Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2001-200228487 nr. 3

28 487
Wijziging van belastingwetten c.a. (Vervolgwijzigingen in samenhang met de Belastingherziening 2001)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

I.ALGEMEEN2
1.Inleiding2
2.Hoofdpunten2
3.Overige punten7
4.Budgettaire paragraaf8
5.Uitvoeringsparagraaf9
   
IIARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING9

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

Het ontwerpen van fiscale wetgeving voor een samenleving die gekenmerkt wordt door diversiteit en dynamiek is per definitie een complex en langdurig proces. Wat geldt voor het ontwerpen van alle fiscale wetgeving, geldt in dit verband in het bijzonder voor het ontwerpen van de wetten die zien op de inkomstenbelasting, bij uitstek een heffing waarbij de belangen van velen meespelen. Hoezeer het vanuit verschillende oogpunten ook wenselijk zou zijn om wetten op dit gebied zodanig te ontwerpen dat zij niet meer gewijzigd hoeven te worden, het blijkt in onze samenleving een onbereikbaar ideaal.

Het steeds weer leren van ervaringen is altijd al een onontkoombaar onderdeel van het komen tot rechtvaardige, technisch sluitende en praktisch werkbare wetgeving geweest. Vooral wanneer in deze tijd nieuwe wetten op het gebied van de inkomstenbelasting ontworpen worden, heeft de wetgever niet alleen zijn eigen ervaring nodig, maar vooral die van degenen die met de door hem opgestelde wetten in aanraking komen. Sinds de inwerkingtreding van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 is in de samenleving door degenen die met deze wetgeving werken of in aanraking komen, ervaring opgedaan. Werkgevers- en werknemersorganisaties, de Belastingdienst, organisaties van belastingadviseurs, de wetenschap en uiteraard ook individuele belastingplichtigen hebben aangegeven wat hun ervaringen zijn geweest met de stelselwijzigingen die de belastingherziening 2001 met zich heeft gebracht.

De in dit wetsvoorstel vervatte wijzigingen van de Wet inkomstenbelasting 2001 en enkele andere wetten zijn voor een groot deel opgekomen uit de hiervóór beschreven dialoog. Daarnaast heeft het denken van de zijde van de regering over vorm en inhoud van de wetgeving niet stilgestaan. De wijzigingen zijn voor een deel niet inhoudelijk, maar beogen de wettekst zodanig te verbeteren dat voorkomen wordt dat de wettekst tot onduidelijkheden en onzekerheid bij belastingplichtigen leidt. Voor een ander deel is sprake van inhoudelijke wijzigingen omdat duidelijk werd dat de wetgeving in haar uitwerking niet aansloot bij hetgeen was beoogd of omdat als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen of op grond van een verdere verdieping van het inzicht in bepaalde aspecten inhoudelijke wijzigingen geboden zijn. Het betreft daarbij zowel wijzigingen die als een – zij het beperkte – aanscherping van de wetgeving kunnen worden gekenschetst als om versoepelingen ten opzichte van de bestaande regels.

2. Hoofdpunten

A. Lijfrenten

Voorgesteld wordt om een delegatiebepaling op te nemen, op basis waarvan nadere voorwaarden kunnen worden gesteld aan zogenoemde unit-linked-producten.

Daarmee wordt ook invulling gegeven aan een oplossing van de problematiek die onder andere in de Kamervragen van het lid De Vries (Kamerstukken II 1999/00, vragen nr. 2990011580) aan de orde is gesteld.

B. Verlaging urencriterium zwangere ondernemers

Bij brief van 21 december 2001 (WDB 2001–00757 M), is aan de Tweede Kamer medegedeeld dat in het belastingplan 2002 is beoogd de verlaging van het urencriterium voor zwangere ondernemers, zowel voor de toepassing van de S&O-faciliteit als voor de zelfstandigenaftrek, FOR en de meewerkaftrek, bij KB te laten plaatsvinden (kamerstukken II 2001/02, 28 034, nr. 17).

Door een foutieve inwerkingtredingsbepaling in het Belastingplan 2002 deel II is per abuis het urencriterium voor zwangere ondernemers verlaagd met ingang van 1 januari 2002. Deze onjuistheid wordt met het onderhavige wetsvoorstel hersteld. Inwerkingtreding zal, zoals oorspronkelijk bedoeld, plaatsvinden bij KB.

De voorgestelde wetswijziging geeft weer de ruimte om de invoering van dit artikel te laten plaatsvinden nadat onderzoek heeft plaatsgevonden naar deze materie. Dit onderzoek vindt thans plaats.

C. Subsidie ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur

In de Notitie fiscaliteit, landbouw en natuurbeleid (kamerstukken II 2001/ 02, 28 207, nr. 1) is aangekondigd de (gedeeltelijke) vrijstelling voor de ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur te verruimen van de huidige 90% naar 100%. Het voorstel vormt op zijn beurt een nadere uitwerking van hetgeen de ondergetekende in dit verband in de nota naar aanleiding van het verslag bij het Belastingplan 2002 deel III ( natuur, milieu en vervoer) heeft opgemerkt. De voorgestelde verruiming zal, mits instemming wordt verkregen van de Europese Commissie, in een wijziging van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting worden opgenomen.

D. Geruisloze terugkeer uit de B.V.

Met enkele aanpassingen van de in de Wet ondernemerspakket 2001 geïntroduceerde regeling voor de geruisloze terugkeer uit de B.V. wordt beoogd meer recht te doen aan het specifieke karakter van deze regeling. Bij een terugkeer uit de B.V. is weliswaar sprake van een nieuwe rechtsvorm van de onderneming, maar materieel is sprake van dezelfde onderneming. In verband daarmee wordt voorgesteld de voortzettende aandeelhouders niet in aanmerking te laten komen voor de faciliteiten in de inkomstenbelasting voor startende ondernemers.

Een ander facet betreft de lijfrenteverplichting die in het verleden bij de (geruisloze) inbreng van de onderneming in de vennootschap is ontstaan in het kader van een omzetting van een fiscale oudedagsreserve (FOR) in een recht op lijfrente. Binnen de faciliteit van de geruisloze terugkeer is toegestaan om dit bedrag als een extra dotatie aan de FOR in te zetten. Hierbij vindt volgens de huidige wettekst nog toetsing plaats aan het urencriterium en de vermogenstoets. Voorgesteld wordt om in deze situatie van toetsing af te zien, aangezien er in het verleden reeds toetsing heeft plaats gevonden.

Een ander voorstel betreft de geruisloze inbreng van een onderneming in de B.V. nadat men eerder met deze onderneming geruisloos is teruggekeerd. Er zou in dat geval onduidelijkheid kunnen bestaan over de vraag wat te doen met de eerder gevormde terugkeerreserve. Evenals de fiscale oudedagsreserve betreft de terugkeerreserve een reserve die enkel kan voorkomen op de balans van de onderneming van een natuurlijke persoon. Dit verzet zich ertegen, dat de terugkeerreserve overgaat op een aan de vennootschapsbelasting onderworpen lichaam. Het voorstel houdt in, dat over een positieve terugkeerreserve wordt afgerekend en dat een negatieve terugkeerreserve wordt opgeheven zonder dat de winst wordt verminderd, doch waarbij de claim van een negatieve terugkeerreserve wordt doorgeschoven naar de verkrijgingprijs van de in het kader van de omzetting verkregen aandelen.

Een ander voorstel op het terrein van de geruisloze terugkeer uit de B.V. betreft de relatie tussen de vermogenstoets in de FOR en de omvang van de (negatieve of positieve) terugkeerreserve. Ten slotte is sprake van een voorstel dat ziet op de relatie tussen niet verrekende verliezen uit de vennootschapsbelasting die meegaan naar de inkomstenbelasting en de hoogte van de terugkeerreserve die in dat verband in aanmerking wordt genomen.

E. Geruisloze inbreng in een BV na geruisloze terugkeer

Een ander voorstel betreft de geruisloze inbreng van een onderneming in de B.V. nadat men eerder met deze onderneming geruisloos is teruggekeerd. Er zou in dat geval onduidelijkheid kunnen bestaan over de vraag wat te doen met de eerder gevormde terugkeerreserve. Evenals de fiscale oudedagsreserve betreft de terugkeerreserve een reserve die enkel kan voorkomen op de balans van de onderneming van een natuurlijke persoon. Dit verzet zich ertegen dat de terugkeerreserve overgaat op een lichaam dat aan de vennootschapsbelasting is onderworpen. Het voorstel houdt in de claim van de terugkeerreserve door te schuiven naar de verkrijgingprijs van de in het kader van de omzetting verkregen aanmerkelijkbelangaandelen.

F. Kapitaalverzekeringen

Door een aanpassing in het overgangsrecht is de vrijstelling voor op 14 september 1999 bestaande kapitaalverzekeringen in box III overdraagbaar tussen fiscale partners. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan een wens uit de praktijk, die tevens leidt tot een vermindering van de administratieve last.

Daarnaast wordt een wijziging voorgesteld in de behandeling van de kapitaalverzekering eigen woning bij (tijdelijke) emigratie. Hierdoor wordt bereikt dat bij een tijdelijke emigratie een parallel ontstaat tussen de behandeling van de eigen woning die in Nederland wordt aangehouden en de behandeling van de aan de aflossing van de eigenwoningschuld gekoppelde kapitaalverzekering. Door de verruiming van de regeling van de eigen woning die was opgenomen in de Wet van 14 december 2000 (Wet veegwet inkomstenbelasting 2001), Stb. 570, waren beide regelingen niet meer goed op elkaar afgestemd. Dat wordt door de voorgestelde wijzigingen hersteld. Hiermee wordt een versoepeling geboden voor belastingplichtigen die tijdelijk buiten Nederland wonen en werken maar de eigen woning in Nederland aanhouden.

G. Privé-gebruik auto

Bij de toepassing van de autokostenfictie wordt voorgesteld om gecarpoolde woon-werkkilometers bij een woon-werkafstand van meer dan 30 km, in afwijking van de hoofdregel, niet mee te tellen bij het bepalen van de bijtelling. Deze wijziging heeft tot gevolg dat tegemoetgekomen wordt aan onder andere werknemers in de bouwsector, die vaak als chauffeur van een bestelauto van de zaak in het regelmatige woon-werkverkeer over grote afstanden carpoolen.

De voorgestelde wijziging heeft voorts tot gevolg dat de belastingplichtige met een auto van de zaak die carpoolt fiscaal op een vergelijkbare wijze behandeld wordt als de werknemer die met zijn eigen auto carpoolt. In beide gevallen is er sprake van een vorm van vervoer die, uit het oogpunt van vergroening en in het kader van de fileproblematiek, fiscaal gestimuleerd wordt. Tegenover de extra inspanning of opoffering van de carpoolchauffeur staat een fiscale faciliteit (onbelaste vergoeding of een lagere bijtelling).

H. Terbeschikkingstellingsregeling

De bepaling van artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, die betrekking heeft op de met de belastingplichtige verbonden personen voor toepassing van het terbeschikkingstellingsregime werkt in enkele gevallen niet geheel bevredigend uit. Hierdoor is enige stroomlijning, om zo doel en strekking beter tot haar recht te laten komen, wenselijk. De wijzigingen zien op situaties waarin bepaalde personen wel en bepaalde personen niet als verbonden werden beschouwd, terwijl het tegenovergestelde was beoogd. Voornoemde openbaarde zich in terbeschikkingstellingsituaties met meerderjarige thuiswonende kinderen ouder dan 27 jaar en indien een minderjarig kind een vermogensbestanddeel aan (een van) zijn ouders ter beschikking stelde.

Het wetsvoorstel bevat voorts een maatregel op grond waarvan het verkrijgen of het hebben van rechten uit een optieovereenkomst of uit een daarmee vergelijkbare overeenkomst gelijk wordt gesteld met het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen in de zin van artikel 3.92 Wet IB 2001.

Gebleken is dat in toenemende mate door directeuren-grootaandeelhouders optieovereenkomsten worden gesloten met de vennootschap waarin zij een aanmerkelijk belang hebben. Door creatief gebruik van opties kunnen boekwinsten in privé worden gerealiseerd terwijl boekverliezen door de vennootschap in aftrek kunnen worden gebracht. Onder meer uit advertenties in de vakbladen komt naar voren dat dit fenomeen zich lijkt te ontwikkelen tot een confectieconstructie. Optieovereenkomsten leiden in dergelijke gelieerde verhoudingen tot een onwenselijke uitholling van de grondslag van de vennootschapsbelasting en hebben afgezien van het beoogde fiscale voordeel geen economische betekenis. Dergelijke vormen van grondslaguitholling gaan aanzienlijk verder dan de arbitrageprocessen die hebben geleid tot invoering van onder andere de aftrekbeperking van artikel 3.17, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001 en de terbeschikkingstellingsbepalingen en nopen dan ook tot de voorgestelde reparatiemaatregel.

Omdat optieovereenkomsten ook denkbaar zijn in de verhouding tussen natuurlijke personen en met hen verbonden ondernemers, wordt een vergelijkbare wijziging voorgesteld van artikel 3.91 Wet IB 2001.

Gezien de aankondigingseffecten die met de voorgestelde wijzigingen zijn gemoeid, en rekening houdend met de kaders die met uw Kamer zijn afgesproken voor terugwerkende kracht in fiscale regelgeving (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 25 212) wordt voorgesteld deze maatregelen in werking te laten treden op de datum waarop dit wetsvoorstel naar uw Kamer is gezonden.

I. Buitenlandse belastingplicht en terbeschikkingstelling

In de Wet inkomstenbelasting 2001 is in artikel 7.2, tweede lid, onderdeel c, een bepaling opgenomen, dat het resultaat uit overige in Nederland verrichte werkzaamheden tot het Nederlandse inkomen uit werk en woning behoren. De terbeschikkingstellingsbepalingen vormen een onderdeel van het resultaat uit overige werkzaamheden. Het is dan ook steeds de bedoeling geweest om het terbeschikkingstellingsregime van toepassing te laten zijn voor buitenlandse belastingplichtigen. Als gevolg hiervan wordt de terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen door buitenlands belastingplichtigen aan (het Nederlandse deel van) een in Nederland gevestigde onderneming of vennootschap op dezelfde wijze behandeld als binnenlands belastingplichtigen die een vermogensbestanddeel ter beschikking stellen. Gedurende de parlementaire behandeling van de Wet IB 2001, Invoeringswet Wet IB 2001 en Veegwet Wet IB 2001 is de reikwijdte van die bepaling, enkele malen impliciet aan de orde geweest (MvA, Kamerstukken I 1999/2000, 26 727 en 26 728, nr. 202a, blz. 125 en Tweede NvW, Kamerstukken II 2000/2001, 27 466, nr. 32, blz. 2).

J. Aanpassing aanvullende kinderkorting

Het bedrag van de aanvullende kinderkorting (artikel 8.13 Wet IB 2001) wordt alsnog met ingang van 1 januari 2002 gesteld op € 341. Hiermee wordt een omissie hersteld die is ontstaan bij de verwerking van de verhoging van de aanvullende kinderkorting in het amendement van de leden Dijsselbloem en De Vries (kamerstukken II 2001/2002 28 013, nr. 14) op wetsvoorstel Belastingplan 2002 I – Arbeidsmarkt en inkomensbeleid.

K. Filminvesteringsregeling

Zoals in de brief van 28 december 2001 aan de Tweede Kamer is gemeld, heb ik bij besluit van 28 december 2001, nr. CPP2001/3658M, de overgangsregeling film voor 2001 met ten hoogste drie maanden verlengd, vooruitlopend op wetgeving. Dit besluit is getroffen in het licht van de motie-Molenaar (kamerstukken II, 2001–2002, 25 434, nr. 8). Vervolgens is dit besluit enkele malen vervangen. Bij besluit van 23 april 2002, nr. CPP2002/1255M, is bepaald dat de verlenging, vooruitlopend op wetgeving, zal gelden tot en met 15 juli 2002. Het budget van de filminvesteringsaftrek voor 2002 is navenant verlaagd van € 23 mln. naar € 10,5 mln. De thans voorgestelde wijzigingen van de overgangsregeling film voor 2001 bevatten de aangekondigde wetgeving.

De filminvesteringsaftrek is op 16 juli 2002 in werking getreden.

L. Aanpassing tijdelijke verhoging algemene heffingskorting

Met een toevoeging van een nieuw lid aan de in de Invoeringswet Wet IB 2001opgenomen regeling van de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting wordt beoogd te voorkomen dat bij 65-plussers deze verhoging tot een te laag bedrag zou worden berekend door twee keer rekening te houden met het feit dat een belastingplichtige niet verzekerd is voor de AOW. Dit is niet beoogd. In de formule ter berekening van de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting wordt de heffing over het belastbare inkomen van box 1 bepaald aan de hand van het IB/PH-tarief voor de belastingplichtige. Indien de belastingplichtige de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, is hij niet meer premieplichtig voor de AOW. Dat op zich leidt reeds tot een lagere uitkomst van de formule. De uit de formule voortvloeiende verhoging van de algemene heffingskorting wordt vervolgens uitgesplitst in een belastingdeel en premiedelen, waaronder het AOW-deel. Voor het AOW-deel komt de belastingplichtige die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en als gevolg daarvan niet verzekerd is voor de AOW, niet in aanmerking. De verdeling van de uitkomst van de formule leidt derhalve nogmaals tot een lagere uitkomst. Het voorstel is bij deze uitsplitsing niets meer toe te rekenen aan een AOW-deel.

Voorts is de regeling van de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting een inkomensgrens aangepast om een groep alphahulpen binnen de werkingssfeer van die regeling te houden. Vanwege het gelijkheidsbeginsel blijft die aanpassing overigens niet beperkt tot alphahulpen, doch geldt voor iedereen met een beperkt inkomen.

M. Wijzigingen in de Successiewet 1956

Vervallen.

N. Hybride leningen

De bepalingen ten aanzien van de fiscale behandeling van hybride leningen die bij het Belastingplan 2002 deel II – Economische infrastructuur – zijn geïntroduceerd, worden op een aantal punten aangevuld. De meeste van die aanvullingen hebben betrekking op situaties waarin de schuldeiser niet alleen een hybride schuldvordering heeft op de schuldenaar, maar ook een deelneming in de schuldenaar.

Tijdens de behandeling van het Belastingplan 2002 II in de Eerste Kamer (Kamerstukken Eerste Kamer, 2001–2002, 28 034, nr. 123bis, pag. 11) is toegezegd dat een verruiming zal worden aangebracht in de situaties waarin de hybride lening wordt meegetrokken in de deelneming. Aan die toezegging wordt in het voorstel uitvoering gegeven.

Verder wordt voorgesteld om de bestaande vrijstelling van inhouding van dividendbelasting in deelnemingsverhoudingen uit te breiden tot de opbrengsten uit een hybride lening in deelnemingsverhoudingen.

In de huidige wettekst is bepaald dat leningen tussen gelieerde partijen waarbij geen of een onzakelijke rentevergoeding is overeengekomen, geacht worden winstafhankelijk te zijn. Op dit punt wordt voor verdragsverhoudingen thans een nuancering aangebracht.

In de huidige wettekst is een van de bepalingen om onbedoeld gebruik van de deelnemingsvrijstelling te voorkomen, nader toegespitst op de situatie waarin een hybride lening bij de schuldeiser wordt meegetrokken in die deelneming. Inmiddels is gebleken dat het wenselijk is om in die situatie nog enkele andere van de anti-misbruikbepalingen naar analogie te kunnen toepassen.

In de inwerkingtredingsbepaling bij het Belastingplan 2002 II werd beoogd bestaande hybride leningen te ontzien. De tekst ontziet echter niet alleen bestaande hybride leningen, maar – niet bewust – alle bestaande leningen, ook als die na 1 januari 2002 worden gewijzigd. Om te voorkomen dat hierdoor onbedoeld gebruik zou kunnen ontstaan, wordt een aanvullende overgangsbepaling voorgesteld.

De overige aanpassingen hebben vooral tot doel de formulering van de wettekst op enkele punten beter te laten aansluiten bij de bedoeling van de bepaling.

O. Verruiming earn-outregeling

De reikwijdte van de earn-outregeling in de deelnemingsvrijstelling is uitgebreid, omdat inmiddels is gebleken dat de praktijk daar behoefte aan heeft.

P. Vervallen formule voor berekening premie volksverzekeringen op jaarloonopgaaf werknemer

De inhoudingsplichtige is verplicht op de jaarloonopgaaf voor de werknemer een formule op te nemen aan de hand waarvan deze uit de totale inhouding van loonheffing het bedrag van de premie voor de volksverzekeringen en de belasting kan herleiden. De systematiek van heffingskortingen in het nieuwe belastingstelsel leidt tot een forse uitbreiding van het aantal formules voor de verschillende categorieën werknemers en andere complicaties. Vanuit het oogpunt van administratieve lastenverlichting wordt voorgesteld deze regeling met ingang van 1 januari 2002 te laten vervallen.

3. Overige punten

Naast de hierboven vermelde wijzigingen bevat het wetsvoorstel nog een aantal wijzigingen dat hier vermelding behoeft:

• De voordelen die met betrekking tot aanmerkelijkbelangaandelen worden behaald in het kader van een fictieve vervreemding (overgang onder algemene titel of krachtens erfrecht onder bijzondere titel) aan een natuurlijk persoon die niet in Nederland woont, worden alleen in een conserverende aanslag begrepen indien bij de niet in Nederland wonende persoon de verkregen aandelen niet onder het regime van de winstsfeer komen.

• In de regeling betreffende de fietsaftrek wordt de term «fietsafstand» geïntroduceerd ter verduidelijking van deze regeling.

• De omzetting van een met aftrekbare premiebetaling verkregen recht op periodieke uitkeringen ter zake van ziekte, invaliditeit of ongeval in een ander type recht wordt aangemerkt als een oneigenlijke handeling, waardoor over de waarde van het recht moet worden afgerekend.

• Een mogelijkheid tot wijziging zonder fiscale consequenties van een aanspraak op lijfrenten waarvoor eerdere premies in aftrek zijn gebracht, in het kader van de afkoop van de verplichting tot het betalen van alimentatie.

• Het verzoek tot overheveling van componenten van het heffingvrij vermogen alsook de vrijstellingen voor maatschappelijke beleggingen en beleggingen in durfkapitaal kan alleen worden gedaan ingeval vrije toerekening van de bestanddelen van de rendementsgrondslag van de belastingplichtige en zijn partner is toegestaan.

• De criteria betreffende het doel en de feitelijke werkzaamheden van fondsen inzake maatschappelijke, groene, culturele en sociaal-ethische beleggingen, en die inzake beleggingen in durfkapitaal, waarin de beleggingen zijn vrijgesteld, worden beter op elkaar afgestemd.

• Er wordt een bepaling opgenomen om te voorkomen, dat te conserveren inkomen gevolgen zou hebben voor de persoonsgebonden aftrek, zoals dit ook is gebeurd voor bijvoorbeeld de verliesverrekening.

• Bij het vaststellen van de voorlopige teruggaaf wordt tevens in aanmerking genomen de dividendbelasting en de kansspelbelasting (mits het een voorheffing is geweest).

• Voor alphahulpen wordt het onbedoelde effect, dat alphahulpen door loonsverhoging geen recht meer zullen hebben op de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting, weggenomen.

• Aanpassing van de regeling inzake tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting om te voorkomen, dat bij 65-plussers twee maal rekening wordt gehouden met het niet verzekerd zijn voor de AOW. Door het tweemaal rekening houden valt de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting lager uit dan is beoogd.

• Het bedrag van de vrije vergoeding ter zake van vervoer van en naar een opstapplaats van het openbaar vervoer gaat per kalenderjaar gelden. Er behoeft niet meer een bedrag naar tijdsgelang berekend te worden.

• De buitenlandse pensioenregeling van een tijdelijk in Nederland wonende of werkzame werknemer kan onder voorwaarden worden aangewezen als zuivere pensioenregeling;

4. Budgettaire aspecten

De budgettaire gevolgen van dit wetsvoorstel zijn beperkt. Met de voorgestelde aanpassing van de autokostenfictie is een budgettaire derving van 1 à 2 miljoen euro gemoeid. De kosten van de voorgenomen verruiming en uitbreiding van de reikwijdte van de regeling inzake vrijstelling van subsidies ten behoeve van de ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur kunnen in de structurele situatie op de lange termijn oplopen tot circa € 5 miljoen per jaar. Voor 2002 zijn de kosten van deze maatregel echter nog te verwaarlozen. De kosten van de voorgestelde verhoging van de inkomensgrens bij de maatregel inzake de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting bedragen € 0,6 miljoen in 2002, oplopend tot € 1 miljoen in 2003/2004 en aflopend naar nihil in 2006. De budgettaire gevolgen van de overige in dit wetsvoorstel opgenomen maatregelen zijn per saldo verwaarloosbaar.

5. Uitvoeringsaspecten

De maatregelen in dit wetsvoorstel zijn voor een belangrijk deel technisch van aard en hebben uit dien hoofde geen gevolgen voor de uitvoeringskosten bij de Belastingdienst. Andere maatregelen zijn weliswaar van invloed op de uitvoering maar de effecten daarvan zijn echter beperkt. Per saldo is naar verwachting sprake van een neutraal effect voor de uitvoeringskosten van de Belastingdienst.

Bij het vormgeven van verschillende maatregelen hebben de effecten op de administratieve lasten een rol gespeeld. Daar waar minder belastende alternatieven mogelijk waren is voor deze alternatieven gekozen. Een voorbeeld hiervan is de aanpassing van de vrijstelling in box III voor uiterlijk op 14 september 1999 afgesloten kapitaalverzekeringen. Een belangrijke overweging voor aanpassing is geweest dat belastingplichtigen en hun verzekeraar ook via een andere, administratief meer belastende wijze hetzelfde resultaat zouden kunnen bereiken. Ook de voorgestelde aanpassing in de loonbelasting met betrekking tot de jaaropgaaf aan de werknemer kan in dit verband worden genoemd.

Met betrekking tot de effecten voor de administratieve lasten bij bedrijven kan worden opgemerkt dat deze als gevolg van de maatregelen in dit wetsvoorstel naar verwachting zullen afnemen met € 0,5 mln. Deze afname houdt nagenoeg geheel verband met de voorgestelde vereenvoudiging in de loonbelasting inzake de jaaropgaaf aan de werknemer.

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I, onderdeel A (artikel 1.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

In artikel 1.7, eerste lid, is de definitie opgenomen van het begrip lijfrente. Als onderdeel van deze definitie geldt dat de aanspraak niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven of formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid kan dienen, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, Invorderingswet 1990. Ingevolge artikel 3.126, eerste lid, onderdeel d, onder 2°, bestaat eveneens de mogelijkheid dat de belastingplichtige die een lijfrente verzekert bij een toegelaten buitenlandse verzekeraar zich heeft verplicht zekerheid te stellen voor de invordering van belasting die is verschuldigd als gevolg van een mogelijk in de toekomst oneigenlijke handeling met betrekking tot die lijfrente. Deze zekerheid kan door de belastingplichtige onder meer worden geboden door verpanding van de aanspraken uit de lijfrenteovereenkomst aan de fiscus. Abusievelijk is in artikel 1.7, eerste lid, geen uitzondering gemaakt voor deze wenselijke vorm van zekerheidstelling door de belastingplichtige. Het onwenselijke gevolg zou zijn dat een op grond van artikel 3.126, eerste lid, onderdeel d, onder 2°, aan de fiscus verpande lijfrenteovereenkomst niet zou kwalificeren als een lijfrente in de zin van de Wet IB 2001. Met de in onderdeel A, eerste lid, voorgestelde wijziging wordt dit onwenselijke gevolg weggenomen. Het voorstel is deze wijziging terug te laten werken tot en met 1 januari 2001.

Met de toevoeging van het nieuwe derde lid aan artikel 1.7 wordt bewerkstelligd dat periodieke uitkeringen waarvan de hoogte van de uit te keren termijnen niet voor de gehele uitkeringsperiode in geldeenheden is vastgesteld slechts kunnen kwalificeren als een lijfrente indien de aanspraken en de uitkeringen voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen regels. Op dit moment is niet duidelijk wanneer lijfrenten waarvan de hoogte van de uit te keren termijnen afhankelijk is van de waarde van bepaalde beleggingen, zogenoemde unit-linked-lijfrenten, kwalificeren als een lijfrente. Bij ministeriële regeling wordt duidelijkheid verschaft over de voorwaarden waaraan deze producten in de uitkeringsfase moeten voldoen om te kunnen worden aangemerkt als een lijfrente. Uitgangspunt daarbij zal zijn dat alleen producten die voldoende transparant zijn voor de burger en waarvan de risico's niet onnodig groter zijn dan het risico dat voortvloeit uit de aard van het product kunnen kwalificeren als een lijfrente.

Artikel I, onderdeel B (artikel 1.7a van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Deze wijzigingen houden verband met het vervallen van de Wet financiering loopbaanonderbreking. De bepalingen van deze wet zijn vanaf 1 december 2001 opgenomen in de Wet arbeid en zorg.

De thans voorgestelde wijzigingen zijn reeds opgenomen in de Invoeringswet Wet arbeid en zorg, doch kunnen niet worden aangebracht nu bij de formulering in die wet geen rekening is gehouden met de Veegwet inkomstenbelasting 2001.

Het voorstel is deze wijzigingen te laten terugwerken tot en met 1 december 2001, zijnde de datum van inwerkingtreding van de Invoeringswet Arbeid en Zorg.

Artikel I, onderdeel C (artikel 2.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

De wijziging van artikel 2.5 Wet IB 2001 houdt verband met de wijziging van artikel 9.2 Wet IB 2001. De wijziging beoogt te voorkomen dat de dividendbelasting die als eindheffing is geheven kan worden verrekend indien wordt gekozen voor toepassing van de regels van de Wet inkomstenbelasting 2001 voor binnenlandse belastingplichtigen.

Artikel I, onderdeel D (artikel 2.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Ingevolge artikel I, onderdeel G, van de Wet van 14 december 2000, tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001, de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 en enige andere belastingwetten c.a. (Veegwet Wet inkomstenbelasting 2001) (Stb. 570) is in artikel 2.8, tweede lid, Wet IB 2001 een verwijzing aangepast en een redactionele verbetering aangebracht. Bij die verbetering is een onjuistheid opgetreden. Niet is beoogd de verschuldigde inkomstenbelasting op het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang onder omstandigheden als te conserveren inkomen aan te merken doch het inkomen zelve. Het voorstel is deze onjuistheid met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2001 te herstellen.

Artikel I, onderdeel E (artikel 2.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Met deze wijziging is beoogd de voordelen die worden behaald bij de vervreemding, bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, Wet IB 2001 niet als te conserveren inkomen aan te merken indien de verkregen aandelen of winstbewijzen onder het regime van de winstsfeer komen. De desbetreffende voordelen worden daarom alleen als te conserveren inkomen aangemerkt indien de verkrijger een natuurlijk persoon is die niet in Nederland woont en de verkregen aandelen of winstbewijzen geen deel uitmaken van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven Nederlandse onderneming of tot het resultaat uit een werkzaamheid in Nederland van hem behoren. Overigens kan de verkrijger de verkregen aandelen vrijwel altijd tot zijn privé-vermogen rekenen.

Artikel I, onderdeel F (artikel 2.14 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

De wijziging in artikel 2.14 is het gevolg van het tussenvoegen van een nieuw lid in artikel 5.3.

Artikel I, onderdeel G (artikel 3.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Leningen in het kader van maatschappelijke beleggingen worden op grond van de artikelen 5.14 en 5.15 altijd aan fondsen verstrekt. Artikel 3.3, eerste lid, onderdeel b, is geschreven voor schuldvorderingen op IB-ondernemers. Een particulier kan in het kader van maatschappelijke beleggingen geen lening verstrekken aan een IB-ondernemer. Hierdoor kan de vermelding van maatschappelijke beleggingen vervallen. Door in de wettekst artikel 5.17 op te nemen, wordt verwezen naar de directe beleggingen in durfkapitaal, waar het gaat om het verstrekken van een lening aan een IB-ondernemer.

Door het gebruik van het woord «indien» in de huidige tekst zouden de voordelen uit de lening, wanneer de maximale vrijstelling van de vermogensrendementsheffing zou worden overschreden, in het geheel belast zijn als inkomsten uit werk en woning. Dit is niet de bedoeling geweest. Door «indien» te vervangen door «voorzover» kan de lening tot het bedrag van de maximale vrijstelling wel tot de grondslag van de vermogensrendementsheffing behoren, waar het wordt vrijgesteld. De inkomsten uit een excedent worden belast als inkomsten uit werk en woning. Indien sprake is van meerdere beleggingen die onder artikel 5.16 vallen, wordt voor de toepassing van artikel 3.3, ter bepaling van het maximale bedrag dat is vrijgesteld op grond van artikel 5.16, alleen rekening gehouden met het bedrag van de directe beleggingen in durfkapitaal.

Artikel I, onderdelen H en I (artikel 3.6 van de Wet inkomsten-belasting 2001)

Door aanvaarding van een amendement bij het Belastingplan 2002 deel II is artikel 3.6 gewijzigd, door de toevoeging van een vijfde lid. De indieners van het amendement beoogden om deze bepaling in werking te laten treden op bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip. Door een onjuistheid in de inwerkingtredingsbepaling bij het Belastingplan 2002 is deze wetswijziging echter inwerkinggetreden op 1 januari 2002. De voorgestelde wetswijzigingen, die zijn aangekondigd door middel van een brief aan de Tweede Kamer (WDB 2001–00 757 M) met dagtekening 21 december 2001, herstellen deze onjuistheid.

Het voorstel is de wijziging te laten terugwerken tot en met 1 januari 2002 en de wijziging van onderdeel I in werking te laten treden bij KB.

Artikel I, onderdeel J (artikel 3.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Het huidige onderdeel h van het eerste lid van artikel 3.13 regelt de gedeeltelijke vrijstelling van bepaalde subsidies voor de ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur. De bepaling bevat een delegatiebevoegdheid op grond waarvan het vrij te stellen gedeelte kan worden vastgesteld. Van deze delegatiebevoegdheid is gebruik gemaakt in artikel 6, derde lid, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Daar is bepaald dat 90% van de aldaar bedoelde voordelen niet tot de winst wordt gerekend. In de Notitie fiscaliteit, landbouw en natuurbeleid (kamerstukken II 2001/ 02, 28 207, nr. 1) is aangekondigd deze (gedeeltelijke) vrijstelling voor de ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur te verruimen van de huidige 90% naar 100%. Het voorstel vormt op zijn beurt een nadere uitwerking van hetgeen de ondergetekende in dit verband in de nota naar aanleiding van het verslag bij het Belastingplan 20 002 deel III (natuur, milieu en vervoer) heeft opgemerkt. De voorgestelde verruiming zal, mits instemming wordt verkregen van de Europese Commissie, in een wijziging van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting worden opgenomen. Aangezien dan geen sprake meer is van een «te bepalen deel» zou onduidelijkheid kunnen bestaan of de huidige delegatiebepaling een dergelijke uitbreiding naar 100% toestaat. De voorgestelde aanpassing van artikel 3.13, eerste lid, onderdeel h, beoogt mogelijke onduidelijkheden op dit vlak weg te nemen.

Artikel I, onderdeel K (artikel 3.22 van de Wet inkomsten-belasting 2001)

Dit is een taalkundige verbetering. Het woord «en» was weggevallen.

Artikel I, onderdeel L (artikel 3.54a van de Wet inkomsten-belasting 2001)

De aanpassing van het derde lid betreft het herstel van een onjuiste verwijzing. Het voorstel is deze wijziging terug te laten werken tot en met 1 januari 2001.

In het huidige vierde lid van artikel 3.54a is bepaald dat bij staking van een zelfstandig gedeelte van de onderneming de positieve terugkeerreserve vrijvalt. In dat artikellid wordt gesproken van staking van een «zelfstandig deel» van de voortgezette onderneming in plaats van staking van een gedeelte.

Staking van een onzelfstandig gedeelte kan bijvoorbeeld aan de orde komen bij overdracht binnen een samenwerkingsverband en bij een duurzame inkrimping van de onderneming. Om te voorkomen dat in zulke gevallen vrijval van een evenredig deel van de terugkeerreserve achterwege kan blijven, wordt de terminologie van de tweede volzin van het genoemde artikellid aangepast.

Artikel I, onderdeel M (artikel 3.65 van de Wet inkomsten-belasting 2001)

Bij een geruisloze terugkeer uit een B.V. wordt op grond van artikel 3.54a een (positieve of negatieve) terugkeerreserve gevormd in verband met het doorschuiven van een (positieve of negatieve) aanmerkelijkbelangclaim. Bij staking van de voortgezette onderneming dient een positieve terugkeerreserve in de winst te worden opgenomen en komt een negatieve terugkeerreserve ten laste van de stakingswinst. Bij een geruisloze omzetting van een onderneming in een BV met toepassing van artikel 3.65 wordt de onderneming voor het bepalen van de winst geacht niet te zijn gestaakt. Onduidelijkheid zou kunnen bestaan over de betekenis van deze bepaling in de situatie waarin eerst geruisloos is teruggekeerd uit een BV en vervolgens na een aantal jaren weer geruisloos de BV-vorm wordt opgezocht. De onduidelijkheid betreft dan wat te doen met de eerder gevormde terugkeerreserve.

Bij een geruisloze omzetting in een BV gaan de fiscale reserves van de onderneming die door de natuurlijke persoon wordt gedreven over op de voortzettende vennootschap. In artikel 3.65, tweede lid, wordt daarbij een uitzondering gemaakt voor de fiscale oudedagsreserve. De reden daarvoor is dat een dergelijke reserve uitsluitend kan worden gevormd door een natuurlijk persoon en niet door een rechtspersoon.

Ook de terugkeerreserve als bedoeld in artikel 3.54a, betreft een reserve die enkel kan voorkomen op de balans van de onderneming van een natuurlijke persoon.

Het karakter van de terugkeerreserve – een getransformeerde aanmerkelijkbelangclaim – verzet zich er tegen dat deze claim overgaat op een lichaam dat is onderworpen aan de vennootschapsbelasting.

De onduidelijkheid waarop eerder is gedoeld, wordt weggenomen met een specifieke bepaling hoe te handelen met een terugkeerreserve bij omzetting van een onderneming in een BV. Het voorstel houdt in dat een positieve terugkeerreserve aan de vooravond van de geruisloze inbreng in de winst wordt opgenomen. Een negatieve terugkeerreserve vervalt eveneens aan de vooravond van de geruisloze inbreng, doch deze vrijval loopt, in afwijking van de hoofdregel volgens het voorstel, niet via de verlies- en winstrekening. Bij een negatieve terugkeerreserve heeft de ondernemer een claim op de fiscus. Deze claim wordt voor hem veilig gesteld door de verkrijgingsprijs van de in het kader van de omzetting verkregen aandelen fictief te verhogen, zodat hij in de toekomst minder aanmerkelijk belangheffing verschuldigd is.

Hiertoe zal de zevende standaardvoorwaarde voor de toepassing van artikel 3.65 worden aangevuld met de bepaling dat de verkrijgingsprijs van de aandelen, die in het kader van de geruisloze omzetting zijn verkregen, wordt verlaagd met 200 percent van het bedrag van de positieve terugkeerreserve dan wel verhoogd met 200 percent van de negatieve terugkeerreserve.

Op basis van het huidige artikel 3.65, vierde lid, onderdeel d, kunnen bij een geruisloze omzetting van een onderneming in een B.V. of N.V. nadere voorwaarden worden gesteld die betrekking hebben op ingebrachte aandelen, die als gevolg van de omzetting gaan behoren tot een deelneming als bedoeld in artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. In dit verband zou onduidelijkheid kunnen bestaan omtrent de betekenis die hierbij aan het begrip aandelen moet worden toegekend. Van een deelneming kan immers ook sprake zijn ingeval bijvoorbeeld lidmaatschapsrechten of bewijzen van deelgerechtigdheid worden ingebracht. De voorgestelde aanpassing van artikel 3.65, lid 5, onderdeel d, beoogt mogelijke onduidelijkheden op dit vlak wet te nemen.

Artikel I, onderdelen N en O (artikelen 3.67 en 3.69 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

In artikel 3.69, eerste lid, onderdeel b, is als onderdeel van de geruisloze terugkeer uit de B.V. een extra toevoeging aan de fiscale oudedagsreserve toegestaan voor de vrijval van een lijfrente die in het verleden is gevormd bij de (geruisloze) inbreng van een IB-onderneming in die B.V. Voor deze extra toevoeging aan de oudedagsreserve is het, gelet op het bijzondere karakter, niet wenselijk te toetsen of is voldaan aan de algemene vereisten voor toevoeging aan de oudedagsreserve, namelijk het urencriterium en de vermogenstoets. Toetsing aan deze criteria heeft namelijk in het verleden reeds plaatsgevonden bij de reguliere jaardotatie(s) aan de oudedagsreserve voorafgaand aan de inbreng van de IB-onderneming in de vennootschap. Met de aanpassing van artikel 3.67 wordt voorkomen dat bij de extra toevoeging als bedoeld in artikel 3.69, eerste lid, onderdeel b, wederom een toetsing aan het urencriterium plaatsvindt. Door aanpassing in artikel 3.69, tweede lid, wordt voorkomen dat voor deze extra toevoeging opnieuw de vermogenstoets dient plaats te vinden.

De aanpassing van artikel 3.69, eerste lid, onderdeel b, behelst de correctie van een onjuiste verwijzing.

Het voorstel is deze wijzigingen te laten terugwerken tot en met 1 januari 2001.

Artikel I, onderdeel P (artikel 3.71 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

In artikel 3.71 is voor de toepassing van de oudedagsreserve een «eigen» begrip ondernemingsvermogen gedefinieerd. Het ondernemingsvermogen (saldo bezittingen/vorderingen en schulden/verplichtingen) wordt voor de toepassing van paragraaf 3.2.3 oudedagsreserve verminderd met de fiscale reserves met uitzondering van de oudedagsreserve. Inherent aan deze systematiek is dat vermogensbestanddelen waarop een belastingclaim rust bij het bepalen van het ondernemingsvermogen dienen te worden geëlimineerd. In de huidige wettekst wordt echter alleen rekening gehouden met de fiscale reserves in de zin van artikel 3.53 van de Wet IB 2001 en niet met een positieve of negatieve terugkeerreserve als bedoeld in artikel 3.54a van de Wet IB 2001. Anders dan bij de fiscale reserves genoemd in artikel 3.53, is bij de vorming van de terugkeerreserve niet ten laste van de (in enig kalenderjaar genoten) winst gedoteerd. Hoewel de terugkeerreserve op de balans van de onderneming niet als afzonderlijk vermogensbestanddeel tot uitdrukking wordt gebracht, is een positieve terugkeerreserve – evenals bijvoorbeeld een vervangingsreserve – aan te merken als een fiscaal beclaimd onderdeel van het eigen vermogen. Voor dit gedeelte van het eigen vermogen is er derhalve geen ruimte meer voor de vorming van een oudedagsreserve. Bij een negatieve terugkeerreserve is er reden het ondernemingsvermogen fictief te vermeerderen, nu in deze situatie de ondernemer een claim op de fiscus heeft.

Artikel I, onderdeel Q (artikel 3.73 van de Wet inkomsten-belasting 2001)

De wijziging van artikel 3.73 is het gevolg van het uitbreiden van artikel 3.67 met een tweede lid.

Artikel I, onderdelen R en S (artikelen 3.76 en 3.77 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

De onderhavige aanpassing betreft een aanvulling in het kader van de regeling voor de geruisloze terugkeer uit de B.V. (artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969). De voortzettende aandeelhouders als bedoeld in artikel 14c, eerste lid, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zullen voor de toepassing van de Wet IB 2001 in de regel als ondernemer worden aangemerkt. Zij krijgen in principe dan ook recht op de ondernemersfaciliteiten. Daarbij ligt het echter niet voor de hand dat er startersfaciliteiten van toepassing zullen zijn. Er is materieel immers geen sprake van een start, maar juist van een voortzetting van de onderneming. Door de voorgestelde aanpassing van artikel 3.76, tweede lid, worden de voortzettende aandeelhouders uitgesloten van verhoging van de zelfstandigenaftrek voor startende ondernemers. Daardoor worden zij tevens uitgesloten van de willekeurige afschrijving voor startende ondernemers, die is opgenomen in artikel 7 van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001. Door de aanpassing van artikel 3.77, tweede lid, worden de voortzettende aandeelhouders voorts uitgesloten van de verhoogde aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk voor startende ondernemers.

Artikel I, onderdeel T (artikel 3.86 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

In de in artikel 3.86 opgenomen fietsaftrek wordt een verduidelijking aangebracht. In dit verband wordt in het nieuwe zesde lid de term «fietsafstand» opgenomen. Met deze definitie wordt bewerkstelligd dat één van de vereisten om voor de fietsaftrek in aanmerking te komen, namelijk het geheel met de fiets afleggen van de afstand tussen de woning en het werk, duidelijkheidshalve in de wet wordt opgenomen. De term«fietsafstand» is van belang voor het eerste tot en met het vierde lid. Met de term «hoofdzakelijk de fietsafstand aflegt» in het derde lid is geen inhoudelijke wijziging beoogd, maar wordt duidelijk gemaakt dat voor toepassing van de fietsaftrek vereist is dat de belastingplichtige op ten minste drie dagen per week naar een plaats van werkzaamheden pleegt te reizen en daartoe hoofdzakelijk (meer dan 70% van het aantal reizen) de fietsafstand aflegt.

Artikel I, onderdeel U, eerste en vierde lid, en onderdeel V, eerste en derde lid (artikelen 3.91 en 3.92 van de Wet inkomsten-belasting 2001)

De Wet IB 2001 is mede gebaseerd op het uitgangspunt dat winst – ongeacht of die via een IB-onderneming of via tussenschakeling van een besloten vennootschap wordt behaald – dient te worden belast op het niveau van het progressieve tarief van box I. Gegeven dit uitgangspunt is het streven het systeem van de Wet IB 2001 te ontdoen van mogelijkheden om een deel van de winst om te vormen tot inkomen uit sparen en beleggen. Daarnaast bestaat in bepaalde gevallen het risico dat op oneigenlijke wijze zal worden ingespeeld op het behalen van fiscale voordelen (fiscale arbitrage). In de eerste plaats in gevallen waarin een belastingplichtige in diverse hoedanigheden bij geldstromen betrokken is (enerzijds als belanghebbende bij het vermogen van de vennootschap en anderzijds als privé-persoon). In de tweede plaats in gevallen waarin weliswaar sprake is van verschillende natuurlijke personen maar de aard van de verhouding tussen deze personen met zich brengt dat deze als met elkaar verbonden dienen te worden beschouwd. Mede gelet op vorenstaande overwegingen is gekozen voor een aanpak waarbij het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan de eigen vennootschap of aan (de vennootschap van) een verbonden ondernemer centraal staat.

In toenemende mate bereiken mij signalen dat de hiervoor beschreven uitgangspunten worden gefrustreerd door middel van optieovereenkomsten tussen directeuren-grootaandeelhouders en de vennootschap waarin zij een aanmerkelijk belang hebben. Door gebruik te maken van de verschillen in grondslag en tarief voor natuurlijke personen en rechtspersonen worden op onaanvaardbare wijze fiscale voordelen behaald. De fiscale aantrekkingskracht van optieovereenkomsten kan worden geïllustreerd aan de hand van een tweetal voorbeelden. In beide gevallen figureert de directeur-grootaandeelhouder als houder en de vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft als schrijver van de optie.

Voorbeeld 1

De besloten vennootschap BV A bezit een pand met een boekwaarde van 100. De waarde in het economische verkeer van het pand is 120. De directeur-grootaandeelhouder X en BV A komen een calloptie (kooprecht) overeen. Op grond van de optieovereenkomst heeft X gedurende een periode van 3 jaar het recht tot koop van het pand voor een uitoefenprijs van 120. X is een optiepremie van 10 verschuldigd. X oefent zijn calloptie na twee jaar uit. De waarde in het economische verkeer van het pand is dan 160.

De winst van BV A is het verschil tussen de uitoefenprijs en de boekwaarde van het pand. De waardestijging van 120 naar 160 komt niet voor rekening en risico van BV A. Ter zake is BV A dan ook geen vennootschapsbelasting verschuldigd. De ontvangen optiepremie van 10 wordt tot de winst van BV A gerekend.

De calloptie wordt tot de rendementsgrondslag van X gerekend. In box III wordt een fictief rendement van 4% van de waarde in het economische verkeer van de calloptie belast tegen 30%. Op het moment van overeenkomen heeft de optie een waarde in het economische verkeer ten bedrage van de optiepremie. Op het moment van uitoefenen is de waarde 40. De waardestijging van het pand van 120 naar 160 is als zodanig niet belast.

Voorbeeld 2

X bezit een aandelenportefeuille met een waarde in het economische verkeer van 120. De directeur-grootaandeelhouder X en BV A komen een putoptie (verkooprecht) overeen. Op grond van de optieovereenkomst heeft X gedurende een periode van 3 jaar het recht tot verkoop van de aandelenportefeuille voor een uitoefenprijs van 120. X is een optiepremie van 10 verschuldigd. X oefent zijn putoptie na twee jaar uit. De waarde in het economische verkeer van de aandelenportefeuille is dan 90.

Het verlies van BV A is het verschil tussen de uitoefenprijs en de waarde in het economische verkeer van de aandelenportefeuille. De waardedaling van 120 naar 90 komt voor rekening en risico van BV A. Ter zake lijdt BV A een aftrekbaar verlies. De ontvangen optiepremie van 10 wordt tot de winst van BV A gerekend.

De putoptie wordt tot de rendementsgrondslag van X gerekend. In box III wordt een fictief rendement van 4% van de waarde in het economische verkeer van de putoptie belast tegen 30%. Op het moment van overeenkomen heeft een optie een waarde in het economische verkeer ten bedrage van de optiepremie. Op het moment van uitoefenen is de waarde 30.

De fiscale aantrekkelijkheid van optieovereenkomsten zit in de uitholling van de grondslag van de vennootschapsbelasting. In het eerste voorbeeld kan BV A niet in de heffing van vennootschapsbelasting worden betrokken ter zake de waardestijging van 120 naar 160 terwijl in het tweede voorbeeld de waardedaling van 120 naar 90 wel ten laste van de winst van BV A kan worden gebracht.

Optieovereenkomsten tussen een directeur-grootaandeelhouder en de vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, hebben – afgezien van de fiscale gevolgen – geen economische betekenis. X en BV A spelen een zero sum game: een voordeel voor de ene partij is een nadeel voor de andere. Aangezien X als belanghebbende bij het vermogen van BV A het volledige belang bij de waardeontwikkeling van de onderliggende waarde behoudt, hebben de optieovereenkomsten in economisch opzicht geen invloed op het totaalvermogen van X. In beide voorbeelden heeft X een voordeel in privé terwijl zijn aandelen in BV A minder waard zijn geworden. De aantrekkelijkheid van de transactie ligt zuiver in de fiscale gevolgen ervan.

Om een natuurlijke tegenkracht te doen ontstaan, acht ik het wenselijk dat de regeling voor het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan de eigen vennootschap of aan (de vennootschap van) een verbonden ondernemer ook van toepassing is op rechten uit optieovereenkomsten en daarmee vergelijkbare overeenkomsten.

Het opnemen van artikel 3.92, tweede lid, onderdeel a, onder 5°, Wet IB 2001 strekt ertoe de waardestijging van 40 in het eerste voorbeeld onder aftrek van de betaalde optiepremie van 10 als resultaat uit overige werkzaamheden van X te belasten tegen het progressieve tarief in box I. Met het toevoegen van artikel 3.92, tweede lid, onderdeel a, onder 6°, Wet IB 2001 is beoogd tegenover de in het tweede voorbeeld in aftrek komende waardedaling van 30 een voordeel van 30 onder aftrek van de betaalde optiepremie van 10 als resultaat uit overige werkzaamheden van X in box I in aanmerking te nemen.

Teneinde het eenvoudigweg omzeilen van de voorgestelde maatregel voor optieovereenkomsten door het sluiten van daarmee vergelijkbare overeenkomsten tegen te gaan, is een bepaling opgenomen. Gedacht kan worden aan rechten waarvan de waarde verband houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel maar waaraan geen recht tot koop of verkoop van de onderliggende waarde is gekoppeld. Daarnaast kan de waarde van een recht verband houden met de wijziging van een factor zoals de rentestand of een index. In dit verband kan bijvoorbeeld worden gedacht aan met optierechten vergelijkbare figuren zoals zogenoemde stock appreciation rights.

Omdat vergelijkbare overeenkomsten ook denkbaar zijn in de verhouding tussen natuurlijke personen en met hen verbonden ondernemers, wordt een vergelijkbare wijziging voorgesteld van artikel 3.91 Wet IB 2001. Deze wijziging is nagenoeg identiek aan de hiervoor reeds toegelichte wijziging van artikel 3.92 Wet IB 2001. Op een punt wijkt de formulering van 3.91 Wet IB 2001 af. Aangezien de verruiming zich uitsluitend uitstrekt tot gevallen waarin sprake is van grondslaguitholling in de winstsfeer, is de regeling voor het ter beschikking stellen van vermogen niet van toepassing indien de tegenover het optierecht staande verplichting niet tot het vermogen een onderneming of tot het resultaat uit een werkzaamheid behoort.

Voor de waardering van bestaande rechtsverhoudingen is de hoofdregel van artikel 3.95 Wet IB 2001 van toepassing. De rechten uit optieovereenkomsten die overgaan naar het regime van overige werkzaamheden worden derhalve overeenkomstig het winstregime gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. Daarmee wordt het met terugwerkende kracht vestigen van claims vermeden. In beide voorbeelden stelt X dus, voor het bepalen van het resultaat uit overige werkzaamheden, rechten die gaan behoren tot het vermogen van een werkzaamheid, overeenkomstig het winstregime, te boek voor de waarde in het economische verkeer van die rechten op het tijdstip van inwerkingtreding.

Voorgesteld wordt de wijzigingen in de artikelen 3.91 en 3.92 terug te laten werken tot en met de datum waarop het wetsvoorstel is ingediend bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Achtergrond daarvan is de gerechtvaardigde vrees voor aanmerkelijke aankondigingseffecten van de wijziging. Zodra het wetsvoorstel wordt ingediend, zouden belastingplichtigen anders en masse optieovereenkomsten sluiten hetgeen zou leiden tot een aanzienlijke uitholling van de heffingsgrondslag van de vennootschapsbelasting en derhalve tot een vermindering van de aanmerkelijkbelangclaim. Het is dan ook noodzakelijk deze vorm van belastingarbitrage tegen te gaan met onmiddellijke ingang op het tijdstip van aankondiging.

Artikel I, onderdeel U, tweede en derde lid (artikel 3.91 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Thuiswonend kind ouder dan 27 jaar

De beperkte familiegroep in het terbeschikkingstellingsregime omvat op basis van artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, Wet IB 2001 de belastingplichtige, zijn partner en hun minderjarige kinderen. Op basis van het nieuw voorgestelde artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, worden, indien sprake is van een minderjarige belastingplichtige, zijn ouders en de eventuele (nieuwe) partners van de biologische ouders ook tot de beperkte familiegroep gerekend.

Het gegeven dat een ouder en een inwonend kind ouder dan 27 jaar voor fiscaal partnerschap kunnen kiezen, kan in het terbeschikkingstellingsregime leiden tot een onbedoeld effect in de situatie waarin niet is gekozen voor partnerschap. Namelijk het feit dat tot het 18e jaar van het kind de terbeschikkingstellingsregeling van toepassing kan zijn, tussen het 18e en 27e jaar niet en na het 27e jaar weer wel. Een dusdanige golfbeweging lijkt onwenselijk in de situatie waarin ouder en inwonend kind niet opteren voor partnerschap. Te meer, nu in de situatie waarin de ouder (of het inwonende kind van 27 jaar of ouder) wel een ander als fiscaal partner heeft, het terbeschikkingstellingsregime niet op grond van het tweede lid aan de orde kan komen. Een belastingplichtige kan namelijk immers maar één (fiscale) partner hebben. Ook ten opzichte van uitwonende kinderen is deze golfbeweging moeilijk te verdedigen, nu bij uitwonende kinderen deze golfbeweging zich niet kan voordoen.

Een voorbeeld kan een en ander verduidelijken.

Voorbeeld 1

Op grond van artikel 1.2, derde lid, onderdeel a, Wet IB 2001 kan een belastingplichtige een fiscaal partnerschap aangaan met een bloedverwant in de eerste graad wanneer deze persoon de leeftijd van 27 jaar heeft bereikt.

Een probleem kan zich nu voordoen in de situaties waarin een kind van 27 jaar of ouder, die geen fiscale partner heeft, inwoont bij een van zijn ouders, die ook geen fiscale partner heeft. Ouder en kind hebben de mogelijkheid te kiezen, dat zij over en weer partner zijn, doch doen dat niet.

Het huidige artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, ten vijfde, Wet IB 2001 heeft tot gevolg dat in dit voorbeeld het thuiswonende kind ouder dan 27 jaar (ouder stelt ter beschikking) of de ouder (kind stelt ter beschikking) toch als partner voor de terbeschikkingstellingsregeling wordt aangemerkt. Derhalve ontstaat de situatie dat ondanks het niet opteren voor fiscaal partnerschap, het terbeschikkingstellingsregime van toepassing is (terwijl de situatie van een ongebruikelijke terbeschikkingstelling, als bedoeld in het derde lid, niet aan de orde is).

Voorgesteld wordt artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, ten vijfde Wet IB 2001 te herformuleren. Door de zinsnede «niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste graad van de rechte lijn» treedt de hiervoor aangeduide golfbeweging niet op. Als gevolg van deze zinsnede zal in gevallen waarin ouder en thuiswonend kind ouder dan 27 jaar niet uitdrukkelijk voor partnerschap opteren, geen sprake zijn van een terbeschikkingstelling aan een verbonden persoon. Daarmee is bereikt dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen in- en uitwonende kinderen ouder dan 27 jaar. Voor het overige is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Voorgesteld wordt deze wijzigingen in artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, ten vijfde, Wet IB 2001 terug te laten werken tot 1 januari 2001. Achtergrond van deze inwerkingtredingsdatum is het begunstigende karakter als gevolg waarvan een ongewenste en onvoorziene samenloop van het huidige artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, ten vijfde, en artikel 1.2, derde lid, onderdeel a, in zijn geheel wordt teruggenomen.

Terbeschikkingstelling door minderjarige kinderen

Onder de huidige wettekst van artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, worden de belastingplichtige, zijn partner en hun minderjarige kinderen als verbonden personen voor het terbeschikkingstellingsregime aangemerkt. Voor deze kleine kring van directe familieleden geldt dat zij zo na staan aan de ondernemer, resultaatgenieter of aanmerkelijkbelanghouder en hun financiële belangen zozeer verweven zijn met de belangen van de (indirecte) ondernemer of resultaatgenieter. Gevolg van deze verwevenheid dient te zijn dat wordt gekozen voor een behandeling die aansluit bij de behandeling van het winstinkomen van de (indirecte) ondernemer. De strekking van het tweede lid, onderdeel b, is dat iedere terbeschikkingstelling tussen personen genoemd in de beperkte familiegroep onder het terbeschikkingstellingsregime dienen te vallen. De achtergronden van deze keuze zijn ook uitvoerig aan de orde geweest bij de behandeling van het wetsvoorstel van de Veegwet Wet IB 2001.

Letterlijke lezing van het tweede lid, onderdeel b, ten zesde, lijkt tot geen andere conclusie te leiden dan dat een terbeschikkingstelling van een minderjarige belastingplichtige aan een bloed- of aanverwant in de eerste graad van de opgaande lijn niet onder het terbeschikkingstellingsregime van dat lid valt. Iets anders is, dat de terbeschikkingstelling van een vermogensbestanddeel door een minderjarig kind aan de onderneming, werkzaamheid of vennootschap van een van zijn ouders als maatschappelijk ongebruikelijk wordt beschouwd. Gevolg hiervan is dat deze terbeschikkingstelling op grond van het derde lid van de artikelen 3.91 en 3.92 in ieder geval onder het terbeschikkingstellingsregime valt.

Derhalve wordt voorgesteld de bloed- en aanverwanten in de eerste graad van de opgaande lijn en hun eventuele partners als verbonden persoon aan te merken van een minderjarige belastingplichtige, en deze bepaling terug te laten werken tot 1 januari 2001. De voorgestelde bepaling moet niet worden gezien als een materiële wijziging van de terbeschikkingstellingsbepalingen maar als een verduidelijking van de heersende rechtsopvatting. Voornoemde opvatting, dat gevallen waarbij een minderjarige belastingplichtige een vermogensbestanddeel ter beschikking stelt aan de onderneming of werkzaamheid van één van zijn ouders (of partner) reeds onder de strekking van het huidige artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, ten zesde viel, is expliciet aan de orde gesteld in het besluit van 30 november 2001 (CPP2001/3035M). Waarin ook is aangegeven dat de strekking van de huidige bepaling in artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, ten zesde verduidelijkt zal worden «in een nog in te dienen wetsvoorstel», hetgeen aldus is geschied.

Artikel I, onderdeel V, tweede lid (artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

De wijziging van artikel 3.92, tweede lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001, houdt verband met de wijziging van artikel 3.91, tweede lid, van de Wet IB 2001. Het voorstel is dan ook de wijziging van artikel I, onderdeel V, tweede lid, te laten terugwerken tot en met 1 januari 2001.

Artikel I, onderdeel W (artikel 3.103 van de Wet inkomsten-belasting 2001)

In artikel 3.103, eerste lid, onderdeel a, staat een verwijzing naar artikel 45 van de Algemene Ouderdomswet en artikel 63 van de Algemene nabestaandenwet. Verwezen dient echter te worden naar de artikelen 35 of 38 van de Algemene Ouderdomswet en artikelen 63a of 63d van de Algemene nabestaandenwet vanwege de inwerkingtreding van de Wet herziening vrijwillige verzekering AOW en ANW op 9 mei 2001 (Wet van 26 april 2001, Stb. 2001, 212). In die wet worden de bepalingen in de AOW en ANW inzake de vrijwillige verzekering aangepast. Aan de Wet herziening vrijwillige verzekering AOW en ANW is terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2001 verleend. Om hierbij te kunnen aansluiten, werkt de onderhavige wijziging terug tot en met 1 januari 2001.

Artikel I, onderdelen X en Y (artikelen 3.106 en 3.107 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

De wijzigingen die worden aangebracht in artikel 3.106 en 3.107 betreffen het herstel van onjuiste verwijzingen in die artikelen.

Het voorstel is dit herstel te laten terugwerken tot en met 1 januari 2001.

Artikel I, onderdelen Z, eerste lid, AA, tweede en derde lid, en AB (artikelen 3.116, 3.118 en 3.122 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Deze wijzigingen hebben betrekking op de situatie waarin een belastingplichtige die in bezit is van een eigen woning met een daaraan verbonden kapitaalverzekering naar het buitenland vertrekt. Op grond van artikel 3.111, tweede tot en met vierde en zesde lid, kan de belastingplichtige onder bepaalde omstandigheden zijn woning in Nederland als eigen woning blijven aanmerken. Een naar het buitenland vertrokken belastingplichtige behoudt zo zijn recht op hypotheekrenteaftrek, zolang hij voldoet aan de voorwaarden die worden gesteld.

Op het moment dat een belastingplichtige die in het bezit is van een kapitaalverzekering eigen woning niet langer binnenlands belastingplichtig is, wordt bij hem, op grond van het vierde lid van artikel 3.116, een fictieve uitkering van de kapitaalverzekering eigen woning in aanmerking genomen. Wanneer de in aanmerking te nemen uitkering de op voet van artikel 3.118 voor de belastingplichtige geldende vrijstelling overtreft, wordt aan hem ter zaken van de fictieve uitkering een conserverende aanslag opgelegd.

Artikel 3.122, eerste lid, heeft, zoals dit thans luidt, evenwel tot gevolg dat, omdat de belastingplichtige bij de toepassing van artikel 3.116 gebruik heeft gemaakt van de vrijstelling voor de kapitaalverzekering eigen woning, de hypotheekrenteaftrek van de belastingplichtige wordt beperkt, zowel tijdens zijn verblijf in het buitenland als daarna bij terugkeer in Nederland. De thans voorgestelde wijziging van artikel 3.112 stelt de hypotheekrenteaftrek van de belastingplichtige veilig, zolang de eigen woning een eigen woning in de zin van artikel 3.111 blijft, de belastingplichtige geen voordeel als bedoeld in artikel 3.116, eerste lid, geniet en zich niet een omstandigheid als bedoeld in artikel 3.116, derde lid, voordoet.

Het bestaande artikel 3.118 heeft tot gevolg dat een belastingplichtige die naar het buitenland is vertrokken en een eigen woning in de zin van artikel 3.111 heeft aangehouden bij terugkeer in wordt Nederland geconfronteerd met een verlaagde vrijstelling kapitaalverzekering eigen woning. Dit omdat (een deel van) zijn vrijstelling reeds gebruikt is bij toepassing van artikel 3.116, vierde lid, op het moment dat hij ophield binnenlands belastingplichtige te zijn. De thans voorgestelde wijziging van artikel 3.118 zorgt ervoor dat wanneer een belastingplichtige bij wie op grond van artikel 3.116, vierde lid, een fictieve uitkering in aanmerking is genomen, weer binnenlands belastingplichtig wordt, zijn vrijstelling kapitaalverzekering eigen woning weer aangroeit tot het bedrag waar hij voor zijn vertrek naar het buitenland recht op had. Als voorwaarden hierbij gelden dat de woning een eigen woning in de zin van artikel 3.111 is gebleven, dat de belastingplichtige niet een voordeel als bedoeld in artikel 3.116, eerste lid, heeft genoten en dat zich niet een omstandigheid heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 3.116, derde lid.

Onder de bestaande wettelijke regeling blijft de conserverende aanslag, die bij het vertrek naar het buitenland is opgelegd, ook in stand wanneer de belastingplichtige weer binnenlands belastingplichtig wordt. Om deze omissie te corrigeren wordt een nieuw lid in artikel 3.116 opgenomen. Dit nieuwe lid regelt dat wanneer een belastingplichtige aan wie bij zijn vertrek uit Nederland door toepassing van artikel 3.116, vierde lid, een conserverende aanslag is opgelegd weer binnenlands belastingplichtig wordt, het geconserveerde inkomen bij voor bezwaar vatbare beschikking wordt verlaagd met de waarde van de fictieve uitkering voorzover die tot het geconserveerde inkomen heeft geleid. Als voorwaarden hierbij gelden dat de woning een eigen woning in de zin van artikel 3.111 is gebleven, dat de belastingplichtige niet een voordeel als bedoeld in artikel 3.116, eerste lid, heeft genoten en dat zich niet een omstandigheid heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 3.116, derde lid.

Het voorstel is deze wijzigingen te laten terugwerken tot en met 1 januari 2001.

Artikel I, onderdeel Z, tweede lid, (artikel 3.116 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

De belastingheffing over een kapitaalverzekering vindt in beginsel plaats in box III. Voor polissen die na 14 september 1999 zijn afgesloten, bestaat geen vrijstelling in box III. Dit betekent dat de waardeontwikkeling van de polis jaarlijks naar een fictief rendement belast wordt. Indien de kapitaalverzekering vervolgens wordt omgezet in een kapitaalverzekering eigen woning vindt de belastingheffing in box I pas plaats op het moment van uitkering. Zonder nadere regelgeving zou het in box III opgebouwde rentebestanddeel dubbel belast worden. Het tot achtste lid vernummerde zevende lid beoogt daarom dat het reeds in box III opgebouwde rentebestanddeel als premie kapitaalverzekering eigen woning wordt aangemerkt. Daarmee blijft dit rentebestanddeel buiten de belastingheffing bij het tot uitkering komen van de kapitaalverzekering eigen woning en wordt dubbele heffing voorkomen. Volgens de letterlijke tekst van het achtste lid zou de faciliteit ook betrekking hebben op polissen die reeds op 14 september 1999 bestonden. Deze polissen hebben echter op grond van het overgangsrecht – onder voorwaarden – recht op een vrijstelling in box III van maximaal € 123 428. Toepassing van het achtste lid zou op grond van de letterlijke tekst betekenen dat, hoewel in box III geen heffing over het rentebestanddeel plaatsvindt, toch het premiebedrag van de kapitaalverzekering eigen woning met dit rentebestanddeel verhoogd wordt. Dit is strijdig met de bedoeling van het achtste lid. Ik verwijs hiertoe tevens naar hetgeen ik op vragen van de CDA-fractie in de Tweede Kamer heb geantwoord (Kamerstukken II, 1999–2000, 26 727, nr. 7, blz. 202). De voorgestelde wijziging bewerkstelligt, in samenhang met de in artikel II, onderdeel H, voorgestelde wijziging van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AO, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, dat de wettekst in overeenstemming wordt gebracht met de bedoeling van de wetgever.

In het verlengde van de hiervóór genoemde aanpassing kan de term «(oude polis)» vervallen omdat deze formulering aanleiding kan geven tot misverstanden. De bepaling is immers van toepassing op de omzetting in een kapitaalverzekering eigen woning van polissen die na 14 september 1999 zijn afgesloten.

Op grond van artikel 3.116, achtste lid, wordt ingeval een bestaande levensverzekering wordt omgezet in een kapitaalverzekering eigen woning op het omzettingsmoment mede als premie aangemerkt de waarde in het economisch verkeer van de polis ten tijde van de omzetting minus de op dat tijdstip gestorte premies (rentebestanddeel). De huidige wettekst geeft echter niet aan dat het gaat om de waarde van de polis en de omvang van de betaalde premies op het omzettingsmoment. Het misverstand zou kunnen ontstaan dat de in aanmerking te nemen premies jaarlijks op deze wijze worden vastgesteld. Ter voorkoming van misverstanden stel ik voor het omzettingstijdstip in de wettekst op te nemen.

Zoals hiervoor is toegelicht, wordt een onvolkomenheid hersteld waardoor de wettekst in overeenstemming wordt gebracht met de bedoeling van de wetgever. De bedoeling van de wetgever is in dezen het voorkomen van dubbele heffing over het rentebestanddeel van de kapitaalverzekering. De huidige tekst kan er echter toe leiden dat bij polissen, die reeds op 14 september 1999 bestonden tot het bedrag van de vrijstelling ad € 123 428 in het geheel geen belastingheffing plaatsvindt, hetgeen niet past in het stelsel van de wet. In dit geval is dan ook sprake van een duidelijke omissie, hetgeen voor betrokkenen ook zonder meer duidelijk is. Deze rechtsongelijkheid dient dan ook onverwijld te worden gerepareerd. Voorgesteld is, aan deze wijziging dan ook terugwerkende kracht te verlenen.

Artikel I, onderdeel AA, eerste, vierde en vijfde lid, (artikel 3.118 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Ter toelichting op de wijzigingen in artikel 3.118 Wet IB 2001 kan het volgende worden opgemerkt.

De wijziging in het eerste lid betreft een verduidelijking van artikel 3.118, derde lid. De vrijstelling kapitaalverzekering eigen woning bedraagt op grond van het artikel 3.118, eerste lid, per belastingplichtige maximaal € 129 500. Eén van de voorwaarden voor toepassing van deze vrijstelling is dat ter zake van de verzekering ten minste 20 jaar premies zijn voldaan. Indien echter slechts 15 jaar premies zijn voldaan bedraagt de vrijstelling maximaal € 29 400. Deze laatste vrijstelling is bij amendement in de Wet IB 2001 opgenomen. Op grond van het derde lid van artikel 3.118 worden de vrijstellingen genoemd in het eerste lid, eerste volzin, van dat artikel verminderd met de bedragen waarvoor al eerder de vrijstelling van het eerste lid is toegepast. Het derde lid van artikel 3.118 zou na dit amendement aldus gelezen kunnen worden dat deze imputatie slechts plaatsvindt op de vrijstelling van € 129 500 en niet op de lagere vrijstelling van € 29 400. Een dergelijke uitleg is uiteraard niet beoogd. Om eventuele misverstanden te voorkomen wordt artikel 3.118, derde lid, hierop aangepast.

De wijziging van het vierde lid betreft een verduidelijking van artikel 3.118, zevende lid. In het zevende lid is een faciliteit opgenomen voor de overlijdensuitkering van een kapitaalverzekering eigen woning ten behoeve van de langstlevende partner. Deze faciliteit houdt kort gezegd in dat bij het overlijden van de partner het door hem nog niet gebruikte deel van de vrijstelling, zoals genoemd in artikel 3.118, eerste lid, de vrijstelling uit het eerste lid van de langstlevende partner verhoogt. De verhoging van de vrijstelling bedraagt echter maximaal de hoogte van de overlijdensuitkering.

Uit de oorspronkelijke tekst van dat lid zou gelezen kunnen worden dat het vrijstellingsbedrag van € 129 500 van de langstlevende partner verhoogd wordt. Bedoeld is echter dat het vrijstellingsbedrag waar de langstlevende partner op het overlijdenstijdstip van zijn partner nog recht op heeft – dus rekening houdend met eventuele reeds plaatsgevonden imputaties – wordt verhoogd. Eveneens zou uit dat lid kunnen worden opgemaakt dat indien twee of meer uitkeringen plaatsvinden ten gevolge van het overlijden van de partner, voor iedere uitkering door de langstlevende partner steeds het bedrag van het niet benutte deel van de vrijstelling van de overledene wordt verkregen. Dit is uiteraard niet beoogd. Om een foutieve uitleg van de wettekst te voorkomen, wordt dit lid verduidelijkt. Een inhoudelijke wijziging is niet beoogd.

De wijziging in het vijfde lid betreft artikel 3.118, achtste lid. In dit lid is een regeling opgenomen waarmee bereikt wordt dat de begunstigde, niet zijnde de partner van de overledene, van een overlijdensuitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning het nog niet gebruikte deel van de vrijstelling kapitaalverzekering eigen woning van de overledene voor deze specifieke uitkering kan toepassen. De begunstigde kan ter zake van deze vrijstelling niet zijn eigen eens per leven vrijstelling benutten. De tekst van het achtste lid zou zo gelezen kunnen worden dat indien er meer begunstigden zouden zijn ieder van de begunstigden het gehele niet gebruikte deel van de vrijstelling van de overledene zou kunnen gebruiken. Met de wijziging van het achtste lid wordt een dergelijke onjuiste uitleg voorkomen.

De voorgestelde wijzigingen zijn slechts bedoeld ter verduidelijking van de wettekst en ter voorkoming van een mogelijkerwijs onjuiste uitleg van de wettekst. Er is geen sprake van een inhoudelijke wijziging en er treedt ook geen wijziging op ten opzichte van de huidige uitvoeringspraktijk. Het verdient echter de voorkeur aan deze wijzigingen terugwerkende kracht te verlenen zodat geen misvatting kan ontstaan omtrent de wetsuitleg. Tevens wordt vanwege de terugwerkende kracht benadrukt dat de wetgever deze uitleg vanaf de inwerkingtreding van de Wet inkomstenbelasting 2001 zo bedoeld heeft.

Artikel I, onderdeel AC (artikel 3.125 van de Wet inkomsten-belasting 2001)

In artikel 3.125, tweede lid, is een bepaling opgenomen op grond waarvan een termijn van een oudedagslijfrente als gevolg van het overlijden van de partner of gewezen partner mag dalen tot ten hoogste 70% van de oorspronkelijke termijn. In de praktijk blijkt er behoefte te bestaan deze verlaging van de oorspronkelijke termijn ook mogelijk te maken voor de in artikel 3.125, eerste lid, onderdelen c en d, genoemde overbruggingslijfrenten en tijdelijke oudedagslijfrenten. Met de voorgestelde wijziging van artikel 3.125, tweede lid, wordt hieraan tegemoet gekomen.

Ingevolge artikel 3.125, derde lid, wordt bewerkstelligd dat voor een recht waarvan de uitkeringen ingaan bij het overlijden en die toekomen aan een kind uiterlijk tot het bereiken van de leeftijd van 30 jaar het volgens vaste jurisprudentie noodzakelijke overlijdensrisico niet aanwezig behoeft te zijn. Aangezien de statistische overlijdenskans voor jonge kinderen zeer gering is, zou de kans bestaan dat het desbetreffende recht niet kwalificeert als een lijfrente. De in artikel 3.125, derde lid, voorgestelde wijziging strekt ertoe te bewerkstelligen dat ook voor de in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c, genoemde overbruggingslijfrenten, waarvan de termijnen uiterlijk eindigen in het jaar waarin de belastingplichtige 65 wordt of het jaar waarin het pensioen ingaat, de grootte van de overlijdenskans niet van belang is voor deze lijfrentevorm. Voldoende is dat er een overlijdenskans is.

Het voorstel is deze wijzigingen te laten terugwerken tot en met 1 januari 2001.

Artikel I, onderdeel AD (artikel 3.130 van de Wet inkomsten-belasting 2001)

Ingevolge de voorgestelde wijziging is terugwenteling naar het voorafgaande kalenderjaar ook mogelijk voor de lijfrentepremies die in aftrek komen vanwege het benutten van de zogenoemde reserveringsruimte.

Het voorstel is deze wijziging te laten terugwerken tot en met 1 januari 2001.

Artikel I, onderdeel AE (artikel 3.133 van de Wet inkomsten-belasting 2001)

Ingevolge artikel 3.133, tweede lid, onderdeel a, wordt de omzetting van een recht op periodieke uitkeringen en verstrekkingen waarvan de termijnen toekomen aan een meerderjarig invalide kind of kleinkind, waarvoor de premie-aftrek niet is gelimiteerd, in een ander type recht als een verboden handeling aangemerkt. Een dergelijke omzetting wordt als een handeling in strijd met de voorwaarden aangemerkt die leidt tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Met de voorgestelde toevoeging van een lijfrente als bedoeld in artikel 3.124, onderdeel c, wordt bewerkstelligd dat ook de omzetting van een recht op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval, waarvoor de premie-aftrek eveneens niet is gelimiteerd, in een ander type recht wordt aangemerkt als een oneigenlijke handeling die leidt tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen.

Artikel I, onderdeel AF (artikel 3.134 van de Wet inkomsten-belasting 2001)

Artikel 3.134, tweede lid, biedt de mogelijkheid in geval van een verdeling van een gemeenschap in het kader van echtscheiding of scheiding van tafel en bed een aanspraak op periodieke uitkeringen en verstrekkingen te vervreemden aan de gewezen echtgenoot zonder dat dit tot fiscale gevolgen leidt. Ingevolge het vierde (voorheen derde) lid wordt in dat geval de gewezen echtgenoot als verzekeringnemer van de aanspraak op periodieke uitkeringen aangemerkt. Met de voorgestelde invoeging van een derde lid wordt geregeld, dat indien de aanspraak in het kader van de afkoop van een verplichting tot het betalen van alimentatie wordt gewijzigd, deze aanspraak tevens zodanig zonder fiscale gevolgen mag worden gewijzigd, dat de uitkeringen onmiddellijk na het tijdstip van de wijziging ingaan.

Op deze wijze kan de gewijzigde lijfrente voldoen in de behoefte aan inkomen van de alimentatiegerechtigde. Hetzelfde ingangstijdstip was al mogelijk voor een nieuwe lijfrente die wordt bedongen in het kader van de afkoop van alimentatie. Zie in dit verband artikel 6.5 Wet IB 2001. Met betrekking tot het tijdstip waarop de onderhavige bestaande lijfrente mag eindigen, is eveneens aansluiting gezocht bij het genoemde artikel. Het moet immers mogelijk zijn dat de lijfrente een zodanige tijdelijke uitkeringsduur heeft dat deze aansluit bij de inkomensbehoefte van alimentatiegerechtigde. Partijen kunnen dan ook in afwijking van het reguliere lijfrenteregime van Afdeling 3.7 de uitkeringsduur in onderling overleg vaststellen.

Het voorstel is deze wijziging te laten terugwerken tot en met 1 januari 2001.

Artikel I, onderdeel AG (artikel 3.142 van de Wet inkomsten-belasting 2001)

De wijziging van artikel 3.142 strekt ertoe de samenloop van de artikelen 1.7a en 3.142 voor de toepassing van artikel 3.141 te verduidelijken. Artikel 3.142 is bedoeld voor belastingplichtigen die tijdelijk door arbeidsongeschiktheid of werkloosheid ophouden met tegenwoordige arbeid winst, loon of resultaat te verwerven, maar waarvan in redelijkheid niet gevergd kan worden dat de plaats bij de kinderopvanginstelling opgegeven wordt. Werknemers die tijdelijk arbeidsongeschikt worden ontvangen doorgaans de eerste periode ziekengeld. De fictie in artikel 1.7a bewerkstelligt dat deze personen tijdens de periode van het genieten van ziekengeld gebruik kunnen blijven maken van artikel 3.141. Winst- en resultaatgenieters die tijdelijk arbeidsongeschikt worden, worden op grond van artikel 3.142 nog twaalf maanden geacht inkomen uit tegenwoordige arbeid te genieten; zij kunnen daardoor nog twaalf maanden gebruik blijven maken van artikel 3.141. Een opeenvolgende toepassing van artikel 1.7a en 3.142 voor de maximale termijnen is nooit de bedoeling van de wetgever geweest. Bij de bestaande wettekst zou daarover twijfel kunnen ontstaan. Door het toevoegen van het nieuwe tweede lid wordt bereikt dat niet nadat artikel 1.7a is toegepast, artikel 3.142 nog twaalf maanden extra toegepast kan worden. Wel mag als bijvoorbeeld maar twee maanden ziekengeld of iets dergelijk is ontvangen de termijn van 12 maanden op grond van artikel 3.142 worden volgemaakt als aan de voorwaarden van artikel 3.142 is voldaan.

Artikel I, onderdeel AH (artikel 3.145 van de Wet inkomsten-belasting 2001)

Het nieuwe tiende lid bewerkstelligt dat, in afwijking van hetgeen in het negende lid bepaald is, met de auto van de zaak gecarpoolde woon-werkkilometers niet aangemerkt worden als privé-kilometers. De in het tiende lid opgenomen voorwaarden zijn ontleend aan artikel 16b van de Wet op de loonbelasting 1964. De in onderdeel a genoemde 30-kilometer-eis houdt verband met het negende lid, onderdeel b, van dit artikel.

Ingeval de belastingplichtige door een privé-chauffeur naar het werk gereden wordt zonder dat andere werknemers meerijden, worden de woon-werkkilometers van die belastingplichtige wel als privé-kilometers aangemerkt. In dit geval wordt niet de privé-chauffeur vervoerd, maar de belastingplichtige. In deze situatie is derhalve niet voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van de carpoolregeling.

Het voorstel is deze wijziging te laten terugwerken tot en met 1 januari 2002.

Artikel I, onderdeel AI (artikel 4.34 van de Wet inkomsten-belasting 2001)

In het vijfde lid van artikel 4.34 is bepaald op welke wijze vervreemdingsvoordeel bij een geruisloze terugkeer uit een BV moet worden gesteld. In wezen wordt hierbij een overdrachtsprijs benaderd door uit te gaan van de actuele waarde van de bezittingen en schulden waarmee de onderneming wordt voortgezet, rekening houdend met een nominale vennootschapsbelastingclaim van 35%.

Op grond van artikel 14c, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 worden bij een geruisloze terugkeer nog niet door de vennootschap verrekende verliezen aangemerkt als ondernemersverlies van de voortzettende aandeelhouder(s). Het doorschuiven naar de aandeelhouder van deze verliezen vertegenwoordigt ook een waarde. Belastingheffing blijft namelijk achterwege over toekomstige winsten waarmee deze verliezen kunnen worden verrekend. Met deze waarde houdt het bestaande vijfde lid van artikel 4.34 evenwel nog geen rekening.

Het voorstel is dat wel te doen en deze waarde forfaitair te stellen op 50% van het verlies dat naar de aandeelhouder overgaat en dat bij hem in aanmerking komt voor verliescompensatie. Het voorstel is voorts aan het vijfde lid een volzin toe te voegen. Dat voorstel heeft de volgende achtergrond. Bij een reguliere aandelenoverdracht tussen derden bedraagt de overdrachtsprijs van de aandelen tenminste nihil. Dit is ook het geval indien, bijvoorbeeld door geleden verliezen in voorgaande jaren, het vermogen van de vennootschap negatief is en er nog niet verrekende verliezen in de vennootschap aanwezig zijn. Door de toe te voegen volzin aan het vijfde lid wordt met dit «natuurlijk minimum» rekening gehouden. Hiermee wordt voorkomen dat er discussies ontstaan of de waarde van de overgegane bezittingen en schulden ook negatief kan zijn.

Artikel I, onderdeel AJ (artikel 4.42a van de Wet inkomsten-belasting 2001)

Bij een geruisloze terugkeer uit de B.V. wordt het aanmerkelijk belang vervreemdingsvoordeel op basis van artikel 4.42a van de Wet IB 2001 op verzoek doorgeschoven met behulp van het instrument van de terugkeerreserve van artikel 3.54a. Dit vervreemdingsvoordeel kan zowel door de toepassing van artikel 4.16, vijfde lid, van de Wet IB 2001 als door toepassing van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 zijn ontstaan. Dit laatste kan zich voordoen bij een geruisloze terugkeer waarbij de eigendomsoverdracht van de activa en passiva het karakter heeft van een liquidatie-uitkering in natura. De aanpassing ziet erop dat in beide gevallen het vervreemdingsvoordeel doorgeschoven kan worden.

Het voorstel is deze wijziging te laten terugwerken tot en met 1 januari 2001.

Artikel I, onderdeel AK (artikel 5.3 van de Wet inkomsten-belasting 2001)

In artikel 5.3, derde lid, Wet IB 2001 is een doelmatigheidsdrempel van € 2500 voor kleine schulden opgenomen. Indien de belastingplichtige een partner heeft in de zin van artikel 1.2 Wet IB 2001 en de waarde in het economische verkeer van de overige verplichtingen van de belastingplichtige en van zijn partner tezamen meer bedraagt dan € 2500, wordt de drempel bij elk van hen gesteld op € 5000. Deze benadering heeft de beoogde uitwerking indien de belastingplichtige alle tot de rendementsgrondslag behorende bezittingen en verplichtingen van zichzelf en van zijn partner aangeeft. Indien de belastingplichtige niet het gehele jaar een partner heeft gehad en geen keuze als bedoeld in artikel 2.17, zevende lid, maakt, is vrije toerekening van de bestanddelen van de rendementsgrondslag niet toegestaan. Om te voorkomen dat per saldo meer dan tweemaal € 2500 aan verplichtingen buiten aanmerking wordt gelaten, dienen de belastingplichtige en zijn partner een verzoek te doen. Teneinde de (administratieve) lasten voor deze groep te beperken wordt voorgesteld de verdubbeling van de drempel achterwege te laten indien de belastingplichtige niet het gehele jaar een partner heeft gehad of wordt geacht die partner te hebben gehad.

Om de verhoging van de drempel te voorkomen, kunnen de belastingplichtige en zijn partner zoals hiervoor is aangegeven, verzoeken om, bij een van hen of bij beiden tezamen, een rendementsgrondslag aan te geven die € 5000 hoger is. Strikt genomen zou desondanks de hoofdregel van de kleine schuldenregeling (elk van hen een drempel van € 2500) toepassing vinden. Die onvolkomenheid wordt hersteld door een deel van artikel 5.3, derde lid, onder vernummering van het huidige vierde lid tot vijfde lid, op te nemen in een nieuw vierde lid. Voorgesteld wordt artikel I, onderdeel AK, tweede lid, gelet op het begunstigende karakter, terugwerkende kracht te verlenen tot en met 1 januari 2001.

Artikel I, onderdelen AL, AM, AN en AQ (artikelen 5.5, 5.6, 5.13 en 5.16 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Ingevolge artikel 2.17, tweede lid, Wet IB 2001 worden bestanddelen van de rendementsgrondslag van de belastingplichtige en zijn partner geacht tot hun bezit te behoren in de onderlinge verhouding die zij daarvoor kiezen. Voorwaarde hiervoor is dat de belastingplichtige gedurende het gehele jaar dezelfde partner heeft. Indien de belastingplichtige gedurende een deel van het jaar een partner heeft, wordt de belastingplichtige voor de toepassing van artikel 2.17 Wet IB 2001 geacht het gehele jaar die partner te hebben gehad indien hij daarvoor samen met die partner kiest. Vrije toerekening van de bestanddelen van de rendementsgrondslag is blijkens het voorgaande niet toegestaan ingeval de belastingplichtige niet het gehele jaar een partner heeft of geacht wordt te hebben gehad.

Partners in de zin van artikel 1.2 Wet IB 2001 kunnen elke component van het heffingvrij vermogen alsook de vrijstellingen voor maatschappelijke beleggingen en beleggingen in durfkapitaal naar elkaar overhevelen. Het verzoek tot overheveling kan worden gedaan indien is voldaan aan de eisen die in de wet worden gesteld aan het partnerschap. Aan de duur van het partnerschap is – in afwijking van de toerekeningsregels van artikel 2.17 – geen voorwaarde verbonden.

Met de onderhavige wijzigingen is beoogd hoofdstuk 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 meer in lijn te brengen met de toerekeningsregels van artikel 2.17. Daartoe wordt in de artikelen 5.5, 5.6, 5.13 en 5.16 Wet IB 2001 een nieuw lid opgenomen op grond waarvan het verzoek tot overheveling alleen kan worden gedaan ingeval vrije toerekening van de bestanddelen van de rendementsgrondslag van de belastingplichtige en zijn partner is toegestaan.

Artikel I, onderdeel AO (artikel 5.14 van de Wet inkomsten-belasting 2001)

Met deze tekstuele aanpassing wordt een fout hersteld en is de tekst overeenkomstig de gelijkluidende tekst van artikel 5.14, derde lid, onderdeel a.

Artikel I, onderdeel AP (artikel 5.15 van de Wet inkomsten-belasting 2001)

In artikel 5.15, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is als voorwaarde opgenomen dat het doel en de feitelijke werkzaamheden van de fondsen geheel of nagenoeg geheel moet bestaan in het verstrekken van kredieten ten behoeve van sociaal-ethische projecten en/of in het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten. Dit betekent dat een sociaal-ethisch fonds zijn vermogen voor 90% of meer moet beleggen in kwalificerende projecten.

Voor de groen- en durfkapitaalfondsen geldt als voorwaarde dat zij hun vermogen hoofdzakelijk (>70%) moeten besteden aan kwalificerende projecten. Het hoofdzakelijkheidscriterium bij deze fondsen is een voortzetting van de onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bestaande voorwaarden voor de groen- en Agaathfondsen. Met de thans voorgestelde wijziging van artikel 5.15 wordt de parallel tussen de voorwaarden, die aan de fondsen worden gesteld, vergroot.

Daarnaast geldt dat de Regeling sociaal-ethische projecten zich alleen richt op projecten die zijn gelegen in ontwikkelingslanden. Het financieren van deze projecten met een specifiek karakter kost meer tijd. De ingelegde gelden worden pas als sociaal-ethisch aangemerkt zodra de financiering geregeld is en tellen tot dat moment dus niet mee voor de voorwaarde of een fonds haar vermogen geheel of nagenoeg geheel besteedt aan sociaal-ethische projecten. De introductie van het hoofdzakelijkheidscriterium biedt hiertoe een oplossing.

Deze wijziging werkt terug tot en met 31 december 2001, zodat fondsen in 2001 kunnen kwalificeren als sociaal-ethisch fonds als meer dan 70% van hun vermogen is belegd in kwalificerende projecten en aan alle overige voorwaarden is voldaan. Hierdoor kan de belegger in een sociaal-ethisch fonds die op 31 december 2001 een sociaal-ethische belegging heeft, zijn recht op vrijstelling in box III en de daarmee samenhangende heffingskorting in 2001 voor de helft effectueren.

De wijziging van het derde lid van artikel 5.15 is een herstel van een onjuistheid. Kwalificerende projecten moeten worden aangewezen door de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Minister van Buitenlandse Zaken.

Artikel I, onderdeel AR (artikel 5.18a van de Wet inkomsten-belasting 2001)

In artikel 5.18a, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is als voorwaarde opgenomen dat het doel en de feitelijke werkzaamheden van de fondsen geheel of nagenoeg geheel moet bestaan in het verstrekken van kredieten ten behoeve van culturele projecten en/of in het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten. Dit betekent dat een cultuurfonds zijn vermogen voor 90% of meer moet beleggen in kwalificerende projecten.

Voor de groen- en durfkapitaalfondsen geldt als voorwaarde dat zij hun vermogen hoofdzakelijk (>70%) moeten besteden aan kwalificerende projecten. Het hoofdzakelijkheidscriterium bij deze fondsen is een voortzetting van de onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bestaande voorwaarden voor de groen- en Agaathfondsen. Met de thans voorgestelde wijziging van artikel 5.18a wordt de parallel tussen de voorwaarden, die aan de fondsen worden gesteld, vergroot.

Deze wijziging werkt terug tot en met 31 december 2001, zodat fondsen in 2001 kunnen kwalificeren als cultuurfonds als meer dan 70% van hun vermogen is belegd in kwalificerende projecten en aan alle overige voorwaarden is voldaan. Hierdoor kan de belegger in een cultuurfonds die op 31 december 2001 een culturele belegging heeft, zijn recht op vrijstelling in box III en de daarmee samenhangende heffingskorting in 2001 voor de helft effectueren.

De wijziging van het derde lid van artikel 5.18a is een herstel van een onjuistheid. Kwalificerende projecten moeten worden aangewezen door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in overeenstemming met de Minister van Financiën.

Artikel I, onderdeel AS (artikel 5.21 van de Wet inkomsten-belasting 2001)

Aanleiding voor de wijziging is de naamsverandering die heeft plaatsgevonden bij de uitgever van de prijscourant AEX Data Services, die wordt genoemd in het huidige artikel 5.21, in Euronext Information Services. Voorgesteld wordt de nieuwe naam niet in de wet op te nemen, maar de prijscourant door middel van lagere regelgeving aan te wijzen bij ministeriële regeling. In de toekomst kan zo makkelijker worden ingespeeld op eventuele volgende naamswijzigingen en ontwikkelingen in de markt. Er wordt geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Artikel I, onderdeel AT (artikel 6.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Uit de memorie van toelichting bij de Wet IB 2001 blijkt dat bij de figuur van de conserverende aanslag de belasting over het geconserveerde inkomen doorgaans niet wordt ingevorderd. Blijft bijvoorbeeld een niet-toegestane handeling gedurende tien jaren achterwege, dan wordt de conserverende aanslag buiten invordering gesteld. Het is de bedoeling dat in die situatie het opleggen van de conserverende aanslag geen gevolgen heeft voor de fiscale positie van de belastingplichtige. Daarom zijn er maatregelen genomen om te voorkomen dat te conserveren inkomen gevolgen zou hebben voor de verliesverrekening, de middeling, de verrekening van voorheffingen, inkomensafhankelijke regelingen en de drempels voor buitengewone uitgaven en giften. In de wet is daartoe een aantal bepalingen opgenomen, bijvoorbeeld artikel 3.149, artikel 3.155 en artikel 4.48. In artikel 6.2, dat gaat over de persoonsgebonden aftrek, ontbreekt nog een dergelijke bepaling.

Het voorstel is niet bezwarend voor belastingplichtigen. Voorgesteld wordt deze wijziging te laten terugwerken tot en met 1 januari 2001.

Met het volgende voorbeeld zal duidelijk worden gemaakt wat de gevolgen zijn van het ontbreken van deze bepaling in artikel 6.2 van de Wet IB 2001.

Casus

In 2001 bedraagt het inkomen in box 1 € 35 000, hiervan is € 25 000 te conserveren inkomen. De persoonsgebonden aftrek bedraagt € 15 000. Geen inkomen in de overige boxen. Alleen de algemene heffingskorting is van toepassing.

Uitwerking volgens huidige wettekst

Op grond van artikel 6.2, eerste lid, wordt de persoonsgebonden aftrek ad € 15 000 geheel verrekend met het box 1-inkomen. Na verrekening bedraagt het belastbare inkomen in box 1 € 20 000.

Op grond van artikel 2.7 bedraagt de verschuldigde inkomstenbelasting € 2997.

Op grond van artikel 2.8 bedraagt de verschuldigde inkomstenbelasting op de gewone aanslag nihil (want het belastbare inkomen ad € 20 000 minus het te conserveren inkomen ad € 25 000 = negatief).

Op grond van artikel 2.9 bedraagt de verschuldigde inkomstenbelasting op de conserverende aanslag € 4614 (want de verschuldigde belasting op de conserverende aanslag is de belasting volgens artikel 2.7 ad € 2 997 verminderd met de belasting volgens artikel 2.8 ad nihil (= € 2997), maar wordt tenminste gesteld op het bedrag dat aan belasting verschuldigd zou zijn indien het te conserveren inkomen het enige inkomen zou zijn (€ 4614)).

Deze belastingplichtige krijgt dus een gewone aanslag van nihil en een conserverende aanslag van € 4614. Deze conserverende aanslag kan eventueel later buiten invordering worden gesteld. Bij deze belastingplichtige heeft € 5000 aan persoonsgebonden aftrek dus geen effect gehad. Niet bij de gewone aanslag (op basis van inkomen ad € 10 000 minus persoonsgebonden aftrek ad € 10 000 = nihil) en niet bij de conserverende aanslag (op basis van inkomen ad € 25 000).

Uitwerking op basis van voorgestelde artikel 6.2, vierde lid

De persoonsgebonden aftrek af € 15 000 wordt verrekend met het inkomen in box 1, waarbij het inkomen wordt bepaald zonder rekening te houden met te conserveren inkomen.

Inkomen uit werk en woning € 35 000 minus te conserveren inkomen ad € 25 000 = € 10 000.

Te verrekenen persoonsgebonden aftrek in 2001 € 10 000. Hierdoor wordt het belastbare inkomen in box 1 € 25 000 (€ 35 000 minus persoonsgebonden aftrek ad € 10 000).

Op grond van artikel 2.7 bedraagt de verschuldigde inkomstenbelasting € 4614.

Op grond van artikel 2.8 bedraagt de verschuldigde inkomstenbelasting op de gewone aanslag nihil (want het belastbare inkomen ad € 25 000 minus het te conserveren inkomen ad € 25 000 = nihil).

Op grond van artikel 2.9 bedraagt de verschuldigde inkomstenbelasting op de conserverende aanslag € 4614 (want de verschuldigde belasting op de conserverende aanslag is de belasting volgens artikel 2.7 ad € 4614 verminderd met de belasting volgens artikel 2.8 ad nihil (= € 4614).

De persoonsgebonden aftrek bedraagt in 2001 € 15 000, hiervan is verrekend met 2001 € 10 000, zodat € 5000 doorschuift naar 2002 (artikel 6.1, eerste lid, onderdeel b).

Volgens deze uitwerking krijgt de belastingplichtige ook hier een gewone aanslag van nihil en een conserverende aanslag van € 4614. Het verschil met de vorige uitwerking is dat de belastingplichtige hier nog recht heeft op verrekening van € 5000 persoonsgebonden aftrek in het jaar 2002.

Artikel I, onderdeel AU (artikel 6.14 van de Wet inkomsten-belasting 2001)

Vervallen.

Artikel I, onderdeel AV (artikel 6.17 van de Wet inkomsten-belasting 2001)

Deze wijziging beoogt een verduidelijking. Bij de bestaande tekst zou het misverstand kunnen ontstaan, dat tot de hulpmiddelen alleen hulpmiddelen ten behoeve van de belastingplichtige zelf worden gerekend.

Het voorstel is deze wijziging te laten terugwerken tot en met 1 januari 2002.

Artikel I, onderdelen AW en AZ (artikelen 6.24 en 6.39 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Deze wijzigingen betreffen een redactionele aanpassing.

Het voorstel is deze wijzigingen te laten terugwerken tot en met 1 januari 2001.

Artikel I, onderdeel AX (artikel 6.28 van de Wet inkomsten-belasting 2001)

In de Veegwet Wet inkomstenbelasting 2001 is artikel 3.104 Wet IB 2001 gewijzigd. Daarbij is verzuimd een verwijzing in artikel 6.28 Wet IB 2001 naar een onderdeel van artikel 3.104 Wet IB 2001 aan te passen. Dit wordt thans met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2001 hersteld.

Artikel I, onderdeel AY (artikel 6.37 van de Wet inkomsten-belasting 2001)

Sinds 1 januari 1990 bestaat voor de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting de mogelijkheid tot aftrek van giften aan niet in Nederland gevestigde instellingen. Bij besluit van 24 oktober 1991, DB91/4571, laatstelijk gewijzigd en aangevuld bij besluit van 20 januari 1999, DB98/4540M heeft de minister van deze aanwijzingsbevoegdheid ook gebruik gemaakt.

Met ingang van 1 januari 2001 bepaalt artikel 6.37 Wet IB 2001 dat giften aan niet in Nederland gevestigde instellingen worden aangemerkt als aftrekbare giften voorzover de instellingen daartoe bij ministeriële regeling zijn aangewezen. De tekst is volgens de huidige wetgeving zo geformuleerd dat de aanwijzingsbevoegdheid bij de Minister ligt, die zijn besluit bij ministeriële regeling publiceert. Deze aanwijzingsbevoegdheid is in de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 om praktische redenen echter neergelegd bij de Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen Buitenland Heerlen. Daarmee is beoogd de reeds onder de werking van de Wet op de inkomstenbelasting1964 bestaande praktijk ongewijzigd voort te zetten. Volgens artikel 10:14 Algemene Wet Bestuursrecht is de gekozen juridische figuur (delegatie aan ondergeschikten) niet toegestaan. Door het wijzigingsvoorstel wordt de bevoegdheid geattribueerd aan de minister van Financiën om te beslissen op verzoeken tot erkenning van algemeen nut beogende instelling. De minister zal bij besluit echter de inspecteur Ondernemingen/Particulieren Buitenland Heerlen mandateren.

De voorgestelde wetswijziging beoogt artikel 6.37 met bovenstaande in overeenstemming te brengen. Zodra de wetswijziging van kracht is, zal artikel 41 Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 2001 kunnen vervallen en zal een mandateringsbesluit worden uitgevaardigd.

Artikel I, onderdeel BA, eerste lid, (artikel 7.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

De wijziging in het tweede lid heeft geen inhoudelijke betekenis. Met deze wijziging wordt ter voorkoming van eventuele misverstanden duidelijker dan in de huidige wettekst tot uitdrukking gebracht – door een expliciete verwijzing naar de artikelen 3.2 en 3.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 op te nemen – dat wat betreft het bepalen van de omvang van de belastbare winst uit onderneming bij buitenlandse belastingplichtigen, niet alleen gekeken moet worden naar de buitenlandse belastingplichtige die als ondernemer winst uit Nederlandse onderneming geniet, maar ook naar medegerechtigden die aan bepaalde voorwaarden voldoen. In het verlengde daarvan wordt opgemerkt dat met het opnemen van de verwijzing naar artikel 3.2 tevens duidelijker wordt vastgelegd dat buitenlandse ondernemers in aanmerking komen voor de ondernemersaftrek als bedoeld in paragraaf 3.2.4. Uiteraard dient de buitenlandse belastingplichtige ondernemer net zoals de binnenlandse belastingplichtige ondernemer wel aan de voor de ondernemersaftrek geldende voorwaarden te voldoen.

Artikel I, onderdeel BA, tweede lid, (artikel 7.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

In artikel 7.2, tweede lid, onderdeel c, is, overeenkomstig afdeling 4 van hoofdstuk 3, opgenomen dat het resultaat uit overige in Nederland verrichte werkzaamheden tot het Nederlandse inkomen uit woning en werk behoort. Het resultaat uit overige werkzaamheden wordt in artikel 3.90 omschreven en de terbeschikkingstellingsbepalingen vormen een onderdeel van het resultaat uit overige werkzaamheden. Het is dan ook steeds de bedoeling geweest om het terbeschikkingstellingsregime inclusief de uitstelfaciliteit van artikel 25, veertiende lid, van de Invorderings-wet 1990 van toepassing te laten zijn voor buitenlandse belastingplichtigen. Als gevolg hiervan wordt de terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen door buitenlands belastingplichtigen aan (het Nederlandse deel van) een in Nederland gevestigde onderneming of vennootschap op dezelfde wijze behandeld als bij binnenlandsbelastingplichtigen die een vermogensbestanddeel ter beschikking stellen. Gedurende de parlementaire behandeling van de Wet IB 2001, Invoeringswet Wet IB 2001 en Veegwet Wet IB 2001 is de beoogde werking enkele malen aan de orde geweest (MvA, Kamerstukken I 1999/2000, 26 727 en 26 728, nr. 202a, blz. 125 en Tweede NvW, Kamerstukken II 2000/2001, 27 466, nr. 32, blz. 2).

In de praktijk en literatuur is onduidelijkheid gerezen omtrent de reikwijdte van het artikel 7.2, lid 2, onderdeel c, Wet IB 2001. Met name de zinsnede «werkzaamheden in Nederland». In de literatuur is de vraag opgeworpen of hiermee wordt gedoeld op de plaats waar het ter beschikking gestelde vermogensbestanddeel zich bevindt of op de plaats waar de natuurlijk persoon die het vermogensbestanddeel ter beschikking stelt zich bevindt. Of wellicht, in geval van een door de belastingplichtige verstrekte geldlening aan zijn eigen vennootschap, daar waar het geld zich bevindt (de bank)?

Om voornoemde onduidelijkheid weg te nemen en de steeds bestaande bedoeling duidelijk naar voor te laten komen, wordt voorgesteld een zinsnede aan artikel 7.2, derde lid, toe te voegen. Als gevolg van deze tekstuele wijziging wordt verduidelijkt dat de terbeschikkingstellingsbepalingen ook expliciet van toepassing zijn voor buitenlands belastingplichtigen. Een inhoudelijke wijziging is derhalve niet beoogd.

Artikel I, onderdeel BB (artikel 8.13 van de Wet inkomsten-belasting 2001)

In artikel I, onderdeel L, van de wet van 14 december 2001 tot wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 I – Arbeidsmarkt en inkomensbeleid) (Stb. 640) is de aanvullende kinderkorting gewijzigd. Deze wijziging valt in twee onderdelen uiteen. In de eerste plaats is bij amendement van de leden Dijsselbloem en De Vries (kamerstukken II 2001/2002, 28 013, nr. 14) het bedrag van de aanvullende kinderkorting verhoogd met € 143 tot € 341. In de tweede plaats is ter compensatie voor het vervallen van de kindertoeslagen in de Huursubsidiewet de aanvullende kinderkorting verder verhoogd met € 87 voor belastingplichtigen met een gezamenlijk verzamelinkomen van niet meer dan € 25 704. Abusievelijk is in genoemd amendement de verhoging met € 143 alleen verwerkt in de bepaling die de verhoging regelt ter compensatie van het vervallen van de kindertoeslagen in de Huursubsidiewet. Deze bepaling heeft echter als ingangsdatum 1 juli 2002. De nu voorgestelde wijziging van artikel 8.13 regelt alsnog de verhoging van de aanvullende kinderkorting met € 143 met ingang van 1 januari 2002. Overigens heeft de Belastingdienst bij de voorlopige teruggaaf heffingskortingen voor 2002 reeds vanaf januari met deze verhoging rekening gehouden.

Artikel I, onderdeel BC (artikel 9.2 van de Wet inkomsten-belasting 2001)

In het eerste lid vindt een aanpassing van terminologie plaats die samenhangt met de Wet van 14 december 2001 tot wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 II – Economische infrastructuur) (Stb. 641). In die wet is onder meer een maatregel opgenomen met betrekking tot zogenoemde hybride leningen. Daarbij is in de Wet op de dividendbelasting 1965 de term «winstdelende obligaties» vervangen door «geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969». In het eerste lid wordt de terminologie in artikel 9.2, tweede lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 op dezelfde wijze aangepast.

Het tweede lid heeft betrekking op het volgende. In artikel 9.2, eerste lid, Wet IB 2001 is de geheven dividendbelasting als voorheffing aangewezen. Anders dan onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is ook de geheven dividendbelasting die geen betrekking heeft op bestanddelen van het verzamelinkomen verrekenbaar. Geen rekening is echter gehouden met de dividendbelasting geheven van natuurlijke personen die niet in Nederland wonen maar wel Nederlands inkomen genieten (buitenlandse belastingplichtigen). Op grond van artikel 9.2, eerste lid, Wet IB 2001 komen buitenlandse belastingplichtigen – onbedoeld – in aanmerking voor onvoorwaardelijke verrekening van de geheven dividendbelasting.

Natuurlijke personen die niet in Nederland wonen worden in beginsel niet voor dividenden in de heffing van inkomstenbelasting betrokken. Dit neemt niet weg dat Nederland als bronstaat een internationaal algemeen aanvaard heffingrecht over dividenden heeft. Voor natuurlijke personen die niet in Nederland wonen is de geheven dividendbelasting dan ook als eindheffing bedoeld. Uitzondering hierop is de geheven dividendbelasting die betrekking heeft op bestanddelen van het verzamelinkomen zoals het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap.

Ingevolge de voorgestelde wijziging wordt de dividendbelasting die is geheven van buitenlandse belastingplichtigen alleen indien zij betrekking heeft op bestanddelen van het verzamelinkomen als voorheffing aangewezen. Aan deze wijziging wordt terugwerkende kracht verleend tot en met de datum van indiening van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer. Ik acht deze zeer beperkte terugwerkende kracht noodzakelijk omdat de aankondiging van deze wijziging aandeelhouders die niet in Nederland wonen ertoe zou kunnen bewegen alsnog Nederlands inkomen te verwerven teneinde te profiteren van de onvoorwaardelijke verrekenbaarheid van de dividendbelasting die is geheven over zijnde vermogensbestanddelen die niet tot de rendementsgrondslag in Nederland behoren.

Artikel I, onderdeel BD (artikel 9.3 van de Wet inkomsten-belasting 2001)

Ingevolge artikel 9.3, vijfde lid, Wet IB 2001 wordt een voorlopige teruggaaf vastgesteld voorzover aannemelijk is dat meer loonbelasting zal worden geheven dan het bedrag dat aan inkomstenbelasting verschuldigd zou zijn indien een aanslag inkomstenbelasting zou worden opgelegd. Bij het vaststellen van de voorlopige teruggaaf wordt de dividendbelasting niet in aanmerking genomen ofschoon de geheven dividendbelasting is aangewezen als voorheffing die wordt verrekend met de aanslag inkomstenbelasting. Het voorstel is bij de vaststelling van de voorlopige teruggaaf voortaan mede rekening te houden met de dividendbelasting (en kansspelbelasting in situaties waarin die belasting een voorheffing is).

Door in artikel 9.3, vijfde lid, te verwijzen naar de in artikel 9.2 bedoelde voorheffingen kan artikel 9.3, zevende lid, in vereenvoudigde vorm blijven bestaan.

Artikel I, onderdeel BE (artikel 9.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Deze wijziging betreft een redactionele aanpassing.

Het voorstel is deze wijziging te laten terugwerken tot en met 1 januari 2001.

Artikel I, onderdeel BF (artikel 10.1 van de Wet inkomsten-belasting 2001)

In artikel I, onderdeel BR, van de Veegwet Wet inkomstenbelasting 2001 is artikel 9.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 gewijzigd. Na deze wijziging bevat dit artikel geen bedrag meer. Verzuimd werd om bij die gelegenheid artikel 9.2 te schrappen uit de opsomming in artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van de artikelen met bedragen waarop de «automatische» inflatiecorrectie van toepassing is. Met deze wijziging wordt artikel 10.1 op dit punt alsnog aangepast.

Het voorstel is deze wijziging te laten terugwerken tot en met 1 januari 2001.

Artikel II, onderdeel A (hoofdstuk 2 van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, artikel I, onderdeel B)

In onderdeel B wordt per abuis het kalenderjaar 2000 genoemd.

Het voorstel is het herstel van deze verschrijving te laten terugwerken tot en met 1 januari 2001.

Artikel II, onderdeel B (hoofdstuk 2 van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, artikel I, onderdeel Dd)

In de Wet van 14 december 2001, Stb. 641, tot wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 II–Economische infrastructuur) is een regeling voor filminvesteringsaftrek met aangepaste desinvesteringsbijtelling opgenomen. De desbetreffende bepalingen zullen evenwel pas in werking treden zodra de regeling door de Europese Commissie is goedgekeurd. De inwerkingtreding zal bij koninklijk besluit plaatsvinden.

Zoals in de brief van 28 december aan de Tweede Kamer is gemeld, heb ik bij besluit van 28 december 2001, nr. CPP2001/3658M, de overgangsregeling film voor 2001 met ten hoogste drie maanden verlengd, vooruitlopend op wetgeving. Dit besluit is getroffen in het licht van de motie-Molenaar (kamerstukken II, 2001/02, 25 434, nr. 8). Vervolgens is dit besluit enkele malen vervangen.

In het Besluit van 23 april 2002, nr. CPP2002/1255M, opvolger van het Besluit van 28 december 2001, nr. CPP2001/3658M, is aangegeven dat de procedure bij de Europese Commissie, naar het zich thans laat aanzien, nog enige tijd in beslag zal nemen. Teneinde te voorkomen dat ondernemers in de filmsector tijdens de loop van deze procedure in onzekerheid zouden verkeren omtrent het investeringsregime heb ik, vooruitlopend op wetgeving, goedgekeurd dat tussen de afloop van de regeling voor 2001 («tijdelijke tegemoetkoming film 2001» welke is opgenomen in de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001) en de inwerkingtreding van de regeling voor de aangepaste filminvesteringsaftrek uit de hiervoor genoemde Wet van 14 december 2001, de regeling «tijdelijke tegemoetkoming film 2001» wordt gecontinueerd tot aan het tijdstip van inwerkingtreding van de regeling voor de aangepaste filminvesteringsaftrek. Ervan uitgaande dat de goedkeuring van de Europese Commissie vóór 16 juli 2002 zal worden gerealiseerd, geldt deze goedkeuring tot en met 15 juli 2002. De thans voorgestelde wijzigingen van de «tijdelijke tegemoetkoming film 2001» bevatten de in het besluit van 23 april aangekondigde wetgeving. Deze wijzigingen werken terug tot en met 1 januari 2002.

De wijzigingen in het eerste tot en met het vierde lid leiden ertoe dat de tijdelijke tegemoetkoming film 2001 ook van toepassing zal zijn van 1 januari 2002 tot en met 15 juli 2002.

Artikel II, onderdeel C (hoofdstuk 2 van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, artikel I, onderdeel O)

In de praktijk blijkt niet geheel duidelijk te zijn of op grond van de ingevolge onderdeel O, eerste lid, gerealiseerde eerbiedigende werking ook met ingang van 2001 nog steeds aftrek mogelijk is van renten betaald ter zake van de financiering van premies voor lijfrenten met een geldlening. Om mogelijke misverstanden op dit punt te voorkomen, wordt thans expliciet geregeld dat voor het bepalen van het inkomen uit een recht op periodieke uitkeringen of verstrekkingen zoals bedoeld in onderdeel O de regels van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 blijven gelden met uitzondering van de regels die in conflict komen met het bepaalde in artikel 3.109 van de Wet IB 2001. Ingevolge deze laatste bepaling worden renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, niet aangemerkt als aftrekbare kosten. Deze uitsluiting heeft vooral betrekking op premies voor lijfrenten en andere inkomensvoorzieningen die gefinancierd worden door middel van een geldlening.

In het eerste lid, onderdeel d, is volgens de huidige tekst geregeld dat de eerbiedigende werking betrekking heeft op vóór 14 september 1999 tot stand gekomen overeenkomsten indien de aan het recht ten grondslag liggende overeenkomst waarop de premiebetalingen zijn gebaseerd op of na 14 september niet is gewijzigd dan wel de overeengekomen premiebetalingen niet zijn verhoogd. In feite is echter alleen relevant dat de overeengekomen premies niet worden verhoogd. Het stellen van de voorwaarde dat de eerbiedigende werking verloren gaat bij een wijziging van de overeenkomst leidt tot niet-beoogde gevolgen. Ook overeenkomsten namelijk waarbij de premie niet wordt verhoogd, maar die bijvoorbeeld aan de Wet IB 2001 worden aangepast, ontberen als gevolg van de huidige tekst van onderdeel d de eerbiedigende werking. Om deze redenen wordt voorgesteld de tekst van onderdeel d bij te stellen.

De eerste wijziging van het tweede lid beoogt een betere verwoording te zijn van het feit dat het moet gaan om een overeenkomst waarvan de premies niet aftrekbaar waren. In het tweede lid is bepaald dat het eerste lid met ingang van 2021 niet meer van toepassing is op een recht op periodieke uitkeringen voorzover de daarvoor betaalde premies niet ten laste van het inkomen voor de toepassing van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 konden komen. Ter verduidelijking wordt hieraan toegevoegd dat de eerbiedigende werking van het eerste lid met ingang van 2021 ook verloren gaat voor rechten op periodieke uitkeringen uit een overeenkomst van voor 14 september 1999 ter zake waarvan na 1 januari 2001 nog niet-aftrekbare premies zijn betaald van niet meer dan € 2269 per jaar. Het betreft slechts een verduidelijking van de wettekst omdat geen eerbiedigende werking wordt verleend voor premie-aftrek op de voet van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en premiebetalingen die plaatsvinden op of na 1 januari 2001 nimmer op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 tot aftrek kunnen leiden.

De wijziging van het derde lid betreft het herstel van een onjuiste terminologie. De premies worden niet als premies in aanmerking genomen, maar als persoonlijke verplichting.

Het voorstel is deze wijzigingen, behoudens die ingevolge onderdeel C, eerste lid, te laten terugwerken tot en met 1 januari 2001. De wijzigingen hebben geen belastend karakter.

Artikel II, onderdelen D en E (hoofdstuk 2 van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, artikel I, onderdelen P en Q)

De voorgestelde wijzigingen in de onderdelen P en Q betreffen het herstel van een onjuiste terminologie. De premies worden niet als premies in aanmerking genomen, maar als persoonlijke verplichting.

Het voorstel is het herstel van deze onjuiste terminologie te laten terugwerken tot en met 1 januari 2001.

Artikel II, onderdeel F (hoofdstuk 2 van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, artikel I, onderdeel R)

In onderdeel R is een bepaling opgenomen op grond waarvan de eerbiedigende werking voor bepaalde rechten op periodieke uitkeringen en verstrekkingen van onderdeel O, eerste lid, eindigt bij emigratie. Ook hiervoor geldt, evenals bij de hiervoor voorgestelde wijziging van onderdeel O, tweede lid, dat de eerbiedigende werking bij emigratie eveneens verloren gaat met betrekking tot aanspraken die ontstaan door premies die vallen onder de werkingssfeer van onderdeel O, eerste lid, onderdeel d. Evenals bij de wijziging van onderdeel O is dit niet meer dan een verduidelijking, die de betekenis van de bepaling ten principale niet wijzigt.

Het voorstel is de wijziging ingevolge onderdeel F te laten terugwerken tot en met 1 januari 2001.

Artikel II, onderdeel G (hoofdstuk 2 van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, artikel I, onderdeel AN)

Op grond van de huidige tekst van artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet IB 2001 bestaat gedurende een overgangsperiode een vrijstelling in box III van maximaal € 123 428 per belastingplichtige voor uiterlijk op 13 september 1999 afgesloten kapitaalverzekeringen. Indien twee partners ter zake van één polis beiden gebruik wensen te maken van deze overgangsregeling is dat alleen mogelijk wanneer beide partners als contractant of onherroepelijk begunstigde in de polis zijn aangemerkt. Het hiertoe aanpassen van polissen legt een extra administratieve druk op verzekeraars en brengt kosten met zich voor belastingplichtigen. Daarnaast kan wijziging van polissen tot schenkingsrechtproblematiek bij belastingplichtigen leiden.

Omdat belastingplichtigen via een omweg – door het omzetten van een polis – toch de dubbele overgangsvrijstelling deelachtig kunnen worden, wordt het overgangsrecht op dit punt versoepeld, zoals reeds aangekondigd in het besluit van 8 januari 2002, DGB2001/1648M.

Indien een partner niet of niet volledig gebruik maakt van zijn overgangsvrijstelling , kan hij deze vrijstelling in haar geheel – dus niet voor een gedeelte – overdragen aan de belastingplichtige. Hiertoe moeten de partners elk jaar bij de aangifte van de partner die de vrijstelling krijgt toebedeeld, gezamenlijk een verzoek doen.

Wellicht ten overvloede merk ik op dat de vrijstelling uiteraard alleen kan worden overgedragen aan een belastingplichtige die verzekeringnemer/onherroepelijkbegunstigde is ter zake van een kapitaalverzekering van voor 14 september 1999.

In lijn met de toerekeningsregels van artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 kan het vrijstellingsbedrag alleen worden overdragen indien vrije toerekening van de bestanddelen van de rendementsgrondslag van de belastingplichtige en zijn partner is toegestaan.

Het voorstel is deze wijzigingen te laten terugwerken tot en met 1 januari 2001.

Artikel II, onderdeel H (hoofdstuk 2 van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, artikel I, onderdeel AO)

Op grond van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AO, eerste lid, wordt, onder voorwaarden, de op grond van artikel 3.118 van de Wet inkomstenbelasting 2001 te bepalen vrijstelling voor een kapitaalverzekering eigen woning verhoogd met de waarde in het economisch verkeer op 31 december 2000 van een op 31 december 1991 bestaande polis die per 1 januari 2001 omgezet wordt in een kapitaalverzekering eigen woning. Volgens de huidige tekst worden de bedragen zoals die in artikel 3.118, eerste en zesde lid, worden genoemd verhoogd. Op grond van het derde lid van artikel 3.118 worden de in het eerste lid genoemde vrijstellingen echter nog verminderd met de bedragen waarvoor al eerder de vrijstelling als genoemd in het eerste lid is toegepast. De huidige wettekst zou zo gelezen kunnen worden dat bij de verhoging van de vrijgestelde bedragen ten onrechte geen rekening gehouden zou worden met de imputatie op grond van het derde lid. Om eventuele misverstanden te voorkomen wordt onderdeel AO aangepast.

Het voorstel is deze wijziging te laten terugwerken tot en met 1 januari 2001.

Artikel II, onderdeel I (hoofdstuk 2 van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, artikel I, onderdeel AP)

Indien een belastingplichtige met een eigen woning en een kapitaalverzekering eigen woning, de eigen woning verkoopt, komt de kapitaalverzekering eigen woning fictief tot uitkering. Indien aan de voorwaarden van artikel 3.118, eerste lid, Wet IB 2001 wordt voldaan, zal de vrijstelling van dat eerste lid veelal van toepassing zijn. Vervolgens vindt op grond van het derde lid van artikel 3.118, Wet IB 2001 een imputatie toepassing op de vrijstelling van het eerste lid. Daarnaast worden de vrijstellingen van artikel 26a, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, met dit zelfde bedrag geïmputeerd. Indien de belastingplichtige vervolgens binnen 3 jaren na de fictieve uitkering wederom een eigen woning bezit en de kapitaalverzekering daaraan koppelt, wordt op grond van artikel 3.118, vijfde lid, Wet IB 2001 de vrijstelling van het eerste lid weer opgehoogd met het bedrag van de hiervoor genoemde imputatie. In de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 is een dergelijke bepaling echter per abuis niet opgenomen voor de vrijstellingen van artikel 26a, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Door het opnemen van een vijfde lid in genoemd onderdeel AN wordt deze omissie alsnog hersteld. Omdat deze wijziging ten voordele van de belastingplichtigen werkt, is het voorstel de bepaling in werking te laten treden met een terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2001.

Artikel II, onderdeel J (hoofdstuk 2 van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, artikel I, onderdeel ATa)

Met de wijziging van het tweede lid wordt een omissie hersteld. De bij het Belastingplan 2002 deel I ingevoerde toetrederskorting is ten onrechte niet opgenomen in de opsomming van het eerste lid van onderdeel ATa. Het voorstel is deze omissie te herstellen met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2002.

In het derde lid van onderdeel ATa is een regeling opgenomen die beoogt te voorkomen dat met name alphahulpen, die minder dan elf uur per week werken en een partner hebben, die niet voor de overgangsregeling van onderdeel ATa in aanmerking komt, ook zelf niet van die regeling gebruik kan maken. Het minder dan elf uur werken is daarbij aangeduid met een inkomensgrens van € 4395. De tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting op grond van onderdeel ATa neemt elk jaar af.

Alphahulpen ontvangen ter compensatie voor de in onderdeel ATa voorziene geleidelijke afneming van de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting, een loonsverhoging. Gebleken is nu dat door die loonsverhoging de in onderdeel ATa, derde lid, opgenomen grens van € 4395 zou kunnen worden overschreden. Dit betekent dat alphahulpen dan geen recht meer hebben op de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting. Dit effect is niet bedoeld. Met de thans voorgestelde verhoging van het bedoelde bedrag, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2002, wordt dit voorkomen. Voor het kalenderjaar 2003 zal het bedrag nog verder worden verhoogd. Wetgeving zal ter zake worden ingediend wanneer bekend is met welk percentage de lonen van alphahulpen per 1 januari 2003 zullen worden aangepast. Hetzelfde geldt voor de kalenderjaren 2004 en 2005.

Het nieuwe zesde lid heeft de volgende achtergrond. Met dit lid wordt beoogd te voorkomen dat bij de toepassing van de regeling inzake de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting deze verhoging tot een te laag bedrag zou worden berekend door twee keer rekening te houden met het feit dat een belastingplichtige niet verzekerd is voor de AOW. Dit is niet beoogd. In de formule ter berekening van de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting wordt de heffing over het belastbare inkomen van box 1 bepaald aan de hand van het IB/PH-tarief voor de belastingplichtige. Indien de belastingplichtige de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, is hij niet meer premieplichtig voor de AOW. Dat op zich leidt reeds tot een lagere uitkomst van de formule. De uit de formule voortvloeiende verhoging van de algemene heffingskorting wordt vervolgens uitgesplitst in een belastingdeel en premiedelen, waaronder het AOW-deel. Voor het AOW-deel komt de belastingplichtige die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en als gevolg daarvan niet verzekerd is voor de AOW, niet in aanmerking. De verdeling van de uitkomst van de formule leidt derhalve nogmaals tot een lagere uitkomst.

Onder de oude invorderingsvrijstelling van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 werd er niet twee maal rekening gehouden met het feit dat 65-plussers niet premieplichtig zijn voor de AOW. Het hiervoor bedoelde effect deed zich daar dan ook niet voor. De 65-plusser die recht had op de invorderingsvrijstelling en nu recht heeft op de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting gaat er dus in besteedbaar inkomen op achteruit. Dit is een onbedoeld effect.

Door de voorgestelde wijziging van het nieuwe zesde lid wordt artikel 8.7, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing verklaard op de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting. Dit bewerkstelligt dat bij de verdeling van dat deel van de standaardheffingskorting dat betrekking heeft op de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting over inkomstenbelasting- en volksverzekeringsdelen, er niets wordt toegerekend aan het AOW-deel. De tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting wordt daardoor volledig toegerekend aan de inkomstenbelasting, de algemene nabestaandenverzekering en de algemene verzekering bijzondere ziektekosten.

Door de voorgestelde wijziging is er geen AOW-deel meer opgenomen in de tijdelijke verhoging. Op deze wijze wordt voorkomen dat een tweede maal rekening wordt gehouden met het niet-verzekerd zijn voor de AOW. De achteruitgang in besteedbaar inkomen voor deze belastingplichtigen is hierdoor ongedaan gemaakt.

Voorbeeld: Een 65-plusser verdient in 2001 met freelance werkzaamheden f 8000. Hij heeft een partner met een hoog inkomen.

De tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting conform de huidige wettekst is voor een 65-plusser als volgt te berekenen:

– De tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting bedraagt op basis van onderdeel ATa f 1156.

– Toerekening op grond van artikel 8.3 tot en met 8.6 Wet IB 2001 betekent:

IB-deel2,95/32,35 x f 1156= f 106
AOW-deel17,90/32,35 x f 1156= f 639
AWBZ/ANW-deel11,50/32,35 x f 1156= f 411

Een 65-plusser heeft geen recht op het AOW-deel, dus de tijdelijke verhoging bedraagt bij de huidige wettekst: f 1156 – f 639 = f 517.

De tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting waarop artikel 8.7 wordt toegepast, werkt als volgt uit.

Voor de 65-plusser bedraagt de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting f 1156. Toerekening op grond van artikel 8.3 tot en met 8.6 Wet IB 2001 met toepassing van artikel 8.7 Wet IB 2001 betekent: betekent:

IB-deel2,95/14,45 x f 1156= f 236
AWBZ/ANW-deel11,50/14,45 x f 1156= f 920

De 65-plusser uit het voorbeeld heeft volgens het voorstel recht op de volledige tijdelijke verhoging van f 1156. Het resultaat is derhalve dat door het voorstel de tijdelijke verhoging stijgt van f 517 naar f 1156.

Het voorstel is het nieuwe vijfde lid te laten terugwerken tot en met 1 januari 2001.

Artikel III (artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelas-tingen)

Bij de totstandkoming van de Wet inkomstenbelasting 2001 is bepaald dat de verrekening van een verlies in bepaalde gevallen (o.a. artikel 3.152, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001) kan geschieden bij voorlopige verliesverrekening. Voorheen geschiedde dit bij voorlopige teruggaaf. Teneinde zeker te stellen dat, evenals voorheen, met betrekking tot de voorlopige verliesverrekening navordering overeenkomstig het tweede lid van artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) mogelijk is, dient de voorlopige verliesverrekening te worden opgenomen in de opsomming van gevallen in artikel 16, tweede lid, onderdeel a, AWR.

Artikel IV, onderdeel A (artikel 10 van de Wet op de vennoot-schapsbelasting 1969

Bij de Wet van 20 december 2001 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (afschaffing vrijstelling enkele overheidsbedrijven en voorkoming incidentele voor- en nadelen) (Stb. 646) is als gevolg van een onjuiste samenloop met de Wet van 14 december 2001 tot wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 II – Economische infrastructuur) (Stb. 641) een verkeerd onderdeel vervangen. Daardoor is abusievelijk de bepaling omtrent de aftrek wegens correctie naar een gebruikelijk loon vervallen. Deze vergissing wordt met terugwerkende kracht hersteld.

In artikel 10, tweede lid, zijn de situaties omschreven waarin een lening geacht wordt bij de schuldenaar feitelijk te functioneren als eigen vermogen. Eén van de factoren die daarbij een rol speelt, is de looptijd van de lening. Voor alle duidelijkheid wordt in de voorgestelde aanpassing geëxpliciteerd dat een lening zonder vaste aflossingsdatum voor de onderdelen a en b op dezelfde wijze wordt behandeld als een lening met een looptijd van meer dan 10 jaar.

Met betrekking tot leningen tussen gelieerde partijen waarbij geen of een onzakelijke rentevergoeding (hierna een onzakelijke vergoeding) is overeengekomen, is in artikel 10, vierde lid, bepaald dat deze geacht worden winstafhankelijk te zijn. Deze fictie is ingegeven door de overweging dat het in de praktijk lastig is om bij het ontbreken van een rentevergoeding in gelieerde verhoudingen, vast te stellen of in zakelijke verhoudingen een vaste dan wel een variabele vergoeding overeengekomen zou zijn. Bij nadere beschouwing moet worden geconstateerd dat in verdragsrelaties een nuancering op zijn plaats is in gevallen waarin het beperken van de renteaftrek door de werking van deze fictie leidt tot internationale dubbele heffing.

Indien in geval van een onzakelijke vergoeding bij een Nederlandse schuldenaar op grond van artikel 10, vierde lid, geen aftrek wordt toegestaan, terwijl in het land van de schuldeiser op basis van de toepassing van het arm's-lengthbeginsel wel een vergoeding in de heffing wordt betrokken, kan deze dubbele heffing aanleiding geven tot overleg tussen de verdragspartijen. Mocht in dat overleg overeenstemming worden bereikt dat de lening op grond van het arm's-lengthbeginsel bij de schuldenaar dient te worden behandeld als vreemd vermogen, dan zal Nederland in het kader van de verdragstoepassing alsnog aftrek van de vergoeding toestaan. Daarvoor is geen afzonderlijke voorziening in artikel 10 nodig.

Artikel IV, onderdeel B (artikel 10a van de Wet op de vennoot-schapsbelasting 1969

Artikel 10a, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 richt zich tegen het op kunstmatige wijze creëren van een rente-aftrek door onder meer het schuldig blijven van de teruggaaf van gestort kapitaal of van de storting van kapitaal. Het tweede lid, onderdeel a, van dat artikel richt zich tegen een vergelijkbare vorm van onbedoeld gebruik, te weten het creëren van een rente-aftrek door een lening met een verbonden lichaam of persoon aan te gaan ten behoeve van de teruggaaf van gestort kapitaal aan een verbonden lichaam of persoon. Een zelfde effect kan zich voordoen als het niet gaat om gestort kapitaal, maar om een schuldvordering die bij de schuldenaar in de zin van artikel 10, eerste lid, feitelijk functioneert als eigen vermogen. Daarom wordt artikel 10a, eerste lid, en tweede lid, onderdeel a, op dit punt aangevuld. Onderdeel B, eerste en tweede lid, zien daarop.

Gelet op het karakter van een schuldvordering waarbij de lening in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d, bij de schuldenaar feitelijk functioneert als eigen vermogen, is er voorts aanleiding in een aantal artikelen te expliciteren dat een dergelijke schuldvordering in de trits thuishoort van «aandelen, bewijzen van deelgerechtigdheid en lidmaatschapsrechten». In onderdeel B, derde lid, wordt dat voorgesteld voor artikel 10a, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Dit onderdeel heeft betrekking op een aftrekbeperking van rente van een lening die door de belastingplichtige is aangetrokken van een verbonden lichaam, om daarmee aandelen in een ander verbonden lichaam te verwerven. Nu voor schuldvorderingen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, net als voor aandelen, de deelnemingsvrijstelling kan gelden, is er aanleiding de aftrekbeperking van artikel 10a ook toe te passen bij een geldlening waarvan de opbrengst wordt gebruikt voor de verwerving van een zodanige schuldvordering. In de trits hoort ook thuis winstbewijzen, nu ook winstbewijzen onder de deelnemingsvrijstelling kunnen vallen. Het voorstel is dan ook winstbewijzen op te nemen in artikel 10a, tweede lid, onderdeel b.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt, dat onderdeel c van genoemd tweede lid reeds zodanig ruim is geformuleerd, dat daar onder valt het verstrekken van een hybride lening, welke onder de deelnemingsvrijstelling valt, aan een buitenlands verbonden lichaam en het vervolgens teruglenen volgens een «normale» lening van de uitgeleende gelden. In die situatie is de rente op de «normale» lening uiteraard niet aftrekbaar, net zo min als in de situatie van een echte kapitaalstorting, welke vervolgens wordt teruggeleend.

Door de wijziging in onderdeel B, vierde lid, wordt de in artikel 10a, vierde lid, opgenomen omschrijving van de term verbonden lichaam tevens van toepassing op het in dit wetsvoorstel opgenomen artikel 13bb.

Artikel IV, onderdeel BA (artikel 10c van de Wet op de vennoot-schapsbelasting 1969

In de memorie van antwoord van 20 juni 2002 aan de Eerste Kamer op de wetsvoorstellen 27 896 en 28 246 is opgemerkt, dat het nieuwe artikel 10c niet alleen betrekking heeft op als tijdelijke belegging ingekochte eigen aandelen maar ook op derivaten op eigen aandelen. In de nadere memorie van antwoord van 5 juli 2002 op deze wetsvoorstellen is toegezegd, dat zal worden bevorderd de wettekst op dit punt te verduidelijken. Deze verduidelijking is opgenomen in het thans voorgestelde nieuwe vierde lid van artikel 10c.

Artikel IV, onderdeel C (artikel 13 van de Wet op de vennoot-schapsbelasting 1969

In het Belastingplan 2002 deel II, is een regeling getroffen in de deelnemingsvrijstelling voor de situatie dat een deelneming is vervreemd tegen een prijs welke geheel of ten dele bestaat uit een recht op een of meer termijnen waarvan het aantal of de omvang in het jaar van de vervreemding nog niet vaststaat (earn-outregeling). Met het sluiten van een earn-outovereenkomst beogen partijen de prijs te bepalen aan de hand van de nadien behaalde resultaten, om te voorkomen dat achteraf voor- of nadelen ontstaan. Met de nieuwe regeling wordt fiscaal bij die bedoeling aangesloten.

Inmiddels is gebleken dat de getroffen regeling beperkter is dan waaraan de praktijk (bedrijfsleven en belastingsdienst) behoefte heeft. In dat verband wordt voorgesteld de regeling met terugwerkende kracht tot 1 januari 2002 op twee punten uit te breiden. In de eerste plaats wordt voorgesteld de regeling voor de koper ook van toepassing te laten zijn indien hij een belang verwerft dat voor hem – eventueel samen met reeds in zijn bezit zijnde aandelen – een deelneming gaat vormen maar voor de verkoper géén deelneming heeft gevormd. In de tweede plaats wordt voorgesteld de regeling ook van toepassing te laten zijn bij inkoop van aandelen in de vorm van een earn-outregeling. In de tekst is voorts duidelijker tot uitdrukking gebracht dat de regeling ook van toepassing is indien de verkoper een gedeelte van een deelneming vervreemdt of de koper een deelneming uitbreidt.

In de huidige tekst van het derde lid is bepaald dat een hybride schuldvordering onder de deelnemingsvrijstelling valt, indien de schuldeiser reeds een op grond van artikel 13, tweede lid, kwalificerende deelneming heeft in de schuldenaar. Dit betekent dat de schuldenaar minimaal 5% van het aandelenkapitaal in de schuldenaar moet bezitten en dit bezit niet uitsluitend ter belegging mag worden aanhouden. Tijdens de behandeling van het belastingplan 2002 in de Eerste Kamer is toegezegd dat op dit punt een verruiming zal worden opgenomen. Die verruiming zou inhouden dat de hybride lening ook onder de deelnemingsvrijstelling valt, indien sprake is van een oneigenlijke deelneming, met andere woorden wanneer de schuldeiser minder dan 5% van het aandelenkapitaal van de schuldeiser bezit en dit niet ter belegging houdt. Aan deze toezegging wordt uitvoering gegeven met het voorstel om in het derde lid, eerste volzin, de zinsnede «op grond van het tweede lid» te laten vervallen.

In het derde lid, tweede volzin, is bepaald dat een hybride lening die door een Nederlandse moeder is verstrekt aan een buitenlandse dochter/deelneming, slechts met de deelneming kan worden meegetrokken als de moeder aannemelijk maakt dat de gehele vergoeding op de lening bij de buitenlandse dochter niet aftrekbaar is. In de praktijk komt het voor dat de buitenlandse fiscus de lening niet geheel, maar slechts voor een gedeelte als eigen vermogen ziet, waardoor de rente in het andere land slechts voor een deel niet aftrekbaar is. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als in het andere land thin-capitalisation regels gelden. In verband daarmee wordt een aanpassing voorgesteld die inhoudt dat ten aanzien van een dergelijke lening de deelnemingsvrijstelling slechts van toepassing is voorzover de lening in het andere land bij de schuldenaar op basis van de aldaar geldende regelgeving feitelijk als eigen vermogen functioneert en de vergoeding op de lening in het andere land niet aftrekbaar is. De deelnemingsvrijstelling wordt dus eventueel partieel toegepast.

Bij het ontbreken van een vergoeding op een lening van een Nederlandse moeder aan een buitenlands lichaam, zal in het land van de schuldenaar doorgaans geen vaststelling hebben plaatsgevonden waaruit kan worden afgeleid of de lening aldaar feitelijk functioneert als eigen vermogen. Doordat geen rente is overeengekomen, ontbreekt namelijk veelal enig belang bij een beoordeling van het karakter van de geldverstrekking. Enerzijds is het in deze gevallen onwenselijk om eenzijdig afstand te doen van het Nederlandse recht om op basis van het arm's-lengthbeginsel te heffen over een vergoeding zoals die in vergelijkbare situaties tussen onafhankelijke partijen zou zijn overeengekomen. Een dergelijke eenzijdige afstand van het Nederlandse heffingsrecht zou ontstaan als zonder enige nadere beoordeling de deelnemingsvrijstelling zou worden toegepast. Anderzijds dient ook te worden onderkend dat, afhankelijk van de feitelijke situatie die zich voordoet, de conclusie kan zijn gerechtvaardigd dat de lening feitelijk functioneert als eigen vermogen. Om een evenwichtige oplossing te bereiken, wordt thans aan het derde lid, eerste volzin, onderdeel b, toegevoegd dat het meetrekken van een hybride lening met een reeds bestaande deelneming niet geldt voor leningen waarop geen vergoeding of een onzakelijke vergoeding is overeengekomen. Daarop ziet de toevoeging van de zinsnede «maar met uitzondering van de situaties die rechtens dan wel in feite overeenkomen met de situaties, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a en b, van dat artikel». Mocht daardoor dubbele heffing ontstaan, dan vormt dat een aanleiding voor overleg tussen de betrokken verdragspartijen. Indien in dat overleg overeenstemming wordt bereikt dat de lening op grond van het arm's-lengthbeginsel feitelijk functioneert als eigen vermogen, dan zal deze lening voor de Nederlandse heffingswetten worden aangemerkt als een lening waarvan de rente in feite winstafhankelijk is. In voorkomende gevallen kan dit betekenen dat er alsnog aanleiding zou kunnen zijn om de deelnemingsvrijstelling toe te passen. De hiervoor beschreven werking van de deelnemingsvrijstelling ten aanzien van leningen waarbij een vergoeding ontbreekt, gecombineerd met de nuancering voor verdragsverhoudingen zoals beschreven in de toelichting bij Artikel IV, onderdeel A, (artikel 10 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, leidt internationaal tot een evenwichtig resultaat waarbij het heffingsrecht van Nederland kan worden geëffectueerd, terwijl internationale dubbele belasting en het ontstaan van ongewenste vrijstellingen zoveel mogelijk wordt voorkomen.

De vervanging in het derde lid, eerste volzin, van de zinsnede «op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel d» door «in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d» heeft dezelfde achtergrond als de vergelijkbare wijziging in het tot artikel 13bb vernummerde artikel 13b, zesde lid, welke hierna aan de orde komt. Voor een toelichting zij verwezen naar de toelichting bij Artikel IV, onderdeel E.

Artikel IV, onderdeel D (artikel 13b van de Wet op de vennoot-schapsbelasting 1969

Ter wille van de overzichtelijkheid worden de bepalingen betreffende afgewaardeerde hybride leningen in relatie tot de deelnemingsvrijstelling opgenomen in een apart artikel 13bb. De inhoud van het huidige artikel 13b, zesde lid, wordt daarom verplaatst naar dat nieuwe artikel, en wel naar het eerste lid, daarvan. Ter wille van de duidelijkheid is de formulering ook wat aangepast.

Artikel IV, onderdeel E (artikel 13bb van de Wet op de vennoot-schapsbelasting 1969

De regeling van de deelnemingsvrijstelling is omgeven met een aantal bepalingen om onbedoeld gebruik van de vrijstelling in relatie tot een afgewaardeerde vordering of tot een omgezette vaste inrichting met verliezen te voorkomen. In het huidige artikel 13b, zesde lid, is een van die bepalingen nader toegespitst op de situatie waarin een hybride lening aan een dochtermaatschappij/deelneming bij de schuldeiser wordt meegetrokken in die deelneming. Inmiddels is gebleken dat het wenselijk is om in die situatie nog enkele andere van de genoemde anti-misbruikbepalingen naar analogie te kunnen toepassen. Het voorgestelde artikel 13bb strekt daartoe.

In het eerste lid is – zoals hiervoor is aangegeven – ter wille van de overzichtelijkheid het huidige artikel 13b, zesde lid, opgenomen. Ter wille van de duidelijkheid is de tekst ook opnieuw verwoord. In de eerste plaats gaat het daarbij om de situatie waarin een hybride lening, nadat deze bij de schuldeiser in de belaste sfeer is afgewaardeerd, bij hem onder de deelnemingsvrijstelling komt te vallen, waardoor een latere waarde-aangroei in de onbelaste sfeer zou plaatsvinden of latere vergoedingen onbelast zouden worden genoten. Dit kan zich voordoen als de schuldeiser na de afwaardering een deelneming verkrijgt in de schuldenaar. In de tweede plaats gaat het om de situatie waarin een schuldeiser een hybride lening ten laste van zijn belaste winst afwaardeert en vervolgens overdraagt aan een al dan niet met hem verbonden lichaam dat reeds een deelneming heeft in de schuldenaar of later een deelneming verkrijgt in de schuldenaar. De bepaling houdt in dat tot het bedrag van de belaste afwaardering de deelnemingsvrijstelling geen toepassing vindt op positieve voordelen uit hoofde van die deelneming tot het bedrag van de afwaardering. Het gaat hierbij niet alleen om voordelen uit de vordering, doch ook om voordelen uit de aandelen die de deelneming vormen en de schuldvordering meetrekken onder de deelnemingsvrijstelling. De bepaling is zodanig geformuleerd, dat ook de situatie van meer dan één overdracht er onder valt, bijvoorbeeld A draagt over aan B en B vervolgens weer aan C (die een deelneming heeft of verkrijgt in de schuldenaar).

De nieuwe verwoording omvat ook de situatie waarin de vordering, door omzetting in aandelenkapitaal of door prijsgeven, ophoudt te bestaan. In dat geval is een eventuele latere aangroei van de vordering formeel niet meer aan de orde, maar materieel wel: de aangroei vertaalt zich dan immers in een waardestijging van de deelneming.

Het tweede lid en derde lid hebben tot doel te voorkomen dat men het niet toepasbaar zijn van de deelnemingsvrijstelling tot het bedrag van de afwaardering van de vordering, zou kunnen ontgaan door vóór de te verwachten waardeaangroei (een gedeelte van) de deelneming of (een gedeelte van) de onderneming van de deelneming over te dragen aan een verbonden lichaam. De bepaling is analoog aan het huidige artikel 13c, dat betrekking heeft op een vergelijkbare problematiek bij de omzetting van een vaste inrichting in een deelneming.

Het vierde lid heeft tot doel te voorkomen dat het niet toepasbaar zijn van de deelnemingsvrijstelling tot het bedrag van de afwaardering van de vordering, zou kunnen worden ontgaan door het aangaan van een fiscale eenheid tussen de schuldeiser en de schuldenaar. Binnen een fiscale eenheid vallen deelnemingsvoordelen immers weg in de consolidatie. In verband daarmee moet de schuldeiser op het tijdstip waarop de schuldenaar in de fiscale eenheid wordt gevoegd, winst nemen tot het bedrag van de belaste afwaardering.

Artikel IV, onderdeel F (artikel 13d van de Wet op de vennoot-schapsbelasting 1969

Voor de situatie dat een schuldvordering in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d, die met een deelneming wordt meegetrokken, eerder is afgewaardeerd ten laste van in Nederland belastbare winst van de schuldeiser, is in het huidige artikel 13d, tweede lid, onderdeel d, bepaald dat het voor die deelneming opgeofferde bedrag moet worden verminderd met het bedrag van die afwaardering. Dit is uiteraard niet nodig voorzover na de afwaardering voordelen uit die deelneming op de voet van artikel 13bb zijn uitgesloten van de deelnemingsvrijstelling. Dit laatste wordt in de voorgestelde aanpassing verwoord. Daarbij is tevens een onjuiste verwijzing hersteld.

Artikel IV, onderdelen G, H, tweede lid, en I (artikelen 13h, 13j en 13k van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969

Nu voor art. 10, eerste lid, onderdeel d, schuldvorderingen net zo als voor aandelen de deelnemingsvrijstelling kan gelden, moet nog worden bepaald hoe de doorschuiving bij een dergelijke schuldvordering is in geval van een aandelenfusie of een overgang onder algemene titel in het kader van een fusie of splitsing. Dezelfde regeling is van toepassing als bij aandelen.

Artikel IV, onderdeel H, eerste lid (artikel 13j van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969

Dit is een taalkundige verbetering. Het lidwoord «de» was weggevallen. En het woord «splitsende» had een onnodige toevoeging van een gedachtestreep.

Artikel IV, onderdeel J, tweede lid (artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969

Net zo als bij artikel 10a – zie hiervoor artikel IV, onderdeel B – is er bij artikel 15 in het kader van renteaftrekbeperking reden met de verwerving van aandelen in een dochtermaatschappij gelijk te stellen de verwerving van winstbewijzen in een dochtermaatschappij alsmede de verwerving van schuldvorderingen op de dochtermaatschappij indien bij de dochter de lening feitelijk functioneert als eigen vermogen.

Artikel IV, onderdelen J, eerste lid, en K (artikelen 15 en 15a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

Met deze bepalingen worden enkele onjuiste verwijzingen gecorrigeerd die een gevolg zijn van de aanpassing van artikel 9, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, die is opgenomen in artikel IV, onderdeel D, eerste lid, van de Wet van 14 december 2001 tot wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 II – Economische infrastructuur) (Stb. 641).

Artikel IV, onderdeel L (artikel 15c van de Wet op de vennoot-schapsbelasting 1969)

Deze wijziging betreft een taalkundige verbetering.

Artikel IV, onderdeel M (artikel 15e van de Wet op de vennoot-schapsbelasting 1969)

Deze wijziging bewerkstelligt dat de tekst van dit onderdeel van artikel 15e aansluit bij de formulering van artikel 20a, zesde lid, onderdeel b, van de wet.

Artikel IV, onderdeel N (artikel 16 van de Wet op de vennoot-schapsbelasting 1969

Met deze wijziging wordt, net als bij de Inkomstenbelasting, subdelegatie voor het aanwijzen van buitenlandse instellingen voor giftenaftrek naar de inspecteur mogelijk gemaakt. Ik verwijs naar de toelichting op artikel I, onderdeel AY, waarin artikel 6.37 Wet IB 2001 wordt gewijzigd.

Artikel IV, onderdeel O (artikel 25 van de Wet op de vennoot-schapsbelasting 1969

Voor een toelichting verwijs ik naar de toelichting bij Artikel I, onderdeel BC, eerste lid.

Artikel V, onderdeel A (artikel 15a van de Wet op de loonbelas-ting 1964

Met deze wijziging wordt bewerkstelligd dat het bedrag van de vrije vergoeding ter zake van vervoer van en naar de opstapplaats voor openbaar vervoer per kalenderjaar geldt in plaats van op jaarbasis. Het is niet meer nodig deze vrije vergoeding naar tijdsgelang te berekenen. De voorgestelde wijziging verlicht de administratieve lasten voor inhoudingsplichtigen.

Artikel V, onderdeel B (artikel 19a van de Wet op de loonbelasting 1964

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, kan een buitenlands pensioenfonds of een buitenlandse verzekeraar die bevoegd het verzekeringsbedrijf uitoefent worden aangewezen als toegelaten verzekeraar voor pensioenen waarvan de premie in Nederland aftrekbaar is. De toelating van deze verzekeraars is voorwaardelijk. Zij moeten voldoen aan voorwaarden met betrekking tot het verstrekken van inlichtingen (onder 1°) alsmede zekerheid stellen voor de invordering van belasting die is verschuldigd door een oneigenlijke handeling (onder 2°). In de in onderdeel f, onder 2°, opgenomen gewraakte handelingen waarvoor zekerheid moet worden gesteld, is abusievelijk niet verwezen naar art. 19b. Deze wijziging strekt ertoe deze omissie te herstellen.

Artikel V, onderdeel C (artikel 19d van de Wet op de loonbelas-ting 1964

Ingevolge artikel 19d kunnen pensioenregelingen die niet meer dan in geringe mate afwijken van het in of krachtens hoofdstuk IIB bepaalde, alsmede pensioenregelingen voor gemoedsbezwaarden worden aangewezen als een zuivere pensioenregeling waarvoor de omkeerregel geldt (aanspraak onbelast en uitkering belast). De ingevolge de Wet fiscale behandeling van pensioenen (Stb. 1999/211) gerealiseerde beperking in de aanwijzingsbevoegdheid dat pensioenen niet meer dan in geringe mate mogen afwijken, leidt er in de praktijk toe dat buitenlandse pensioenregelingen die tijdelijk in Nederland worden voortgezet, bijvoorbeeld in gevallen van detachering, veelal niet meer kunnen worden aangewezen omdat deze pensioenregelingen in veel gevallen meer dan in geringe mate afwijken. Met de onderhavige wijziging wordt bewerkstelligd dat een buitenlandse pensioenregeling die voldoet aan artikel 1.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van een tijdelijk in Nederland wonende of werkzame werknemer kan worden aangewezen als zuivere pensioenregeling, mits het pensioen of de voorziening voor vervroegde uittreding ingevolge die buitenlandse regeling tijdelijk in Nederland wordt voortgezet en is ondergebracht bij een buitenlandse verzekeraar als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen c of f. De aan deze aanwijzing verbonden nadere voorwaarden worden in de uitvoeringssfeer bij besluit nader ingevuld. Hiertoe zal het thans bestaande besluit van 22 mei 1996, nr. DB96/841, worden aangepast.

Artikel V, onderdeel D (artikel 22a van de Wet op de loonbelas-ting 1964

Deze wijziging betreft een redactionele aanpassing.

Artikel V, onderdeel E (artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964)

De wijziging van artikel 26b houdt verband met de in artikel V, onderdeel F , voorgestelde aanpassing van artikel 28.

Artikel V, onderdeel F (artikel 28 van de Wet op de loonbelasting 1964

In artikel 28, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 15, vierde lid, van de Wet financiering volksverzekeringen is voor inhoudingsplichtigen de verplichting opgenomen om op de jaarloonopgaaf voor de werknemer aan te geven hoe deze uit de ingehouden loonheffing het bedrag van de premie voor de volksverzekeringen en de belasting kan berekenen. Deze berekening kan de werknemer maken aan de hand van een formule. Een overzicht van de formules voor de verschillende categorieën werknemers wordt jaarlijks door de Belastingdienst aan de inhoudingsplichtigen verstrekt. In het nieuwe belastingstelsel leidt deze regeling tot complicaties. Deze complicaties vloeien voort uit het systeem van heffingskortingen. Omdat de heffingskortingen bestaan uit een premie- en een belastingcomponent is het maximum van de premie voor de volksverzekeringen niet voor iedere werknemer een zelfde bedrag maar afhankelijk van het bedrag van de heffingskortingen waarop die werknemer recht heeft. Dit betekent dat voor iedere mogelijke combinatie van heffingskortingen in de loonbelasting in het overzicht voor de jaarloonopgaaf een afzonderlijke formule moet worden opgenomen. Per 1 januari 2002 bedraagt het aantal mogelijke combinaties van heffingskortingen in de loonbelasting negen, welk aantal na invoering van de verhoogde arbeidskorting voor oudere werknemers per 1 april 2002 zal oplopen tot vijftien. Naast de heffingskortingen waarmee bij de inhouding van loonheffing wordt rekening gehouden, krijgt de werknemer in veel gevallen nog een of meer heffingskortingen door de Belastingdienst uitbetaald via een voorlopige teruggaaf. Voor een goed inzicht in de te betalen premie en belasting zou de werknemer ook het bedrag van deze teruggaaf in de berekening moeten betrekken. Dit is evenwel niet mogelijk omdat de beschikking van de voorlopige teruggaaf een ongesplitst bedrag bevat. Verder zijn er situaties waarin de formules niet tot een goede uitkomst leiden, bijvoorbeeld als in het kalenderjaar achtereenvolgens loon (met algemene heffingskorting en arbeidskorting) en uitkering (alleen algemene heffingskorting) is genoten. Voorgesteld wordt daarom de huidige regeling met ingang van 1 januari 2002 te laten vervallen. Voor de inhoudingsplichtigen leidt dit tot een kleine vermindering van de administratieve lasten. Overigens laat dit onverlet dat op de aanslagen inkomstenbelasting de heffing van premie volksverzekeringen en belasting afzonderlijk vermeld zullen blijven.

Artikel V, onderdeel G (artikel 29 van de Wet op de loonbelasting 1964)

De wijziging van artikel 29 houdt verband met de in artikel V, onderdeel F, voorgestelde aanpassing van artikel 28.

Artikel V, onderdeel H (artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964

Met het laten vervallen van de zinsnede «niet in geld genoten» wordt bewerkstelligd dat de desbetreffende bepalingen in overeenstemming worden gebracht met artikel 31, tweede lid, onderdeel d.

Artikel V, onderdelen I en J (artikelen 35 en 35g van de Wet op de loonbelasting 1964

De wijziging van artikelen 35 en 35g strekt ertoe dat aanspraken ingevolge de Wet arbeid en zorg niet tot de gage behoren. Dit sluit aan bij hetgeen in de Invoeringswet arbeid en zorg (Wet van 16 november 2001, Stb. 2001, 568) voor werknemers is geregeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de loonbelasting 1964. Om aansluiting te krijgen bij het tijdstip waarop de Invoeringswet arbeid en zorg in werking is getreden, te weten 1 december 2001, werkt de onderhavige wijziging terug doch niet verder dan tot en met 1 januari 2002.

Artikel VI, onderdeel A (artikel 9 van de Invorderingswet 1990)

Deze wijziging ziet op de aanpassing van artikel 9, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 (IW) aan de introductie van conserverende belastingaanslagen in het recht van successie en het recht van schenking. Deze wijziging voorziet erin dat, afgezien van de mogelijkheid van uitstel, de conserverende navorderingsaanslag in het recht van successie en het recht van schenking invorderbaar is na dezelfde periode als de (gewone) navorderingsaanslag en de conserverende navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting: één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet.

Artikel VI, onderdeel B (artikel 25 van de Invorderingswet 1990)

Met de voorgestelde vervanging van het zesde lid van artikel 25 IW wordt de mogelijkheid verruimd om uitstel van betaling te verlenen voor een aanslag, opgelegd naar aanleiding van een fictieve uitkering als bedoeld in artikel 3.116, vierde lid, Wet IB 2001. Een woning kan namelijk ook na het verstrijken van de thans in artikel 25, zesde lid, genoemde termijn van twee jaar op grond van artikel 3.111, zesde lid, Wet IB 2001 nog steeds kwalificeren als een eigen woning. Volgens de huidige wetgeving zou in die situatie na twee jaar de belastingaanslag die is opgelegd ingevolge artikel 3.116, vierde lid, Wet IB 2001 worden ingevorderd terwijl de belastingplichtige nog wel een eigen woning heeft. Thans wordt voorgesteld het uitstel van betaling te laten doorlopen na die twee jaar en het uitstel te laten eindigen wanneer zich een situatie voordoet die ook in een binnenlandse situatie een belastbaar feit oplevert. De maximale termijn waarvoor uitstel van betaling kan worden verleend, wordt nu indirect bepaald door de omstandigheden, genoemd in de artikelen 3.111 en 3.116, eerste en derde lid, Wet IB 2001.

De wijziging van artikel 25, achtste lid, IW hangt samen met de aanpassing van het tweede lid van artikel 2.8 Wet IB 2001. Voor de achtergrond van deze aanpassing wordt verwezen naar de toelichting bij artikel I, onderdeel D.

Bij het Belastingplan 2002, deel IV, is artikel 25 IW gewijzigd. Daarbij is verzuimd de verwijzing in het vijftiende lid van artikel 25 IW naar enkele leden van dat artikel aan te passen. Met de wijziging van artikel 25, vijftiende lid, IW wordt dit verzuim hersteld.

De wijziging van artikel 25, achttiende lid, IW strekt ertoe dat de in het zeventiende lid van dit artikel neergelegde uitstelfaciliteit ook geldt voor de terzake verschuldigde heffingsrente.

Artikel VI, onderdeel C (artikel 44 van de Invorderingswet 1990)

Bepaalde inkomensbestanddelen van een minderjarig kind worden toegerekend aan de ouder die het gezag over het kind uitoefent (artikel 2.15 Wet IB 2001). Ingevolge artikel 44, eerste lid, IW kan de ontvanger het kind voor de daarover verschuldigde inkomstenbelasting aansprakelijk stellen. In dit artikellid is per abuis niet vermeld de inkomenscategorie «resultaat uit overige werkzaamheden». Deze omissie wordt nu hersteld.

Voorts bewerkstelligt deze wijziging dat de tekst van artikel 44, eerste en tweede lid, IW aansluit bij de formulering van artikel 2.15, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 2.17, vijfde lid, onderdeel c, Wet IB 2001.

Het voorstel is deze aanpassingen te laten terugwerken tot en met 1 januari 2001.

Artikel VI, onderdeel D (artikel 44a van de Invorderingswet 1990)

Artikel 44a, tweede lid, IW wordt aangepast aan de Wet IB 2001. De aansprakelijkheid op grond van deze bepaling behoort niet alleen te zien op het evenredige gedeelte van de belasting die meer is verschuldigd ter zake van de als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen premies, maar ook op het over die premies behaalde rendement. Met de wijziging wordt een omissie hersteld.

Artikel VII, onderdeel A (artikel 3a van de Wet op de dividend-belasting1965)

Dit betreft een taalkundige verbetering. Het is: de activa bestaan uit.

Artikel VII, onderdelen B en C (artikelen 4 en 4a van de Wet op de dividendbelasting 1965)

In artikel 4, eerste lid, is voor binnenlandse situaties bepaald dat inhouding van dividendbelasting achterwege mag blijven met betrekking tot opbrengsten van aandelen en winstbewijzen waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing is; in artikel 4a is zulks geregeld voor EG-situaties die onder de moeder-dochter-richtlijn vallen.

Indien sprake is van een deelneming en de Nederlandse aandeelhouder heeft tevens een lening verstrekt die in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 feitelijk functioneert als eigen vermogen, is de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13, derde lid, ook van toepassing op een dergelijke lening. In het verlengde daarvan wordt voorgesteld de vrijstelling van inhouding van dividendbelasting uit te breiden tot de opbrengsten uit een dergelijke lening in de situaties bedoeld in de hiervoor genoemde artikelen 4 en 4a van de Wet op de dividendbelasting 1965.

Het voorstel is deze wijzigingen te laten terugwerken tot en met 1 januari 2002.

Tot slot vindt in het derde lid van onderdeel B een aanpassing van de terminologie plaats. Voor een toelichting verwijs ik naar de toelichting bij Artikel I, onderdeel BC, eerste lid.

Artikel VIII (artikel 35 van de Wet op belastingen van rechts-verkeer)

Aanleiding voor de wijziging is een naamsverandering die heeft plaatsgevonden bij de uitgever van de prijscourant, AEX Data Services, die wordt genoemd in het huidige artikel 35, vierde lid. Om in de toekomst sneller te kunnen inspelen op naamswijzigingen wordt voorgesteld de prijscourant bij ministeriële regeling aan te wijzen. In de wet wordt verwezen naar artikel 5.21 van de Wet inkomstenbelasting 2001, waar door middel van lagere regelgeving de juiste prijscourant aangewezen wordt. Er wordt geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Artikel IX, onderdeel A (artikel 14 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen)

In het bij Belastingplan 2002-I ingevoerde artikel 14, vierde lid, onderdeel c, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen is «het Centrum voor werk en inkomen» opgenomen als de organisatie die de voor de toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs benodigde verklaring afgeeft waarin wordt verklaard dat de werknemer vóór indiensttreding een werkloze zonder startkwalificatie is. In verband met de wijze waarop de bevoegdheden en taken binnen de arbeidsvoorzieningsstructuur zijn belegd, wordt hiervoor thans opgenomen de Centrale organisatie werk en inkomen. Om aansluiting te krijgen bij het tijdstip waarop de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet van 29 november 2001, Stb. 624) in werking is getreden, werkt de onderhavige wijziging terug tot en met 1 januari 2002.

De tweede wijziging van artikel 14, vierde lid, onderdeel c, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen betreft het aanpassen van de voorwaarden waaraan de verklaring van de Centrale organisatie werk en inkomen moet voldoen. Zoals in de memorie van toelichting bij Belastingplan 2002 deel I is aangegeven, wordt met de onderhavige regeling beoogd de financiële belemmering geheel of gedeeltelijk weg te nemen waartegen de werkgever kan aanlopen als hij voormalige werklozen van 23 jaar en ouder de gelegenheid biedt door scholing een startkwalificatieniveau te behalen. Gedachte daarachter is het bevorderen van scholing van laagopgeleide werklozen. Beide elementen – laag opgeleid en werkloos – maakten dan ook deel uit van de door de Centrale organisatie werk en inkomen af te geven verklaring. Voor de Centrale organisatie werk en inkomen levert het afgeven van een verklaring dat de werknemer startkwalificatieniveau mist in de praktijk echter aanzienlijke bezwaren op. Denk bijvoorbeeld aan opleidingen die de werknemer lang geleden en/of in het buitenland heeft gevolgd of die inmiddels niet meer bestaan, zijn gewijzigd enz. Door de verklaring omtrent de opleiding te laten vervallen hoeft de organisatie geen gegevens over de door de desbetreffende werknemer – eventueel in een ver verleden – volbrachte opleidingen op te vragen en voorts hoeft zij niet te toetsen of deze opleidingen aan het startkwalificatieniveau voldoen. Met de onderhavige wijziging worden de uitvoeringslasten voor zowel de Centrale organisatie werk en inkomen als naar verwachting voor de werkgevers beperkt.

Aangezien noch de werknemer, noch de werkgever belang hebben bij het volgen van (en betalen voor) een onnodige opleiding wordt verwacht dat het laten vervallen van de verklaring omtrent de vooropleiding niet tot een noemenswaardig extra beroep op de regeling zal leiden. Wel kan het zijn dat een werknemer een opleiding op een bepaald vakgebied zal volgen terwijl hij al een opleiding op startkwalificatieniveau op een ander vakgebied heeft gevolgd. Gelet op de achtergrond van de regeling – bevorderen dat werknemers zodanige scholing ontvangen dat zij in een bepaalde baan kunnen functioneren – wordt dit geen bezwaar geacht. De verwachting is echter dat het om incidentele gevallen zal gaan. De budgettaire gevolgen van de onderhavige wijziging worden daarom verwaarloosbaar geacht. De wijziging werkt terug tot en met 1 januari 2002.

Artikel IX, onderdeel B (artikel 24 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen)

Deze wijziging is van technische aard. Het in artikel 24 genoemde bedrag moet hetzelfde bedrag zijn als reeds staat in artikel 21.

Artikel X (artikel 15 van de Wet financiering volksverzekeringen)

Voor de toelichting op deze wijzigingen zij verwezen naar de toelichting bij artikel V, onderdeel F (artikel 28 van de Wet op de loonbelasting 1964).

Het voorstel is deze wijziging evenals de wijziging in artikel V, onderdeel F, te laten terugwerken tot en met 1 januari 2002.

Artikel XI (artikel 22h van de Algemene wet inzake rijksbelas-tingen)

De wijziging van artikel 22h van de Algemene wet inzake rijksbelastingen houdt verband met een omissie bij de aanpassing van deze wet in verband met de invoering van de euro.

Het voorstel is deze wijziging te laten terugwerken tot en met 1 januari 2002.

Artikel XII, onderdelen A en B (Wet van 14 december 2001 tot wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 I – Arbeidsmarkt en Inkomensbeleid))

De onderhavige bepalingen voorzien in het herstel van enkele onvolkomenheden in de wet van 14 december 2001, Stb. 640. In artikel IA, onderdeel B, wordt het verzuim hersteld dat de verhoging voor het jaar 2002 van de aanvullende kinderkorting met € 143 niet is verwerkt in het in dat artikel opgenomen bedrag van die korting voor het jaar 2003. In onderdeel X, tweede lid, is abusievelijk verwezen naar het derde lid van twee artikelonderdelen waar deze onderdelen slechts één lid kennen. Ook dit verzuim wordt hierbij hersteld.

Het voorstel is deze wijzigingen te laten terugwerken tot en met 1 januari 2002.

Artikel XIII, onderdeel A (artikel VI van de Wet van 14 december 2001 tot wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 II – Economische infrastructuur))

Deze wijzigingen vloeien voort uit de wijziging in artikel II, onderdeel B (hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel Dd, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001); de wijziging van de «tijdelijke tegemoetkoming film 2001». Aangezien de «tijdelijke tegemoetkoming film 2001» is gecontinueerd tot en met 15 juli 2002 is een wijziging van het overgangsrecht dat de aansluiting tussen de tijdelijke tegemoetkoming film 2001 en de filminvesteringsaftrek met aangepaste desinvesteringsbijtelling regelt, noodzakelijk. De onderhavige wijzigingen voorzien hierin.

Het voorstel is deze wijziging te laten terugwerken tot en met 16 juli 2002.

Artikel XIII, onderdeel B (artikel VIIB van de Wet van 14 december 2001 tot wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 II – Economische infrastructuur))

Met dit onderdeel worden enkele onjuiste verwijzingen gecorrigeerd die een gevolg zijn van een verlettering van het wetsvoorstel herziening regime fiscale eenheid na de stemming in de Tweede Kamer. Artikel VII B van het Belastingplan 2002, deel II, is nog afgestemd op de tekst van het wetsvoorstel fiscale eenheid vóór die stemming.

Artikel XIV (Overgangsrecht Vennootschapsbelasting)

Op grond van artikel VIII, vijfde lid, van de Wet van 14  december 2001 tot wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 II – Economische infrastructuur) (Stb. 641) zijn de in die wet opgenomen wetswijzigingen met betrekking tot hybride leningen van toepassing op leningen die na 31 december 2001 zijn aangegaan. De bedoeling daarvan is bestaande hybride leningen te ontzien. De tekst van de genoemde inwerkingtredingsbepaling ontziet echter niet alleen bestaande hybride leningen, maar – niet bewust – alle bestaande leningen, ook als die na 1 januari 2002 worden gewijzigd in hybride leningen. Om te voorkomen dat hierdoor onbedoeld gebruik zou kunnen ontstaan, wordt een aanvullende overgangsbepaling voorgesteld die inhoudt dat leningen die op 31 december 2001 reeds bestonden, in bepaalde gevallen alsnog komen te vallen onder de regelingen voor hybride leningen (namelijk wanneer de voorwaarden van de lening zodanig worden gewijzigd dat zij een hybride lening wordt). Ook een wijziging van een op 31 december 2001 reeds bestaande hybride lening kan de eerbiedigende werking doorbreken. Dit is het geval wanneer de aflossingsdatum wordt verschoven naar een later tijdstip. Ook is dit het geval indien de positie van de schuldenaar wordt overgenomen door een andere rechtspersoon (schuldoverneming); met andere woorden wanneer de schuldenaar zijn schuld – met toestemming van de schuldeiser – over doet aan een ander en die ander betaalt daarvoor. De aanvullende bepaling is van toepassing indien de genoemde wijzigingen zich voordoen na de datum van inwerkingtreding van deze wet.

Artikel XV

De wijziging die in de Wet van 16 november 2001 tot vaststelling van regels voor overgangs- en invoeringsrecht voor de totstandkoming van de Wet Arbeid en Zorg (Invoeringswet Arbeid en Zorg) (Stb. 2001, 568) is opgenomen, is gebaseerd op een oude wettekst van de Wet inkomstenbelasting 2001. Er is geen rekening gehouden met het feit dat de Wet inkomstenbelasting 2001 bij de Veegwet ingrijpend is gewijzigd. Als gevolg hiervan is de wijziging niet aan te brengen. In het onderhavige wetsvoorstel is in artikel I, onderdeel B, de wijziging opgenomen die de Invoeringswet Arbeid en Zorg beoogde aan te brengen.

Artikel XVI (Wetsvoorstel herziening fiscale eenheid)

De bij artikel IV, onderdeel J, tweede lid, aan te brengen wijziging in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 moet ook worden aangebracht in de overeenkomstige bepaling in het nog bij de Eerste Kamer in behandeling zijnde wetsvoorstel herziening fiscale eenheid.

Artikel XVII (inwerkingtredingsbepaling)

In afwijking van de hoofdregel van de Tijdelijke referendumwet bevat artikel XVII, onderdeel 1, van deze wet de bepaling dat deze wet in werking treedt op 1 januari 2003. De toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet laat zich in dit geval motiveren door het feit dat het noodzakelijk is dat inwerkingtreding geschiedt per 1 januari 2003. Waar de bepalingen van deze wet veelal betrekking hebben op boekhoudkundige of administratieve verplichtingen dan wel maatregelen betreffen die gevolgen hebben voor de vastlegging van gegevens is het wenselijk ter voorkoming van misverstanden en onduidelijkheid de inwerkingtreding daarvan te laten samenvallen met het aanvangstijdstip van het kalenderjaar dat immers veelal samen valt met het boekjaar.

In het zesde lid is voorzien in terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2002 van de bepaling dat in bepaalde gevallen inhouding van dividendbelasting achterwege kan blijven ten aanzien van de opbrengst van een hybride lening. Dit is gedaan om te voorkomen dat in die situaties navordering zou moeten plaatsvinden. De terugwerkende kracht geldt alleen voor leningen die zijn aangegaan na 31 december 2001.

Het negende lid heeft betrekking op inwerkingtreding bij KB van een verlaagd urencriterium bij zwangere ondernemers. Voorts op de inwerkingtreding bij KB van een 100%-vrijstelling van bepaalde subsidies, nu deze is gekoppeld aan een goedkeuring van de Europese Commissie.

Als gevolg van het tiende lid gelden de nadere bepalingen met betrekking tot hybride leningen niet voor leningen die reeds bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel.

In aanvulling op het tiende lid is in het elfde lid geregeld dat de wijzigingen die in dit wetsvoorstel zijn voorgesteld met betrekking tot hybride leningen, in bepaalde situaties ook van toepassing zijn op leningen die reeds voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bestonden. Die situaties komen overeen met die uit artikel XIV. Voor een toelichting zij verwezen naar de toelichting bij dat artikel.

De Staatssecretaris van Financiën,

W. J. Bos