28 485
Wijziging van de Mededingingswet (toekennen van de bevoegdheid een EG-vrijstelling in te trekken)

nr. 8
BRIEF HOUDENDE INTREKKING VAN HET WETSVOORSTEL

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 3 februari 2004

Op 22 juli 2002 is bij de Kamer het voorstel van wet tot wijziging van de Mededingingswet (toekennen van de bevoegdheid van een EG-vrijstelling in te trekken) (Kamerstukken II 2001–2002, 28 485, nrs. 1–2) ingediend. In een eerdere brief van mijn ambtsvoorganger is de Kamer verzocht de behandeling van het wetsvoorstel aan te houden met het oog op de implementatie van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van de Europese Unie van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (Kamerstukken II 2002–2003, 28 485, nr. 7).

Het in artikel A van het wetsvoorstel voorgestelde artikel 12, tweede lid, van de Mededingingswet geeft aan de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit de bevoegdheid om, wanneer een overeenkomst, besluit of gedraging in de zin van artikel 81, eerste lid, van het EG-Verdrag onder een EG-vrijstelling valt, deze vrijstelling buiten toepassing te verklaren. Het gaat hierbij om gevallen waarin een vrijgestelde overeenkomst, besluit of gedraging met de voorwaarden van artikel 81, derde lid, van het EG-Verdrag onverenigbare gevolgen heeft. Deze bevoegdheid bestaat echter alleen als hierin door de desbetreffende EG-vrijstellings-verordening wordt voorzien.

Artikel 29, tweede lid, van de inmiddels vastgestelde verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van de Europese Unie van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag houdt een algemene bevoegdheid in tot het buiten toepassing verklaren van een EG-vrijstelling, als een vrijgestelde overeenkomst, besluit of gedraging met de voorwaarden van artikel 81, derde lid, van het EG-Verdrag onverenigbare gevolgen heeft. Deze bevoegdheid wordt direct door de verordening aan de mededingingsautoriteiten van de lidstaten toegekend en is niet afhankelijk van het feit of een specifieke EG-vrijstellingsverordening in deze bevoegdheid voorziet.

In het wetsvoorstel houdende wijziging van de Mededingingswet en van enige andere wetten in verband met de implementatie van EG-verordening 1/2003 (Kamerstukken II, 2003–2004, 29 276, nr. 2) wordt door het in artikel I, onderdeel G, voorgestelde artikel 89a van de Mededingingswet voorzien in de implementatie van artikel 29, tweede lid, van de verordening. Het voorgestelde artikel 89a van de Mededingingswet regelt de uitoefening van de algemene bevoegdheid tot het buiten toepassing verklaren van een EG-vrijstelling door de directeur-generaal van de Nederlandse Mededingingsautoriteit.

Het wetsvoorstel tot wijziging van de Mededingingswet (toekennen van de bevoegdheid een EG-vrijstelling in te trekken) is daarmee niet langer opportuun.

Daartoe gemachtigd door de Koningin trek ik het voorstel van wet hierbij in.

De Minister van Economische Zaken,

L. J. Brinkhorst

Naar boven