28 447
Regeling met betrekking tot tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang en waarborging van de kwaliteit van kinderopvang (Wet kinderopvang)

nr. 117
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 23 november 2005

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1 heeft op 11 oktober 2005 overleg gevoerd met minister De Geus van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over:

– de brief d.d. 12 september 2005 over onderzoek proceskwaliteit kinderopvang (28 447, nr. 108);

– de brief d.d. 12 september 2005 houdende rapporten over werkgeversbijdrage kinderopvang (28 447, nr. 109);

– het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit tegemoetkoming kosten kinderopvang (28 447, nr. 110);

– de brief d.d. 7 oktober over kinderopvang en de invulling van de intensivering van € 200 min (28 447, nr. 113);

– de brief d.d. 7 oktober 2005 houdende nadere informatie over stappen ter verbetering proceskwaliteit; (28 447, nr. 112);

– de brief d.d. 11 oktober 2005 over het inzetten van bijstandsmoeders in de buitenschoolse opvang (28 447, nr. 114).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Mevrouw Hamer (PvdA) plaatst enige relativerende kanttekeningen bij het rapport van het Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek (NCKO). De kinderopvang levert immers niet alleen maar slechte kwaliteit. Duidelijk is echter dat het beter moet en kan. Daarom moet een deel van het extra uitgetrokken geld voor de kinderopvang besteed worden aan een kwaliteitsimpuls.

De grote problemen bij de kwaliteit zijn onder meer de controle en de handhaving. Veel instellingen geven aan dat na een GGD-onderzoek geen gemeentehandhaving plaatsvindt. Erkent de minister dit probleem? Hoe denkt hij dit probleem aan te pakken? De hybride kwaliteitscontrole heeft voor de instellingen een opeenstapeling van regelgeving tot gevolg. De eigen certificering is zeer gedetailleerd. De beleidsregel en het convenant zijn minder gedetailleerd, maar worden gecontroleerd door een soms eigenzinnige GGD. Ook de brandweer en de Keuringsdienst van Waren komen regelmatig naar bedjes etc. kijken. Dit houdt de instellingen af van hun belangrijkste doel, namelijk de pedagogische kwaliteit. Welke mogelijkheden ziet de minister om de stapeling van kwaliteitscontrole tegen te gaan?

Het NCKO staat meer wetenschappelijk onderzoek voor. Hierbij kan het eerder bepleitte expertisecentrum voor het jonge kind een rol vervullen. Ook is versterking nodig van de pedagogische kennisinfrastructuur en meer uitwisseling van «best practices». Via een andere financieringsvorm moet binnen de instellingen meer ruimte komen voor begeleiding op de groep, bijvoorbeeld via assistenten.

Mevrouw Hamer ziet een groot verschil in de cijfers over de werkgeversbijdrage van het ministerie en die van BOink. Volgens BOink krijgt de helft van de ouders een bijdrage van een van de twee werkgevers. De helft van de ouders komt aan eenderde deel. Dat is aanzienlijk minder dan in de cijfers van het ministerie. Kan er een reëel beeld verkregen worden van deze ontwikkeling? De fractie van de PvdA werkt aan een initiatiefwetsvoorstel voor een basisvoorziening kinderopvang. Zolang dat nog niet in werking treedt, moet de werkgeversbijdrage zo goed mogelijk verlopen.

De aanpassing van de percentagetabels lijkt vooral bij de middeninkomens terecht te komen. Bij behandeling van de Wet kinderopvang is anderhalf jaar geleden dan ook gepleit voor een compensatieregeling. Aanpassing van de tabel lost overigens het probleem van een ontbrekende werkgeversbijdrage voor ouders met een middeninkomen niet op. Kan de minister voorrekenen hoe sommige ouders volgens hem € 1800 meer per jaar ontvangen?

Mevrouw Hamer noemt het bedrag dat vrijgemaakt is voor de kwaliteit van de kinderopvang mager. Bij de uitvoering van de motie-Van Aartsen/Bos moet de kwaliteit voorop staan, ook in relatie tot de inzet van bijstandsmoeders. Die motie gaat uit van invoering van voor- en naschoolse kinderopvang tussen half zeven en half acht in 2007. Wil de minister alles doen om ervoor te zorgen dat de kinderopvang hierbij goed in stelling wordt gebracht? Hoe kan het dat er in 2006 meer geld is dan in 2007 als het pas in het jaar 2007 start?

Mevrouw Smilde (CDA) noemt kinderen van individuele vreugde voor de ouders maar van collectief belang voor de maatschappij. De kinderopvang is inmiddels een volwassen bedrijfstak. De Wet kinderopvang gaat uit van betaalbaarheid en kwaliteit. Het rapport van het NCKO is treurig en verontrustend. Een dergelijk nulmeting kan echter van nut zijn om de bedoelde positieve werking van de Wet kinderopvang vast te stellen. Hoe kan het dat de kwaliteit achteruit is gegaan bij gelijkblijvende kwaliteitseisen? Is dat aan de onstuimige groei te wijten? Zijn de internationale parameters vergelijkbaar met de Nederlandse? De betrokkenheid van de leidsters scoort overigens goed, in lijn met de kwalificatie van de ouders.

Het gevaar van dergelijk onderzoek is dat de kinderopvang steriel wordt. Ook thuis loopt een kind wel eens een geschaafde knie op. Wat is er nu precies mis? De aanbevelingen vallen op door hun eenvoud. Waarom gebeuren dergelijke simpele dingen niet? Het is overigens kwalijk dat het imago van de branche in het geding is nu ouders soms aarzelen om hun kinderen naar de opvang te brengen. De minister moet een en ander aanpakken, overigens niet door uit te pakken met nog meer invulformulieren. De kwaliteit moet meetbaar zijn en verbeterd worden zonder bureaucratische rompslomp.

Mevrouw Smilde merkt op dat uitgangspunt van de wet is dat ouders, overheid en werkgevers gezamenlijk de kinderopvang betalen. De nulmeting van de werkgeversbijdrage laat alleen percentages zien. Wat betekent het dat in 73% van de CAO’s afspraken over kinderopvang zijn gemaakt? Gaat dit over een (beperkt) budget, moeders in de kinderopvang of de buitenschoolse opvang? Bij de evaluatie in 2006 moet inzicht verschaft worden wat er in de CAO-afspraken staat. Bij de onderhandelingen lijkt overigens urgentie op dit vlak te ontbreken. Modern arbeidsvoorwaardenoverleg kenmerkt zich door knokken voor kinderopvang en het toepassen van verlofregelingen voor vooral jongere werknemers. Dat er anno 2005 met name werk geboden wordt aan vaders en moeders komt te weinig terug in de CAO-onderhandelingen. De FNV wil van de kinderopvang een publieke taak maken in plaats van hun werknemers ertoe aan te zetten een en ander bij CAO te regelen. Is de minister bereid, zijn uiterste best te doen om de Stichting van de Arbeid te houden aan de aanbeveling van november 2004? In het jaar 2006 wordt de werkgeversbijdrage en de betaalbaarheid voor de ouders immers opnieuw bekeken.

Bij invoering van de Wet kinderopvang bleek de ouderbijdrage voor vooral de middeninkomens te hoog. Goede uitvoering van de wet vraagt eenvoudigweg om meer geld. Het extra bedrag van 200 mln. voor 2006 moet dan ook structureel worden gemaakt. De fractie van de CDA gaat ervan uit dat dit geld primair bestemd is voor de betaalbaarheid van kinderopvang voor ouders. De 30 mln. voor deskundigheidsbevordering voor tussenschoolse opvang komt toch van de OCW-begroting? Komt het verminderen van het knelpunt van de huisvesting van de tussenschoolse opvang ook ten laste van dit bedrag? De minister moet in het voorjaar van 2006 cijfermatig duidelijk maken dat de betaalbaarheid van de ouderbijdrage voor de middeninkomens met de door hem voorgestelde 130 mln. te regelen is.

Mevrouw Koşer Kaya (D66) wijst erop dat werkende ouders veel moeite hebben om arbeid en zorg verantwoordelijk te combineren. In de Kamer groeit de consensus dat dit gemakkelijker moet worden gemaakt voor ouders en kinderen. Bij de algemene beschouwingen bleek er dan ook een ruime meerderheid voor de motie-Van Aartsen/Bos voor het verplichten van voor-, tussen- en naschoolse opvang. Dit is een goede aanvulling op de motie-Lambrechts, die het kabinet vraagt om een geïntegreerde visie op deze opvang. Uitwerking van beide moties kan helpen bij het invullen van het concept brede school. De nieuwe Wet kinderopvang is mislukt en zet de betaalbaarheid en kwaliteit van de kinderopvang onder druk. De financiering van een en ander blijft achter bij de wenselijkheid van een brede school. De toezegging om 200 mln. extra voor kinderopvang vrij te maken, valt goed. Dat lost echter nog lang niet alle problemen op.

De plannen van de staatssecretaris om bijstandsmoeders te dwingen om voor naschoolse opvang in de scholen te zorgen, is te kort door de bocht. Zij kunnen dat wel, mits goed opgeleid. Zij lijken echter gedwongen te worden, ongeacht hun bekwaamheid of bevlogenheid. Zonder deugdelijke financiering is het plan een lege huls. Daarom moet een financiële bijdrage door de werkgever verplicht gesteld worden in de vorm van een premie op de loonsom.

Mevrouw Koşer Kaya wijst op het initiatiefwetsvoorstel van de fractie van GroenLinks voor invoering van een verplichte werkgeversbijdrage. Via een premie op de loonsom blijft dit instrument ook voor het mkb betaalbaar. De fractie van D66 heeft vanwege het niet verplichtstellen van de werkgeversbijdrage tegen de nieuwe Wet kinderopvang gestemd. De heer Bakker heeft bij het voorjaarsoverleg op een mogelijk initiatiefwetsvoorstel gewezen. Mevrouw Azough wordt uitgenodigd een initiatiefwetsvoorstel samen met de fractie van D66 in te dienen.

Het kabinet wordt gevraagd om door te pakken en een principiële keuze te maken voor kinderopvang als basisvoorziening. Omdat niet alles ineens voor elkaar te krijgen is, moet nu slechts de eerste stap genomen worden met de werkgeversverplichting via een premie op de loonsom. Een kwalitatief ingevulde brede school stimuleert immers kinderen in hun cognitieve en sociale vaardigheden, waardoor hun individuele ontwikkelingskansen groter worden. Ook is het noodzakelijk om meer vrouwen aan het werk te krijgen met het oog op de emancipatie. Het helpt ook bij de integratie en het tegengaan van de vergrijzing.

Mevrouw Koşer Kaya vindt de huidige zeshonderd brede scholen in Nederland een stap in de goede richting. In het jaar 2010 moet iedere buurt een brede school hebben, met op elk moment van de dag minstens één professionele opvangkracht. Bij een dergelijke aanpak horen geen wachtlijsten. De overheid moet daarnaast zorgdragen voor de kwaliteit. Bij de kinderopvang moet daarom naar analogie van het onderwijs een ook voor ouders transparante kwaliteitskaart worden ingevoerd. Zo moet inzichtelijk worden wat de deskundigheid van het personeel is en wat het pedagogische klimaat. Een goede kinderopvang vereist tevens financiële inzet. De fractie van D66 oppert daarbij het idee van inzetten van kinderbijslag vanaf het derde kind.

De heer Van der Vlies (SGP) heeft zich werkelijk verbaasd over het gemak waarmee met de motie-Van Aartsen/Bos een behoefte in de samenleving wordt afgewenteld op het onderwijsveld. Nu ligt er een plan van aanpak, ondanks de realiteit van overbelasting van scholen, bijvoorbeeld inzake onderwijsachterstandenbeleid, lumpsumimplementatie en onderwijsvernieuwing. Minister Zalm heeft de motie genuanceerd door te stellen dat de plicht tot organisatie van opvang door de scholen niet betekent dat die opvang ook door de scholen moet worden uitgevoerd. Opvang is dus niet gebonden aan schoollocatie, maar kan bijvoorbeeld worden gebundeld in de wijk.

De plannen van de staatssecretaris om bijstandsgerechtigden in te zetten bij de kinderopvang in de voor- en naschoolse trajecten wekken ook verbazing. Die plannen lijken gewoon doorgang te vinden, terwijl het van belang is dat gemeentebesturen de vrijheid houden om lokaal afwegingen voor vrijstelling van sollicitatie- en arbeidsplicht voor bijstandsgerechtigden te maken. Dat is immers in het belang van de betrokken kinderen. De behoefte in de samenleving van arbeidsparticipatie van beide partners maakt kinderopvang noodzakelijk. De fractie van de SGP heeft tegen de Wet kinderopvang gestemd omdat opvang van de kinderen een onvervreemdbare verantwoordelijkheid van de ouders is. Kinderopvang moet echter geregeld worden voor gezinnen op sociaal-medische indicatie, voor alleenstaande ouders of ontwrichte gezinnen.

De heer Van der Vlies vindt het van belang dat met de nieuwe Wet kinderopvang een kwalitatief goede opvang wordt georganiseerd. Daarbij moet een tandje bij worden gezet. Wat is overigens de beleidsreactie van de minister op de studie van kinderpsychologe Leach van de Universiteit van Oxford? In The Observer is verslag gedaan van de presentatie over dit gezaghebbende onderzoek over zeven jaar en 1200 kinderen. De meest pregnante conclusie is dat het veruit het beste is voor een kind om in de jonge jeugdjaren onder de hoede te zijn van één begeleid(st)er. Is de minister bereid om de bevindingen van mevrouw Leach minister te koppelen aan het vervolgonderzoek van het NCKO?

Veel ouders kiezen niet voor de reguliere kinderopvang maar juist voor regelingen in de informele sfeer. Die zouden eigenlijk ook financieel ondersteund moeten worden. Vandaar het voorstel van een kindergebonden budget, een koppeling van de kinderopvanggelden aan de kinderbijslaggelden en wat dies meer zij. Dit totale bedrag van 4,7 mld. kan versleuteld worden over ouders met kinderen in een bepaalde leeftijd voor eigen inkoop met een kwaliteitskeur.

Mevrouw Gerkens (SP) haalt aan dat de minister verontrust heeft gereageerd op het rapport van het NCKO. Kan de minister al iets zeggen over de voor oktober toegezegde stand van zaken? Wordt het geen tijd voor landelijke kwaliteitswaarborgen middels eenduidige regelgeving? Hoe ver moet de kwaliteit nog achteruit gaan voordat de minister hiermee instemt?

Het onderzoek beveelt aan om meer aandacht aan pedagogische activiteiten en aan een kindvriendelijke omgeving te besteden. Hoe verhoudt dit zich tot de plannen van het kabinet voor het organiseren van opvang op de scholen? Wat doet de minister met deze aanbevelingen? Een mogelijke oorzaak van de daling in kwaliteit is de explosieve groei van de kindercentra als gevolg van de marktwerking in de Wet kinderopvang. Is de minister bereid het specifieke effect van marktwerking op kwaliteit te onderzoeken? De minister stelt overigens dat het onderzoek een nulmeting betreft. De onderzoekers stellen dat de kwaliteitsmeting 2005 juist niet als zodanig mag worden gezien omdat de Wet kinderopvang al in werking was getreden. Wat is hierop de reactie van de minister?

Mevrouw Gerkens vindt dat het rapport over de werkgeversbijdrage kinderopvang niet duidelijk maakt hoeveel mensen een volledige werkgeversbijdrage, dus van beide werkgevers, ontvangen. BOink gaat in zijn rapport uit van ongeveer 45%. De minister noemt een percentage van 44. Onderzoek van de SP komt op ongeveer hetzelfde percentage uit. Dit resultaat is bijzonder teleurstellend en is niet beoogd met de wet. Wat is hierop de reactie van de minister? De fractie van GroenLinks komt met een initiatiefwetsvoorstel voor een verplichte werkgeversbijdrage. Omdat dit bij het mkb tot problemen kan leiden, verdient het de voorkeur om dit te regelen via een fiscaal fonds voor kinderopvang. De stijging van de aanspraak op de werkgeversbijdrage blijkt zeer gering. Hoe denkt de minister die stijging te bevorderen? Worden hierover afspraken gemaakt in de Stichting van de Arbeid?

Het ontwerpbesluit voor een regeling met betrekking tot de tegemoetkoming in de kosten van de kinderopvang en waarborging van de kwaliteit van de kinderopvang is van belang voor de toegankelijkheid voor de doelgroepen. De Maatschappelijk Ondernemers Groep bepleit een grotere rol voor de gemeenten en duidelijkere regelgeving voor de doelgroep op sociaal-medische indicatie. Wat vindt de minister van het goede idee van een geoormerkt budget? Is de tekst over waarborging per ongeluk uit de tekst verdwenen?

Mevrouw Gerkens herinnert eraan dat de fractie van de SP tegen de motie-Van Aartsen/Bos heeft gestemd. Het idee van de brede school wordt niet afgewezen, maar deze motie en de uitvoering daarvan gaan uit van de verkeerde volgorde. De zaak lijkt geregeld te worden, zonder dat duidelijk is wat de ouders willen. Overigens moet opgepast worden voor Zweedse toestanden, waarbij mensen de kinderopvang zelfs aansprakelijk stellen voor een verkeerde opvoeding. Het Zweedse voorbeeld laat overigens zien dat veel winst te behalen valt in de combinatie van zorg en arbeid als de mogelijkheid bestaat om te werken met flexibele tijden. Het idee om bijstandsmoeders in te zetten, draagt overigens bij aan het beeld dat de overheid de kwaliteit van de kinderopvang niet serieus neemt.

Mevrouw Örgü (VVD) merkt op dat na lang en goed nadenken en de nodige werkbezoeken een voorstel is gelanceerd voor de kinderopvang. Gelukkig is er nu een Kamermeerderheid te vinden voor de motie-Van Aartsen/Bos. Een combinatie van arbeid en zorg is als beide ouders werken immers alleen mogelijk door kinderopvang. Kern van het voorstel is overigens keuzevrijheid. Het kabinet wordt bedankt voor de snelle reactie daarop. De toegezegde 200 mln. wordt gezien als een startbijdrage voor dit project, dat op 1 januari 2007 van start gaat.

De stijgende lijn bij de verplichte werkgeversbijdrage stemt positief. Over de kwaliteit heeft de VVD-fractie duidelijk gemaakt dat dit streven geen opeenstapeling van controle door allerlei diensten mag inhouden. Wat gaat de minister doen om deze opeenstapeling van controle en in te vullen formuleren te stroomlijnen?

Mevrouw Örgü hoort bij werkbezoeken dat mensen die zelf gastouders regelen voor hun kinderen, er vervolgens ermee geconfronteerd worden dat hun woning plots aan allerlei wettelijke vereisten moet voldoen. In die woning lopen toch reeds dagelijks kinderen rond? Voor een clubhuis van de scouting gelden dergelijke regels toch ook niet? De kwaliteitseisen moeten dan ook eenduidig worden gemaakt.

De door de minister toegezegde versterking van toezicht en handhaving is vooralsnog onduidelijk. Welke projecten van GGD en gemeente gaat de minister steunen? Hoe wordt een en ander ingevuld? De minister maakt hiervoor 5 mln. vrij. Wat gaat hij hiermee concreet doen?

De indeling van de extra middelen door de minister voor voor- en naschoolse opvang wordt gesteund. De minister gebruikt 8 mln. voor situaties waarin ouders hun baan verliezen en in de WW terechtkomen. Hoe komt de minister tot dit bedrag? Kan dit niet budgettair neutraal worden geregeld?

Mevrouw Kraneveldt (LPF) is van mening dat iedere ingrijpende wet de nodige kinderziektes kent en dus tijd nodig heeft om ingevoerd te worden. Het evaluatiemoment in 2006 moet aangegrepen worden om invoering en uitwerking van de wet te bediscussiëren en om de wet waar nodig structureel aan te passen. Nu zijn echter reeds geluiden uit het veld te horen over kwaliteit, kosten en de arbeidsparticipatie van vrouwen.

De verschillende waarderingen van de kwaliteit variëren. Het ene rapport stelt dat die gegevens onder de maat zijn, terwijl de ouders aangeven dik tevreden te zijn. Het is te vroeg om definitieve conclusies te trekken. Bovendien moet bedacht worden dat niet alle ontwikkelingen wat betreft kwaliteit aan de wet toe te schrijven zijn. Daarnaast verdient zelfregulering een kans. Het door de branche opgestelde kwaliteitsconvenant is dan ook een goede zaak. Kwaliteit moet gecontroleerd en gehandhaafd worden. De landelijk opererende kinderopvangaanbieders ondervinden echter problemen met de verschillende GGD’s. Er lijkt geen sprake van uniform toezicht, aangezien een en hetzelfde pedagogische plan door de GGD’s afwijkend wordt beoordeeld. De minister heeft gelukkig eerder toegezegd met de GGD’s te zullen spreken over een meer uniform en consequent toezicht.

Kinderopvang kost veel geld, dat niet voor iedereen even gemakkelijk is op te brengen. Als kinderopvang een noodzakelijke voorwaarde is voor toenemende deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt en dus hun emancipatie, moet de overheid daar geld in steken. De overheid moet dan ook haar eenderde deel betalen en daarnaast ouders compenseren als de werkgever niet meebetaalt. De compensatieregeling is gelukkig in stand gebleven. Ook zijn extra middelen uitgetrokken om sommige ouders wat meer lucht te bieden.

Mevrouw Kraneveldt legt uit principieel tegen een verplichte bijdrage voor de werkgever te zijn. Het uitgangspunt is echter dat werkgevers hun verantwoordelijkheid nemen. Als bij evaluatie in 2006 blijkt dat de verwachtingen niet worden waargemaakt, moet de discussie over verplichting heropend worden. Overigens blijft de vrees bestaan dat een verplichte werkgeversbijdrage ertoe leidt dat met name ondernemers in het mkb geen vrouwen in de «kinderwensleeftijd» zullen aannemen. Dan kan bij breed gebruik van de kinderopvang als gevolg van de motie-Van Aartsen/Bos beter gekozen worden voor kinderopvang als basisvoorziening.

De motie-Van Aartsen/Bos mist nog uitwerking en roept veel vragen op. Kwaliteit verhoudt zich slecht tot ongekwalificeerde mensen voor de groep, bijstandsmoeders of niet. Inzet van deze mensen vraagt om opleiding en het aantrekkelijk maken van dit werk. Leraren moeten les geven en hebben geen plek in de kinderopvang. Bovendien moet op de scholen een minimumpercentage aan ouders gelden voor de aansprak op opvang. Naar nu duidelijk wordt, zal een deel van de extra 200 mln. voor het opstarten van de motie-Van Aartsen/Bos worden gebruikt. Hiervoor moeten echter nieuwe middelen uitgetrokken worden.

Mevrouw Azough (GroenLinks) wil graag een stap vooruit maken naar een brede kinderopvangvoorziening. Dit draagt bij aan de opvoeding van de kinderen. De motie-Van Aartsen/Bos mag echter niet ten koste gaan van onderwijs, leraren of kinderen. Geen provisorisch boterhammetje dus in een lokaal met ongekwalificeerd en ongemotiveerd personeel, zonder mogelijkheid tot rust of ravotten.

Het kwaliteitsonderzoek van het NCKO maakt duidelijk dat de kwaliteit niet altijd goed is. Bij steekproeven blijkt dat 60% van de kinderdagverblijven middelmatig scoort en dat 40% een onvoldoende krijgt. Deze flinke daling is een serieus signaal: Nederland is zijn leidende positie op dit gebied kwijt. Het is dan ook jammer dat van de 200 mln. aan extra middelen slechts 5 mln. besteed wordt aan kwaliteitsverbetering. Wat kan de minister hiermee aanvangen? De GGD-inspectie gebruikt vergelijkbare criteria, maar in de praktijk blijkt het vooral te ontbreken aan handhaving. Kan de minister verklaren waarom de gemeenten aarzelen op dit vlak? Kunnen de brancheorganisaties met hun kwaliteitsconvenant iets betekenen, bijvoorbeeld door leden te royeren?

Mevrouw Azough constateert dat de Wet kinderopvang het veel vrouwen en jonge ouders niet gemakkelijk maakt. Het SCP stelt dan ook vast dat de wet participatiedempend werkt. Een daling in arbeidsparticipatie van vrouwen van 55% naar 45% brengt Nederland verder weg van het doel van 60% in het jaar 2010. Het SCP wijst overigens het niet-verplichtende karakter van de werkgeversbijdrage expliciet aan als oorzaak. Volgens het ministerie heeft 73,5% van de werknemers een kinderopvangregeling met de werkgever. De meeste regelingen gelden echter niet voor kinderen ouder dan vier jaar. Het knelpunt treedt juist op als kinderen naar school gaan en buitenschoolse opvang nodig is.

De fractie van GroenLinks heeft met het oog op dit alles een initiatiefwetsvoorstel ingediend om de werkgeversbijdrage verplicht te stellen. Hiermee worden niet alleen werknemers en jonge ouders, maar ook de werkgevers uit de brand geholpen. Het mkb pleit dan ook voor een verplichte werkgeversbijdrage. Die ondernemers worden immers gedupeerd door de vele mkb-werkgevers die geen bijdrage betalen. Is geen keuze mogelijk voor een generieke bijdrage, zodat iedereen meebetaalt?

Mevrouw Azough vraagt de minister om de emancipatie van vrouwen serieus te nemen. Als vrouwen meer en langer moeten kunnen werken, moet de Wet kinderopvang op cruciale punten gerepareerd worden. Het verplicht stellen van de werkgeversbijdrage is daarbij de eerste stap. Reeds 1% van de vrouwen is immers gestopt met werken.

Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie) erkent dat de combinatie van arbeid en zorg veel logistiek en organisatie vergt. Het gedrocht van de motie-Van Aartsen/Bos legt de verantwoordelijkheid die bij ouders hoort echter rigoureus en onredelijkerwijs bij de scholen neer. De keuzevrijheid van ouders wordt vergroot, ten koste van scholen die er niet zijn om ouders uit de brand te helpen. Dit is principieel onjuist. Scholen, leraren en gebouwen zijn immers gericht op het geven van onderwijs. De motie is afgezwakt omdat scholen andere organisaties mogen inschakelen om de kinderopvang te regelen. Anders zijn enorme kosten voor aanpassing van de gebouwen onvermijdelijk.

Het kabinet heeft er nog een schepje bovenop gedaan door nadrukkelijk te wijzen op de mogelijkheid dat mensen met een bijstandsuitkering gaan werken in de kinderopvang op de scholen. Die mogen voor een bonus gaan oppassen op de kinderen van ouders die beiden werken. Uitbuiting, misbruik en een terugkeer naar feodale tijden komen daarmee angstig dichtbij. Het is klip en klaar dat elke beschikbare functie in de kinderopvang een volledige en reguliere baan moet zijn.

Mevrouw Huizinga vindt de kwaliteit van kinderopvang van belang. Heeft de minister het idee dat het teruglopen van de kwaliteit samenhangt met de Wet kinderopvang? Is de beschikbare 5 mln. voor kwaliteitsverbetering voldoende? Betaalbaarheid is eveneens van belang. Het kindgebonden budget wordt al jarenlang door de fractie van de ChristenUnie naar voren gebracht. Dat bevordert werkelijke keuzevrijheid.

De participatie van vrouwen aan betaalde arbeid zou afnemen. Onderzoek van de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek laat echter zien dat het aanbod van formele kinderopvang geen doorslaggevende factor is bij het opnieuw gaan werken van vrouwen met jonge kinderen. Wat is hierop de reactie van de minister?

Het antwoord van de minister

De minister stelt vast dat er momenteel veel onderwerpen spelen bij de kinderopvang. Het is zaak om de verschillende onderwerpen uit elkaar te houden en deze te bezien op werking van de wet en bijvoorbeeld de kwaliteit van de opvang. Opgepast moet worden om het tempo van beleidsontwikkeling nog verder op te schroeven, met alle risico’s van dien.

De kwaliteit van de kinderopvang is belangrijk. Het beeld dat die kwaliteit ineens desastreus of deplorabel is, klopt niet. Veel toegewijde mensen met kennis van zaken werken in de kinderopvang. Veel als vrijwilligers in de oudercommissies betrokken ouders zijn dan ook tevreden over de kwaliteit. Deze sector is zich langzaam aan het professionaliseren, inclusief ontwikkeling van kwaliteitseisen. Voor de kwaliteit van de kinderopvang zijn zowel de aanbieders van kinderopvang, de ouders als de overheid verantwoordelijk.

Op de eisen die zowel nationaal en internationaal worden gehanteerd, blijkt Nederland jammer genoeg lager te scoren. De parameters in het NCKO-onderzoek zijn overigens gelijk aan die waarmee in 1995 en 2000 is gemeten. Er zijn geen aanwijzingen dat de lagere score te maken heeft met de marktwerking. De wet was ten tijde van het onderzoek immers nog maar kort van kracht. De minister gaat onderzoeken wat de oorzaken zijn van de lagere score. Zoals reeds eerder is meegedeeld, zal de Kamer de bevindingen daarvan ontvangen.

De minister kondigt aan op 25 oktober bestuurlijk overleg te voeren met de aanbieders van kinderopvang, GGD Nederland en de VNG. Bekend is dat de aanbieders met twee ontwikkelingen worstelen: een nieuwe wet met een nieuwe administratie en de lokale en per gemeente verschillende GGD-controle op de kwaliteit. In het overleg moet duidelijk worden wat de ondernemers dwars zit bij de kwaliteitsambities, wat de raakvlakken zijn met het toezicht en wat de mogelijkheden zijn van het convenant of een nieuw te ontwikkelen kwaliteitskaart. De minister is bereid om de ontwikkeling van zo’n kaart, een goed initiatief van de organisaties van ouders in de kinderopvang zoals BOink, in de opstartfase te faciliteren. Zo kunnen ouders op een eenvoudige wijze inzicht verkrijgen. Kwaliteitszorg is immers primair aan de instellingen. Op dit vlak is tevens het tot stand gekomen kwaliteitsconvenant van belang. Dergelijke vormen van zelfregulering horen niet in de wet thuis.

Een inventarisatie van de controle laat zien dat de GGD uitvoering van de Wet kinderopvang controleert. De veiligheid van de bedjes wordt gecontroleerd door de Voedsel- en Warenautoriteit. De ergonomische omstandigheden van de leidsters wordt gecontroleerd door de Arbeidsinspectie. Ook komt de brandweer af en toe langs. Doel is om deze inspecties op lokaal niveau zo veel mogelijk samen te laten werken. Dit kan ontwikkeld worden in samenwerking met de VNG. Een extra complicatie is dat een deel van de controle landelijk en een ander deel lokaal wordt aangestuurd. De rijksinspecties werken daarom eveneens aan een samenwerkingsafspraak. De inzet van de minister voor de gesprekken op 25 oktober is een herkenbare en transparante wijze van taakvervulling door de diverse inspecties.

De minister erkent dat de werkwijze van de GGD per gemeente kan verschillen. Dat is in principe toegestaan, bijvoorbeeld in het licht van het stellen van prioriteiten. De rust in de branche is echter gediend met enige uniformiteit op dit vlak. Ook dat vormt inzet van de genoemde gesprekken op 25 oktober. De Kamer zal overigens van de afspraken die in dit overleg worden gemaakt per brief op de hoogte worden gesteld.

Gastouders mogen niet gezien worden als een veredelde buurvrouw of oma, maar juist als een flexibel en kleinschalig alternatief voor het kinderopvangcentrum. De kwaliteit valt daarmee onder dezelfde regels als de reguliere kinderopvang. Dat volgt uit de logica dat er veel belastinggeld besteed wordt aan de kwaliteit van de kinderopvang. Voor wie zich aan de kwaliteitseisen houdt, is dan ook de overheidsfinanciering van toepassing. Een en ander wil niet zeggen dat informele kinderopvang verboden is of in bepaalde gevallen voor sommigen ook kwalitatief gezien niet te verkiezen is boven de reguliere kinderopvang. Informele kinderopvang is echter geen gastouderschap in de zin van de wet. Normaal gesproken wordt er dan ook niet ingegrepen in de ouderlijke bevoegdheid. Alleen bij de gereguleerde kinderopvang is het aan de overheid om de kwaliteit te handhaven. Het is overigens onbekend dat de ontwikkeling van het gastouderschap belemmerd zou worden door het toepassen van de kwaliteitseisen. Wel is eerder met succes gesproken over de leidster-kindratio in de gastgezinnen. De werkelijkheid lijkt zich dan ook vrij te kunnen ontwikkelen.

De minister weet nog niet waar de 5 mln. voor kwaliteitsverbetering aan zal worden besteed. Dit bedrag is overigens pas uitgetrokken na het NCKO-onderzoek en met het oog op het komende overleg met de sector. Wellicht dat het overleg op 25 oktober duidelijk maakt dat de overheid gevraagd wordt een extra impuls te financieren. De belegging van dit geld zal de Kamer na het overleg in de reeds toegezegde brief gemeld worden. Omdat kwaliteitszorg primair een taak is van de partijen in de sector zal het duidelijk zijn dat wanneer hoogleraar Tavecchio een te lage leidster-kindratio vaststelt dit niet tot extra subsidie van de overheid aan individuele kindercentra leidt. De minister is bereid ontwikkelingen uit de sector te faciliteren. Of 5 mln. daarvoor genoeg is, wordt later duidelijk. Als er geld overblijft, hoort de Kamer hoe de rest wordt besteed. Als er niet genoeg geld is, hoort de Kamer hoe dat wordt gedekt.

Reeds op 30 september is een subsidieaanvraag gehonoreerd voor een haalbaarheidsstudie voor een centrum van kennisontwikkeling, innovatie in de kinderopvang en kennisverspreiding door het Fonds voor de kinderopvang van het Centraal Meldpunt Kinderopvang (CMK).

De minister is bekend met het artikel van The Observer van prof. Leach. Het direct aangevraagde onderzoeksrapport is echter nog niet verschenen. Als het op tijd wordt verkregen, zal het betrokken worden bij de gesprekken op 25 oktober. Zo niet, dan wordt hierop ingegaan in de reeds toegezegde brief.

Van de extra 200 mln. is € 130 mln. bestemd voor een hogere tegemoetkoming in de kinderopvangkosten voor midden- en hogere inkomens. Nadat aanvankelijk 100 mln. extra was toegezegd voor het eerste kind, is dit bedrag opgehoogd tot 130 mln. omdat het goed is ook verlichting te brengen voor het tweede en volgende kind. Inmiddels is de situatie zodanig dat over de gehele linie de resultaten gunstiger zijn dan voor het jaar 2005. De daadwerkelijke kosten zijn omlaag gebracht. Ook wordt meer overgehouden van elke meer verdiende euro. Over de voorhang van deze tabellen moet de Kamer snel duidelijkheid verschaffen, zodat een en ander tijdig verwerkt kan worden en de ouders er in het jaar 2006 gebruik van kunnen maken. Het bedrag van 130 mln. is gebaseerd op een schatting van het te maken gebruik. Van het overige geld wordt 5 mln. gereserveerd voor kwaliteitsverbetering. De resterende 65 mln. komt, geheel volgens de oorspronkelijke bedoeling, geheel ten goede aan de ouders. 30 mln. wordt namelijk besteed aan het goed regelen van de tussenschoolse opvang. Een wetsvoorstel ter zake zou op 1 augustus 2006 moeten ingaan. Een groter bedrag voor hetzelfde doel komt overigens van het ministerie van OCW, omdat de tussenschoolse opvang in de regel in de school gestalte krijgt. Het geld voor de voor- en naschoolse opvang, 35 mln., komt via een bijdrage analoog aan de financieringswijze van de Wet kinderopvang rechtstreeks ten goede van de ouders.

De minister zegt toe in het voorjaar de Kamer te berichten over de gespecificeerde besteding van de bedragen. Het zal duidelijk zijn dat het kabinet met de budgetverruiming voor voor- en naschoolse opvang niet pretendeert de uitvoering van de motie-Van Aartsen/Bos volledig te dekken. Zoals bekend zal tijdig voor de begrotingsbehandeling van OCW een verder plan van aanpak verschijnen, met daarin de financiering van een en ander. Het kabinet erkent het belang om voor- en naschoolse opvang verder te laten groeien. Met het extra budget kan er dan ook een breder beroep op wordt gedaan. Waar overigens sprake is van geld dat ten goede komt aan vermindering van knelpunten bij de huisvesting, slaat dit op de FES-middelen (Fonds economische structuurversterking) en niet op de extra 200 mln.

De vraag kan gesteld worden of uitvoering van de motie-Van Aartsen/Bos neerkomt op een belasting voor het onderwijs. Kinderopvang wordt geen onderwijstaak. Het wordt echter de verantwoordelijkheid van de school om kinderopvang beschikbaar te maken voor de ouders die daarop een beroep willen doen. Praktische uitwerking roept zeker de nodige vragen op over locaties en dergelijke. Over de financiering van uitvoering van de motie zal apart met de Kamer gesproken worden.

De minister zegt toe de door mevrouw Hamer gevraagde rekenvoorbeelden schriftelijk aan de Kamer te doen toekomen.

De weerstand tegen het inzetten van bijstandsmoeders is begrijpelijk, maar is gebaseerd op een misverstand. De vrijheid van gemeenten om op lokaal niveau de vrijstelling van de sollicitatie- en arbeidsplicht voor bijstandsgerechtigden in te vullen blijft onverlet. De wet wordt niet gewijzigd en er komt geen aanwijzing voor de gemeenten. Blijft dat de voor- en naschoolse opvang als groeiend fenomeen kan inhouden dat bijstandsgerechtigden met kinderen die over de vereiste kwalificaties beschikken in deze sector kunnen instromen. Bij blijvende groei van de kinderopvang kunnen deze ouders eventueel ander werk doen omdat zij ook dan hun kinderen naar de opvang kunnen brengen. Er wordt dus niet ingeboet op kwaliteitseisen of op het regime van de Wet werk en bijstand. Gemeenten klagen bij de inschakeling van vrouwen in de bijstand dat er geen banen zijn. Als in de kinderopvangsector nieuwe werkgelegenheid wordt gecreëerd, is het verstandig dat de gemeenten deze kans op reguliere banen voor deze vrouwen benutten. Het gaat dan om reguliere banen en om verschillende participatietrajecten, om mensen vanuit de bijstand naar werk te laten groeien.

De minister legt uit dat de motie over gebruik van kinderopvang door ouders op sociaal-medische indicatie wordt ingevuld door in de jaren 2006 en 2007 10,1 mln. over te hevelen naar het Gemeentefonds. In 2007 wordt besloten of de financiering via de Wet maatschappelijke ondersteuning kan lopen.

Inzake invoering van een kindgebonden budget is voor het kabinet van belang dat er extra middelen noodzakelijk blijven voor verbetering van de achterblijvende participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt.

Toezeggingen:

– De minister zegt toe na overleg op 25 oktober met de VNG, de kinderopvangondernemers en GGD Nederland over de kwaliteit van de kinderopvang de Kamer een brief te sturen over de gemaakte afspraken, inclusief de belegging van het bedrag van 5 mln. voor kwaliteitsverbetering.

– De minister zegt toe de door mevrouw Hamer gevraagde rekenvoorbeelden schriftelijk aan de Kamer te doen toekomen.

– De minister zegt toe de Kamer een brief te sturen over de werkgeversbijdrage, de WW en de 8 mln.

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Smits

De adjunct-griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Post


XNoot
1

 Samenstelling: Leden: Noorman-den Uyl (PvdA), Bakker (D66), Bibi de Vries (VVD), De Wit (SP), Van Gent (GroenLinks), Verburg (CDA), Hamer (PvdA), Bussemaker (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Mosterd (CDA), Smits (PvdA), voorzitter, Örgü (VVD), Weekers (VVD), Rambocus (CDA), Ferrier (CDA), ondervoorzitter, Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Varela (LPF), Eski (CDA), Koomen (CDA), Smeets (PvdA), Douma (PvdA), Stuurman (PvdA), Kraneveldt (LPF), Hirsi Ali (VVD), Van Hijum (CDA), Van der Sande (VVD).

Plv. leden: Depla (PvdA), Koşer Kaya (D66), Blok (VVD), Kant (SP), Halsema (GroenLinks), Smilde (CDA), Verbeet (PvdA), Timmer (PvdA), Azough (GroenLinks), Omtzigt (CDA), Visser (VVD), Algra (CDA), Vietsch (CDA), Van der Vlies (SGP), Hermans (LPF), Van Oerle-van der Horst (CDA), Van Dijk (CDA), Van Dijken (PvdA), Blom (PvdA), Kalsbeek (PvdA), Van As (LPF), Aptroot (VVD), Hessels (CDA), Van Egerschot (VVD).

Naar boven