nr. 25
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN
MILIEUBEHEER
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 april 2003
Tijdens het algemeen overleg over de huursubsidie d.d. 13 maart jl. (kamerstuk
28 464 nr. 24) heb ik aan de vaste commissie VROM toegezegd dat ik op
een aantal onderwerpen nog nader terug zou komen. In deze brief wordt aan
deze toezegging voldaan.
Tijdens het algemeen overleg heeft de heer Van Bochove (CDA) voorgesteld
om de tweede voortgangsrapportage over de uitvoering van de Huursubsidiewet
niet in april, maar medio mei 2003 uit te brengen, zodat duidelijk is of alle
achterstanden zijn weggewerkt voor het begin van het nieuwe huursubsidiejaar.
Ik ben bereid dit voorstel over te nemen. Uw Kamer zal de tweede voortgangsrapportage
in de eerste helft van mei ontvangen. De derde voortgangsrapportage zal ik
in verband daarmee niet in juli, maar in augustus 2003 toezenden; tegen die
tijd kan naar verwachting een redelijk afgerond beeld worden geschetst van
het verloop van het automatisch continueren in het subsidiejaar 2003–2004.
De vierde en laatste voortgangsrapportage zal zoals eerder gepland in
oktober 2003 verschijnen.
De heer Duivesteijn (PvdA) heeft gevraagd om soepel om te gaan met het
verstrekken van subsidie met terugwerkende kracht voor huurders die een beperkt
huursubsidiebericht hebben ontvangen en die ook na een tweede rappel nog niet
gereageerd hebben op een verzoek om nadere gegevens aan te leveren. Ook mw.
Gerkens (SP) vraagt hierom en wijst erop dat het goed mogelijk is dat huurders
buiten hun schuld niet hebben gereageerd of dat hun reactie nog niet is verwerkt.
Ik heb toegezegd hierop nader terug te komen.
Ik deel de mening van vorengenoemde Kamerleden dat huurders geen nadelige
gevolgen mogen ondervinden van een te late reactie op een beperkt huursubsidiebericht,
als het uitblijven van een tijdige reactie (mede) aan VROM te wijten is.
Om die reden is in afwijking van de normale werkwijze in het afgelopen
najaar zeer soepel omgegaan met huurders die niet binnen vier weken hadden
gereageerd op een beperkt huursubsidiebericht.
In die periode was het ministerie immers telefonisch zeer slecht bereikbaar
en konden huurders met vragen over het huursubsidiebericht en de te volgen
procedure vaak niet goed aan informatie komen. Pas nadat de telefonische bereikbaarheid
was hersteld, is aan alle huurders die nog niet hadden gereageerd, een tweede
rappelbrief gezonden.
Alleen als ook vier weken na dat tweede rappel een reactie van de huurder
was uitgebleven en tevens was gebleken dat er geen nog onbehandelde post van
de desbetreffende huurder aanwezig was, zijn de betrokken aanvragen buiten
behandeling gesteld. Als deze huurders in een later stadium toch nog voor
subsidie voor het lopende subsidiejaar in aanmerking willen komen, zal geen
bijdrage met terugwerkende kracht worden verstrekt. Hiervan zal uitsluitend
afgeweken worden als sprake is van bijzondere omstandigheden, waardoor de
termijnoverschrijding niet aan de huurder kan worden verweten. Dit omdat ik
van mening ben, dat voor het verkrijgen van subsidie ook de aanvrager zelf
een eigen verantwoordelijkheid heeft en geacht mag worden gegevens waarom
uitdrukkelijk is gevraagd en die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van
de subsidie, tijdig aan te leveren.
Voor het komende subsidiejaar zijn maatregelen getroffen om de telefonische
bereikbaarheid op een aanvaardbaar peil te houden, ook gedurende de piekperiode.
Bovendien zullen tegen die tijd minstens 300 Huursubsidie Informatiepunten
verspreid over het land aanwezig zijn, waar huurders met vragen over het huursubsidiebericht
terecht kunnen. Daarnaast wordt er aan gewerkt om door middel van frequentere
gegevensuitwisseling en verbeterde afspraken met de leveranciers van de gegevens,
het aantal beperkte huursubsidieberichten zo veel mogelijk terug te dringen.
Ik ga er dan ook vanuit dat een huurder de gelegenheid zal hebben om tijdig
(dat wil zeggen, uiterlijk vier weken na verzending van het rappel op een
beperkt huursubsidiebericht) de gevraagde aanvullende gegevens toe te zenden.
In principe zal dan ook volgend jaar de hand worden gehouden aan de wettelijke
termijnen om te reageren op een beperkt huursubsidiebericht. Zoals gezegd
blijft het in bijzondere gevallen, waarin de huurder buiten zijn schuld niet
tijdig heeft kunnen reageren, mogelijk hiervan af te wijken.
Het laatste onderwerp betreft het pleidooi van mw. Gerkens om huurders
die naar een verzorgingstehuis verhuizen nog één maand na de
verhuizing huursubsidie te verstrekken voor de verlaten woning. Ik heb toegezegd
mij op deze problematiek te bezinnen en ook hierop nader terug te komen.
Volgens de Huursubsidiewet is er alleen recht op huursubsidie als er sprake
is van hoofdverblijf op het subsidieadres. De controle hierop is de inschrijving
in het GBA. In de structuur van de Huursubsidiewet is de bewoningssituatie
van de huurder bepalend voor het recht op huursubsidie. Hiermee wordt dubbele
subsidiëring uitgesloten. In geval van een verhuizing zal vaak sprake
zijn van een korte of langere periode waarin de huurder twee woon- of verblijfruimten
tegelijk aanhoudt. Dit is niet alleen zo bij verhuizing naar een verzorgingshuis
maar in alle verhuissituaties. Het creëren van de mogelijkheid voor subsidie
voor een inmiddels niet meer bewoonde woning ingeval van verhuizing naar een
verzorgingshuis zou leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van andere,
vergelijkbare gevallen. Bovendien wordt hiermee een precedent geschapen, waardoor
het criterium van hoofdverblijf op het subsidieadres wordt uitgehold. Daarmee
zou één van de belangrijkste brongegevens voor toetsing van
het recht op huursubsidie – inschrijving in het GBA – in het geding
komen. Het GBA kan immers geen inzicht bieden in de aard van woonruimte
waar een voormalig huurder naar toe verhuist. Evenmin geeft het GBA informatie
over de vraag of – en over welke periode – er nog sprake is van
doorbetaling van huur van de woning die is verlaten en of er wel een noodzaak
is tot het enige tijd aanhouden van de woonruimte.
Deze gegevens zijn evenmin van een andere primaire bron te betrekken,
wat de uitvoerbaarheid van een dergelijke soepele maatregel zeer lastig en
het risico van misbruik naar mijn mening te groot maakt.
Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben ingelicht.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
H. G. J. Kamp