Gelet daarop en de geluiden uit het veld lijkt voor het schooljaar 2002–2003 een aantal van 10 haalbaar, temeer omdat er extra ondersteuning zal worden verleend. Er is een projectleider voor dit doel aangesteld en er is een iets ruimere financiële ondersteuning in de proceskosten mogelijk gemaakt.
Ik heb geen speciale regio's op het oog. Er hebben zich echter wel al voldoende regio's gemeld.
Waarom moet een parameter inzake leeftijdscorrectie afgeschaft worden waarmee de feitelijke kosten van een school zuiverder in beeld komen dan zonder leeftijdscorrectie?
Een van de doelstellingen van de modernisering van de bekostiging is door eenvoud en transparantie scholen meer inzicht te geven in de inkomsten voor de komende jaren zodat scholen het beleid daarop beter kunnen afstemmen.
Om dit te bereiken is het noodzakelijk het aantal parameters dat gebruikt wordt bij de berekening van de bekostiging te verlagen. Een van die parameters is de leeftijdscorrectie.
Het effect van de leeftijdscorrectie is een onzekere factor voor de school.
Niet alleen de leeftijdsontwikkeling van de leraren op de school zelf maar ook de leeftijdsontwikkeling van de schoolsoortgroep waartoe de school behoort bepaalt het effect van de leeftijdscorrectie. De leeftijdsontwikkeling van de schoolsoort-groep is voor de school niet goed te bepalen. Overigens leiden belonings- en functiedifferentiatie tot een minder sterke band tussen leeftijd en beloning; dit pleit eveneens voor afschaffing. De in overleg met het veld overeengekomen afschaffing van de leeftijdscorrectie leidt derhalve tot meer zekerheid en een verlaging van de administratieve last voor de school en schooladministratie. De school hoeft bijvoorbeeld geen gegevens meer te leveren inzake de leeftijdsopbouw.
Het beleidsvoerend vermogen, de positie van de school wordt versterkt en de school kan zich nog beter richten op de onderwijsprestaties. Deze neveneffecten passen in het streven naar meer autonomie en rekenschap.
Is de regering van mening dat de bezuinigingen die voortvloeien uit het verlagen van de administratieve lastendruk de scholen voldoende in de gelegenheid stellen om voldoende eigentijds materiaal en functionele gebouwen te realiseren?
Er zal sprake zijn van een gecombineerd pakket aan maatregelen.
In de eerste plaats betekent een afname van administratieve lasten voor de school meer ruimte, financieel en beleidsmatig, om zelf keuzes te maken.
Bovendien wordt de volledige verantwoordelijkheid voor het buitenonderhoud van vo-schoolgebouwen en (een deel) van de aanpassingen aan de binnenzijde van de gemeente overgeheveld naar de scholen.
Door dit pakket aan maatregelen zijn scholen in elk geval beter in staat zelfstandig afwegingen te maken en prioriteiten te stellen op het gebied van gewenste investeringen in materiaal en huisvesting, zoals bijvoorbeeld het vormgeven aan kleinschaliger onderwijs.
Zijn er gegevens beschikbaar over het gebruik van internet in het onderwijsprogramma? Kan ook inzicht worden gegeven in het gebruik van Kennisnet en Kennislink in deze? Zo neen, vindt de regering dan niet dat naar de toegevoegde waarde van Kennislink voor het voortgezet onderwijs nader onderzoek moet worden gedaan?
Er zijn geen gegevens beschikbaar over het gebruik van internet in het onderwijsprogramma sinds de aansluiting van de scholen op kennisnet in juni 2002 is afgerond. Uit de ict-onderwijsmonitor blijkt dat het gebruik van internet, na het gebruik van een tekstverwerkingsprogramma, het grootste gebruiksdoel is. Voorts blijkt uit dezelfde monitor dat 20 procent van de leerlingen gebruik maakt van de portalsite Kennisnet. Via Kennisnet wordt content voor het onderwijs centraal ontsloten.
Kennislink is één van de activiteiten waar, naast het brede publiek, ook in het voortgezet onderwijs gebruik van wordt gemaakt. Over het gebruik zijn thans geen gegevens beschikbaar om de toegevoegde waarde te kunnen beoordelen. Er kan een onderzoek worden gestart, mits het NAP-programma (EZ/OCW) de subsidiëring van Stichting Weten voor Kennislink dit schooljaar zou willen aanhouden. Op grond van de uitkomsten van het onderzoek kunnen vo-scholen – in relatie tot de prijs/kwaliteit verhouding bepalen of zij met de Stichting Weten/Kennislink financiële arrangementen zouden willen treffen. Binnen de lumpsumsystematiek ontvangen scholen jaarlijks een vrij besteedbaar bedrag voor activiteiten die zij van belang achten in het kader van het onderwijs. Daartoe kunnen scholen ook de ontwikkelde content van Kennislink toerekenen.
Kan bij het schema over het aantal leerlingen per schoolsoort worden aangeven om hoeveel jongens en hoeveel meisjes het gaat? Klopt het dat er een trend zichtbaar is waarbij de laatste jaren meer meisjes dan jongens hoger onderwijs gaan volgen?
Bijgaand treft u het schema aan met de verdeling van jongens/meisjes over het aantal leerlingen per schoolsoort.
Aantallen leerlingen (x 1000) en percentage vrouwen in 1999/2000 en 2000/2001
| 1999/2000 | 2000/2001 | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| mannen | vrouwen | totaal | %vrouw | mannen | vrouwen | totaal | %vrouw | |
| (V)SO | 29.5 | 14.0 | 43.5 | 32% | 31.3 | 14.5 | 45.8 | 32% |
| SBAO | 35.5 | 16.5 | 52.0 | 32% | 35.1 | 16.5 | 51.6 | 32% |
| BAO | 783.6 | 759.7 | 1 543.3 | 49% | 786.0 | 760.6 | 1 546.6 | 49% |
| SVO/MLK | 10.9 | 6.6 | 17.5 | 38% | 11.8 | 7.1 | 18.9 | 38% |
| SVO/LOM | 8.8 | 3.1 | 11.9 | 26% | 8.6 | 2.9 | 11.5 | 25% |
| LWOO/A | 5.2 | 4.1 | 9.3 | 44% | 5.5 | 4.6 | 10.1 | 46% |
| LWOO | 37.3 | 25.5 | 62.8 | 41% | 40.6 | 27.8 | 68.4 | 41% |
| LAS | 10.5 | 9.6 | 20.1 | 48% | 10.6 | 10.3 | 20.9 | 49% |
| BASISV. | 168.3 | 170.1 | 338.4 | 50% | 170.5 | 169.4 | 339.9 | 50% |
| VBO | 45.9 | 34.2 | 80.1 | 43% | 45.8 | 34.5 | 80.3 | 43% |
| MAVO | 48.7 | 51.2 | 99.9 | 51% | 48.9 | 52.3 | 101.2 | 52% |
| HAVO | 57.4 | 64.8 | 122.2 | 53% | 55.1 | 62.1 | 117.2 | 53% |
| VWO | 60.0 | 67.8 | 127.8 | 53% | 59.6 | 68.7 | 128.3 | 54% |
| DTBOL+BBL | 100.3 | 55.0 | 155.3 | 35% | 104.2 | 64.5 | 168.7 | 38% |
| MAO | 9.4 | 6.8 | 16.2 | 42% | 8.8 | 7.1 | 15.9 | 45% |
| BOL | 124.9 | 130.1 | 255.0 | 51% | 124.3 | 130.5 | 254.8 | 51% |
| pHBO | 24.3 | 27.6 | 51.9 | 53% | 26.3 | 31.1 | 57.4 | 54% |
| HAO | 5.3 | 3.2 | 8.5 | 38% | 5.0 | 3.3 | 8.3 | 40% |
| HBO | 114.9 | 124.0 | 238.9 | 52% | 115.7 | 126.0 | 241.7 | 52% |
| WOA | 2.0 | 1.8 | 3.8 | 47% | 1.9 | 1.8 | 3.7 | 49% |
| WO | 83.3 | 75.3 | 158.6 | 47% | 83.8 | 77.7 | 161.5 | 48% |
Ten aanzien van een trend waarbij de laatste jaren meer meisjes dan jongens het hoger onderwijs volgen kan ik melden dat deze zich inderdaad voordoet.
In 1998 overschreed het aantal vrouwelijke eerstejaars in het wetenschappelijk onderwijs voor het eerst de 50%. Sindsdien is het verder gestegen tot 51,5% in 2001.
In het hoger beroepsonderwijs was het aantal vrouwelijke eerstejaars in 2000/2001 53,7%.
Zijn er gegevens bekend over de bevordering van deskundigheid van docenten die betrokken zijn bij de inburgeringcursussen die gegeven worden vanuit de regionale opleidingscentra's (roc's)? Zo ja, hoe staat het met de bevordering van de deskundigheid?
In het algemeen is het personeels- c.q. scholingsbeleid van docenten aan roc's de verantwoordelijkheid van de individuele instellingen. Daarnaast is er in de cao een bepaling opgenomen waardoor voor individuele docenten tijd voor deskundigheidsbevordering is gegarandeerd.
De deskundigheidsbevordering van docenten die betrokken zijn bij inburgering kan op verschillende manieren plaats vinden. Zo zijn er voor de docenten Nederlands als tweede taal post-hbo opleidingen aan hogescholen. Daarnaast worden bijvoorbeeld door het Centrum van innovatie van opleidingen (CINOP) en het Instituut voor taalonderwijs en taalonderzoek anderstaligen (ITTA) docententrainingen verzorgd. Deze trainingen kunnen gericht zijn op vaardigheden voor het verzorgen van Nederlands als tweede taal. Daarbij kan Nederlands als tweede taal ook onderdeel uitmaken van duale of geïntegreerde inburgeringscursussen, waar de nieuwkomer ook werkt aan het behalen van een beroepskwalificatie.
Is het waar, dat de hoogte van de vergoeding aan gemeenten voor educatie niet gerelateerd is aan het aantal personen dat feitelijk een educatietraject doorloopt? Hoe controleert de regering de besteding van de toegewezen middelen?
Ja, dat is waar. Het educatiebudget is een vast budget dat wordt verdeeld over de gemeenten aan de hand van de in wet educatie en beroepsonderwijs genoemde maatstaven; de volwassen inwoners, de volwassen inwoners met een laag opleidingsniveau en de volwassen inwoners met een nader bepaalde etnische achtergrond. De gemeenten moeten dit budget aan het begin van het jaar geheel contractueel aanbesteden bij instellingen. De rechtmatige besteding van de middelen wordt jaarlijks verantwoord door de gemeenten en gewaarmerkt door de gemeenteaccountant.
Kan worden gespecificeerd wat wordt bedoeld met de «daarbinnen geleverde prestaties» voor wat betreft de hoogte van de vergoeding voor de inburgering van nieuwkomers? Wat zijn de criteria om een inburgeringstraject vergoed te krijgen?
De prestaties worden gemeten aan de hand van twee criteria, te weten:het aantal door de gemeente afgegeven beschikkingen leidend tot een inburgeringsprogramma of een vrijstelling daarvan en het door de gemeente ontvangen aantal verklaringen van het roc dat het educatief programma van het inburgeringsprogramma is afgerond en de toets is afgelegd.De criteria om een inburgeringstraject vergoed te krijgen zijn: De lasten die gemaakt zijn voor het inburgeringstraject moeten gemaakt zijn voor een nieuwkomer in de zin van de Wet inburgering nieuwkomers (WIN) en de lasten van het educatieve programma moeten berusten op een of meer tussen de gemeente en een regionaal opleidingscentrum (roc) afgesloten overeenkomst.
Welke maatregelen worden genomen om de financieel zwakkere instellingen weer financieel gezond te maken?
De instellingen zijn zelf verantwoordelijk om hun interne bedrijfsvoering zo in te richten dat hun financiële positie gezond is en blijft. Daarmee wordt de continuïteit van het primaire proces gewaarborgd. Er vindt geen specifieke financiële ondersteuning plaats. Dat past niet in de verantwoordelijkheidsverdeling. Om de instellingen er toe te bewegen – ook in financieel opzicht – de juiste afwegingen te maken, wordt door de overheid de ontwikkeling van verantwoordingsinstrumenten van de instellingen naar hun omgeving gestimuleerd. Een belangwekkend initiatief in dat verband is de monitor «BVE in bedrijf» die jaarlijks voor alle instellingen in de sector wordt opgesteld. Deze monitor is een initiatief van de bve-sector zelf. Hierin worden de instellingen op een groot aantal bedrijfsvoeringsaspecten onderling vergeleken.
Wat zijn erkende leerbedrijven? Op basis van welke criteria wordt een leerbedrijf erkend, en door wie?
Erkende leerbedrijven zijn bedrijven of organisaties die na een gunstige beoordeling van het kenniscentrum beroepsonderwijs/bedrijfsleven, de beroepspraktijkvorming voor een opleiding of een groep van opleidingen mogen verzorgen. De criteria op basis waarvan een leerbedrijf wordt erkend worden vastgesteld en bekend gemaakt door het desbetreffende kenniscentrum beroepsonderwijs/bedrijfsleven. De kenniscentra beroepsonderwijs/bedrijfsleven dragen zorg voor de beoordeling en erkenning van de bedrijven.
Welke sancties hangen de instellingen boven het hoofd indien zij bijvoorbeeld door lesuitval niet de beloofde prestaties leveren? Waarborgen deze sancties ook dat de positie van de deelnemer werkelijk wordt versterkt?
Doordat de instellingen transparant maken hoe de opleidingsprogramma's zijn opgebouwd en welke prestaties zij daarvoor gaan leveren, is voor de deelnemer helder wat hij van de instelling mag verwachten. Deze is daarmee in een sterkere positie als het er op aankomt om de instelling te houden aan die verwachtingen en de instelling er zonodig op aan te spreken. Dat is het eerste aangrijpingspunt. Via de meervoudige publieke verantwoording laat de instelling zien welke prestaties er feitelijk geleverd zijn en ook daarbij speelt de deelnemer, als belanghebbende te betrekken bij de zelfevaluatie van de instelling, een rol. De inspectie ziet – binnen de kaders van de Wet op het onderwijstoezicht – toe en bij in gebreke blijven volgt daar de normale route: instelling aanspreken en eventueel een bestuurlijk natraject. Als ultimum remedium is er het normale sanctieregime waarin de WEB voorziet: financiële sancties, of zelfs het ontnemen van rechten met betrekking tot een opleiding.
Wat waren de uitgangspunten en doelstellingen van het actieplan publieke verantwoording van Colo (Centraal orgaan van de landelijke opleidingsorganen)? Op welke wijze wordt de Tweede Kamer over de afronding hiervan in 2003 geïnformeerd?
Doelstellingen van het actieplan publieke verantwoording van Colo zijn (1) het afleggen van verantwoording van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven over hun wettelijke taken aan de minister, (2) het helder over het voetlicht brengen van taken van de kenniscentra, de uitvoering en de financiering daarvan, en (3) het verbeteren van de kwaliteit van de producten en dienstverlening en het betrekken van de partijen in de omgeving daarbij.
Het project wordt eind 2003 afgerond. De Tweede Kamer wordt begin 2004 schriftelijk over de afronding van het project geïnformeerd.
Wat heeft de SER in september 2002 geadviseerd over de betrokkenheid van sociale partners/bedrijfsleven bij het innovatie-arrangement? Wat is de reactie van de regering op het SER-advies?
Het SER-advies is nog niet uitgebracht. Het ontwerpadvies zal op 18 oktober 2002 in een openbare raadsvergadering van de SER worden vastgesteld. Op het definitieve advies zal ik u nog dit jaar een reactie toezenden.
Kan per sector worden gekwantificeerd hoeveel studenten in de beroepsopleidende leerweg (bol) en de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) op dit moment nog niet voorzien zijn van een beroepspraktijkvormingsplaats?
Nee, deze informatie over deelnemers zonder beroepspraktijk vormingsplaats is niet beschikbaar. Dit komt omdat er maar 1 peildatum voor de tellingen is, namelijk 1 oktober. Op 1 oktober worden de aantallen deelnemers bol en bbl geteld. Een deelnemer telt alleen mee als deze een beroepspraktijkvormingsplaats (bpv) heeft.
Welke maatregelen staan ter beschikking indien de leerlingbegeleiding op de beroepspraktijkvormingsplek of de praktijkbegeleiding bij het leerbedrijf structureel tekort blijft schieten?
Uit gegevens van Inspectie blijkt dat op iets minder dan tweederde van de onderzochte onderwijsinstellingen de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming (bpv) voldoende is. De rest is onvoldoende, waarbij vooral leerlingbegeleiding als probleem werd ervaren, en niet zozeer de begeleiding door het bedrijf. Mede naar aanleiding van dit signaal wordt op landelijk niveau met alle betrokken partijen gewerkt aan een aantal maatregelen die de kwaliteit van de bpv moeten verbeteren. Op dit moment wordt bijvoorbeeld een nulmeting van de kwaliteit van de bpv ontwikkeld, en wordt door zowel de Bve Raad als de Vereniging Colo een aantal acties uitgevoerd, die met name de rolverdeling en samenwerking tussen partijen (bijvoorbeeld tussen onderwijsinstelling en bedrijf) moet verbeteren.
Op dit moment is mij geen situatie bekend waarbij ofwel bij een onderwijs instelling ofwel bij een bedrijf de kwaliteit van de begeleiding structureel (d.w.z. over een reeks van jaren) tekortschiet. De kwaliteit van de leerlingbegeleiding is een verantwoordelijkheid van de onderwijsinstelling. De onderwijsinstelling is verantwoordelijk voor deze begeleiding, voor een systeem van kwaliteitszorg ter bewaking en bevordering van die kwaliteit, en voor de publieke verantwoording over die kwaliteit en kwaliteitszorg. De Inspectie controleert de kwaliteit van de leerlingbegeleiding. Indien een instelling structureel tekort schiet in de kwaliteit van de deelnemerbegeleiding, wordt eerst door de Inspectie met de instelling een verbetertraject afgesproken. Indien dit traject niet het gewenste effect heeft, kan de Inspectie dit aan mij melden, waarna ik kan besluiten tot bestuurlijke interventie. Dit kan in het uiterste geval leiden tot het ontnemen van het recht de opleiding waar de gebreken geconstateerd zijn aan te bieden en het onthouden van de bekostiging.
Het leerbedrijf is verantwoordelijk voor de condities van de praktijkplaats. Het Kenniscentrum Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (KBB) houdt er via de erkenningsprocedure van leerbedrijven toezicht op dat leerbedrijven voldoen aan de door het KBB gestelde kwaliteitseisen. Het KBB houdt ook toezicht op die kwaliteit en heeft de mogelijkheid om – als ultimum remedium – de erkenning van het leerbedrijf in te trekken als niet (meer) voldaan wordt aan de gestelde kwaliteitseisen.
Is de betrokkenheid van het bedrijfsleven bij het Kwaliteitscentrum Examens mbo (KCE) nog steeds gegarandeerd?
Ja. Het bestuur van de Stichting kwaliteitscentrum examinering beroepsopleidingen (KCE) is geformeerd op voordracht van Colo, de Bve Raad en Paepon. Binnen het KCE is sprake van sectorale examenplatforms, die zijn samengesteld uit deskundige personen afkomstig uit het bedrijvenveld en uit het onderwijsveld. In de Raad van Advies hebben vertegenwoordigers zitting van onder andere de sociale partners.
Waar is de in het strategisch akkoord genoemde eigen bijdrageregeling voor inburgering als inkomsten geboekt?
De eigen bijdrage regeling voor inburgering is niet op de begroting van OCenW geboekt.Gezien de overheveling van de verantwoordelijkheid van de WIN-budgetten naar de minister voor Vreemdelingenbeleid en Integratie per 1-1-2003, ligt een dergelijke inboeking bij OCenW ook in de toekomst niet voor de hand.
Is er in de bestaande budgetten voldoende ruimte voor de inburgering van oudkomers?
Het budget voor de inburgering van oudkomers staat op de begroting van het ministerie van Justitie. Dit budget kan door gemeenten zowel bij roc's als bij andere instellingen worden besteed. Uit de evaluatie van de Wet inburgering nieuwkomers in 2002 blijkt, dat de financiering voor de nieuwkomers voldoende is en dat veel gemeenten daadwerkelijk een reserve kunnen opbouwen.
Gemeenten kunnen reserveringen uit het budget voor de inburgering van nieuwkomers toevoegen aan educatie en vervolgens kunnen oudkomers ook ingeburgerd worden uit de middelen voor educatie. Het is aan gemeenten om te bepalen of oudkomers een van de doelgroepen van educatiemiddelen zijn.
Zal het budget voor inburgering worden overgeheveld naar de begroting van het ministerie van Justitie? Zo ja, wanneer? Wat zijn de gevolgen in relatie tot het budget voor educatie en de betrokkenheid van roc's?
Ja, het budget voor inburgering nieuwkomers zal per 1 januari 2003 worden overgeheveld naar de begroting van het ministerie van Justitie. Dit moet nog bekrachtigd worden bij Koninklijk besluit. In eerste instantie zijn er geen gevolgen voor het budget educatie en de betrokkenheid van roc's. Mogelijke veranderingen kunnen pas worden doorgevoerd bij wijziging van de desbetreffende bepalingen in de WIN en de WEB.
Wat moet men zich concreet voorstellen bij het risico van «afromen van de markt» dat het loslaten van verplichte winkelnering van de gemeenten bij een roc in zich draagt? Is dit risico onlosmakelijk verbonden met dat loslaten van de gedwongen winkelnering?
Bij het afschaffen van de gedwongen winkelnering zijn gemeenten vrij in het kiezen van de aanbieder. Naast de roc's kunnen dat ook andere aanbieders zijn bijvoorbeeld particuliere opleidingsinstituten. Dit zou er toe kunnen leiden dat dergelijke andere aanbieders alleen geïnteresseerd zijn in het verzorgen van een aanbod voor de makkelijk te scholen deelnemers waar een snel resultaat te boeken valt. De kans is aanwezig dat voor een moeilijk te scholen groep dan onvoldoende aanbod beschikbaar is. Momenteel zijn gemeenten namelijk weliswaar verplicht trajecten in te kopen bij een roc, maar daar staat tegenover dat een roc zowel voor de makkelijk als de moeilijk te scholen deelnemers een aanbod moet verzorgen.
Wat is het totaalbudget van de zender Educatieve TV en hoe wordt dit bekostigd? Op welke wijze wordt getoetst of de aanpak succesvol is? Welk bedrag wordt in 2003 en in de volgende jaren voor dit initiatief gereserveerd?
De bijdragen aan het experiment educatieve TV zijn in 2002 begroot op € 3,3 miljoen. De bijdragen van de rijksoverheid zijn verdeeld als volgt: OCenW € 1,1 miljoen, SZW € 0,68 miljoen en BZK € 0,45 miljoen. Bijdragen van derden: gemeenten € 0,76 miljoen en provincies € 0,29 miljoen.
Onlangs is een projectonderzoek uitgevoerd naar aanpak en organisatie van het experiment.
ETV.nl zal zelf met een evaluatie van het rapport komen. Deze zal o.a. ook inzicht bieden in het gebruik van educatieve TV door de doelgroep. Dit zal zijn in termen van kijkcijfers en niet in termen van het daadwerkelijk starten van een opleiding.
Er zijn nog geen middelen gereserveerd voor 2003 en volgende jaren. De rol en de bijdragen van de rijksoverheid bij een eventuele voortzetting van educatieve TV moeten nog worden bezien.
Kan een overzicht worden gegeven van alle directe en indirecte bezuinigingen op de kennisinfracstructuur en kunnen daarbij ook andere ministeries worden betrokken. (bijvoorbeeld het afschaffen van het belastingvoordeel voor bedrijven die in onderzoek investeren)?
Op het gebied van de kennisinfrastructuur (OenW/LNV, EZ, Fonds Economische Structuurversterking en fiscale faciliteiten) is in het kader van het strategisch akkoord en het nadere ombuigingspakket een ombuiging van€ 506,4 miljoen ingeboekt (bedrag 2006, exclusief loon- en prijsbijstelling). Overigens staat daar een intensivering van € 504 miljoen tegenover. Deze bedragen kunnen als volgt worden gespecificeerd:
| Ombuigingen | Intensiveringen | ||
|---|---|---|---|
| Uitgaven: | Leerlingen | 164,0 | |
| – OALT | 72,0 | Enveloppe onderwijs | 340,0 |
| – efficiency taakstelling | 183,9 | ||
| – subsidietaakstelling | 8,5 | ||
| – bevorderen innovatiekracht | 72,0 | ||
| Ontvangsten: | |||
| scholingsaftrek | 120,0 | ||
| – WBSO | 50,0 | ||
| Totaal | 506,4 | 504,0 |
NWO is als geheel vrijgesteld van een efficiencykorting maar waarom wordt een onderdeel van NWO, namelijk STW, wel getroffen door een efficiencykorting?
Deze efficiencykorting betreft het deel van het ministerie van Economische Zaken in de STW-begroting.
Wat zijn de concrete bedragen voor de sectoren vmbo, mbo en hbo afzonderlijk binnen de € 136 miljoen die in het kader van de «impuls beroepsonderwijs» in de beroepskolom vanaf 2002 structureel zijn vrijgemaakt?
De verdeling per sector gebeurt volgens de verhouding 3:2:1. Per sector leidt dit tot de volgende bedragen (deze bedragen zijn inclusief het aandeel voor het LNV-onderwijs):
• vmbo € 68 miljoen;
• mbo € 45,3 miljoen;
• hbo € 22,7 miljoen.
Een deel van deze middelen wordt ingezet voor algemeen beleid rond de beroepskolom, zoals het platform beroepsonderwijs (€ 1,6 miljoen) en monitoring en voorlichting (€ 0,3 miljoen).De rest van de middelen wordt in de betreffende sector ingezet. Dit kan zijn via de regeling impuls beroepskolom of via specifieke activiteiten. Zie hiervoor ook het overzicht op pagina 145 van de begroting.
Hoe groot is het deel van de impuls beroepsonderwijs dat ten goede komt aan het hbo?
Zie het antwoord op vraag 222.
Wat zijn de kosten van de diverse monitors die worden gebruikt of ontwikkeld voor het hbo en het wo?
Voor het hbo en het wo worden diverse monitors gebruikt of ontwikkeld. Hieronder wordt per monitor aangegeven wat de (verwachte) kosten zijn:
• studentenmonitor: € 185 000 per jaar;
• ICT-monitor hoger onderwijs: € 280 000;
• internationale hoger onderwijs monitor: circa € 195 000 per jaar;
• arbeidsmarktmonitor: wordt uitgevoerd in opdracht van en betaald door de HBO-raad en de VSNU;
• project Onderwijs en Arbeidsmarkt: € 128 000 per jaar;
• monitor van het bachelor-masterstelsel: € 32 000;
Hoe moet een representatieve deelname van de bevolking aan het onderwijs bijdragen aan het bevorderen van de sociale cohesie?
Verschillen in deelname aan het onderwijs op basis van bijvoorbeeld etniciteit kunnen de sociale cohesie schaden. Het streven naar representatieve deelname beoogt dergelijke effecten te voorkomen. Onderwijsdeelname kan daarenboven een emancipatoir effect hebben op (minderheids)groepen in de samenleving.
Komen alle bestaande voortgezette hbo-opleidingen in aanmerking voor de categorie bekostigde masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs?
Beoogd is de voortgezette hbo-opleidingen aan te merken als hbo-master indien voldaan wordt aan de criteria kwaliteit, maatschappelijke behoefte en doelmatigheid.
Waarom wordt het internationaliseringbeleid alleen gericht op economisch interessante gebieden? Betekent dit dat er geen samenwerkingsverbanden komen met ontwikkelingslanden?
Internationaliseringsbeleid wordt in beginsel gericht op landen die onderwijskundig, cultureel dan wel economisch voor Nederland relevant zijn. Daarbij wordt zo veel mogelijk aangesloten bij het buitenlandbeleid van het kabinet. Het is overigens zo dat in het kader van Human Resource Development betrekkingen worden gestimuleerd met een aantal Aziatische landen (in het bijzonder Indonesië en China) door middel van technologische samenwerking, kennisoverdracht en training.
Instellingen zijn autonoom in het formuleren van internationaliseringsbeleid en het aangaan van samenwerkingsverbanden. De overheid zorgt in beginsel voor de benodigde randvoorwaarden. Dat betekent vooral:
• het faciliteren van instellingen bij hun positionering op de internationale onderwijsmarkt;
• het zorgdragen voor een transparant en toegankelijk onderwijsstelsel;
• het wegnemen van allerhande niet-functionele belemmeringen voor instroom van lerenden uit het buitenland.
Speerpuntlanden zijn in dit kader met name de landen van de EU, de landen die zullen toetreden tot de EU, een aantal zogenaamde opkomende markten, zoals China, Indonesië en Taiwan, Zuid-Afrika en de herkomstlanden. Het beleidsaccent voor het hoger onderwijs ligt met name op het verwerven van een goede internationale positie op de internationale onderwijsmarkt. Dit betekent overigens niet dat er geen samenwerkingverbanden bestaan of worden gestimuleerd met (andere) ontwikkelingslanden. Het ministerie van Buitenlandse Zaken (BuZa) formuleert het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. Nederlandse instellingen kunnen op basis van programma's die BuZa ontwikkelt samenwerkingsverbanden aangaan met ontwikkelingslanden. Goede interdepartementale afstemming en samenwerking met dit departement is uiteraard essentieel.
Wat is de achtergrond voor de keuze van prioritaire landen., te weten China, Indonesië, Taiwan en Zuid-Afrika, bij de internationalisering van het hbo?
Het versterken van de internationale positie van het Nederlands hoger onderwijs is sinds «Kennis: Geven en Nemen» en «HOOP 2000» een belangrijke prioriteit in het internationaliseringsbeleid. De economische basis voor het positioneringsbeleid wordt gevormd doordat op veel opkomende markten in vooral Azië een grotere vraag naar hoger onderwijs bestaat dan het eigen aanbod aankan. OCenW heeft in dit licht het Deltabeurzenprogramma ingesteld. Het programma stelt instellingen in staat om beurzen te verlenen aan studenten uit China, Taiwan, Indonesië en Zuid-Afika. Daarnaast zijn er de Netherlands Education Support Offices (NESO's) gerealiseerd in China (Beijing), Taiwan (Taipei) en Jakarta (NEC). Taken zijn: generieke promotie, het verschaffen van informatie over het Nederlands hoger onderwijs en de beurzenprogramma's, assistentie bij visaverlening en het bieden van een platform voor samenwerking tussen instellingen.
De keuze voor deze prioritaire landen is in overleg met het veld gemaakt. Samenwerking met Indonesië en Zuid-Afrika komt onder meer voort uit de culturele banden die Nederland met deze landen heeft. Een aantal instellingen was reeds actief in Taiwan. En de keuze voor China komt met name voort uit het feit dat China een opkomende markt is die niet in staat is al haar eigen studenten een hoger onderwijsopleiding aan te bieden. China richt haar blik in dit kader ook op Europa.
Wat zijn de criteria op basis waarvan lectoraten in de praktijk al dan niet worden goedgekeurd?
De toetsingscriteria zijn neergelegd in de toekenningsregeling lectoren en kenniskringen, die door de HBO-raad is vastgesteld.. Naast een aantal vormvereisten zijn er inhoudelijke eisen neergelegd. Deze hebben met name betrekking op: het domein, taken en inbedding van het lectoraat, de indicatoren voor het meten van het behalen van doelstelling, het competentieprofiel, het werkplan, omvang en de kwaliteiten van de kenniskring.
Hoeveel aanvragen voor bekostiging van lectoraten heeft de Stichting kennisontwikkeling hbo in 2002 beoordeeld, en hoeveel aanvragen zijn/worden goedgekeurd? Op welke gronden zijn in 2001 en 2002 aanvragen afgewezen? Hoeveel lectoren zijn in 2001 en 2002 daadwerkelijk aangesteld? Wat is de motivatie om reeds in 2004, dus als de eerste aangestelde lectoren zo'n twee jaar in dienst zijn, het programma te evalueren en de toekenning van verdere bedragen hiervan af te laten hangen? Welke criteria hanteert u, bij de evaluatie van de eerste lectoren en kenniskringen?
Van de 89 aanvragen die in 2001 zijn ingediend, zijn er 87 goedgekeurd. In 2002 zijn tot nu toe 76 aanvragen ingediend. Van deze 76 aanvragen zijn er 51 goedgekeurd. Aanvragen worden afgewezen indien uit toetsing aan de regeling blijkt dat niet of in onvoldoende mate aan de daarin gestelde voorwaarden wordt voldaan. Elke negatieve beslissing wordt schriftelijk gemotiveerd.Hogescholen hebben tot nu toe de aanstelling van 43 lectoren gemeld. De reden om het bestuurlijk arrangement voor de lectoraten en kenniskringen in 2004 te evalueren is dat op grond van de evaluatie de effectiviteit van het arrangement kan worden getoetst en een weloverwogen beslissing kan worden genomen over het eventueel opnieuw inzetten van middelen voor de lectoraten en kenniskringen. In mijn brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 29 oktober 2001, kenmerk HBO/AS/2001/34 150 waarbij de Tweede Kamer is geïnformeerd over het met de HBO-raad overeengekomen bestuurlijk arrangement heb ik destijds aangegeven dat vooralsnog additionele middelen ter dekking van de kosten van het instellen van lectoraten en kenniskringen beschikbaar zijn voor de periode tot en met 2004 (met een uitloop in 2005). In die brief is ook aangegeven op grond van welke prestatie-indicatoren de effectiviteit van het arrangement – mede aan de hand van de voorgenomen evaluatie – in 2004 zal worden beoordeeld.
Hoe verhoudt zich de voor lectoren en kenniskringen in 2005 gereserveerde € 15 miljoen tot tabel 6.4 waarin een bedrag van € 29,754 miljoen is opgenomen?
In tabel 6.4 is aangegeven welk bedrag jaarlijks beschikbaar is voor lectoren en kenniskringen: vanaf 2002 is dit € 29,8 miljoen per jaar. Met het Convenant lectoren en kenniskringen in het hbozijn de middelen tot en met 2004 volledig juridisch verplicht. In verband met de looptijd van de aanstelling van lectoren en kenniskringen (in het algemeen 4 jaar) is in datzelfde convenant vastgelegd dat er toewijzingen kunnen worden gedaan welke verder strekken dan het jaar 2004. Voor 2005 zijn deze uitgaven door de HBO-raad geraamd op € 15 miljoen. De reservering in deze ontwerpbegroting heeft hierop betrekking.
Kan de opmerking «Gezien de omvang van de verplichte uitgaven in 2005 tot en met 2007 dient nog besluitvorming plaats te vinden over de hoogte van de budgetten in die jaren» nader worden toegelicht? Kan de regering uitleggen op welke manier er een dekking voor de verplichte uitgaven wordt verkregen? Waarom wordt het budget voor kwaliteitsborging verlaagd?
Zoals blijkt uit tabel 6.14 van de ontwerpbegroting 2003, bedraagt de budgetflexibiliteit in elk van de jaren 2003 tot en met 2007 nul procent.
In verband met het ontbreken van onverplichte ruimte is de taakstelling budgetflexibiliteit voorlopig ingevuld op de verplichte uitgaven van de onderdelen: borging kwaliteit en overige specifieke stimulering. De nog te ontvangen loon- en prijsbijstellingen voor de komende jaren zullen worden ingezet om dit tekort te dekken. Indien deze dekking onvoldoende is, dient compensatie plaats te vinden ten laste van het reguliere exploitatiebudget voor de hogescholen.
Welke vergoeding wordt voor een stageplaats lerarenopleiding gegeven? Hoeveel stageplaatsen kunnen per jaar gerealiseerd worden in de periode 2003–2007?
Op grond van de regeling «Stagebegeleidingsvergoeding voor scholen voor basis- en voortgezet onderwijs en instellingen voor beroepsonderwijs en volwasseneneducatie» (Uitleg Gele Katern nr. 18a, 25 juli 2001) wordt per onderwijsvragende student in het hoger beroepsonderwijs aan zowel voltijdse, duale als deeltijdse opleidingen per jaar € 114 beschikbaar gesteld. Uitgaande van een inschrijvingsduur van 4 jaar komt dit neer op een totaalbedrag gedurende de opleiding van € 456 per student.
De universiteiten ontvangen € 454 per inschrijving aan een voltijdse, duale of deeltijdse universitaire lerarenopleiding.
Het subsidieplafond van deze regeling is vastgesteld op € 6,5 miljoen.
Er wordt vanuit gegaan dat voor alle betreffende studenten een stageplaats wordt gerealiseerd.
Wanneer kan het project (digitale) keuzegids hoger onderwijs worden afgerond? Hoe wordt de raming van € 1.3 miljoen op jaarbasis onderbouwd voor het vervaardigen van een onafhankelijke (digitale) keuzegids hbo? Waarom blijft dit bedrag over de periode 2003–2007 gelijk? Kan een specificatie worden gegeven van verwachte aanloopkosten in 2003 en operationele kosten in de latere jaren?
Het project (digitale) keuzegids kan worden afgerond nadat de Europese aanbestedingsprocedure is afgesloten met het verlenen van de opdracht en het platform met vertegenwoordigers van schooldecanen, scholieren en studenten en het forum met onafhankelijke experts beide zijn ingericht. Dit is naar verwachting nog dit jaar het geval.
De raming van € 1,3 miljoen op jaarbasis is gebaseerd op de huidige kosten van de studentenenquête en de papieren keuzegids aangevuld met een realistische schatting van de kosten die gepaard gaan met de verdere verbetering van de informatievoorziening voor de studiekeuze. Het gaat hier onder meer om uitbreiding van de studentenenquêtes, het verzamelen van extra gegevens, het consolideren van de verzamelde informatie naar een voor derden beschikbare database en de kosten van bijsturing (platform en forum) en monitor-activiteiten.
Het geraamde bedrag over 2003–2007 blijft gelijk omdat de hiervoor genoemde verdere verbetering van de informatievoorziening voor de studiekeuze geleidelijk, in de loop der jaren zal worden gerealiseerd. Dit geschiedt binnen het geraamde budget.
De geraamde aanloopkosten in 2003 bedragen € 200 000 voor het verder ontwikkelen van de studentenenquêtes en het consolideren van beschikbare gegevens naar een voor derden bruikbare database met inbegrip van voorzieningen voor het gebruik.
Inclusief voorzieningen voor kwaliteitsborging en monitoring bedragen de structurele operationele kosten voor de studentenenquêtes € 500 000, voor het consolideren van de beschikbare informatie naar een voor derden bruikbare database € 250 000 en voor het uitgeven van de papieren keuzegids € 350 000. Voor verdere verbetering van de informatievoorziening voor de studiekeuze is € 200 000 geraamd.
Zijn in het platform dat adviseert over de manier waarop de informatievoorziening voor studiekeuze verbeterd kan worden, ook organisaties van allochtone scholieren en studenten vertegenwoordigd? Zo ja, welke? Zo neen, waarom niet?
Het platform is momenteel in oprichting. Vooralsnog is er aan schooldecanen, algemene studenten- en scholierenbonden (NVS/ISO/LSVb/LAKS/JOB) gevraagd zitting te nemen in het platform. Op deze wijze meen ik dat alle studenten en scholieren adequaat vertegenwoordigd zijn, waaronder de allochtone studenten en scholieren.
Welke posten worden meegerekend bij het bepalen van de uitgaven per student en is het wenselijk al deze posten daarin mee te nemen?
In de kosten zoals gepresenteerd in tabel 6.13 van de begroting is het aantal deelnemers afgezet tegen alle uitgaven voor de reguliere bekostiging en de specifieke stimulering, minus de ontvangsten.
Tot de reguliere bekostiging wordt gerekend de normatief berekende rijksbijdrage voor personele en materiele kosten (inclusief de werkloosheidsuitkeringen) en huisvestingslasten. De uitgaven voor de specifieke stimulering zijn in de tabel gespecificeerd. Op het totaalbedrag is tenslotte in mindering gebracht de oploop ten opzichte van 2002 van het loon- en prijspeil. De gehanteerde systematiek is eenduidig voor alle onderwijssectoren.
Op welke wijze worden de middelen voor «overige stimulering», in 2003 € 3.1 miljoen, aangewend? Op welke wijze worden de middelen in de jaren 2004–2007 aangewend?
De geraamde middelen voor de jaren 2003 tot en met 2007 zullen worden ingezet voor een groot aantal ad hoc activiteiten. Voorbeelden hiervan zijn:
• (aanvullende) bijdrage aan het mkb-voucher experiment;
• subsidie verbetering kwaliteit docenten muziek in het basis- en speciaal onderwijs;
• bijdrage aan de Stichting Handicap en Studie;
• de financiering van de ho-prijs;
• Keuzegids 2002 (alleen 2003);
• subsidie Thinkquest uit de kunst (alleen 2003);
• de kosten i.v.m. de afstudeerfondsen;
• uitvoeringskosten uitvoeringsorganisaties;
• medefinanciering onderwijsdeel bestuursafspraken Friese Taal en Cultuur;
• aanvullende subsidie studentenorganisaties;
• bijdrage aan ckv-vouchers lerarenopleidingen basisonderwijs;
• publicatiekosten;
• kosten voor onderzoek, advisering en evaluaties.
Kan naar aanleiding van tabel 6.12 een overzicht en kostenspecificatie worden gegeven van de activiteiten die in 2002 zijn/worden gefinancierd en welke budgetten worden voorzien in de jaren 2003 t/m 2005? Door wie moet hier nog nadere besluitvorming over plaatsvinden en waar komt eventuele extra dekking vandaan?
Het aantal activiteiten dat wordt gefinancierd ten laste van het budget voor «overige specifieke stimulering» is omvangrijk. Dit wordt vooral veroorzaakt door het ad hoc karakter én de aard van de uitgaven. Om een beeld te geven van de uitgaven die ten laste van het budget 2002 zijn gebracht, worden onder meer genoemd:
• voorziening excellerende jonge musici;
• subsidie verbetering kwaliteit docenten muziek in het basis- en speciaal onderwijs;
• bezwaarschrift regeling herstructurering kunstonderwijs hbo;
• subsidie opleiding tolk/vertaler Hogeschool Zuyd;
• afwikkeling arbeidspool Noordelijke Hogeschool Leeuwarden;
• subsidie Thinkquest uit de kunst;
• project mkb-voucher experiment;
• subsidie project bedrijfstak voucher metalektro;
• dataconsolidatie elektronische keuzegids;
• keuzegids 2001;
• keuzegids 2002;
• ontwikkelen website studiekeuze;
• aanvullende subsidie studentenorganisaties;
• bijdrage convenant nautisch onderwijs;
• bijdrage Stichting Studie en Handicap;
• uitvoeringskosten IB-Groep;
• uitvoeringskosten CFI;
• onderzoek, advisering en evaluatie.
Het totaal van de uitgaven op het onderdeel «overige specifieke stimulering» wordt voor 2002 geraamd op ruim € 11 miljoen.
Voor de verdere beantwoording van deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 232.
Op welke wijze wordt de onderzoekscomponent van de universitaire budgettering verdeeld? Welke (historische) afspraken bestaan hierover en hoe vaak en op welke wijze worden deze afspraken herzien?
Het onderzoekdeel in de rijksbijdrage aan de universiteiten wordt verdeeld op basis van vaste voeten, aantallen proefschriften, aantallen ontwerperscertificaten, bedragen voor (top)onderzoekscholen en vanaf 2003 aantallen diploma's per universiteit.
De rijksbijdrage wordt verdeeld op basis van het Bekostigingsbesluit WHW. Dit besluit wordt in de praktijk jaarlijks gewijzigd. Een ontwerp-besluit tot wijziging van het Bekostigingsbesluit WHW wordt voorgehangen bij de Tweede Kamer.
Zoals is aangegeven op pagina 175 van de Rijksbegroting OCenW, wordt de bekostiging voor het begrotingsjaar 2003 aangepast aan de bachelor-masterstructuur. Binnen het onderzoekdeel wordt de component basisvoorziening onderzoek afhankelijk van aantallen diploma's per universiteit. Daardoor wordt ruim 15% van het onderzoekdeel verdeeld op basis van diploma's.
Wat zijn de consequenties van de sterkere nadruk op het verantwoordingstraject van instellingen voor de administratieve lastendruk voor instellingen en hun wetenschappelijk personeel?
Het streven is gericht op een harmonisatie met respectievelijk een conformering aan het Burgerlijk Wetboek, de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving van de Raad voor de Jaarverslaggeving en de maatschappelijk gangbare praktijk van segmentatie. Op onderdelen betekent dit een extra inspanning van de kant van de instellingen. Tegelijkertijd is het rijksbrede beleid om waar mogelijk de administratieve lastendruk te verminderen, bijvoorbeeld door deregulering, ook door mijn ministerie ter hand genomen. Mijn streven is gericht op een per saldo vermindering van de administratieve lastendruk.
Kan een vergelijking worden gemaakt tussen de onderwijskosten per student in het wetenschappelijk onderwijs en de onderwijskosten per student in het hbo?
De ontwikkeling van de uitgaven per student is voor het hbo opgenomen in tabel 6.13 en voor het wo in tabel 7.2 van de ontwerpbegroting 2003. Bij de beantwoording van vraag 236 is aangegeven welke posten zijn meegenomen bij de berekening van de uitgaven per student bij het hbo.
Ten aanzien van de bepaling van de prijs per student in het wo wordt opgemerkt dat het om een benadering gaat. Het is niet mogelijk een precies onderscheid te maken tussen het onderwijsgedeelte en uitgaven ten behoeve van onderzoek (verwevenheid onderwijs/onderzoek).
Kan worden aangegeven wat wordt gedaan met de conclusies van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeid (ROA) en het CBS dat er een toenemende behoefte is aan hoger en wetenschappelijk opgeleiden? Hoe valt dit te rijmen met de bezuinigingen in het hoger onderwijs?
Om tegemoet te komen aan de blijvend grote vraag naar hoger opgeleiden wordt op verscheidene fronten initiatief genomen. Ten eerste wordt de doorstroom vanuit het mbo naar het hbo gestimuleerd via de beroepskolom. Ten tweede zijn ter verbetering van de aansluiting van opleiding met arbeidsmarkt duale leerwegen geopend ook bij de universiteiten. Ten derde zijn er verscheidene maatregelen genomen of in voorbereiding voor specifieke beroepsgroepen. Ter bestrijding van het tekort aan leraren in het voortgezet onderwijs is zij-instroom mogelijk gemaakt. Tegen de tekorten in de medische sector zijn de numeri fixi reeds verhoogd en zullen die nog verder worden verhoogd. Bovendien wordt werk gemaakt van differentiatie van de werkzaamheden in de gezondheidszorg zodat nieuwe beroepen ontstaan die door nieuwe extra krachten kunnen worden vervuld. Voorst wordt met name met het oog op de tekorten aan mensen in de R&D en in het kader van verdere internationalisering bekeken hoe de toelating van wetenschappers uit het buitenland kan worden vereenvoudigd.
De instellingen voor hoger onderwijs zijn autonoom bij het bepalen van de (hoogte van de) bekostiging van hun eigen vestigingen en faculteiten. Bij zulke grote instellingen is het mogelijk kosten te besparen zonder dat dat ten koste gaat van de primaire taak van het opleiden van studenten. De bezuinigingen bedreigen niet het aantal hogere scholen of universiteiten noch de toegankelijkheid ervan. Verder hebben hoger-onderwijs-instellingen mogelijkheden zelf inkomsten te verwerven uit de markt.
Wordt in de bekostigingssystematiek voor het wetenschappelijk onderwijs op enigerlei wijze rekening gehouden met de staat van de huisvesting?
De component huisvesting binnen de totale lumpsum rijksbijdrage van een universiteit wordt vastgesteld naar rato van de omvang van de compartimenten onderwijs, onderzoek en – indien van toepassing – het budget voor universitaire lerarenopleidingen. Daarbij wordt geen rekening gehouden met de staat van de huisvesting.
Kan een overzicht worden geven van de financiële situatie van de verschillende universiteiten ten aanzien van hun huisvesting? Wat betekent dit voor de exploitatiekosten op de begroting van universiteiten?
De financiële situatie van de verschillende universiteiten wordt met name op basis van de jaarlijkse, voorgeschreven verslaggevingsdocumenten gemonitord.
Zoals op 11 april 2001 geantwoord op vragen van het lid Hamer (2000108570) is de financiële situatie van een universiteit de resultante van een groot aantal determinanten: het marktaandeel in de instroom van studenten, het marktaandeel in behaalde diploma's, het marktaandeel in dissertaties en publicaties, de gemiddelde leeftijd van het universitaire gebouwencomplex, de mate waarin universiteiten neveninkomsten weten te genereren, maar ook bijvoorbeeld de behaalde exploitatiesaldi in het verleden. Huisvesting is slechts één van de vele factoren die de financiële situatie beïnvloeden en een directe relatie tussen «de financiële situatie» en «de huisvesting» is niet aanwezig.
In antwoord op vragen van het lid Hamer (2010208500) in april 2002 is benadrukt dat op grond van artikel 2.17 WHW het College van Bestuur de middelen van de instelling zodanig beheert, dat een behoorlijke exploitatie en het voortbestaan van de instelling zijn verzekerd. Dit betekent dat het instellingsbestuur – gegeven de lumpsumfinanciering – zelf een afweging dient te maken tussen de noodzaak van nieuwbouwprojecten enerzijds en bijvoorbeeld het kwaliteitsniveau van de universitaire taken op het gebied van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek anderzijds.
Uit een eerste analyse van de jaarrekeningen over 2001 blijkt dat de financiële situatie, gemeten aan indicatoren als liquiditeit, solvabiliteit en rentabiliteit, ten opzichte van 2000 iets is afgenomen, maar nog steeds als «goed» gekwalificeerd kan worden. Op niveau van de sector: liquiditeit van 1,36 naar 1,26, solvabiliteit van 0,62 naar 0,59 en rentabiliteit van 1,1% naar 0,8%.
Op instellingsniveau is de belangrijkste conclusie dat de technische universiteiten op dit punt beneden het sectorgemiddelde presteren. Met name deze instellingen ramen de meest omvangrijke investeringen in universitaire huisvesting, waardoor op termijn de huisvestingslasten juist voor die universiteiten verder zullen toenemen.
Voor de komende jaren is voorzien in omvangrijke investeringen in universitaire huisvesting.
De VSNU raamt voor een periode van 16 jaar voor de gezamenlijke universiteiten in totaal een bedrag van 3,8 miljard euro. Dat deze investeringen een bepalende invloed zullen hebben op de financiële positie van de universiteiten is evident.
Welke instellingen voor internationaal onderwijs worden in de nabije toekomst gekoppeld aan universiteiten? Is het in alle gevallen de bedoeling dat bestuur en financiën ook bij de betreffende universiteiten komt te liggen? In welke gevallen niet? Wat zijn de criteria om een instelling voor internationaal onderwijs bestuurlijk en financieel bij een universiteit onder te brengen?
Per 1 januari 2002 zijn het International Institute for Aerospace Survey and Earth Sciences (ITC) en het Institute of Social Studies (ISS) een samenwerkingsverband aangegaan met de Universiteit Twente, respectievelijk de Universiteit Utrecht. De Maastricht School of Management (MSM) heeft in de zomer van dit jaar een overeenkomst gesloten met de Open Universiteit. Het Institute for Housing and Urban Development Studies (IHS) hoopt dit jaar een overeenkomst te sluiten met de Erasmus Universiteit. Het International Institute for Infrastructural Hydraulic and Environmental Engineering (IHE) wordt ondergebracht – op basis van een gezamenlijk werkplan – in het in november 2001 door de Algemene Vergadering van UNESCO opgerichte UNESCO IHE Institute for watereducation. Wat ITC, ISS, MSM en IHS betreft is het de bedoeling (en in geval van de eerst genoemde drie instituten als zodanig vastgelegd) dat de betrokken universiteit – als penvoerder – verantwoordelijk is voor het financiële beheer van de instelling voor internationaal onderwijs, hetgeen het uitgangspunt was bij het in het HOOP 1998 ingezette integratieproces. In de gesloten samenwerkingovereenkomsten is ook sprake van bestuurlijke verwevenheid tussen de universiteit en de instelling voor internationaal onderwijs.
Het criterium op grond waarvan de bovengenoemde instellingen in aanmerking zijn gebracht voor integratie met een universiteit is hun status van instelling voor internationaal onderwijs, die een basissubsidie ontvangen van het ministerie van OCenW. De instellingen die het betreft zijn met name genoemd in het ontwerp HOOP 2000, hoofdstuk 4.5«Integratie van instellingen voor internationaal onderwijs met universiteiten».
Wat zijn de argumenten om levensbeschouwelijke instellingen niet bestuurlijk en financieel onder te brengen bij bekostigde universiteiten? Zijn er levensbeschouwelijke instellingen, die wel reeds enige vorm van partnerschap met een bekostigde universiteit onderhouden? Wat zijn de resultaten van dergelijke partnerships? Wordt er op dit moment onderzoek verricht naar de wenselijkheid, haalbaarheid en te verwachten resultaten van het bestuurlijk en financieel onderbrengen van levensbeschouwelijke instellingen bij universiteiten?
De levensbeschouwelijke instellingen zijn onder te verdelen in drie categorieën. (Aangewezen) theologische universiteiten, zogenoemde duplex ordo ambtsopleidingen en zelfstandige ambtsopleidingen.
Voor al deze opleidingen geldt dat de bijdrage van het Rijk verstrekt wordt aan het betrokken kerkgenootschap ten behoeve van de (aangewezen) universiteit of de ambtsopleiding.
In Boek 2, artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek is vastgelegd dat kerkgenootschappen worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Daaruit vloeit ook voort dat de verantwoordelijkheid voor vorm en inhoud van de eigen ambtsopleiding voorbehouden is aan het betrokken kerkgenootschap. Levensbeschouwelijke instellingen bestuurlijk en financieel onderbrengen bij de bekostigde universiteiten zou hiermee in strijd zijn.
Voor de aangewezen universiteiten geldt overigens wel dat zij vanwege hun aangewezen status moeten voldoen aan de eisen die in de WHW worden gesteld omtrent een adequaat kwaliteitszorgsysteem en een regelmatige beoordeling van onderwijs en onderzoek (de visitatie).
Samenwerking met bekostigde universiteiten komt in verschillende vormen voor. De Theologische Faculteit Tilburg onderhoudt nauwe banden met de Universiteit van Tilburg, de Katholieke theologische universiteit Utrecht werkt nauw samen met de Universiteit Utrecht, de faculteit Godgeleerdheid in Nijmegen is onderdeel van de Katholieke Universiteit Nijmegen hoewel er bestuurlijk en financieel een directe band is met de Katholieke Kerk. De faculteit Godgeleerdheid van de Rijksuniversiteit Groningen werkt nauw samen met de Theologische Universiteit Kampen. De ambtsopleidingen van de Nederlandse Hervormde Kerk zijn vorm gegeven in combinatie met de theologische opleidingen aan de Universiteiten Leiden en Utrecht (duplex ordo ambtsopleidingen). De Vrije Universiteit verzorgt zelfstandig ambtsopleidingen voor enkele kerkgenootschappen. Een aantal kleinere kerkgenootschappen heeft een binding met de universiteiten Leiden en Utrecht.
Enkele jaren geleden is door de Vrije Universiteit en de Samen-op-Weg Kerken de mogelijkheid onderzocht van een fusie van de faculteit Godgeleerdheid van de VU met de Theologische Universiteit Kampen. Over deze fusie kon geen overeenstemming worden bereikt.
Er wordt op dit moment geen onderzoek verricht naar de wenselijkheid, haalbaarheid en te verwachten resultaten van het bestuurlijk en financieel onderbrengen bij universiteiten van levensbeschouwelijke instellingen.
Wat verklaart het grote verschil in jaarlijkse subsidiering tussen het Interstedelijk Studentenoverleg (€ 227 000) en de Landelijke Studenten Vakbond (€ 98 000)?
Het verschil wordt veroorzaakt door de tijd. De subsidieaanvraag van het Interstedelijk Studentenoverleg (ISO) was eerder ingediend dan die van de Landelijke Studentenvakbond (LSVb). Daardoor was bij de opstelling van de ontwerpbegroting 2003 nog geen rekening gehouden met de verhoging van de subsidie van de LSVb. Inmiddels is besloten dat beide organisaties de beschikking krijgen over hetzelfde bedrag van € 227 000.
Wordt bij de herziening van het opleidingstraject geneeskunde ook rekening gehouden met een herziening van de wet BIG? Zo neen, waarom niet?
Neen, de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG) hoeft hiervoor niet aangepast te worden.
De fundamentele herbezinning op de opbouw van het gehele opleidingstraject van het eerste jaar van de opleiding tot arts tot aan de afsluiting van een medische specialisatie heeft plaats in het KNMG-project «het medisch opleidingscontinuüm; de arts van straks». Uitkomst van dit project is onder meer de aanbeveling om een betere aansluiting te realiseren van tussen de opleiding tot basisarts en het daaropvolgend specialisatietraject, waardoor in het totale opleidingstraject enige tijdwinst te halen zou zijn. De waarborgen van de wet BIG ten aanzien van registratie, titelbescherming en bevoegdheden inzake opleidingseisen voor de arts en de diverse specialismen blijven van toepassing.
Is de numerus fixus geneeskunde per 1 september 2002 daadwerkelijk opgehoogd naar 2550? Hoeveel inschrijvers zijn per 1 september 2002 afgewezen voor een opleiding geneeskunde? Wanneer wordt de additionele ophoging van 250 plaatsen gerealiseerd?
Ja. Gegevens over de afgewezen gegadigden voor de opleiding geneeskunde per 1 september 2002 zijn opgevraagd bij de Informatie Beheer Groep. Volgens die gegevens zijn er dit studiejaar circa 1400 geschikte gegadigden voor geneeskunde uitgeloot. Het streven is er op gericht de additionele ophoging van 250 plaatsen per september 2003 te realiseren. Deze realisatie is echter afhankelijk van besluitvorming van het volgende kabinet over de financiële gevolgen.
Is actief beleid gericht op «brain gain» een belangrijk element van het beleid? Welke stappen worden ondernomen om de obstakels weg te nemen die thans bestaan bij het aantrekken van buitenlandse wetenschappers?
Het voeren van een goed personeelsbeleid is de verantwoordelijkheid van de instellingen. De instellingen bepalen daarbij zelf hoe zij zich zo aantrekkelijk mogelijk kunnen maken voor de beste wetenschappers uit binnen- en buitenland.
Over de voornemens van de regering voor het wegnemen van obstakels in de Wet arbeid vreemdelingen bij het aantrekken van kenniswerkers bent u geïnformeerd bij brief van 24 mei 2002 van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Thans werkt de Interdepartementale werkgroep toelating kennismigranten aan een advies over het wegnemen van obstakels in de Vreemdelingenwet en de invoering van één loket voor de afhandeling van aanvragen voor tewerkstellingsvergunningen en verblijfsvergunningen.
Op welke wijze worden de «Van Rijn-gelden» ingezet? Worden deze middelen ook daadwerkelijk besteed aan verbetering van de doorstroom van vrouwelijke wetenschappers en een combinatie van arbeid en zorg? Wat zijn de conclusies van de eerste rapportage hierover van de VSNU (Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten)?
De VSNU meldt in haar rapportage van augustus 2002 over de inzet van de Van-Rijnmiddelen dat het late tijdstip waarop deze middelen beschikbaar zijn gesteld, alsook het sectorale overleg met de vakorganisaties over de besteding van die middelen ertoe geleid hebben dat deze middelen in 2001 door de universiteiten amper feitelijk besteed konden worden. Dat betekent dat de VSNU de verantwoording over de besteding van deze middelen zal bezien in samenhang met de rapportage aan mij over de besteding van de tweede tranche over het jaar 2002. De VSNU heeft toegezegd deze rapportages zo vroeg mogelijk in 2003 toe te zenden.
Wat zijn de feitelijke aantallen assistenten in opleiding (aio's) in fte voor de jaren 2001 en 2002? Tonen deze cijfers een stabiel genoeg beeld in de zin van de conclusies in het rapport Van Vucht Tijssen over het aio-stelsel, het promotiestelsel en de doorstroom van aio's naar functies in de vaste wetenschappelijke staf?
De feitelijke aantallen aio's in fte, ultimo 2002 zijn thans nog niet bekend. In het kader van de informatieafspraken met de VSNU worden de personele kengetallen over ultimo 2002, medio 2003 door de VSNU geleverd.
Het feitelijk aantal aio's in fte's ultimo 2001 bedraagt 5276. Dat zijn 326 aio's meer dan de extrapolatie die tabel 7.28 voor 2001 aangeeft. Het is aanzienlijk meer dan de prognoses in het rapport van Vucht Tijssen. De prognoses in dat rapport voorzien in 4343 aio aanstellingen in 2003 en 4360 aio aanstellingen in 2008.Vanuit de aanname dat het aantal aio's vanaf 2001 gelijk blijft, vertoont de ontwikkeling van het aantal aio's vanaf 2001 een stabiel en gunstiger beeld dan de prognoses in het rapport van Vucht Tijssen.
Wat wordt bedoeld met begrenzing van leerrechten?
Het begrip leerrechten verwijst naar een bepaalde hoeveelheid rechten (b.v. in de vorm van geld of trekkingsrechten) die studenten krijgen toegekend om hun opleiding vorm te geven. Omdat de overheid niet onbeperkt de opleidingswensen van studenten kan en wil financieren zijn leerrechten noodzakelijkerwijs beperkt. Zo geldt voor het recht op studiefinanciering en om onderwijs te volgen tegen het gereduceerde wettelijke collegegeld, de grens van 30 jaar.
Wanneer worden de resultaten van de experimenten en simulatie met vraagsturing bekend?
De eindrapportage van de (eerste fase van de) simulatie «vraagfinanciering in het wetenschappelijk onderwijs» is voorzien voor uiterlijk 31 januari 2003. Op grond van de resultaten zal worden besloten tot verdere stappen in de simulatie of tot een experiment in de werkelijkheid. Vanzelfsprekend zult u hierover worden geïnformeerd.
Welk percentage van de studenten geneeskunde maakt op dit moment gebruik van een werkplaatsfunctie in een algemeen (d.w.z. niet-academisch) ziekenhuis? Worden bij dit percentage ook werkplaatsen in de eerstelijnszorg betrokken? Welk percentage van de studenten geneeskunde zal in de jaren 2003–2007 gebruik maken van een werkplaatsfunctie in een algemeen (d.w.z. niet-academisch) ziekenhuis? Welke invloed hebben deze verhoudingen bij het opstellen van de verdeling van de middelen onder de Rijksbijdrage Academische Ziekenhuizen?
Een exact inzicht in de procentuele verdeling van de co-assistentschappen tussen de academische en niet-academische ziekenhuizen is niet voorhanden. Elk medisch curriculum kent 2 jaar co-assistentschappen, waarvan ongeveer de helft – ca. 42 weken – buiten het academisch ziekenhuis in de affiliatie (meestal een algemeen ziekenhuis) wordt gevolgd. Het gaat dan om 1500 à 2000 co-assistenten. In alle opleidingen geneeskunde zijn co-assistentschappen geprogrammeerd in de eerste lijn: huisartsgeneeskunde en (meestal ook) sociale geneeskunde. Deze curriculumonderdelen beslaan 4 à 10 weken in totaal.
In de komende jaren zal het beroep op affiliatieplaatsen aanzienlijk toenemen. Dit hangt samen met het feit dat in de afgelopen periode de instroom in de opleiding geneeskunde aanzienlijk is toegenomen. Voor deze capaciteitsuitbreidingen is medewerking van niet-academische ziekenhuizen hard nodig. De verhouding tussen co-schappen in de academische ziekenhuizen en de affiliatie zal ten gunste van de laatste groep gaan verschuiven. De relaties van de universitair medische centra met de partner-ziekenhuizen zullen dus intensiever worden en van karakter veranderen.
De wijzigende verhoudingen hebben geen invloed op de verdeling van het rijksbijdragedeel, dat door de minister wordt vastgesteld als bijdrage voor de academische ziekenhuizen voor hun, in de WHW vastgelegde, taak op het gebied van ondersteuning van het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek.
Bij de algehele herziening van het verdeelmodel rijksbijdragedeel academische ziekenhuizen in 1997 verdween de parameter «co-assistentschappen», die sinds 1992 onderdeel uitmaakte van het verdeelmodel. Partijen waren van mening dat die parameter in de praktijk niet voldeed en daarmee afdeed aan de doelstelling van de verdelingssystematiek: met een normatieve grondslag te komen tot een objectieve en rechtvaardige verdeling.
Daarbij is overwogen dat naast het rijksbijdragedeel academische ziekenhuizen ook in het rijksbijdragedeel van de universiteit (deel medische faculteit) middelen zijn begrepen die bedoeld zijn om affiliatielasten buiten het academisch ziekenhuis te kunnen bekostigen.
Welke overwegingen liggen ten grondslag aan de daling van het budget voor het subtotaal instellingen internationaal onderwijs en onderzoek ten opzichte van 2001?
De daling van het budget voor het internationaal onderwijs heeft alleen betrekking op het ISS, ITC en JNI.
Voor het ISS en ITC komt dit door de budgettering van de uitkeringen na ontslag per 1-1-1998. Vanaf 2002 en verder is de taakstelling structureel doorgetrokken. Voor het ITC geldt bovendien dat een deel, te weten het ISRIC (International Soil Reference and Information Centre) per 1-1-2002 is ondergebracht bij de Wageningen Universiteit waardoor de subsidie voor het ITC evenredig is verlaagd.
De lagere subsidie voor het JNI ten opzichte van 2001 is te verklaren doordat een eerdere bestuurlijke afspraak met betrekking tot het verhogen van de subsidie met € 46 000 geldt voor de periode van 1998–2002.
Moet uit tabel 7.33 worden opgemaakt dat er vanuit de directie WO van het ministerie van OCW in het geheel geen beleidsgericht onderzoek meer wordt uitgezet bij derden? Wat zijn de gevolgen hiervan voor het beleid?
In tabel 7.33 op pagina 194 is het bedrag van € 817 000 voor het beleidsgericht onderzoek in 2002 weggevallen. Het is niet de bedoeling dat de directie wetenschappelijk onderwijs in de toekomst geen beleidsgericht onderzoek zal doen. In 2003 en verder wordt – net als in 2001 en 2002 – jaarlijks binnen de OCenW begroting een bedrag overgeboekt naar artikel 7 ten behoeve van het beleidsgericht onderzoek.
Waaronder valt het Talentenprogramma, mede gelet op de overzichtsconstructie internationaal beleid?
Onder de doelstelling van het bevorderen van mogelijkheden van de lerende voor internationale oriëntatie en kennisverwerving. In de overzichtsconstructie onder «mobiliteit» (zie ook het antwoord op vraag 261).
Kan worden gekwantificeerd in welke mate er sprake is van internationale mobiliteit in het middelbaar beroepsonderwijs?
In het studiejaar 1999/2000 gingen er 5 379 bve-leerlingen met een Nederlandse of Europese beurs naar het buitenland, dat is circa 2,5% van een jaarcohort (zie ook pagina 207). Goede gegevens over de omvang van de inkomende mobiliteit zijn er niet.
Waaruit bestaan de verplichtingen genoemd in tabel 8.5 inzake budgettaire gevolgen van internationaal onderwijsbeleid? In hoeverre zijn hierin – na evaluatie van opbrengst en effectiviteit – nog wijzigingen aan te brengen? Kan inzicht worden gegeven in hoe de uitgaven verdeeld worden over de verschillende programma's?
De verplichtingen genoemd in tabel 8.5 zijn (meerjarige) wettelijke, juridische en beleidsmatige verplichtingen, die zijn aangegaan teneinde de doelstellingen van het internationale onderwijsbeleid te realiseren. Indien effectmetingen door middel van periodieke evaluaties en monitoring daartoe aanleiding geven, kunnen met name binnen de beleidsmatige verplichtingen en binnen de vrije begrotingsruimte in meerjarig perspectief nieuwe accenten worden gelegd en eventuele wijzigingen worden aangebracht. De beleidsmatige verplichtingen worden in tabel 8.6 aangeduid als complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden. De toelichting bij tabel 8.6 geeft een beschrijving van de belangrijkste programma's (in termen van geld) per type uitgave.
Klopt het bericht betreffende de financiering hoger onderwijs dat te verwachten is dat de huidige, ongeveer 70/30 verhouding tussen overheidsfinanciering en andere bronnen zal worden omgedraaid? Wat is hierin de stellingname van de regering bij de GATS-onderhandelingen (General Agreement on Trade in Services)? Wat is het officiële regeringsstandpunt hierover?
Naar de toekomst kijkend meent het kabinet dat universiteiten en hogescholen er verstandig aan doen om naast publieke taken ook andere activiteiten te ontplooien. De verhouding tussen de inkomsten die instellingen van de overheid krijgen voor het bekostigen van hun publieke taken en wat de instellingen zelf aan middelen «verdienen» kan dus in de toekomst wijzigen. In dat verband heb ik het buitenlandse voorbeeld aangehaald waar de publieke taken ongeveer dertig procent van het takenpakket uitmaken, en dus ook van de totale inkomsten. Die verhouding is voor mij geen streefcijfer, maar een voorbeeld. Veel universiteiten en hogescholen zijn deze weg overigens al ingeslagen; gemiddeld halen universiteiten op dit moment zo'n vijfentwintig procent van hun geld uit de markt, de hogescholen zeven procent.
In de onderhandelingen met betrekking tot GATS speelt het bovenstaande geen rol. Bij de GATS-onderhandelingen gaat het om het openstellen van markten voor commerciële dienstverlening.
Wat bedoelt de regering precies met de stelling dat GATS een symboolfunctie voor de verdere nationale beleidsontwikkeling heeft? Hoe werkt deze symboolfunctie? Waar staat GATS dan symbool voor?
GATS staat voor het openstellen van «markten» voor elkaar en buitenlandse aanbieders. Het gaat daarbij om zaken als de relatie tussen publiek- en privaat onderwijs en hoe daarmee om te gaan. Voorts dient het als een forum om tot dergelijke afspraken te komen.
Deze internationale ontwikkelingen hebben repercussies voor het nationale beleid, waarmee in verdere beleidsontwikkeling rekening mee moet worden gehouden.
Welke gevolgen verwacht de regering als nieuwe aanbieders zich tot Brussel of de NMa wenden met een klacht over oneerlijke concurrentie voor het publiek gefinancierde hoger onderwijs en voor de verstrekking van publieke middelen aan deze nieuwe toetreders? Zijn deze gevolgen al in kaart gebracht voordat in 1995 de GATS-verplichtingen werden aangegaan? Wat was toen de afweging om hiermee in te stemmen?
Gelet op de thans geldende situatie verwacht ik geen problemen indien aanbieders zich tot Brussel of de NMa wenden met een klacht over oneerlijke concurrentie voor het publiek gefinancierde hoger onderwijs.
Volgens de huidige stand van het gemeenschapsrecht is dit onderwijs geen dienst in de zin van het Verdrag. Het Hof van Justitie heeft zich in zaak Humbel1 hierover duidelijk uitgelaten. In een recent Commissiedocument2 dat betrekking heeft op diensten van algemeen belang in relatie tot staatssteun wordt deze uitspraak herhaald en als argument gehanteerd dat dergelijk onderwijs niet onder de verdragsbepalingen aangaande staatssteun valt. Dit wil dus zeggen dat de nationale overheid instellingen van hoger onderwijs zonder meer op dit punt mag subsidiëren en steunen.
In dit verband ben ik mij er terdege van bewust dat bij verdere nationale beleidsontwikkeling in de toekomst internationale regelgeving, waaronder zowel die van de WTO/GATS als die van de Europese Unie, nauw betrokken moet worden.
In mijn brief aan EU-commissaris Reding inzake GATS wijs ik expliciet op de doorwerking van internationale regelgeving op het nationale beleidsproces.
De situatie in 1995 is niet in alle opzichten vergelijkbaar met die van heden. Belangrijke overweging in 1995 bij het aangaan van commitments is dat de GATS-bepalingen toezien op het commercieel onderwijs en niet op het publieke bestel. Dat bestel is van de werking van de GATS uitgezonderd als een specifieke overheidstaak en verantwoordelijkheid, zodat zonder bezwaren samen met de overige EG-lidstaten commitments op het terrein van commercieel onderwijs konden worden aangegaan. Buiten dat kent Nederland vrijheid van onderwijs. Buitenlandse aanbieders van commerciële onderwijsdiensten dienen dus ook de mogelijkheid te hebben om op de Nederlandse markt te opereren binnen het kader van de Nederlandse wet- en regelgeving.
Welke verzoeken zijn er gericht aan de EU in het kader van de GATS-onderhandelingen met betrekking tot het hoger onderwijs direct, dan wel indirect via de lijn van de subsidiëring?
Aan de EG en de lidstaten zijn geen voor Nederland relevante specifieke verzoeken gericht, direct of indirect.
Zoals bekend zijn Nederland en de overige EG lidstaten reeds in 1995 verplichtingen aangegaan op het terrein van commerciële onderwijsdiensten, waardoor de onderwijsmarkt in dit opzicht vrij toegankelijk is voor aanbieders van commerciële onderwijsdiensten.
Valt het publiek gefinancierd hoger onderwijs volgens de definities die worden gehanteerd in het GATS-verdrag (artikel 1.3 lid b) nu wel of niet onder haar werking?
De desbetreffende GATS bepaling is zodanig geformuleerd dat het door de overheid bekostigde onderwijs niet onder de werking van deze overeenkomst valt.
Klopt het dat niet alleen de liberalisering in de audiovisuele sector maar ook onderwijs in het algemeen in het kader van WTO-GATS hoog op de agenda staan? Zo ja, wanneer is dat door wie besloten? Wat was/is de rol van Nederland bij deze prioriteitstelling?
Er is in WTO/GATS-kader geen sprake van besluitvorming omtrent prioritering van specifieke (sub-)sectoren of horizontale onderwerpen binnen de dienstenonderhandelingen. Daarnaast maken onderwijsdiensten en audiovisuele diensten relatief slechts een klein deel uit van de brede dienstenonderhandelingen. Voor deze onderwerpen bestaat wel de nodige politieke aandacht.
Wat zijn de verwachtingen voor de komende jaren ten aanzien van de omvang van de inkomende buitenlandse studenten en uitgaande Nederlandse studenten in het hoger onderwijs?
Inkomend: de instroom van buitenlandse studenten via programma's is de afgelopen twee jaar gestegen van 8200 studenten tot 8851, vooral vanwege het Delta-programma (zie ook pagina 208 van de begroting). Het totale aantal buitenlandse studenten is overigens duidelijk groter: de Nuffic schat dat er in het jaar 1999/2000 ongeveer 21 500 waren. Het overgrote deel komt uit EU-landen. Het Nederlandse beleid is erop gericht om het aantal buitenlandse studenten ook van buiten de EU te vergroten om het Nederlands hoger onderwijs te positioneren op de wereldmarkt, onder meer met het Delta-programma voor studenten uit China, Indonesië, Taiwan en Zuid-Afrika (zie het ook antwoord op vraag 228). Omdat dit beleid vorig jaar succesvol was, is de verwachting dat de komende jaren het aantal studenten uit vooral China nog verder zal stijgen. In 2003 wordt overigens het positioneringsbeleid geëvalueerd, inclusief de effecten ervan op de inkomende mobiliteit.
Uitgaand: gemeten over de afgelopen jaren (zie ook pagina 207) gaat gemiddeld 27,8% van de hbo-studenten en 38,1% van de wo-studenten in de loop van de studie naar het buitenland. Dit beeld is vrij constant en zal dat naar verwachting, bij ongewijzigd beleid, zo blijven.
Welke concrete maatregelen worden genomen om het ziekteverzuim van leraren in de diverse sectoren van het onderwijs terug te dringen?
Naast het bestaande pakket van maatregelen is er sinds november 2000 sprake van een convenant Arbo- en Verzuimbeleid Onderwijs en Wetenschappen. Door middel van vijf deelconvenanten wordt de verzuimbegeleiding en reïntegratie en de psychische belasting in het po, vo, bve en hoger onderwijs aangepakt. Daarnaast wordt scholen en instellingen de mogelijkheid geboden om bijvoorbeeld van regioadviseurs gebruik te maken, wordt er voorlichting en informatie aangeboden, kan men meedoen aan een arbeidszorgsysteem en wordt mediation in het onderwijs en intervisie voor directie en leerkrachten aangeboden. Binnen de onderwijssectoren zijn het Vervangingfonds en het Sectorbestuur Onderwijs verder zeer actief met het bieden van oplossingen en advies.
Wat is de definitie van de «stille reserve» die gemobiliseerd moet worden om het lerarentekort terug te dringen?
De stille reserve bestaat uit personen die in het onderwijs als leraar gewerkt hebben en een bevoegdheid hebben dat te doen. Naast de bron van de stille reserve bestaat sinds de invoering van de Interimwet zij-instroom de mogelijkheid voor iedereen met een hoger onderwijsdiploma om na gebleken geschiktheid in het onderwijs als zij-instromer te gaan werken.
Hoe worden de WAO-ers, fpu-ers, wachtgelders e.d. weer voor het onderwijs teruggewonnen?
WAO-ers worden teruggewonnen voor het onderwijs via het opdrachtgeverschap voor reïntegratietrajecten dat door sociale partners in het onderwijs in 2002 is ingevuld. Voor het primairen voortgezet onderwijs en het beroepsonderwijs ben ik via een convenant met sociale partners overeengekomen dat de reïntegratie op cao-niveau wordt vormgegeven.
In het kader van de cao 2000–2002 voor het po, vo en bve is intensivering van de reïntegratie van gedeeltelijk arbeidsongeschikten overeengekomen. Via een project dat in opdracht van het Participatiefonds en Bve-Raad wordt uitgevoerd, wordt invulling aan de intensivering gegeven.
Met de Onderwijs BV wordt momenteel bezien of er mogelijkheden zijn een pilot te starten in regionale setting om «situatief arbeidsongeschikten» terug te leiden naar het onderwijs.
Voor oudere werknemers die langer doorwerken dan de spilleeftijd fpu is een flankerend beleid geïntroduceerd op basis waarvan langer doorwerken wordt beloond met het verhogen van het niveau van de fpu-uitkering. Deze verhoging kan naar keuze direct ingaan dan wel worden vertaald in extra ouderdomspensioen.
Voor fpu-ers die zijn uitgetreden geldt een relatief gunstige anticumulatieregeling; zij kunnen tot 100% van het laatst verdiende loon bijverdienen.
Wachtgelders worden voor het onderwijs teruggewonnen door activerend arbeidsmarktbeleid dat op subsectoraal niveau is vormgegeven. Het beleid bestaat uit preventie, activeringsprogramma's, trajectbegeleiding en scholing.
Daarnaast geldt voor nieuwe wachtgelders die sinds 1 januari 2001 onder de Werkloosheidswet vallen het wettelijke reïntegratieregime dat is aangevuld met sectorspecifieke activiteiten zoals de preventief werkende voormelding en het door sociale partners ingevulde opdrachtgeverschap voor reïntegratietrajecten bij een afstand tot de arbeidsmarkt (fase 2 en 3).
In de eerder genoemde pilot zal ook worden getracht wachtgelders die werden ontslagen op grond van een verstoorde arbeidsverhouding terug te leiden naar het onderwijs.
Hoe wordt «integraal personeelsbeleid» gedefinieerd als het gaat om vernieuwende projecten op het gebied van arbeidsvoorwaarden, personeelsbeleid en arbeidsmarkt?
In het kader van de nota's Maatwerk, maar ook uit hoofde van de cao's (met name de cao 1999), hebben de organisaties van werkgevers en schoolleiders een actieve rol bij de invoering van integraal personeelsbeleid. Ook de werknemersorganisaties bereiden hun leden en de personeelsgeledingen uit de medezeggenschapsraden voor op dit personeelsbeleid zodat zij op de werkvloer hieraan een verantwoorde bijdrage kunnen leveren. Zij onderschrijven de gezamenlijk opgestelde definitie van integraal personeelsbeleid en hebben meegewerkt aan de totstandkoming van het handboek integraal personeelsbeleid.
Integraal personeelsbeleid betekent het regelmatig en systematisch afstemmen van de inzet, kennis en bekwaamheden van de medewerkers op de inhoudelijke en organisatorische doelen van de school. Deze afstemming is ingebed in de strategische positie en gerelateerd aan de onderwijscontext van de school. Hierbij wordt professioneel gebruik gemaakt van een samenhangend geheel van instrumenten en middelen die gericht zijn op de ontwikkeling van individuele medewerkers.
Uit welke «subgroepen» bestaat de groep «post-actieven» in tabel 9.3 en 9.4?
In artikel 1 van de regeling van het «Aanwijzingsbesluit regeling ziektekostenvoorziening onderwijs- en onderzoekpersoneel» zijn de betrokkenen in de zin van de Regeling ziektekostenvoorziening onderwijs- en onderzoekpersoneel gedefinieerd.
De betrokkenen zijn zowel actieven als post-actieven.
De post-actieven zijn personen die niet meer werkzaam zijn bij een openbare of uit openbare kas bekostigde instelling voor openbaar onderwijs.
Deze categorie omvat de volgende personen, genoemd in artikel 1, onderdeel b, c, d, e, g, h, i, j, l, m, en n Aanwijzingsbesluit Regeling ziektekostenvoorziening onderwijs- en onderzoekpersoneel:
• wachtgelders;
• vutters en fpu-ers;
• gepensioneerden;
• een weduwen- of weduwnaarspensioen genietende, niet hertrouwde weduwen en weduwnaars van betrokkene;
• wao-ers;
• wachtgelders die werkzaam waren bij een door het ministerie van OCenW, dan wel het ministerie van LNV bekostigde instelling die zijn aangewezen als werkgever bedoeld in artikel B3 van de ABP-wet, zoals dit luidde op 31 december 1995, of artikel 2, derde lid, sub b van de Wet privatisering ABP (de zgn. B3 instellingen);
• vutters en fpe-ers, die werkzaam waren bij een zgn. B3-instelling;
• personen die wegens ziekte niet meer werkzaam zijn bij een B3–instelling en enigerlei uitkering is toegekend o.g.v. artikel 11, eerste lid, van de Regeling aanspraken wegens ziekten of gebreken voor bepaalde groepen ambtenaren in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals deze luidde op 31 december 1995;
• gepensioneerden die werkzaam waren bij een zgn. B3-instelling;
• een weduwen- of weduwnaarspensioen genietende, niet hertrouwde weduwen en weduwnaars van betrokkenen die werkzaam waren bij een zgn. B3-instelling;
• wachtgelders, vutters, fpu-ers en gepensioneerden die werkzaam waren bij een van de geheel of ten dele door het ministerie van OCenW bekostigde instelling in de sector van het wetenschappelijk onderwijs. Het betreft de instellingen: Stichting Internationaal Instituut voor Sociale Studiën (ISS) te 's-Gravenhage, Katholieke Theologische Universiteit Utrecht, Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Kerken in Nederland te Kampen, Nederlands Instituut voor Onderzoek ter Zee (NIOZ) te Texel, Universiteit voor Humanistiek, Stichting theologische faculteit Tilburg;
• een weduwen- of weduwnaarspensioen genietende, niet hertrouwde weduwen en weduwnaars van degenen die op de dag van overlijden betrokkenen waren in de zin van dit besluit, of betrokkenen zouden zijn geweest, indien dit besluit op die dag van kracht zou zijn geweest.
Hoe wordt het bevorderen van marktconforme loonontwikkeling aangepakt?
De huidige cao sector onderwijs (po, vo, bve) expireert per 31 januari 2003. Dit betekent dat op korte termijn de onderhandelingen voor een nieuwe cao zullen starten. Daarbij zal voor de sectoren po en vo een centrale cao worden gesloten, onder directe verantwoordelijkheid van de minister. Voor de sector bve zal voor het eerst een volledig decentrale cao worden gesloten, wat voor de sectoren hogescholen, universiteiten en onderzoeksinstellingen reeds sinds 1999 het geval is.
Een marktconforme loonontwikkeling draagt bij aan de noodzakelijke versterking van de wervingspositie. Gezien de huidige sombere economische vooruitzichten staat echter voorop dat zowel de sector onderwijs (po, vo) als de decentrale onderwijssectoren bijdragen aan de voor alle maatschappelijke sectoren noodzakelijke loonmatiging. Er van uitgaande dat sociale partners in de marktsector eveneens hun verantwoordelijkheid voor loonmatiging nemen, is een marktconforme loonontwikkeling ook onder de huidige omstandigheden binnen bereik. Overigens betekent marktconformiteit niet zondermeer dat de gemiddelde loonontwikkeling in de marktsector strikt gevolgd zouden moeten worden. Ook in de marktsector leggen de verschillende cao-sectoren eigen accenten. Voor de wervingspositie van de sector is van minstens even groot belang, dat scholen de ruimte hebben gekregen voor specifieke oplossingen van arbeidsvoorwaardelijke knelpunten (onder andere verbetering carrièreperspectief via functie- en beloningsdifferentiatie).
Hoe worden de reïntegratie van arbeidsongeschikten en wachtgelders en het beperken van de instroom in arbeidsongeschiktheid aangepakt?
De reïntegratie van arbeidsongeschikten is de verantwoordelijkheid van de werkgever, daarbij ondersteund door de arbodienst. Wanneer reïntegratie naar werk bij een andere werkgever aan de orde is, kan de werkgever een reïntegratiebedrijf inschakelen die de toeleiding naar ander werk verzorgt. Om de werkgever hiertoe in staat te stellen ben ik met sociale partners overeengekomen dat op cao-niveau het opdrachtgeverschap voor reïntegratietrajecten in het kader van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI) wordt vormgegeven.
De reïntegratie van wachtgelders wordt gerealiseerd via activerend arbeidsmarktbeleid dat op subsectoraal niveau is vormgegeven. Het beleid bestaat uit preventie, activeringsprogramma's, trajectbegeleiding en scholing.
Daarnaast geldt voor nieuwe wachtgelders die sinds 1 januari 2001 onder de Werkloosheidswet vallen het wettelijke reïntegratieregime dat is aangevuld met sectorspecifieke activiteiten zoals de preventief werkende voormelding en het door sociale partners ingevulde opdrachtgeverschap SUWI voor reïntegratietrajecten bij een afstand tot de arbeidsmarkt (fase 2 en 3).
Het beperken van de instroom in arbeidsongeschiktheid wordt aangepakt door ten eerste ziekte-uitval te voorkomen. In november 2000 zijn deelconvenanten met de onderwijssector afgesloten die verlaging van de psychische belasting en werkdruk in het po, vo, bve en hoger onderwijs als doelstelling hebben. Door middel van de modelcontracten met de Arbodiensten is de dienstverlening sterk verbeterd. Het beperken van instroom in de WAO wordt verder door de Wet verbetering poortwachter bewerkstelligd.
Waarom is er nog geen oplossing gevonden voor 6000 voltijdbanen?
Bij het opstellen van de arbeidsmarktbalans voor de komende jaren is uitgegaan van het bestaande beleid om de tekorten terug te dringen. Van alle beschikbare aanbodcategorieën is nagegaan wat de mogelijke ontwikkeling zou kunnen zijn gegeven de huidige maatregelen en het verwachte effect ervan.
Beleidsontwikkeling is een echter continu proces en dit proces gaat door met het verder verkennen van de mogelijkheden de dreigende tekorten te bestrijden. Hierbij gaat het onder andere ook om het stimuleren van initiatieven die scholen zelf ontplooien, en eventuele knelpunten die daarbij optreden op te lossen.
Wordt in de praktijk in alle gevallen vastgehouden aan de vereiste vooropleiding voor de zij-instroom, nl. een hbo- of wo-diploma?
Een getuigschrift van een met goed gevolgd afgelegd eindexamen van een hbo of wo opleiding is een wettelijke voorgeschreven voorwaarde om deel te kunnen nemen aan het assessment zij-instroom (artikel 4 van de Interimwet zij-instroom primair en voortgezet onderwijs). Daar kan niet van worden afgeweken.
Op welke inschattingen is in tabel 2 de verwachte instroom van 500 fte's gebaseerd als gevolg van het terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid.
Dit cijfer is gebaseerd op 850 voorgenomen reïntegratietrajecten die de komende jaren worden uitgevoerd, met een slaagpercentage van 60% (ervaringsgetal).
Is te verwachten dat de subsidieregelingen in het primair en voortgezet onderwijs op basis waarvan een school een bijdrage in de kosten krijgt voor het aanstellen van een zij-instromer een tweede keer worden verlengd? (deze regelingen verliepen op 31 juli 2002, maar zijn met een jaar verlengd)
Het ondersteunen van scholen in het po en vo bij het aanstellen van een zij-instromer blijft van groot belang. Over de wijze waarop deze financiële ondersteuning in de toekomst vorm krijgt wordt nog gesproken.
Hoeveel geld is er in het schooljaar 2001–2002 besteed aan de subsidie voor de kosten van assessment-centra gericht de beoordeling van potentiële zij-instromers? Hoe worden deze assessment-centra gecontroleerd op kwaliteit? Hanteren deze assessment-centra allemaal dezelfde criteria bij de beoordeling van een potentiële zij-instromer? Hoeveel potentiële zij-instromers zijn er sinds het begin van de subsidieregeling negatief beoordeeld? Is er een beroepsprocedure voor afgewezen zij-instromers? En zo ja, hoe vaak is daarvan gebruik gemaakt en hoe vaak is de beoordeling herzien?
Assessmentcentra worden niet rechtstreeks gesubsidieerd. Scholen krijgen een bedrag per zij-instromer (€ 9 000 in het primair onderwijs en € 10 000 in het voortgezet onderwijs) dat naar eigen inzicht besteed kan worden ter bestrijding van de kosten van het aanstellen van een zij-instromer (assessment, scholing en begeleiding, verletkosten etc.).
De inspectie houdt toezicht en heeft in dat verband op mijn verzoek voor de zomervakantie alle assessmentcentra voor het voortgezet onderwijs bezocht. In het najaar van 2002 richt zij zich op de assessmentcentra voor het primair onderwijs. Eind 2002/begin 2003 zal over de bevindingen van de inspectie worden gerapporteerd. Daarbij kan ook de vraag aan de orde zijn hoe de assessmentcentra beoordelingscriteria hanteren en hoeveel kandidaten bij het geschiktheidsonderzoek afvallen. Exacte gegevens over dat laatste zijn thans niet bekend.
De criteria voor het assessment zijn in algemene zin vastgelegd in het Uitvoeringsbesluit Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs.
Voor zij-instromers zijn geen speciale beroepsprocedures ingesteld. Het is niet bekend hoe vaak er gebruik is gemaakt van de normale beroepsprocedures bij de Bestuursrechter en derhalve ook niet hoe vaak de beoordeling dan is herzien.
Is het subsidiebedrag voor de zij-instromers, bezien per kostenpost, toereikend?
De kosten voor zij-instromers zijn afhankelijk van de elders verworven competenties van de kandidaat; op basis daarvan kan de duur van een individueel opleidings- en begeleidingstraject worden bepaald. De kosten bestaan dus uit het geschiktheidsonderzoek, de scholing en begeleiding van de zij-instromer en het verlet om de zij-instromer in staat te stellen de scholing te volgen.Het subsidiebedrag dat scholen krijgen en het verhoogde schoolbudget waarover scholen sinds augustus 2001 beschikken geven scholen voldoende ruimte om zij-instromers aan te stellen.
Heeft de eerste vervolgmeting Interimwet zij-instroom al plaatsgevonden? En zo ja, wat zijn daarvan de bevindingen?
De eerste vervolgmeting heeft nog niet plaatsgevonden. Bij het plannen van de metingen wordt rekening gehouden met het onderzoek van de Inspectie naar de kwaliteit van de assessments. De resultaten van dat onderzoek worden eind van dit jaar verwacht.
Door wie worden de pilots met meer gedifferentieerde functies van onderwijspersoneel gemonitord?
Het beleid ter bevordering van functiedifferentiatie en meer handen in de school wordt op diverse manieren vormgegeven. Zo zijn er projecten in het primair en voortgezet onderwijs van scholen die op basis van nieuwe visies op onderwijs streven naar een andere vormgeving van het onderwijs, de onderwijskundige organisatie en de inzet in teams van diverse soorten functies. Hun ervaringen worden overgedragen naar de scholen in Nederland. De ervaringen met Team onderwijs op maat, worden systematisch geïnventariseerd door het Instituut voor Arbeidsmarktvraagstukken.
Ook verschijnen bijvoorbeeld brochures over de diverse mogelijkheden en verkrijgen scholen (schoolbudget) meer financiële armslag voor functiedifferentiatie en personeelsbeleid. Het effect van alle beleidsinspanningen op dit punt zal worden onderzocht, onder meer door elk jaar na te gaan wat de ontwikkeling is in de samenstelling van het personeelsbestand in de scholen. De opdracht voor dit soort onderzoek wordt thans voorbereid en is nog niet verstrekt.
Waarom wordt in de BVE-sector zo weinig gebruik gemaakt van de mogelijkheid een leraar-in-opleiding in dienst te nemen tijdens diens laatste opleidingsjaar?
De in de rijksbegroting opgenomen cijfers hebben betrekking op het jaar 2001. De leraar in opleiding (lio) kwam aanvankelijk alleen voor in het primair onderwijs. In 2001 was de lio voor vo en bve dus nog betrekkelijk nieuw. Dat verklaart voor een belangrijk deel de lage aantallen in die sectoren.
Van oudsher is het beeld echter dat de studenten van lerarenopleidingen hun stages vooral in het voortgezet onderwijs lopen en veel minder in de bve-sector. Het lijkt er op dat die trend ook zichtbaar is als het gaat om het lio-schap. In 2002 zal dat niet anders zijn. Daar komt bij dat studenten die het leraarschap in een roc ambiëren tijdens hun studie ook bijvoorbeeld als instructeur kunnen zijn aangesteld en hun studie in die functie ook afronden, dus zonder formeel als lio te zijn aangesteld.
Welke positie neemt de functie van managementassistent qua inhoud en waardering in binnen het geheel van de als onderwijsondersteunend aangeduide functies van klassenassistent, onderwijsassistent en lerarenondersteuner?
Binnen de voor het primair onderwijs geldende normfuncties komt de functie van managementassistent niet voor. Wel bestaat voor het primair onderwijs de normfunctie administratief medewerker. Hiervoor geldt als waardering schaal 3 of schaal 4, afhankelijk van de functie-inhoud. In de functie van administratief medewerker op schaal 3-niveau is sprake van het verrichten van type-werkzaamheden en overige administratieve werkzaamheden, van financieel administratieve werkzaamheden en van werkzaamheden ten behoeve van de leerlingenadministratie. In de functie van administratief medewerker op schaal 4–niveau is tevens sprake van het verrichten van secretariaatswerkzaamheden en/of van eenvoudige financieel/cijfermatige administratieve taken.
De functie van administratief medewerker is, zoals de functiebenaming ook aangeeft, een administratief/secretariële functie. De functies van klassenassistent, onderwijsassistent en lerarenondersteuner daarentegen zijn ondersteunende functies ten behoeve van het primaire proces.
Voor de functie van klassenassistent in het (voortgezet) speciaal onderwijs geldt een waardering volgens schaal 3 of 4, afhankelijk van de functie-inhoud. De klassenassistent op schaal 3-niveau verricht verzorgende taken met betrekking tot de leerlingen. De klassenassistent op schaal 4-niveau verricht daarnaast ook eenvoudige routinematige onderwijsinhoudelijke taken.
In de functie van onderwijsassistent, waarvoor schaal 4 geldt, is sprake van het ondersteunen van de leraar bij het verrichten van eenvoudige routinematige onderwijsinhoudelijke taken en van het begeleiden van leerlingen bij de verwerving van vaardigheden.
Voor de voorbeeldfunctie van lerarenondersteuner, die inhoudelijk zwaarder is dan de functie van onderwijsassistent, geldt schaal 7.
Met welk bedrag is het schoolbudget per 1 augustus 2001 verhoogd voor de introductie van betaald ouderschapsverlof van onderwijspersoneel?
Het schoolbudget is per 1-8-2001 verhoogd met structureel € 266,6 miljoen. De vrije besteedbaarheid van het schoolbudget betekent dat niet zondermeer kan worden gesproken van een bedrag binnen het verhoogde schoolbudget dat expliciet is bestemd voor de introductie van betaald ouderschapsverlof. Besteding, resp. reservering van het schoolbudget voor betaald ouderschapsverlof zal per individuele school/instelling verschillen.
Wel is een macro-raming van de kosten van betaald ouderschapverlof gemaakt. Destijds zijn de kosten van een regeling ouderschapsverlof (conform de bestaande regeling in de sector Rijk) geraamd op circa. € 25 miljoen structureel voor de sectoren po, vo en bve. In deze raming is rekening gehouden met de kosten van vervanging, de gedeeltelijke (75%) doorbetaling van het salaris van de verlofganger en de fiscale facilitering van betaald ouderschapsverlof. Op basis van deze kostenraming is destijds aangegeven dat de financiering van betaald ouderschapsverlof structureel goed inpasbaar is binnen het schoolbudget.
Voor welk deel bevindt zich de extra gerealiseerde kinderopvang voor onderwijspersoneel binnen of in de buurt van het schoolgebouw waar het personeelslid werkt?
De regeling kinderopvang onderwijspersoneel voorziet in een financiële bijdrage van de werkgever aan de kosten van kinderopvang en in bemiddeling aan de ouders bij het zoeken van een geschikte opvangplaats. Deze bemiddeling gebeurt door de uitvoeringsorganisatie Kintent.
Er is geen sprake van dat OCenW zelf opvangplaatsen koopt en aanbiedt aan de ouders. Ouders zijn vrij om zelf een kinderopvangplaats te kiezen in elk gewenst kinderdagverblijf (mits dat voldoet aan officiële normen) of bij een gastouder. De ouders kiezen de plaats die hen het beste uitkomt. Dit zou bijvoorbeeld in de buurt van de eigen werkplek kunnen zijn, maar elders is ook mogelijk. Kintent kan de ouders bij het vinden van een plaats behulpzaam zijn.
Waarom kan de lumpsumfinanciering voor het primair onderwijs niet al per 1 augustus 2003 ingaan?
De invoering van lumpsumfinanciering is een ingrijpende operatie. Naast het wetgevingstraject (aanpassing WPO en WEC, alsmede een ingrijpende vereenvoudiging van diverse uitvoeringsbesluiten) dienen scholen ook over voldoende voorbereidingstijd te beschikken. Een voortvarend en zorgvuldig invoeringstraject wordt daarvoor momenteel uitgestippeld. Het tijdpad is er op gericht scholen 1 jaar vóór de feitelijke invoering, dus 1 augustus 2004, duidelijkheid te verschaffen over de wet- en regelgeving en een duidelijke indicatie voor de omvang van de lumpsumvergoeding. De Kamer zal daarover binnenkort nader worden geïnformeerd. Een sneller tijdpad is niet realistisch met dien verstande dat in het kader van de pilot «lumpsum» er scholen zijn die per 1 augustus 2003 al feitelijk ervaring kunnen op doen met lumpsum bekostiging (zie ook het antwoord op vraag 86).
Hoeveel geld gaat er naar het «Netwerk arbeidsmarkt- en personeelsbeleid»?
Het «Netwerk arbeidsmarkt- en personeelsbeleid is een netwerk waarin werkgevers, schoolleiders enerzijds en opleiders (roc's en lerarenopleidingen) anderzijds met elkaar spreken over vernieuwingen die moeten leiden tot krachtig arbeidsmarkt- en personeelsbeleid door scholen.
Het netwerk als zodanig ontvangt dan ook geen geld. Wel is er op bescheiden schaal ondersteuning mogelijk voor vernieuwingsprojecten die voortkomen uit het netwerk.
Hoe verhouden zich de aantallen instellingen in de bve-sector die in drie tranches zijn gestart met de voorbereiding en ontwikkeling van integraal personeelsbeleid (totaal 60) zich tot het totaal van de instellingen in de bve-sector? Wordt bij het vaststellen van bovenstaande cijfers onderscheid gemaakt tussen «voorbereiding en ontwikkeling» en daadwerkelijke «invoering»? Op welke veronderstellingen zijn de geprognosticeerde kengetallen van 1,00 gebaseerd voor de jaren 2005 en 2006 voor zowel po, vo als bve?
In totaal zijn nu in de bve-sector 60 instellingen gestart met de voorbereiding en ontwikkeling van integraal personeelsbeleid (26 in de eerste tranche; 24 in de tweede tranche en 10 in de derde tranche).In dit cursusjaar zijn er 72 bve-instellingen. De instellingen ontvangen bij de deelname in een tranche gedurende twee jaar en extra bedrag voor voorbereiding en ontwikkeling ten behoeve van de invoering van integraal personeelsbeleid. Er wordt geen onderscheid gemaakt in ontwikkeling en invoering.
Nu 60 bve-instellingen actief met de ontwikkeling en invoering van integraal personeelsbeleid bezig zijn, is het gerechtvaardigd te verwachten dat in 2005 en 2006 alle bve-instellingen integraal personeelsbeleid ingevoerd hebben.
Hoe kan de plotselinge stijging worden verklaard van het gebruik van de BAPO-regeling in 1998 t.o.v. de daling in de periode 1995–1997 (tabel 3)? Wat zijn de verwachtingen omtrent het gebruik van de BAPO-regeling voor de jaren 2003–2006?
In 1998 heeft de minister van OCenW met de centrales van besturenorganisaties een akkoord gesloten over de wachtgelden. In dit akkoord kwamen zij onder meer een verruiming van de Bapo-regeling in het primair onderwijs overeen.
Deze verruiming omvat:
• verlaging van de eigen bijdrage van 50% naar 35% voor personeel in schaal 9 en hoger;
• verlaging van de eigen bijdrage van 50% naar 25% voor personeel in schaal 1 tot en met 8;het recht op verkorting van de werkweek op grond van de Bapo-regeling wordt omgezet in een totaalrecht voor de leeftijdscategorie 52 tot 65 jaar;
• het totaalrecht kan flexibel worden opgenomen vanaf de leeftijd van 52 jaar.
Gelet op de toenemende vergrijzing is de verwachting dat het gebruik van de Bapo-regeling zal toenemen. De gedragseffecten met betrekking tot het percentage van de relevante leeftijdscategorie dat van de Bapo-regeling gebruik maakt, is moeilijk in te schatten.
Wat is de verklaring dat niet alle scholen zijn ingegaan op de mogelijkheid om een overeenkomst af te sluiten met de Arbodienst om de stijging van het ziekteverzuim een halt toe te roepen?
Meer dan 60% van scholen in primair- en voortgezet onderwijs maakt gebruik van de zogenoemde «modelcontracten». Er zijn een aantal oorzaken dat niet alle scholen hiervan gebruik maken. Een deel van de scholen hebben nog lopende langdurige contracten met Arbo-diensten. Een ander deel is niet genegen de kosten van een dergelijk contract voor zijn rekening te nemen en voorziet op andere wijze in arbo-zorg. Voor de resterende scholen geldt dat zij nadrukkelijk maatwerk willen en dat het modelcontract onvoldoende aansluit bij hun eigen wensen.
Wanneer is de pilot verzuimregistratie- en analyse voor de bve-sector en de hoger-onderwijs-sectoren klaar? Is het de bedoeling dat onderwijsinstellingen die verzuimen een deugdelijke verzuimregistratie te voeren in de toekomst worden aangepakt? Zo ja, hoe dan?
De pilot verzuimanalyse en pilot implementatie verzuimbeleid zijn inmiddels afgelopen. Voor de bve-sector heeft eind 2001 een bijeenkomst plaatsgevonden waar de resultaten van de pilot zijn gepresenteerd en waar de toolkit «verzuimregistratie en- analyse» is aangeboden. De ziektecijfers van het 2de kwartaal van 2002 voor de bve-sector zijn gebaseerd op de nieuwe verzuimdefinities. Voor de sector hoger onderwijs heeft op 18 juni jl. een vergelijkbare bijeenkomst plaatsgevonden en zullen de instellingen binnenkort gebruik gaan maken van de toolkit en nieuwe verzuimdefinities.
Onderwijsinstellingen die verzuimen een deugdelijke verzuimregistratie te voeren blijven een doorlopend aandachtspunt. De werkgeversverenigingen van bve en ho zijn echter verantwoordelijk voor het controleren en indien nodig sanctioneren van onderwijsinstellingen die geen gebruik maken van bovengenoemde toolkit en verzuimdefinities.
Waarom zet de trend van een dalende werkloosheid zich niet voort in het primair onderwijs?
De werkloosheid onder leraren in het primair onderwijs is de afgelopen jaren zeer sterk gedaald. De verwachting is dat de werkloosheid in het primair onderwijs daalt van ruim vier procent in 1997 naar minder dan twee procent in 2004. Net als in andere economische sectoren zal ook in het primair onderwijs altijd sprake zijn van zogenoemde «frictiewerkloosheid». Deze overgangswerkloosheid door baan-baan mobiliteit is onvermijdelijk en zal net als in andere sectoren met veel hoger opgeleiden naar schatting circa twee procent bedragen.
Wanneer is het TNO-rapport over reïntegratie van arbeidsongeschikt onderwijspersoneel klaar?
Het rapport «Reële reïntegratiemogelijkheden voor gedeeltelijk arbeidsongeschikt onderwijspersoneel» is afgerond en wordt momenteel besproken met de werknemers- en werkgeversorganisaties in het primair- en voortgezet onderwijs.
Het rapport kan worden geraadpleegd via de website van het ministerie van OCenW: OCenW-plein.
Wat zijn de exacte getallen waarop figuur 6 (ontwikkeling aantal personen in de WAO) gebaseerd is?
| Stromen | 1997 | 1998 | 1999 | 2000 | 2001 |
|---|---|---|---|---|---|
| Beginstand | 42 093 | 43 149 | 43 438 | 43 707 | 44 378 |
| Instroom | 5 403 | 4 729 | 5 074 | 5 936 | 7 319 |
| Uitstroom | 4 347 | 4 441 | 4 805 | 5 265 | 5 497 |
| Waargenomen ultimostand | 43 149 | 43 438 | 43 707 | 44 378 | 46 200 |
Waarom blijkt de deskundigheidsbevordering van docenten op het gebied van didactische ict-vaardigheden «een grotere hobbel dan verwacht»? Wat is de regering voornemens hieraan te gaan doen? Welke rol kunnen de stichting Ict op school, de stichting Kennisnet, en commerciële bedrijven specifiek spelen bij de deskundigheidsbevordering van docenten op het gebied van didactische ict-vaardigheden? Welk kader wordt geschapen om genoemde instellingen de gelegenheid te bieden dit knelpunt aan te pakken?
De deskundigheid van docenten ten aanzien van de ict-basisvaardigheden heeft zich de afgelopen jaren sterk ontwikkeld («learn to use»). Deze ontwikkeling heeft zich nog niet voldoende vertaald naar de meer didactisch/pedagogische vaardigheden, waarmee ict een krachtig en vanzelfsprekend middel is in de onderwijspraktijk van de toekomst («use to learn»). Gezien de relatief korte looptijd van de ict-innovaties binnen het onderwijs is dit ook te begrijpen.
De afgelopen jaren is immers aanzienlijk geïnvesteerd in onderwerpen zoals de infrastructuur binnen scholen, de contentontwikkeling en samenwerkingsverbanden e.d.. Deze onderwerpen vormen – samen met de deskundigheidsbevordering noodzakelijke randvoorwaarden om tot feitelijk didactisch gebruik van ict binnen het onderwijs te komen.
Verschillende voorzieningen zullen leiden tot een verdere vergroting van de deskundigheid van docenten:
• Vooral in de pioniersfase van de ict-vaardigheden heeft de aanwezigheid van een Digitaal Rijbewijs Onderwijs (DRO) en het Europese Rijbewijs (ECDL) docenten in staat gesteld ict-vaardigheden op te doen.
• Op grond van de ervaringen uit met name Canada (met de GrassRoots-projecten) en Zweden (ITiS) worden in Nederland de zogenaamde GrassRoots-projecten uitgevoerd. Uit de evaluatie van de pilotfase (in 2001–2002) blijkt dat deze manier van werken ook in Nederland leraren «over de drempel van ict-gebruik in de klas helpt». In 2003 worden de GrassRoot-projecten voortgezet en verder ingebed in het reguliere onderwijs.
• Zowel bij de Stichting ICT op School als bij Stichting Kennisnet staan de didactische ict-vaardigheden hoog in het vaandel. De Stichting Ict op School stimuleert de regionale samenwerking tussen scholen en leraren, waarbij het accent op allerlei technische zaken nu steeds meer verschuift naar het beleid van de scholen en naar het daadwerkelijke gebruik van ict in de klas.
Nu Kennisnet is «uitgerold» kunnen leraren optimaal gebruik maken van allerlei diensten en informatie op kennisnet en die benutten in hun onderwijs. Ook dit zal de deskundigheid – learning by doing – verder vergroten.
Welke rol kunnen de stichting Ict op school, de stichting Kennisnet, en commerciële bedrijven specifiek spelen bij het verlichten van de beheerslast voor ict-coordinatoren van een lokaal netwerk en een kennisnetaansluiting? Wordt hierbij ook voldoende gedacht aan de mogelijkheden van beheer-op-afstand door bijvoorbeeld schoolbegeleidingsdiensten of commerciële bedrijven? Wordt in dit verband ook aandacht geschonken aan de voor- en nadelen van het gebruik van Windows-programma's ten opzichte van bijvoorbeeld Linux-applicaties? Welk kader wordt geschapen om genoemde instellingen de gelegenheid te bieden dit knelpunt aan te pakken?
Het organiseren van bovenschools beheer via regionale samenwerking is volgens stichting Ict op School een kansrijke manier voor het verlichten van de beheerslast van scholen (ict-coördinatoren). Ict op School zal de komende periode aandacht besteden aan de mogelijkheden van beheer op afstand.
In het kader van het activiteitenplan 2003 zal ik hier afspraken met de stichting over maken.
Stichting Ict op School en Stichting Kennisnet gaan gezamenlijk voorlichting geven over de voor- en nadelen van het gebruik van open source software (onder andere Linux).
Waar nodig zullen praktijkproeven worden gedaan.
Waarom investeert «de markt» onvoldoende in innovatieve educatieve programmatuur? Wat zijn de voornemens om dit te bevorderen?
Er zijn meerdere redenen waarom de markt terughoudend kan zijn bij de ontwikkeling van educatieve programmatuur:
De (Nederlandse) markt wordt voor sommige vakken/onderwijsdomeinen als klein en versnipperd ervaren, waardoor de vraag niet omvangrijk genoeg is voor grote investeringen.
Traditionele leermiddelen worden over vele jaren afgeschreven, nieuwe middelen worden pas aangeschaft nadat deze periode voorbij is. Op korte termijn is er dus sprake van beperkte koopkracht.
Betalingssystemen op het internet functioneren onvoldoende, waardoor het terugverdienen van bepaalde investeringen voor digitaal materiaal onvoldoende is geregeld.
De rol van de overheid ligt niet bij het (centraal) aanschaffen van licenties. De onderwijsinstellingen moeten zelf de keuze kunnen maken voor het gebruik, en de aanschaf, van leermiddelen. De overheid kan wel een omgeving creëren die dit vereenvoudigt en bovenstaande knelpunten vermindert.
Vergroting van de transparantie van de markt. De portalsite www.kennisnet.nl, de leermiddelenbanken op Kennisnet en de expertisecentra ict spelen hierbij een belangrijke rol.
Binnen de subsidieregeling 2000 en 2001/2002 worden ontwikkelprojecten (samenwerkingsverbanden van scholen, contentleveranciers en/of expertisecentra) uitgevoerd, leidend tot digitale content op terreinen waar leemtes worden geconstateerd.
Via het Entree-dienst binnen Kennisnet wordt het mogelijk om educatieve digitale content beschikbaar te stellen voor betalende gebruikers.
Als gevolg van afspraken met de educatieve uitgeverijen worden vele on line methodensites ontwikkeld. Voor dit schooljaar zijn dat er 180. In het schooljaar 2003–2004 zal het aantal methoden gestegen zijn tot 277 (volgens opgaaf van ESCON-uitgeverijen).
Scholen worden gestimuleerd binnen samenwerkingsverbanden te werken aan de verdere integratie van ict in het onderwijs.
Vraagbundeling binnen deze verbanden behoort uiteraard tot de mogelijkheden, ook wat betreft de vraag naar digitale educatieve content.
Kunnen streefwaarden worden aangegeven bij de constatering dat «de huidige ict-infrastructuur en toegang daartoe [...] zowel kwantitatief als kwalitatief niet op het peil [is] dat recht doet aan de ambitie van Nederland om tot de Europese kopgroep te behoren»? Wat is het ambitieniveau van Nederland? Hoeveel computers zijn daarbij «voldoende» en hoe wordt «modern» gedefinieerd?
Op dit moment kan worden geconcludeerd dat – in het verlengde van de eindrapportage Onderwijs On Line, maar ook rapportages in het kader van de Digitale Delta – Nederland feitelijk onderdeel uitmaakt van de Europese kopgroep. Het is echter cruciaal dat de beslissingen in de toekomst de aansluiting bij deze kopgroep waarborgen. De scholen zijn daarbij zelf drager van de ict-innovatie binnen het leren van morgen. Zij zullen de beslissingen moeten nemen met betrekking tot de verdere positionering en inzet van ict binnen hun onderwijs, die aansluiten bij de specifieke situatie van deze school en de pedagogische visie die zijn hebben. Daarvoor zijn geen blauwdrukken en uniforme streefwaarden te formuleren.
De randvoorwaarden zijn aanwezig om een breder verspreidde stap naar het didactisch gebruik van ict in het onderwijsproces te zetten. Zeker nu de uitrol van kennisnet is voltooid en de portalsite steeds meer educatieve content gaat bevatten. Zie ook het antwoord op vraag 56.
Kunnen streefwaarden worden aangegeven bij de doelstelling dat «scholieren in staat worden gesteld om «tegelijkertijd» en «onafhankelijk van elkaar» gebruik te maken van ict-toepassingen in het onderwijs»?
Bij de start van het netwerk kennisnet is een basisvoorziening aan bandbreedte gedefinieerd die er per onderwijssector als volgt uit ziet;
primair onderwijs: 10 kilobit per sec. per 10 leerlingen
voortgezet onderwijs: 15 kilobit per sec. per 10 leerlingen
beroepsonderwijs en volwasseneneducatie: 5 kilobit per sec. per 10 leerlingen.
Het betreft gegarandeerde bandbreedtes, waarbij de ondergrens aan inkomende bandbreedte gegarandeerd is. De piekcapaciteit is vele malen hoger dan de gegarandeerde capaciteit. Deze is echter niet altijd gegarandeerd beschikbaar.
Een voorbeeld:
Een vo-school met 1000 leerlingen heeft gegarandeerd de beschikking over 1500 kilobit per seconde (= 1,5 Mb) en een piekcapaciteit van 10 000 kilobit per seconde (= 10 mb).
Daarnaast is in januari 2002 afgesproken om de minimum gegarandeerde bandbreedte voor een school te verhogen van 128 naar 256 kilobit per seconde.
Wanneer is de regering voornemens om het vervolg op het project Onderwijs on line van start te laten gaan? Hoelang duurt dit vervolgproject? Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de inhoud van dit vervolgproject? Welke kosten zijn gemoeid met dit vervolgproject? Wat worden de streefwaarden van dit vervolgproject?
In april jl. is de discussienota «ICT na 2002, netwerken in het onderwijs» uitgebracht. Hierop zal een beleidsreactie worden opgesteld, die begin 2003 aan de Tweede Kamer wordt toegezonden. Deze reactie zal enerzijds de laatste ontwikkelingen en stand van zaken op het terrein van ict-integratie in het onderwijs bevatten.
Daarnaast zal de reactie ingaan op de toekomst van de ict in het onderwijs, waarbij een belangrijk uitgangspunt is dat – na de pioniersjaren – de onderwijsinstellingen zoveel als mogelijk worden gepositioneerd en gefaciliteerd om zelf drager van de (ict)onderwijsinnovatie te zijn.
Kan worden aangegeven hoe ict zal gaan worden ingezet om de tweede fase vo en het studiehuis te faciliteren? Kan worden aangegeven hoe ict zal gaan worden ingezet bij de modernisering van de onderwijsarbeidsmarkt en bij het wegwerken van onderwijsachterstanden?
Scholen zijn zelf drager van de onderwijsinnovatie. Ict is daarin geen doel op zich, maar een middel. De exacte inzet van ict kan per school verschillen: daar zijn geen blauwdrukken voor te geven.
Bij de inzet die scholen kiezen is het van belang de kracht van ict als innovatief middel te onderkennen. Op www.ictna2002.nl is in de publicatie Zin en onzin van het rendement van ict beschreven dat een goede inzet van ict in zijn concrete toepassing in het didactische proces o.a. kan leiden tot meer motivatie (bij leraar en leerling) en betere schoolprestaties (juist ook van achterstandsgroepen).
Daarnaast maakt ict meer maatwerk en zelfstandigheid van leren mogelijk, hetgeen het studiehuisconcept kan ondersteunen.
Kan worden aangegeven in hoeverre Nederland de afspraken heeft gerealiseerd over ict in het onderwijs, die zijn gemaakt tijdens de top in Lissabon (maart 2000) en de top in Barcelona, over het aansluiten van alle scholen op internet, het beschikbaar hebben van tenminste één on line computer voor elke 15 leerlingen en dat docenten over voldoende ict-vaardigheden beschikken om binnen het onderwijs het onderwijs gebruik te kunnen maken van de mogelijkheden van internet en multimedia? Indien Nederland niet alle afspraken heeft gerealiseerd, kan dan worden aangegeven hoever Nederland achterloopt ten opzichte van de overige Europese lidstaten? Kan in dat geval worden aangegeven hoe en wanneer deze achterstand is of wordt weggewerkt?
Op dit moment zijn alle scholen die dit wilden aangesloten op Kennisnet.
Uit de ict-onderwijsmonitor ICT in cijfers, 2001–2002 blijkt dat:
• De computer-leerling-ratio ligt tussen de 1 op 9,7 in het voortgezet onderwijs en 1 op 6,5 in de lerarenopleidingen.
• In het primair onderwijs hebben 39% van de computers een internetaansluiting. In de lerarenopleidingen ligt dit op 100%.
• Tussen de 64% van de leraren in het primair onderwijs en 96% bij de lerarenopleidingen beschikken over ict-basisvaardigheden.
Uit deze cijfers blijkt dat Nederland ruimschoots voldoet aan de Europese afspraken en zich tot de internationale kopgroep mag rekenen als het gaat om ict in het onderwijs.
Scholen hebben zelf de verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling en uitvoering van hun ict-beleid. Er is niet gekozen voor het landelijk formuleren van doelstellingen voor de school van de toekomst.
De overheid bevordert condities die scholen in staat stellen aan de algemeen geldende eisen van deugdelijkheid te voldoen en daarnaast om door henzelf te formuleren, verder gelegen doelen te bereiken.
De onderwijsinspectie betrekt de ontwikkeling van de ict component op de scholen in haar toezicht. Over de ontwikkelingen op nationaal niveau wordt jaarlijks gerapporteerd middels de ict-onderwijsmonitor.
Wat zijn de concrete streefwaarden voor de bevordering van ict-deskundigheid van onderwijzend personeel? Hoe wordt dit gemeten?
In het ict-onderwijsbeleid hebben de scholen een grote eigen verantwoordelijkheid. Zo ook voor de deskundigheid(sbevordering) van hun docenten. De scholen hebben de middelen ontvangen om de bij hun onderwijsvisie passende deskundigheid te realiseren. Hiervoor zijn geen centrale doelstellingen geformuleerd. Via de ict-onderwijsmonitor en het inspectietoezicht wordt nagegaan hoe scholen hiermee omgaan.
Wat zijn de concrete streefwaarden voor de ontwikkeling van educatieve software en het opzetten van educatieve websites door uitgeverijen?
In de intentieverklaring tussen de minister van OCenW en vier grote educatieve uitgeverijen is afgesproken dat de uitgeverijen zo'n 200 methodesites zouden ontwikkelen.
Daarnaast blijkt dat er een groeiend aantal partijen is dat interesse heeft in gebruik van de mogelijkheden van de Entreedienst en in de toekomst via deze dienst content wil gaan aanbieden.
Wat wordt bedoeld met «andere infrastructurele voorzieningen» waarvoor scholen het bedrag van € 57,86 per leerling mogen aanwenden? Worden hierin beperkingen aangebracht? Hoe wordt de besteding van deze bedragen gecontroleerd?
Met andere infrastructurele voorzieningen wordt bedoeld dat de scholen kunnen investeren in hard- en software, netwerken, deskundigheid en digitale content. De scholen zijn vrij in de besteding van het bedrag per leerling voor ict-doeleinden. De besteding wordt gecontroleerd in het kader van rekenschap met behulp van de ict monitor, de schoolportretten van de onderwijsinspectie en in de jaarverslaglegging van de scholen, waarin zij een inhoudelijke en financiële verantwoording doen.
Wanneer worden de via Kennisnet aangeboden diensten uitgebreid met een abonnementssysteem? Wat houdt dit precies in? Welke diensten zullen zonder, en welke alleen met een abonnementssysteem kunnen worden afgenomen? Wie bouwt dit abonnementssysteem? Welke kosten zijn specifiek gemoeid met de ontwikkeling van dit abonnementssysteem? Zijn er, na gereedkomen van het systeem, extra kosten voor op kennisnet aangesloten scholen, docenten of leerlingen om gebruik te maken van het abonnementssysteem? Wat is precies de meerwaarde van dit abonnementssysteem ten opzichte van vrijelijk op Kennisnet of internet benaderbare informatie?
De zogeheten Entreedienst is een dienst die ervoor zorgt dat content van allerlei contentaanbieders via één login-naam en password toegankelijk zijn. Dat zorgt ervoor dat leerlingen en docenten niet gedwongen worden vele van deze combinaties te onthouden en verlaagt de drempel voor gebruikers (met 1 login-naam kom je bij die content die voor jou geschikt is) en aanbieders om elektronische content te gebruiken en te maken.
De dienst is in nauwe samenspraak met een aantal grote uitgevers ontwikkeld. Zij hebben ervoor gezorgd dat er tweehonderd methodesites beschikbaar zijn die van de Entreedienst gebruik kunnen maken. Concreet betekent dit dat als scholen een bepaalde methode aanschaffen zij er een licentie voor de elektronische content bij kunnen kopen. De Entreedienst zorgt ervoor dat er aan de hand van login-naam en password gecheckt wordt of de gebruiker recht heeft de content te raadplegen. Als dit het geval is, krijgt de gebruiker al die content te zien waar ouder of instelling een licentie voor heeft gekocht. De Entreedienst wordt op de Nederlandse Onderwijs Tentoonstelling gelanceerd. De dienst vult een behoefte van onderwijs en contentaanbieders in, waaraan door de markt niet werd voldaan. De Stichting Kennisnet is bij uitstek de partij die hieraan invulling kan geven, gezien haar positie als boven de marktpartijen staande organizer. De privacygevoeligheid van gegevens van gebruikers speelt hierbij uiteraard ook een rol. De omvang van het platform (voor 2,5 miljoen gebruikers die mogelijk allen gelijk inloggen) stelt bijzondere eisen aan de technische inrichting. De Stichting Kennisnet heeft hiervoor een aanbesteding uitgeschreven en deze dienst aanbesteedt aan Price Waterhouse en Coopers. Met de ontwikkeling van dit systeem is € 2,8 miljoen gemoeid. De dienst kan naast het afschermen van bepaalde content ook andere gebruikersprofielen onthouden waardoor het voor leerlingen en docenten gemakkelijk wordt om bij de voor hen geschikte content te komen, zonder dat zij daar heel internet en Kennisnet voor hoeven afzoeken. De dienst kent uiteraard ook een exploitatielast. Over de wijze waarop deze last, gedragen gaat worden vind nog nader overleg plaats.
Daarnaast biedt Entree bijvoorbeeld de mogelijkheid om gecontroleerd toegang tot diensten te verschaffen bijvoorbeeld aan een veilige chatomgeving op Kennisnet.
Kunnen de kosten van € 11 miljoen voor «bijzondere aansluitingen en breedband» worden gespecificeerd? Wat wordt verstaan onder bijzondere aansluitingen en om hoeveel aansluitingen gaat het? Wie komen in aanmerking voor een bijzondere aansluiting? Wat wordt in dit artikel verstaan onder breedband?
Eind 2001 en begin 2002 zijn met nl.tree een aantal aanvullende afspraken gemaakt, waaronder het aansluiten van de laatste instellingen uit het po, vo en bve op Kennisnet voor 1 juni, meer mogelijkheden voor instellingen uit het bve om internetdienstverlening op maat af te spreken, een hernieuwd (strenger) boeteregime en de mogelijkheid tot een tussentijdse beëindiging van het contract.
De bandbreedte van de in dit kader gerealiseerde aansluitingen (ca. 1700) is bepaald op basis van het aantal leerlingen.
Als bijdrage in de kosten is afgesproken dat OCenW een aanvullende vergoeding van € 18,2 miljoen aan nl.tree betaalt. Hiervan wordt € 11 miljoen in 2003 betaald. (zie ook kamerstuk 25 733 nr. 79, nr. 81 en nr. 83).
Wat is precies de streefwaarde van de doelstelling van de Stichting ict op school dat «eind 2004 het merendeel van de scholen in het primair onderwijs op enigerlei wijze participeert in een samenwerkingsverband en/of gebruik kan maken van de diensten van een regionaal steunpunt ict»? Om welk percentage scholen gaat het hier? Hoeveel regionale steunpunten ict zijn voorzien en op welke wijze worden deze opgezet? Is het de bedoeling dat de regionale steunpunten ict alleen kunnen worden opgericht vanuit de onderwijsinstellingen en de Stichting ict op school, of kunnen hierbij ook commerciële bedrijven een rol spelen? Onder welke voorwaarden kunnen commerciële bedrijven een rol spelen in de regionale steunpunten ict?
Het primair onderwijs omvat circa 7600 scholen. Al deze scholen zouden volgens de ambitie van Stichting Ict op School eind 2004 moeten kunnen deelnemen aan een regionaal samenwerkingsverband. Participatie in een samenwerkingsverband vindt plaats op basis van vrijwilligheid. Ict op School houdt er rekening mee dat een aantal scholen, al dan niet op principiële gronden, niet zal willen participeren in een samenwerkingsverband. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat 95% van de scholen voor primair onderwijs daadwerkelijk zal deelnemen aan een samenwerkingsverband. Het inventariserende onderzoek naar samenwerkingsverbanden (zie ook vraag 310) moet laten zien of deze inschatting reëel is.
Naar de mening van Ict op School telt het aantal scholen dat deelneemt aan een samenwerkingsverband zwaarder dan het aantal samenwerkingsverbanden. Uitgaande van het huidige gemiddelde aantal van 50 scholen per samenwerkingsverband zou in de eindsituatie gedacht kunnen worden aan ongeveer 150 samenwerkingsverbanden.
Ict op School gaat uit van samenwerkingsverbanden die worden opgericht door onderwijsinstellingen. Bij samenwerking gaat het vooral om het bundelen van de vraag naar (ict-) producten en diensten en het uitwisselen van ervaring tussen scholen.
De relatie van commerciële bedrijven met samenwerkingsverbanden is er in het algemeen een van leverancier en klant.
Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de resultaten van het grootscheepse inventariserende onderzoek naar samenwerkingsverbanden op het terrein van ict in het onderwijs? In opdracht van wie is dit onderzoek uitgevoerd en welke kosten zijn met dit onderzoek gemoeid? Welke vragen beoogt men met dit onderzoek te beantwoorden? Hoe is dit onderzoek uitgevoerd en wie heeft eraan meegedaan?
De resultaten van het onderzoek worden in november van dit jaar verwacht. Stichting Ict op School zal de onderzoeksresultaten publiceren zodat ook de Kamer daarvan kennis kan nemen.
Het onderzoek wordt in opdracht van Ict op School uitgevoerd door het onderzoeksinstituut Oberon te Utrecht. De kosten van het onderzoek bedragen € 150 000 en worden gedekt binnen de begroting van Ict op School. Dit bedrag is inclusief de kosten die verbonden zijn aan de inschakeling van de schoolbegeleidingsdiensten bij de verzameling van gegevens.
Het onderzoek brengt in kaart waar wordt samengewerkt op het terrein van ict en waar dus niet. Op die manier krijgt Ict op School scherper in beeld waar gerichte stimulering van samenwerking moet plaatsvinden.
Tevens is het de bedoeling dat het onderzoek inzicht verschaft in de omstandigheden die gunstig, dan wel ongunstig zijn om in een regio tot samenwerking tussen scholen te komen.
Kan worden gespecificeerd op welke wijze het tweederde deel van het jaarlijks budget van € 2,7 miljoen van de stichting Ict op school, dat niet gericht wordt ingezet ter stimulering van regionale samenwerking, wordt besteed?
De verdeling van het jaarlijkse budget van € 2,7 miljoen van de stichting Ict op school is als volgt:
| Regionale samenwerking | 525 000 |
| Organisatie en leerprocessen | 300 000 |
| Techniek en beheer | 250 000 |
| Onderzoek en analyse | 75 000 |
| Website | 150 000 |
| Communicatie | 200 000 |
De resterende kosten hebben betrekking op de apparaatskosten (€ 1,2 miljoen) van de stichting. Hiervan is één derde deel toe te rekenen aan regionale samenwerking en tweederde deel aan de overige activiteiten. De werkwijze van de stichting en rol die ze vervult is die van procescoördinator en consumentenorganisatie.
Kan worden aangegeven op welke wijze de stichting Kennisnet ervoor denkt te gaan zorgen dat er voldoende aanbod beschikbaar is van educatieve software voor docenten en leerlingen?
De Stichting Kennisnet is niet verantwoordelijk voor het ontwikkelen van educatieve software. Dat zijn de content-leveranciers. De Stichting Kennisnet probeert wel drempels te verlagen voor content-aanbieders om educatieve software/content te ontwikkelen, zodat er digitaal lesmateriaal voor het onderwijs beschikbaar komt. De Entree-dienst (zie ook vraag 307) is hiervan een voorbeeld.
Met de ontwikkeling van zo'n dienst zijn aanzienlijke kosten gemoeid, terwijl het voor aanbieders van content wel belangrijk is dat zij een mechanisme hebben waarlangs zij kunnen controleren of een gebruiker er recht op heeft hun software/content te raadplegen. Als elke aanbieder dit zelf zou moeten ontwikkelen zou dat niet van de grond komen en een onacceptabele last voor gebruiker inhouden (de vele login-namen en passwords). Nu de Stichting Kennisnet deze dienst heeft laten ontwikkelen, blijken vele content-aanbieders geïnteresseerd. Daarnaast maakt Kennisnet reeds bestaand aanbod geordend toegankelijk via de portal www.kennisnet.nl. Dat stimuleert het gebruik in het onderwijs en daardoor weer de interesse van content-leveranciers om te investeren.
Op welke wijze moet de portalsite www.kennisnet.nl gezien worden als een «virtueel intern» netwerk?
Het kennisnetdomein is een virtueel netwerk voor het onderwijs. Binnen dit domein hebben onderwijsgebruikers de mogelijkheid om bij informatie en diensten voor het onderwijs te komen via verbindingen waarvan de kwaliteit gewaarborgd is.
De kennisnetportal (www.kennisnet.nl) biedt een geordende toegang tot de informatie op het kennisnetdomein.
Kunnen cijfers worden gegeven bij het aanbod van software en content dat via de portalsite www.kennisnet.nl gebundeld moet worden? Om hoeveel websites of educatieve programma's gaat het? Op welke wijze bundelt de portalsite dit aanbod? Wat is precies de meerwaarde van de portalsite van Kennisnet ten opzichte van reeds op het internet aanwezige startpagina's of zoekmachines?
De hoeveelheid aanbod groeit steeds. Er zijn nu zo'n 60 000 pagina's beschikbaar. Kennisnet ordent deze pagina's zodat de gebruiker niet lang hoeft te zoeken naar wat voor hem of haar geschikt is, maar direct die content vindt die voor zijn rol in het onderwijs hulp biedt. De portal bestaat nu uit ingangen voor drie sectoren (po, vo en bve) en daarin kan meteen op de eerste pagina gekozen worden voor de rol die iemand binnen die sector vervult (leerling, docent etc.). Er zijn zo'n 25 van deze subportals.De meerwaarde van deze aanpak is gelegen in het feit dat er zoveel op internet te vinden is dat docenten en leerlingen daar veel tijd aan kwijt zijn. De ordening die Kennisnet biedt maakt het gebruik van internet in het onderwijs gemakkelijker.Een goed voorbeeld hiervan is de vakwijzer, waarin op bijvoorbeeld vakken en sectoren gezocht kan worden naar links op internet. Deze links zijn door collega-docenten gevonden, beschreven en beoordeeld, waardoor een docent meteen weet wat hij eraan heeft in de les.
Wat zijn de streefwaarden van de stichting Kennisnet ten aanzien van «tevreden klanten»? Waarover moeten deze klanten precies tevreden zijn? Hoe wordt dit gemeten? Hoe worden deze streefwaarden uitgesplitst over de verschillende onderwijssectoren?
De Stichting Kennisnet vindt het een voorwaarde dat haar klanten tevreden zijn over het aanbod dat zij op Kennisnet vinden.
Streefwaarden hebben betrekking op de frequentie van het gebruik en de beoordeling van het aanbod op Kennisnet door managers, ict-coördinatoren en docenten.Periodiek wordt de tevredenheid gemeten. Er is een nulmeting van het NIPO in het najaar van 2001 gedaan. De volgende meting vindt eind 2002 plaats. Op basis van de nulmeting vindt longitudinaal onderzoek naar de tevredenheid van de gebruikers plaats.
Daarnaast wordt de tevredenheid meegenomen in het kader van de ict-monitor en de rapportages van de inspectie van het onderwijs.
Wat wordt precies bedoeld met de «vraagsturing» waardoor de stichting Kennisnet zich in zijn meerjarenplan laat leiden? Om wat voor vraag gaat het precies en welke instanties stellen deze vragen? Op welke wijze neemt de stichting kennis van deze vragen?
De strategie van vraagsturing houdt in dat de Stichting Kennisnet zich laat leiden door de vraag van het onderwijs naar ondersteuning en aanbod en niet zelf invult wat zij denkt dat het onderwijs nodig heeft. Dat houdt in dat de sites getest worden door het onderwijs, er steeds contact is met scholen, leerlingen en managers om het aanbod te optimaliseren naar de wensen van de gebruikers. Sinds het bestaan van de Stichting Kennisnet (nu 1 jaar) heeft de Stichting allerlei acties ondernomen om het aanbod goed af te stemmen op de wensen van gebruikers. Er zijn vele klankbordgroepen van docenten, leerlingen, en managers actief die de inrichting van de site en de toepasbaarheid van het aanbod toetsen. Voor de rol van toezichthouder op het contract met nl.tree zijn gebruikersgroepen actief die bijvoorbeeld ook instrumenten ontwikkelen om de tevredenheid van scholen over hun aansluiting te meten. Zo heeft de leverancier van de aansluitingen direct zicht op de tevredenheid en kan de Stichting Kennisnet namens het onderwijs nl.tree aanspreken op goede en slechte kanten aan de dienstverlening.
Wat wordt bedoeld met «personalisatie» in het meerjarenplan van de stichting Kennisnet?
Hiermee wordt bedoeld dat het aanbod zoveel als mogelijk op maat van de gebruikers gesneden is. Daarom is de portal opnieuw ingedeeld in een veelheid aan portals voor specifieke gebruikersgroepen (zie vraag 314) en wordt de Entreedienst geïntroduceerd (zie vraag 307). Zie ook het antwoord op vraag 56.
Wat wordt precies bedoeld met «het aanbod van educatieve content» in het meerjarenplan van de stichting Kennisnet?
Om Kennisnet succesvol in te zetten ten dienste van het onderwijs zijn drie bouwstenen voorwaardelijk: educatieve content, diensten en infrastructuur. Er moet een verbinding zijn waarlangs men met een goede kwaliteit bij de educatieve content kan komen, er moet een aantal diensten zijn die het mogelijk maakt goed gebruik te maken van die content (bijvoorbeeld Entree) en er moet een aanbod aan educatieve content zijn. Voor dat laatste is de Stichting Kennisnet niet verantwoordelijk. Dit aanbod wordt ontwikkeld door partijen in de markt, bijvoorbeeld de educatieve uitgevers. Kennisnet zorgt ervoor dat dit aanbod goed geordend voor het onderwijs toegankelijk is.
Wat wordt in tabel 10.1 bij de streefwaarden 2003–2005 voor de doelen van Kennisnet precies bedoeld met «maandelijks gebruik docenten/leerlingen»? Gaat het hierbij om toegang tot internet via de Kennisnetaansluiting, het zoeken van informatie of het gebruik van applicaties op de portalsite van Kennisnet, het gebruik van de e-maildienst of de hostingdienst? Kunnen deze streefwaarden nader worden gespecificeerd naar de soort dienst? Gaat het hierbij om percentages van de lestijd dat men gebruik maakt van de voorziening, of om percentages docenten/leerlingen die gebruik maken van de voorziening? Waarom ligt de streefwaarde voor leerlingen beduidend lager dan die van docenten, terwijl leerlingen in het algemeen betere ict-skills hebben dan docenten? Waarom ligt zelfs in 2005 de streefwaarde voor scholieren nog op 50% of minder? Waarom wordt voor de periode 2003–2005 geen toename van het gebruik nagestreefd?
Bij de streefwaarde gaat het erom dat docenten en leerlingen minstens maandelijks gebruik maken van het aanbod aan content en applicaties op Kennisnet. Dit is niet te specificeren naar applicatie of aanbod, omdat dit voor elke leerling of docent anders zal zijn. De één is op zoek naar informatie in de werkstukbank, de ander naar een lesvoorbereiding. In de streefwaarden zoals genoemd voor 2003–2005 is geen toename te zien, omdat deze waarden in deze periode bereikt worden, dus uiterlijk in 2005. Indien de streefwaarden eerder bereikt worden, worden de doelen door de Stichting Kennisnet bijgesteld. Kennisnet richt zich eerst op docenten omdat voor hen het gemak, genot en gewin groot kunnen zijn. Lesvoorbereidingen hoeven minder tijd te kosten, actuele informatie is zo gevonden.
Wat wordt in tabel 10.1 bij de streefwaarden 2003–2005 voor de doelen van Kennisnet precies bedoeld met «100% educatieve aanbod content»? Houdt dit in dat 100% van het aanbod op Kennisnet educatief van karakter zou moeten zijn? Welk ander aanbod zou er nog kunnen zijn naast educatieve content? Indien de waarde reeds 100% is, waarom wordt dit dan nog als streefwaarde gehanteerd?
In de begroting wordt gedoeld op de gemaakte afspraken met de educatieve (Escon-) uitgeverijen. Zij zullen voor al hun onderwijsmethoden digitaal educatief materiaal ter beschikking stellen dat kan worden benaderd via Kennisnet. Uiterlijk 2005 zal dit zijn gerealiseerd (zie ook vraag 325).
In de begroting 2004 zal in overleg met de stichting kennisnet meer specifieke streefwaarden worden genoemd.
Wat wordt in tabel 10.1 bij de streefwaarden 2003–2005 voor de doelen van Kennisnet precies bedoeld met «80% on-line leeractiviteit»? Moeten scholieren 80% van hun lestijd bezig zijn met on-line leren? Moet 80% van de scholieren (wel eens) bezig zijn met on-line leren? Waarom blijft deze streefwaarde in de periode 2003–2005 gelijk?
Hiermee wordt bedoeld dat 80% van de tijd die leerlingen on line leren, zij dit op of via Kennisnet doen. In de streefwaarden zoals genoemd voor 2003–2005 is geen toename te zien, omdat deze waarden in deze periode bereikt worden, dus uiterlijk in 2005.
Op welke wijze zal de stichting Kennisnet een kwalitatief hoogwaardig aanbod van content realiseren voor het onderwijsveld? Welke instantie zal het extern onderzoek uitvoeren naar de meetbaarheid van de doelstellingen?
Zie ook vraag 312 en 318. De doelstellingen zoals genoemd in het meerjarenplan worden gemeten door het NIPO.
Hoe wordt de jaarlijkse subsidie van € 18,6 miljoen voor de stichting Kennisnet verdeeld over salarissen en huisvesting, onderhoud en uitbouw van de portalsite Kennisnet en ontwikkeling van educatieve content?
De Stichting Kennisnet ontwikkelt geen educatieve content.
Zij heeft als taken de ontwikkeling en onderhoud van de portalsite en daarvoor benodigde diensten en het toezicht. Dit is globaal als volgt verdeeld:
Personeel: € 7,5 miljoen, waarvan:
• € 2 miljoen toezicht infrastructuur
• € 2 miljoen ontwikkeling en onderhoud portalsite www.kennisnet.nl
• € 0,5 miljoen productontwikkeling
• € 3 miljoen communicatie, staf en overige Activiteiten: € 8,0 miljoen
Huisvesting en facilitaire zaken: € 0,8 miljoen
Reserveringen, afschrijvingen, diversen: € 2,5 miljoen.
Op welke wijze worden marktpartijen gestimuleerd om educatieve software/content te ontwikkelen?
Zie de antwoorden op de vragen 312 en 318.
Hoeveel van de 200 methodensites die door de vier grote educatieve uitgeverijen zijn toegezegd voor het schooljaar 2001–2002, zijn inmiddels gerealiseerd? Wat zijn de oorzaken van de achterstand voor die sites die nog niet zijn gerealiseerd en wanneer worden deze sites volgens planning wel opgeleverd? Hoeveel van deze sites zijn uitsluitend via Kennisnet toegankelijk? Op welke wijze zijn methodensites via Kennisnet toegankelijk? Welke kosten zijn er voor leerlingen/docenten om methodensites van educatieve uitgeverijen te benaderen en op welke wijze worden deze kosten verrekend met de uitgevers?
Volgens opgave van de ESCON uitgevers van juli 2002, zijn er per dit schooljaar 180 methodesites online. In het schooljaar 2003–2004 zal het aantal methoden ruim de 200 overstijgen.
Daar de brede introductie van de Entreedienst per schooljaar 2003 plaats zal vinden zijn er nu nog geen sites uitsluitend via Kennisnet toegankelijk.
Via Kennisnet zijn per doelgroep en per vak overzichten beschikbaar van online lesmateriaal met verwijzing naar de desbetreffende sites van de uitgevers.
De kosten voor de leerlingen/docenten om de methodesites te kunnen gebruiken zullen naar alle waarschijnlijkheid worden versleuteld in het gebruik van de methode.
Welk bedrag is voor 2003 beschikbaar voor de subsidieregeling ict-projecten in het onderwijs?
Het bedrag voor de afwikkeling van de subsidieregeling in het onderwijs bedraagt € 2,5 miljoen. De subsidieregeling ict is voor nieuwe aanvragen gesloten. De financiering betreft de financiële afwikkeling van de lopende projecten.
Hoeveel geld wordt in 2003 en daaropvolgende jaren beschikbaar gesteld voor VICTO (vmbo ict onderwijs)? Hoelang duurt dit project en wanneer en op welke wijze worden de resultaten hiervan geëvalueerd?
Er is op het moment geen geld ter beschikking gesteld voor VICTO in het jaar 2003 en verdere jaren. Het project loopt officieel af op 31 december 2002 met een mogelijke uitloop naar 2003. Met de projectorganisatie wordt overlegd hoe en op welk moment de evaluatie ter hand zal worden genomen.
Voor welke expertisegebieden zijn inmiddels expertisecentra ict in onderwijs opgericht? Wat zijn de criteria voor het oprichten van een expertisecentrum? Wie mag een expertisecentrum oprichten en welke financiële middelen zijn daarvoor beschikbaar?
Expertisecentra ict zijn aangewezen voor acht onderwerpen: Nederlandse taal, rekenen/wiskunde, natuurwetenschappen en techniek, moderne vreemde talen, NT2, beroepsgerichte vakken vmbo, culturele vakken, elektronische leeromgevingen.
In 2000 zijn open aanbestedingsprocedures gevolgd voor het aanwijzen van expertisecentra ict.
De expertisecentra ict zijn (consortia van) bestaande organisaties die zich al jaren hebben bewezen op het gebied van onderwijsvernieuwing op elk van de acht onderwerpen. Rede voor oprichting van deze expertisecentra is gelegen in de noodzaak additionele stimulansen te ontplooien gericht op een adequate ict integratie binnen deze onderwijs domeinen. In totaal hebben de acht expertisecentra ict over de jaren 2001 en 2002 voor € 442 435 subsidie ontvangen voor bovengenoemde activiteiten. In 2003 is een bedrag van € 0,6 miljoen gereserveerd.
Binnen welke kaders kunnen scholen experimenteren met de inzet van ict binnen de projecten «proeftuinen ict in innovatief onderwijs»?
De scholen die op dit moment betrokken zijn bij een zogenaamde proeftuin innovatief leren en ict hebben als voorwaarde voor het ontvangen van subsidie een projectplan opgesteld. Binnen de kaders van deze projectplannen staat het deze scholen vrij om te experimenteren met de inzet van ict.
Is er reeds een ict-innovatiefonds opgericht waarin het bedrijfsleven kan participeren om de ontwikkeling van professionaliseringstrajecten voor onderwijsmedewerkers op het gebied van ict te bevorderen? Zo neen, waarom is dit nog niet gebeurd en wanneer zou een dergelijk fonds wel opgericht kunnen worden? Zo ja, welke bedrijven hebben reeds bijgedragen aan het fonds? Onder welke voorwaarden kunnen bedrijven (in de toekomst) bijdragen aan zo'n fonds? Wie organiseert (in de toekomst) de besteding van middelen uit het ict-participatiefonds en hebben bedrijven ook enige zeggenschap in de besteding van deze middelen?
Sinds april 2001 is de stichting Platform Onderwijs en Informatiesamenleving actief. Deze stichting ontvangt subsidie om het bedrijfsleven te betrekken bij initiatieven rond ict in het onderwijs. Momenteel worden deze initiatieven uitgewerkt in de navolgende vormen:
Vorming van een samenwerkingsverband tussen bedrijfsleven en scholen waarbij bedrijven menskracht en knowhow ter beschikking stellen voor het beheer van de lokale ict-infrastructuur. Er wordt aansluiting gezocht bij de regionale samenwerkingsverbanden van onderwijsinstellingen (en anderen). Het idee is dat het bedrijfsleven helpt de infrastructuur te ontwikkelen en de school leert het beheer zelf structureel te organiseren. VNO-NCW ondersteunt dit initiatief.
Inrichten van een digitale consultdesk waar vragen van scholen worden beantwoord en andere scholen van de antwoorden gebruik kunnen maken.
Een overzicht van de – complexe – bedrijfskolom waarbij het ict bedrijfsleven haar aanbod voor het onderwijsveld duidelijk presenteert.Het platform werkt samen met de stichting Ict op school, waarbij het platform de zijde van het bedrijfsleven vertegenwoordigd en Ict op school de zijde van het onderwijs.
De economische situatie is momenteel van dien aard dat bedrijven aarzelen om zich te binden aan een bijdrage. Het Platform Onderwijs en Informatiesamenleving zal de producten met een publiciteitscampagne later dit jaar presenteren.
Wat zijn voor het Nederlandse onderwijs de belangrijke doelstellingen van eEurope en het eLearning ActiePlan? Op welke wijze wordt over deze initiatieven gerapporteerd?
In vervolg op eEurope heeft de Europese Raad in Lissabon in maart 2001 het Actieplan eLearning aangenomen. In dit plan zijn doelstellingen vastgelegd voor Europese samenwerking op het gebied van infrastructuur en uitrusting, deskundigheidsbevordering, diensten en content en versterking van samenwerking en dialoog. Tot deze doelstellingen horen het aansluiten van alle scholen op internet, het beschikbaar hebben van tenminste één on line computer voor elke 15 leerlingen, en dat docenten over voldoende ict-vaardigheden beschikken om binnen het onderwijs gebruik te kunnen maken van de mogelijkheden van internet en multimedia.
In de afgelopen periode hebben het eEurope initiatief en het eLearning actieplan van de Europese Commissie meer vaart en omvang gekregen. Nederland levert een vertegenwoordiger in de overlegorganen van de Europese Commissie die in dit kader zijn opgericht (eEurope benchmarking expertgroep, eLearning ActiePlan werkgroep). Bovendien zijn de doelstellingen van eEurope en eLearning vertaald naar activiteiten in het kader van Onderwijs on line.
Uit cijfers van de ict-onderwijsmonitor ICT in cijfers 2001–2002 blijkt dat Nederland zich tot de internationale kopgroep mag rekenen als het gaat om ict in het onderwijs.
Over de positionering van Nederland in internationaal verband is regelmatig gerapporteerd in de rapportages over de uitvoering van het actieplan Onderwijs On Line.
Met welke landen binnen Europa wordt samengewerkt om Europese projectvoorstellen in te dienen? Hoe is de keuze voor deze landen bepaald? Wanneer zullen de eerste concrete projectvoorstellen worden ingediend?
Nederland participeert in het samenwerkingsverband European Schoolnet (EUN), waaraan ministeries van onderwijs van in totaal 23 landen deelnemen. De doelstelling van dit samenwerkingsverband is het uitwisselen van kennis en ervaringen en samenwerking op het gebied van ict in het onderwijs. Het EUN organiseert voor de Europese Commissie onder ander het jaarlijkse evenement eSchola.
Nederland stimuleert actieve bemiddeling tussen enerzijds Europese activiteiten en fondsen en anderzijds Nederlandse scholen en initiatieven, bijvoorbeeld door participatie in het Europees Netwerk van Innovatieve Scholen en deelname aan ontwikkelings- en onderzoeksnetwerken op ict-gebied. Een ander recent voorbeeld is de deelname van het expertisecentrum Elektronische Leeromgevingen en het Europees Platform aan de Networks of Excellence in het 5e Framework Programme van de Europese Commissie. Dit netwerk is geïnitieerd door het EUN en is bedoeld om onderzoeksresultaten op het gebied van ict en onderwijs sneller te verspreiden naar scholen.
Een beperkt aantal intermediaire instellingen werkt samen om scholen te ondersteunen bij internationale activiteiten en projecten. OCenW faciliteert hen daarvoor. Deze instellingen hebben onder andere de volgende activiteiten reeds ondernomen: eSchola: In dit project kunnen scholen, docenten, steden en regio's in Europa met elkaar on-line ervaringen, good practices en innovatieve resultaten uitwisselen over het gebruik van ict in het onderwijs (zie ook www.escola.nl);eSchola Wedstrijd: een wedstrijd gekoppeld aan eSchola, waaraan scholen uit heel Europa kunnen deelnemen door een door leraren en leerlingen ontwikkelde ict-lespraktijk in te zenden;
Netdgen: een initiatief van de Europese Commissie waarbij gedurende een week in heel Europa activiteiten worden georganiseerd om het gebruik van internet en nieuwe media door jongeren (15–25 jaar) te stimuleren (zie ook www.netdays.org);MyEurope: meer dan 1 100 Europese scholen nemen deel aan projecten en een community met als doel meer aandacht in het onderwijs voor Europese waarden en cultuur (www.eschoolnet.org). Hiervoor zijn samenwerkingsverbanden opgezet en wordt de Europese dimensie geïntegreerd in het dagelijks leren. Daarbij is speciale aandacht voor Midden- en Oost-Europese scholen en scholen in de EU-lidstaten.
Klopt het dat in tabel 10.2 een bedrag van € 3 miljoen is gereserveerd voor «gebruik ict als onderwijsmiddel», terwijl in de uitwerking van dit beleidsartikel op p. 244 € 2,5 miljoen is gereserveerd voor projecten om ict als onderwijsmiddel te bevorderen en € 1 miljoen voor de projecten binnen Grassroots? Hoe wordt dit verschil van € 500 000 verklaard?
Het klopt dat in de tabel voor gebruik van ict als onderwijsmiddel € 3 miljoen is gereserveerd. In de tabel worden onderwerpen van de operationele doelen in hele bedragen gepresenteerd. Ten opzichte van het totaal dat beschikbaar is voor ict was de afronding nodig.
Klopt het dat in de meerjarenbegroting onder beleidsartikel 10 voor de beleidsdoelstelling «het faciliteren van scholen bij de integratie van ict» (infrastructuur Kennisnet) nà 2003 geen bedrag is opgenomen? Is het niet verder investeren in de Kennisnet-infrastructuur nà 2003 geen enorme desinvestering? Wat is de regering voornemens hieraan te gaan doen?
Zie het antwoord op vraag 56.
Wat zijn de «overige activiteiten», waarvoor in 2004 € 1 miljoen en in 2005–2007 jaarlijks € 3 miljoen wordt gereserveerd?
De overige activiteiten betreffen de kosten voor communicatie en draagvlak, inhuur deskundigheid en het beleid voor cultuur en emancipatie. Op cultuur en emancipatie zal voor het jaar 2003 circa € 0,5 miljoen nodig zijn voor inhoudelijke projecten op Kennisnet. Voor de andere componenten zullen de resterende middelen worden besteed. De oploop naar € 3 miljoen is nodig voor bestuurlijk gebonden kosten van de beleidsprogrammering inclusief de activiteiten zoals hiervoor genoemd.
Wanneer vindt de eindevaluatie plaats van het educatief programma van de stichting SURF? Op welke wijze wordt de Kamer hierover geïnformeerd? Kunnen de bevindingen in de eindevaluatie nog van invloed zijn op de hoogte van de toegezegde overheidsbijdrage voor 2003?
SURF heeft dit jaar zijn meerjarenplan 2003–2006 «de kern van de zaak» bekend gemaakt. Het plan betreft een breed terrein van ict-dienstverlening voor onderwijs, onderzoek en organisatie.
Voortzetting van het programma SURF-educatief maakt onderdeel uit van dit programma. SURF heeft voor een deel van deze activiteiten, in het bijzonder de vernieuwende projecten, steun gevraagd bij de overheid. De voornemens voor het SURF-educatief programma zijn gebaseerd op een evaluatie die SURF zelf heeft laten uitvoeren. Op basis van het meerjarenplan heeft de staatssecretaris steun toegezegd ter hoogte van € 6 miljoen, waarbij prioriteit is uitgesproken voor het SURF-educatiefprogramma. Bij de definitieve toekenning zullen nadere afspraken worden gemaakt over evaluatie. Zodra de evaluatie beschikbaar is zal de Kamer hierover worden geïnformeerd. Deze evaluatie kan geen invloed hebben op de toewijzing voor 2003, mogelijk wel voor de latere jaren.
Waarom is het voornemen tot het instellen van een commissie inzake de invoering van studentenbelasting (zoals meegedeeld in het persbericht bij de begroting) niet opgenomen in de begroting? Kan de Kamer hierover afzonderlijk en tijdig worden geïnformeerd?
Het instellen van een commissie is aangekondigd in de begroting (pag. 27). In het beleidsprogramma 2003–2006 is opgenomen dat een commissie zal worden ingesteld die studie verricht naar een passend stelsel van studiefinanciering voor de langere termijn.
Een stelsel dat recht doet aan verregaande differentiatie en flexibilisering binnen het hoger onderwijs en de internationale mobiliteit van studenten. Hiervoor zal een internationaal vergelijkend onderzoek naar inkomensafhankelijke leenstelsels worden verricht. De Kamer zal hier op korte termijn nader over worden geïnformeerd.
Hoe verhoudt het streven onderwijs voor iedereen toegankelijk te maken, ook voor mensen met een lager inkomen, zich tot het voornemen differentiatie in de collegelden toe te passen?
Onderzocht moet worden in hoeverre en in welke gevallen differentiatie van collegegelden doorgevoerd kan worden.
Daarnaast moet gekeken worden naar voorzieningen om de toegankelijkheid te waarborgen, bijvoorbeeld binnen het stelsel van studiefinanciering.
Waarom wordt de verhoging van het les- en collegegeld alleen gecompenseerd via de aanvullende beurs en niet via de basisbeurs?
Alle normen in de begroting 2003 zijn, overeenkomstig de begrotingsvoorschriften op prijspeil 2002. Dit betekent dat deze normen voor het jaar 2003 en volgende vooralsnog constant zijn gehouden op het niveau 2002.
In de begrotingsvoorschriften wordt een uitzondering gemaakt voor de raming van het les- en collegegeld. Bij de raming hiervan dient wel reeds rekening gehouden te worden met de jaarlijkse indexering, die plaatsvindt op basis van de inflatie. In de raming van de begrotingsuitgaven is dit verwerkt door ook dit alvast te vertalen in een verhoging van de norm voor de aanvullende beurs.
Bij definitieve vaststelling van alle normbedragen van de studiefinanciering voor het jaar 2003 worden alle normen geïndexeerd op basis van inflatie, zowel de normen van de basisbeurs, de maximale aanvullende beurs als de maximale rentedragende lening. De indexering van de les- en collegegelden werkt door in de hoogte van het normbudget van de studiefinanciering, die vervolgens weer mede bepalend is voor de hoogte van de aanvullende beurs. De systematiek van indexering van de normen voor studiefinanciering ligt exact vast in de WSF2000.
Kan uit de uitspraak dat «het vergroten van het leenvolume geen zelfstandige doelstelling van het overheidsbeleid is» worden afgeleid dat de hoogte van basisbeurs en de aanvullende beurs in relatie tot het leengedeelte in elk geval niet verder zal dalen?
Iedereen met de juiste vooropleiding moet verder kunnen studeren. De overheid geeft daarom iedereen die gaat studeren een basisbeurs en een ov-studentenkaart en eventueel een aanvullende beurs en een lening. Studiefinanciering is een zaak van drie partijen. Van ouders en studenten wordt verwacht dat zij meebetalen aan de opleiding. Studenten kunnen hun deel van de kosten betalen door bijvoorbeeld een lening te nemen. Het is in dit laatste geval van belang dat de leenfaciliteit voor studenten goed toegankelijk is. Het verstrekken van een lening is geen doel op zichzelf, maar om het onderwijs toegankelijk te houden. Het leengedeelte wordt evenals de basisbeurs en de aanvullende beurs jaarlijks geïndexeerd.
Is de Algemene Maatregel van Bestuur rond de kwijtschelding van de aanvullende beurs van studenten die hun studie niet afgemaakt hebben reeds in werking getreden?
De Algemene Maatregel van Bestuur rond de kwijtschelding van de aanvullende beurs treedt in werking met ingang van 1 januari 2003.
Kan de regering nader verklaren wat zij bedoelt met «het expliciteren van de rol van de ouders in het stelsel van studiefinanciering»? Is de regering bereid als onderdeel hiervan de ouderlijke bijdrage op grond van de WSF2000 te fiscaliseren om zo het probleem van de zogeheten «weigerouders» tegen te gaan?
Ten opzichte van de oude wet (WSF) is de rol van de ouders explicieter aangegeven geworden in het stelsel van studiefinanciering van de WSF2000. Studiefinanciering is een zaak van drie partijen: de overheid, de ouders en de student.
Er wordt aangegeven welke bijdrage ouders geacht worden te geven. De gedachte hierachter is dat ouders nadrukkelijk worden betrokken bij de financiering van de studie van hun kinderen.
Om deze reden is fiscalisering van de ouderlijke bijdrage geen optie. De betrokkenheid van ouders zou afnemen omdat hun bijdrage niet meer rechtstreeks naar hun studerende kind gaat.
Voor situaties waarin de relatie tussen kind en ouder dusdanig verstoord is dat er voor lange tijd geen contact tussen beiden meer is, is een voorziening gecreëerd in de WSF2000.
Is de regering bereid om de aanvullende beurs volledig onder de werking van de prestatiebeurs uit te halen om zo na afloop van de studie een gelijke uitgangspositie te realiseren voor degenen die tijdens hun studie recht hadden op een aanvullende beurs en degenen die dat niet hadden?
Bij de behandeling van de WSF2000 is deze discussie gevoerd met als resultaat het uit de prestatiebeurs halen van de aanvullende beurs in het eerste jaar en in een mogelijkheid voor kwijtschelding van de aanvullende beurs in latere jaren.
Debiteuren die – objectief gezien – draagkrachtig genoeg zijn om hun studieschuld te kunnen aflossen, behoren naar mijn mening niet voor kwijtschelding in aanmerking te komen. Een dergelijke operatie zou incidenteel een stijging van de relevante uitgaven betekenen van € 430 miljoen. Dit is niet wenselijk.
Kunnen studenten hun resterende studiefinancieringsrechten inzetten voor alle (ook commerciële) postinitiële opleidingen?
Bij de invoering van de bachelor-mastersystematiek in het hoger onderwijs zijn de mogelijkheden voor studenten om resterende rechten in te zetten verruimd. Studenten kunnen hun resterende studiefinancieringsrechten nu ook inzetten voor geaccrediteerde postinitiële masteropleidingen.
Is het definitieve contract voor de reisvoorziening vanaf 2003 inmiddels ondertekend? Wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Het definitieve contract over de ov-studentenkaart is 17 juli jl. ondertekend. De Tweede Kamer zal hierover in november nader worden geïnformeerd.
Kan de regering uiteenzetten wat haar ambities zijn met betrekking tot de uitvoering van de notitie «Studeren zonder grenzen», ofwel het meeneembaar maken van studiefinanciering naar andere landen binnen Europa? Hoe beoordeelt de regering de stelling van de vorige minister van Onderwijs dat een grootschalige meeneembaarheid van studiefinanciering, zoals bedoeld in de notitie, niet meer mogelijk is? Hoe verhoudt deze stelling zich tot de ambitie te komen tot de verregaande internationalisering van het hoger onderwijs?
Recente uitspraken van het Europees Hof van Justitie en de Europese Commissie, duiden erop dat het begrip «Europees burgerschap» steeds meer een zodanige invulling krijgt dat dit kan leiden tot forse onbedoelde aanspraken op studiefinanciering door Europese burgers.
Tenminste als de studiefinanciering ongeclausuleerd meeneembaar wordt gemaakt. In het ergste scenario zullen de kosten zeer hoog zijn. Daarom zal, binnen de kaders van «Studeren zonder grenzen», nader worden verkend op welke wijze het meenemen van studiefinanciering naar het buitenland wél kan worden verruimd en dus ook wanneer niet. Voor de langere termijn is dit bovendien een van de redenen om een commissie in te stellen die zich buigt over een nieuw stelsel voor de studiefinanciering.
Hoe staat het met het onderzoek naar de mogelijkheid om ook studenten in het middelbaar beroepsonderwijs een OV-studentenkaart aan te bieden en de besluitvorming daarover?
Zoals mijn ambtsvoorganger u bij brief d.d. 3 juni 2002 heeft laten weten is bij de onderhandelingen die onlangs zijn gevoerd over een nieuw contract voor de studenten die aanspraak kunnen maken op studiefinanciering (ho-studenten en bol-deelnemers van 18 jaar en ouder) de mogelijkheid van een ov-kaart voor jonge bol-deelnemers betrokken en is dit onderzoek afgerond. De kosten voor een ov-kaart voor bol-deelnemers jonger dan 18 jaar variëren, afhankelijk van de doelgroep, tussen de € 25 miljoen en € 65 miljoen. In de begroting 2003 zijn hier geen middelen voor beschikbaar.
Op welke wijze zal de koppeling van de WSF2000-bestanden aan de Gemeentelijkee Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA) worden geëvalueerd? Welke effecten merken studenten op de kamermarkt van het inwerkingtreden van deze maatregel, bijvoorbeeld door het slinken van het aanbod van kamers? Is de regering voornemens deze mogelijke nadelige gevolgen te compenseren?
Per 1 september 2002 zullen studenten die voor de eerste keer gebruikmaken van studiefinanciering alleen in aanmerking komen voor een uitwonendenbeurs als zij correct staan ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens. Voor al ingeschreven studenten geldt dit niet. Mogelijke effecten van de koppeling zijn af te meten aan de mate van uitwonendheid van eerstejaarsstudenten. Ik heb de Informatie Beheer Groep dan ook gevraagd om dit vanaf 1 september 2002 te monitoren.
In hoeverre inwerkingtreding van deze maatregel effecten heeft op de kamermarkt is nu nog niet te zeggen. Het ministerie van VROM heeft een aantal acties voorgesteld om het aanbod op de woningmarkt voor studenten te vergroten in een brief die op 4 juni 2002 aan de Kamer is aangeboden. Op dit moment vindt overleg plaats met VROM om te bezien welke mogelijkheden er zijn om gemeenten, hogescholen en universiteiten te stimuleren zich in te spannen voor meer studentenhuisvesting.
Waarom vertoont de post «reisvoorziening overig» in 2003 een zeer sterke daling in vergelijking met 2002?
Bij de verwerking van de mutaties in de standen van de begroting is één mutatie verkeerd verwerkt. Ten onrechte is een mutatie ter grootte van € 14 miljoen in 2002 verwerkt op de post «overig» van het programmaonderdeel «reisvoorziening», waar deze geboekt had moeten worden op het programmaonderdeel «basis- en aanvullende beurs».
Door deze onjuiste mutatie valt in de begroting de post «reisvoorziening overig» in het jaar 2002 hoger uit dan in andere jaren. De juiste stand van de post «reisvoorziening overig» had in 2002 € 3,0 miljoen moeten zijn, waardoor er geen sprake meer is van een «zeer sterke daling» in 2003 ten opzichte van 2002.
Is in de referentieramingen rekening gehouden met de gevolgen van de internationalisering waardoor het aantal studerenden in het hoger onderwijs en het aantal basisbeursgerechtigden sterker zou kunnen toenemen?
Bij de referentieraming wordt impliciet rekening gehouden met de gevolgen van de internationalisering door de systematiek die wordt gehanteerd bij het opstellen. De raming wordt namelijk jaarlijks geactualiseerd voor de nieuwe instroom in het hoger onderwijs, waarbij deze gegevens worden geëxtrapoleerd op grond van ervaringscijfers. Een toename van het aantal buitenlandse studenten betekent niet tevens een toename van het aantal basisbeursgerechtigden. Studenten uit de Europese Unie krijgen een collegegeldvergoeding. Studenten van buiten de Europese Unie krijgen geen enkele vorm van studiefinanciering.
Waarom is in de begroting geen rekening gehouden met de jaarlijkse indexering op grond van inflatie en wel met de jaarlijkse indexering van de les- en collegegelden? Op grond waarvan worden de les- en collegegelden precies geïndexeerd en in hoeverre gaat deze indexering de indexering op grond van inflatie te boven?
Volgens de begrotingsvoorschriften dient bij het vaststellen van de begroting voor 2003 uitgegaan te worden van het prijspeil van 2002. Gedurende de begrotingsuitvoering wordt de prijsbijstelling op basis van indexering op grond van inflatie in de raming verwerkt.In de begrotingsvoorschriften wordt een uitzondering gemaakt voor de raming van het les- en collegegeld. Bij de raming hiervan dient wel rekening gehouden te worden met de jaarlijkse indexering. Ook deze vindt plaats op basis van de inflatie. Als maatstaf voor de inflatie wordt de ontwikkeling van het consumentenprijs indexcijfer van het Centraal Bureau voor de Statistiek gehanteerd.
Klopt het dat het lesgeld voor kinderen van zestien jaar of ouder in het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs de afgelopen vijf jaar met 29% is gestegen? Kan een overzicht worden gegeven van het lesgeld per kind per jaar in de periode van 1998–2005? Kan er een geactualiseerd overzicht worden gegeven van de kosten gerelateerd aan het onderwijs, die ouders maken om hun schoolgaande kinderen te faciliteren? In hoeverre is het onderwijs nog betaalbaar voor grote gezinnen met een laag inkomen?
Het lesgeld in het schooljaar 1997–1998 bedraagt omgerekend € 684 en is met € 201 gestegen naar € 885 voor het lopende schooljaar 2002/2003. De procentuele stijging van het lesgeld over de afgelopen 5 jaren bedraagt dus inderdaad 29%.
In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de stijging in het lesgeld over de periode 1998 tot 2005:
Overzicht lesgeld schooljaar 1997/1998–2003/2004 in euro's
| 1997/1998 | 1998/1999 | 1999/2000 | 2000/2001 | 2001/2002 | 2002/2003 | 2003/2004 | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Lesgeld | 684 | 684 | 805 | 827 | 852 | 885 | 916 |
Recentelijk is het lesgeld voor 2003/2004 vastgesteld. Het lesgeld voor het schooljaar 2004/2005 zal, conform de Les- en cursusgeldwet, voor 1 oktober 2003 worden vastgesteld.
Het NIBUD heeft onderzoek gedaan naar de schoolkosten in het voortgezet onderwijs en de beroepsopleidende leerweg in het schooljaar 2000–2001. In de brief van mijn voorganger (d.d. 15 oktober 2001) naar aanleiding van dit onderzoek is een overzicht gegeven van de gemiddelde schoolkosten 2000–2001. In 2003 zal dit onderzoek worden herhaald. Ik zal de Tweede Kamer hierover uiteraard informeren.
Overigens wordt er in de WTOS rekening gehouden met het aantal schoolgaande kinderen binnen een gezin (telkindersystematiek), waardoor gezinnen in een gelijke financiële positie gebracht worden, onafhankelijk van het aantal studerende kinderen.
Welke maatregelen beoogt de regering om tegemoet te komen aan het probleem dat de tegemoetkoming in de schoolkosten vooral in de bovenbouw van havo en vwo niet kostendekkend is? Welk maatregelen om meer inspraak en transparantie te bevorderen zijn inmiddels genomen? Wanneer krijgt de Kamer de beschikking over de resultaten van het nieuwe onderzoek naar de schoolkosten?
Juist met het oog op de extra kosten die ouders moeten maken voor leerlingen in de bovenbouw havo en vwo is de tegemoetkoming in de schoolkosten bij inwerkingtreding van de WTOS (2001 – 2002) extra verhoogd met € 68.07. Voor de leerlingen in de examenklas is deze tegemoetkoming toereikend, voor de leerlingen 4 havo en 4/5 vwo worden inderdaad niet alle kosten gedekt. Toch is er niet voor gekozen om voor deze leerlingen een extra bedrag beschikbaar te stellen. Het betreft hier immers een relatief korte periode in de schoolloopbaan.
Bovendien zijn er voor de groep ouders die echt in de problemen komen, vangnetvoorzieningen op gemeentelijk en schoolniveau.
Daarnaast is het de vraag in hoeverre de kosten vermijdbaar waren geweest als er andere keuzes waren gemaakt door ouders en schoolbesturen.
Om de schoolkosten te beheersen en ouders beter in stelling te brengen heeft mijn voorganger op 26 april 2002 een pakket aan maatregelen aan de Kamer voorgesteld. Transparantie van schoolkosten en inspraak van ouders zijn daar onderdeel van.
Voor een uitputtend overzicht verwijs ik u naar de desbetreffende brief. Ik zal u nader informeren over de voortgang van dit traject vóór het algemeen overleg in december a.s. over dit onderwerp.
De ontwikkeling van de schoolkosten wordt om de twee jaar gemonitord. Dit betekent dat een nieuw onderzoek zal plaatsvinden in 2003. De Kamer zal uiteraard over de uitkomsten hiervan worden geïnformeerd.
Kan aangegeven worden wat de concrete plannen zijn omtrent de uitbreiding van het meenemen van studiefinanciering naar het buitenland? Zijn er plannen om een quota in te stellen voor 5000 studenten? Zo neen, wat gebeurt er dan wel?
Sinds de brief van mijn voorganger van 17 juni jl. hebben zich nieuwe ontwikkelingen in EU verband voorgedaan die het nodig maken om de voornemens tot internationalisering van de studiefinanciering opnieuw te bezien. De regering bestudeert nog wat de consequenties zijn van recente uitspraken van het Europees Hof en de Europese Commissie. Vooralsnog wordt, binnen de kaders van «Studeren zonder grenzen», nader verkend op welke wijze het meenemen van studiefinanciering naar het buitenland kan worden verruimd binnen aanvaardbare risico's. Daarbij wordt de optie van een quotum betrokken.
Welke aanvullende maatregelen beoogt de regering om het niet-gebruik van de Wet Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) tegen te gaan?
De WTOS is een regeling die grote bekendheid geniet. De gehele doelgroep wordt bereikt door een mailing van de Sociale Verzekeringsbank op het moment dat de regeling voor ouders relevant is (als hun kind 12 jaar wordt). Daarnaast ligt er een folder bij postkantoren en bibliotheken. Heel belangrijk zijn ook de scholen (decanen) die ouders informatie verstrekken over de WTOS. De IB-Groep heeft als uitvoerder van de WTOS periodiek overleg met decanen en verspreidt een magazine waarin op de WTOS wordt geattendeerd. Er vindt op dit moment overleg plaats met gemeenten om ook via die zijde informatie over de WTOS te verspreiden. Concluderend: er zijn vooralsnog geen aanwijzingen dat de doelgroep onvoldoende wordt bereikt. Omdat de mate van niet-gebruik een indicatie geeft of de doelstelling van de WTOS het optimaliseren van de financiële toegankelijkheid van het onderwijs – daadwerkelijk wordt bereikt, zal ik nader onderzoeken of het mogelijk is om de mate van niet-gebruik beter in kaart te brengen.
Op welke wijze kan de mate van niet-gebruik de komende jaren een kengetal zijn voor het beleidsdoel van de WTOS?
De WTOS beoogt de financiële toegankelijkheid van het onderwijs te optimaliseren. De mate van niet-gebruik van de WTOS geeft een indicatie of deze doelstelling wordt bereikt en vormt zo een relevant kengetal in het kader van VBTB.
Omdat onderzoek naar niet-gebruik methodologisch voor problemen zorgt (de niet-gebruiker is lastig op te sporen), zal ik eerst onderzoek laten doen naar de mate waarin het mogelijk is om niet-gebruik in kaart te brengen.
Als wordt geconstateerd dat er sprake is van een achterstand in arbeidsvoorwaarden in de culturele sector, hoe ziet de regering dit in het licht van de concurrentiepositie van culturele instellingen en wat wil de regering hieraan doen?
Tijdens de vorige kabinetsperiode is uitgebreid onderzoek verricht naar de aard en omvang van de arbeidsvoorwaarden problematiek in de kunstensector. De adviezen die door de onderzoekers werden verstrekt over het niveau van de primaire arbeidsvoorwaarden zijn mede gebaseerd op een analyse van de concurrentiepositie van een aantal functies ten opzichte van andere sectoren.Door de onderzoekers werd tevens gebruik gemaakt van recente, bestaande onderzoeken zoals het rapport Arbeidsverhoudingen in de ensemblesector.
Nog onder het vorige kabinet is een substantiële financiële bijdrage geleverd aan de verbetering van de arbeidsvoorwaarden in de kunstensector. Daarmee werd zowel uitvoering gegeven aan de motie Rosenmöller als aan de later ingediende motie Crone.
Met de beschikbaar gestelde middelen kon een bijdrage geleverd worden aan de verbetering van de primaire arbeidsvoorwaarden en aan de totstandkoming van een aantal structuurverbeterende maatregelen. Zo is met ingang van dit jaar een bedrag van € 3 540 000 aangewend voor de verbetering van de primaire arbeidsvoorwaarden en is met een structurele bijdrage van € 2 950 000 een start gemaakt met een pensioenvoorziening voor zelfstandig werkende kunstenaars.
Wat betreft de structuurverbeterende maatregelen noem ik de oprichting van de stichting ARBO-podium, die zich richt op de verbetering van de arbeidsomstandigheden in de podiumkunsten sector, de uitbreiding van het budget van het Scholingsfonds voor kunst en cultuur en de oprichting van de stichting Ad-Hoc die een deel van de werkgeverstaken van de kleine instellingen voor zijn rekening zal gaan nemen. Ook reken ik hiertoe de verhoging van het budget van de Stichting omscholingsregeling dansers met een extra bijdrage mijnerzijds van € 90 756 gedurende een periode van vijf jaar en de eenmalige bijdrage van de minister van SZW hiervoor van € 453 780.
Ik ben van mening dat met de thans beschikbaar gestelde middelen een aanzienlijk deel van de arbeidsvoorwaardenproblematiek is opgelost. Bij de totstandkoming van de cultuurnota kan bezien worden of enkele instellingen/sectoren nog in aanmerking kunnen komen voor een aanvulling.
Hoe verhoudt het geven van prioriteit aan cultuureducatie zich met het feit dat de regering geen extra middelen uittrekt om cultuureducatie in het basisonderwijs in te voeren en het aanbod te versterken?
Cultuureducatie kent een lange traditie in het basisonderwijs.
Sinds een aantal jaren heeft cultuureducatie ook een belangrijke plaats in het voortgezet onderwijs. Dat betekent overigens niet dat cultuureducatie geen aandacht meer behoeft.
Tot nu toe is er nogal eens sprake van een te aanbodgerichte aanpak. Cultuur en School kiest voor de komende periode voor een meer resultaatgerichte aanpak die veel ruimte laat aan scholen om zelf invulling te geven aan hun cultuureducatieve beleid. Er wordt bezien op welke wijze de Cultuur en School-budgetten optimaal kunnen worden ingezet. Er wordt bekeken op welke wijze het aanbod cultuureducatie beter kan aansluiten op de vragen en mogelijkheden van scholen. Voor het primair onderwijs wordt een taakgroep ingesteld die antwoord moet geven op de vraag wat cultuureducatie in het primair onderwijs zou kunnen inhouden en op welke wijze scholen die inhoud vorm kunnen geven.
Als cultuureducatie in dit kabinet hoge prioriteit heeft, waarom zijn dan geen extra middelen voor structurele investeringen ten behoeve van cultuureducatie in het basis- en voortgezet onderwijs in de begroting terug te vinden? Hoe wil de regering die prioriteit dan aandacht geven en is de regering bereid hiervoor middelen in te zetten?
Zie het antwoord op vraag 358.
Kan de Kamer een overzicht van de actuele samenstelling van de Raad voor Cultuur ontvangen? Kan daarbij tevens worden aangeven hoe de regionale spreiding van de leden over Nederland is?
De Raad voor Cultuur bestaat op dit moment uit 19 leden, te weten: mw. mr. W. Sorgdrager (Enschede), C. S. Alons (Utrecht), P. Ballings (Amsterdam), mw. F. van Dijk – de Bloeme (Merselo), mw. drs. R. J. F. Gianotten (Amsterdam), H. Holtappels (Den Haag), G. J. Hulshof (Amsterdam), mw. drs. A. S. J. Kamstra (Amsterdam), dr. R. Knoop (Amsterdam), mw. drs. I.B.S. van Koningsbruggen (Hilversum), ir. B. O. Lootsma (Rotterdam), mw. drs. A. H. Netiv (Leiden), mw. drs. E.H.A. Rozenboom (Ede), mw. ir. M. A. A. Schoenmakers (Den Haag), dr. M. Schwarz (Amsterdam), S. Verster (Amsterdam), mw. prof. mr. I. C. van der Vlies (Amsterdam), drs. L. Voogt (Alphen a/d Rijn) en mw. drs. S. C. F. van Voorst (Helvoirt).
Waarom is nog geen document met daarin de beleidsvoornemens van de regering op het gebied van cultuur naar de Kamer gezonden, zoals gevraagd in de motie De Graaf (28 375, nr. 36)? Kan de regering dit document vóór 1 november aanstaande alsnog aan de Kamer zenden? Zo neen, waarom niet?
We hebben in Nederland een zorgvuldige procedure volgens welke de beleidsvoornemens van de regering op het terrein van de cultuur totstandkomen. Voor een deel is die procedure zelfs wettelijk verankerd. Overleg, debat en consultatie hebben daarin een belangrijke plaats. De Raad voor Cultuur, de andere overheden, bewindslieden die verantwoordelijk zijn voor verwante beleidsterreinen, en het parlement zijn in dat proces belangrijke partners. Ook via het openbare debat wordt er invloed op uitgeoefend.
Het document waarin de visie van de regering aan de Kamer wordt voorgelegd, is de zogenaamde Uitgangspuntenbrief. Volgens geldende regels en gemaakte afspraken zal deze de Kamer in de zomer van 2003 bereiken.
Hoe staat de regering tegenover de aanbevelingen van Janssen en Gubbels in «Kunst te koop» om kunstaankopen deels fiscaal aftrekbaar te maken en om musea te verplichten om kunstaankopen met Rijksgelden via een galerie te doen?
De mogelijkheden voor het fiscaal aftrekbaar maken van kunstaankopen zal ik nader bezien bij de formulering van mijn beleid voor de cultuurnotaperiode 2005–2008. Musea verplichten om kunstaankopen met Rijksgeld via een galerie te doen, lijkt mij geen goede beleidslijn. De essentie van een galerie is dat het een commerciële marktpartij is. Een besluit als voorgesteld staat haaks op het streven naar meer marktwerking. Dat geldt ook voor de musea. Met de (internationaal gezien) beperkte aankoopbudgetten moeten zij in de gelegenheid worden gesteld op een duurder geworden markt tegen concurrerende prijzen aan te kopen.
Hoe staat de regering tegenover het verzoek van de Mondriaanstichting om haar budget voor kunstaankopen (afgezien van de reeds afgesproken verhoging) met € 1,5 miljoen te verhogen, omdat de prijzen op de kunstmarkt de afgelopen jaren bijzonder sterk zijn gestegen? Bent u bereid het gevraagde bedrag ter beschikking te stellen? Zo neen, waarom niet?
Uitbreiding van de kunstkoopregeling van de Mondriaan Stichting zal nader worden bezien bij de formulering van het beleid voor de cultuurnotaperiode 2005–2008.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van het gratis toegankelijk maken van Nederlandse musea voor jongeren?
Bij een nadere uitwerking van «het gratis toegankelijk maken van Nederlandse musea voor de jeugd» lijkt het meest kansrijk het landelijk overdragen van succesvolle onderdelen van het Leidse Museum & Schoolproject met als doelgroep de basisschooljeugd en wel om de volgende reden Voor het voortgezet onderwijs zijn er reeds verschillende succesvolle regelingen (vouchers in combinatie met CJP; lokale regelingen) Daarnaast sluit het project aan bij een aantal behoeften van het onderwijs zoals:
Doorlopende leerlijnen: iedere fase van het onderwijs grijpt inhoudelijk terug op voorgaande fasen«Meer handen voor de klas».
Het docententekort is nijpend, waardoor de school, met inachtneming bevoegdheidskwesties, een beroep doet op professionals uit de maatschappij. Bovendien wordt de interactie tussen school en culturele omgeving bevorderd, een belangrijk uitgangspunt van het beleidsprogramma Cultuur en School.
Binnen het Leidse Museum & School-project, maken basisschoolleerlingen in achtereenvolgende groepen kennis met verschillende musea. In ieder museum komt een ander aspect van het lesprogramma aan bod. Het project loopt op deze manier evenwijdig aan de onderwijscarrière van de leerling.
Of landelijke invoering financieel haalbaar is zal het komende halfjaar worden uitgezocht.
Wanneer volgt ratificatie door Nederland van het Unidroit-verdrag? Waarom laat de ratificatie nog steeds op zich wachten?
Voor de beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar de op 6 augustus 2002 gestelde kamervragen van het lid Dittrich en naar de mededeling op die vragen (Aanhangsel Handelingen II 2001/02, nr. 1589). Op dit moment vindt nog interdepartementaal overleg plaats over de beantwoording van de vragen. De beantwoording kan binnenkort worden verwacht.
Waarom is de motie Dittrich over de omscholingsregeling dansers nog altijd niet volledig uitgevoerd? Wanneer zal de regering tot volledige uitvoering overgaan?
Zie het antwoord op vraag 357.
Hoe staat de regering tegenover de suggestie om, samen met de Vlaamse overheid en analoog aan bijvoorbeeld het Goethe Instituut, een Huis der Nederlandse Taal en Cultuur te openen in Brussel, om zo de Nederlandse taal en cultuur internationaal uit te dragen?
Mede op basis van het in december 2001 uitgebrachte advies van de Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen Nederland, voert de Nederlandse overheid overleg met de Vlaamse overheid over de opzet van een Vlaams-Nederlands Centrum voor Europa in Brussel.
Door Vlaanderen is reeds overgegaan tot aankoop van een pand.
Naar de mening van de Nederlandse regering dient een dergelijk gezamenlijk initiatief zich in de eerste plaats te richten op het debat en ontmoeting in de Europese context (een platform om te discussiëren over actuele en maatschappelijke vraagstukken in Europa) met daarnaast een functie voor informatievoorziening en dienstverlening op het gebied van de Nederlandse taal en cultuur.
Waarom gaapt er een kloof tussen de aanbevolen toekenningen in de rapporten over de arbeidsvoorwaarden in de kunstensector en de door de regering tot nu toe toegekende bedragen van respectievelijk € 10,4 miljoen structureel en € 30 miljoen incidenteel? Deelt de regering de mening dat in feite nog slechts zeer beperkte verbeteringen zijn opgetreden in de primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden in de kunstensector? Welke middelen stelt de regering ter beschikking om te komen tot een werkelijke verbetering van de arbeidsomstandigheden in de kunstensector? Waarom is de motie Crone/Van Walsem over dit onderwerp nog steeds niet volledig uitgevoerd? Welke beleidsgevolgen geeft de regering aan het rapport «Arbeidsverhoudingen in de ensemblesector»?
Zie het antwoord op vraag 357.
Waarom is nog geen notitie naar de Kamer gezonden over een mogelijke nieuwe cultuurnotasystematiek waarin de fondsen een grotere rol spelen, zoals toegezegd door de vorige staatssecretaris Van der Ploeg? Wanneer is een dergelijke notitie te verwachten?
Een ambtelijke werkgroep heeft deze zomer een aantal scenario's verkend. Daartoe is een aantal rondetafelgesprekken gevoerd met de betrokkenen in het veld, waarvoor ook de fondsen en de Raad voor Cultuur waren uitgenodigd, alsmede een gesprek met IPO en VNG. Zodra dit mogelijk is, zal ik de Tweede Kamer over de uitkomsten en de door mij voorgestelde aanpak berichten.
Bent u bereid om extra middelen ter beschikking te stellen om de 2500 tot 3000 ID-banen in de culturele sector om te zetten in reguliere banen? Zo neen, waarom niet?
De verantwoordelijkheid ten aanzien van de ID-banen ligt bij de gemeenten. Ik onderken het belang van de taken die de mensen in ID-banen verrichten. Gelet op het ontbreken van budgettaire ruimte in de begroting ben ik echter niet in staat extra middelen ter beschikking te stellen.
Wanneer zal de regering duidelijkheid bieden over het voortbestaan op lange termijn van de zogenaamde «film-cv constructie»? Hoe verhoudt het feit dat in 2004 € 7 miljoen minder beschikbaar is voor ontwikkeling van de Nederlandse film, zich tot de toezegging dat op cultuur niet zou worden bezuinigd?
Zoals bekend is het huidige pakket stimuleringsmaatregelen voor de film van kracht tot eind 2003. Onderdeel daarvan is de film-cv. Deze zal van kracht blijven tot eind 2003. Voor volgend jaar staat hiervoor een bedrag van € 23 miljoen gereserveerd op de begroting van Financiën. Begin volgend jaar zal de fiscale maatregel worden geëvalueerd. Naast de € 23 miljoen op grond van de fiscale maatregel is tot en met 2003 een bedrag van € 7 miljoen beschikbaar voor een aanvullende regeling met specifieke aandacht voor het publieksbereik.
De Raad voor Cultuur zal begin 2003 een sectoranalyse over de filmsector uitbrengen. De regering zal op basis van deze bevindingen beslissen voor de periode na 2003. Het beleid op dit terrein loopt tot 2004. De afgesproken termijn wordt aangehouden. Er is in dit verband geen sprake van een korting op het cultuurbudget.
Waarom wordt in de cultuurparagraaf van de OCW-begroting uitsluitend (de structuur van) bestaand beleid beschreven?
De structuur van de cultuurparagraaf is zo opgebouwd dat eerst cultuurbrede doelstellingen beschreven worden en daarna sectorspecifieke doelstellingen. De sectorspecifieke doelstellingen zijn ingedeeld naar artikelonderdelen: kunsten, cultureel erfgoed en letteren en bibliotheken.
In 2001 is de Cultuurnota 2001–2004 van start gegaan. Het beleid dat in deze cultuurnota is beschreven staat voor 4 jaar vast. Nieuw beleid is vooral opgenomen in de sectorspecifieke doelstellingen.
Welke gevolgen heeft dit op lange termijn voor de financiële middelen die worden toegewezen aan deze specifieke bibliotheekvoorziening, aangezien het fonds voor het blindenbibliotheekwerk per 1-1-2002 is geliquideerd en de bekostiging nu rechtstreeks plaatsvindt vanuit het departement?
Voor zover te overzien geen. De subsidiëring van het bibliotheekwerk voor blinden en slechtzienden vindt plaats in het kader van de cultuurnotasystematiek. De staatssecretaris acht het echter niet verstandig nu al vooruit te lopen op (de advisering van de Raad voor Cultuur over) de volgende cultuurnotaperiode (2005–2008).
Op welke wijze kunnen instellingen in aanmerking komen voor de landelijke 2%-stimuleringsmaatregel? Hoeveel en welke instellingen hebben hier reeds gebruik van gemaakt? Welk budget is hiermee gemoeid?
In 2001 is € 4 miljoen voor doelgroepactiviteiten uitgekeerd aan culturele instellingen. Uit de enquête cultuureducatie blijkt dat instellingen die in 2000 een deel van hun budget besteedden aan dergelijke activiteiten, meer dan de helft (52%) van die activiteiten richtten op multiculturele doelgroepen.
Rijksgesubsidieerde instellingen worden aangemoedigd om activiteiten te ontwikkelen gericht op speciale doelgroepen zoals culturele minderheden en jongeren. Zij kunnen vanaf 2001 opteren voor een stimuleringssubsidie voor zogenaamde doelgroepactiviteiten, bijvoorbeeld door het programmeren van speciaal aanbod voor nieuwe publieksgroepen, of door het bieden van educatieve begeleiding aan de nieuwe publieksgroepen. De stimuleringssubsidie bedraagt 2 procent van de subsidie, mits de instelling al minimaal 3 procent van het totale subsidie aan doelgroepactiviteiten besteedt. Pas uit de jaarverslagen, die het ministerie in mei ontvangt, zal blijken hoe de regeling in het eerste jaar heeft uitgewerkt.
In bijlage 3 zijn de instellingen genoemd die reeds gebruik maken van deze regeling.
Kunnen leerlingen van het voorbereidend beroepsonderwijs (dit zijn naast de mavo-leerlingen de andere leerlingen van het vmbo) ook gebruik maken van cultuurvouchers? Zo ja, waarom zijn zij niet in de tabel opgenomen?
Met ingang van het schooljaar 2000–2001 worden ook in het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) vouchers beschikbaar gesteld. Dit geldt voor het derde leerjaar in alle vormen binnen het vmbo. In de bewuste tabel hebben zowel de kolommen «mavo» als «overige» betrekking op het vmbo.
Kunnen cultuurvouchers, die de drempel tot het bezoeken van culturele instellingen verlagen, ook worden gebruikt voor deelname aan media-educatie-activiteiten die worden georganiseerd in samenwerking met CKV-instellingen en regionale omroepen?
Ja. Culturele instellingen, ook als zij actief zijn op het gebied van media-educatie, kunnen indien zij een jongerenbeleid voeren, en voldoen aan één van de volgende criteria zich bij het CJP aanmelden als acceptant van CKV-vouchers. De bedoelde criteria zijn: lidmaatschap van een door OCenW erkende koepelorganisatie, subsidie uit de cultuurbegroting van één van de overheden en/of in aanmerking komend voor het lage btw-tarief voor culturele prestaties.
Bij het gebruikmaken van cultuurvouchers loopt het percentage mavo-leerlingen dat hiervan gebruik maakt 12% achter op het percentage lyceumleerlingen. Welke initiatieven onderneemt het kabinet om ook mavo-leerlingen meer gebruik te laten maken van de vouchers?
Het vmbo geniet prioriteit binnen het project Cultuur en School. Als onderdeel van de voorbereiding op het vak culturele en kunstzinnige vorming in het vmbo zijn sinds het schooljaar 2000–2001 ook voor het vmbo vouchers beschikbaar gekomen. Om de besteding van vouchers in het vmbo te stimuleren heeft het kabinet onder meer extra middelen beschikbaar gesteld aan het Fonds voor amateurkunst en podiumkunsten voor de ontwikkeling van passend aanbod. In de decentrale plannen Cultuur en School van gemeenten en provincies worden eveneens veel initiatieven voor vmbo-scholen ondersteund.
Bij het tonen van museumcollecties krijgt de vraagkant bijzondere aandacht, onder andere door presentaties op verrassende plekken, zo valt in de OCW-begroting te lezen. Hoe staat het met de concretisering van deze wens?
Een viertal presentaties op verrassende plekken wordt met (financiële) steun van OCenW gerealiseerd. Bij de uitvoering speelde in de meeste gevallen het Instituut Collectie Nederland (ICN) een belangrijke rol. Het betreft het project Tweede Kamer, waar in de publieke ruimtes met objecten uit depots aspecten van de Nederlandse geschiedenis zichtbaar worden gemaakt. Ten tweede de (tijdelijke) presentatie Zuiderzeemuseum op de Floriade, waar dagelijks tussen de 3 500 en de 5000 bezoekers de inzending van het museum bezochten. Vervolgens de presentatie op Schiphol die naar verwachting eind 2002 wordt geopend; er zullen permanent een tiental werken van beroemde meesters uit de Gouden Eeuw uit de collectie van het Rijksmuseum worden getoond met daarnaast kleine tentoonstellingen over het cultureel erfgoed in Nederland. En ten slotte de komende presentatie van Japan-collecties in het Siebold Huis aan de Rapenburg in Leiden, een initiatief van het Rijksmuseum voor Volkenkunde, Naturalis, de universiteit Leiden en de gemeente Leiden. Deze en vele andere ontwikkelingen en activiteiten op het gebied van de collectiemobiliteit (als recentelijk de inrichting met cultureel erfgoed van de Hoftoren te Den Haag) zullen worden besproken en geëvalueerd tijdens een congres dat het ICN in 2003 organiseert. Daarnaast worden tijdens een conferentie eind van dit jaar in het kader van het Actieplan Cultuurbereik de ervaringen met betrekking tot het zichtbaar maken van het cultureel vermogen gezamenlijk met provincies en gemeenten uitgewisseld.
Wat is de actuele stand van zaken rond de fiscale regelingen cultuur, met name de voortgang van de implementatie, het aantal deelnemers en het totaalbedrag aan participatie?
De Regeling cultuurprojecten 2002 is gereed. Zowel de regeling als het artikel waarop de regeling is gebaseerd, artikel 5.18a Wet inkomstenbelasting 2001, treden in werking nadat deze zijn aangemeld bij en goedgekeurd door de Europese Commissie. OCenW heeft de aanmeldingsprocedure inmiddels opgestart.
Omdat de regeling nog niet van kracht is geworden zijn er nog geen deelnemers en is geen geld ingelegd. Op dit moment is nog niet bekend wanneer de regeling in werking treedt, zodat onduidelijk is of de in de begroting 2003 van OCenW opgenomen raming van het financiële belang van toegelaten projecten van € 100 miljoen in 2003 gehaald wordt.
In 2001 is een gewijzigde fiscale regeling voor aftrek van kosten, lasten en afschrijvingen voor monumentenpanden in werking getreden. De regeling maakt het mogelijk om kosten, lasten en afschrijvingen van een monumentenpand, voor zover deze een bepaalde drempel overschrijden, als persoonsgebonden aftrekpost in aftrek te brengen. Geschat wordt dat in 2003 circa 7 000 eigenaren belastingaftrek zullen opvoeren voor in totaal € 79 miljoen.
De regeling vrijstelling voorwerpen van kunst of wetenschap is in 2001 ingevoerd. Voorwerpen van kunst of wetenschap worden vrijgesteld van de vermogensrendementsheffing van 4%, voor zover ze niet als belegging worden aangehouden. Geschat wordt dat voor een bedrag van € 0,45 miljard kunst in particuliere handen is, en niet ter belegging wordt aangehouden. De belastingderving bedraagt circa € 5 miljoen.
Mag uit de vermelding in de voorliggende begroting van de regeling cultureel beleggen als middel om particulieren te stimuleren te investeren in culturele zaken, worden afgeleid dat deze regeling ongewijzigd, dat wil zeggen zonder afschaffing van de huidige heffingskorting, wordt voortgezet? Zo neen, waarom wordt dit net ingestelde instrument dan nu al weer ontmanteld? Is de regering eventueel bereid middelen ter beschikking te stellen voor behoud van de regeling cultureel beleggen? Zo neen, waarom niet?
De Regeling cultureel beleggen gaat ervan uit dat commerciële banken cultuurfondsen instellen. De banken hebben medegedeeld dat deze fondsen niet van de grond komen indien het kabinet het voorstel op grond van het strategisch akkoord om de heffingskorting te schrappen effectueert.
Vooralsnog is de regering niet bereid middelen ter beschikking te stellen voor het behoud van deze regeling. Dit vloeit voort uit de prioriteiten die in het strategisch akkoord zijn gesteld.
Om te voorkomen dat films voor de Benelux-markt buiten de fiscale regeling vallen is een aanvullende regeling ontwikkeld, waarbij ook nadrukkelijk op het publieksbereik wordt gelet. Wat zijn de criteria met betrekking tot publieksbereik? Is de fiscale regeling oorspronkelijk niet bedoeld voor films die anders niet tot stand waren gekomen en zijn dat niet juist films die op voorhand niet verzekerd zijn van een groot publiek?
Er zijn geen absolute criteria op grond waarvan het publieksbereik wordt getoetst. Het vereiste publieksbereik kan echter herleid worden uit de criteria die zijn verwoord in de Uitvoeringsregeling en betrekking hebben op de voorverkopen van de films. In de regeling is opgenomen dat er opbrengstgaranties voor een film dienen te bestaan waaruit blijkt dat een film ten minste 25% van de productiekosten kan opbrengen. Deze opbrengstgaranties zullen slechts gegeven worden door belanghebbenden in de filmindustrie indien zij er vertrouwen in hebben dat de film voldoende publieksbereik heeft. De fiscale regeling is bedoeld om particuliere investeerders aan te trekken voor films voor een groter publiek.
Klopt het dat volgens Stadsherstel Amsterdam haar werkzaamheden op het gebied van restauratie en verhuur van monumentale panden in Amsterdam in groot gevaar komen door het opheffen van de vrijstelling van de vennootschapsbelasting van 35 procent, door een subsidieverlaging en door het ontbreken van nadere fiscale regelingen? Hoe reageert de regering op deze constatering van Stadsherstel? Kan worden aangegeven op welke schaal deze problematiek zich elders in Nederland bij soortgelijke organisaties voordoet? Is de regering bereid toe te zeggen dat de opheffing van de vrijstelling van de vennootschapsbelasting zal worden opgeheven of niet zal worden doorgevoerd? Zo neen, waarom niet?
Op dit moment ontvangen stadsherstelbedrijven een vrijstelling voor de vennootschapsbelasting, indien zij aantonen dat hun werkzaamheden voor meer dan 90% worden verricht ten behoeve van de volkshuisvesting. Aangezien stadsherstelbedrijven zich steeds meer toeleggen op het restaureren van monumentenpanden zonder woonfunctie, komt de vrijstelling in gevaar.
Mijn voorganger heeft in zijn brief van 18 december 2001 aan de Kamer, waarbij ik mij aansluit, er echter op gewezen, dat het van belang is dat stadsherstel-lichamen in het belang van de monumentenzorg meer werkzaamheden buiten het terrein van de volkshuisvesting gaan verrichten. Daarom is toegezegd na te gaan welke mogelijkheden er zijn om hen op een andere manier te ondersteunen. Hierbij zal worden aangesloten bij de nieuwe instandhoudingsregeling op het terrein van de monumentenzorg, die thans wordt ontwikkeld. Hierin is een duidelijke rol weggelegd voor organisaties die zich toeleggen op het beheer van monumenten waarbij het eigen aandeel in de kosten van restauratie en onderhoud niet uit de exploitatie op te brengen is. Voorts wordt gekeken of een inhoudelijk en bestuurlijk gemeenschappelijk kader of «vangnet» ontwikkeld kan worden ten behoeve van monumenten die niet rendabel zijn te exploiteren.
Uitgangspunt van de regeling is dat gestreefd wordt naar een situatie waarbij meer aan onderhoud van panden wordt gedaan, in plaats van dure restauraties die na verloop van tijd plaatsvinden.
Daarnaast kan het volgende worden opgemerkt. Het kabinet heeft in het kader van het project Marktwerking, Deregulering en Wetgeving afschaffing van de Vpb-vrijstelling voor woningcorporaties aangekondigd. Het is echter nog te vroeg om aan te geven hoe dit concreet zal worden uitgewerkt en of dit consequenties zal hebben voor stadsherstelbedrijven, die voor meer dan 90% van hun activiteiten werkzaam zijn in de volkshuisvesting.
Is de regering bereid om, in vervolg op de aankondiging van de vorige staatssecretaris van Cultuur, Van der Ploeg, een structureel beleid ten aanzien van het mobiel industrieel erfgoed te gaan voeren en daarvoor middelen ter beschikking te stellen? Zo neen, waarom niet?
Op dit moment werkt de Stichting Mobiele Collectie Nederland (MCN), de koepel voor het mobiele erfgoed, aan het verkrijgen van inzicht in en waardering van de mobiele collectie, alsmede het in kaart brengen van de (financiële) problematiek van de sector. Hiervoor heeft de koepel in de huidige cultuurnotaperiode subsidie voor ontvangen. Voor de vier sectoren water, rail, weg en lucht worden vier registers samengesteld, evenals vier inventarisaties van knelpunten in beheer en behoud.
Op basis van de uitkomsten van de gegevens, waarvan is afgesproken dat de MCN deze in de huidige cultuurnotaperiode zal verzamelen, zal ik bezien welke vervolgstappen ik zal nemen. Begin 2003 verwacht ik een tussenrapportage van MCN over de verrichtingen tot nu toe.
Aangezien in Nederland geen Rijksmuseum voor hedendaagse kunst bestaat, aan welke voorwaarden zou een nieuw te vormen museum voor hedendaagse kunst, zoals bijvoorbeeld het nu in Amsterdam besproken «Museum voor de 21e eeuw», moeten voldoen om te worden beschouwd als Rijksmuseum en dienovereenkomstig te worden gefinancierd?
In Nederland zijn het van oudsher de steden die de verantwoordelijkheid op zich hebben genomen om met behulp van de respectieve stadsmusea collecties hedendaagse kunst te verzamelen en tentoon te stellen. Zo zijn kwalitatief interessante en gevarieerde collecties moderne en hedendaagse kunst met verscheidene accenten ontstaan.
Voor Museum Kröller Müller, met een belangwekkende collectie moderne en hedendaagse kunst, is het Rijk eerstverantwoordelijk.
In hoeverre is in het verleden onderzocht of het Stedelijk Museum in Amsterdam een «rijks»museum kan worden dan wel dat het Stedelijk Museum (gematigd) geprivatiseerd zou kunnen worden? Kan de Kamer hierover een overzicht ontvangen?
Vanwege de eerstverantwoordelijkheid van de gemeente Amsterdam voor het Stedelijk Museum is niet aan de orde geweest te onderzoeken of het museum een «rijks»museum zou kunnen worden, dan wel geprivatiseerd zou kunnen worden.
Inhoudelijk is het van belang dat de grote musea aan het Museumplein (Rijksmuseum, Van Gogh Museum en Stedelijk Museum) in samenwerking en afstemming met elkaar, zoals dat nu al gedeeltelijk gebeurt, hun collecties en tentoonstellingen laten zien aan het publiek.
Bestaat er in Nederland een museum voor Nederlandse popmuziek? Zo neen, zijn er initiatieven om tot een dergelijk museum te komen? Is de regering bereid een dergelijk initiatief te ondersteunen?
Neen, er bestaat geen museum voor Nederlandse popmuziek. Wel beschikt het Nationaal Pop Instituut over een uitgebreide mediatheek met een zo compleet mogelijke collectie van beeld- & geluidsdragers, tijdschriften, literatuur en andere items betreffende de Nederlandse popmuziek en popmuziekcultuur. De Stichting Rock & Art Hall of Fame Holland ontwikkelt op dit moment plannen om te komen tot een nationaal museaal cultuurcentrum voor popmuziek en heeft deel 1 van zijn businessplan onder de aandacht gebracht van de staatssecretaris van Cultuur. De regering ziet geen aanleiding om gedurende de lopende cultuurnotaperiode te besluiten tot ondersteuning van dit initiatief.
Wat is het geplande tijdpad met betrekking tot de implementatie van het Verdrag van Malta in Nederlandse wetgeving? Op welke wijze en op welke termijn wordt het eerdere advies van de Raad van State over de zogeheten «Wet op de Archeologie» verwerkt in een nieuw wetsvoorstel? Wat betekenen de vertragingen in de implementatie voor de praktijk van onderzoek naar en behoud van archeologische waarden in Nederland?
Ik heb het voornemen mijn wetsvoorstel met betrekking tot de implementatie van het verdrag van Malta nog voor het kerstreces naar de Tweede Kamer te sturen. Dat wetsvoorstel bevat tevens het nader rapport waarmee ik in ga op het advies van de Raad van State over het wetsvoorstel van mijn voorganger.
Omdat nooit zeker is, waar precies welke archeologische sporen in de bodem worden aangetroffen, kan ik weinig zinnigs zeggen over het precieze effect van een tot nu toe niet ingevoerd verdrag op het behoud van het bodemarchief. Maar dat het in algemene zin niet tot een beter behoud van het bodemarchief heeft geleid lijkt mij geen al te stellige bewering.
Welke concrete activiteiten worden ondernomen met het genoemde bedrag van € 7,1 miljoen voor de invoering van het Verdrag van Malta?
Het genoemde bedrag van € 7,1 miljoen is voornamelijk bedoeld voor 1) een tegemoetkoming in de kosten van provincies en gemeenten die straks een rol zullen spelen in de uitvoering van de wet (bestuurslasten), 2) een tegemoetkoming van rijkswege in mogelijk excessieve opgravingskosten en 3) diverse maatregelen ter bevordering van de kwaliteitszorg in de archeologische monumentenzorg. Bij dit laatste moet u met name denken aan het functioneren van de Rijksinspectie voor de Archeologie (RIA) en het College voor de Archeologische Kwaliteit (CvAK). Ook de kosten voor het verder voltooien van het centraal databestand (ARCHIS) bij de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) worden uit dit budget gefinancierd. Ten slotte worden deze middelen ook ingezet voor enkele communicatiedoeleinden (o.a. provinciale voorlichtingsbijeenkomsten en een tweemaandelijks uit te geven Malta Magazine) om er voor te zorgen dat straks zowel gemeenten als provincies als het betrokken bedrijfsleven voldoende op de hoogte zijn van de aanstaande invoering van «Malta».
Kan beargumenteerd worden aangegeven hoe, naar de mening van de regering, de financiering van onderzoek naar en behoud van archeologische waarden in de bodem in concrete gevallen moet worden vormgegeven? Hoe dienen hier de verantwoordelijkheden te worden verdeeld over rijk, provincie, gemeente en bouwer/projectontwikkelaar? Wat is het regeringsstandpunt over de introductie van een «archeologieheffing», te betalen door projectontwikkelaars, waarmee een fonds kan worden gevormd waaruit opgravingen betaald kunnen worden? Kan dit standpunt voor of tegen een dergelijk fonds – worden beargumenteerd?
Al de vragen die u hier stelt komen – beargumenteerd en wel – aan de orde in mijn wetsvoorstel. Ik stel voor – en wat mij betreft agendeert uw Kamer dat zo spoedig mogelijk – deze vragen te beantwoorden bij de kamerbehandeling van het wetsvoorstel. Nu, op voorhand – zonder dat u kennis heeft genomen van het integrale wetsvoorstel – over één aspect, namelijk de financiering van archeologisch onderzoek, met elkaar van gedachten wisselen lijkt mij geen goed uitgangspunt voor degelijke besluitvorming.
In hoeverre is een gebrekkige planning van bouwwerkzaamheden de oorzaak van problemen rondom opgraving van archeologische vondsten? Wat is het oordeel over de suggestie om samen met bijv. VNG en Neprom een handleiding voor gemeentebesturen op te stellen over hoe te handelen bij het aantreffen van archeologische vondsten?
Een gebrekkige planning van bouwwerkzaamheden zal niet in de eerste plaats voor problemen zorgen rondom een opgraving alsmede er wel veel gemakkelijker toe leiden dat er moet worden opgegraven. En dat laatste probeert het verdrag van Malta, alsmede mijn wetsvoorstel juist zo veel mogelijk te voorkomen.
In archeologische termen hebben we het dan over «behoud in situ». In gewone mensen taal: we moeten belangrijke archeologische sporen zoveel mogelijk in de bodem laten zitten.
Generaties na ons hebben, waarschijnlijk met andere wetenschappelijk inzichten en betere opsporingstechnieken, zo ook nog de mogelijkheid «de geschiedenis verder te raadplegen en te (her)schrijven».
In dit stadium van het verder brengen van het verdrag van Malta in Nederland zie ik niet zo veel in de suggestie om samen met bijvoorbeeld VNG en de Neprom een handleiding op te stellen over hoe te handelen bij het aantreffen van archeologische vondsten. Dat legt mijns inziens te veel nadruk op het opgravingsaspect, terwijl het mij er juist om gaat te voorkomen dat er een archeologische vondst wordt aangetroffen.
Kan worden onderschreven dat «ontlezing» voor een deel veroorzaakt wordt doordat kinderen een steeds groter deel van hun tijd besteden voor de tv en internet? Er wordt veel gesproken over de (negatieve) effecten hiervan, maar er is weinig (preventief) beleid om kinderen te leren hoe om met de media om te gaan en hoe de «beeldtaal» kritisch te interpreteren. Zijn er plannen om in het kader van Cultuur en school hier een beleid op te ontwikkelen? Hoe staat de regering tegenover de suggestie om de Stichting Lezen, gezien hun ervaring, en enkele media-educatie-organisaties hierin een rol te laten spelen?
In het kader van Cultuur en School is media-educatie één van de vier aandachtsgebieden («luiken»). De Stuurgroep media-educatie levert eind 2002 een advies waarin de resultaten van de gehonoreerde media-educatieprojecten, uitgevoerd door verschillende media-educatie-organisaties en openbare bibliotheken, worden besproken. Het advies zal tevens een toekomstvisie bevatten, op basis waarvan binnen Cultuur en School het beleid nader zal worden bepaald. De Stichting Lezen heeft leesbevordering tot taak, geen media-educatie.
Heeft de regering een analyse gemaakt of gemeenten de verantwoordelijkheid en financiering van de lokale openbare bibliotheekvoorziening nog wel kunnen waarmaken in het licht van de voorgestelde maatregelen, zoals de korting op het Gemeentefonds en de afschaffing van de onroerend zaakbelasting (OZB)?
De staatssecretaris heeft in het eerste overleg met de VNG besproken op welke wijze vorm gegeven kan worden aan de bibliotheekvernieuwing in het huidige financieel-economische klimaat. Zowel VNG als OCW hebben daarbij de intentie uitgesproken om in ieder geval met het traject voort te gaan.
Het investeringsniveau, de financiële rolverdeling tussen de convenantpartners en het tempo van uitvoering zijn onderwerpen van vervolgoverleg.
Is de regering van mening dat de herstructurering van de bibliotheken op basis van de met VNG en IPO gesloten bestuursovereenkomst doorgang moet vinden? Zo ja, wat is de investering vanuit het rijk?
Is de regering ervan op de hoogt dat de VNG heeft laten weten dat wanneer een investering vanuit het rijk achterwege blijft zij overweegt zich terug te trekken uit het convenant? Bestaat daardoor het gevaar dat het proces van vernieuwing stil komt te liggen? Hoe wil de regering de ongewenste gevolgen hiervan, met name voor bibliotheken in kleine gemeenten, ondervangen?
De afspraken die gemaakt zijn in het koepelconvenant zijn onverminderd geldig. Over de voortgang is inmiddels gesproken met VNG en IPO. Zie ook het antwoord op vraag 392.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het wetsvoorstel 28 203, dat onder meer de (vrije) toegang tot de kabel regelt?
Aan de Nota naar aanleiding van het verslag en een Nota van wijziging wordt momenteel gewerkt.
Klopt het dat acht regionale omroepen op korte termijn worden gedwongen van frequentie te veranderen? Op welke wijze worden de directe en indirecte kosten verband houdend met de frequentiewijziging, vergoed? Hoe ziet de verdeling per regionale zender eruit?
Acht regionale omroepen zullen als gevolg van de zerobase operatie binnenkort van frequentie veranderen. Als gevolg van de rechterlijke uitspraak van 24 juli jl. vindt de verdeling van commerciële omroepfrequenties op een later tijdstip plaats.
De implementatie van de publieke omroepen (landelijk, regionaal en lokaal) kan al wel plaatsvinden en daar wordt op dit moment aan gewerkt.
Met het overkoepelend orgaan van de regionale omroepen, de ROOS, en apart met Radio TV West is de hoogte van de vergoedingen voor de niet-technische omschakelingskosten als gevolg van de frequentiewijziging overeengekomen. Bij de vaststelling van de hoogte is het demografische bereik van de te wijzigen frequenties als uitgangspunt gehanteerd. De vergoedingen hebben betrekking op de vervangingskosten en promotie activiteiten van de omroepen en bevatten een extra bijdrage in verband met de functie van de zenders bij calamiteiten. De vergoedingen voor de niet-technische omschakelingskosten bedragen in totaal € 2,5 miljoen. Het betrokken ministerie (Economische Zaken) heeft daartoe aan de betreffende omroepen een opgave gevraagd. Daarnaast zullen ook de technische omschakelingskosten worden vergoed.
Op welke wijze wordt het bedrag van € 81 miljoen dat in het financieringsstelsel media wordt genoemd onder «Overig», precies besteed?
Het bedrag van € 81 miljoen betreft een voorlopige raming die is gebaseerd op de begrotingsbrief van 21 november 2001.
Het betreft hier uitgaven aan instellingen die worden gefinancierd uit de mediabegroting, zoals het Muziekcentrum van de Omroep (MCO), het Nationaal Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG), het Stimuleringsfonds. In de begrotingsbrief media die medio november naar de Tweede Kamer wordt gezonden worden alle bedragen, mede op basis van de meerjarenbegrotingen van de NOS, de Wereldomroep en de verwachting van de Ster en de adviezen van het Commissariaat voor de Media en de Raad voor Cultuur, voor het jaar 2003 ingevuld en toegelicht.
Op welke wijze wordt het bedrag van € 676 miljoen dat in het financieringsstelsel media wordt gereserveerd voor de landelijke omroep, precies verdeeld over de verschillende omroepen? Op welke wijze controleert de regering de jaarlijkse besteding van deze gelden? Op welke wijze leggen de omroepen verantwoording af over het gebruik van deze middelen?
Het bedrag van € 676 miljoen betreft een voorlopige raming die is gebaseerd op de begrotingsbrief van 21 november 2001. In de begrotingsbrief media die medio november naar de Tweede Kamer wordt gezonden worden alle bedragen, mede op basis van de meerjarenbegrotingen van de NOS, de Wereldomroep en de verwachting van de Ster en de adviezen van het Commissariaat voor de Media en de Raad voor Cultuur, nader ingevuld en toegelicht. Het bedrag voor de landelijke publieke omroep wordt ter beschikking gesteld aan de raad van bestuur van de NOS, die het budget vervolgens op basis van de Mediawet toewijst aan de verschillende zendgemachtigden.
Op grond van de Mediawet is het financieel toezicht opgedragen aan het Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat beoordeelt of de aan de publieke omroepinstellingen ter beschikking gestelde middelen rechtmatig zijn aangewend voor de verzorging van de programma's. Deze beoordeling geschiedt aan de hand van de door de instellingen die zendtijd hebben verkregen bij het Commissariaat in te dienen jaarrekeningen. De jaarrekeningen over het voorgaande boekjaar worden vóór 1 juni bij het Commissariaat ingediend. De jaarrekeningen moeten zijn voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring. Hierin wordt verklaard dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen en van het resultaat en dat de financiële administratie in overeenstemming is met het Handboek Financiële Verantwoording. Dit Handboek bevat voorschriften die door het ministerie van OCenW zijn vastgesteld. Na de controle van de jaarrekeningen en de toelichtingen stelt het Commissariaat de definitieve vergoeding vast die de landelijke publieke omroepen uit de omroepgelden ontvangen.
Ook vindt er jaarlijks een review plaats bij de accountant van het Commissariaat voor de Media door de departementale accountantsdienst.
Naast de hierboven genoemde jaarrekeningen wordt jaarlijks door de landelijke publieke omroep een meerjarenbegroting opgesteld waarin voor een periode van vijf jaren een raming is opgenomen van de verwachte uitgaven. In deze meerjarenbegroting wordt tevens teruggeblikt op het vorige jaar en wordt een overzicht verstrekt van de feitelijke bestedingen in de afgelopen twee jaar. Het Commissariaat brengt advies uit over de Meerjarenbegroting van de landelijke publieke omroep. Dit advies bevat analyses van de plannen van de landelijke publieke omroep en de daaraan verbonden financiële gevolgen. Mede op basis van dat advies wordt door de staatssecretaris een beslissing genomen over de omvang van de aan de landelijke publieke omroepen toe te kennen budgetten. In november wordt de Tweede Kamer middels genoemde begrotingsbrief bericht over de meest recente raming van de inkomsten en uitgaven van het volgende jaar. De uitgaven liggen na behandeling in de Tweede Kamer juridisch vast in de rijksbegroting.
Hoe groot was de rente op de omroepreserve in 2002? Op welke wijze is deze rente besteed? Hoe zijn de vooruitzichten voor 2003?
De rente op de algemene omroepreserve wordt nu voor 2002 geraamd op ruim € 4,5 miljoen. Voor de besteding van deze middelen wordt verwezen naar bijlage 6 (Bestedingsplan subsidies mediabeleid 2002) van de begrotingsbrief van 21 november 2001. Op de vooruitzichten voor 2003 wordt nader ingegaan in de begrotingsbrief media 2003.
Provincies en middelgrote gemeenten ontvangen een specifieke uitkering voor ondersteuning van hun beleid. Er wordt gemeld: «De uitkering wordt nu nog jaarlijks vastgesteld». Betekent dit dat het kabinet voornemens is om hierin verandering te brengen? Zou het inderdaad niet beter zijn voor de langetermijnplanning van provincies en middelgrote gemeenten als zij voor meerjaren, bijvoorbeeld voor de periode van 4 jaar, zekerheid krijgen over de specifieke uitkering die zij ontvangen?
Om de specifieke uitkeringen zo goed mogelijk te synchroniseren met het vierjarig beleidsstramien van de cultuurnota, wordt inderdaad bekeken wat de mogelijkheden zijn voor het maken van meerjarige afspraken.
Uiteraard onder het parlementaire voorbehoud dat specifieke uitkeringen in de begrotingswet jaarlijks worden vastgesteld.
De wettelijke taak van de minister van OCW op het terrein van cultuur ligt vast, namelijk «het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen, sociaal en geografisch spreiden of anderszins verbreiden van cultuuruitingen». Welke concrete doelen stelt de regering om deze zaken te realiseren?
Zie het antwoord op vraag 361.
Op welke wijze kunnen de media bijdragen tot een open en gelijkwaardige dialoog tussen overheid en burger en tussen burgers onderling? Wordt hier met de media en andere gerelateerde organisaties over gesproken? Wordt hier vanuit de media en de overheid specifiek beleid op ontwikkeld?
Media vervullen diverse vitale functies binnen de samenleving.
Zij treden op als intermediair door informatie te selecteren en te ontsluiten voor het publiek. Vanuit hun rol als waakhond volgen media kritisch de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen en leveren daar achtergrond, commentaar en opiniëring bij. Ook signaleren media maatschappelijke knelpunten waar overheden en andere betrokken partijen op in kunnen spelen; zij agenderen onderwerpen en bieden een forum voor debat tussen burgers onderling en tussen overheid en burgers. Ook vormen media een podium voor expressie van culturele identiteit.
Tot slot kunnen media ook een samenbindende functie vervullen doordat zij een gemeenschappelijk referentiekader bieden, bijvoorbeeld wanneer burgers onderling de actuele maatschappelijke en politieke ontwikkelingen bespreken.
De vervulling van deze functies is inherent aan het wezen van de media, zij het dat niet ieder mediumtype in even sterke mate alle genoemde functies vervult. Dat hoeft ook niet, want een wezenskenmerk van de media is dat dankzij de redactionele autonomie ieder mediumtype zelf verantwoordelijk is voor de vorm en inhoud van zijn programma's c.q. artikelen.
Het mediabeleid is er nadrukkelijk op gericht om de kwaliteit, onafhankelijkheid en pluriformiteit van de informatievoorziening te stimuleren, omdat dit de beste waarborg biedt voor een optimale vervulling van bovengenoemde functies door de media.
Hoe verhoudt de toezegging om niet op cultuur te bezuinigen zich tot de aanzienlijk bezuinigingen op de omroepen?
Zoals in het strategisch akkoord is verwoord, meent het kabinet dat tegen de achtergrond van de doelmatigheids- en volume taakstelling van de hele overheid het in de rede ligt dat ook de publieke omroep kritisch kijkt naar overmatige bureaucratie en overhead in de eigen organisatie. Het is de intentie om de bezuiniging te doen realiseren zonder programmatische gevolgen.
Het aangekondigde organisatieonderzoek, dat zich richt op het verbeteren van de organisatie, zal hiermee rekening houden.
Wat wordt precies verstaan onder de resultaatverantwoordelijkheid ten aanzien van de landelijke publieke omroep van de NOS? Hoe zijn de taken en verantwoordelijkheden van de toezichthouder NOS gescheiden van de omroep NOS? Hoe zijn de taken en verantwoordelijkheden van de toezichthouder NOS gescheiden van de koepelorganisatie Publieke omroep? Wie heeft er precies zitting in de Raad van Toezicht van de publieke omroep?
Sinds de inwerkingtreding op 1 februari 1998 van de wet van 13 november 1997 tot wijziging van bepalingen van de Mediawet in verband met een herziening van de organisatiestructuur van de landelijke publieke omroep is de verantwoordelijkheid van de toedeling en verantwoording van de voor de landelijke omroep beschikbare middelen opgedragen aan de NOS, in het bijzonder de raad van bestuur. Deze dient er voor zorg te dragen dat de beschikbare budgetten voor landelijke publieke omroep binnen de daarbij aangegeven kaders worden verdeeld en ingezet. In de jaarlijkse meerjarenbegrotingen van de NOS dient daarover elk jaar verantwoording te worden afgelegd.
Bij de in 2000 in werking getreden concessiewet is de coördinatie en samenhang binnen de landelijke publieke omroep versterkt. Elementen van die versterking vormen de wettelijke verankering van de taakopdracht van de publieke omroep, de verlening van één concessie voor landelijke publieke omroep als geheel aan de NOS, de versterking van de coördinerende structuur en taak van de NOS, de wettelijk vastgelegde specifieke programmatische opdrachten van de landelijke publieke omroep als geheel en per zendernet en tot slot een nadrukkelijker verantwoordelijkheid van de individuele omroepinstellingen om onder coördinatie van de NOS samen te werken binnen het verband van de landelijke publieke omroep.
Daarbij is aan de NOS nadrukkelijk een verantwoordelijkheid gegeven om de doelstellingen/taakopdracht van de landelijke publieke omroep als geheel te realiseren, met inachtneming en inschakeling van de wettelijke verantwoordelijkheden van de individuele omroepinstellingen.
Naast de coördinerende taakopdracht heeft de NOS een specifieke wettelijke opdracht om een programma te verzorgen. De verantwoordelijkheid voor het verzorgen van het NOS-programma is in de wet opgedragen aan de raad van bestuur van NOS.
Daarbij is bepaald dat de raad van bestuur ten behoeve van de verzorging van het NOS-programma een programmadirecteur benoemt. De functie van programmadirecteur is niet verenigbaar met het lidmaatschap van de raad van toezicht of de raad van bestuur. De raad van toezicht stelt naast de algemene uitgangspunten voor landelijke televisie- en radio omroep ook de algemene uitgangspunten voor het NOS-programma vast. Wat betreft de programmataak valt de NOS verder onder hetzelfde coördinatieregime als de andere landelijke omroepinstellingen en onder het algemene toezicht door de raad van toezicht.
Onlangs heeft de raad van bestuur van de NOS in het kader van de nieuwe huisstijl zijn naam verandert in «raad van bestuur van de Publieke Omroep». Daarmee is beoogd duidelijker onderscheid te maken tussen het bestuurlijke deel van de NOS en het journalistieke deel van de NOS, NOS/RTV dat belast is met de verzorging van het NOS-programma. Hoewel de nieuwe naam anders zou kunnen doen vermoeden, bestaat er naast of boven de NOS en de landelijke publieke omroepinstellingen geen formele koepelorganisatie die Publieke Omroep heet. De Publieke Omroep is het geheel van onder de bestuurlijke coördinatie van de raad van bestuur samenwerkende landelijke publieke omroepinstellingen, te weten de omroepverenigingen, de NOS, de NPS, de STER, de Educom en de 39f-zendgemachtigden (kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag). De raad van toezicht van de NOS maakt als orgaan van de NOS deel uit van de organisatie van de landelijke publieke omroep.
De raad van toezicht is thans wettelijk als volgt samengesteld: een onafhankelijke voorzitter, benoemd bij koninklijk besluit; een aantal door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen benoemde onafhankelijke leden, de zgn. Kroonleden (waarvan één lid op voordracht van de gezamenlijke ondernemingsraden van NOS, NPS en omroepverenigingen). Dit aantal is gelijk aan het aantal omroepverenigingen minus drie. Thans zijn er vijf Kroonleden. acht door de omroepverenigingen benoemde leden (elke omroepvereniging benoemt een lid); een door de NPS benoemd lid; een door de Educom benoemd lid; een door de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag die zendtijd hebben verkregen gezamenlijk benoemd lid.
Totaal 17 leden, waarbij de vertegenwoordigers van de omroepinstellingen de meerderheid hebben (11 tegen 6), maar de omroepverenigingen in de minderheid zijn (8 tegen 9).
Aangezien de voorzitter van de raad van bestuur van de publieke omroep, Wolffensperger, recentelijk zijn aftreden bekend maakte, wat zijn de voornemens voor de wijze waarop een nieuwe voorzitter van de raad van bestuur wordt benoemd? Worden er bij de benoeming van een nieuwe voorzitter nog andere wijzigingen doorgevoerd binnen het bestuur?
Sinds de inwerkingtreding van de concessiewet in 2000 worden de leden van de uit drie personen bestaande raad van bestuur benoemd door de raad van toezicht van de NOS. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft geen initiatief bij benoemingen; dat is primair de verantwoordelijkheid van de raad van toezicht. Een besluit van de raad van toezicht tot benoeming behoeft echter wel de instemming van genoemde minister. Bij voorgenomen benoemingen zal op passende wijze consultatie plaatsvinden; het is immers van belang dat de te benoemen personen kunnen rekenen op vertrouwen zowel aan de kant van de raad van toezicht als aan de kant van de minister.
Behalve een nieuwe voorzitter zal ook een nieuw lid benoemd worden, omdat de heer Van Beers reeds eerder te kennen heeft gegeven geen tweede termijn te ambiëren.
Op welke wijze definieert de regering precies «voldoende draagvlak onder de bevolking» voor de publieke omroepen op drie netten en op welke wijze is hiervoor de streefwaarde van 40% kijktijdaandeel vastgesteld? Op welke wijze zou de streefwaarde veranderen, indien de publieke omroepen slechts op twee netten zouden uitzenden?
Voldoende draagvlak onder de bevolking is gedefinieerd in termen van kijk- en luistertijdaandelen en in termen van bereik van de landelijke publieke omroep. Dit zijn de gebruikelijke maatstaven in de internationale omroepwereld.
De publieke omroep heeft in zijn concessiebeleidsplan, op basis waarvan de tienjarige concessie is verleend, als streven opgenomen dat hij in de kijktijd van het publiek gemiddeld een aandeel haalt van 40%. Voor de radio is de doelstelling een aandeel in de luistertijd van 33%. Daarnaast geldt een streefbereik: het streven is dat tenminste 85% van de bevolking minimaal een kwartier per week afstemt op de landelijke publieke omroep.
Deze percentages zijn gebaseerd op uitzenden via drie algemene televisiezenders en vijf radiozenders, zoals in de Mediawet (artikel 40) vastgelegd. Het aantal netten waarop de publieke omroep uitzendt, is een instrument voor het gewenste draagvlak bij de bevolking.
De wettelijke opdracht om de gehele bevolking te bedienen is hier dus vertaald in meetbare resultaatafspraken tussen overheid en omroep.
Veranderende omstandigheden, bijvoorbeeld toename van het aantal commerciële zenders of de opkomst van internet, vormen geen automatische aanleiding om de streefwaarden naar beneden bij te stellen. De publieke omroep zal zich altijd moeten inspannen om voldoende draagvlak onder de bevolking te behouden, met een aantrekkelijke, gevarieerde en hoogwaardige programmering.
Onder de marktomstandigheden, zoals die nu in het duale omroepbestel in Nederland zijn ontstaan, kunnen streefwaarden van 40% bij het uitzenden via twee zenders niet gehaald worden.
Volgens een onderzoek van de NOS zou het resulterende kijktijdaandeel dan, afhankelijk van de profilering van de twee televisiezenders «smal of breed», tussen 20% en 27% kunnen liggen.
Op welke wijze wordt het kijk- en luistergedrag van allochtone kijkers gemeten? Zijn hier specifieke methoden voor ontwikkeld? Wat zijn de resultaten van de regelmatige onderzoeken? Wat is bekend over de waardering van de allochtone groepen voor de programma's van de publieke omroep? Is hier specifiek onderzoek naar gedaan? Kan een indicatie worden gegeven van het gebruik van de kabel, ether en satelliet door allochtone kijkers en luisteraars?
Kijk- en luistercijfers zijn afkomstig uit het continu kijk- en luisteronderzoek, waarvoor een representatieve steekproef van respondenten is samengesteld die dagelijks hun kijkgedrag en luistergedrag rapporteren. Het aantal respondenten afkomstig uit etnische minderheden in deze panels is laag. Om aan deze lacune tegemoet te komen wordt iedere drie jaar een onderzoek naar het mediagebruik van minderheidsgroepen gehouden. In 1999 verscheen het rapport «mediagebruik etnische publieksgroepen 1998». Dit volgt een langere traditie die teruggaat tot 1980.
In 2000 is dit driejaarlijks onderzoek, tot dan toe uitgevoerd door Bureau Veldkamp, overgenomen door de NOS. Dit onderzoek Mediagebruik Etnische Publieksgroepen (MEP) bestaat uit een enquête, afgenomen door tweetalige enquêteurs onder Nederlanders van Chinese, Marokkaanse, Turkse, Antilliaanse en Surinaamse afkomst. Het brengt het mediagebruik van deze groepen in kaart.
Het gebruik van alle publieke en commerciële zenders, lokale, regionale, en buitenlandse zenders wordt onderzocht. Ook wordt er gevraagd naar het bezit van schotelantennes en kabelaansluiting. De meest recente samenvatting van het mediagebruik en het gebruik van kabel, ether en satelliet is gegeven in de nota «media- en minderhedenbeleid» van juni 1999.
Kamerstukken II, 1998–1999, 26 597, nr. 1. Begin 2003 worden de resultaten van het thans lopende onderzoek naar mediagebruik onder etnische publieksgroepen gepubliceerd.
In opdracht van publieke omroeporganisaties wordt verder regelmatig ad hoc onderzoek gedaan naar de waardering van specifieke doelgroepen (met name jongeren en allochtonen) voor bepaalde programma's. Zo is in opdracht van de NPS bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar de waardering voor de dramaseries Bradaz en Desi en Dunya. Via dit onderzoek wordt het programma verbeterd. De resultaten hiervan zijn om bedrijfsmatige redenen niet openbaar.
Klopt het dat 20% van de televisiezendtijd van de NPS moet worden besteed aan minderhedenprogramma's? Wat is de definitie van deze programma's? Gaat het hier om doelgroepgerichte programma's? Voldoet de NPS aan deze norm? Hoe worden deze programma's bij de betreffende groepen ontvangen en gewaardeerd?
De wetsgeschiedenis over dit onderdeel benoemde het als «programma's voor, door of over minderheden». In de praktijk heeft dit geleid tot de volgende, door de NPS gehanteerde definitie van minderhedenprogrammering: programma(onderdelen) waarin aspecten van de multiculturele samenleving naar voren komen en waarbij deze aspecten een concreet onderdeel uitmaken van de doelstelling van het programma(onderdeel). Het klopt dat 20% van de televisieprogramma's van de NPS moet voldoen aan deze norm. De NPS voldoet hieraan. Dat blijkt uit onderzoek van het Commissariaat voor de Media. In 2001 viel 27% van de NPS-programma's onder deze definitie. Zie voor de beoordeling van de waardering vraag 406.
Op welke wijze wordt gemeten of het algemeen programma aanbod een reflectie is van de multiculturele samenleving? Wordt dit gemonitord door het Commissariaat van de Media?
Diverse instrumenten worden gehanteerd om dit te meten. In april 2002 is door KLO een onderzoek gedaan naar de representatie van etniciteit, gender en leeftijd op de Nederlandse televisiezenders. Hiervoor is 100 uur commerciële televisie en 100 uur publieke televisie geanalyseerd. Deze Monitor Diversiteit wordt eind 2002 gepubliceerd. De monitor wordt beschouwd als een nulmeting. Het is de bedoeling dat deze monitor eenmaal per vijf jaar plaatsvindt, mede als voorbereiding van de vijfjaarlijkse beoordeling van de publieke omroep in het kader van de Concessiewet.
Daarnaast is geïnventariseerd welke programma's die door de publieke omroep in 2001 zijn uitgezonden voldoen aan een brede, in 2002 ontworpen definitie voor multiculturele programmering en hoeveel budget hieraan door de omroepen is besteed. Dit wordt binnenkort gepubliceerd en zal over de volle breedte van de publieke omroep een overzicht geven hoe de veelkleurige samenleving in de programmering is vertaald. Dit staat overigens los van de speciale taakstelling en opdracht van de NPS. Verder wordt verwezen naar het antwoord op vraag 406: het MEP onderzoek.
Hoe zijn de normen voor het kijktijdaandeel en het bereik tot stand gekomen? Is het mogelijk dat, bij gewijzigd media-aanbod, deze normen zullen wijzigen?
Zie het antwoord op vraag 405.
Kan de formulering «in het algemeen voldoen de publieke omroepen aan de eisen van de programmavoorschriften» nader worden toegelicht? Kan er zowel met cijfers als inhoudelijk worden onderbouwd wat de afwijkingen ten opzichte van de programmavoorschriften inhouden?
De Mediawet bevat meerdere kwantitatieve programmavoorschriften. Het Commissariaat voor de Media houdt toezicht op de naleving hiervan, door controle van de rapportages van de publieke omroep. Sinds 2001 werkt de publieke omroep met een verbeterd indelingssysteem dat in overleg met het Commissariaat voor de Media is vastgesteld. In november 2001 heeft de Tweede Kamer hierover een uitgebreide brief ontvangen (Kamerstukken II, 2001/2002, 2800 VIII, nr.18).
Hieronder is voor de belangrijkste programmavoorschriften aangegeven in hoeverre zij in 2001 zijn gerealiseerd. Basis vormt de opgave in het programmatisch jaarverslag van de publieke omroep over 2001, onderdeel van de meerjarenbegroting 2003–2007. Alle programmavoorschriften worden ruimschoots gerealiseerd. De lage percentages bij verstrooiing zijn het resultaat van de gekozen indelingssystematiek. Voornamelijk de grote spelshows worden hiervoor meegeteld en dit is bij de publieke programmering nu eenmaal een kleine categorie.
Educatieve quizzen, cabaret en kleinkunst, satire, muziekregistraties en drama worden vanwege hun educatieve of culturele functie niet meegeteld. Deze indeling is in overeenstemming met de memorie van toelichting bij de concessiewet en de operationele afspraken met het Commissariaat. Gezien de publieke belangstelling voor de realisering van de programmavoorschriften lijkt een regelmatige evaluatie van het indelingssysteem van belang. De staatssecretaris zal hierover overleg voeren met het Commissariaat voor de Media en de publieke omroep.
Naleving programmavoorschriften, in aandeel van de zendtijd, tijdvak 16–24 uur
| Wettelijk | Programmering 2001 | |
|---|---|---|
| Cultuur/kunst: omroepverenigingen | Minimaal 25% | 35% |
| Informatie/educatie: omroepverenigingen | Minimaal 35% | 54% |
| Cultuur/kunst: NPS | Minimaal 40% | 78% |
| Minderheden: NPS | Minimaal 20% | 27% |
| Onafhankelijk product: totaal | Minimaal 25% | 29% |
| Verstrooiing: ned 1 | Maximaal 25% | 1% |
| Verstrooiing: ned 2 | Maximaal 25% | 4% |
| Verstrooiing: ned 3 | Maximaal 25% | 0% |
Wat wordt precies bedoeld met «nieuwe media»? Waar ligt, afhankelijk van de invulling van deze media, de eerste verantwoordelijkheid voor de invoering ervan?
Onder nieuwe media wordt verstaan: de digitale productie, opslag en distributie van informatie, educatie, cultuur en amusement. In de praktijk gaat het nu voornamelijk om internet (op de pc), maar ook om nieuwe internetachtige en interactieve toepassingen voor digitale televisie en mobiele telefoon. Voor zover de begrotingstekst de indruk wekt dat de nieuwe media worden «ingevoerd» en «ingevuld» door de overheid, is dit onbedoeld. Ook stelt de overheid geen criteria die bepalen welke zaken op internet «interessant» of «maatschappelijk relevant» zijn. De passage verwijst slechts naar stimulering van ict-gebruik door de publieke omroep, bibliotheken, musea en andere gesubsidieerde culturele instellingen. Gedachte is dat deze partijen ook leveranciers zijn van content («digi-taal» voor inhoud) die bijdraagt aan maatschappelijke ontplooiing en zinvolle vrijetijdsbesteding van burgers. De overheid wil daarom graag dat genoemde organisaties hun collecties en informatie toegankelijk maken op internet. De overheid doet dit onder meer door incidentele subsidies te verschaffen, door de werkingsfeer van fondsen aan te passen (ten gunste van ict-projecten), door kennisbundeling en door afspraken met instellingen. Sinds kort is er een bescheiden subsidieregeling gericht op vrijwilligersinitiatieven van (groepen) burgers. Het gaat om internetinitiatieven in de sfeer van informatie-uitwisseling en maatschappelijk debat, met een landelijk karakter. De regeling voor maatschappelijke content – met de werknaam De Digitale Pioniers – wordt gefinancierd uit het interdepartementale budget bij het Nationaal Actieprogramma Elektronische Snelwegen (beheerd door het ministerie van Economische Zaken) en het budget subsidies mediabeleid van OCenW (rente omroepreserve). Voor de periode 2002–2004 is 2 miljoen beschikbaar aan eenmalige projectsubsidies. Hierna wordt de regeling geëvalueerd.
Wordt bij de nieuwe media «interessante inhoud» gelijk gesteld aan «maatschappelijk waardevolle inhoud»? Wat zijn hierbij de criteria en hoe zijn deze tot stand gekomen?
Zie het antwoord op vraag 411.
Voor digitale ethertelevisie wordt gestreefd naar regionale dekking in 2003 en landelijke dekking in 2004. In hoeverre biedt deze ontwikkeling ruimte aan wensen van gemeenten om directe (en interactieve) communicatielijnen met allochtone groepen te openen? Is er ook ruimte voor specifieke allochtone en multiculturele televisie initiatieven, die van deze kanalen willen gebruiken om vanuit deze groepen een zichtbare bijdrage te leveren aan het publiek debat?
De uitzendingen van digitale ethertelevisie waarvoor onlangs vergunningen zijn uitgegeven zijn in beginsel landelijk.
Slechts in de aan de publieke omroep toegekende frequentieruimte bestaat de mogelijk de programmering te differentiëren per provincie. Dit is nodig om daarmee de programma's van de regionale publieke omroepen digitaal in de ether te kunnen uitzenden.
Programma's die door de regionale omroepen worden uitgezonden ten behoeve van specifieke doelgroepen zijn dus ook digitaal te ontvangen en kunnen in principe interactief zijn.
De commerciële exploitant van de overige frequentieruimte (Digitenne) heeft beperkte mogelijkheden om per regio verschillende programma's uit te zenden. Voorts heeft Digitenne geen must-carry-verplichtingen en kan zij vrij bepalen welke programma's zij wil uitzenden.
Het gevraagde type programmering zal eerder op de kabel kunnen worden gerealiseerd dan in de ether, omdat via de kabel een veel groter aantal programma's (digitaal) kan worden aangeboden.
Naar aanleiding van de aankondiging in box 15.2 dat er thema-portals komen voor specifiek doelgroepen: komt er ook een multiculturele portal? Zo ja, waar gaat deze zich specifiek op richten? Welke organisaties en instellingen en organisaties buiten de omroepen worden bij de realisatie betrokken?
De voorbereidingen voor een multiculturele portal op omroep.nl zijn reeds in gang gezet. Naar verwachting zal de portal eind 2002 of begin 2003 actief zijn. Vooralsnog zijn alleen omroepen betrokken bij de totstandkoming van de portal.
Wat is de doelstelling van migrantentelevisie? Wat is de bijdrage van de regionale omroepen in het geheel? Wat zijn de kosten en op welke wijze worden deze gedekt? Zijn er plannen om migrantentelevisie ook naar andere regio's te verspreiden? In hoeverre wordt in dit kader invulling gegeven aan artikel 28 m. van de Mediawet?
De productieopdracht van MTNL (Multiculturele Televisie Nederland, Amsterdam) bestaat uit het wekelijks produceren van een programma voor vier grote minderheidsgroepen in de randstad (Turken, Marokkanen, Antillianen en Surinamers). Dit bestaat uit 30 minuten grootstedelijk aanbod en 15 minuten lokaal nieuws. De televisieprogramma's zijn gericht op informatie, actualiteit, cultuur, amusement en educatie. Alle programma's zijn tweetalig en zodanig geproduceerd dat zij altijd toegankelijk zijn voor een breed publiek. De programma's worden uitgezonden door de publieke lokale en regionale omroepen in de randstad. Er bestaat belangstelling vanuit andere regio's voor de programma's van MTNL. Dit is in de eerste plaats een zaak van MTNL zelf, die met geïnteresseerden moet overleggen over uitzend- en productiemogelijkheden inclusief de financiering hiervan. Artikel 28m Mediawet spreekt van «bijdragen aan regionale en lokale omroep ten behoeve van minderhedenprogrammering». Vanwege het principe «overheid op afstand» vindt vanuit het mediabeleid geen rechtstreekse subsidiëring plaats van radio- en televisieprogramma's. Artikel 28m Mediawet ziet op een structurele voorziening, een vast samenwerkingsverband, georganiseerd op professionele grondslag met als doel voor minderheden programma's te produceren. Een voorbeeld hiervan is MTNL.
Wat zijn de bereik- en kijktijdaandeelcijfers van migrantentelevisie in de vier grote steden? Voldoen deze tot nu toe aan de verwachtingen? Hoe zijn mogelijke verschillen te verklaren?
MTNL is met haar programma's vanaf januari 2002 volledig operationeel. Een evaluatie is voorzien in 2004. Op dit moment zijn over het bereik en kijktijdaandeel geen gegevens beschikbaar. Per week heeft MTNL momenteel de beschikking over de volgende hoeveelheid zendtijd: Amsterdam: 24 uur Utrecht: 4 uur Den Haag: 3 uur en Rotterdam: 8 uur.
Wat is de stand van zaken betreffende de realisatie van een multiculturele radiozender voor jongeren waarvan in een eerder notitie over media en minderheden sprake was? Wordt deze zender gerealiseerd? Op welke wijze gaat dit dan gebeuren en welke financiële middelen zijn hier mee gemoeid?
Eind 2002 wordt uitsluitsel verwacht over deelname van de vier grote steden. Uitgangspunt vormt hierbij dat de kosten (subsidiebehoefte ruimanderhalf miljoen euro op jaarbasis) gezamenlijk door de vier grote steden en het rijk worden gedragen. In Rotterdam heeft G4 Radio onder de naam «FunX» van augustus tot december 2002 proefuitzendingen verzorgd om format en organisatie te testen. Bij een positieve besluitvorming door de vier grote steden kan de zender begin 2003 van start gaan.
Kan een garantie gegeven worden dat op de programmering van kunst en cultuur bij de omroepen (bijvoorbeeld speelfilms en documentaires over kunst en cultuur en het Muziekcentrum voor de Omroep) niet zal worden bezuinigd en de diversiteit in het aanbod uitgangspunt van de programmering zal blijven, aangezien in het strategisch akkoord is bepaald dat op kunst en cultuur niet wordt bezuinigd?
Zie de antwoorden op de vragen 95 en 402.
Hoe wordt de efficiencykorting van 4% die aan de publieke omroep wordt opgelegd, verdeeld over de lokale, regionale en nationale publieke omroep? Op welke wijze wordt de korting verdeeld over de verschillende zendgemachtigden binnen het landelijke publieke bestel?
Wellicht is hier sprake van enige onduidelijkheid. De efficiencykorting van 4% heeft betrekking op de G&G-sector. De omroeporkesten zijn aangeslagen voor een bedrag van € 0,3 miljoen in 2003 oplopend tot € 1,1 miljoen in 2006.
Aangezien de staatssecretaris het niet redelijk acht om de omroeporkesten, die binnen het G&G-regime zijn gebracht, om in de pas te blijven lopen met de andere orkesten, nu als enige deze korting op te leggen, is hij van mening dat genoemde bedragen bij de bezuinigingstaakstelling voor de mediabegroting dienen te worden betrokken.
Indien bij de vraag wordt gerefereerd aan de 5% bezuinigingsdoelstelling, opgelegd aan de publieke omroep in de vorm van een te bezuinigen bedrag van € 30 miljoen op de mediabegroting wordt verwezen naar de antwoorden op de vragen 95 en 402.
Aangezien de lokale omroep niet vanuit de mediabegroting wordt gefinancierd, is de opgelegde besparing voor hen niet van toepassing.
Geeft de regering bij de bezuiniging van € 30 miljoen in 2004 op de rijksomroepbijdrage die is overeengekomen in het strategisch akkoord, ook richtlijnen aan de sector op welke wijze deze gerealiseerd moet worden? Worden de lasten van deze bezuiniging geheel gedragen door de publieke omroepen, of moeten ook regionale en lokale omroepen en de wereldomroep hierin een deel leveren? Zo ja, hoe worden de lasten verdeeld?
Zie de antwoorden op de vragen 95, 402 en 419.
Op welke wijze controleert de regering of, zoals bedoeld in het strategisch akkoord, de bezuiniging van € 30 miljoen in 2004 daadwerkelijk gerealiseerd wordt door terugdringen van bureaucratie en overhead? Welke afspraken zijn gemaakt met de publieke omroepen omtrent het bewerkstelligen van bezuinigingen door middel van snijden in het personeelsbestand, bijvoorbeeld van parttimers, tijdelijke aanstellingen e.d.?
Zie de antwoorden op de vragen 95, 402 en 419.
Hoe verhouden de ramingen van de NOS en de STER zich tot elkaar? En, bij onderlinge verschillen, op basis waarvan vindt de raming van OCW plaats? Hoe hoog is het bedrag in Euro's met betrekking tot de efficiencykorting van 4%? Wordt deze bezuinigingsdoelstelling gerealiseerd via de indirecte kosten?
Het is mogelijk dat de NOS en de Ster verschil van inzicht hebben met betrekking tot de ramingen van de Ster opbrengsten.
Deze verschillen zijn doorgaans niet onoverbrugbaar (zie de begrotingsbrief van 21 november 2001). Aan deze verschillen liggen bepaalde veronderstellingen ten grondslag. De raming van OCenW vindt, rekening houdend met deze onderliggende veronderstellingen, plaats op basis van beide inzichten. Deze overwegingen worden nader uitgelegd in de begrotingsbrief.
Voor de efficiencykorting en de bezuinigingsdoelstelling wordt verwezen naar de antwoorden op de vragen 95, 402 en 419.
Wat is het gevolg van de efficiencykorting voor lokale zenders? Is de bezuiniging niet onevenredig gezien het verschil in hoogte van het budget?
Aangezien de lokale omroep niet vanuit de mediabegroting wordt gefinancierd, is de opgelegde besparing voor hen niet van toepassing.
Van welke doelstellingen wordt verwacht dat deze niet verder kunnen worden geconcretiseerd?
De bedoelde doelstelling van het beleid zoals in de begroting is uiteengezet, is onder andere het stimuleren van keuzevrijheid, betaalbaarheid en tegelijkertijd bescherming van consumenten. In een situatie van aanmerkelijke marktmacht en (regionale) monopolies dient de consument te worden beschermd.
Aan het beoogde maatschappelijke effect van bescherming van consumenten zit geen concretiseerbare streefwaarde vast. Deze is afhankelijk van de (steeds veranderende) marktsituatie.
Verder wordt keuzevrijheid van consumenten voor een belangrijk gedeelte bevorderd door concurrentie op en tussen infrastructuren te stimuleren. In dit kader is een wetsvoorstel over de toegang tot de kabel voor programma-aanbieders en ISP's naar de Tweede Kamer gestuurd. Het betreft hier voorwaardenscheppend beleid waarbij het formuleren van streefwaarden niet aan de orde is.
Kunnen de specifieke investeringen die gedaan worden om het doelmatig functioneren van het onderzoeksbestel binnen de huidige maatschappij te waarborgen vertaald worden naar bedragen? Wat zijn de mutaties ten opzichte van de vorige begroting?
In de begrotingstoelichting is in de paragraaf over de algemene doelstelling op pag. 304 als een van de verantwoordelijkheden van de minister van OCenW aangegeven het goed en doelmatig laten functioneren van het onderzoeksbestel. In de daarop volgende paragraaf over de operationalisering van de doelstellingen wordt onder meer ingegaan op de specifieke investeringen die worden gedaan om die doelstellingen te bereiken. Het betreft de volgende initiatieven (tussen haakjes zijn de bedragen aangegeven die zijn uitgetrokken voor de realisatie):
• versterking kennisinfrastructuur (ICES-KIS 3) (€ 807 miljoen voor de periode 2003–2010);
• Genomics programma (in totaal € 189 miljoen voor de periode 2002–2006).
• Investeringen in nieuwe huisvesting voor proefdieren en in onderzoek van het BPRC (€ 6,2 miljoen oplopend naar € 7,5 miljoen in 2005 en verder);
• Conservering papieren erfgoed (het zgn. Metamorfoze programma) (in totaal € 5,0 miljoen voor de periode 2001–2004).
De mutaties ten opzichte van de begroting 2002 zijn de hierboven tussen haakjes vermelde bedragen (zie voor de uitgavenontwikkeling over de komende jaren ook tabel 16.6 op pag. 320).
Welke concrete beleidsvoorstellen gaan uit van de Nederlandse regering en/of de Europese Commissie om van Europa de meest dynamische en concurrerende regio van de wereld te maken?
Voor wat betreft specifiek Nederlandse beleidsvoorstellen die bijdragen aan de Lissabon-doelstelling kan worden verwezen naar de beantwoording van vraag 425.
Wat betreft voorstellen van de Europese Commissie, ondersteund door de Nederlandse regering, kan allereerst worden gewezen op het voorstel van Commissaris Busquin uit 2000 om een Europese onderzoeksruimte tot stand te brengen. In deze interne markt voor wetenschap en technologie moet wetenschappelijke topkwaliteit, concurrentievermogen en innovatie worden bevorderd door middel van een betere samenwerking en coördinatie tussen de betrokkenen op alle niveaus. Het nieuwe Zesde kaderprogramma voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie activiteiten 2002–2006, met een budget van € 17,5 miljoen, is gericht op concentratie en integratie van onderzoeksactiviteiten voor blijvende structurele effecten. De nieuwe grote instrumenten in dit kaderprogramma, de geïntegreerde projecten en de topnetwerken, zullen bijdragen aan meer onderzoeksdynamiek op Europees niveau. Tevens kan worden gewezen op het doel dat de Europese Raad heeft gesteld om de investeringen in wetenschap en technologische ontwikkeling te verhogen tot 3% van het BNP in 2010. De Europese Commissie publiceert met grote regelmaat mededelingen die ingaan op de bijdrage van onderzoek aan de Lissabondoelstellingen. Eén dezer dagen wordt een mededeling van de Europese Commissie verwacht over de stand van zaken in de realisering van de Europese onderzoeksruimte, als ook een mededeling over de relatie tussen universiteiten voor innovatie, mede in het kader van een «geïntegreerde strategie» voor het gemeenschappelijk onderwijs- en onderzoeksbeleid.
Nederland zelf zet actief en strategisch in op de Europese samenwerking op het gebied van het onderzoeksbeleid (door «open coördinatie» met andere lidstaten, bijvoorbeeld op het terrein van human resources en mobiliteit), op de realisering van de Europese onderzoeksruimte (bijvoorbeeld door het stimuleren van Europese samenwerking tussen de nationale researchcouncils) en op het vergroten van de Nederlandse deelname aan het Zesde kaderprogramma. Concrete beleidsvoorstellen met betrekking tot het laatste zullen worden opgenomen in het kabinetsstandpunt op het AWT-advies «KP6 laten werken». Op de consequenties voor Nederland van de 3% doelstelling wordt in het antwoord op de vragen 429 en 63 verder ingegaan.
Acht de regering beleidsintensivering in het wetenschapsbeleid noodzakelijk om de Lissabon-doelstelling te realiseren? Zo ja, welke? Zo neen, waarom niet? Onderschrijft de regering de stelling dat een baanbrekend, departementsoverstijgend masterplan noodzakelijk is, wil Nederland de Lissabon-doelstellingen in 2010 realiseren? Zo neen, waarom niet? Zo ja, hoe gaat dit worden aangepakt?
De uitspraken van Barcelona moeten worden gezien als richtinggevend. Daarbij moet tevens worden bedacht dat de doelstelling voor de EU als geheel dient en niet noodzakelijkerwijze voor afzonderlijke lidstaten. Lidstaten kunnen hun eigen bijdrage geven aan de invulling van die EU-doelstelling. Nederland neemt in de EU een middenpositie in.
Dit laat onverlet dat Nederland het zich niet kan permitteren om achter te blijven. Nederland onderschrijft het belang van hoge private én publieke uitgaven voor research and development voor de ontwikkeling van de Europese kenniseconomie. De meeste inspanningen moeten geleverd worden door de private sector.
Echter als counterpart van de private investeringen zullen flinke publieke investeringen noodzakelijk blijven. Gezien de huidige economische situatie is thans echter een strak financieel beleid noodzakelijkIn samenspraak tussen het ministerie van OCW en EZ zal met de voorzitters van NWO, KNAW, TNO, VSNU en VNO-NCW (de manifestpartijen) gewerkt worden aan een plan van aanpak om te komen tot een kennisstrategie.
Op welke manier zijn de forse inspanningen die vanuit Europa nodig zijn om in 2010 het streefniveau te kunnen benaderen, terug te vinden in deze begroting? Welke concrete investeringen worden door de regering gedaan en kunnen deze worden teruggevonden in de begroting?
Opgemerkt moet worden dat het bereiken van de Barcelona-doelstelling in eerste instantie een inspanning betekent voor de private sector. Dit, in combinatie met de huidige economische situatie en de daarom noodzakelijke taakstellingen uit het strategisch akkoord, hebben ertoe geleid dat concrete investeringen nog niet terug te vinden zijn in de begroting van OCenW, noch in de begrotingen van de andere departementen.
In hoeverre hebben de afspraken van de Top van Barcelona een verplichtend karakter? Zijn er sancties afgesproken bij het niet naleven ervan, en zo ja welke?
Het betreft hier een afspraak van de Europese Raad die Europeesrechtelijk geen verbindend karakter heeft. Er zijn geen sancties verbonden aan het als lidstaat niet nakomen van het leveren van een bijdrage aan de verhoging van het Europese gemiddelde. De doelstelling spreekt van een «benadering» van 3%. De 3% geldt voor het EU-gemiddelde, waardoor landen hun eigen bijdrage aan die EU-doelstelling kunnen formuleren. Er zijn geen afspraken gemaakt over een rekenkundige verdeling per lidstaat van de benodigde extra inspanningen, waardoor sancties dus niet in de rede liggen. Het zou ook merkwaardig zijn, aangezien de afspraak tevens behelst dat 2/3 van de investeringen afkomstig zouden moeten zijn van het bedrijfsleven, waarop de regeringen vanzelfsprekend geen directe invloed hebben.
Nederland blijft vasthouden aan haar in het kader van het Lissabonproces in 2000 geformuleerde relatieve doelstelling, namelijk tot de kopgroep van de EU te behoren.
Wat is precies de rol en het effect (in percentages en absolute getallen) van ontgroening bij de constatering dat de instroom in ons onderzoeksbestel te wensen over laat?
Er is een scheve verhouding tussen het aantal promovendi (aio's/oio's) en het aantal beschikbare formatieplaatsen, waardoor instroom in het bestel wordt belemmerd, terwijl aan de uitstroomkant van het bestel een groot deel van het wetenschappelijk personeel de komende vijf jaar met emeritaat/pensioen zal gaan. Dit is te zien aan de tabel die de leeftijdsopbouw bij de universiteiten per 31–12–2000 toont:
| HGL | UHD | UD | OVWP | AIO4 | AIO2 | SA | OBP | Totaal | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| <25 | 1 | 5 | 272 | 882 | 91 | 542 | 866 | 2 659 | |
| 25 t/m 29 | 3 | 158 | 1 618 | 2 838 | 195 | 123 | 1 779 | 6 714 | |
| 30 t/m 34 | 33 | 63 | 609 | 1 740 | 710 | 27 | 15 | 2 274 | 5 471 |
| 35 t/m 39 | 126 | 182 | 881 | 1 111 | 127 | 5 | 2 | 2 632 | 5 066 |
| 40 t/m 44 | 303 | 394 | 930 | 758 | 31 | 2 | 2 866 | 5 284 | |
| 45 t/m 49 | 427 | 418 | 769 | 532 | 12 | 1 | 3 144 | 5 303 | |
| 50 t/m 54 | 603 | 551 | 779 | 481 | 2 | 3 690 | 6 106 | ||
| 55 t/m 59 | 636 | 576 | 686 | 401 | 1 | 2 360 | 4 660 | ||
| 60 t/m 64 | 332 | 212 | 244 | 122 | 604 | 1 514 | |||
| 65&> | 10 | 1 | 2 | 2 | 7 | 22 | |||
| Totaal | 2 470 | 2 401 | 5 063 | 7 037 | 4 602 | 319 | 685 | 20 222 | 42 799 |
Het effect van deze tendens is dat enerzijds heel veel kennis verloren gaat, dat niet ondervangen wordt door het huidige potentieel. Anderzijds zullen jonge mensen besluiten niet te kiezen voor een carrière binnen het onderzoekbestel na hun promotie.
Wat is het ambitieniveau van Nederland binnen de ESA voor wat betreft het vaststellen van de onderzoeksagenda en het leveren van feitelijke wetenschappelijke bijdragen? Wat zou naar uw mening het ambitieniveau van de ESA moeten zijn t.o.v. haar Amerikaanse tegenhanger NASA? Op welke wijze draagt Nederland bij aan internationale samenwerking zowel binnen de ESA, als van de ESA met bijvoorbeeld Amerikaanse, Russische en Japanse onderzoeksprogramma's op het gebied van de ruimtevaart?
Het Nederlandse ambitieniveau binnen de ESA is neergelegd in de brief over het ruimtevaartbeleid van 5 oktober 2001 (kamerstukken II, 2000/2001, 24 446, nr. 12). Voor wat betreft het vaststellen van de onderzoeksagenda en het leveren van feitelijke wetenschappelijk bijdragen is in deze brief aangeduid dat het hierbij gaat om excellent wetenschappelijk onderzoek in het Science programma, het aardobservatieprogramma en het programma gericht op wetenschappelijk gebruik van het International Space Station. Hierbij past een vraaggestuurde aanpak. Dat wil zeggen: de wetenschap als gebruiker bepaalt.
Het door Nederland voorgestane ambitieniveau van de ESA ten opzichte van de NASA bestaat uit het tot stand brengen van een infrastructuur in de ruimte om onafhankelijke Europese toegang tot de ruimte te handhaven, het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek met strategisch belang voor Europa en om ruimtevaart in te zetten om mondiale vraagstukken te onderzoeken.
Vrijwel alle internationale onderzoeksprojecten waar Nederland bij betrokken is op het gebied van de ruimtevaart met de NASA, Rusland en/of Japan lopen via de ESA. Nederland steunt veelal ESA initiatieven tot internationale samenwerking, mits ESA een rol als gelijkwaardige partner kan spelen en mits het wetenschappelijke gehalte als excellent bestempeld kan worden.
Wat is de rol, binnen de Nederlandse bijdrage aan het ruimteonderzoek van ESA, van onderzoek naar (bemande) ruimtereizen naar Mars? Hoeveel geld wordt hiervoor beschikbaar gesteld?
Onderzoek naar (bemande) ruimtereizen naar Mars maakt deel uit van het in 2002 gestarte Aurora programma van ESA. Doelstelling van de voorbereidende fase van Aurora (2002–2004) is het formuleren van een Europees lange termijn plan voor onbemande en vervolgens bemande verkenning van ons zonnestelsel, met de nadruk op planeten en manen waar de kans op het aantreffen van (sporen van) leven het grootst is. Aurora is in eerste instantie gericht op ruimtereizen naar Mars. Concreet betekent dit dat in de periode 2002–2004 voornamelijk studies zullen worden uitgevoerd om dit lange termijn plan inhoudelijk te onderbouwen.
Aurora heeft twee voor Nederland mogelijk interessante componenten. Voor de wetenschappelijke component van Aurora, namelijk het zoeken naar sporen van leven, is vanuit de hoek van de exo/astrobiologie in Nederland veel belangstelling getoond. Nederland heeft in Leiden een excellente onderzoeksgroep op dit gebied, onder meer blijkend uit de toekenning van de Spinoza-premie 2001 aan Mevr.Prof.dr. E. F. van Dishoeck. Daarnaast biedt Aurora nieuwe mogelijkheden voor medisch onderzoek. De industrieel/technologische component van Aurora biedt kansen voor de Nederlandse industrie, bijvoorbeeld op het gebied van advanced life support systems, robotica, structuren en warmtehuishouding.
In 2004 zullen de ESA lidstaten een beslissing nemen over de volgende fase van Aurora. Dit zal pas worden genomen na een zorgvuldige evaluatie van het belang van Aurora voor de Nederlandse wetenschap en industrie alsmede de politieke aspecten van deelname.
Nederland participeert in het studieprogramma van Aurora (2002–2004) met totaal € 0,9 miljoen. Dat is 2,33% van dit ESA-programma. Deze bijdrage wordt in de verhouding ¾:¼ door OCenW en EZ gezamenlijk gedragen.
Wat is de rol, binnen de Nederlandse bijdrage aan het ruimteonderzoek van ESA, van onderzoek naar vroege detectie en mogelijke tegenmaatregelen aangaande zgn. NEO's (near-earth objects)? Hoeveel geld wordt hiervoor beschikbaar gesteld?
Nederland onderschrijft het belang van onderzoek naar vroege detectie en mogelijke tegenmaatregelen aangaande Near-Earth Objects (NEO's). In dit kader steunt Nederland als ESA lidstaat de door ESA voorgestelde NEO projecten. Momenteel worden er in ESA kader zes projecten uitgevoerd om te bestuderen hoe de aarde tegen NEO's beschermd zou kunnen worden. Deze zes projecten zijn gekozen uit meerdere ideeën vanuit de academische en industriële wereld. Nederland is inhoudelijk niet bij deze studies betrokken (omdat ze niet aansluiten bij Nederlandse wetenschappelijke en industriële prioriteiten).
Nederland maakt geen geld speciaal hiervoor beschikbaar.
Deze studies worden gefinancierd vanuit het ESA General Studies Programme. Dit programma is onderdeel van het general budget van ESA. Nederland draagt derhalve indirect ongeveer € 45 000 bij aan deze studies. Deze bijdrage wordt via het general budget van ESA door EZ betaald.
Door het «Global Science Forum» van de OECD wordt januari 2003, in samenwerking met ESA, een workshop georganiseerd om de mogelijke dreiging van NEO's verder aan de orde te stellen.
Nederland zal deze workshop aangrijpen om haar positie ten opzichte van dit probleem verder te bepalen.
Heeft de minister een beeld van de loopbaanperspectieven van jonge onderzoekers, zowel waar het in eigen land betreft als in vergelijking met andere Europese landen? Zijn alleen CAO-onderhandelingen (loonsverhoging) toereikend om de achterstandsituatie op de arbeidsmarkt van onderzoekers op te heffen? Welke andere concrete maatregelen kunnen worden genoemd?
Voorop staat dat de instellingen zelf verantwoordelijk zijn voor het bieden van carrièreperspectieven aan onderzoekers. Zij dienen nationale en internationale vergelijkingen te maken om te beoordelen of zij als werkgevers aan onderzoekers voldoende kansen bieden. Met het rapport Talent voor de toekomst, toekomst voor talent, dat op instigatie van mijn ambtvoorganger door mevrouw Van Vucht Tijssen in nauw overleg met het veld is opgesteld, is een goed beeld ontwikkeld over wat de instellingen dienen te doen om aantrekkelijke werkgevers te zijn. De instellingen geven thans uitwerking geven aan het rapport.
Naast de arbeidsvoorwaardenruimte en de Van Rijn-middelen geeft de overheid met de Vernieuwingsimpuls en Aspasia een forse financiële injectie ter ondersteuning van het HRM-beleid van de instellingen.
Kan inzichtelijk worden gemaakt welke additionele eisen sinds begin 2001 worden gesteld aan de onderzoeksinstellingen als gevolg van de verstrekking van extra onderzoeksgelden en de co-financieringsclaims? Kan inzichtelijk worden gemaakt in hoeverre de inhoudelijke ruimte voor de invulling van onderzoeken door universiteiten wordt verkleind? Is de regering bereid om in samenspraak met de universiteiten de problemen met deze matching van onderzoekssubsidies te onderzoeken en gezamenlijk op zoek te gaan naar mogelijke oplossingen? Zo neen, waarom niet?
De Adviesraad voor het wetenschaps- en technologiebeleid (AWT) heeft in maart van dit jaar een adviserende brief uitgebracht aan de ministers van EZ en OCW inzake de matching van onderzoekssubsidies. Onderzoek bij universiteiten en kennisinstellingen wordt voor een deel gefinancierd uit nationale en Europese subsidieregelingen. Om die subsidies te krijgen moeten de ontvangende organisaties in veel gevallen uit eigen middelen een bedrag bijpassen (in geld, voorzieningen of uren). Deze bijdragen kunnen flink variëren (van circa 20 tot 50% van de totale kosten). Deze matchingseis legt een flink beslag op de vrije bestedingsruimte van universiteiten en kennisinstellingen zodat er minder ruimte overblijft voor vrij, vernieuwend en risicodragend onderzoek.De AWT stelt dat de meningen en de aard van de matchingsproblemen nogal sterk uiteen lopen. De AWT heeft aangegeven met een nadere uitwerking van deze problematiek te komen.
Kan aangegeven worden hoever het staat met de ontwikkeling van voldoende gevalideerde alternatieven voor proeven met primaten?
Wereldwijd wordt evenwel veel onderzoek gedaan naar alternatieven voor het gebruik van primaten. Het zal echter zeer veel tijd en inspanning vragen om onderzoek met primaten geheel te vervangen door alternatieven, zo dat ooit zal kunnen.
Het daadwerkelijk in gebruik nemen van alternatieven vereist, na ontwikkeling, validatie. Validatie is een proces dat gemiddeld 10 jaar duurt waarna het alternatief geaccepteerd moet worden voor de toelatingsprocedure voor een medicijn op de markt. Daarbij is meestal een laatste test met primaten verplicht. Ieder land heeft hiervoor eigen wet- en regelgeving, waardoor toelating van het alternatief in het ene land niet betekent dat het toegelaten wordt in een ander land. Hierdoor kiest een bedrijf vaak voor de veiligste weg en gebruikt een slechts in enkele landen toegelaten gevalideerd alternatief niet. Een vermindering van het gebruik van primaten (met uitzondering van het gebruik van chimpansees, waarvoor binnenkort in Nederland een verbod zal gelden) wordt bevorderd, indien de geduide procedures (en de geschetste consequenties daarvan) kunnen worden verbeterd.
Wanneer zal het Regieorgaan Genomics zijn eerste jaarlijkse rapportage openbaar maken?
De eerste rapportage van het Regieorgaan Genomics zal naar verwachting eind april 2003 of zeer kort daarna openbaar worden gemaakt.
Wat wordt precies verstaan onder «risicovol genomics-onderzoek»? Om welke risico's gaat het?
Onder «risicovol genomicsonderzoek» wordt verstaan dat het van te voren onduidelijk of onzeker is of het onderzoek voldoende of de beoogde resultaten oplevert. Het is mogelijk dat er ondanks onderzoeksinspanningen geen bruikbare resultaten uit het onderzoek komen.
Wordt de doelstellingen van Stichting Weten, waaronder het verbeteren van het imago van wetenschap en techniek onder jongeren, onderschreven mede gelet op het teruglopend aantal leerlingen in het beroepsonderwijs en Bèta-wetenschappen? Kan de regering toelichten waarom een initiatief als Kennislink, dat juist de toegankelijkheid tot wetenschappelijke informatie bevordert en hiertoe een belangrijke impuls kan geven, niet verder ondersteund zal worden in de toekomst?
De doelstelling van Stichting WeTeN wordt onderschreven. Zij bevordert de communicatie tussen het brede publiek en de wetenschap(-pers) over wetenschap en techniek, zodat bij het publiek de algemene kennis en het inzicht toeneemt, zowel in wetenschap, in (nieuwe) wetenschappelijke ontwikkelingen en hun maatschappelijke consequenties, als in het wetenschapsbedrijf.
Deze brede doelstelling krijgt een nadere toespitsing in het project Adoptierelaties Onderwijs. Hiervan is het de bedoeling dat structurele relaties tussen het voortgezet onderwijs en kennisinstellingen worden ontwikkeld die de beeldvorming over wetenschappelijke beroepen onder scholieren verbeteren. Er wordt onder meer extra aandacht gegeven aan het imago van de bèta-wetenschappen.
De Stichting WeTeN wordt eind 2003 geëvalueerd. De terms of reference voor deze evaluatie zijn opgenomen in het subsidiebesluit.
Kennislink is met additionele steun uit het Nationaal Actieplan Electronische Snelwegen van de overheid ontwikkeld. Als voorwaarde voor deze steun gold destijds, dat WeTeN na de ontwikkeling, de exploitatie van de site zelf voor haar rekening zou nemen. Pas zeer recent heeft WeTeN de overheid geïnformeerd over onvoldoende financiële ruimte voor exploitatie van de site. Ik heb vanuit twee invalshoeken tegen dit vraagstuk aangekeken: vanuit de optiek van het belang van algemene wetenschaps- en techniekcommunicatie en vanuit de optiek dat het voortgezet onderwijs hier belang bij heeft.
Vanuit de eerste invalshoek is er geen aanleiding om deze activiteit vanuit de overheid financieel extra te steunen. De financiering van wetenschaps- en techniekcommunicatie is belegd bij WeTeN.
Een intensivering en/of een aanpassing zou kunnen leiden tot een heroverweging van prioriteiten, maar WeTeN zelf kan en wil geen groot deel van het aan WeTeN toegekende budget hiervoor realloceren.
Kan precies worden aangegeven hoeveel geld wordt uitgetrokken voor fundamenteel onderzoek?
Het is niet mogelijk precies aan te geven wat de financiële omvang is van het fundamentele onderzoek in Nederland.
CBS-gegevens geven hierin slechts gedeeltelijk inzicht, met name omdat er geen specifieke informatie beschikbaar is over de omvang van het fundamentele onderzoek binnen universiteiten.
Het is daarom alleen mogelijk een zeer globale schatting te geven, die mede is gebaseerd op enkele veronderstellingen (eerste en tweede geldstroom universiteiten zijn fundamenteel, derde geldstroom niet). Deze globale schatting laat zie dat de omvang van het fundamentele onderzoek bij publieke instellingen in Nederland globaal € 1,8 miljard bedraagt (peildatum 1999), waarvan € 1,6 miljard bij universiteiten en € 0,2 miljard bij onderzoeksinstellingen.
Welke stappen denkt de regering op korte termijn te gaan nemen om de wisselwerking tussen onderzoeksinstellingen en gebruikers van kennis te bevorderen?
Het kabinet stimuleert al geruime tijd de wisselwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen. Er is een veelheid aan regelingen die deze wisselwerking stimuleren (innovatiegerichte onderzoeksprogramma's, NWO-stimuleringsprogramma's, technologische topinstituten, ICES-KIS, technostarters, fiscale faciliteiten, het grootschalige programma Genomics etc.) TNO en de grote technologische instituten spelen een belangrijke rol in de vertaalslag van fundamenteel onderzoek naar toepassing.
Het is daarom van groot belang na te gaan of deze organisaties deze brugfunctie goed uitoefenen. Hiertoe heeft de ministerraad besloten de brugfunctie van TNO en de grote technologische instituten tussen fundamenteel onderzoek en toepassing in bedrijfsleven en maatschappelijke sectoren nader te onderzoeken. De Adviesraad voor het wetenschaps- en technologiebeleid zal advies gevraagd worden wat de voornaamste vragen van strategische aard zijn die een centrale plaats moeten hebben bij het toetsingskader voor de wijze waarop de instellingen de bedoelde brugfunctie vervullen. Ik zal de terms of reference aan de Tweede Kamer melden in het uit te brengen Wetenschapsbudget.
Is de indruk juist dat de ambtelijke vertegenwoordiging in Brussel op punten van onderzoek en technologie ondergekwalificeerd is met als gevolg dat Nederlandse onderzoeksinstituten moeilijk aansluiting vindenbij de Europese netwerken die gaan ontstaan? Acht de regering een verzwaring van de ambtelijke vertegenwoordiging van Nederland in Europese circuits van belang en noodzakelijk? Zo ja, welke stappen worden daartoe genomen? Zo neen, waarom niet?
De regering acht het niet allereerst de taak van de ambtelijke vertegenwoordiging in Brussel om de vorming van Europese onderzoeksnetwerken te bevorderen. Zoals recent door de AWT in het advies «KP6 laten werken» aangegeven, ligt hier allereerst een taak voor Senter/EG Liaison en in mindere mate bij NWO. Van onderkwalificatie kan in dit verband dan ook geen sprake zijn.
Echter, het nieuwe kaderprogramma en het naderende Nederlandse EU-voorzitterschap geven wel aanleiding te kijken naar de recent door de AWT bepleite versterking van de permanente vertegenwoordiging van Nederland bij de Europese Unie. Een uitbreiding van de capaciteit voor de post onderzoek bij de permanente vertegenwoordiging, tijdens en voorafgaand aan het EU-voorzitterschap, vanuit de departementen, is in elk geval gewenst om een effectieve voorbereiding en begeleiding van het EU-voorzitterschap mogelijk te maken. Bezien zal worden of daarnaast een versterking noodzakelijk is om meer aandacht te kunnen geven aan vraagstukken rond de Europese onderzoeksruimte, naast de nu dominerende betrokkenheid bij KP6.
Van groter belang voor de Nederlandse aansluiting bij Europese onderzoeksnetwerken is een hoogwaardige niet-ambtelijke Nederlandse vertegenwoordiging in de verschillende EU-gremia op onderzoeksgebied (Programmacomités, High Level Groups, Fora, et cetera). Hieraan wordt door de ministeries van OCenW en EZ veel aandacht gegeven. De beperkende factor hier is dat gekwalificeerde Nederlanders hiertoe niet in staat en/of bereid zijn.
De Nederlandse regering streeft voor alle beleidsterreinen naar een grotere Nederlandse aanwezigheid binnen de Europese Commissie. De Tweede Kamer is over het beleid op dit gebied geïnformeerd in de Trendnota arbeidszaken overheid 2002 (kamerstukken II, 2001–2002, 298 002, nrs. 1–2).
Wat is de precieze taakstelling voor het ministerie van OCW voor wat betreft de personeelsomvang van het bestuursdepartement voor 2003 en latere jaren in verband met de efficiency- en volumetaakstelling voortvloeiend uit het strategisch akkoord? Wat wordt de verwachte personeelsomvang in fte's voor de jaren 2003–2007, voortvloeiende uit deze taakstelling? Wat levert deze taakstelling op aan middelen die op andere beleidsartikelen kunnen worden ingezet in de jaren 2003–2007? Waarop kan er op redelijke termijn worden afgerekend?
De taakstelling voor het bestuursdepartement ziet er als volgt uit.
| 2003 | 2004 | 2005 | 2006 | 2007 | |
|---|---|---|---|---|---|
| Volume/effiencytaaksteling | – 3 962 | – 6 358 | – 8 760 | – 9 594 | – 9 594 |
Zoals ik in de begroting heb aangegeven ben ik binnen het departement bezig met een activiteitenprogramma genaamd de «Kwaliteitsslag» gericht op een vernieuwd departement dat adequaat inspeelt op de nieuwe eisen die vanuit de samenleving en de politiek worden gesteld. Ik ben op de kwaliteitsslag in mijn beantwoording op vraag 37 nader ingegaan. Nogmaals benadruk ik dat ik met deze kwaliteitsslag tevens gericht invulling wil geven aan de taakstelling; in dat kader is bewust niet voor een kaasschaafmethode gekozen.
De precieze omvang van de opbrengsten van de kwaliteitsslag is nog niet aan te geven. Ik ga ervan uit dat ik u daarover uiterlijk in de eerste suppletore begroting inzicht kan geven.
Klopt het dat er minder te regelen valt voor het ministerie van OCenW aangezien er in het strategisch akkoord afspraken zijn gemaakt over deregulering en meer autonomie voor besturen en gemeenten? Betekent dit ook dat de wet- en regelgeving wordt vereenvoudigd, wat eveneens minder werkzaamheden voor het ministerie veroorzaakt? Hoe verklaart de regering het feit dat de personeelssterkte van het bestuursdepartement desondanks op gelijke grootte blijft in de jaren 2003–2007? Waarom vertaalt de doelstelling van een terugtredende overheid zich niet in een gestaag dalend aantal fte's op het bestuursdepartement, nog bovenop de efficiency- en volumetaakstelling? Wat wordt het werkelijke effect van deregulering op de personeelssterkte op het bestuursdepartement in de jaren 2003–2007?
Zie ook het antwoord op vraag 443. Bij het behandelen van de scenario's wordt ook nadrukkelijk bekeken welke taken wel en welke taken niet meer door het ministerie zullen worden verricht, dan wel dat bepaalde regelgeving verder zal worden vereenvoudigd. Dat vertaalt zich uitaard in de formatieomvang van desbetreffende resultaatverantwoordelijke eenheid. Zoals ik in de toelichting bij de begroting al heb aangegeven heb ik bij de meerjarenramingen van de personeelssterkte de consequenties van de taakstelling nog niet verwerkt. Ik neem mij voor u daarover uiterlijk bij de eerste suppletore begroting nader te informeren.
Welk effect heeft de forse taakstelling bij de Informatie Beheer Groep (IB-Groep), oplopend tot € 2,2 miljoen in 2006, op de kwaliteit van de dienstverlening van de IB-Groep? Hoe verhoudt deze taakstelling zich tot de afspraken in het prestatiecontract van de overheid met de IB-Groep?
De afspraken met de IB-Groep over de uit te voeren taken en de kwaliteit van de dienstverlening, alsmede het daarbij behorende budget zijn vastgelegd in een jaarlijks af te sluiten prestatiecontract. Het doorvoeren van de taakstelling is onderwerp van gesprek bij de opstelling van het prestatiecontract.Uitgangspunt daarbij is dat de IB-Groep als zelfstandig bestuursorgaan zelf verantwoordelijk is voor de wijze waarop zij de taken uitvoert en ook een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de invulling van een taakstelling, die beoogt de efficiency te verhogen.Hierbij dient de IB-Groep binnen het beperktere budgettaire kader hetzelfde niveau van service te blijven verlenen aan haar klanten. De ontwikkelingen op het terrein van de dienstverlening worden gedurende het jaar gevolgd, zoals is vastgelegd in het prestatiecontract. Overigens zal, alvorens het met de IB-Groep wordt afgesloten, het prestatiecontract 2003 in de loop van november aan de Tweede Kamer worden voorgelegd.
Waarom wordt in de begroting niets vermeld over de € 1 miljoen die was gereserveerd voor de subsidieregeling voor projecten media en minderheden, die onderdeel uitmaakt van de rente op de omroepreserve? Op welke wijze is het budget in 2002 besteed en op welke wijze is het budget in de begroting 2003 opgenomen? Het budget is in 2001 gecreëerd. Is dit budget geïndexeerd sinds 2001 conform de afspraken in het kader van de omroepbijdrage en de subsidies in de cultuurnota? Zo neen, waarom niet en kan dit alsnog gebeuren?
Op de «subsidies mediabeleid», waarvan de projecten «media en minderheden» deel uit maken, zal worden ingegaan in de brief over de mediabegroting 2003, die de Tweede Kamer in november zal worden toegezonden. Overigens ging het in 2002 om 600 000 en niet om 1,0 miljoen voor «media en minderheden». In 2002 zijn hieruit onder meer subsidies toegekend aan Mixed Media, de Nederlandse Vereniging van Journalisten en Mira Media.
Deze subsidies vallen buiten de Cultuurnota en er is geen loonbijstellingsregeling op van toepassing. De geldstroom waaruit OCenW het budget financiert zijn de rentebaten van de omroepreserve. De omvang van dit budget wisselt omdat het afhankelijk is van inkomsten van de Ster en de rentestand. Uit dit budget «subsidies mediabeleid» worden slechts incidentele projectsubsidies toegekend. Hierbij past geen prijsbijstelling; die is immers bedoeld om oplopende structurele kosten voor instellingen te compenseren. Voor 2003 is opnieuw een reservering voor dit budget voorzien. Hierop zal worden ingegaan in de brief over de mediabegroting 2003.
Hoe groot was de rente op de omroepreserve in 2002? Op welke wijze is deze rente besteed? Hoe zijn de vooruitzichten voor 2003?
Zie het antwoord op vraag 398.
Kan worden gespecificeerd welke onderwijsorganisaties posities betrokken die ertoe leidden dat er geen consensus kon worden bereikt inzake een gedragscode voor de vrijwillige ouderbijdragen? Op welke punten lagen hun meningen te ver uiteen? Op welke wijze geeft de regering een vervolg aan de geest van de motie op stuk 27 400 VIII, nr. 30, die de Kamer immers destijds met algemene stemmen heeft aangenomen?
In het gevoerde overleg met de besturen- en ouderorganisaties en de scholierenorganisatie Laks over een gedragscode voor vrijwillige ouderbijdragen werd het belang van de in de onderwijswetgeving neergelegde uitgangspunten van vrijwilligheid en transparantie unaniem onderschreven. In de geest van genoemde motie lag een concept gedragscode (mei 2002) ter ondertekening voor. Na ampele afweging gaf de Besturenraad Protestants-Christelijk Onderwijs echter op het laatste moment aan van ondertekening af te zien. Als reden werd hiervoor aangevoerd dat de Besturenraad de stijgende kosten van les- en boekengeld (gerelateerd aan de invoering van de basisvorming en tweede fase) een veel groter zorgpunt vond dan de vrijwillige ouderbijdrage. Dit ook gezien de wettelijke voorzieningen met betrekking tot de ouderbijdrage en de wijze waarop daaraan -naar opvatting van de Besturenraad- zonder grote problemen in de praktijk invulling wordt gegeven. De gedragscode zou daarmee geen of nauwelijks meerwaarde hebben. Met het niet ondertekenen heeft de Besturenraad ook een signaal willen afgeven dat de overheid eerst dient te zorgen voor een beheersing van de schoolkosten voor de consument.
Het merendeel van de overige organisaties wilde een gedragscode alleen ondertekenen wanneer dit unaniem zou plaatsvinden.
Overigens zou op basis van de voorliggende tekst bij een eventuele ondertekening het overleg over twee thema's worden voortgezet. Dit betrof het pleidooi van de besturenorganisaties om uit oogpunt van administratieve vereenvoudiging de in de wet opgenomen verplichting tot het sluiten van overeenkomsten tussen school en ouders over de ouderbijdrage te schrappen en de wens van ouderorganisaties en Laks voor volledige zeggenschap voor ouders over hoogte en besteding van de ouderbijdragen.
In december 2002 zal de Tweede Kamer per brief worden geïnformeerd over de handelwijze die ik ten aanzien van dit onderwerp wil volgen tegen de achtergrond van de hiervoor geschetste omstandigheden en de strekking van genoemde motie.
Waarom wordt de motie Rijpstra (27 616, nr.9) niet uitgewerkt naar alleen een bevoegdheid lichamelijke opvoeding voor het primair onderwijs, zoals ook verwoord is in de motie?
In de motie wordt gevraagd in overleg met de opleidingen een opleidingstraject te ontwikkelen voor afgestudeerde mbo'ers (Cios'ers) opdat deze versneld de bevoegdheid voor het vak lichamelijke oefening in het primair onderwijs verwerven. Deze motie is opgenomen in Maatwerk-3 van 10 september 2001; er is daarin een koppeling gelegd met het onderwijsassistentschap.
Er wordt een duaal opleidingstraject ontwikkeld door een werkgroep waarin vertegenwoordigers van ALO, CIOS en de KVLO zitting hebben.
De tekst van de motie spreekt van een bevoegdheid voor alléén het primair onderwijs. Een afzonderlijke, smalle opleiding gericht op het behalen van een bevoegdheid lichamelijke oefening voor uitsluitend het primair onderwijs past echter niet in het huidige stelsel van opleidingen. Dat gaat er vanuit dat de bekwaamheidseisen voor vakleraren in het primair onderwijs dezelfde zijn als die voor leraren in het voortgezet onderwijs. Een bevoegdheid voor het voortgezet onderwijs voor bepaalde vakgebieden levert tevens een bevoegdheid op voor hetzelfde vakgebied in het primair onderwijs.Het is bovendien niet verstandig om de huidige brede bevoegdheid van vakleraren waaronder die voor lichamelijke oefening, namelijk voor het primair onderwijs èn het voortgezet onderwijs, te versmallen tot alleen het primair onderwijs. In een arbeidsmarkt die nog steeds krap is, acht ik het niet gewenst de inzetbaarheid van (vak)leraren te beperken.
Klopt het dat er in de begroting geen geld is gereserveerd voor intercultureel onderwijs? Zo neen, welke middelen zijn toe te rekenen aan intercultureel onderwijs? Zo ja, is de conclusie gerechtvaardigd dat de motie Rabbae (28 000 VIII, nr. 63) niet ten uitvoer wordt gebracht? Ziet de regering, in het licht van de hernieuwde discussie over normen en waarden, alsnog aanleiding om over te gaan tot de uitvoering van de motie Rabbae? Zo neen, waarom niet?
De uitgaven voor intercultureel onderwijs in het primair onderwijs vallen onder de stimuleringsuitgaven. De uitgaven voor intercultureel onderwijs in het voortgezet onderwijs zijn onderdeel van de projectuitgaven. Daarnaast wordt ook het budget voor onderwijsondersteunende activiteiten ingezet voor intercultureel onderwijs. Voor 2003 is voor primair en voortgezet onderwijs in totaal 0,16 miljoen beschikbaar. Omdat er al veel lesmateriaal en ondersteunende publicaties zijn ontwikkeld wordt de nadruk gelegd op implementatie van bestaand lesmateriaal. Scholen worden gestimuleerd om hiervan gebruik te maken of op andere wijze te voldoen aan het wettelijk voorschrift dat het onderwijs er mede van uit gaat dat leerlingen opgroeien in een multiculturele samenleving.
Dit traject wordt vervlochten met de discussie over normen en waarden en het stimuleren van actief burgerschap.
Kan de aangenomen motie Van Bommel (28 000 VIII, 67) alsnog worden uitgevoerd? Zo neen, waarom niet?
In de in het antwoord op vraag 448 toegezegde brief inzake de vrijwillige ouderbijdrage zal op dit punt worden ingegaan.
Verdeling aantal ID-werknemers onderwijs per gemeente
| totaal | 100,00% | 8 500 |
|---|---|---|
| Amsterdam | 13,98% | 1 188,3 |
| Rotterdam | 11,03% | 937,3 |
| 's-Hertogenbosch | 3,14% | 267,2 |
| Utrecht | 3,12% | 265,0 |
| 's-Gravenhage | 2,47% | 210,1 |
| Enschede | 2,46% | 209,0 |
| Zaanstad | 2,24% | 190,7 |
| Groningen | 2,07% | 175,6 |
| Breda | 1,99% | 169,1 |
| Nijmegen | 1,95% | 165,9 |
| Almelo | 1,91% | 162,7 |
| Arnhem | 1,81% | 154,1 |
| Tilburg | 1,50% | 127,1 |
| Hengelo | 1,44% | 122,8 |
| Heerlen | 1,31% | 111,0 |
| Maastricht | 1,28% | 108,8 |
| Eindhoven | 1,25% | 106,7 |
| Dordrecht | 1,10% | 93,7 |
| Leeuwarden | 1,00% | 85,1 |
| Apeldoorn | 0,98% | 83,0 |
| Zwolle | 0,98% | 83,0 |
| Almere | 0,95% | 80,8 |
| Alkmaar | 0,77% | 65,7 |
| Helmond | 0,76% | 64,6 |
| Sittard | 0,75% | 63,6 |
| Spijkenisse | 0,75% | 63,6 |
| Haarlem | 0,74% | 62,5 |
| Vught | 0,70% | 59,3 |
| Rozenburg | 0,66% | 56,0 |
| Smallingerland | 0,66% | 56,0 |
| Hoogezand-Sappemeer | 0,63% | 53,9 |
| Deventer | 0,56% | 47,4 |
| Oss | 0,56% | 47,4 |
| Venlo | 0,53% | 45,2 |
| Emmen | 0,47% | 39,9 |
| Hoorn | 0,47% | 39,9 |
| Nieuwegein | 0,47% | 39,9 |
| Vlaardingen | 0,47% | 39,9 |
| Haarlemmermeer | 0,46% | 38,8 |
| Zoetermeer | 0,46% | 38,8 |
| Amstelveen | 0,44% | 37,7 |
| Assen | 0,42% | 35,6 |
| Haren | 0,41% | 34,5 |
| Landgraaf | 0,41% | 34,5 |
| Middelburg | 0,39% | 33,4 |
| Sneek | 0,38% | 32,3 |
| Waalwijk | 0,38% | 32,3 |
| Den helder | 0,37% | 31,2 |
| Leiden | 0,35% | 30,2 |
| Rijswijk | 0,35% | 30,2 |
| Houten | 0,33% | 28,0 |
| Roermond | 0,32% | 26,9 |
| Zutphen | 0,32% | 26,9 |
| Bergen op zoom | 0,30% | 25,9 |
| Capelle aan den ijssel | 0,30% | 25,9 |
| Delfzijl | 0,30% | 25,9 |
| Heusden | 0,30% | 25,9 |
| Hilversum | 0,30% | 25,9 |
| Vlissingen | 0,30% | 25,9 |
| Heerenveen | 0,29% | 24,8 |
| Rijssen | 0,29% | 24,8 |
| Woerden | 0,29% | 24,8 |
| Achtkarspelen | 0,28% | 23,7 |
| Hellevoetsluis | 0,28% | 23,7 |
| Maarssen | 0,28% | 23,7 |
| Geleen | 0,27% | 22,6 |
| Oosterhout | 0,27% | 22,6 |
| Alphen aan den rijn | 0,25% | 21,5 |
| Purmerend | 0,25% | 21,5 |
| Stad Delden | 0,25% | 21,5 |
| Rheden | 0,24% | 20,5 |
| Tiel | 0,23% | 19,4 |
| Wageningen | 0,23% | 19,4 |
| Amersfoort | 0,22% | 18,3 |
| Brunssum | 0,22% | 18,3 |
| Gouda | 0,22% | 18,3 |
| Ooststellingwerf | 0,22% | 18,3 |
| De ronde venen | 0,19% | 16,2 |
| Hoogeveen | 0,19% | 16,2 |
| Schiedam | 0,19% | 16,2 |
| Kerkrade | 0,18% | 15,1 |
| Lelystad | 0,18% | 15,1 |
| Wormerland | 0,18% | 15,1 |
| Baarle-Nassau | 0,16% | 14,0 |
| Borsele | 0,16% | 14,0 |
| Doetinchem | 0,16% | 14,0 |
| Dongeradeel | 0,16% | 14,0 |
| Ijsselstein | 0,16% | 14,0 |
| Vleuten-de Meern | 0,16% | 14,0 |
| Zwijndrecht | 0,16% | 14,0 |
| Beuningen | 0,15% | 12,9 |
| Ede | 0,15% | 12,9 |
| Gorinchem | 0,15% | 12,9 |
| Neede | 0,15% | 12,9 |
| Venray | 0,15% | 12,9 |
| Wijchen | 0,15% | 12,9 |
| Appingedam | 0,14% | 11,9 |
| Groesbeek | 0,14% | 11,9 |
| Maassluis | 0,14% | 11,9 |
| Stadskanaal | 0,14% | 11,9 |
| Valkenburg aan de geul | 0,14% | 11,9 |
| Zeist | 0,14% | 11,9 |
| Avereest | 0,13% | 10,8 |
| Roosendaal | 0,13% | 10,8 |
| Boxtel | 0,11% | 9,7 |
| De bilt | 0,11% | 9,7 |
| Gulpen-Wittem | 0,11% | 9,7 |
| Heerhugowaard | 0,11% | 9,7 |
| Loenen | 0,11% | 9,7 |
| Meerssen | 0,11% | 9,7 |
| Mook en middelaar | 0,11% | 9,7 |
| Terneuzen | 0,11% | 9,7 |
| Vianen | 0,11% | 9,7 |
| Voerendaal | 0,11% | 9,7 |
| Voorburg | 0,11% | 9,7 |
| Beverwijk | 0,10% | 8,6 |
| Breukelen | 0,10% | 8,6 |
| Brielle | 0,10% | 8,6 |
| Cuijk | 0,10% | 8,6 |
| Culemborg | 0,10% | 8,6 |
| Dronten | 0,10% | 8,6 |
| Gemert-Bakel | 0,10% | 8,6 |
| Goes | 0,10% | 8,6 |
| Haaksbergen | 0,10% | 8,6 |
| Hendrik-Ido-Ambacht | 0,10% | 8,6 |
| Huizen | 0,10% | 8,6 |
| Margraten | 0,10% | 8,6 |
| Nederweert | 0,10% | 8,6 |
| Ouder-Amstel | 0,10% | 8,6 |
| Uithoorn | 0,10% | 8,6 |
| Winschoten | 0,10% | 8,6 |
| Barendrecht | 0,09% | 7,5 |
| Bedum | 0,09% | 7,5 |
| Bergen | 0,09% | 7,5 |
| Bernheze | 0,09% | 7,5 |
| Bussum | 0,09% | 7,5 |
| Eijsden | 0,09% | 7,5 |
| Halderberge | 0,09% | 7,5 |
| Krimpen aan den ijssel | 0,09% | 7,5 |
| Loosdrecht | 0,09% | 7,5 |
| Nijefurd | 0,09% | 7,5 |
| Onderbanken | 0,09% | 7,5 |
| Ridderkerk | 0,09% | 7,5 |
| Schouwen-Duiveland | 0,09% | 7,5 |
| Valkenswaard | 0,09% | 7,5 |
| Veendam | 0,09% | 7,5 |
| Velsen | 0,09% | 7,5 |
| Weststellingwerf | 0,09% | 7,5 |
| Boarnsterhim | 0,08% | 6,5 |
| Born | 0,08% | 6,5 |
| Borne | 0,08% | 6,5 |
| Deurne | 0,08% | 6,5 |
| Etten-Leur | 0,08% | 6,5 |
| Geldermalsen | 0,08% | 6,5 |
| Heiloo | 0,08% | 6,5 |
| Heumen | 0,08% | 6,5 |
| Huissen | 0,08% | 6,5 |
| Kampen | 0,08% | 6,5 |
| Langedijk | 0,08% | 6,5 |
| Lemsterland | 0,08% | 6,5 |
| Leusden | 0,08% | 6,5 |
| Maasdriel | 0,08% | 6,5 |
| Marum | 0,08% | 6,5 |
| Meppel | 0,08% | 6,5 |
| Noordwijk | 0,08% | 6,5 |
| Nuenen C.A. | 0,08% | 6,5 |
| Nuth | 0,08% | 6,5 |
| Son en breugel | 0,08% | 6,5 |
| Tubbergen | 0,08% | 6,5 |
| Veldhoven | 0,08% | 6,5 |
| Wierden | 0,08% | 6,5 |
| Zaltbommel | 0,08% | 6,5 |
| Barneveld | 0,06% | 5,4 |
| Bunnik | 0,06% | 5,4 |
| Cranendonck | 0,06% | 5,4 |
| Eersel | 0,06% | 5,4 |
| Elst | 0,06% | 5,4 |
| Gendringen | 0,06% | 5,4 |
| Hellendoorn | 0,06% | 5,4 |
| Landsmeer | 0,06% | 5,4 |
| Leiderdorp | 0,06% | 5,4 |
| Littenseradiel | 0,06% | 5,4 |
| Naarden | 0,06% | 5,4 |
| Nieuwerkerk aan den IJssel | 0,06% | 5,4 |
| Oldenzaal | 0,06% | 5,4 |
| Rucphen | 0,06% | 5,4 |
| Susteren | 0,06% | 5,4 |
| Ubbergen | 0,06% | 5,4 |
| Valburg | 0,06% | 5,4 |
| Veghel | 0,06% | 5,4 |
| Westervoort | 0,06% | 5,4 |
| Beesel | 0,05% | 4,3 |
| Bleiswijk | 0,05% | 4,3 |
| Bolsward | 0,05% | 4,3 |
| Coevorden | 0,05% | 4,3 |
| Dantumadeel | 0,05% | 4,3 |
| De marne | 0,05% | 4,3 |
| Druten | 0,05% | 4,3 |
| Geldrop | 0,05% | 4,3 |
| Harenkarspel | 0,05% | 4,3 |
| Kesteren | 0,05% | 4,3 |
| Laarbeek | 0,05% | 4,3 |
| Leek | 0,05% | 4,3 |
| Losser | 0,05% | 4,3 |
| Naaldwijk | 0,05% | 4,3 |
| Oldebroek | 0,05% | 4,3 |
| Opsterland | 0,05% | 4,3 |
| Raalte | 0,05% | 4,3 |
| Renkum | 0,05% | 4,3 |
| Rijnsburg | 0,05% | 4,3 |
| Skarsterln | 0,05% | 4,3 |
| Sliedrecht | 0,05% | 4,3 |
| Steenwijk | 0,05% | 4,3 |
| Tegelen | 0,05% | 4,3 |
| Tholen | 0,05% | 4,3 |
| Weesp | 0,05% | 4,3 |
| West Maas en Waal | 0,05% | 4,3 |
| Wnseradiel | 0,05% | 4,3 |
| Zevenaar | 0,05% | 4,3 |
| Aalburg | 0,04% | 3,2 |
| Alphen-Chaam | 0,04% | 3,2 |
| Ambt delden | 0,04% | 3,2 |
| Axel | 0,04% | 3,2 |
| Bemmel | 0,04% | 3,2 |
| Bergambacht | 0,04% | 3,2 |
| Bergschenhoek | 0,04% | 3,2 |
| Bloemendaal | 0,04% | 3,2 |
| Cromstrijen | 0,04% | 3,2 |
| Doesburg | 0,04% | 3,2 |
| Driebergen-Rijsenburg | 0,04% | 3,2 |
| Echt | 0,04% | 3,2 |
| Franekeradeel | 0,04% | 3,2 |
| Gennep | 0,04% | 3,2 |
| Gramsbergen | 0,04% | 3,2 |
| Harmelen | 0,04% | 3,2 |
| Hattem | 0,04% | 3,2 |
| Heemstede | 0,04% | 3,2 |
| Het bildt | 0,04% | 3,2 |
| Heythuysen | 0,04% | 3,2 |
| Hilvarenbeek | 0,04% | 3,2 |
| Ijsselmuiden | 0,04% | 3,2 |
| Kollumerland c.A. | 0,04% | 3,2 |
| Leerdam | 0,04% | 3,2 |
| Leidschendam | 0,04% | 3,2 |
| Lisse | 0,04% | 3,2 |
| Maasbree | 0,04% | 3,2 |
| Moordrecht | 0,04% | 3,2 |
| Noordoostpolder | 0,04% | 3,2 |
| Obdam | 0,04% | 3,2 |
| Oirschot | 0,04% | 3,2 |
| Oud-Beijerland | 0,04% | 3,2 |
| Pijnacker | 0,04% | 3,2 |
| Reiderland | 0,04% | 3,2 |
| Schoonhoven | 0,04% | 3,2 |
| Sint-Michielsgestel | 0,04% | 3,2 |
| Stede broec | 0,04% | 3,2 |
| Texel | 0,04% | 3,2 |
| Uden | 0,04% | 3,2 |
| Vlagtwedde | 0,04% | 3,2 |
| Vriezenveen | 0,04% | 3,2 |
| Winterswijk | 0,04% | 3,2 |
| Wymbritseradiel | 0,04% | 3,2 |
| Zandvoort | 0,04% | 3,2 |
| Aa en hunze | 0,03% | 2,2 |
| Aalten | 0,03% | 2,2 |
| Alblasserdam | 0,03% | 2,2 |
| Ambt montfort | 0,03% | 2,2 |
| Asten | 0,03% | 2,2 |
| Baarn | 0,03% | 2,2 |
| Bellingwedde | 0,03% | 2,2 |
| Bergh | 0,03% | 2,2 |
| Den ham | 0,03% | 2,2 |
| Edam-Volendam | 0,03% | 2,2 |
| Eemnes | 0,03% | 2,2 |
| Enkhuizen | 0,03% | 2,2 |
| Ferwerderadiel | 0,03% | 2,2 |
| Gaasterln-Sleat | 0,03% | 2,2 |
| Geertruidenberg | 0,03% | 2,2 |
| Gendt | 0,03% | 2,2 |
| Gorssel | 0,03% | 2,2 |
| Grave | 0,03% | 2,2 |
| Grootegast | 0,03% | 2,2 |
| Hardenberg | 0,03% | 2,2 |
| Harderwijk | 0,03% | 2,2 |
| Hardinxveld-Giessendam | 0,03% | 2,2 |
| Harlingen | 0,03% | 2,2 |
| Heemskerk | 0,03% | 2,2 |
| Heteren | 0,03% | 2,2 |
| Hontenisse | 0,03% | 2,2 |
| Hulst | 0,03% | 2,2 |
| Ijsselham | 0,03% | 2,2 |
| Katwijk | 0,03% | 2,2 |
| Lichtenvoorde | 0,03% | 2,2 |
| Loon op zand | 0,03% | 2,2 |
| Maasdonk | 0,03% | 2,2 |
| Nederlek | 0,03% | 2,2 |
| Neerijnen | 0,03% | 2,2 |
| Nootdorp | 0,03% | 2,2 |
| Oegstgeest | 0,03% | 2,2 |
| Oisterwijk | 0,03% | 2,2 |
| Oudewater | 0,03% | 2,2 |
| Rhenen | 0,03% | 2,2 |
| Schijndel | 0,03% | 2,2 |
| Schinnen | 0,03% | 2,2 |
| Soest | 0,03% | 2,2 |
| Someren | 0,03% | 2,2 |
| Stein | 0,03% | 2,2 |
| Tynaarlo | 0,03% | 2,2 |
| Vaals | 0,03% | 2,2 |
| Veenendaal | 0,03% | 2,2 |
| Vlist | 0,03% | 2,2 |
| Warnsveld | 0,03% | 2,2 |
| Wassenaar | 0,03% | 2,2 |
| Weert | 0,03% | 2,2 |
| Werkendam | 0,03% | 2,2 |
| Wester-Koggenland | 0,03% | 2,2 |
| Wijk bij duurstede | 0,03% | 2,2 |
| Zoeterwoude | 0,03% | 2,2 |
| Aalsmeer | 0,01% | 1,1 |
| Abcoude | 0,01% | 1,1 |
| Alkemade | 0,01% | 1,1 |
| Beek | 0,01% | 1,1 |
| Beemster | 0,01% | 1,1 |
| Belfeld | 0,01% | 1,1 |
| Bergeijk | 0,01% | 1,1 |
| Bladel | 0,01% | 1,1 |
| Bodegraven | 0,01% | 1,1 |
| Boekel | 0,01% | 1,1 |
| Borculo | 0,01% | 1,1 |
| Boskoop | 0,01% | 1,1 |
| Broekhuizen | 0,01% | 1,1 |
| Brummen | 0,01% | 1,1 |
| Bunschoten | 0,01% | 1,1 |
| Delft | 0,01% | 1,1 |
| Diemen | 0,01% | 1,1 |
| Dodewaard | 0,01% | 1,1 |
| Dongen | 0,01% | 1,1 |
| Doorn | 0,01% | 1,1 |
| Drechterland | 0,01% | 1,1 |
| Duiven | 0,01% | 1,1 |
| Echteld | 0,01% | 1,1 |
| Eemsmond | 0,01% | 1,1 |
| Egmond | 0,01% | 1,1 |
| Epe | 0,01% | 1,1 |
| Graft-de Rijp | 0,01% | 1,1 |
| Groenlo | 0,01% | 1,1 |
| Grubbenvorst | 0,01% | 1,1 |
| Haaren | 0,01% | 1,1 |
| Heel | 0,01% | 1,1 |
| Helden | 0,01% | 1,1 |
| Jacobswoude | 0,01% | 1,1 |
| Korendijk | 0,01% | 1,1 |
| Laren | 0,01% | 1,1 |
| Maartensdijk | 0,01% | 1,1 |
| Meijel | 0,01% | 1,1 |
| Menaldumadeel | 0,01% | 1,1 |
| Menterwolde | 0,01% | 1,1 |
| Middelharnis | 0,01% | 1,1 |
| Mierlo | 0,01% | 1,1 |
| Montfoort | 0,01% | 1,1 |
| Muiden | 0,01% | 1,1 |
| Nieuwkoop | 0,01% | 1,1 |
| Nieuwleusen | 0,01% | 1,1 |
| Noord-Beveland | 0,01% | 1,1 |
| Noordenveld | 0,01% | 1,1 |
| Nunspeet | 0,01% | 1,1 |
| Oostburg | 0,01% | 1,1 |
| Oostzaan | 0,01% | 1,1 |
| Ootmarsum | 0,01% | 1,1 |
| Ouderkerk | 0,01% | 1,1 |
| Ravenstein | 0,01% | 1,1 |
| Rijnwoude | 0,01% | 1,1 |
| Sas van gent | 0,01% | 1,1 |
| Schagen | 0,01% | 1,1 |
| Schermer | 0,01% | 1,1 |
| Simpelveld | 0,01% | 1,1 |
| Sint anthonis | 0,01% | 1,1 |
| Sint-Oedenrode | 0,01% | 1,1 |
| Staphorst | 0,01% | 1,1 |
| Steenbergen | 0,01% | 1,1 |
| Steenderen | 0,01% | 1,1 |
| Swalmen | 0,01% | 1,1 |
| Ten boer | 0,01% | 1,1 |
| Ter aar | 0,01% | 1,1 |
| Valkenburg | 0,01% | 1,1 |
| Voorschoten | 0,01% | 1,1 |
| Waddinxveen | 0,01% | 1,1 |
| Weerselo | 0,01% | 1,1 |
| Wehl | 0,01% | 1,1 |
| Wieringen | 0,01% | 1,1 |
| Woensdrecht | 0,01% | 1,1 |
| Wognum | 0,01% | 1,1 |
| Woudenberg | 0,01% | 1,1 |
| Zelhem | 0,01% | 1,1 |
| Zundert | 0,01% | 1,1 |
Overzicht initiatieven en maatregelen (hoofdstuk 2)
| Actie/regeling | Omschrijving actie/regeling | Doel/product | Fase uitwerking | Budget | Einddatum |
|---|---|---|---|---|---|
| Werkenden | |||||
| Experimenten ILR (OcenW) | Per 15-2-01 zijn 8 experimenten gestart met de Individuele leerrekening. Binnen de experimenten worden 1200 leerrekeningen geopend en worden systematieken voor implementatie van de ILR ontwikkeld. | Draagvlak en systematieken ontwikkelen om gebruik ILR te stimuleren. | 1200 leerrekeningen zijn geopend en scholing gestart. | € 1,2 miljoen | 15 februari 2002 experimenten worden in 2002 voortgezet (€ 865 000) |
| Fiscale faciliteit POR (EZ, OcenW, SZW) | Er worden modaliteiten uitgewerkt voor een fiscale faciliteit voor de Persoonlijke Ontwikkelings-rekening voor werknemers. | Implementatie per 1 januari 2003 van een POR voor werknemers. | Een voorkeursvariant is uitgewerkt. Kabinet moet thans beslissing nemen. | Nog onbekend | Voorziene implementatie per 1 januari 2003 |
| Regeling scholingsimpuls (EZ) | Innovatieve opscholingsprojecten voor werkenden met minimaal een startkwalificatie | Stimulering voorbeeldwerking binnen en buiten de branche | Eerste tender uitgevoerd | € 30 miljoen | Juni 2001 – juni 2005 |
| Scholingsaftrek profitsector en afdrachtvermindering scholing non-profit-sector (EZ) | Fiscale faciliteit Aftrekmogelijkheid voor werkgevers van scholingskosten werknemers, met extra aftrek voor scholing tot startkwalificatie, NT2 en ouderen MKB en bijdrage O&O-fondsen. | Stimulering scholing binnen bedrijven met accenten doelgroepen. | € 314 miljoen (2002) | structureel | |
| Afdrachtvermindering onderwijs (WVA-VO) (OcenW) | Fiscale aftrek voor werkgevers als tegemoetkoming in de kosten voor scholing van BBL-ers. | Vergroting van het aantal leer/arbeidsplaatsen. | € 148 miljoen (1999) | structureel | |
| Aftrek van studiekosten (Fin) | Fiscale aftrek van studiekosten als buitengewone lasten of beroepskosten van inkomstenbelasting | Stimulering scholing particulieren | € 209 miljoen (2002) | structureel | |
| Employability adviseurs (EZ) | Vanaf 1998 zijn pilots met emplyability-adviseurs gestart om MKB-bedrijven te overtuigen van het belang van goed personeelsbeleid. Als follow-up vanaf 2002 driejarig programma bij Syntens. | 16 000 MKB-bedrijven adviseren over strategisch personeelsbeleid. | Driejarig traject gestart in 2002. | € 3.1 miljoen voor de periode 2002–2004 | |
| Investors in People (EZ) | Het keurmerk-IIP wordt vanaf 2000 in Nederland geïntroduceerd door het Projectbureau IIP Nederland. Het keurmerk is gericht op het bevorderen van systematisch en structureel personeelsbeleid in ondernemingen. | 600 IIP-keurmerken uitgereikt in 2004 | Marktintroductie loopt trager dan verwacht. €2.73 miljoen. | Eind 2004 | |
| Kenniscentrum EVC (EZ, OcenW, SZW) | Opgericht in 2001 voor periode van 4 jaar | Verspreiding van EVC door facilitering en ondersteuning van bestaande en potentiële EVC-trajecten, informatievoorziening en kennisuitwisseling, netwerkvorming, ontwikkeling EVC-procedures. | In 2001 accent op opbouw kenniscentrum en netwerkvorming. In 2002 meer nadruk op ontwikkeling en ondersteuning. | € 3.4 miljoen voor een periode van 4 jaar. | 31 december 2004 (maximale verlenging van 2 jaar behoort tot de mogelijkheden). |
| Transnationaal Kenniscentrum EVC voor niet-traditionele wervingsgroepen (kenniscentrum EVC) | EVC-systematiek versneld van toepassing laten worden op onder herintreeders, asielzoekers, laaggeschoolden, allochtonen). | De toegankelijkheid van de arbeidsmarkt voor deze groepen met behulp van EVC bevorderen. | EVC-kenniscentrum heeft ESF-Equal-subsidie verkregen voor uitwerking projectvoorstel. | ESF-Equal startsubsidie 84 885 euro. | Mei 2002 definitieve projectvoorstel indienen voor Equal-subsidie (2002–2004). |
| Werkenden en werkzoekenden zonder startkwalificatie | |||||
| Pilot Loopbaanadviseurs (OCenW) | Er zijn in 2001 5 pilots ingericht en aangehaakt bij RMC-functie om werkende voortijdig schoolverlaters (100 per pilot) door loopbaanbegeleiders te begeleiden naar een startkwalificatie, | Ontwikkeling van succesvolle systematieken voor begeleiding en brede inbedding daarvan in de RMC-functie. In totaal worden 500 jongeren begeleidt naar startkwalificatie. | Loopbaanadviseurs zijn aangesteld, systematieken zijn/worden ontwikkeld, werving is in gang gezet (verloopt stroef). € 1.09 miljoen | Oorspronkelijke einddatum 31 december 2002. Wordt met een jaar verlengd. | |
| Duurzame reïntegratie (SZW) | Fiscale faciliteit per 1-1-02 (wva-startkwalificatie) voor werkgevers die voormalig werklozen scholen tot aan startkwalificatieniveau. Het gaat om (indirecte) kosten die de werkgever maakt naast de scholingskosten. | Door startkwalificatie voormalig werkloze werknemers een betere positie op de arbeidsmarkt bezorgen | Pas van start gegaan. | € 45,4 miljoen | structureel |
| Werkzoekenden | |||||
| Verruiming scholing bijstands-gerechtigden (SZW) | Bij wetsvoorstel wordt het mogelijk dat dat bijstandsgerechtigden een voor de arbeidsinschakeling noodzakelijke opleiding kunnen volgen aan reguliere instellingen voor beroeps- en universitair onderwijs. | Bijstandsgerechtigden via scholing meer mogelijkheden op de arbeidsmarkt geven. | Bestaande budgetten | Streefdatum augustus 2002 | |
| Verruiming scholing WW-ers (SZW) | Per 1 augustus 2000 zijn experimenten van start gegaan met uitbreiding van scholingsmogelijkheden in de WW. De regeling is voor 4 jaar van kracht. | WW-ers via scholing een betere positie op de arbeidsmarkt bezorgen. | Van de mogelijkheden tot scholing wordt nog onvoldoende gebruik gemaakt. Het LISV onderneemt actie om gebruik te stimuleren. | € 15 miljoen | 1 augustus 2004 + evaluatie |
| Digitale vakschool (SZW) | Ontwikkeling van trainings- en opleidingsprogramma «systeembeheer» op niveau 2 van de WEB voor werkzoekenden. | Werkzoekenden een perspectief geven voor de arbeidsmarkt. Landelijke toepassing van de digitale cursus. | Het eerste ontwikkelde materiaal wordt thans herzien. Binnenkort wordt cursus gegeven op 5 locaties in Nederland. Voor verdere uitbouw van het project naar andere opleidingsgebieden dan ICT, heeft SZW aanvullende subsidi beschikbaar gesteld. | Uit NAP middelen EZ. + € 180 000 SZW | |
| Convenanten herintredende vrouwen (SZW) | 5 maart 2002 ondertekening met partijen die een belangrijke rol spelen op de arbeidsmarkt een intentieverklaring voor de periode 2002–2005 te sluiten. Het doel is om herintredende vrouwen naar de arbeidsmarkt te brengen en tegelijkertijd knelpunten in sectoren op te lossen. Partijen zijn: de Centrale Organisatie voor Werk en Inkomen, de VNG, individuele gemeenten, en werkgevers- of brancheorganisaties en Werkgelegenheid. | ||||
| – afspraken gemeenten sluitende aanpak niet-uitkeringsgerechtigden. – Afspraken werkgevers het aanbieden van vakgerichte scholing gericht op het behalen van de benodigde kwalificaties | Afronding onderhandelingen 5 maart ondertekening intentieverklaring. Vanaf april 2002 tekening uitvoeringsconvenanten | nog niet bekend | 2005 | ||
| Scholing vluchtelingen (SZW) | Met de G-26 worden afspraken gemaakt over de activering van alle groepen van bijstandsgerchtigden. | afspraken G-26 over een actieve benadering van hoogopgeleide vluchtelingen, met inzet van internationale diplomawaardering en erkenning van elders verworven compenties en intensief maatwerk NT2 en eventueel vervolgopleiding (waaronder duaal) om hoger opgeleide vluchtelingen efficient te laten uitstromen naar werk op bijbehorend niveau. | Afspraken G-26 worden februari/maart 2002 gemaakt | Binnen bestaande budgetten agenda van de toekomstx | 2004 |
| Sociale cohesie/achterstandenbeleid | |||||
| Educatie voor volwassenen (OcenW) | Aanbod door ROC's van programma's NT2, vavo, en bereopsoriëntatie en -schakeling | Bieden van scholingsmogelijkheden voor volwassenen | Constatering van tekorten in de uitvoering door door gemeenten. Er is een convenant opgesteld ter verbetering. | € 205 miljoen | structureel |
| Wet Inburgering Nieuwkomers (BZK) | Krachtens wet is nieuwkomer verplicht inburgeringstraject te doorlopen. | Bevordering zelfredzaamheid van nieuwkomersx | Vanwege problemen bij de uitvoering van de WIN is in 2000 Taskforce inburgering ingericht. | € 169.5 miljoen in 2002 (€108 mln OCW, € 61.5 mln VWS) | WIN wordt thans geëvalueerd |
| Regelingen Oudkomers | Specifiek scholingsaanbod voor oudkomers dat zich richt op werkzoekenden en opvoeders. | Doel is achterstandspositie van oudkomers te verkleinen of weg te nemen. | € 97 miljoen in 2002 als aanvulling op reeds beschikbare middelen voor educatie. | ||
| Week van het leren (OCenW) | Na 2000 en 2001 wordt ook in 2002 een Week van het leren georganiseerd van 6 t/m 14 september 2002. | Bewustmaking voor een leven lang leren en op lokaal niveau het educatief aanbod onder de aandacht brengen. | De Week van het Leren 2002 wordt thans voorbereid. | € 350 000 | Van 6 t/m 14 september 2002 |
| Experiment Educatieve TV (OcenW) | In september 2001 is in Rotterdam het Experiment Educatieve TV gestart. Als experiment goed verloopt volgt uitbreiding naar de andere grote steden (Amsterdam, Utrecht, Den Haag). | Doel is om via een educatieve zender moeilijk bereikbare groepen weer bij leren te betrekken. Hiervoor wordt ook specifieke begeleiding ingezet. | De zender is per 23 januari 2002 de lucht ingegaan. Nu komt het aan op het bereiken van de doelgroepen. | € 2.25 miljoen voor het experiment. + € 19,5 miljoen bij eventuele uitbreiding | Afloop experiment: 1 september 2002 Totale project: 1 september 2005 |
| Duale trajecten (SZW, BZK, VWS en OCenW) | 1. uitvoering pilots duale trajecten in het kader van: – Raamconvenant Grote Ondernemingen – Ontwikkeltrajecten Taskforce Inburgering – pilots ITTA en Orbis-Rijnconsult 2. opstellen overdraagbare methodiek duale trajecten t.b.v. gemeenten, werkgevers en taalaanbieders | Een op praktijkervaringen gebaseerde methodiek voor de inzet van duale trajecten (combinatie NT2 met o.a. werk en/of opleiding) binnen gemeenten als onderdeel van inburgering (oud- en nieuwkomers) | – genoemde pilots zijn gestart en worden uitgebreid – methodiek is in ontwikkeling – streefdatum afronding medio 2002 – overdracht methodiek – tweede helft 2002 | Binnen bestaande budgetten voor – inburgering (BZK) – Ruim Baan voor minderheden (SZW) en – Taskforce Inburgering (4 departementen) | eind 2002 |
| Post-funderend onderwijs | |||||
| Versterking werkend leren (duale trajecten) (OcenW) | 1. contactgroep werkend leren 2. convenant praktijkgerichte leerweg vmbo 3. duale leerweg in hbo en wo | verbetering kwaliteit BPV-plaatsen 1. voldoende goede leerarbeidsplaatsen 2. duaal leren als reguliere leerweg | medio 2002 model ideale BPV-plek 1. fiscale aftrek moet 7000 leerarbeidsplaatsen in 2003 opleveren 2. experimenteerfase is voorbij | 2. € 13.7 miljoen voor leerarbeidsplaatsen vmboreguliere bekostiging | structureel |
| Versterking beroepsonderwijs (Stuurgroep IBS) (OCenW) | De stuurgroep Impuls beroepsonderwijs en scholing (overheid, sociale partners en onderwijsinstellingen) is eind 2000 ingericht om een beleidsagenda op te stellen voor versterking van het beroepsonderwijs en scholing. | Een adequaat stelsel van beroepsonderwijs en scholing in 2010. Rapportage: Naar een stevig fundament voor de kennissamenleving | Oprichting Platform Beroepsonderwijs (hele beroepskolom) met Taskforce en Transferpunt. Er wordt een werkprogramma opgesteld met als kernactiviteiten: Doorstroom in beroepskolom, versterking personeel, pedagogisch didactische vernieuwing en ICT | € 136 miljoen structureel (verdeeld over instellingen in lump sum) voorstel innovatiebudget in richting regeerakkoord | |
| Wending naar competenties: – Stappenplan versterking kwalificatiestructuur – bachelorprogramma in hbo en wo (OcenW) | Acties gericht op omvorming van de kwalificatiestructuur naar competenties. Vorming van breed bachelorsprogramma | Competentiegerichte kwalificatiestructuur die beter aansluit bij de arbeidsmarkt Competenties die beter aansluiten bij de arbeidsmarkt | Medio 2002 plan van aanpak voor algehele invoering van competenties in de kwalificatiestructuur | Invoering voltooid in studiejaar 2005–2006 | |
| Plan van aanpak voortijdig schoolverlaters (OcenW) | Plan gericht op maximale inspanning om voortijdig schoolverlaten terug te dringen. Wettelijk verankerd in RMC-wet. | Terugdringen van voortijdig schoolverlaten. | Door wettelijke verankering en invoering van het onderwijsnummer zal de RMC-functie verbeteren. | € 21 miljoen (GSI) € 30 miljoen (specifieke uitkering OcenW aan 39 contactgemeenten RMC-functie) | structureel |
| monitoring | |||||
| Onderwijsnummer (OCenW) | Invoering van het onderwijsnummer maakt monitoring van leerlingstromen beter mogelijk. | Effectiever volgen van deelnemers | |||
| Adult Literacy and Life Skills Survey (OcenW) | OESO-onderzoek waarin Nederland participeertx | Informatie over de competenties van de beroepsbevolkingx | Resultaten worden in 2003/2004 verwacht | ||
| Employability monitor | Ontwikkeling van een meetinstrument om periodiek competenties te kunnen meten | Meten van de ontwikkeling van menselijk kapitaal | Nul-meting is verricht |
Homodok
Schrijversvakschool 't Colofon
Poetry International
El Hizjra
Stichting Lezersfeest
Poeziefestival Landgraaf
Winternachten
Wintertuin
Stichting Lezen
School der Poezie
Doe Maar Dicht Maar
Bulkboek's Dag van de Literatuur
Nederlands Letterkundig Museum
JOM
Het Brabants Orkest
Het Gelders Orkest
Het Nederlands Balletorkest
Het Residentie Orkest
Limburgs Symphonie Orkest
Nederlands Philharmonisch Orkest
Noord Nederlands Orkest
Orkest van het Oosten
Rotterdam Philharmonisch Orkest
ASKO Ensemble
Bik Bent Braam
Combattimento Consort Amsterdam
De Nederlandse Bachvereniging
Het Nieuwe Ensemble
Maarten Altena Ensemble
Nederlands Blazers Ensemble
Orkest de Volharding
Samponé Music Productions, Fra Fra Sound
Schönberg Ensemble
Slagwerkgroep Den Haag
Willem Breuker Kollektief
Amsterdam Loeki Stardust Quartet
Aurelia Saxofoon Kwartet
Calefax
Cello Octet Conjunto Ibirico
Concerto '91
De Ereprijs
de Oefening de Kunst i.o.
Doelenensemble
Dutch Jazz Orchestra
Ives Ensemble
Jazz & Wereldmuziek Kollektief
Jazz Orchestra of the Concertgebouw
Maatschap Quink Vocaal Ensemble
Moer-staal
Muziekgezelschap Cappella Amsterdam
Nieuwe Slagwerkgroep Amsterdam
Osiris Trio
Ronald Snijders (Black Straight Music)
The Jungle Warriors i.o.
Amsterdam Roots
Gaudeamus
Koninklijke Vereniging voor de Nederlandse Muziekgeschiede Külsan
MIXT, stichting voor interculturele projecten
Music Meeting
Muziekcentrum De Ijsbreker
Nationaal Pop Instituut
Nederlandse Poppodia
Nieuwe Muziek Zeeland
Organisatie Oude Muziek
Paradiso Amsterdam
Rasa Wereldculturencentrum
STEIM
Walter Maas Huis
Amsterdams Kamermuziekcentrum De Suite
Donemus/Muziekgroep Nederland
Festival Musica Sacra
Grachtenfestival
Haast
Jazz en Geïmproviseerde Muziek Utrecht
Jazz in Amsterdam/Bimhuis
Korzo (muziekprojecten)
Muziekcentrum 's-Hertogenbosch
Muziekwerkplaats Brabant i.o.
Noorderslag
November Music
Organisatie Podiumkunsten Nederland i.o.
Prime
The international Holland Music Sessions
Theater Lantaren/Venster (muziekwerkplaats)
Internationaal Opera Centrum Nederland
De Nederlandse Opera (reservering)
Opera Zuid
Dagelet c.s. (i.o.)
Kameropera Trionfo
Spanga, het Verona van Weststellingwerf
Het Nationale Ballet
Het National Ballet t.b.v. TOM
Nederlands Dans Theater
Scapino Ballet Rotterdam
Stichting van de Toekomst
Conny Janssen Danst
DansWerkplaats Amsterdam
Alex d'Electrique
Cosmic Illusion
De Daders, Jan Langedijk
De Nieuw Amsterdam
De Paardenkathedraagl
Firma Rieks Swarte
Grand Theatre
Het Nationale Toneel
Het Onafhankelijk Toneel
Het Vervolg
Huis aan de Werf
Huis van Bourgondie
Made in da Shade Mug met de Gouden Tand
Nes theaters
Noord Nederlands Toneel
Noorderzon
Productiehuis Brabant
Studio Peer
Suver Nuver
Terschellings Oerol Festival
Theater van de Verbeelding (Dogtroep)
Theaterproduktie Rotterdam (RO Theater)
Toneelgroep Amsterdam
Toneelschuur Produkties
Tryater
Zeebelt
Amstelveens Poppentheater
Amsterdams Kleinkunst Festival
Carina Molier
Caspar Rapak
de Bende De Wetten van Kepler
Dood Paard
Gasthuis, werkplaat & theater
Golden Palace (st. Kraan)
Het Toneelschap B&D
Het Zuidelijk Toneel/Theatergroep Hollandia
Keesen & Co
Multi Arts Producties
Plotloos drama
Rast
Rotterdamse Schouwburg (int. programmering)
t Barre Land
Teatro Munganga
Theatergroep Aluin
De Theatercompagnie vh Toneelgroep de Trust/Art en Pro
Zep
Huis aan de Amstel
Jeugdtheater Sonnevanck
Jeugdtheatercentrum Den Haag/Stella Den Haag
Kalebas Producties
Speeltheater Holland
t MUZtheater
Theater Artemis
Theater De Citadel
Theatergroep Maccus
Theatergroep Wederzijds
Het Filiaal
Het Laagland
Het Syndicaat
Het Waterhuis
Theater Gnaffel
Dunya Festival
Holland Festival
Melkweg
Holland Animation Filmfestival
Joris Ivens
Skrien
Europees Keramisch Werkcentrum
Nederlands Filmuseum
Rijksakademie Beeldende Kunsten
Witte de With, center for contemporary art
Beeldende Kunst Middelburg
Fotografie Noorderlicht
Inter-Art
Archiprix
Europan Nederland
Nederlands Architectuur Instituut
Artisjok/Nultwintig
Beeldende Amateurkunst
Buitenkunst
Culture Coalition
Grote Prijs van Nederland
Jeugdorkest Nederland
Landelijk Centrum voor Amateurdans
Nationaal Jeugd Orkest
Nederlands Centrum voor Volkscultuur
NKT Theaterproducties
Orlando Festival
Prinses Christina Concours
Ricciotti Ensemble
Schrijven
STUT Theater
Swing
Wereld Muziek Concours
Beestenbende BZO/Krater Kunstzinnige Vorming Zuidoost
Davina van Wely
Festivalbureau Storm
Iordens Viooldagen
Jong Muziektalent Nederland
Jongerentheatergroep DOX i.o./UCK
Meer doen met Cultuur, Kunstbende Nationaal Kinderkoor/Nationaal Jeugdkoor
Nationale Jeugd Blaasorkesten en Ensembles
Planet jr. Productions
Rotterdams Wijktheater
Sahne
UNISONO
Wereldfestival Parade Brunssum 2000
Beeldverzamelgebouw/ICM
Centraal Bureau voor Genealogie
Koninklijk Penningkabinet
Museum Boerhaave
Museu Gevangenpoort
Museum Catharijnenconvent
Museum Slot Loevestijn
Museum Meermanno Westreenianum
Nederlands Scheepcaartmuseum Amsterdam
Paleis het Loo
Rijksmuseum het Zuiderzeemuseum
Rijksmuseum Muiderslot
Rijksmuseum van Oudheden
DIVA
Indisch Huis
Nationaal Rijtuigmuseum
Princessehof
Hollandse Schouwburg
Vereniging digitaal erfgoed
Van Gogh
Rijksmuseum Amsterdam
Samenstelling:
Leden: Van der Vlies (SGP), Van de Camp (CDA), Jorritsma-Lebbink (VVD), Lambrechts (D66), Rijpstra (VVD), Cornielje (VVD), voorzitter, Netelenbos (PvdA), Rehwinkel (PvdA), Monique de Vries (VVD), Atsma (CDA), Hamer (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Mosterd (CDA), Van Ruiten (LPF), Hoogendijk (LPF), Bonke (LPF), ondervoorzitter, Vergeer-Mudde (SP), Jense (LN), Herben (LPF), Tichelaar (PvdA), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Joldersma (CDA), Jan de Vries (CDA), Azough (GroenLinks), Eski (CDA).
Plv. leden: Veling (ChristenUnie), Ferrier (CDA), Van Blerck-Woerdman (VVD), Dittrich (D66), De Grave (VVD), Van Aartsen (VVD), Adelmund (PvdA), Bos (PvdA), Luchtenveld (VVD), Hessels (CDA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Vacature (GroenLinks), Vacature (CDA), Wiersma (LPF), Zeroual (LPF), Eerdmans (LPF), Van Bommel (SP), Teeven (LN), Eberhard (Groep De Jong), Dijksma (PvdA), Van Fessem (CDA), Van Haersma Buma (CDA), Vacature (CDA), Halsema (GroenLinks), Van Bochove (CDA).
Mededeling van de Commissie. Diensten van algemeen belang in Europa van 20.09.2000 COM(2000) 580 definitief.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28600-VIII-15.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.