nr. 14
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 7 april 2006
Op 29 maart jl. is het voormalige Liberiaanse staatshoofd Charles
Taylor voor berechting overgedragen aan het Special Court for Sierra Leone
(SCSL). In verband hiermee informeer ik u, mede namens mijn ambtgenoot van
Justitie, over de eventuele door Nederland, als gastland van enkele internationale
strafhoven, te verlenen medewerking aan de berechting van Taylor door het
SCSL in Den Haag.
Taylor werd op 4 juni 2003 aangeklaagd door het SCSL. Hij wordt ervan
verdacht steun te hebben verleend aan de rebellen van het Revolutionary United
Front (RUF) in Sierra Leone en wordt verantwoordelijk gehouden voor oorlogsmisdrijven
en misdrijven tegen de menselijkheid. Omdat Taylor nog steeds aanhang heeft
onder de bevolking in de regio, wordt zijn aanwezigheid in de regio ten behoeve
van zijn berechting een risico geacht voor de stabiliteit en een bedreiging
van de vrede in Liberia en Sierra Leone, alsmede van de vrede en veiligheid
in de regio.
Tegen deze achtergrond heeft de President van het SCSL per brief van 29 maart
2006 aan de Nederlandse regering verzocht in te stemmen met de detentie en
berechting van Taylor in Nederland, op last van en door het SCSL en met gebruikmaking
van celruimte en een rechtszaal van één van de in Den Haag gevestigde
internationale strafhoven. Ik heb de President van het SCSL dezelfde dag medegedeeld
dat de Nederlandse regering onder de volgende voorwaarden aan dit verzoek
wil meewerken.
Ten eerste is voor de berechting van Taylor in Nederland een deugdelijke
rechtsgrondslag noodzakelijk. Het SCSL is opgericht middels een verdrag tussen
Sierra Leone en de Verenigde Naties op basis van Resolutie 1315 (2000) van
14 augustus 2000 van de Veiligheidsraad. Het Statuut van het SCSL voorziet
in uitvaardiging van bevelen tot vrijheidsontneming. Het op 4 juni 2003
door het SCSL afgekondigde bevel heeft evenwel geen gelding op Nederlands
grondgebied. Het SCSL heeft immers zijn zetel niet, zoals het Internationaal
Strafhof en het Joegoslavië Tribunaal, in Nederland en heeft dus geen
bevoegdheden op Nederlands grondgebied. Evenmin roept het genoemde
verdrag tussen Sierra Leone en de VN verplichtingen in het leven voor Nederland.
De enig mogelijke weg om op korte termijn een grondslag voor vrijheidsbeneming
in Nederland te scheppen is een Resolutie van de Veiligheidsraad, die, mits
voldoende specifiek, via de artikelen 93 en 94 van de Nederlandse Grondwet
rechtstreeks doorwerkt in de Nederlandse rechtsorde met voorbijgaan eventueel
aan binnen Nederland geldende wettelijke voorschriften. Deze Resolutie dient
er tevens in te voorzien dat Taylor in Nederland toegang heeft tot het SCSL,
zodat hij alhier gebruik kan maken van de rechten die hem als gedetineerde
toekomen op basis van het Statuut van het SCSL. De Veiligheidsraad heeft een
dergelijke Resolutie thans in voorbereiding.
Ondertussen wordt gewerkt aan een zetelverdrag tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en het SCSL. Voorts bereidt de regering thans een wetsontwerp
voor dat is geïnspireerd door de wetgeving ten behoeve van het functioneren
van het Internationaal Strafhof en het Joegoslavië Tribunaal in Nederland.
Ten tweede heeft de regering aangegeven vooraf de garantie te willen dat
Taylor onmiddellijk na beëindiging van zijn proces overgebracht zal worden
naar een derde land. Hierover vinden momenteel in VN-verband consultaties
plaats.
Ten derde dient het SCSL met één van de hier gevestigde
internationale strafhoven zelf afspraken te maken over het gebruik van onder
meer celruimte en rechtszaal. Ook hierover vindt momenteel tussen betrokkenen
intensief overleg plaats.
Overigens is de regering met het SCSL overeengekomen dat de kosten voor
de berechting van Taylor in Nederland ten laste komen van de begroting van
het SCSL.
Over de verdere gang van zaken zal ik u op de hoogte houden.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
B. R. Bot