28 485
Wijziging van de Mededingingswet (toekennen van de bevoegdheid een EG-vrijstelling in te trekken)

nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet tot wijziging van de Mededingingswet (toekennen van de bevoegdheid een EG-vrijstelling in te trekken).

De memorie van toelichting, die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.

En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

's-Gravenhage

22 juli 2002

Beatrix

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit de bevoegdheid te doen uitoefenen om een vrijstelling van artikel 81, eerste lid, van het EG-Verdrag in een individueel geval in te trekken;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Mededingingswet wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 12 wordt gewijzigd als volgt:

1. Voor de bestaande tekst wordt het cijfer 1 geplaatst.

2. Toegevoegd worden vier nieuwe leden, luidende:

2. Indien een verordening als bedoeld in het eerste lid bepaalt dat de bevoegde autoriteit van een lidstaat op een overeenkomst tussen ondernemingen, een besluit van een ondernemersvereniging of een onderling afgestemde feitelijke gedraging van ondernemingen, waarop krachtens de desbetreffende verordening artikel 81, eerste lid, van het Verdrag niet van toepassing is, alsnog artikel 81, eerste lid, van toepassing kan verklaren, wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de raad.

3. De raad deelt zijn voornemen een beschikking op grond van het tweede lid te geven schriftelijk en met redenen omkleed mee aan belanghebbenden.

4. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht stelt de raad, alvorens toepassing te geven aan het tweede lid, belanghebbenden in de gelegenheid schriftelijk of mondeling hun zienswijze kenbaar te maken.

5. Een beschikking op grond van het tweede lid treedt niet eerder in werking dan zes weken na de datum van haar bekendmaking.

B

In artikel 50, tweede lid, wordt na «artikel 9, eerste lid,» ingevoegd: artikel 12, tweede lid,.

ARTIKEL II

Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Economische Zaken,

Naar boven