28 485
Wijziging van de Mededingingswet (toekennen van de bevoegdheid een EG-vrijstelling in te trekken)

A
OORSPRONKELIJKE TEKST VAN HET VOORSTEL VAN WET EN VAN DE MEMORIE VAN TOELICHTING ZOALS VOORGELEGD AAN DE RAAD VAN STATE EN VOORZOVER NADIEN GEWIJZIGD

I. Algemeen

In de tweede alinea van paragraaf 3 kwamen de derde en vierde zin niet voor.

De vijfde alinea van paragraaf 3 luidde als volgt:

Verder wordt onder punt 78 van de richtsnoeren opgemerkt dat de uitoefening van de bevoegdheid tot intrekking van de voordelen van een EG-vrijstellingsverordening geen afbreuk mag doen aan de eenvormige toepassing van de EG-mededingingsregels in de gehele gemeenschappelijke markt, noch aan de volle werking van de ter uitvoering van deze regels genomen maatregelen. De raad zal zijn bevoegdheid artikel 81, eerste lid, van het EG-Verdrag van toepassing te verklaren dus moeten uitoefenen in overeenstemming met de Europeesrechtelijke beschikkingspraktijk en -jurisprudentie.

II Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdeel A

De eerste alinea luidde als volgt:

Het in dit artikel voorgestelde artikel 12, tweede lid, bevat de kern van dit wetsvoorstel. Hierin wordt de raad de bevoegdheid toegekend in individuele gevallen een EG-vrijstellingsverordening in te trekken. De wettekst spreekt hierbij, in aansluiting op de artikelen 9 en 13 van de wet, niet van het intrekken van een verordening, maar van het alsnog van toepassing verklaren van artikel 81, derde lid, van het Verdrag.

Naar boven