nr. 23
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 december 2002
In het MIT (Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport) Projectenboek
2003 heb ik aangekondigd overleg te voeren met de relevante regionale bestuurlijke
partners over het MIT vóór en na 2010. Met deze brief wil ik
u, ten behoeve van de MIT-behandeling op 9 december 2002 in uw Kamer, informeren
over de uitkomsten van dit overleg.
ACHTERGROND BESTUURLIJK OVERLEG
Met het Strategisch akkoord zijn voor mijn ministerie extra middelen ten
gunste van mobiliteit ter beschikking gekomen. Vanwege de resterende problematiek
bleek het echter ook noodzakelijk om enkele projecten te vertragen, waaronder
de Hanzelijn, Randstadrail, de Noord-Zuidlijn en de Nieuwe Sleutelprojecten
(NSP). In het MIT Projectenboek heb ik aangekondigd over deze consequenties
bestuurlijk overleg te voeren. Ter voorbereiding op deze overleggen heb ik
de desbetreffende bestuurders verzocht om – binnen de bestaande financiële
kaders van het MIT – aan te geven of er mogelijkheden tot optimalisatie/verschuivingen
(herprioritering) in het programma tot en met 2010 waren. Voor zover er sprake
was van dergelijke verschuivingen, is dit onderwerp van gesprek geweest in
het bestuurlijk overleg.
Behalve het bespreken van de infrastructurele keuzes en mogelijkheden
tot optimalisatie daarin, was ik ook voornemens bestuurlijke afspraken te
maken over concrete infrastructuurprojecten in de periode 2011–2014
(verlenging van het MIT), mede in relatie tot het NVVP. Gezien mijn demissionaire
status heb ik echter besloten nu geen harde afspraken te maken, maar dit over
te laten aan een nieuw kabinet. Wel heb ik het bestuurlijk overleg, als opmaat
tot een nieuw regeerakkoord, gebruikt als agendazettend overleg voor de regionale
prioriteiten op infrastructureel gebied.
BELANGRIJKSTE CONCLUSIES
Het bestuurlijk overleg is georganiseerd per landsdeel. Met uitzondering
van landsdeel Oost en Noord zijn er echter afspraken gemaakt per provincie
inclusief eventueel inliggende kaderwetgebieden. Deze afspraken treft u aan
in de achterliggende bijlagen1. Hieronder geef
ik u een overzicht van de belangrijkste afspraken en resultaten van het bestuurlijk
overleg:
• Hanzelijn
De Hanzelijn verkeert in een fase waarin de formele procedures die gevolgd
moeten worden nog 3 tot 3½ jaar zullen vergen. De planologische procedures
(ontwerp-tracébesluit en tracébesluit) met alle inspraak daar
omheen, de technische «uitdetaillering», het klaarmaken voor aanbesteding
en de feitelijke aanbesteding vergen die termijn. Dit betekent dat er niet
eerder dan in de tweede helft van 2006 met de daadwerkelijke aanleg kan worden
begonnen. Dat houdt in dat de eerste grote bedragen voor de bouw ook niet
eerder dan eind 2006, begin 2007 benodigd zijn.
Vooruitlopend op de feitelijke bouw kan zich de gelegenheid voordoen
van kleinere voorbereidende activiteiten voor de aanleg, zoals de minnelijke
aankoop van gronden voor de Hanzelijn.
Inzake de financiering van de Hanzelijn verwijs ik u naar de separate
informatie terzake.
• Noord-Zuidlijn
Met de gemeente Amsterdam heb ik afgesproken, dat zowel Verkeer en Waterstaat
als de gemeente zich zullen inspannen om ruimte binnen de begrotingen te vinden,
om de kasritmeproblematiek op te lossen. Hierover heb ik de gemeente Amsterdam
een brief gestuurd (kenmerk: DGP/SPO/U02.03170). Deze brief is in afschrift
ook aan de Tweede Kamer verzonden (kenmerk: DGP/SPO/U02.03248).
• Randstadrail
Met de regio is afgesproken, dat alle activiteiten erop gericht zijn om
rond 1 december 2002 te beschikken inzake Randstadrail mits aan de –
aan de afgifte van de beschikkingen – gestelde voorwaarden is voldaan.
Het gaat hierbij om de voorwaarden, zoals genoemd in de bestuursovereenkomst
van 6 december 2001, alsmede om de noodzakelijke wijzigingen daarop naar aanleiding
van de nieuwe begroting van Verkeer en Waterstaat. Als dat slaagt, zullen
nog dit jaar de declaraties van de upfront betaling betaalbaar worden gesteld.
In de beschikkingen zal het thans in de V&W-begroting voorzienbare
bedrag aan rijksbijdragen voor het project worden opgenomen. De betrokken
partijen zullen zich inspannen om de hierdoor voor de regio's optredende extra
lasten te voorkomen of tot een minimum te beperken. Hierbij worden diverse
oplossingsrichtingen betrokken.
De betrokken partijen hebben afgesproken om twee maal per jaar (mei,
november) op basis van de geactualiseerde kasritmes van Zuid-Hollandse projecten
(zowel rijksprojecten als de regionale projecten) na te gaan of verdere verlichting
van de kasritmeproblematiek rond Randstadrail mogelijk is.
• Zuid-Hollandse projecten
De afspraken omtrent Randstadrail passen binnen een breder pakket van
afspraken over Zuid-Hollandse projecten. Naast Randstadrail maken ook de A4
Midden – Delfland, A15 Maasvlakte – Vaanplein, Hubertustunnel,
Nieuwe Sleutelprojecten, de internationale spooraansluiting Den
Haag, de Rijn-Gouwelijn, het Trekvliettracé en de A13/16 onderdeel
uit van dit pakket. Belangrijkste conclusie is dat de gereserveerde financiële
middelen voor de A13/A16 en het Trekvliettracé vóór 2010
worden herbestemd ten behoeve van de A4 Midden Delfland, de A15 Maasvlakte –
Vaanplein en de sleutelprojecten Rotterdam CS en Den Haag CS. Voor een concrete
toelichting hierop en voor de andere afspraken verwijs ik u naar bijlage 3.
Behalve in Zuid-Holland zijn door de overige regio's geen voorstellen
gedaan tot herprioritering binnen de bestaande financiële kaders van
het MIT tot en met 2010. Over aanvullende financiering en over de prioriteiten
voor de periode 2011 – 2014 heb ik, zoals eerder gemeld, uiteraard geen
harde financiële afspraken gemaakt. In een aantal gevallen zijn nadere
(procesmatige) afspraken gemaakt. Deze treft u in de achterliggende bijlagen
aan.
Ten aanzien van de periode na 2010 geldt, zoals eerder gemeld, dat het
daarbij gaat om een agendazettende uitkomst, nadrukkelijk nog niet om een
financieel geregeld programma. Bovendien zullen voor de periode na 2010 ook
andere – dan de door de regio opgevoerde – prioriteiten op het
terrein van Verkeer en Waterstaat in het totale programma moeten worden ingepast.
Het volgende kabinet zal daartoe de beslissingen moeten nemen die leiden tot
een invulling van het MIT na 2010.
Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
R. H. de Boer