28 447
Regeling met betrekking tot tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang en waarborging van de kwaliteit van kinderopvang (Wet kinderopvang)

nr. 125
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 20 februari 2006

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1 heeft op 26 januari 2006 overleg gevoerd met minister De Geus van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over:

– de brief d.d. 31 oktober 2005 over de invulling van verbetering van proceskwaliteit kinderopvang (28 447, nr. 115);

– de brief d.d. 7 november 2005 houdende de antwoorden op vragen gesteld tijdens het algemeen overleg op 11 oktober 2005 (28 447, nr. 116);

– de brief d.d. 24 november 2005 houdende de brief van het Landelijk Netwerk Cliënten Overleg (SZW0500847);

– de brief d.d. 1 december 2005 houdende het onderzoeksrapport «De markt voor kinderopvang 2004» (28 447, nr. 118);

– de brief d.d. 2 december 2005 over onderzoek naar proceskwaliteit kinderopvang (28 447, nr. 119).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Mevrouw Hamer (PvdA) memoreert dat haar fractie destijds tegen invoering van de Wet kinderopvang heeft gestemd, maar dat deze zolang de wet in werking is, er alles aan zal doen om tot verbetering ervan te komen. Bij deze gelegenheid wil zij niet onvermeld laten dat haar fractie bijna gereed is met de opstelling van een initiatiefwetsvoorstel tot strekt tot realisering van kinderopvang als een echte basisvoorziening.

Mevrouw Hamer betreurt het dat, zoals de minister in zijn brief d.d. 31 oktober jl. (28 447, nr. 115) aangeeft, van de door hem eerder toegezegde 5 mln. voor kwaliteit en toezicht inzake kinderopvang niet dat gehele bedrag doch slechts 3 mln. voor dat doel wordt bestemd en dat de overige 2 mln. worden toegevoegd voor de verdere uitwerking van de motie-Van Aartsen/Bos over voor- en naschoolse opvang. Zij zou liever zien dat voor de uitvoering van deze uiteraard belangrijke motie anderszins middelen worden vrijgemaakt.

De beweegredenen van ouders om te kiezen voor kinderopvang zijn vooral gelegen in betaalbaarheid en kwaliteit. Om de kinderopvang echt te laten slagen, zullen die kwaliteit en betaalbaarheid gegarandeerd moeten zijn. In dat licht refereert mevrouw Hamer aan de constatering in het onderzoek van het Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek (NCKO) die overigens ook bevestigd wordt door BOinK, dat vooral de interactie tussen leidster en kind door de ouders als het meest belangrijk wordt ervaren.

Verder is zij benieuwd naar de nadere uitwerking van de in het algemeen overleg van 11 oktober jl. door de minister verwoorde intentieverklaring over zowel de rolverdeling tussen de inspecties als de lijst van actiepunten die door SZW, de MOgroep en de Branchevereniging worden samengesteld ten aanzien van de kwaliteitsverbetering. Met name door de stapeling van inspecties blijkt sprake te zijn van tegenstrijdige eisen waarmee instellingen geconfronteerd worden.

Hoewel een van de uitgangspunten van de Wet kinderopvang was dat de oudercommissies een belangrijke stem zouden krijgen bij de beoordeling van de kwaliteit, krijgt mevrouw Hamer steeds vaker berichten van ouders die op het tegendeel wijzen. Er is haar zelfs een recent geval bekend waarbij de oudercommissie uit een kinderopvanginstelling is gezet omdat deze zich te kritisch uitliet over de kwaliteit van die instelling. Zou het niet verstandig zijn om in dezen een soort klachtencommissie in het leven te roepen?

Over de uurprijsberekening zijn er steeds meer klachten van ouders dat kinderopvanginstellingen een kwartiertje bijrekenen, in de zin dat ze eerder opengaan om daarmee de uurprijs te verhogen. Wat is de reactie van de minister hierop?

Bij de eerdere toezegging van de minister dat de situatie rond het Expertisecentrum voor het Jonge Kind verbeterd zou worden, blijken toch de nodige vraagtekens geplaatst te kunnen worden aangezien er nu sprake blijkt te zijn van een haalbaarheidsstudie naar een fonds voor de kinderopvang in relatie tot het Centraal Meldpunt Kinderopvang.

Daar van de zijde van zowel gemeenten als ouders signalen komen dat de doelgroepenaanpak nog steeds niet goed geregeld is, verzoekt mevrouw Hamer de minister ter zake een nadere notitie aan de Kamer te doen toekomen, waarbij met name aandacht wordt besteed aan de positie van de inburgeraars.

Met betrekking tot de problemen rond KidsConcern verneemt zij graag de reactie van de minister op het voorstel van de Branchevereniging en de ouders om terzake een structureel garantiefonds in te stellen.

Mevrouw Smilde (CDA) meent dat de fraude die aan het licht is gekomen bij de opstelling van het NCKO-rapport «Kwaliteit van Nederlandse kinderdagverblijven: Trends in kwaliteit in de jaren 1995–2005», een ernstig feit is, ondanks de constatering van prof. dr. Tavecchio van het SCO-Kohnstamm Instituut dat een en ander geen consequenties heeft voor de algemene conclusies van het onderzoek. Voordeel van dit nadeel is overigens wel dat de kwaliteit nog eens goed op de rails is gezet, met daaraan verbonden een aantal door de minister te nemen maatregelen die de volle steun van mevrouw Smilde genieten.

Zij wijst in dit kader op het grote belang van het terugbrengen van de grote papierbrij en de stapeling van inspecties. Is er al iets te melden over de concrete plannen van GGD Nederland voor het vergroten van de uniformiteit en de effectiviteit van het toezicht en de handhaving? Daarnaast is mevrouw Smilde voorstander van steekproefsgewijze inspectie van gecertificeerde bedrijven. Het voorliggende voorstel van de minister inzake verminderd toezicht oogt nochtans te ingewikkeld en zal juist leiden tot meer papierwerk.

Waar de woorden «kinderopvang» en «duur» onderhand synoniemen zijn geworden, wordt het meer dan tijd dat in die beeldvorming verandering komt, juist waar kinderopvang steeds betaalbaarder wordt. Doordat er voortdurend ten onrechte op wordt getamboereerd dat kinderopvang duur zou zijn, durven met name mensen met lagere inkomens niet eens meer te informeren naar de mogelijkheden van kinderopvang, terwijl juist voor hen deze voorziening inmiddels goedkoper is geworden. Mede met het oog op de 150 mln. extra die ten behoeve van kinderopvang wordt uitgetrokken daagt mevrouw Smilde de MOgroep en de Branchevereniging uit, een grootscheepse campagne op te zetten om klanten te werven.

Verder heeft zij er behoefte aan dat bij de geplande evaluatie meer inzicht zal worden verstrekt over de nadere invulling van de werkgeversbijdrage. Alleen het noemen van een percentage is niet voldoende. Is de bijdrage bijvoorbeeld van toepassing op de dagopvang of ook op de buitenschoolse opvang etc.? Nog geen half jaar nadat op basis van het najaarsoverleg van 2004 de Stichting van de Arbeid inclusief de FNV een oproep heeft gedaan voor een werkgeversbijdrage, legt de FNV in plaats van te knokken bij de cao’s kennelijk het hoofd in de schoot door te komen met plannen voor een basisvoorziening. Mevrouw Smilde acht dit nogal prematuur. Het verdient veeleer de voorkeur de nieuwe Wet kinderopvang de gelegenheid te geven zich te bewijzen.

In een wet waarbij de ouders centraal worden gesteld en de keuzevrijheid bij hen ligt, is het niet te begrijpen dat, zoals in het geval van KidsConcern, ouders verplicht worden zich bij deze instelling aan te sluiten. Wat is overigens de visie van de minister op de oplossingsrichting die inmiddels is gepresenteerd door de bij genoemde instelling betrokken partijen? Hoe kunnen naar zijn oordeel soortgelijke drama’s in de toekomst worden voorkomen?

Ten slotte sluit mevrouw Smilde zich aan bij de vraag van mevrouw Hamer over de doelgroepenaanpak.

Mevrouw Örgü (VVD) vraagt zich gelet op de ervaringen die zijn opgedaan met het recente onderzoek van het NCKO waarin sprake is geweest van fraude door een van de observatoren, af waarom de minister ditzelfde onderzoekscentrum op het oog heeft voor de uitvoering van nadere onderzoeksopdrachten van het ministerie. Ligt het niet meer voor de hand om een ander onderzoeksinstituut hiervoor aan te zoeken? Hoe betrouwbaar is overigens in zijn algemeenheid wetenschappelijk onderzoek op dit terrein? Is het niet beter om vooral onderzoek te doen naar de wensen en behoeften van óuders op het gebied van kinderopvang?

In zijn brief van 31 oktober jl. aan de Tweede Kamer geeft de minister aan dat een extra bedrag van 5 mln. structureel wordt besteed aan verbetering van kwaliteit van kinderopvang en bevordering van samenwerking tussen kinderopvangvoorzieningen en andere jeugdvoorzieningen. Mevrouw Örgü vraagt zich hierbij wel af waarom een dergelijk bedrag moet worden uitgetrokken voor datgene waarvoor het veld van de kinderopvang eigenlijk reeds verantwoordelijk is, onder andere op basis van inmiddels gesloten convenanten en de Wet kinderopvang zelf. Zij geeft er vooralsnog veeleer de voorkeur aan dit bedrag in te zetten voor de benodigde samenwerking tussen kinderopvang en scholen in het kader van de uitwerking van de motie-Van Aartsen/Bos.

Het streven naar meer kwaliteit mag geen opeenstapeling van controles door allerlei diensten inhouden. De kwaliteitseisen moeten eenduidig zijn, ook in relatie tot gastouders. Wat zijn de concrete voornemens van de minister op dit punt?

Mevrouw Örgü is in het bezit van een recente brief waarin melding wordt gemaakt van een concreet geval waarbij een gastouderbureau zich niet bereid toont over te gaan tot terugbetaling van niet gebruikte uren. Zij zal de minister de brief persoonlijk doen toekomen en is benieuwd naar zijn commentaar hierop.

De stijgende lijn ten aanzien van de werkgeversbijdrage stemt positief, hetgeen overigens onverlet laat dat mevrouw Örgü tegenstander blijft van een verplichte werkgeversbijdrage.

Mevrouw Gerkens (SP) geeft aan dat aan de marktwerking, destijds door de ontwerpers van de Wet kinderopvang beschouwd als een van de pijlers van deze wet, inmiddels blijkens het door SEO Economisch Onderzoek opgestelde rapport «De markt voor kinderopvang in 2004» toch nog wel wat te wensen overlaat. Het is zelfs zeer de vraag of de sector kinderopvang zich überhaupt leent voor marktwerking. Een en ander blijkt ook uit het geringe aantal afnemers op de kinderopvangmarkt en het feit dat ouders hun keuze veeleer laten afhangen van de reisafstand en de sfeer op het kinderdagverblijf en niet zozeer van de kwaliteit van de opvang. Bovenal geeft meer dan de helft van de ouders aan dat ze nooit zal overstappen. Daarnaast faalt volgens genoemd rapport de markt omdat er in sommige gebieden weinig tot geen concurrentie is, waardoor in bepaalde regio’s kinderdagverblijven een monopoliepositie hebben. Op grond van het vorengaande concludeert mevrouw Gerkens dat de marktwerking in 2004 onvoldoende is geweest en dat gelet op het feit dat het aantal aanbieders in 2005 alleen maar is afgenomen, die marktwerking niet snel zal vergroten. Dit sterkt haar in het standpunt dat landelijke kwaliteitswaarborgen middels eenduidige regelgeving noodzakelijk zijn om de kwaliteit van de kinderopvang te garanderen. Daar er geen sprake is van regulering door de markt, is en blijft kwaliteit een zaak van de overheid.

Volgens het NCKO-rapport over de kwaliteit van de kinderdagverblijven verdient geen enkel kinderdagverblijf het predikaat goed en krijgt maar liefst 40% het stempel onvoldoende kwaliteit. De minister heeft een vervolgonderzoek aangekondigd en stelt tevens het naar het oordeel van mevrouw Gerkens volstrekt ontoereikende bedrag van 5 mln. ter beschikking voor kwaliteitsverbetering. Ofwel: kinderen zijn in de ogen van de minister de toekomst maar het mag niet te veel kosten.

Het toezicht door de GGD en de handhaving door de gemeenten worden versterkt waarbij het beoogde effect is dat men na 2007 volledig is toegerust. Echter, «na 2007» is twee jaar na invoering van de wet, hetgeen de vraag doet rijzen wat er in de tussentijd gebeurt. Ook heeft de minister de kinderopvangondernemers via de brancheorganisaties aangesproken op de bevindingen van eerdergenoemd NCKO-rapport, op grond waarvan zij voornemens zijn te zullen komen met een gezamenlijke lijst van actiepunten ter verbetering van de proceskwaliteit. Hoewel mevrouw Gerkens dit voornemen toejuicht, stelt de vrijblijvendheid over de uitwerking van de actiepunten haar allesbehalve gerust. Waarom worden geen duidelijker afspraken met de ondernemers hierover gemaakt?

Het recente voorval waarbij de directie van een kinderdagverblijf na een conflict met de oudercommissie eenzijdig de plaatsingovereenkomst heeft opgezegd, is zorgelijk, juist waar een van de uitgangspunten van de Wet kinderopvang is dat de ouders middels de oudercommissie mede zouden kunnen toezien op de kwaliteit. Om de leden van de oudercommissie volledig hun adviesrecht te kunnen laten uitoefenen, is het derhalve van groot belang dat de Wet kinderopvang wordt aangepast, zodanig dat een bescherming wordt opgenomen tegen het eenzijdig beëindigen van een plaatsingsovereenkomst tengevolge van het door ouders uitoefenen van hun taak in het kader van de oudercommissie.

Mevrouw Gerkens betreurt het ten zeerste dat de minister geen uitvoering wenst te geven aan de aangenomen motie-Gerkens/Tonkens (28 447, nr. 84) die uitspreekt dat een verplichting van een werkgever richting zijn werknemers om met een bemiddelingsbureau te werken onwenselijk en in strijd is met de geest van de Wet kinderopvang. Zodra ouders gedwongen worden met een bepaald bemiddelingsbureau te werken, worden zij geconfronteerd met nog meer financiële rompslomp ofwel zullen zij op zoek moeten gaan naar een ander kinderdagverblijf. Zij doet dan ook een klemmend beroep op de minister alsnog tot uitvoering van de motie over te gaan.

Met betrekking tot KidsConcern is een van de werkgevers inmiddels bereid gebleken zijn werknemers schadeloos te stellen, doch blijkt de Belastingdienst voornemens te zijn om over die schadeloosstelling loonbelasting te heffen. Daar het toch niet de bedoeling kan zijn dat de overheid rijker wordt van de gevolgen van mismanagement bij KidsConcern is mevrouw Gerkens benieuwd welke maatregelen de minister in dezen gaat treffen om genoemde loonbelastingheffing ongedaan te maken.

De voorliggende brieven geven nog steeds niet de benodigde duidelijkheid omtrent het precieze aantal ouders dat een volledige werkgeversbijdrage ontvangen. Hoe denkt de minister te bevorderen dat meer mensen die bijdrage gaan ontvangen en worden hierover ook afspraken gemaakt in de Stichting van de Arbeid?

Mevrouw Koşer Kaya (D66) onderstreept het belang van kinderopvang, niet alleen voor het kind en de ouders, maar ook voor de economie, de integratie én de emancipatie. Hoewel eenieder is overtuigd van het nut van goede kinderopvang, lijkt een goede uitvoering ervan in de praktijk onmogelijk te zijn. Daar iedere werkende ouder in feite het beste kan aangeven wat er aan de hand is binnen de kinderopvang, had naar het oordeel van mevrouw Koşer Kaya geen onderzoek uitgevoerd behoeven te worden om er achter te komen dat voor ouders kwaliteit en betaalbaarheid vooropstaan. Geconcludeerd moet evenwel worden dat ten aanzien van die kwaliteit en betaalbaarheid nog steeds geen sprake is van een bevredigende ontwikkeling. Alle evaluaties en overleggen ten spijt, wordt het nu dan ook echt tijd om tot een professionele aanpak in dezen te komen. Van belang is dat professionele krachten in staat worden gesteld om invulling aan kwaliteit te geven.

Wat betreft de betaalbaarheid van de kinderopvang kan geconstateerd worden dat nog steeds meer dan 30% van de ouders geen werkgeversbijdrage ontvangt en derhalve de kinderopvang uit eigen zak moet betalen dan wel om die reden afziet van kinderopvang. Dit pleit te meer voor snelle invoering van een verplichte werkgeversbijdrage in het licht van kinderopvang als basisvoorziening.

Tijdens een recent bezoek aan Gendringen is mevrouw Koşer Kaya het volgende praktijkgeval ter ore gekomen. De enige aanbieder van kinderopvang die deze gemeente binnen haar grenzen herbergt, vraagt een uurbedrag dat een stuk boven het reguliere tarief uitkomt, waardoor degenen die graag willen gaan werken en voor kinderopvang in aanmerking willen komen, geconfronteerd worden met allerlei kortingen zodat de stap naar de arbeidsmarkt alsnog niet gemaakt kan worden. Wat is hierop de reactie van de minister?

Mevrouw Azough (GroenLinks) constateert dat sinds de aanname van de motie-Van Aartsen/Bos onderwijs en kinderopvang onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Evenals tijdens het algemeen overleg van 11 oktober jl. over de kinderopvang is ook in dit algemeen overleg de centrale vraag of dit kabinet de kinderopvang al dan niet op een koopje wil regelen. Door de recente financiële meevaller waarmee het kabinet is verblijd, behoeft die vraag evenwel niet meer gesteld te worden. In plaats van de kinderopvangproblemen over de schutting te werpen richting de onderwijswereld en de kinderopvangaanbieders, biedt deze meevaller bij uitstek de gelegenheid om een forse investering te doen in een goede en deugdelijke uitvoering van zo-even genoemde motie. Voor mevrouw Azough behelst die investering een bedrag van minimaal 400 mln. ten behoeve van een goed en toegankelijk kinderopvangnetwerk.

Hoewel het zeer betreurenswaardig is dat er binnen het NCKO-onderzoek gefraudeerd is met bepaalde gegevens, is het wel belangrijk te constateren dat dit de hoofdconclusie van het onderzoek niet heeft aangetast, namelijk dat er ten aanzien van de kwaliteit van de kinderopvang sprake is van structurele achteruitgang. Er zijn bovendien geen krachtige maatregelen zichtbaar die beogen die neerwaartse spiraal te beëindigen. Daarnaast blijkt uit het onderzoeksrapport van SEO Economisch Onderzoek, onder de titel «De markt voor kinderopvang in 2004», dat heel veel ouders die eenmaal gekozen hebben voor een bepaalde aanbieder, niet snel geneigd zijn over te stappen naar een andere aanbieder.

De minister stelt voor dat een aantal gemeenten gaat experimenteren met versterkt toezicht. Zo is het zijn bedoeling dat pas na 2007 alle GGD’s volledig toegerust zijn om toezicht te houden en handhaving te bieden. In de ogen van mevrouw Azough is het zorgwekkend dat de urgentie die met name uit het NCKO-onderzoek spreekt, niet gepaard gaat met duidelijke afspraken om nu direct stevig in te zetten op versterkt toezicht.

Verder kan geconcludeerd worden, dat de beoogde marktwerking in de kinderopvang niet heeft geleid tot meer keuzevrijheid en meer concurrentie. De minister is voornemens de Kamer voor de zomer te informeren over de oorzaak van de kwaliteitsdaling en de mogelijke invloed van marktwerking daarop. Daar mag worden aangenomen dat het onderzoek daartoe reeds gaande is, is mevrouw Azough benieuwd of de minister er wat al over kan melden.

Aangezien conform de Wet kinderopvang de ouders medeverantwoordelijkheid wordt gegeven voor de kwaliteitsbewaking kan het niet zo zijn dat oudercommissies geen juridische bescherming hebben. De cliëntenparticipatie dient dan ook uitdrukkelijk versterkt te worden.

Ten slotte meent mevrouw Azough dat de recente ontwikkelingen rond KidsConcern temeer pleiten voor zo snel mogelijke uitvoering van de motie-Gerkens/Tonkens inzake de rol van bemiddelingsbureaus.

Antwoord van de minister

De minister hecht eraan te benadrukken dat het kabinet de kinderopvang niet als een staatsvoorziening maar als een markt ziet. Het is een markt met regels voor onder meer kwaliteitszorg, waarbij de overheid de gebruikers subsidieert, maar het is ook een markt waar risico’s worden gelopen.

In zijn brief d.d. 31 oktober jl. heeft de minister de verdeling van de 5 mln. extra middelen voor kwaliteit en toezicht aangegeven. Van dat bedrag worden de tweejarige projecten van GGD Nederland en de VNG gefinancierd, te weten 2 maal 1,5 mln. over een periode van twee jaar. De resterende middelen worden toegevoegd aan het reeds bestaande budget voor de Subsidieregeling kinderopvang en zijn specifiek bestemd voor beleidsthema’s bevordering kwaliteit kinderopvang en bevordering van samenwerking tussen kinderopvangvoorzieningen en andere jeugdvoorzieningen. Daarbinnen wordt nog een bedrag van € 300 000 afgezonderd ten behoeve van de veldpartijen. Dat betreft de Belangenvereniging Ouders in de Kinderopvang (BOinK) en de aanbieders die gezamenlijk bezig zijn met een project om hun eigen actiepunten gestalte te geven, waarbij de minister overigens reeds de bereidheid heeft uitgesproken hiervoor ten principale subsidie te verstrekken. Het streven is erop gericht dat deze actiepunten nog deze maand of volgende maand finaal kunnen worden vastgesteld, waarna de Kamer hierover geïnformeerd zal worden.

Met betrekking tot toezicht en controle wijst de minister erop dat er vanaf 1 januari 2006 sprake is van door de GGD’s, in nauw overleg met de sector, aangepaste toetsingskaders. Doordat die kaders onder andere sterker zijn gericht op uniformiteit, stroomlijning en vereenvoudiging, betekent het tijdwinst en minder papierwerk voor zowel de inspecteurs als de kinderopvangorganisaties. Daarnaast is een proces waarneembaar waarbij gestreefd wordt naar meer samenwerking tussen de verschillende inspecties die actief zijn op het gebied van de kinderopvang. Dat proces is goed op stoom en zal naar verwachting februari 2006 kunnen worden afgerond middels een convenant tussen de betrokken inspecties.

Het certificatieschema met betrekking tot de Stichting Harmonisatie Kwaliteitscontrole in de Zorgsector (HKZ) is inmiddels aangepast en zal februari van dit jaar beschikbaar komen.

Het geval van het opzeggen van het contract met kritische ouders in de oudercommissie, waaraan mevrouw Hamer refereerde, heeft ook de minister zeer verbaasd. Navraag leert overigens dat dit een zeer exceptionele en ook persoonlijke actie betreft en dat er niet in algemene zin sprake is van een conflict over de kwaliteit van de kinderopvang in het desbetreffende centrum. Zo dat laatste wel het geval was geweest, had de inspectie reden gehad om in te grijpen, aangezien deze erop toeziet dat de aanbieder van kinderopvang de medezeggenschap goed regelt en dat ouders niet mogen worden uitgesloten van hun rechten daarbij. Een nadere bescherming van de positie van de oudercommissie zoals die wel geldt voor ondernemingsraden, is naar het oordeel van de minister niet nodig. Daar leden van een ondernemingsraad voor hun dagelijks brood zodanig afhankelijk zijn van hun dienstbetrekking, dat daardoor de onafhankelijkheid in het geding zou kunnen komen, genieten zij ontslagbescherming. In het geval van oudercommissies is dat niet aan de orde.

Aangaande de kwestie rond KidsConcern is inmiddels aan het ministerie van SZW een voorstel van de drie betrokken partijen voorgelegd. Daar er wat betreft de kinderopvang sprake is van marktwerking, is het voor de minister geen vanzelfsprekendheid dat de rekening voor dit debacle wordt neergelegd bij de overheid. Wel heeft hij ten principale de bereidheid mee te werken aan een oplossing waarbij de betrokken partijen hun eigen verantwoordelijkheid ten volle beleven. Een waarborgfonds zou daarbij, zeker in relatie tot de liquiditeit, een rol kunnen vervullen. Zodra het overleg hierover is afgerond zal de Kamer worden geïnformeerd over de uitkomsten ervan.

De minister is het eens met mevrouw Smilde dat kinderopvang als zodanig niet duur is en dat het dan ook nodig is de perceptie op dat punt bij te stellen. Momenteel is er overigens sprake van een aantrekkende vraag naar kinderopvang die wellicht samenhangt met de publiciteit in het najaar over de extra middelen die voor kinderopvang beschikbaar worden gesteld. Hoewel de verwachting was dat vooral de lager opgeleiden gevoelig zouden zijn voor de prijsprikkel in 2005, blijken toch vooral de hoger opgeleiden er sterk op te reageren, hetgeen inhoudt dat met name onder die groep de vraag evident aantrekt. De mogelijkheid om een campagne te starten om duidelijk te maken dat kinderopvang tegenwoordig voor eenieder royaal betaalbaar is, wil de minister dan ook zeer nadrukkelijk bezien.

Het NCKO heeft maatregelen genomen om in de toekomst fraudegevallen te voorkomen. Waar het consortium een samenwerking betreft tussen drie universiteiten is er sprake van zeer waardevolle gebundelde expertise. Juist daar bij het thema van kinderopvang longitudinaal onderzoek zeer van belang is, is besloten om het vervolgonderzoek door hetzelfde consortium te laten verrichten, uiteraard wel onder strenge condities. Overigens vindt daarnaast ook nog onderzoek plaats naar de ervaringen en de meningen van ouders over kinderopvang.

Over de motie-Gerkens/Tonkens (28 447, nr. 84) merkt de minister op dat er geen sprake is van enige dwang vanuit de overheid met betrekking tot het inschakelen van bemiddelingsbureaus. Waar een werkgever zijn werknemer verplicht zich bij een bepaald bemiddelingsbureau te melden, geldt dat die werknemer daar niet mee akkoord behoeft te gaan. Bovendien is doordat het veel gemakkelijker is geworden voor ouders om rechtstreeks de kinderopvangtoeslag te verkrijgen, de toegevoegde waarde van de bemiddelingsbureaus geringer geworden.

Bij de evaluatie die zal worden gehouden over de ontwikkeling van de werkgeversbijdrage zal intensief worden gekeken naar zowel de dagopvang als de buitenschoolse opvang. Uitgangspunt daarbij is het streven naar een volwaardige werkgeversbijdrage van 90% in 2008.

De minister deelt aan het adres van mevrouw Azough nog mede dat de resultaten van het door haar aangehaalde onderzoek nog niet beschikbaar zijn.

De afronding van het onderzoek naar de effecten bij doelgroepen is voorzien in het najaar. Zo er bij de Kamer tussentijds behoefte bestaat aan nadere informatie, verneemt hij graag op welke specifieke punten die informatie gewenst is, zodat deze verstrekt kan worden.

Op de vraag van mevrouw Örgü over het gastouderbureau zal de minister schriftelijk antwoorden.

Nadere gedachtewisseling

Daar mevrouw Hamer (PvdA) in tegenstelling tot de minister niet de indruk heeft dat het concrete geval rond de oudercommissie een op zichzelf staand incident is, verzoekt zij hem wat diepgaander naar deze kwestie te kijken. Haar bereiken namelijk signalen dat ouders in veel gevallen terughoudend zijn met het uiten van klachten uit angst voor sancties.

Verder vraagt zij de minister om zo snel mogelijk nadat de onderhandelingen over KidsConcern zijn afgerond, de Kamer over de resultaten ervan te informeren.

De minister wijst erop dat de sector zelf bezig is met het ontwerpen van een eigen klachtenregeling waarbij ook wordt voorzien in het op centraal niveau kunnen deponeren van klachten van ouders.

Vervolgens zegt hij toe de Kamer te zullen informeren over de afloop van de onderhandelingen over KidsConcern.

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Smits

Adjunct-griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Post


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Noorman-den Uyl (PvdA), Bakker (D66), Bibi de Vries (VVD), De Wit (SP), Van Gent (GroenLinks), Verburg (CDA), Hamer (PvdA), Bussemaker (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Mosterd (CDA), Smits (PvdA), voorzitter, Örgü (VVD), Weekers (VVD), Rambocus (CDA), Ferrier (CDA), ondervoorzitter, Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Varela (LPF), Eski (CDA), Koomen (CDA), Smeets (PvdA), Douma (PvdA), Stuurman (PvdA), Kraneveldt (LPF), Hirsi Ali (VVD), Van Hijum (CDA) en Van der Sande (VVD).

Plv. leden: Depla (PvdA), Koşer Kaya (D66), Blok (VVD), Kant (SP), Halsema (GroenLinks), Smilde (CDA), Verbeet (PvdA), Timmer (PvdA), Azough (GroenLinks), Omtzigt (CDA), Visser (VVD), Algra (CDA), Vietsch (CDA), Van der Vlies (SGP), Hermans (LPF), Van Oerle-van der Horst (CDA), Van Dijk (CDA), Van Dijken (PvdA), Blom (PvdA), Kalsbeek (PvdA), Van As (LPF), Aptroot (VVD), Hessels (CDA) en Van Egerschot (VVD).

Naar boven