nr. 70
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 september 2003
In aanvulling op mijn eerdere beantwoording van kamervragen van de afgevaardigde
Van Bommel (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2002–2003, nr. 1595),
hecht ik eraan u hierbij, mede namens de Ministers van Defensie, Verkeer en
Waterstaat en Justitie, op de hoogte te brengen van het zogenaamde Proliferation
Security Initiative (PSI) en de Nederlandse betrokkenheid daarbij.
Het Proliferation Security Initiative (PSI) werd op 31 mei 2003 in de
aanloop naar de G-8 bijeenkomst te Evian door de Amerikaanse President Bush
aangekondigd als nieuw instrument in de strijd tegen de proliferatie van massavernietigingswapens
(MVW) en tegen terrorisme met inzet van MVW. Achtergrond was de constatering
dat de reeds bestaande non-proliferatieverdragen en anderszins relevante verdragen
en instrumenten zoals de exportcontroleregimes aanvulling behoeven om de proliferatie
van MVW effectief tegen te kunnen gaan. Met name het probleem van de zogenaamde
secundaire proliferatie, waarbij prolifererende landen elkaar behulpzaam zijn
bij de ontwikkeling van MVW en hun overbrengingsmiddelen, onttrekt zich aan
het huidige instrumentarium. De regering deelt de Amerikaanse zorgen op dit
gebied. Daarnaast sluit het Amerikaanse initiatief goed aan bij de recent
in Thessaloniki aangenomen EU-strategie tegen MVW-proliferatie. Het PSI dient
te worden gezien als versterking van het bestaande non-proliferatie instrumentarium,
en niet als alternatief voor de bestaande verdragen.
Het PSI voorziet in actief optreden tegen de illegale handel in massavernietigingswapens
(nucleair, chemisch, biologisch en radiologisch) en hun overbrengingsmiddelen
(zoals raketten), alsmede daarvoor bestemde materialen en technologieën.
Een en ander moet mogelijk worden gemaakt door middel van een betere benutting
van bestaande non-proliferatie instrumenten (internationale verdragen, nationale
wetgeving, exportcontrole) en door de verbetering van internationale samenwerking
bij het opsporen van proliferatiegevoelige transporten. Het PSI richt zich
met name op onderschepping te land, ter zee of in de lucht om te
voorkomen dat MVW-goederen die zijn bestemd voor risicolanden of voor niet-statelijke
actoren hun eindafnemers bereiken.
Voor de uitwerking van het PSI heeft de VS in eerste aanleg vlag-, kust-
en doorvoerstaten benaderd die daadwerkelijk medewerking kunnen verlenen bij
het aanhouden en/of doorzoeken van schepen. Dit zijn, naast Nederland, Australië,
Duitsland, Frankrijk, Italië, Japan, Polen, Portugal, Spanje en het Verenigd
Koninkrijk. Tot nu toe zijn in het kader van het PSI op hoog ambtelijk niveau
twee bijeenkomsten gehouden. De eerste bijeenkomst was op 12 juni jl. in Madrid
en de tweede op 9 en 10 juli jl. in Brisbane. Bij die gelegenheden bleek de
zorg die aan de basis van dit initiatief ligt, breed te worden gedeeld en
werd het initiatief als tijdig en nuttig gekenschetst. Tegelijkertijd was
de breed gedeelde overtuiging dat de kaders van de bestaande nationale bevoegdheden
en internationaal-rechtelijke instrumenten (w.o. het VN Handvest en het Zeerechtverdrag)
leidraad dienen te blijven. De discussies staan dan ook in belangrijke mate
in het teken van de bestudering van de haalbaarheid van eventuele maatregelen
binnen de bestaande nationale en internationale juridische kaders.
De Amerikaanse gedachte achter het benaderen van een beperkte groep landen
is dat het gemakkelijker en effectiever is eerst in kleinere kring overeenstemming
te bereiken over de beste aanpak. Hierna kan de groep worden vergroot zodat
op termijn een effectief contra-proliferatiepakket wordt ondersteund door
een brede coalitie. De regering heeft begrip voor deze benadering, met dien
verstande dat tijdige verbreding van het initiatief met relevante landen,
met name alle EU-partners, wenselijk is voor het welslagen. Nederland heeft
dit bilateraal bij de VS, alsmede in de plenaire bijeenkomsten in Madrid en
Brisbane, als belangrijk aandachtspunt naarvoren gebracht. Mede in het licht
van de EU veiligheidsstrategie ligt het voor de hand dat ook de EU zich zal
moeten bezighouden met dit soort vraagstukken.
Langs twee lijnen wordt verder gewerkt aan concrete invulling van het
PSI.
Voor het einde van dit jaar zal een aantal gemeenschappelijke interdictieoefeningen
worden gehouden waaraan landen op basis van vrijwilligheid kunnen deelnemen.
Australië, Spanje en Frankrijk hebben aangeboden de eerste drie maritieme
interdictieoefeningen te leiden. De oefeningen betreffen scenario's die worden
uitgevoerd binnen de bestaande juridische kaders (zowel nationaal als internationaal),
en zullen inzicht verschaffen in de operationele en juridische aspecten van
gezamenlijke interdictie-activiteiten. De regering is voornemens waarnemers
af te vaardigen naar deze oefeningen.
Daarnaast vindt binnen PSI een inventarisatie plaats van de rechtskaders
waarbinnen PSI-activiteiten zullen moeten plaatshebben. Indien zou blijken
dat voor bepaalde noodzakelijk geachte interventies nog geen of onvoldoende
juridische basis zou bestaan, zal bezien moeten worden of aanpassing van nationale
en internationale regelgeving wenselijk en noodzakelijk is. In dat geval zullen,
wat de regering betreft, voorstellen gebaseerd moeten zijn op de bestaande
juridische instrumenten en worden voorgelegd aan de daartoe geëigende
(internationale) fora. Voorts is van belang dat eventuele Nederlandse bijdragen
mede moeten worden bezien in het licht van de feitelijke mogelijkheden van
de betrokken Nederlandse instanties.
PSI is een instrument in ontwikkeling. De regering ondersteunt het Amerikaanse
initiatief als aanvulling op het bestaande instrumentarium in de strijd
tegen proliferatie van MVW en het internationale terrorisme. De regering ziet
het initiatief ook als waarschuwing aan niet-statelijke actoren en staten
die vanuit het oogpunt van proliferatie een risico vormen.
Begin september 2003 vindt in Parijs een volgende bijeenkomst van PSI-landen
plaats, waarbij een gezamenlijke verklaring ter behandeling en aanname voorligt
met algemene uitgangspunten die door de PSI-partners worden onderschreven.
Van de voortgang die wordt geboekt binnen het PSI zal ik uw Kamer op de
hoogte houden.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
J. G. de Hoop Scheffer