28 485
Wijziging van de Mededingingswet (toekennen van de bevoegdheid een EG-vrijstelling in te trekken)

nr. 7
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 2 april 2003

Voor 8 april 2003 heeft uw Kamer op de agenda staan de plenaire behandeling van het voorstel van wet tot wijziging van de Mededingingswet (met betrekking tot het toekennen van de bevoegdheid een EG-vrijstelling in te trekken) (Kamerstukken II, 2001/2002, nrs. 1–3, en II 2002/2003, nrs. 4–6).

Het in artikel A van dit wetsvoorstel voorgestelde artikel 12, tweede lid, geeft aan de NMa de bevoegdheid op een afspraak die onder een EG-vrijstelling valt, toch weer het Europese kartelverbod van toepassing te verklaren. De NMa heeft die bevoegdheid echter alleen, als de desbetreffende EG-vrijstellingsverordening in een zodanige van toepassingverklaring door bevoegde autoriteiten van een EU-lidstaat voorziet.

Artikel 29, tweede lid, van de inmiddels vastgestelde Verordening (EG) Nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag houdt echter een algemene bevoegdheid in tot het intrekken van een EG-vrijstelling. Dat artikellid bepaalt in het algemeen dat mededingingsautoriteiten van de EU-lidstaten een EG-vrijstelling in een individueel geval kunnen intrekken en dus niet alleen als daarin is voorzien in een EG-vrijstellingsverordening.

Het ligt in de rede om in het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel tot wijziging van de Mededingingswet in verband met het van toepassing worden van EG Vo. 1/2003 met ingang van 1 mei 2004, te bepalen dat het de NMa is die de algemene bevoegdheid heeft tot het intrekken van een EG-vrijstelling.

Daarmee zal dan wel een andere systematiek worden gevolgd dan die van het in artikel A van het wetsvoorstel voorgestelde artikel 12, tweede lid.

In verband daarmee wil ik nog bezien of verdere behandeling van dit wetsvoorstel wel wenselijk is, nu de geldigheidsduur van de daarin voorgestelde wijziging van de Mededingingswet immers zeer beperkt in tijd zal zijn.

In verband daarmee verzoek ik u de behandeling van het wetsvoorstel aan te houden.

De Minister van Economische Zaken,

J. F. Hoogervorst

Naar boven