Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201228479 nr. 60

28 479 Rechtspositie van politieke ambtsdragers

Nr. 60 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 mei 2012

Tijdens het Algemeen Overleg van 8 februari j.l heb ik u toegezegd u een brief te sturen waarin een tweetal, door leden van Uw Kamer aangedragen, varianten is uitgewerkt met betrekking tot wijziging van het overgangsrecht van de verrekening van neveninkomsten van politieke ambtsdragers. Aanleiding daarvoor was de vaststelling door verschillende Kamerleden dat het overgangsrecht op onderdelen te ruimhartig zou zijn geformuleerd. Het betreft in het bijzonder de omstandigheid dat nevenfuncties aanvaard na de inwerkingtreding van de verrekenplicht, ook buiten de verrekenplicht blijven voor die politieke ambtsdrager die onder het overgangsrecht valt.

In de eerste variant eindigt het overgangsrecht voor de aanvaarding van nieuwe nevenfuncties. In de tweede variant eindigt het overgangsrecht voor alle nevenfuncties bij herbenoeming of herverkiezing van de politieke ambtsdrager.

Voor een goed begrip van de materie wordt hieronder eerst het huidige overgangsrecht beschreven, gevolgd door een uitwerking van bovengenoemde varianten. Graag ga ik hierbij ook in op de praktische kant van de uitvoering.

Huidig overgangsrecht

Op 10 maart 2010 is de wijziging van de Gemeentewet, de Provinciewet en de Waterschapswet in werking getreden waarbij verrekening van inkomsten uit nevenfuncties werd geïntroduceerd voor politieke ambtsdragers die het ambt in voltijd bekleden. Daarbij is overgangsrecht geformuleerd. De gedachte daarachter was dat wie voor een ambt kiest, er binnen redelijke grenzen op moet kunnen vertrouwen dat de voorwaarden en aanspraken niet tijdens de ambtsvervulling worden gewijzigd. Dit was in het kader van de behandeling van de zogenaamde Dijkstal-wetgeving ook het door Uw Kamer gesteunde uitgangspunt.

Het overgangsrecht bepaalt of de plicht tot verrekening al dan niet voor een bij inwerkingtreding van de wetswijziging zittende ambtsdrager geldt. Bekleedde de politieke ambtsdrager een ambt op het moment dat de wetswijziging in werking trad (10 maart 2010) dan behoeft de ambtsdrager niet te verrekenen, ook niet als het om nevenfuncties gaat, aanvaard na die datum. Is nadien sprake van een herbenoeming in dezelfde gemeente, provincie of waterschap dan blijft het overgangsrecht van toepassing en behoeft er niet te worden verrekend. Daarin bevindt zich de begrenzing van het overgangsrecht: de verrekenplicht gaat gelden als de politieke ambtsdrager een ander politiek ambt gaat bekleden of hetzelfde politieke ambt bij een ander bestuursorgaan. In dat geval geldt de verrekenplicht voor alle neveninkomsten ongeacht of betrokkene de betreffende nevenfunctie al eerder vervulde of pas later aanvaardde.

De varianten

Variant 1: het overgangsrecht eindigt voor het aanvaarden van nieuwe nevenfuncties

Deze variant eerbiedigt de werking van het huidige overgangsrecht voor zover dat gaat om nevenfuncties die de politieke ambtsdrager al vervulde ten tijde van de introductie van de verrekenplicht (10 maart 2010) en voor de nadien aanvaarde nevenfunctie, tot het moment waarop het overgangsrecht wijzigt. De nevenfuncties die daarna worden aanvaard, vallen buiten het overgangsrecht en zijn derhalve onderworpen aan de verrekenplicht.

Het voordeel van deze variant is dat er één datum wordt gehanteerd voor alle politieke ambtsdragers, waarop de wijziging in werking treedt. Alle nevenfuncties die daarna worden aanvaard zijn nieuwe nevenfuncties.

Uit oogpunt van rechtszekerheid kan in deze variant de datum waarop het overgangsrecht zal worden beëindigd, problematisch zijn. Immers, de politieke ambtsdrager die onder het overgangsrecht valt, kan door die datum worden geconfronteerd met een beperking van het overgangsrecht tijdens zijn of haar ambtsvervulling.

Variant 2: het overgangsrecht eindigt bij herbenoeming of herverkiezing

Deze variant laat het huidige overgangsrecht in stand zolang geen sprake is van herbenoeming of herverkiezing. Tot dat moment geldt voor de politieke ambtsdrager niet de verrekenplicht. Na herbenoeming of herverkiezing valt hij of zij onder de verrekenplicht voor inkomsten uit alle nevenfuncties.

Het voordeel van deze variant is dat zolang iemand in dezelfde functie blijft, er niets wijzigt. Dat is een heldere cesuur.

Voor wat betreft de uitvoering is deze variant bewerkelijk. Anders dan bij de eerste variant waarbij na een bepaalde datum voor alle politieke ambtsdragers op hetzelfde moment het overgangsrecht vervalt, gelden in de tweede variant verschillende momenten waarop het overgangsrecht eindigt, namelijk het moment van herbenoeming of herverkiezing. Dit moment kan per politieke ambtsdrager of per groep politieke ambtdragers (bijvoorbeeld de wethouders van een bepaalde gemeente) verschillen.

Wijziging overgangsrecht

Het wijzigen van overgangsrecht is ongebruikelijk en staat op gespannen voet met de rechtszekerheid voor betrokken personen. Teneinde een wijziging niettemin door te voeren geldt als uitgangspunt dat een dergelijke wijziging niet mag terugwerken. Het moment van inwerkingtreding van een gewijzigd overgangsrecht kan dus alleen in de toekomst liggen, op zijn vroegst op het moment dat een wijzigingsvoorstel wordt ingediend bij de Tweede Kamer. Wijziging van dit overgangsrecht betekent wijziging van een drietal wetten. Daar is de nodige tijd mee gemoeid. Bij het huidige overgangsrecht geldt in zijn algemeenheid dat het door tijdsverloop voor steeds minder politieke ambtsdragers gaat gelden. De verrekenplicht geldt immers uitsluitend voor de actief dienende politieke ambtsdrager. Ambtsdragers die het ambt verlaten of niet worden herbenoemd of herverkozen, vallen daardoor buiten de plicht. Indien zij terugkeren in een politiek ambt, vallen zij niet langer onder het overgangsrecht

Behalve overwegingen van juridische aard, geef ik u het volgende in overweging. Ik maak daarbij tevens gebruik van de gelegenheid u te informeren over de voorlopige uitkomst van het eerste verrekenjaar (2010). Sinds enige maanden wordt de uitvoering van de verrekenplicht uitgevoerd. Uit de eerste, gedeeltelijke rapportage, die 50% van de decentrale politieke ambtsdragers beslaat, blijkt dat een zeer gering aantal politieke ambtsdragers daadwerkelijk de neveninkomsten uit verrekenjaar 2010 moet verrekenen. Tot op heden gaat het om 14 ambtsdragers. Daar is een bedrag van € 50 000 mee gemoeid. Naast toepasselijk overgangsrecht is dit te verklaren uit de omstandigheid dat voor een groot aantal politieke ambtsdragers de verrekenplicht niet geldt omdat zij het ambt niet in voltijd uitoefenen. Voor een ander deel is sprake van geen of een gering inkomen uit nevenfuncties waardoor de verrekenplicht niet tot korting op de bezoldiging leidt.

Conclusie

De twee varianten afwegend, verdient variant twee naar mijn mening de voorkeur omdat die het meest helder en eenduidig is en aansluit bij het overgangsrecht zoals dat voor andere onderdelen van de Dijkstal-wetgeving is gehanteerd. Ik geef uw Kamer echter in overweging of het in het licht van mijn hierboven genoemde punten desondanks gewenst is de inspanning te plegen voor de oplossing van een qua aantallen en bedragen die daarmee gemoeid zijn, beperkt probleem dat zich met de tijd oplost.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J. W. E. Spies