Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200628479 nr. 25

28 479
Rechtspositie van politieke ambtsdragers

nr. 25
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 3 augustus 2006

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties1 heeft op 20 juni 2006 overleg gevoerd met minister Remkes van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over:

– het kabinetsstandpunt op het advies beloningsverhoudingen van de Adviescommissie rechtspositie politieke ambtsdragers (28 479, nr. 24).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA) constateert dat de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens inmiddels in werking is getreden. De lijst van organisaties die onder deze wet zal vallen, komt binnenkort beschikbaar. De commissie-Dijkstal is inmiddels gevraagd ook te adviseren over de beloningen in de publieke en semipublieke sector, opdat een evenwichtige verhouding in het desbetreffende loongebouw wordt bereikt. Dit kabinet heeft de daad bij het woord gevoegd en daarvoor zijn complimenten op zijn plaats. De CDA-fractie heeft ook grote waardering voor de commissie-Dijkstal, die in een beperkte periode over een breed en gecompliceerd terrein gedegen adviezen heeft uitgebracht.

In het loongebouw dat de commissie-Dijkstal voor de publieke sector voorstelt, staat het ministerssalaris als normsalaris aan de top om daarmee de eindverantwoordelijkheid van deze functie in de publieke sector te onderstrepen. Deze contour is door het kabinet overgenomen en heeft tot vier wetsvoorstellen geleid. Het valt mevrouw De Pater op dat de ministersalarissen pas in een volgende periode worden aangepast. Als gevolg van de stijgingsindex over de periode 1970–2004 zal echter nog een behoorlijk aantal topfuncties in het management boven dat normsalaris uitkomen. Hier valt de komende jaren dus nog een behoorlijke slag te maken.

De laatste voorstellen van de commissie-Dijkstal over aanpassingen in de rechtspositie en de salarisopbouw voor politieke functies en werknemers in de publieke sector vormen een uitgebalanceerd geheel. Alhoewel op enkele onderdelen kleine aanpassingen mogelijk zijn, is het essentieel dat de hoofdlijnen van dit evenwichtige pakket de contouren worden van het toekomstige loongebouw voor de publieke sector. Eén hoofdelement eruit halen zou al leiden tot verder gerommel in de publieke sector. Dat zal zo blijven totdat een nieuw kabinet evenveel moed toont door eenzelfde evenwichtig pakket aan de Kamer aan te bieden. Voorstellen die betrekking hebben op het inkomen en de rechtspositie van Kamerleden behoeven de steun van een tweederde meerderheid, maar mevrouw De Pater hecht eraan dat ook de onderdelen die betrekking hebben op het salaris en de rechtspositie behorend bij andere politieke functies door een tweederde meerderheid worden gesteund.

Voor de heer Van Beek (VVD) is het tweede advies van de commissie-Dijkstal, Advies beloningsverhoudingen politieke ambtsdragers, onlosmakelijk verbonden met het eerste advies, Over dienen en verdienen. Als wordt gekozen voor het voorgestelde systeem, een piramide met aan de top het salaris van de minister-president, moeten niet alleen de hoofdstructuur, maar ook een groot aantal details worden overgenomen. Politiek winkelen leidt ongetwijfeld tot problemen. De VVD-fractie wil daarom niet tornen aan allerlei percentages en overweegt om het voorgestelde systeem in zijn geheel te accepteren. Overigens wordt uit het kabinetsstandpunt (28 479, nr. 24) niet duidelijk waarom de rechterlijke macht en een aantal hoge colleges van staat buiten de boot zijn gevallen.

Met adviespunt 1 van de commissie, één nieuwe salaristabel hanteren, is de heer Van Beek het eens. Ook de uitwerking van deze suggestie is goed tot stand gebracht. Het is terecht dat daarbij het systeem van periodieken voor burgemeesters wordt verlaten. In adviespunt 2 wordt gekozen voor een indexering aan de hand van de salarisontwikkeling in de sector Rijk. In feite maakt het niet uit welke sector als index gekozen wordt, maar deze keuze heeft zijn instemming. Ook de voorgestelde sanering van de vaste onkostenvergoeding, zoals weergegeven in adviespunt 3, krijgt zijn goedkeuring. Deze sanering is nodig omdat steeds meer verschillende systemen ontstaan. Het advies van de commissie-Dijkstal op dit punt leidt tot verduidelijking en vereenvoudiging van de vergoedingensystematiek. Dat de commissie er in adviespunt 4 voor kiest om de regeling bij neveninkomsten voor Tweede Kamerleden zo breed door te trekken, is voor de heer Van Beek niet logisch. Hierover bestaat immers veel discussie. Niet helder is bijvoorbeeld waarom ervoor wordt gekozen om neveninkomsten tot 14% van de bezoldiging vrij te laten zonder dat tot aftrek wordt overgegaan. Met name de winst uit de onderneming zal een discussiepunt worden. Het kabinetsstandpunt rept verder niet over openbaarheid van neveninkomsten. In het systeem bij de Tweede Kamer kunnen zaken en openbaar en gelimiteerd zijn. De heer Van Beek meent evenwel dat zaken die eenmaal openbaar zijn, niet gelimiteerd hoeven te worden en dat gelimiteerde zaken niet openbaar hoeven te zijn. In adviespunt 5 wordt het aantal gemeentelijke klassen teruggebracht en dat is prima. Hij kan zich voorstellen dat de klassen 1 t/m 3, gemeenten met inwoners van 0 tot 8000, worden samengevoegd tot één klasse, waarbij wordt uitgegaan van het salaris dat wordt voorgesteld bij klasse 3. De beloning van raadsleden in gemeenten met meer dan 100 000 inwoners groeit langzaam maar zeker toe naar een vergoeding voor een fulltime functie. Dat is niet de bedoeling. Daarover wil de heer Van Beek opnieuw een discussie voeren.

Mevrouw Van Velzen (SP) vindt het advies van de onafhankelijke commissie onder voorzitterschap van de eenieder bekende heer Dijkstal geen verrassing: forse tot zeer forse salarisverhogingen. In een tijd waarin de armoede onder de bevolking toeneemt spreken over het laten stijgen van de salarissen op de Haagse vierkante kilometer brengt mevrouw Van Velzen het schaamrood op de kaken. Zij vraagt zich af welke enorme schade de politici niet moeten lijden om 30% extra «schadeloosstelling», zoals het salaris ook wel wordt genoemd, te rechtvaardigen. Het vak van bewindspersoon of volksvertegenwoordiger is een eervol vak, een vak dat iemand uitoefent omdat hij zich daartoe geroepen voelt. Mensen die daarvoor bedanken omwille van het gebrek aan een x-aantal tienduizenden pegels zijn mensen die niet echt tot dit vak geroepen zijn. Zij kunnen beter in het bedrijfsleven gaan werken, waar helaas wel gigantische salarissen worden uitbetaald. Voor de SP-fractie is de nullijn die voor het grootste deel van de bevolking geldt, ook voor de minister-president en voor alle andere personen waarop het advies van de commissie-Dijkstal betrekking heeft, genoeg.

Een woordvoerder van de CDA-fractie, de heer De Nerée tot Babberich, heeft eerder aangegeven dat de discussie over de salarisverhogingen wat hem betreft als gesloten konden worden beschouwd; zij lieten zich niet uitmaken voor zakkenvullers. De woorden van mevrouw De Pater duiden er in haar ogen op dat de leden van de CDA-fractie kennelijk wel voor zakkenvullers uitgemaakt mogen worden. Mevrouw Van Velzen had liever gezien dat was gekozen voor een onafhankelijke adviescommissie die was samengesteld uit Nederlanders die nu geconfronteerd worden met hoge zorgpremies, stijgende energieprijzen en lagere huursubsidies. De bestuurders op de Haagse vierkante kilometer, burgemeesters en wethouders: het wordt al gezien als zakkenvullerij. Mevrouw Van Velzen vindt dat jammer, want het legt een schaduw over de politiek. De kern van waarheid die hierin schuilt, is dat de salarissen al fors te noemen zijn. Als de salarissen van Tweede Kamerleden, ministers en de minister-president worden verhoogd zoals is voorgesteld, lijkt haar het verwijt van zakken vullen terecht. De SP-fractie wenst daar afstand van te nemen.

In een artikel van De Volkskrant staat dat het besluit over deze kwestie zal worden overgelaten aan een volgend kabinet opdat de heer Bos, die dan premier Bos zou heten, daaraan ook zijn handen vuil kan maken. De krant vermeldt geen bron, maar mevrouw Van Velzen is benieuwd waarop dit bericht is gebaseerd.

Ook de heer Eerdmans (LPF) ziet het Advies beloningsverhoudingen politieke ambtsdragers als de opvolger van Over dienen en verdienen. Daarin komt tot uitdrukking dat het ministersalaris boven in het loongebouw staat en dat het salaris van andere politieke ambtsdragers dit salaris niet automatisch volgt. De stijging van het ministerssalaris vindt de heer Eerdmans terecht. If you pay peanuts, you’ll get monkeys. Ministers moeten fors beloond worden. Zij bevinden zich in een glazen huis met een groot afbreukrisico. Het is een eervolle baan. Hij vindt het prima om mensen die hard werken, veel verantwoordelijkheid dragen en elke dag op hun handelen worden afgerekend goed te belonen. Bovendien biedt een verhoging van het ministerssalaris keuze uit een groter aantal kandidaten. De woorden zakken vullen vindt hij passen bij vijf jaar wachtgeld ontvangen zonder sollicitatieplicht of bij een aantal uren staatssecretaris zijn en twee jaar daarop wachtgeld ontvangen. De heer Eerdmans is het eens met de commissie-Dijkstal dat daarin verandering moet komen.

Alhoewel hij vindt dat het salaris van andere ambtenaren niet direct de stijging van het ministerssalaris moet volgen, vraagt hij wel aandacht voor de categorieën in de rechterlijke macht. Een rechter van een grote rechtbank heeft wel degelijk een zware functie en als de zwaarte van de functie het beloningsniveau bepaalt, mag ook voor hem een stijging gelden. Met de hoge plaats die de vicepresident van de Raad van State, de president van de Algemene Rekenkamer en de Nationale ombudsman in het loongebouw van de commissie-Dijkstal innemen is de heer Eerdmans het niet eens. Hij vindt dat zij niet thuishoren op het niveau van de minister.

De zwaarte van de functie van commissaris van de Koningin (CdK) wordt overschat. Een commissaris verdient net zoveel als de burgemeester van Rotterdam of Amsterdam, maar hij draagt niet dezelfde verantwoordelijkheid. Kan de minister het plaatsingsniveau van dit salaris onderbouwen? Het inkomen van de burgemeester is afhankelijk van het aantal inwoners van een gemeente. De functie van commissaris van de Koningin is ook niet in alle provincies even zwaar. Waarom wordt hiervoor dan toch maaréén bedrag genoemd?

Met de adviespunten 2 t/m 5 is de LPF-fractie het eens. Over adviespunt 4 merkt de heer Eerdmans nog op dat hij het een goed voorstel vindt om de bestaande verplichting om neveninkomsten uit de publieke kas uit hoofde van q.q.-functies terug te storten, uit te breiden met neveninkomsten uit de publieke kas die geen q.q.-functie betreffen. Hij vraagt de minister eens op een rij te zetten uit welke andere functies van CdK’s neveninkomsten uit de publieke kas voortvloeien en waar deze inkomsten worden gestort.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks) meent dat de debatten over de beloningsverhoudingen worden verziekt door het voorstel om de ministersalarissen en het salaris van de minister-president zeer fors te verhogen. Over dit onderwerp worden maar geen spijkers met koppen geslagen. GroenLinks is mordicus tegen dit voorstel, maar onder andere de PvdA en het CDA zijn hierover niet duidelijk. Het is van belang dat over de desbetreffende voorstellen van de commissie-Dijkstal helderheid wordt gegeven, omdat pas daarna een besluit kan worden genomen over de daarop volgende voorstellen. Juist daarom is het nu nog niet duidelijk wat er gebeurt met de wachtgelden, de onkostenvergoedingen en de salarisverhogingen. Mevrouw Van Gent is het eigenlijk spuugzat. Telkens debatteren over dit onderwerp is op deze manier compleet zinloos. De minister maakt hiervan gebruik door te zeggen dat, zolang de Kamer zich niet uitspreekt over het ministersalaris, hij de topinkomens in de semipublieke sector niet kan maximeren. Mevrouw Van Gent pleit er dan ook voor het voorstel voor de verhoging van de ministerssalarissen naar de prullenbak te verwijzen en in de debatten over de beloningsverhoudingen uit te gaan van de huidige ministerssalarissen.

Het ministerschap is een eervolle functie. Daarbij gaat het niet om de centen. Ministers en staatssecretarissen kunnen goed rondkomen van hun huidige inkomen. Genoeg is genoeg. Als andere fracties menen dat de salarissen moeten stijgen, moeten zij daar ronduit voor uitkomen en dat uitleggen. Wat mevrouw Van Gent betreft, moeten deze knopen nog voor de verkiezingen worden doorgehakt. Mensen die een brutosalaris van € 10 000 niet voldoende vinden, zijn ook niet over de streep te trekken met 30% meer. Zij gaan voor de tonnen aan toeslagen en riante pensioenregelingen. Het is overigens nog maar de vraag of je dat soort mensen graag in de publieke sector ziet of mensen die zich voor een minder, maar toch heel goed salaris willen inzetten voor deze publieke sector.

Mevrouw Van Gent vraagt of de minister overwogen heeft om het bedrag dat is bedoeld voor de positieverbetering van raads- en statenleden aan de gemeenten en provincies te laten opdat zij zelf kunnen bepalen hoe zij dit geld besteden. Zij kan zich voorstellen dat zij dit geld bijvoorbeeld liever besteden aan fractieondersteuning of een betere rekenkamer. Het lijkt haar overigens dat de commissaris van de Koningin beter een parttime functie kan worden. Het blijkt immers dat de commissarissen van de Koningin wel heel veel tijd over hebben om nevenfuncties te vervullen. Zij pleit er ten slotte voor de neveninkomsten op korte termijn aan te pakken en af te pakken.

De heer Boelhouwer (PvdA) betreurt het dat dit soort debatten altijd op hoge toon gevoerd wordt. Dat is niet goed voor de zaak en niet goed voor het aanzien van het openbaar bestuur.

Het is toch wel terecht dat de minister de Kamer oproept een uitspraak te doen over de eerste voorstellen van de commissie-Dijkstal. De Kamer is immers aan zet. Hoewel de twee adviezen van deze commissie met elkaar samenhangen, vindt de heer Boelhouwer het toch mogelijk hen apart te behandelen. Het advies Over dienen en verdienen roept bij de PvdA-fractie nog een aantal vragen op, onder andere over de salarisverhogingen. Het is de vraag wat nodig en wat redelijk is. Het kabinet vindt 30% nodig, maar uit cijfers van onder andere het CBS blijkt dat het doel zelfs met een verhoging van 30% niet wordt bereikt. Is een salarisverhoging dan wel het juiste instrument? Verder constateert de heer Boelhouwer dat dit soort voorstellen maatschappelijke onrust teweegbrengt. Hij hoopt dan ook dat het pakket wetsvoorstellen dat voortvloeit uit het eerste advies van de commissie-Dijkstal spoedig in behandeling kan worden genomen. De 10% verhoging die de heer Bos eerder heeft genoemd, kan voor de PvdA-fractie een uitgangspunt zijn. Dit zou echter leiden tot een wijziging van de nu voorgestelde piramide. De heer Boelhouwer wil graag weten welke consequenties het kabinet daarvan ziet voor de bestuurspiramide.

In het Advies beloningsverhoudingen politieke ambtsdragers is de rechterlijke macht erbuiten gelaten, maar hieraan moet wel snel wat gedaan worden. Dit kan niet op de lange baan worden geschoven. Het afromen van neveninkomsten heeft de uitdrukkelijk steun van de PvdA-fractie. Het is een uitstekend idee om neveninkomsten uit de publieke kas terecht te laten komen in de provincie- of gemeentekas. Daarmee worden de desbetreffende verantwoordelijkheid en het toezicht op het niveau gelegd waar zij thuishoren. Het voorstel om hierover openbaarheid te betrachten, stuit bij de heer Boelhouwer op geen enkele weerstand.

In de kabinetsreactie op het laatste advies van de commissie-Dijkstal is niet voorzien in een extra vergoeding voor fractievoorzitters en commissievoorzitters in gemeenten en provincies. Toch kan de heer Boelhouwer zich voorstellen dat wel iets aan de positie van fractievoorzitters wordt gedaan. Hij maakt daarbij de kanttekening dat de situatie van direct na de verkiezingen daarbij bepalend moet zijn. Anders wordt het afscheiden van een fractie en een eigen fractie beginnen beloond met een extra vergoeding voor de functie van fractievoorzitter.

De vergoeding voor raads- en statenleden is vele jaren achtergebleven. Door het dualisme is het werk van raads- en statenleden zwaarder geworden. Bovendien is het aantal statenleden sterk verminderd, wat voor hen een extra verzwaring heeft opgeleverd. Over de vergoeding voor mensen die zich voor het openbaar bestuur willen inzetten moet duidelijkheid bestaan. De heer Boelhouwer vindt het daarom geen goed idee om deze vergoedingen per gemeente of provincie apart te regelen.

Het idee van de minister om de vrijheid van gemeenten en provincies te beperken op het gebied van wachtgeldregelingen, vindt de heer Boelhouwer uitstekend. Nu leveren de wachtgeldregelingen her en der problemen op. Zij leiden tot grote vormen van ongelijkheid, wat zich aan burgers lastig laat uitleggen. Wachtgeld is een tegemoetkoming voor inkomen dat niet meer wordt genoten doordat het werk dat eerder werd verricht is komen te vervallen, maar raads- en statenleden hebben in principe parttime banen en dat moet ook zo blijven. Het afschaffen van de mogelijkheid om een wachtgeldregeling in te voeren, heeft dan ook zijn instemming.

Antwoord van de minister

De minister herinnert eraan dat bij de start van het huidige kabinet een passage over transparantie van beloningen in het regeerakkoord was opgenomen. Verder lag er over dit onderwerp een oriënterende notitie van oud-minister van Binnenlandse Zaken De Vries. De minister weet dat dit een onderwerp is waarmee niet gemakkelijk de populariteitsprijs wordt gehaald, maar hij wil er toch iets van maken. Van de kwalificatie zakken vullen, die in dit debat is gebezigd, neemt hij ver afstand. De publieke sector en de semipublieke sector moeten op een volwassen manier over dit onderwerp kunnen spreken. Mede om deze redenen heeft het kabinet besloten om niet zelf voorstellen te ontwikkelen, maar om te proberen een zo groot mogelijke objectiveerbaarheid in de discussie te realiseren. Daarom is de commissie-Dijkstal ingesteld. Deze onafhankelijke commissie is breed samengesteld en herbergt veel deskundigheid. Juist omdat het eerste advies van deze commissie een fundament is, hebben ter zake externe consultaties plaatsgevonden om een beeld te krijgen van het maatschappelijk draagvlak. Daaruit is gebleken dat de voorliggende voorstellen als redelijk te betitelen zijn. Ook was sprake van een redelijk breed draagvlak in de Kamer. De vier wetsvoorstellen die al een tijdje bij de Kamer voorliggen, zijn daarop het vervolg. De minister zegt het op prijs te stellen als de Kamer nog voor het reces een schriftelijke inbreng wil geven over deze wetsvoorstellen zodat in het reces aan een reactie daarop kan worden gewerkt. Na het reces kan de Kamer dan zo spoedig mogelijk tot behandeling overgaan.

De commissie-Dijkstal heeft de ontwikkelingen in de publieke sector in kaart gebracht vanaf 1970. De ministerssalarissen zijn daarbij gerelateerd aan de salarisontwikkeling in de ambtelijke dienst. Op grond daarvan is de conclusie getrokken dat voor het ministerssalaris een achterstand was opgelopen van 30%. Ook de ontwikkeling in de marktsector is over deze periode bekeken, maar de stijging daar was nauwelijks in dezelfde grafiek onder te brengen. De publieke sector is daarom niet vergeleken met de marktsector, die daarom ook geen argument is geweest voor de voorstellen die zijn gedaan. De mensen die voor de publieke sector kiezen hebben bovendien nog iets van een public spirit. De insteek is daarom geweest om de voorstellen zo onafhankelijk mogelijk tot stand te laten komen. In de politieke besluitvorming kan daarvan dan ook alleen maar met zware argumenten worden afgeweken. De voorstellen van de commissie-Dijkstal hangen met elkaar samen. Verwerpt de Kamer de wetsvoorstellen die nu voorliggen, dan heeft dat consequenties voor de tabellen in het tweede advies van de commissie en veranderen de bedragen en percentages voor raadsleden, wethouders, burgemeesters enzovoorts. Over deze laatste tabellen is overleg gevoerd met IPO, VNG, burgemeesters, CdK’s, de commissie Emolumenten van de Kamer en de voorzitter van de Eerste Kamer.

Een verlaging van het percentage van 30 naar 10, zoals door de heer Bos genoemd, werkt eveneens door en resulteert bijvoorbeeld in min 14% voor leden van de Tweede Kamer, min 13% voor leden van de Eerste Kamer enzovoorts. De opvattingen hierover wil de minister geven in de nota naar aanleiding van het verslag bij de wetsvoorstellen. Hij wijst er verder op dat Kamerleden conform het tweede advies van Dijkstal slechts een geringe stijging van het nettosalaris tegemoet zien.

Het bedrag dat is voorzien voor de verbetering van de beloning en de rechtspositie van raadsleden kan niet worden besteed aan bijvoorbeeld fractieondersteuning of een betere rekenkamer. Dat is ook niet nodig omdat bij de dualisering daarvoor geld aan het Gemeentefonds is toegevoegd.

De openbaarmaking van neveninkomsten vloeit al voort uit het eerste advies van de commissie-Dijkstal. Onderdeel van dat systeem is dat neveninkomsten die uit de publieke kas komen, teruggestort moeten worden. Verder zal de kortingsregeling die nu voor Tweede Kamerleden geldt ook op de andere politieke ambtsdragers van toepassing worden verklaard. De minister zegt toe in dit kader nog eens te kijken naar het inkomensbegrip in fiscale zin en het inkomen uit eigen bedrijf, maar benadrukt dat goede redenen nodig zijn om af te wijken van het advies.

Over de differentiatie in de beloning van de CdK’s is al vele malen gediscussieerd. De werkbelasting van de commissaris van de Koningin wordt zeker niet uitsluitend bepaald door het inwonertal. Hetzelfde geldt voor gedeputeerden en statenleden. Mocht hierover interprovinciaal overeenstemming bestaan, dan wil de minister daar best over praten, maar dat lijkt hem een theoretische kwestie. Overigens vindt hij de functiezwaarte van CdK niet overschat. De salariëring van de CdK ligt in het voorstel van Dijkstal op hetzelfde niveau als het salaris van de burgemeesters in de G4. Ook hier geldt dat afwijken een zware argumentatie vergt, een argumentatie die de minister niet ziet. De nevenfuncties van de CdK worden in overwegende mate in de publieke sfeer uitgeoefend. Neveninkomsten die daaruit worden verworven, dienen te worden teruggestort. Voor de andere neveninkomsten geldt de Kamerledenregeling. Dat lijkt de minister een uitgebalanceerd en verdedigbaar voorstel. De minister wil overigens graag bekijken of de verkleining van het aantal klassen van gemeenten, zoals de heer Van Beek dat heeft voorgesteld, mogelijk is. De vraag of hiervan een belemmerende werking kan uitgaan bij een herindeling in het openbaar bestuur zal daarbij worden betrokken.

Voor raadsleden en statenleden leiden de voorstellen van de commissie tot een substantiële plus. Het onderscheid tussen de werkbelasting van een provinciale of gemeentelijke fractievoorzitter en een gewoon raads- of statenlid is relatief gering. Om beide redenen vindt de minister het dan ook niet nodig om deze fractievoorzitters een extra vergoeding toe te kennen, maar hij zal er in laatste instantie niet de messen over slijpen.

De wachtgeldregelingen lopen in gemeenten en provincies zeer uiteen, terwijl één eenduidige praktijk gewenst is. Aangezien het hier parttime functies betreft en geen fulltime functies, vindt de minister dat geopteerd moet worden voor het treffen van geen wachtgeldregelingen.

Het is niet de bedoeling dat de voorzieningen voor de rechterlijke macht op de lange baan worden geschoven, maar ook hiervoor geldt dat eerst duidelijkheid moet worden verschaft over de eerste voorstellen van de commissie-Dijkstal omdat daarmee nu eenmaal een koppeling is gelegd. Het advies van de commissie voor de rechterlijke macht was een op een 30% erbij, maar omdat binnen de rechterlijke macht over dit onderwerp nog discussies worden gevoerd en omdat er een samenhang is met de hoge colleges van staat, is besloten om dit onderdeel vooralsnog uit het voorstel te lichten.

Op de vraag over de vergoeding van raadsleden in gemeenten met meer dan 100 000 inwoners antwoordt de minister dat hij vindt dat er ook bij gemeenten een dualiseringscorrectie moet plaatsvinden. In ieder geval zal de tijdsbesteding van raadsleden in de G4 worden onderzocht. Hij geeft er de voorkeur aan om hierop later terug te komen, maar vermeldt al wel dat ook hierover geen messen geslepen zullen worden. Hij heeft begrepen dat de suggestie om een aantal tussenliggende schalen te schrappen, waardoor de salariëring in het vergoedingengebouw iets naar boven opschuift zonder dat 15% aan het salaris wordt toegevoegd, door een aantal fracties in de Kamer wordt gedeeld.

Nadere gedachtewisseling

De heer Van Beek (VVD) vraagt of de minister heeft overwogen om de functie van de minister-president door een extern bureau te laten waarderen, bijvoorbeeld door Hay management consultance. Hij schaamt zich voor de manier waarop nu discussie wordt gevoerd omdat de werkelijke situatie veel ingewikkelder is dan door deze discussie lijkt.

Mevrouw Van Velzen (SP) lijkt het vrijwel onmogelijk om een functie goed te waarderen. De schadeloosstelling voor Kamerleden vindt zij perfect in orde. Ministers en de minister-president worden ontzettend goed betaald. In het voorstel dat nu voorligt worden zij echter onacceptabel goed betaald. Haar opmerking over zakken vullen had dan ook betrekking op de toekomst. Het doet haar zeer leed dat een bepaald gedeelte van de bevolking groot profijt heeft bij de voorstellen, maar het leeuwendeel niet.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks) is het met de minister eens dat met dit onderwerp niet de populariteitsprijs wordt gehaald, en de bevolking heeft daarmee een terecht punt. De salarissen voor de functies waarover het voorstel gaat, zijn hoog genoeg en hoeven niet te stijgen. Zij hoopt dat alle politieke partijen over dit onderwerp voor de verkiezingen met de politieke billen bloot gaan. Dat is noodzakelijk om het debat over dit onderwerp goed te kunnen voeren. Een onderzoek door Hay management consultance stuit haar tegen de borst, want dat zal alleen maar tot salarisverhoging leiden.

De heer Boelhouwer (PvdA) hoopt dat de fracties die terughoudend waren met de behandeling van de vier wetsvoorstellen na dit algemeen overleg dat gevoel kunnen bijstellen zodat de schriftelijke inbreng van de Kamer nog voor het zomerreces gereed is. Hij vertrouwt erop dat de behandeling van deze voorstellen dan na de zomer kan plaatsvinden, zodat ook het wetsvoorstel waarin het tweede advies van de commissie-Dijkstal is verwerkt spoedig kan worden behandeld.

De minister denkt niet aan het inhuren van Hay management consultance. Dit bureau heeft overigens wel een internationale vergelijking gemaakt waaruit blijkt dat de maatstaven van de nieuwe normering in Nederland niets bijzonders zijn. Deze informatie zal de Kamer bij gelegenheid worden toegestuurd. De minister vindt het voorstel van de commissie-Dijkstal fatsoenlijk verdedigbaar. Tot slot wijst hij erop dat deze voorstellen niet voor de huidige ministers zijn bedoeld, maar voor de toekomst.

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Noorman-den Uyl

Adjunct-griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Hendrickx


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Kalsbeek (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), voorzitter, Van Beek (VVD), ondervoorzitter, Van der Staaij (SGP), Wilders (Groep Wilders), De Pater-van der Meer (CDA), Duyvendak (GroenLinks), Spies (CDA), Eerdmans (LPF), Sterk (CDA), Van der Ham (D66), Algra (CDA), Haverkamp (CDA), Van Fessem (CDA), Smilde (CDA), Straub (PvdA), Nawijn (LPF), Boelhouwer (PvdA), Dubbelboer (PvdA), Nijs (VVD), Van Schijndel (VVD), Irrgang (SP), Meijer (PvdA), Özütok (GroenLinks) en Wagner (PvdA).

Plv. leden: Klaas de Vries (PvdA), Fierens (PvdA), Weekers (VVD), Slob (ChristenUnie), Szabó (VVD), Rambocus (CDA), Van Gent (GroenLinks), Çörüz (CDA), Van As (LPF), Van Haersma Buma (CDA), Koşer Kaya (D66), Eski (CDA), Knops (CDA), Van Bochove (CDA), Van Hijum (CDA), Hamer (PvdA), Hermans (LPF), Leerdam (PvdA), Wolfsen (PvdA), Van der Sande (VVD), Kant (SP), Balemans (VVD), Halsema (GroenLinks), Dijsselbloem (PvdA), Bibi de Vries (VVD) en De Wit (SP).