28 447
Regeling met betrekking tot tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang en waarborging van de kwaliteit van kinderopvang (Wet kinderopvang)

31 070
Beleidsprogramma 2007–2011

nr. 147
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 september 2007

1 Inleiding

Met mijn brief van 5 september jl., Kamerstuk 28 447/31 070, nr. 146, heb ik u het rapport van de Taskforce wachtlijsten buitenschoolse opvang (commissie Bruins) aangeboden. Op basis van het rapport van de Taskforce en gehoord de inbreng vanuit de Tweede Kamer bij het Algemeen Overleg over buitenschoolse opvang van 6 september jl. heb ik een plan van aanpak opgesteld met maatregelen voor de korte en de lange termijn, waarmee de wachtlijsten bij de buitenschoolse opvang kunnen worden teruggedrongen.

2 Algemeen beeld

De groei van de buitenschoolse opvang en het ontstaan van wachtlijsten hebben een brede maatschappelijke en beleidsmatige context. Voordat ik specifiek inga op de knelpunten en oplossingen, lijkt het mij goed eerst de uitgangspunten voor de toekomst te schetsen.

2.1 Uitgangspunten

Het is belangrijk voor de noodzakelijke groei van de arbeidsparticipatie dat iedereen die arbeid en zorg wil combineren, daarvoor in de gelegenheid is. Hiervoor is kwalitatief goede kinderopvang voor veel ouders een noodzakelijke voorwaarde. In de afgelopen jaren is dan ook fors geïnvesteerd om het stelsel van kinderopvang te verbeteren:

• Per 1 januari 2005 is de Wet kinderopvang ingevoerd;

• Per 1 januari 2006 en 1 januari 2007 zijn de kosten voor ouders verlaagd;

• Per 1 januari 2007 is de werkgeversbijdrage verplicht;

• Per 1 augustus van dit jaar zijn scholen wettelijk verplicht de aansluiting te organiseren tussen school en buitenschoolse opvang.

Om bij een groeiende vraag naar buitenschoolse opvang te zorgen voor voldoende capaciteit zijn inspanningen nodig van alle betrokkenen. In deze brief ga ik hier op in.

Met de invoering van de wettelijke verplichting voor scholen om de aansluiting tussen school en buitenschoolse opvang te combineren is een belangrijke stap gezet om onderwijs, opvang, sport en cultuur bij elkaar te brengen. Een dergelijk samenhangend aanbod biedt kinderen een mogelijkheid om talenten te ontplooien, sociale vaardigheden op te doen en plezier te hebben. Een stimulerende kinderopvang, brede school of verlengde schooldag biedt hiervoor de mogelijkheden. Ik zal de Tweede Kamer voor de behandeling van de OCW-begroting een notitie over brede scholen toesturen.

De samenwerking tussen onderwijs, opvang, sport en cultuur krijgt bij uitstek vorm en inhoud met de realisering van combinatiefuncties. Dit betreft functies voor professionals die bij één werkgever in dienst zijn, maar werkzaam zijn in of ten behoeve van meerdere sectoren.

Bij alle maatregelen voor het oplossen van wachtlijsten is voor het kabinet uitgangspunt dat deze plaats moeten vinden zonder kwaliteitsverlies bij de opvang. Kinderopvang mag niet in een kwalitatief slechte omgeving worden uitgevoerd.Ik wil ook voorkomen dat door kwalitatief slechte noodoplossingen het vertrouwen van ouders in de buitenschoolse opvang zou verdwijnen: ouders moeten hun kinderen met een gerust hart naar de kinderopvang kunnen laten gaan.

2.2 Het rapport van de Taskforce wachtlijsten buitenschoolse opvang

Het rapport van de commissie Bruins geeft een goed overzicht van de huidige stand van zaken in de buitenschoolse opvang: de gerealiseerde groei en groeiverwachtingen, knelpunten en oplossingsrichtingen. Met de Wet kinderopvang is sinds 2005 de financiële toegankelijkheid van de kinderopvang geregeld. De samenwerking tussen scholen en opvang vanuit de motie Van Aartsen/Bos maakt vervolgens het gebruik van buitenschoolse opvang ook in praktische zin voor ouders makkelijker. De Taskforce constateert dan ook dat buitenschoolse opvang voor steeds meer ouders een onmisbaar onderdeel bij de inrichting van werk- en privéleven is geworden. Buitenschoolse opvang maakt arbeidsparticipatie van ouders met schoolgaande kinderen mogelijk en draagt bij aan het draagvlak voor economische groei.

Uit het rapport van de commissie Bruins blijkt dat het gebruik van buitenschoolse opvang het afgelopen jaar sterk is toegenomen. In totaal maken nu 35 000 kinderen meer gebruik van buitenschoolse opvang dan het jaar daarvoor. Dit is een groei met circa 20% en daarmee de sterkste groei van de buitenschoolse opvang van de afgelopen 10 jaar. Eind 2006 nam ruim 11% van de kinderen in de schoolgaande leeftijd deel aan buitenschoolse opvang. Eind 2007 verwacht de Taskforce een deelnamepercentage van ten minste 13,5%. De kinderopvangsector blijkt in staat substantiële ontwikkelingen in de vraag te absorberen.

Ondanks de groei van de capaciteit is sprake van wachtlijsten. Dit komt doordat de vraag naar buitenschoolse opvang nog sterker is gegroeid dan het aanbod. Oorzaken zijn de vereenvoudiging van de Wet kinderopvang (verplichte werkgeversbijdrage per 1 januari 2007), de gunstige economische ontwikkeling, de lagere kosten voor ouders en de invoering van de wettelijke verplichting voor scholen de aansluiting tussen school en buitenschoolse opvang te organiseren (motie Van Aartsen/Bos).

De wachtlijsten in de buitenschoolse opvang bedragen volgens onderzoek van B&A, dat gelijktijdig met het rapport van de Taskforce is uitgebracht, circa 20 000 kinderen. Dat komt overeen met ruim 10% van de huidige opvangcapaciteit. Ik verwacht met de Taskforce dat het kinderopvangstelsel, gerekend over een wat langere periode, in staat zal zijn ook hiervoor een adequaat aanbod tot stand te brengen. De capaciteitsgroei met 20% dit jaar geeft mij de overtuiging dat dit mogelijk is. Die capaciteitsgroei is ook in de toekomst hard nodig. Zeker als de groei in de vraag naar kinderopvang zal blijven doorzetten. De Taskforce schetst dat als een zeer reëel scenario.

Ik zal, conform het verzoek van de Tweede Kamer bij het Algemeen Overleg van 6 september, het wachtlijstonderzoek periodiek blijven uitvoeren en daarbij ook de wachttijden voor ouders in beeld brengen. Ook zal ik de situatie bij kleine en plattelandsscholen volgen, omdat uit het rapport «Klaar voor de aansluiting» bleek dat kleine en plattelandsscholen meer tijd nodig hebben om de aansluiting op de buitenschoolse opvang te organiseren.

Een te lange periode van wachtlijsten belemmert ouders op de korte termijn in hun mogelijkheden tot arbeidsdeelname. Een wachtlijst van 20 000 kinderen betekent dat evenzoveel gezinnen arbeid en zorg niet op de door hen gewenste wijze kunnen combineren. Daarom acht ik het evenals de Taskforce noodzakelijk extra maatregelen te treffen. Met deze brief bied ik u mij plannen daarvoor aan.

2.3 Het Algemeen Overleg van 6 september 2007

Op donderdag 6 september 2007 heb ik met uw Kamer een Algemeen Overleg gevoerd naar aanleiding van het verschijnen van het rapport van de Taskforce. In het overleg vroeg de gehele Tweede Kamer het kabinet maatregelen te nemen om wachtlijsten snel weg te werken. In het overleg heb ik de Kamer toegezegd met een investeringsplan te komen. In dit investeringsplan kom ik terug op de elementen die door de partijen in het debat ingebracht zijn:

• Duidelijke en concrete stappen om de capaciteit van de buitenschoolse opvang snel en effectief uit te breiden;

• Maatregelen om de gemeenten goed in positie te brengen om hun rol op te pakken

Graag wil ik op basis van deze notitie met uw Kamer overleggen.

3 Knelpunten uit het rapport van de Taskforce

In zijn rapport benoemt de Taskforce een aantal knelpunten die van invloed zijn op de uitbreiding van buitenschoolse opvang. De belangrijkste knelpunten zijn:

• Een toenemende schaarste aan geschikte ruimten;

• Onduidelijkheid in de beeldvorming over rolverdeling tussen onderwijs, kinderopvang en gemeente;

• Ontoereikende randvoorwaarden voor investeringen in nieuwe accommodaties door lokale en wettelijke beperkingen;

• Veronderstelde financieringsrisico’s bij investeringen in BSO-accommodaties;

• Inefficiënt gebruik van accommodaties (het gebruik concentreert zich op maandag, dinsdag en donderdag);

• Personeelsvoorziening en krapte op de arbeidsmarkt.

Het rapport van de Taskforce dat ik u op 5 september heb toegezonden, licht deze knelpunten verder toe.

4 Maatregelen voor de korte en middellange termijn

De maatregelen in het rapport van de Taskforce voor het bestrijden van wachtlijsten richtten zich met name op de hierboven genoemde knelpunten. Het wegnemen daarvan kan snelheid in het proces van uitbreiding brengen en leidt tot een efficiënter gebruik van de samenwerkingsmogelijkheden tussen school en kinderopvang. Gezien de aanbevelingen van de Taskforce en gezien de discussie tijdens het Algemeen Overleg van 6 september jl. wil ik de volgende maatregelen nemen.

4.1 Stimulering van snelle capaciteitsuitbreiding

Op verschillende locaties is op korte termijn uitbreiding nodig. Tijdens het Algemeen Overleg van 6 september jl. heeft de Tweede Kamer hiervoor nadrukkelijk aandacht gevraagd. Ik zal hierop specifieke actie ondernemen.

Maatregel

• Vanuit de ouderorganisatie in de kinderopvang (BOinK) en het Waarborgfonds kinderopvang zijn bruikbare en snel in te zetten vormen van semi-permanente huisvesting ontwikkeld. Ik zal een stimuleringsregeling opzetten voor samenwerkingsverbanden tussen school en opvang die er in slagen tussen 1 augustus 2007 en 1 april 2008 via deze formule uitbreiding te realiseren. De regeling staat open voor alle samenwerkingsverbanden tussen opvang en onderwijs die in dit tijdvak uitbreiding realiseren. Uitgangspunt daarbij is dat geen verstoring van de markt plaatsvindt. Maximaal 200 samenwerkingsverbanden kunnen een eenmalige bonus ontvangen van € 25 000 per gerealiseerde accommodatie. Op deze manier kunnen school en opvang op korte termijn letterlijk bij elkaar worden gebracht. Uitgaande van een eenmalige bonus van € 25 000 per gerealiseerde accommodatie, kunnen met een bedrag van € 5 mln. maximaal 200 accommodaties met circa 4000 plaatsen worden gerealiseerd. Op die manier kunnen de wachtlijsten op korte termijn beduidend worden verkleind.

4.2 Kenniscentrum voor ondersteuning van capaciteitsuitbreiding

Met de motie-Van Aartsen/Bos is een lijn ingezet om onderwijs en de opvang van schoolgaande kinderen dichter bij elkaar te brengen. Uit het rapport van de Taskforce blijkt dat bij deze sectoren nog onvoldoende kennis aanwezig is van elkaars werkterrein. Dat werkt vertragend bij het gezamenlijk realiseren van buitenschoolse opvang. De Taskforce stelt daarom de oprichting van een tijdelijk expertisecentrum voor. Dit centrum kan informatie verzamelen, ontwikkelen en verspreiden en kan opvang- en onderwijsorganisaties en gemeenten die bezig zijn met het realiseren van buitenschoolse opvang ondersteunen bij praktische vragen. Bijvoorbeeld op het terrein van huisvesting en ruimtelijke ordening. Hiermee kan naar het oordeel van de Taskforce snelheid worden gebracht in het uitbreidingsproces. Ook voor onderwerpen als voorbeeldovereenkomsten en optimale capaciteitsbenutting kan het expertisecentrum worden ingezet.

Maatregel

• Bij eerdere uitbreidingsoperaties in de kinderopvang is ondersteuning door dergelijke tijdelijke organisaties (Netwerkbureau uitbreiding kinderopvang en Implementatiebureau Wet kinderopvang) succesvol gebleken. Gezien de omvang van de uitbreidingsopgave in de buitenschoolse opvang waar scholen, opvang en gemeenten mee te maken hebben, zal ik voor de periode 2008–2010 een tijdelijk expertisecentrum capaciteitsuitbreiding kinderopvang inrichten.

4.3 De gemeente kan het verschil maken

De Taskforce constateert dat gemeenten een centrale rol hebben bij het realiseren van accommodaties voor buitenschoolse opvang. Zij zijn verantwoordelijk voor onderwijshuisvesting en welzijnsaccommodaties, voor het jeugdbeleid en voor ruimtelijke ordening en bouwvergunningen. Binnen de structuur van de Wet kinderopvang hebben ouders en opvangorganisaties een bepalende rol. De ouders ontvangen een Kinderopvangtoeslag van het rijk en de opvangorganisaties zijn verantwoordelijk voor het aanbod. Tegen deze achtergrond is sinds de invoering van de Wet kinderopvang de beleidsaandacht van gemeenten voor kinderopvang verminderd. Het op korte termijn realiseren van een aantal voorzieningen voor buitenschoolse opvang vergt een aanzienlijke bestuurlijke inspanning van de gemeenten. De Taskforce pleit voor een tijdelijke en resultaatgerichte stimuleringsregeling voor gemeenten om kinderopvang en onderwijs te faciliteren bij het ontwikkelen van nieuwe BSO-accommodaties.

Maatregel

• Ik onderschrijf de opvatting van de Taskforce dat gemeenten een centrale rol hebben bij het realiseren van capaciteitsuitbreiding in de buitenschoolse opvang. Voor een belangrijk deel gaat het om het uitvoeren van reguliere taken op het gebied van onderwijs, lokaal jeugdbeleid, kinderopvang en ruimtelijke ordening. Het op korte termijn realiseren van een aantal voorzieningen voor buitenschoolse opvang vergt echter een extra bestuurlijke inspanning van de gemeenten. Voor uitbreiding van de buitenschoolse opvang zijn samenhangende acties vanuit de genoemde disciplines nodig. Gemeenten zullen deze activiteiten met elkaar moeten verbinden;

• Ik heb met de VNG afspraken gemaakt over de beleidsinzet van gemeenten op het gebied van de capaciteitsuitbreiding van de buitenschoolse opvang. De VNG zal deze afspraken actief onder de aandacht van de gemeenten brengen. Ik zal in 2008 éénmalig een bedrag van € 5 miljoen (via het Gemeentefonds) beschikbaar stellen om gemeenten de noodzakelijke ondersteuning te bieden om hun organisatie zo in te richten, dat de verschillende taken op het terrein van opvang samengebracht kunnen worden. Gemeenten wordt gevraagd resultaatgericht overleg met de kinderopvangorganisaties en de basisscholen te voeren evenals (samen met deze overlegpartners) uitvoering te geven aan de afspraken uit dit overleg. De VNG en OCW zullen een gezamenlijk (evaluatie)onderzoek onder 100 gemeenten (representatief naar grootte) uitvoeren om na te gaan in welke mate deze activiteiten voor juli 2008 feitelijk zijn uitgevoerd. De beleidsresultaten van dit onderzoek zullen met Prinsjesdag 2008 naar de Tweede Kamer worden gestuurd. Ik wil hierbij benadrukken dat deze ondersteuning van gemeenten door het rijk een eenmalig karakter heeft ten behoeve van een versnelling in de uitvoering van taken die tot het reguliere takenpakket van gemeenten behoren. De financiering vindt plaats onder voorwaarde van deze prestaties.

4.4 Eenduidige rolverdeling en verantwoordelijkheden

De Taskforce signaleert in de praktijk onduidelijkheid over de taken en verantwoordelijkheden van de verschillende partijen die betrokken zijn bij buitenschoolse opvang: scholen, kinderopvang, ouders en gemeenten. Deze onduidelijkheid speelt met name bij de manier waarop artikel 45, lid 2 van de Wet op het Primair onderwijs (WPO) moet worden begrepen: «Het bevoegd gezag van een basisschool draagt op daarvoor met ouders afgesproken dagen zorg voor de organisatie van kinderopvang in de zin van de Wet kinderopvang [...]».

Kern van het artikel uit de WPO is dat de scholen zorgen voor de aansluiting tussen school en buitenschoolse opvang. Dat wil niet zeggen dat zij ook zelf de opvang hoeven uit te voeren. Om lokaal maatwerk mogelijk te maken is de wijze waarop deze aansluiting kan worden ingevuld, met opzet vrij gelaten. In overleg met de ouders kunnen scholen ervoor kiezen de opvang zelf uit te voeren of de opvang uit te besteden aan een organisatie voor kinderopvang. Als de buitenschoolse opvang wordt uitgevoerd door een kinderopvangorganisatie, is deze verantwoordelijk voor het aanbod en de kwaliteit daarvan. De ouders betalen de rekening van de kinderopvang op basis van een kostendekkende prijs en ontvangen een tegemoetkoming van de Belastingdienst/toeslagen op grond van de Wet kinderopvang.

De vraag naar de verantwoordelijkheidsverdeling speelt met name, als ouders gebruik willen maken van opvang, maar deze niet of niet op tijd beschikbaar is. Voor deze situatie geldt dat de aansluiting tussen school en buitenschoolse opvang geformuleerd is als een resultaatsverplichting voor het bevoegd gezag. In geval van wachtlijsten zal de school daarom ook alternatieven moeten onderzoeken, zoals een andere aanbieder van buitenschoolse opvang in een nabijgelegen gemeente of gastouderopvang. Ook kan de school in overleg met de kinderopvangorganisatie kijken of bijvoorbeeld een tijdelijke accommodatie kan worden geplaatst. Niettemin kan zich in de praktijk de situatie voordoen dat ondanks alle inspanningen van de school per 1 augustus 2007 nog geen opvang beschikbaar is. Bijvoorbeeld vanwege de doorlooptijd van een bouwvergunning. In die gevallen is tijdelijk sprake van een feitelijke onmogelijkheid.

Samenvattend kan de rolverdeling tussen betrokken partijen als volgt worden weergegeven:

Rolverdeling partijen buitenschoolse opvang

School

• Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor de aansluiting van de school en buitenschoolse opvang;

• Het bevoegd gezag inventariseert de wensen van de ouders en bepaalt na advies van de medezeggenschapsraad op welke wijze de buitenschoolse opvang in de zin van de Wet kinderopvang georganiseerd wordt. De school kan de opvang zelf uitvoeren of een contract sluiten met een kinderopvangorganisatie;

• De school kan in of bij het schoolgebouw ruimte voor opvang bieden. De opvangorganisatie betaalt daarvoor een marktconforme prijs.

Kinderopvang

• Bij keuze voor uitvoering door een kinderopvangorganisatie is deze organisatie verantwoordelijk voor het aanbod en voor de kwaliteit van de opvang;

• De opvangorganisatie draagt de financiële verantwoordelijkheid van de opvang en brengt de kosten van de opvang in rekening bij de ouders.

Ouders

• Als één of meer ouders het bevoegd gezag van een school vragen om een voorziening voor buitenschoolse opvang, inventariseert de school de behoeften van de ouders;

• De medezeggenschapsraad heeft adviesrecht over de wijze waarop de opvang wordt uitgevoerd;

• Ouders betalen de prijs van de opvang aan de opvangorganisatie en ontvangen een kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst.

Gemeente

• De gemeente is voor de doelgroep 4–12 jarigen verantwoordelijk voor:

– Onderwijshuisvesting;

– Lokaal jeugdbeleid;

– De handhaving van de kwaliteit van de kinderopvang;

• Als algemene taak is de gemeente is verantwoordelijk voor ruimtelijke ordening (bestemmingsplannen, bouwvergunningen).

Maatregel

• Ik zal de huidige rolverdeling breed bekend maken. Ik zal dit doen met de ouderorganisaties in de kinderopvang en op de scholen via de Werkgroep Onderwijs en Kinderopvang (WOK), die ik ook in 2008 subsidie zal verlenen;

• Daarnaast zal ik onderzoek doen naar mogelijke belemmeringen voor gemeenten bij het brengen van samenhang tussen onderwijs en opvang. Ik zal de Tweede Kamer informeren over de resultaten daarvan.

4.5 Wegnemen belemmeringen in convenantafspraken

De Taskforce ziet een rol voor de brancheorganisaties kinderopvang en de Belangenvereniging voor Ouders in de Kinderopvang (BOinK) om op korte termijn de convenantafspraken in het Convenant Kwaliteit kinderopvang te evalueren en mogelijke belemmeringen voor de uitbreiding van buitenschoolse opvang weg te nemen. De Taskforce wijst daarbij onder meer op het feit dat voor kinderen in de leeftijdscategorie 4–8 jaar andere eisen zouden kunnen gelden dan voor kinderen in de leeftijdscategorie 8–12 jaar.

Maatregel

• Ik zal dit advies van de Taskforce voor leggen aan convenantpartijen met het verzoek mij voor 1 oktober 2007 aan te geven of aanpassing van het convenant in de rede ligt en voor 1 januari 2008 aan te geven op welke wijze zij het convenant dan aanpassen;

• Behoud van kwaliteit is, zoals hiervoor is aangegeven, een belangrijk uitgangspunt voor het kabinet. De wens tot snelle capaciteitsuitbreiding mag niet leiden tot toegeven op het kwaliteitsniveau.

4.6 Huisvesting onderwijs en opvang

Uit het onderzoek van de Taskforce blijkt dat veel scholen bij het starten met buitenschoolse opvang geneigd zijn huurcontracten voor een korte termijn af te sluiten. Dit korte-termijnperspectief beperkt opvangorganisaties in de mogelijkheden investeringen te doen. De Taskforce beveelt aan voorbeeldovereenkomsten te ontwikkelen, waarmee afspraken voor een langere termijn kunnen worden vastgelegd.

Maatregel

• Ik onderschrijf deze aanbeveling en zal partijen uitnodigen dergelijke voorbeeldovereenkomsten op te stellen. De ontwikkeling en verspreiding kunnen worden ondergebracht bij het expertisecentrum, hieronder beschreven in 4.2.

Gezamenlijke huisvesting van school en buitenschoolse opvang biedt verschillende voordelen: minder reistijd voor ouders en kinderen en een efficiënt gebruik van accommodaties en buitenruimte. Kijkend naar de toekomst zou het logisch zijn onderwijs en opvang in één accommodatie bij elkaar te brengen. De Taskforce constateert dat bestaande wet- en regelgeving (Wet op het primair onderwijs) complicaties kan opleveren voor de huisvesting van school en opvang in hetzelfde gebouw.

Maatregel

• Uitgangspunt voor mij is dat bij nieuwe accommodaties hiermee vanaf de ontwerpfase rekening wordt gehouden. Via de uurprijssystematiek van de Wet kinderopvang zijn hiervoor ook de benodigde middelen beschikbaar.

• Ik zal de Kamer voor zomer 2008 informeren over de analyse om welke obstakels het bij bestaande scholen gaat en hoe deze o.a. door wetgeving kunnen worden weggenomen. Dit in samenhang met het onderzoek naar de gewenste positie van gemeenten bij de samenhang tussen onderwijs en opvang (zie 4.4).

4.7 Inzet Waarborgfonds kinderopvang en woningbouwcorporaties

Het Waarborgfonds kinderopvang verstrekt borgen aan opvangorganisaties die kredieten aantrekken voor het doen van investeringen en ondersteunt op die manier capaciteitsuitbreiding. De komende investeringsopgave in de buitenschoolse opvang zal een extra beroep doen op de financiële faciliteiten van het Waarborgfonds. De Taskforce doet de aanbeveling initiatieven van het Waarborgfonds kinderopvang en van woningbouwcorporaties bij uitbreiding van buitenschoolse opvang te ondersteunen.

Maatregel

• Ik zal dit najaar afspraken maken met het Waarborgfonds kinderopvang over de inzet van bestaande middelen ten dienste van uitbreiding van buitenschoolse opvang en over de inzet van de expertise van het Waarborgfonds bij huisvestings- en financieringsvraagstukken;

• In samenhang hiermee kunnen ook pensioenfondsen een rol spelen bij het financieren van accommodaties. Het vastgoedfonds kinderopvang en brede scholen van het Spoorwegpensioenfonds (SPF) is hiervan een goed voorbeeld;

• Woningbouwcorporaties kunnen vastgoed voor kinderopvang ontwikkelen en beheren. In de praktijk gebeurt dat ook. Aedes heeft in september een meldpunt geopend voor kinderopvangorganisaties die hiervoor in contact willen komen met corporaties. Woningbouwcorporaties zijn een belangrijke partij bij het realiseren van vastgoed met een maatschappelijke functie. Ik ben dan ook verheugd over dit initiatief.

4.8 Betere benutting van onderbezetting op woensdag en vrijdag

Ruim 20% van de beschikbare capaciteit blijft onbenut door onderbezetting op woensdag en vrijdag. De Taskforce pleit voor inventarisatie en verspreiding van initiatieven die een betere benutting van de beschikbare capaciteit opleveren.

Maatregel

• Ik ben het eens met de Taskforce dat een betere bezetting van de bestaande capaciteit de snelste manier is om de wachtlijsten terug te dringen. Voor het daadwerkelijk kunnen benutten van deze vrije capaciteit is ook meer flexibiliteit nodig bij werkgevers en ouders voor de inrichting van de arbeidspatronen. Hoewel dit eenvoudig klinkt, realiseer ik mij dat dit een cultuurverandering vergt. Wijzigingen in patronen van werkindeling zullen niet altijd eenvoudig gaan. Ik zal via een publiekscampagne de betere benutting van de capaciteit op woensdag en vrijdag onder de aandacht brengen;

• Sociale partners hebben deze vergroting van de flexibiliteit ook erkend als één van de belangrijke acties uit de Participatietop. Tijdens de participatietop hebben de sociale partners afgesproken dat ze via cao-afspraken zullen werken aan verhoging van de flexibiliteit. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan slim arbeidstijdmanagement en mogelijkheden voor telewerk.

• Ik onderschrijf de aanbeveling om goede voorbeelden voor een betere benutting van de capaciteit op woensdag en vrijdag in kaart te brengen en te zorgen voor actieve verspreiding (zie ook het expertisecentrum onder 4.2).

4.9 Wegnemen belemmerende wet- en regelgeving

De Taskforce wijst hier met name op twee knelpunten. Combinatiefuncties bestaan uit werkzaamheden bij twee werkgevers. De werknemer voert een deel van de functie uit in detachering bij een andere werkgever. In dat geval ontstaat BTW-plicht. Dat verhoogt de kosten van een combinatiefunctie. Het speelt vooral bij combinatiefuncties onderwijs/opvang. Tevens wijst de Taskforce op het feit dat kinderopvangorganisaties die VPB-plichtig zijn, geen gebruik kunnen maken de regeling voor vrijstelling van kostenvergoeding voor vrijwilligers. Dat speelt bijvoorbeeld, als de tussenschoolse opvang wordt uitgevoerd door een kinderopvangorganisatie met NV of BV als rechtspersoon. Vrijwilligers die via de kinderopvangorganisatie worden ingezet, kunnen geen gebruik maken van een vrijstelling voor een ontvangen kostenvergoeding.

Maatregel

• Het kabinet zal dit jaar de Tweede Kamer een notitie toezenden over de mogelijkheden om bij deze twee fiscale situaties tot herziening te komen.

4.10 Personeelsvoorziening

Naast gebrek aan accommodaties kan ook een gebrek aan personeel leiden tot stagnatie van de uitbreiding van buitenschoolse opvang. De Taskforce constateert dat het geringe aantal uren per week dat een dienstverband in de buitenschoolse opvang omvat, daarbij een beperkende factor kan zijn.

Maatregel

• Door het aanbieden van combinatiefuncties onderwijs/opvang of opvang/sport kunnen grotere dienstverbanden worden aangeboden. Het kabinet heeft met de VNG afspraken gemaakt over het realiseren van 2 500 combinatiefuncties tussen (brede) scholen, sportverenigingen en culturele instellingen1. Het kabinet zal hiervoor met de betrokken sectoren bestuurlijke afspraken maken Binnen de OCW-begroting 2008 is hiervoor een oplopend budget beschikbaar:

– Er zal een eenvoudig financieel instrumentarium worden ontwikkeld en er komt een Taskforce om de realisatie van deze combinatiefuncties (bijvoorbeeld met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden) te vergemakkelijken. De kinderopvangsector zal hierbij betrokken worden;

– De financiële impuls is bestemd voor publieke doelen en niet voor commerciële activiteiten, zoals kinderopvang. De beschikbaarheid van financiële faciliteiten voor combinatiefuncties voor publieke doelen biedt de kinderopvang de mogelijkheid daarmee combinaties aan te gaan en op die manier combinatiefuncties onderwijs en kinderopvang te vormen;

• Het onderwerp personeelsvoorziening is in eerste instantie een verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. Ik zal dit najaar spreken met opleidingen en met werkgevers en werknemers in de kinderopvang. Doel daarvan is in overleg met deze partijen te komen tot een samenhangend pakket aan maatregelen voor voldoende en gekwalificeerd personeel:

– Binnen de OCW-begroting 2008 is voor komend jaar een bedrag van € 10 mln. gereserveerd voor de verbetering van de kwaliteit van de kinderopvang, onder meer door het verhogen van het opleidingsniveau van de medewerkers en door het verbeteren van de aansluiting tussen opleidingen en arbeidsmarkt. Dit bedrag zal ik beschikbaar stellen, als partijen met goede voorstellen komen, gericht op waarborging van de personeelsvoorziening en verhoging van de kwaliteit. Daarbij zal nagegaan worden op welke wijze werkloze afgestudeerde Pabo-studenten in de kinderopvang kunnen worden ingezet.

5 Ontwikkelingen voor de lange termijn

De hierboven beschreven maatregelen kunnen op korte en middellange termijn bijdragen aan een doorgroei van de buitenschoolse opvang. Daarnaast noemt de Taskforce een aantal maatregelen voor de langere termijn die de samenhang tussen school en opvang kunnen versterken. Zo blijkt uit het rapport van de Taskforce dat bestaande opvangcapaciteit efficiënter zou kunnen worden gebruikt bij een andere inrichting van school- en opvangtijden. Dat kan bijvoorbeeld door het hanteren van een continurooster.

Dit onderwerp heeft vele dimensies. Het raakt niet alleen de schooltijden, maar ook werktijden in arbeidsorganisaties en de arbeidspatronen van ouders. Daarmee zijn in ieder geval de schoolbesturen, het onderwijspersoneel, ouders en sociale partners als partij betrokken. Ieder van deze partijen heeft opvattingen en overwegingen bij dit onderwerp. Op dit punt zal ik niet met blauwdrukken komen. Het is aan ouders, scholen en leerkrachten zelf hierover de discussie te voeren en de vooren nadelen van een andere inrichting van de school- en opvangtijden af te wegen. Lijn van het kabinet hierbij is de door de Taskforce gewenste effecten te ondersteunen met brede scholen en combinatiefuncties.

6 Financieel kader

Met deze brief bied ik u een investeringsplan voor het bestrijden van de wachtlijsten aan:

• In de OCW-begroting voor het jaar 2008 is een bedrag van € 29 mln. gereserveerd voor het bestrijden van wachtlijsten bij de buitenschoolse opvang. Samenvattend zal dit bedrag voor de volgende maatregelen worden ingezet:

– Stimulering van snelle capaciteitsuitbreiding;

– Een tijdelijk expertisecentrum opvang en onderwijs;

– Bestuurlijke inzet van gemeenten;

• Voor de maatregelen om op het gebied van de kwaliteit van het personeel in de kinderopvang en de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt is in 2008 een bedrag van € 10 mln. beschikbaar;

• Verder heeft het kabinet samen met gemeenten middelen beschikbaar gesteld voor het realiseren van 2 500 combinatiefuncties. Het kabinet zal hierover met gemeenten nadere afspraken maken, onder andere over cofinanciering.

Naast de specifieke maatregelen om de groei in de buitenschoolse opvang te accommoderen, zet het kabinet ook fors middelen in via de uitgaven voor de kinderopvangtoeslag, waarmee de ouders de kosten van het gebruik van buitenschoolse opvang kunnen bekostigen. Ten opzichte van 2006 is dit bedrag gegroeid met € 300 mln. Deze stijging van de uitgaven op het begrotingsartikel kinderopvang geeft de prioriteit van het kabinet voor kinderopvang aan.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

S. A. M. Dijksma


XNoot
1

Kamerstukken II, 2006–2007, 30 234, nr. 12.

Naar boven