nr. 6
NOTA VAN WIJZIGING
Ontvangen 30 oktober 2002
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
ARTIKEL I wordt als volgt gewijzigd:
A. Onderdeel C wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt «aan zijn overlijden voorafgegaan»
vervangen door: voorafgaand aan zijn overlijden.
2. Na het eerste lid wordt, onder vernummering van het tweede lid tot
derde lid, een nieuw lid ingevoegd, luidende:
2. In het tweede lid wordt «aan het overlijden of de schenking voorafgegaan»
vervangen door: voorafgaand aan het overlijden of de schenking.
B. Onderdeel D wordt vervangen door:
D. Artikel 21, derde lid, wordt vervangen
door:
3. Voor de effecten die zijn opgenomen in een prijscourant, aangewezen
krachtens artikel 5.21 van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt de waarde
in het economische verkeer gesteld op de slotnotering die is vermeld in de
prijscourant die betrekking heeft op de laatste beursdag voorafgaande aan
de dag van de verkrijging.
C. Na onderdeel E wordt een onderdeel toegevoegd
luidende:
F. Artikel 53b wordt als volgt gewijzigd:
1. In het derde lid wordt onderdeel b en de zinsnede aan het slot vervangen
door:
b. indien het een verkrijging als bedoeld in artikel 35b, tweede lid,
onderdeel b, betreft: de verkrijger tot de verkrijging behorende aandelen
of winstbewijzen vervreemdt of een gedeelte van de in deze aandelen of winstbewijzen
besloten liggende rechten vervreemdt, de vennootschap waarin de aandelen of
winstbewijzen zijn verkregen haar onderneming staakt of een gedeelte van die
onderneming staakt dan wel een lichaam wordt waarvan de feitelijke werkzaamheid
bestaat in het onmiddellijk of middellijk, beleggen van vermogen
of een daarmee overeenkomende werkzaamheid;
een en ander indien de waarde van de in onderdeel a en b bedoelde verkrijgingen
geheel of voor een deel is aangemerkt als te conserveren waarde.
2. Na het derde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:
4. Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel b, wordt onder vervreemden
mede verstaan een handeling of gebeurtenis als bedoeld in artikel 4.16, eerste
lid, onderdelen a, b, c, d, e en i, alsmede het tweede en het vijfde lid,
van de Wet inkomstenbelasting 2001, ook als deze handeling of gebeurtenis
betrekking heeft op aandelen of winstbewijzen die bij de verkrijger niet tot
een aanmerkelijk belang behoren in de zin van afdeling 4.3 van de Wet inkomstenbelasting
2001.
Toelichting
De nota van wijziging bevat naast enkele technische wijzigingen waarmee
wordt beoogd enkele voorgestelde bepalingen te verduidelijken en de leesbaarheid
te verbeteren een aanpassing van de faciliteit voor bedrijfsopvolging in de
Successiewet 1956. In de praktijk is namelijk inmiddels gebleken dat de voorwaarden
waaraan voor de toepassing van de faciliteit moet worden voldaan met betrekking
tot verkregen aandelen nadere precisering behoeven.
De wijzigingen worden hierna nader toegelicht.
Toelichting op de onderdelen:
Onderdeel I. A. (artikel 15, eerste lid, van de Successiewet 1956)
De wijziging van artikel 15, eerste lid, betreft geen inhoudelijke wijziging.
Deze wijziging heeft slechts tot doel de leesbaarheid van het artikel te verbeteren.
Met ditzelfde doel is ook het tweede lid aangepast.
Onderdeel I. B. (artikel 21, derde lid, van de Successiewet 1956)
De wijziging strekt er toe te verduidelijken welke prijscourant gehanteerd
dient te worden indien geen prijscourant is verschenen die betrekking heeft
op de dag voor de verkrijging, bijvoorbeeld indien deze dag in het weekend
valt. In de wettekst was niet éénduidig opgenomen dat uitgegaan
dient te worden van de prijscourant die betrekking heeft op de laatste beursdag
vóór de dag van de verkrijging. Dit wordt nu expliciet in de
wettekst opgenomen.
Onderdeel I. C. (artikel 53b, derde en vierde lid, van de Successiewet
1956)
De Successiewet 1956 bevat een faciliteit voor bedrijfsopvolging op grond
waarvan, kort gezegd, 30% van de waarde van krachtens erfrecht of schenking
verkregen ondernemingsvermogen of aandelen buiten de heffing blijft. Voorts
kan in de waardebepaling rekening worden gehouden met een eventuele onderrentabiliteit
van de onderneming. Aan de toepassing van deze faciliteit is een aantal voorwaarden
verbonden. Met betrekking tot aandelen geldt onder andere een voorwaarde die
als strekking heeft dat de aandelen binnen een periode van vijf jaren na de
verkrijging niet mogen worden vervreemd. In de praktijk is gebleken dat de
wijze waarop deze voorwaarde in artikel 53b, derde lid, onderdeel b, is verwoord
nadere precisering behoeft. De huidige bepaling bevat in dit verband de formulering:
«... de verkrijger ophoudt aandeelhouder of winstbewijshouder te zijn..».
Deze formulering roept vragen op in situaties waarin bijvoorbeeld een koopoptie
wordt verstrekt of een vruchtgebruik wordt gevestigd. De voorgestelde wijziging
van het derde lid, onderdeel b, en het nieuwe vierde lid strekken ertoe meer
in detail te omschrijven in welke gevallen voor de toepassing
van de faciliteit voor bedrijfsopvolging sprake is van een vervreemding van
aandelen. Volgens de voorgestelde bepalingen is voor de toepassing van de
faciliteit voor bedrijfsopvolging sprake van vervreemding van aandelen in
die gevallen waarin op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 sprake is
van een reële of fictieve vervreemding van aanmerkelijkbelangaandelen.
Hierbij wordt opgemerkt dat niet alle in de Wet inkomstenbelasting 2001 opgenomen
fictieve vervreemdingen behoeven door te werken naar de Successiewet 1956.
Sommige van deze fictieve vervreemdingen zijn alleen van belang voor de inkomstenbelasting
en hebben geen relevantie voor de faciliteit in de successiewet. De doorwerking
van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomstenbelasting 2001
zal nog nader worden uitgewerkt bij ministeriële regeling. Daarbij zullen
de voorwaarden worden aangegeven waaronder geen vervreemding wordt aangenomen
indien aandelen door een overgang onder algemene titel in een huwelijksgemeenschap
vallen. Verder zal worden bepaald dat geen vervreemding wordt aangenomen indien
door het overlijden van degene die de faciliteit geniet, de periode van vijf
jaren waarin de aandelen niet mogen worden vervreemd niet wordt volgemaakt.
Een tweede wijziging in artikel 53b, derde lid, onderdeel b, betreft de
in die bepaling opgenomen voorwaarde dat de vennootschap waarin de aandelen
of winstbewijzen zijn verkregen haar onderneming binnen een periode van vijf
jaren na de verkrijging niet mag staken. Hieraan is, in lijn met de eis die
in onderdeel a van dat lid wordt gesteld aan een persoonlijke onderneming,
toegevoegd dat ook het staken van een gedeelte van de onderneming niet is
toegestaan.
De Staatssecretaris van Financiën,
S. R. A. van Eijck