28 481 Evaluatie Algemene wet gelijke behandeling

Nr. 22 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 december 2013

Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb), wil ik uw Kamer met deze brief informeren over mijn reactie op de brief van het College voor de Rechten van de Mens (hierna: het College) van 18 juli 2013. Deze reactie geef ik mede namens de Minister van Veiligheid en Justitie, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Het College heeft ten aanzien van de voortgang van het concept-wetsvoorstel Integratiewet Awgb (hierna: Integratiewet Awgb) zijn zorgen uitgesproken. Het College adviseert dat indien de voortgang van dit wetsvoorstel niet binnen afzienbare tijd kan worden geborgd, om vooruitlopend in de tijd alvast twee onderdelen uit de Integratiewet Awgb in afzonderlijke wetgevingstrajecten voor te bereiden:

  • 1. Een algemene uitzondering op het discriminatieverbod op het terrein van volksgezondheid voor de gronden seksuele gerichtheid en handicap/chronische ziekte, en

  • 2. Het opnemen van een nieuwe uitzondering inhoudende dat direct onderscheid naar geslacht bij de levering van goederen en diensten niet is verboden, mits daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat.

Hierna zet ik mede namens de genoemde bewindspersonen uiteen op welke wijze ik reageer op deze adviezen.

De Integratiewet Awgb heeft mijn aandacht en er is reeds veel werk in dit wetstraject verricht. Het betreft een complex traject en het kenmerkt zich door een technisch karakter. Doel van de integratiewet is de toegankelijkheid van de gelijkebehandelingswetgeving te verbeteren omdat de regelgeving op het terrein van de gelijke behandeling momenteel verspreid is over diverse wetten en algemene maatregelen van bestuur. Bij dit traject zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd.

Uit de internetconsultatie naar aanleiding van de Integratiewet Awgb is evenwel een aantal juridische knelpunten naar voren gekomen waarover momenteel nog geen uitsluitsel bestaat. Ik noem in dit verband de wenselijkheid van een algehele harmonisatie binnen de Awgb en de wenselijkheid van het opnemen van de uitzonderingen op het terrein van de volksgezondheid voor de gronden seksuele gerichtheid en handicap/chronische ziekte. Voor het vinden van overeenstemming over een passende oplossing van dit laatste knelpunt is meer tijd nodig en het is derhalve op dit moment nog niet bekend wanneer weer voortgang op de Integratiewet Awgb kan worden geboekt. Daarnaast is er gelet op de prioriteit voor wetgevings-inspanningen op andere terreinen, minder capaciteit beschikbaar voor dit wetsvoorstel. Deze prioritering steunt mede op het feit dat bij de integratie van de Wgbm/v, de Wgbh/cz, de Wgbl en de artikelen 7:646 en 7:647 van het BW in de Awgb geen inhoudelijke wijzigingen zijn beoogd. Aan deze keuze zitten voor wat betreft de rechtsbescherming op het terrein van de Awgb op dit moment dan ook geen verdere consequenties.

Wat betreft de opname van uitzonderingen op het discriminatieverbod voor de gronden seksuele gerichtheid en handicap/chronische ziekte ten aanzien van het terrein van de volksgezondheid heeft het kabinet in zijn standpunt over de derde evaluatie van de Awgb van 24 oktober 2011 aangekondigd om in samenwerking met de Commissie gelijke behandeling – thans het College – nader te onderzoeken op welke wijze een dergelijke uitzondering in de Awgb opgenomen kan worden.1 Bij brief van 11 juli 2012 is uw Kamer op de hoogte gesteld van het feit dat het overleg nog gaande was.2 Op dit moment kan ik u meedelen dat over een aantal juridische punten bij dit onderwerp nog steeds geen overeenstemming is bereikt en dat het interdepartementaal overleg over de uitzondering op grond van de volksgezondheid wordt voortgezet. Ik zal uw Kamer informeren over de uitkomsten van dat overleg.

Tot slot stuit het College in de praktijk met enige regelmaat op het probleem dat indien sprake is van direct onderscheid naar geslacht bij de levering van goederen en diensten, de Awgb nu geen mogelijkheid biedt om in voorkomende gevallen op basis van objectieve rechtvaardiging een belangenafweging te maken, hetgeen tot onwenselijke uitkomsten kan leiden. Ter zake van het opnemen van een uitzondering inhoudende dat direct onderscheid naar geslacht bij de levering van goederen en diensten niet is verboden, mits daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat, kan ik u melden dat over deze bepaling overeenstemming bestaat en dat deze in ook in overeenstemming is met de Richtlijn 2004/113/EG van 13 december 2004. Artikel 4, vijfde lid, van deze Richtlijn bevat reeds een dergelijke bepaling.

Op Europees niveau bestaat aldus geen belemmering om een bepaling van deze strekking in de wet op te nemen. Een soortgelijke bepaling is opgenomen in het concept-wetsvoorstel van de Integratiewet Awgb. Over deze bepaling bestaat interdepartementaal overeenstemming en in het kader van de internetconsultaties zijn op dit voorstel ook positieve reacties ontvangen. Ik zeg derhalve toe dat ik een voorstel voor een zodanige wijziging van de Awgb in de eerste helft van 2014 in procedure zal brengen.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk


X Noot
1

Kamerstuk 28 481 nr. 16.

X Noot
2

Kamerstuk 28 481, nr. 18.

Naar boven