nr. 71
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG
Vastgesteld 11 september 2003
De vaste commissie voor Europese Zaken1 heeft
op 28 augustus 2003 een kennismakingsoverleg gevoerd
met staatssecretaris Nicolaï van Buitenlandse Zaken.
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissie
De heer Van Dijk (CDA) vraagt welke consequenties
de sinds het aantreden van het kabinet-Balkenende II gewijzigde status van
het staatssecretariaatschap van Europese Zaken heeft voor de gang van zaken
met betrekking tot de Intergouvernementele Conferentie (IGC).
Verder is de heer Van Dijk benieuwd te vernemen op welke manier de staatssecretaris
de komende kabinetsperiode wil bewerkstelligen dat de aandacht van de Nederlandse
bevolking voor onderwerpen die de Europese samenwerking betreffen aanzienlijk
wordt vergroot, dit mede in het licht van de aanstaande verkiezingen voor
het Europees Parlement en de discussies over de IGC en over het houden van
een referendum over de nieuwe Europese Grondwet. Een van de verklaringen voor
het feit dat die aandacht er nog te weinig is, is erin gelegen dat er in deze
Kamer niet zo heel vaak over dit soort onderwerpen wordt gesproken. Zou het
in dit licht geen aanbeveling verdienen dat bij Europese besluitvormingstrajecten
het parlement eerder in de gelegenheid wordt gesteld om de staatssecretaris
een aantal uitgangspunten mee te geven voor de desbetreffende onderhandelingen
in EU-verband? Verder zou het goed zijn als de Kamer meer op de hoogte wordt
gehouden, desnoods vertrouwelijk, over datgene wat er tijdens de onderhandelingen
gebeurt. Op die manier zal naar het oordeel van de heer Van Dijk een meer
politieke discussie ontstaan over Europese onderwerpen.
De heer Van Baalen (VVD) hecht eraan namens
zijn fractie op te merken bijzonder verheugd te zijn dat de heer Nicolaï
zijn functie van staatssecretaris van Europese Zaken die hij reeds in het
kabinet-Balkenende I heeft mogen vervullen, nu verder inhoud mag geven in
de komende kabinetsperiode, juist waar vooral in Europees verband continuïteit
in beleid van groot belang is.
De heer Van Baalen sluit zich aan bij de opmerkingen en vragen van de
heer Van Dijk, vooral die met betrekking tot de IGC, in welk laatste verband
hij zelf overigens benieuwd is te vernemen van de staatssecretaris of er tussen
de presentatie van het concept van de Conventie tijdens de Top van Thessaloniki
en het geplande aanvangstijdstip van de IGC nu daadwerkelijk sprake is van
een adempauze dan wel of regeringen reeds druk bezig zijn met het lobbyen
teneinde hun eigen wensen met betrekking tot aanpassingen van het ontwerp
erdoorheen te krijgen.
Antwoord van de staatssecretaris
De staatssecretaris merkt op dat waar de versterking
van de coördinatie bij de verdere vormgeving van de EU essentieel is,
het duidelijk moge zijn dat dit kabinet goed doordrongen is van het grote
belang van het overgrote deel van de regelgeving en het beleid dat in EU-kader
tot stand wordt gebracht. In dat licht is het dan ook goed dat de staatssecretaris
van Europese Zaken in zijn buitenlandse contacten de status van minister heeft
en dat hij binnenslands zijn betrokkenheid gestalte kan geven door zijn vaste
plek in de ministerraad. Een nadere invulling van zijn functioneren in IGC-verband
zal overigens nog plaats moeten vinden. Vast staat wel dat de Nederlandse
regering hecht aan een IGC op politiek niveau, dus een IGC waarin bewindspersonen
zitting hebben en waarbij dan sprake is van een beperkte betrokkenheid van
ambtelijke bijeenkomsten. Concreet houdt dit in dat het zal gaan om leden
van de Raad voor Algemene Zaken en Externe Betrekkingen (RAZEB).
De staatssecretaris beschouwt het tot stand brengen van een eenduidige
en goede communicatie met en voorlichting aan de burgers waar het gaat om
EU-aangelegenheden als een van zijn kerntaken. Binnen afzienbare termijn zal
de Kamer een stuk ontvangen over dit onderwerp, waarvan het toe te juichen
zou zijn als dit apart voor bespreking met deze commissie werd geagendeerd.
Verder is de staatssecretaris bereid om na te gaan of het EU-overlegtraject
tussen Kamer en kabinet verbetering behoeft en, zo ja, op welke punten. Hij
is in principe in voor alles wat een scherpere discussie met de Kamer mogelijk
maakt waar het gaat om zaken die in Europa aan de orde zijn.
Op de aanpak en de onderwerpen die verband houden met het aanstaande Nederlandse
voorzitterschap zal nader worden ingegaan in het kader van de verdere ontwikkelingen
rond de Staat van de Unie, waarover de Kamer tegelijkertijd met de stukken
voor Prinsjesdag nader zal worden geïnformeerd. Dat schrijven zal onder
meer bevatten een eerste indicatie van oriëntaties voor de Europese agenda
van mogelijke Nederlandse en Ierse accenten. Gezamenlijk met de Ieren zal
Nederland in november een plan ter zake presenteren dat alsdan aan de Kamer
zal worden voorgelegd. Een en ander neemt niet weg dat gedurende het Ierse
voorzitterschap het Nederlandse kabinet zich al kan beraden over zaken waaraan
het in het bijzonder aandacht zal besteden vanaf de tweede helft van 2004.
Met betrekking tot de ontwikkelingen rond de IGC kan gemeld worden dat
de betrokken landen zich formeel vrij netjes houden aan het uitgangspunt van
Thessaloniki dat het resultaat van de Conventie een goede basis vormt voor
de IGC. Zoals nog voor het zomerreces in de Kamer uitgesproken, hecht het
kabinet ook aan dit uitgangspunt. Hoewel dit gezien moet worden als een politiek
compromis, is het toch een behoorlijk resultaat. Reden voor het kabinet om
vast te houden aan het bouwwerk en om vervolgens te proberen op enkele onderdelen
nog wijzigingen aan te brengen. Overigens, hoewel Nederland in dezen niet
voorop zal lopen, zal het wanneer bepaalde landen indringend hun
eigen wensen en verbeteringsvoorstellen inbrengen, wel degelijk zorgen dat
het dan niet achterblijft.
De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken,
Dijksma
De griffier van de vaste commissie voor Europese Zaken,
Mattijssen
XNoot
1Samenstelling:
Leden: Terpstra (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Dijksma (PvdA), voorzitter,
De Haan (CDA), Koenders (PvdA), Atsma (CDA), Karimi (GroenLinks), Timmermans
(PvdA), Van Bommel (SP), Albayrak (PvdA), Van der Staaij (SGP), Eurlings (CDA),
Waalkens (PvdA), Weekers (VVD), Balemans (VVD), Van Baalen (VVD), Van Winsen
(CDA), Van den Brink (LPF), Van den Brand (GroenLinks), Van Velzen (SP), De
Nerée tot Babberich (CDA), Van Dijk (CDA), Nawijn (LPF), ondervoorzitter,
Dubbelboer (PvdA), Van der Laan (D66), Brinkel (CDA) en Szabó (VVD).
Plv. leden: Hirsi Ali (VVD), Duivesteijn (PvdA), Kruijsen (PvdA), Hessels
(CDA), Van Heteren (PvdA), Çörüz (CDA), Duyvendak (GroenLinks),
Bussemaker (PvdA), De Wit (SP), Eijsink (PvdA), Rouvoet (ChristenUnie), Spies
(CDA), Douma (PvdA), Wilders (VVD), Griffith (VVD), Geluk (VVD), Algra (CDA),
Vos (GroenLinks), Vergeer (SP), Mastwijk (CDA), Buijs (CDA), Varela (LPF),
Fierens (PvdA), Dittrich (D66), Ferrier (CDA) en Dezentjé Hamming-Bluemink
(VVD).