Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-200428443 nr. 6

28 443
Wijziging van de Kadasterwet, de Invoeringswet Kadasterwet, de Organisatiewet Kadaster, de Wet op het notarisambt en het Burgerlijk Wetboek in verband met een verdergaande toepassing van informatie- en communicatietechnologie bij de aanbieding van stukken ter inschrijving in de openbare registers voor registergoederen, het houden van die registers en de verstrekking van inlichtingen daaruit, alsmede in verband met enkele noodzakelijk gebleken technische aanpassingen en het stellen van aanvullende eisen aan het gebruik van elektronische handtekeningen (Herzieningswet Kadasterwet I)

nr. 6
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 2 juni 2004

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

In het opschrift en in de aanhef wordt «de Wet op het notarisambt en het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: enige andere wetten en enkele wetboeken.

B

In artikel I wordt, onder lettering van onderdeel A als Aa, een nieuw onderdeel A ingevoegd, luidend:

A

In artikel 3b vervalt: eerste lid,.

C

In artikel I, onderdeel Aa (nieuw), wordt in de aanhef «worden twee artikelen» vervangen door «wordt een artikel» en vervalt artikel 3e.

D

In artikel I, onderdeel B, wordt in artikel 4, tweede lid, onderdeel c, «schriftelijke» vervangen door: papieren.

E

In artikel I, onderdeel C, wordt artikel 7, tweede lid, als volgt gewijzigd:

1. In de eerste zin wordt «mandaat» vervangen door: mandaat of machtiging.

2. In de tweede zin wordt «Mandaatverlening» vervangen door «Verlening van mandaat of machtiging» en «het mandaat» door: het mandaat of de machtiging.

F

Na artikel I, onderdeel C, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ca

Na artikel 7b worden drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 7c

De artikelen 2:13 tot en met 2:17 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing op het elektronische berichtenverkeer verbonden aan het houden van de in artikel 8, eerste lid, bedoelde openbare registers en het verstrekken van inlichtingen daaruit, tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald.

Artikel 7d

1. De bevoegdheden die op grond van artikel 2:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht aan een bestuursorgaan zijn toegekend, komen uitsluitend toe aan het bestuur van de Dienst.

2. Het bestuur van de Dienst kan de ingevolge het eerste lid aan hem toekomende bevoegdheden uitsluitend uitoefenen door het vaststellen van regelingen.

Artikel 7e

1. Indien in deze wet wordt voorgeschreven dat een document van een elektronische handtekening wordt voorzien, wordt een elektronische handtekening gebruikt die voldoet aan de eisen, genoemd in artikel 15a, tweede lid, onderdelen a tot en met f, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

2. Een certificaat waarop een in deze wet voorgeschreven elektronische handtekening is gebaseerd, bevat geen pseudoniem.

3. De in artikel 2:16, derde zin, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde aanvullende eisen met betrekking tot het gebruik van een elektronische handtekening worden gesteld bij of krachtens regeling van Onze Minister.

G

In artikel I, onderdeel F, wordt in de derde zin van artikel 9, derde lid, «artikel 3c» vervangen door: artikel 3d.

H

Artikel I, onderdeel H, wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 10b wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid vervalt: het vierde en vijfde lid en.

b. In het eerste en tweede lid wordt «schriftelijke» vervangen door: papieren.

c. Het derde, vierde en vijfde lid worden vervangen door een lid, luidende:

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop een elektronisch afschrift en een elektronisch uittreksel van een tot het register van de gerechtsdeurwaarder behorend stuk wordt vervaardigd ten behoeve van het in elektronische vorm aanbieden van dit stuk ter inschrijving in de in artikel 8, eerste lid, onder a, bedoelde openbare registers.

2. Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid wordt «schriftelijke» vervangen door «papieren» en vervalt: gesteld op een door de Dienst verstrekt formulier en.

b. In het vijfde lid, onderdeel a, wordt «schriftelijke» vervangen door: papieren.

c. Onderdeel b van het vijfde lid komt te luiden:

b. indien het zevende lid, eerste zin, toepassing heeft gevonden, de gevallen waarin van een tekening een niet op een formulier als bedoeld in het zevende lid gesteld afschrift wordt aangeboden, in welke gevallen dat afschrift wordt voorzien van een verklaring van eensluidendheid waarop het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing zijn.

d. Het zesde lid wordt vervangen door twee leden, luidende:

6. Bij regeling van het bestuur van de Dienst worden regels gesteld met inachtneming waarvan het in het eerste lid bedoelde afschrift wordt vervaardigd en aangeboden.

7. Bij regeling van het bestuur van de Dienst kan worden bepaald dat het in het eerste lid bedoelde afschrift van het stuk wordt gesteld op een door de Dienst verstrekt formulier. Bij toepassing van de eerste zin worden bij die regeling tevens de vorm vastgesteld van dat formulier en regels gesteld met inachtneming waarvan dat formulier wordt ingevuld en aangeboden.

3. Artikel 11a wordt als volgt gewijzigd:

a. Aan het slot van de tweede zin van het eerste lid en aan het slot van de eerste zin van het vierde lid wordt ingevoegd: , alsmede de wijze waarop een zodanig verzoek kan worden gedaan.

b. In het vierde lid, eerste zin, wordt «zijn schriftelijk verzoek» vervangen door: zijn verzoek in papieren vorm.

4. Artikel 11b wordt als volgt gewijzigd:

a. In het derde lid, onderdeel b, wordt «wordt» vervangen door: worden.

b. In het vijfde, zesde en zevende lid wordt «schriftelijke» telkens vervangen door: papieren.

c. Na het achtste lid worden twee leden toegevoegd, luidende:

9. Artikel 11, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

10. Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden de Dienst van tekeningen en andere stukken die deel uitmaken van een in elektronische vorm ter inschrijving aan te bieden stuk, voorafgaande aan die aanbieding een afschrift in elektronische vorm vervaardigt en onder een uniek kenmerk bewaart met het uitsluitend doel dat daarnaar in dat later aan te bieden stuk kan worden verwezen op een bij die regeling vast te stellen wijze. Een verwijzing als bedoeld in de eerste zin heeft tot gevolg dat het stuk waarnaar in het ter inschrijving aangeboden stuk wordt verwezen, deel uitmaakt van het aan te bieden stuk. Artikel 11, vierde lid, tweede zin, alsmede het zevende lid, tweede zin, en achtste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing.

5. Het tweede lid van artikel 11c komt te luiden:

2. Bij ontvangst van een in elektronische vorm aangeboden stuk wordt in het desbetreffende elektronisch gedeelte van de openbare registers een aantekening geplaatst waaruit blijkt dat het stuk de status «aangeboden» heeft, en worden daarin andere door het bestuur van de Dienst vast te stellen gegevens vermeld die op de aanbieding betrekking hebben.

6. In de artikelen 12, 13, 14a en 14b wordt «schriftelijke» telkens vervangen door: papieren.

I

Artikel I, onderdeel I, wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 15a wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid wordt «schriftelijke» vervangen door: papieren.

b. De eerste zin van het derde lid komt te luiden:

Het bestuur van de Dienst stelt regels over de gevallen waarin de Dienst een afschrift vervaardigt van het stuk waarvan de inschrijving is geweigerd, en op welke wijze die vervaardiging geschiedt, indien:

a. het afschrift, bedoeld in artikel 11, eerste lid, niet is vervaardigd of aangeboden met inachtneming van de regels, bedoeld in artikel 11, zesde lid, dan wel

b. het formulier, bedoeld in artikel 11, zevende lid, indien dat lid toepassing heeft gevonden, niet is ingevuld of aangeboden met inachtneming van de regels, bedoeld in dat lid.

2. In het tweede lid van artikel 15b wordt «schriftelijke» vervangen door: papieren.

J

In artikel I, onderdeel J, wordt artikel 17 als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «schriftelijke» vervangen door: papieren.

2. Na het tweede lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Het bestuur van de Dienst stelt regels met betrekking tot de wijze en het tijdstip van verstrekken van het bewijs van ontvangst.

K

Artikel I, onderdeel L, komt te luiden:

L

Artikel 22, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «artikel 6, eerste lid, van de Luchtvaartwet (Stb. 1958, 47)» vervangen door: artikel 3.2, eerste lid, van de Wet luchtvaart.

2. In onderdeel b wordt «het fabrieksnummer zo het luchtvaartuig dat heeft» vervangen door: het serienummer, zo het luchtvaartuig dat heeft.

3. In onderdeel c wordt «maximaal toegelaten massa» vervangen door: maximaal toegelaten startmassa.

4. Onderdeel d komt te luiden:

d. het nummer waaronder de teboekstelling van het luchtvaartuig in de openbare registers is geschied.

L

In artikel I worden na onderdeel L acht onderdelen ingevoegd, luidende:

La

Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:

1. De eerste zin van het eerste lid komt vanaf «wordt aangeboden» te luiden: een authentiek afschrift dan wel een authentiek uittreksel van de notariële akte betreffende deze levering.

2. In de aanhef van het derde lid wordt «Het eerste en tweede lid» vervangen door: Het eerste lid, eerste zin, en tweede lid.

3. In de aanhef van het vijfde lid wordt «Het eerste lid» vervangen door: Het eerste lid, eerste zin,.

4. Na het vijfde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

6. Het eerste lid, eerste zin, is van overeenkomstige toepassing op de inschrijving van een akte van vernieuwing als bedoeld in artikel 77.

Lb

Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste en tweede lid komen te luiden:

1. Ter inschrijving van een rechtshandeling naar burgerlijk recht die krachtens wetsbepaling kan worden ingeschreven, worden, tenzij anders is bepaald, aangeboden authentieke afschriften van een door een notaris met inachtneming van artikel 37 opgemaakte verklaring, inhoudende dat de rechtshandeling naar de verklaring van degene die de inschrijving verlangt, is verricht en wat zij inhoudt, en van de daaraan gehechte stukken waaruit van die rechtshandeling blijkt.

2. Ingeval voor de rechtshandeling of de inschrijving daarvan een notariële akte is vereist, wordt aangeboden een authentiek afschrift of een authentiek uittreksel van die akte.

2. Het vijfde lid komt te luiden:

5. Ingeval de rechtshandeling betreft een scheepshuurkoopovereenkomst waarop artikel 800, tweede lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, worden ter inschrijving aangeboden hetzij authentieke afschriften van de in het eerste lid van dat artikel bedoelde notariële akte en van de daaraan gehechte stukken inhoudende de in het tweede lid van dat artikel bedoelde toestemming, hetzij een authentiek uittreksel van die akte en authentieke afschriften van die stukken.

Lc

Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. Ter inschrijving van erfopvolgingen die registergoederen betreffen, wordt een authentiek afschrift van een door een notaris opgemaakte verklaring van erfrecht als bedoeld in artikel 188 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek aangeboden, waaruit van de erfopvolging blijkt.

2. De eerste zin van het tweede lid komt te luiden:

Ter inschrijving van een executele, een bij uiterste wilsbeschikking ingesteld bewind of de benoeming van een vereffenaar van de nalatenschap wordt een authentiek afschrift van een verklaring van erfrecht als bedoeld in artikel 188 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek aangeboden, waaruit van de executele, het bewind onderscheidenlijk de benoeming blijkt.

3. Het derde lid komt te luiden:

3. Ter inschrijving van een verkrijging door de Staat van registergoederen krachtens artikel 189 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek wordt een authentiek afschrift van een verklaring van een notaris aangeboden, waarin deze vermeldt dat het registergoed door de Staat krachtens dat artikel is verkregen.

4. In het vijfde lid wordt «de Minister van Financiën» vervangen door: Onze Minister van Financiën.

Ld

Artikel 30, eerste lid, komt te luiden:

1. Ter inschrijving van de vervulling van een voorwaarde, gesteld in een ingeschreven voorwaardelijke rechtshandeling, of van de verschijning van een onzeker tijdstip, aangeduid in de aan een ingeschreven rechtshandeling verbonden tijdsbepaling, worden aangeboden authentieke afschriften van een door een notaris met inachtneming van artikel 37 opgemaakte verklaring, inhoudende dat naar de verklaring van degene die de inschrijving verlangt, de voorwaarde is vervuld, onderscheidenlijk het tijdstip is verschenen, en van de daaraan gehechte stukken waaruit van deze vervulling of verschijning blijkt.

Le

In artikel 34 wordt «een door een notaris met inachtneming van artikel 37 opgemaakte verklaring of een authentiek afschrift daarvan» vervangen door: een authentiek afschrift van een door een notaris met inachtneming van artikel 37 opgemaakte verklaring.

Lf

Artikel 35 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. Ter inschrijving van een of meer verklaringen van waardeloosheid als bedoeld in artikel 28 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek worden aangeboden authentieke afschriften van een door een notaris opgemaakte verklaring, inhoudende dat degenen te wier behoeve de inschrijving zou hebben gestrekt, schriftelijk hebben verklaard dat zij waardeloos is, en van deze schriftelijke verklaringen die aan die notariële verklaring zijn gehecht.

2. Het derde en vierde lid komen te luiden:

3. Ter inschrijving van een verklaring als bedoeld in artikel 273 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek wordt aangeboden een authentiek afschrift van die verklaring.

4. Ter inschrijving van een verklaring als bedoeld in artikel 274 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek wordt aangeboden een authentiek afschrift van de desbetreffende authentieke akte.

Lg

Artikel 36 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, eerste zin, wordt voor «een notaris» ingevoegd «een authentiek afschrift van een door» en vervalt: , of een authentiek afschrift van de verklaring van de notaris.

2. In het tweede en derde lid wordt «wordt een door een notaris met inachtneming van artikel 37 opgemaakte verklaring aangeboden» vervangen door «worden aangeboden authentieke afschriften van een door een notaris met inachtneming van artikel 37 opgemaakte verklaring» en «met daaraan gehecht de stukken waaruit van een en ander blijkt of authentieke afschriften van die verklaring en van die stukken» door: alsmede van de aan die verklaring gehechte stukken waaruit van een en ander blijkt.

Lh

Artikel 37a komt te luiden:

Artikel 37a

Een notariële verklaring als bedoeld in de artikelen 26, 27, derde lid, 30, 31, onder b, juncto 26, eerste lid, 34, 35, 36 en 46a, wordt opgemaakt bij notariële akte.

M

Artikel I, onderdeel M, onder 3, komt te luiden:

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Ter verbetering van een onjuistheid en onvolledigheid bestaand uit een kennelijke schrijffout en een kennelijke misslag in de tekst van een ingeschreven notariële akte of notariële verklaring, als bedoeld in de artikelen 26, 27, eerste lid, 30, 34, 35, 36 en 46a, kan ook worden ingeschreven een proces-verbaal als bedoeld in artikel 45, tweede lid, tweede zin, van de Wet op het notarisambt.

N

In artikel I, onderdeel N, wordt in artikel 44, tweede lid, onderdeel a, «schriftelijke» vervangen door: papieren.

O

Artikel I, onderdeel O, onder 2, wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 46, tweede lid, eerste zin, wordt «schriftelijke» vervangen door «papieren» en vervalt: gesteld op een door de Dienst verstrekt formulier en.

2. In artikel 46, tweede lid, tweede zin, wordt «tweede tot en met zesde lid» vervangen door: tweede tot en met zevende lid.

3. In artikel 46, derde lid, tweede zin, wordt «tweede tot en met achtste lid» vervangen door: tweede tot en met negende lid.

P

In artikel I, onderdeel P, wordt artikel 46a als volgt gewijzigd:

1. In de eerste zin van het eerste lid vervalt: of in een eerder ingeschreven, door hem opgemaakte notariële verklaring.

2. In de eerste zin van het tweede lid wordt «schriftelijke» vervangen door «papieren» en vervalt: gesteld op een door de Dienst verstrekt formulier en.

3. In de tweede zin van het tweede lid wordt «tweede tot en met zesde lid» vervangen door: tweede tot en met zevende lid.

4. In de tweede zin van het derde lid wordt «en zesde en zevende lid» vervangen door: zesde, zevende en negende lid.

Q

In artikel I, onderdeel Q, wordt in het onder 8 opgenomen onderdeel j «standplaats» vervangen door: plaats van vestiging.

R

Artikel I, onderdeel U, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder 4 wordt «geboekte stukken» vervangen door: ingeschreven stukken.

2. In het onder 5 opgenomen onderdeel k wordt «onder» vervangen door «voor» en «wordt verstaan» door: wordt gelezen.

3. In het onder 7 opgenomen onderdeel m wordt «standplaats» vervangen door: plaats van vestiging.

S

Artikel I, onderdeel Y, wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen 3 tot en met 8 worden vernummerd tot 6 tot en met 11.

2. Na onderdeel 2 worden drie onderdelen ingevoegd, luidende:

3. In het tweede lid, onderdeel d, wordt «artikel 6, eerste lid, van de Luchtvaartwet» vervangen door: artikel 3.2, eerste lid, van de Wet luchtvaart.

4. In het tweede lid, onderdeel e, wordt «fabrieksnummer» vervangen door: serienummer.

5. In het tweede lid, onderdeel f, wordt «maximaal toegelaten massa» vervangen door: maximaal toegelaten startmassa.

3. In het onder 10 (nieuw) opgenomen onderdeel m wordt «standplaats» vervangen door: plaats van vestiging.

T

Artikel I, onderdeel CC, wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 100 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid wordt «de door de Dienst gehouden kaarten» vervangen door: de door de Dienst gehouden kadastrale kaarten.

b. In het tweede lid wordt «op schriftelijk verzoek» vervangen door: na een verzoek daartoe in papieren vorm.

2. In artikel 102, tweede lid, wordt «artikel 6, eerste lid, van de Luchtvaartwet» vervangen door: artikel 3.2, eerste lid, van de Wet luchtvaart.

3. In artikel 103, tweede lid, wordt «door de Dienst gehouden kaarten» vervangen door: de door de Dienst gehouden kadastrale kaarten.

4. In artikel 104, eerste lid, wordt «door de Dienst gehouden kaarten» vervangen door: door de Dienst gehouden kadastrale kaarten.

5. Artikel 107 wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt na «102a» een zinsnede ingevoegd, luidende: , alsmede de gevallen waarin de Dienst getuigschriften opmaakt.

b. In onderdeel b wordt «de door de Dienst gehouden kaarten» vervangen door: de door de Dienst gehouden kadastrale kaarten.

c. In onderdeel d wordt «schriftelijke» vervangen door: papieren.

d. In onderdeel e vervalt «voor eensluidendheid» en wordt na «de bewaarder» een zinsnede ingevoegd, luidende: en welke waarmerking wat betreft afschriften en uittreksels mede omvat de waarmerking voor eensluidendheid.

U

In artikel I worden na onderdeel CC drie onderdelen ingevoegd, luidende:

CCa

In artikel 107b, tweede zin, wordt «gegevens» vervangen door: persoonsgegevens.

CCb

Het opschrift van hoofdstuk 8 komt te luiden: Wijziging van de kadastrale aanduiding van onroerende zaken en appartementsrechten anders dan in geval van bijwerking; opnieuw vaststellen van de grootte van percelen; herstel van kennelijke misslagen begaan bij de bijwerking en van onregelmatigheden begaan bij het houden van de openbare registers

CCc

In artikel 112, eerste lid, eerste zin, wordt «de door de Dienst gehouden kaarten» vervangen door: de door de Dienst gehouden kadastrale kaarten.

V

Artikel I, onderdeel DD, komt te luiden:

DD

Artikel 116 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. Het bestuur van de Dienst stelt regels met betrekking tot de wijze waarop een vergissing, verzuim of een andere onregelmatigheid begaan door de bewaarder bij de inschrijving van stukken in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, bij het stellen daarin van aantekeningen, bij de boeking van stukken in het register van voorlopige aantekeningen, of bij de doorhaling van voorlopige aantekeningen, wordt hersteld.

2. In het tweede lid wordt «de door de Dienst gehouden kaarten» vervangen door: de door de Dienst gehouden kadastrale kaarten.

W

In artikel I wordt na onderdeel DD een onderdeel ingevoegd, luidende:

DDa

Voor artikel 117 wordt een opschrift ingevoegd, luidende: Hoofdstuk 9. Overige en slotbepalingen.

X

Artikel I, onderdeel EE, komt te luiden:

EE

Artikel 117 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «de door de Dienst gehouden kaarten» vervangen door: de door de Dienst gehouden kadastrale kaarten.

2. In het vierde lid wordt «begaan bij het schriftelijk verstrekken van inlichtingen» vervangen door «begaan bij het in papieren vorm en in elektronische vorm verstrekken van inlichtingen» en «de door de Dienst gehouden kaarten» vervangen door: de door de Dienst gehouden kadastrale kaarten.

3. In onderdeel b van het vijfde lid wordt «het schriftelijk verstrekken van inlichtingen» vervangen door: het in papieren vorm en in elektronische vorm verstrekken van inlichtingen.

4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

6. Het bestuur van de Dienst kan regels stellen met betrekking tot aansprakelijkheid voor de gevolgen van storingen in de middelen die de Dienst gebruikt bij elektronische gegevensuitwisseling als bedoeld in deze wet.

Y

Artikel III komt te luiden:

ARTIKEL III

Aan artikel 25, tweede lid, van de Organisatiewet Kadaster wordt een zin toegevoegd, luidende:

Het bestuur van de Dienst doet in het jaarverslag in beknopte vorm mededeling van de opzet en de uitkomsten van de controle van de toereikendheid van de genomen en ten uitvoer gelegde beveiligingsmaatregelen, bedoeld in artikel 3d, vierde lid, van de Kadasterwet.

Z

Artikel IV wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel B komt te luiden:

B

Artikel 1576, vierde lid, van Boek 7A wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b wordt «die teboekstaan of die teboekgesteld kunnen worden in het in artikel 193 van Boek 8 genoemde register» vervangen door: die te boek staan of die te boek gesteld kunnen worden in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3.

2. Onderdeel c komt te luiden:

c. binnenschepen die te boek staan of die te boek gesteld moeten worden doch niet te boek staan in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3,.

3. Onderdeel d komt te luiden:

d. luchtvaartuigen die te boek staan in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3.

2. Na onderdeel E wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ea

Artikel 193 van Boek 8 vervalt.

3. Na onderdeel J wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ja

Artikel 783 van Boek 8 vervalt.

4. Na onderdeel O worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:

Oa

Artikel 1302 van Boek 8 vervalt.

Ob

In artikel 1303, eerste lid, onder a, van Boek 8 wordt «in de zin der Luchtvaartwet» vervangen door: in de zin van de Wet luchtvaart.

AA

Na artikel IV worden vijf artikelen ingevoegd, luidende:

ARTIKEL IVA

Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 58 wordt «een schip dat in het in artikel 193 of artikel 783 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek genoemde register teboekstaat» vervangen door: een schip dat in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, te boek staat.

B

In artikel 60 wordt «een luchtvaartuig dat in het in artikel 1302 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde register teboekstaat» vervangen door: een luchtvaartuig dat in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, te boek staat.

C

In artikel 515, tweede lid, wordt «een door de bewaarder van de openbare registers af te geven getuigschrift als bedoeld in artikel 99 lid 1 van de Kadasterwet» vervangen door: een door de bewaarder van het kadaster en de openbare registers af te geven kadastraal uittreksel inzake hypotheken en beslagen als bedoeld in artikel 100, eerste lid, van de Kadasterwet.

D

In artikel 552, tweede lid, wordt «een door de bewaarder van de openbare registers af te geven getuigschrift als bedoeld in artikel 99 lid 1 van de Kadasterwet» vervangen door: een door de bewaarder van het kadaster en de openbare registers af te geven kadastraal uittreksel inzake hypotheken en beslagen als bedoeld in artikel 100, eerste lid, van de Kadasterwet.

E

In artikel 565, eerste lid, onder e, wordt «en zo het schip teboekstaat in het register, genoemd in artikel 193 of artikel 783 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door «en, zo het schip te boek staat in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek» en vervalt: (Stb. 1989, 186).

F

Artikel 566, eerste lid, komt te luiden:

1. Het proces-verbaal van inbeslagneming van schepen die te boek staan in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, zal worden ingeschreven in die registers.

G

In artikel 567 wordt «schepen die niet teboekstaan in het in artikel 193 of artikel 783 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek genoemde register» vervangen door: schepen die niet te boek staan in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

H

In artikel 568 wordt «een in beslag genomen schip dat teboekstaat in het in artikel 193 of artikel 783 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek genoemde register» vervangen door: een in beslag genomen schip dat te boek staat in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

I

In artikel 573 wordt «een schip dat niet teboekstaat in het in artikel 193 of artikel 783 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek genoemde register» vervangen door: een schip dat niet te boek staat in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

J

Artikel 576, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «die niet in het in artikel 193 van Boek 8 genoemde register teboekstaan» vervangen door: die niet te boek staan in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

2. In onderdeel b wordt «die niet teboekstaan in een der registers genoemd in artikel 781 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: die niet te boek staan in een der registers genoemd in artikel 781, onder c en d, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek.

K

In artikel 579 wordt «een schip dat teboekstaat in het in artikel 193 van Boek 8 of artikel 783 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek genoemde register» vervangen door: een schip dat te boek staat in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

L

In artikel 584b wordt «een in het register of in een verdragsregister teboekstaand luchtvaartuig» vervangen door: een luchtvaartuig dat in de openbare registers of in een verdragsregister te boek staat,.

M

Artikel 584d, eerste lid, komt te luiden:

1. Wanneer beslag is gelegd op een luchtvaartuig dat te boek staat in de openbare registers, zal het proces-verbaal van inbeslagneming daarin worden ingeschreven.

N

In artikel 584f, eerste lid, wordt «artikel 107, eerste lid, Kadasterwet» vervangen door: artikel 102, eerste lid, van de Kadasterwet.

O

In artikel 624, eerste lid, wordt «de rechtbank van de plaats waar het in de artikelen 193, 783 of 1302 van Boek 8 van dat Wetboek genoemde register wordt gehouden» vervangen door: de rechtbank binnen welker rechtsgebied het kantoor waar het schip te boek staat in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, is gelegen.

P

In artikel 635 wordt «de rechter van de plaats waar het schip van de verweerder in het in artikel 193 of artikel 783 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek genoemde register te boek staat» vervangen door: de rechter van de plaats waarin het kantoor waar het schip te boek staat in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, is gelegen.

Q

Artikel 642a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de rechtbank van de plaats waar het schip in het in artikel 193 of artikel 783 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde register teboekstaat, dan wel wanneer het schip niet in een dezer registers teboekstaat» vervangen door: de rechtbank binnen welker rechtsgebied het kantoor waar het schip te boek staat in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, is gelegen, dan wel wanneer het schip niet te boek staat in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek,.

2. In het tweede lid, onderdeel b, wordt «de plaats van het register waarin het teboekstaat» vervangen door: de plaats waarin het kantoor waar het schip te boek staat, is gelegen

R

Artikel 728b komt te luiden:

Artikel 728b

Indien het beslag is gelegd op een schip dat te boek staat in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en de eis in hoofdzaak niet binnen de overeenkomstig artikel 700, derde lid, bepaalde termijn is ingesteld, is de beslaglegger verplicht de waardeloosheid van de inschrijving van het beslag onverwijld te doen inschrijven op straffe van schadevergoeding.

S

In artikel 729, eerste lid, wordt «in het in artikel 1302 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde register teboekstaande luchtvaartuigen» vervangen door: in de openbare registers te boek staande luchtvaartuigen.

ARTIKEL IVB

In artikel 59a, eerste lid, van de Faillissementswet wordt «een luchtvaartuig dat teboekstaat in het register, bedoeld in artikel 1302 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: een luchtvaartuig dat te boek staat in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

ARTIKEL IVC

De Wet aansprakelijkheid olietankschepen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, onderdeel e, wordt «indien het schip niet teboekstaat in het in artikel 193 dan wel in het in artikel 783 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek genoemde register dan wel een buitenlands register» vervangen door: indien het schip niet te boek staat in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek dan wel een soortgelijk buitenlands register.

B

In artikel 15, tweede lid, onder b, wordt «artikel 106, eerste lid, van de Kadasterwet (Stb. 1989, 186)» vervangen door: artikel 101, eerste lid, van de Kadasterwet.

ARTIKEL IVD

Artikel 1, onderdeel d, van de Wet nationaliteit zeeschepen in rompbevrachting komt te luiden:

d. buiten Nederland te boek staan: buiten Nederland te boek staan in een register soortgelijk aan de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek;.

ARTIKEL IVE

In artikel 21, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer komen de onderdelen c en d te luiden:

c. schepen die te boek staan in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek;

d. luchtvaartuigen die te boek staan in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek;.

BB

Artikel V komt te luiden:

ARTIKEL V

Na artikel 45 van de Wet op het notarisambt wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 45a

1. De artikelen 19, 20, 40 tot en met 42, en 45 zijn van overeenkomstige toepassing op een bijhoudingsverklaring als bedoeld in artikel 46a van de Kadasterwet.

2. De notaris zendt een afschrift van de bijhoudingsverklaring, bedoeld in het eerste lid, aan partijen, nadat hij op de oorspronkelijke akte een aantekening heeft gesteld van het opmaken van die bijhoudingsverklaring onder vermelding van de datum ervan.

CC

Na artikel V worden zes artikelen ingevoegd, luidende:

ARTIKEL VA

In artikel 5, eerste lid, van de Wet vervoer binnenvaart wordt «een binnenschip dat in Nederland krachtens de artikelen 193 of 783 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek is teboekgesteld» vervangen door: een binnenschip dat in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, te boek staat.

ARTIKEL VB

Het Wetboek van Koophandel wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 311a, eerste lid, wordt «de bewaarder van het register, bedoeld in artikel 193 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: de in artikel 6 van de Kadasterwet bedoelde bewaarder van het kadaster en de openbare registers van het kantoor waar het schip te boek staat.

B

In artikel 347, eerste lid, wordt «artikel 106, eerste lid, van de Kadasterwet (Stb. 1989, 186)» vervangen door: artikel 101, eerste lid, van de Kadasterwet.

C

In artikel 374, tweede lid, wordt «artikel 106, eerste lid, van de Kadasterwet» vervangen door: artikel 101, eerste lid, van de Kadasterwet.

ARTIKEL VC

De Zeebrievenwet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 4 wordt «die teboekstaan blijkens de registratie voor schepen, bedoeld in artikel 85 van de Kadasterwet» vervangen door: die te boek staan in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

B

In artikel 5, onder a, wordt «alwaar het teboekstaat blijkens de registratie voor schepen, bedoeld in artikel 85 van de Kadasterwet» vervangen door: waar het te boek staat in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

C

In artikel 6, eerste lid, wordt «artikel 106, eerste lid, van de Kadasterwet (Stb. 1989, 186)» vervangen door: artikel 101, eerste lid, van de Kadasterwet.

D

In artikel 10, vierde lid, wordt «artikel 106, eerste lid, van de Kadasterwet» vervangen door: artikel 101, eerste lid, van de Kadasterwet.

ARTIKEL VD

In het vierde lid van artikel V van de wet van 22 juni 1994, Stb. 507, tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het Wetboek van Koophandel en de Wet nationaliteit zeeschepen in rompbevrachting (wijziging voorwaarden nationaliteitsverlening en registratie zeeschepen) wordt «bewaarder van het register, bedoeld in artikel 193 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: in artikel 6 van de Kadasterwet bedoelde bewaarder van het kadaster en de openbare registers van het kantoor waar het schip te boek staat.

ARTIKEL VE

Indien het bij koninklijke boodschap van 14 januari 2002 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van regels omtrent de publiekrechtelijke registratie van zeeschepen in Nederland (Wet publiekrechtelijke registratie zeeschepen) (Kamerstukken II 2001/2002, 28 180, nr. 2) tot wet wordt verheven en in werking treedt ná het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, wordt de Wet publiekrechtelijke registratie zeeschepen als volgt gewijzigd:

1. In artikel 1.1, onderdeel e, vervalt «als» en wordt achter «registergoederen» een komma geplaatst.

2. In artikel 3.6, eerste lid, onder c, wordt «een register soortgelijk aan het register, bedoeld in artikel 193 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: een register, soortgelijk aan de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

3. In artikel 3.12 wordt «het register, soortgelijk aan het register, bedoeld in artikel 193 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: het register, soortgelijk aan de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

4. In de artikelen 3.14, tweede lid, 3.15, tweede lid, en 7.4 wordt «artikel 106, eerste lid, van de Kadasterwet» vervangen door: artikel 101, eerste lid, van de Kadasterwet.

5. In artikel 3.15, eerste lid, wordt «de desbetreffende bewaarder van het kadaster en de openbare registers» vervangen door: de in artikel 6 van de Kadasterwet bedoelde bewaarder van het kadaster en de openbare registers van het kantoor waar het schip te boek staat in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek,.

ARTIKEL VF

Indien het bij koninklijke boodschap van 14 januari 2002 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van regels omtrent de publiekrechtelijke registratie van zeeschepen in Nederland (Wet publiekrechtelijke registratie zeeschepen) (Kamerstukken II 2001/2002, 28 180, nr. 2) tot wet is of wordt verheven en in werking treedt vóór of op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, vervallen de artikelen VB, onderdeel A, IVD en VC van deze wet.

DD

In artikel XII, eerste lid, onderdeel m, wordt «tweede lid, onderscheidenlijk derde lid» vervangen door «tweede lid, onderscheidenlijk 107, onderdeel f» en vervalt onderdeel o onder lettering van onderdeel p als o.

EE

Artikel XIII vervalt.

Toelichting

Algemeen

Deze nota van wijziging die is aangekondigd in de nota naar aanleiding van het verslag bied ik u aan mede namens de Minister van Justitie. De reden voor deze nota van wijziging is – kort gezegd – gelegen in het volgende. In de eerste plaats zijn in deze nota van wijziging een aantal technische wijzigingen opgenomen die tot doel hebben om enkele bepalingen uit andere wetten af te stemmen op de inhoud van het wetsvoorstel voor de Herzieningswet Kadasterwet I (hierna: het wetsvoorstel voor de HKW I). Daarnaast zijn er in het wetsvoorstel voor de HKW I enkele technische verbeteringen en aanvullingen aangebracht en is het wetsvoorstel aangepast aan enkele gerechtvaardigde desiderata vanuit de praktijk en naar aanleiding van wijzigingen in andere wetten en daarop gebaseerde voorschriften, die inmiddels al dan niet partieel in werking zijn getreden. Tot slot is het wetsvoorstel voor de HKW I nader afgestemd op het op 22 juli 2002 bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediende wetsvoorstel voor de Wet elektronisch bestuurlijk verkeer1 (hierna: het wetsvoorstel voor de Webv).

Onderdeel A

Het opschrift van het wetsvoorstel voor de HKW I is aangepast in verband met de uitbreiding van het aantal wetten dat door dit wetsvoorstel wordt gewijzigd (onderdelen AA, BB en CC).

Onderdeel B

In artikel 3b van de Kadasterwet is een foutieve verwijzing naar een bepaling in de Wet bescherming persoonsgegevens vervangen.

Onderdeel C

In onderdeel C is het in artikel I, onderdeel Aa (nieuw), opgenomen artikel 3e van de Kadasterwet2 betreffende – kort gezegd – het gebruik van de elektronische handtekening in het elektronisch berichtenverkeer met de bewaarder, komen te vervallen. In plaats van deze bepaling is in onderdeel F artikel 7e van de Kadasterwet opgenomen, waarin een algemene regeling wordt gegeven voor het gebruik van de elektronische handtekening in het elektronische berichtenverkeer dat plaatsvindt in het kader van de Kadasterwet (zie de toelichting op onderdeel F).

Onderdeel D, H (deels), I (deels), J, onder 1, N, O, onder 1, P, onder 2, T, onder 1 en 5 (deels), X, onder 2 en 3 (deels)

In het wetsvoorstel voor de Webv is gekozen voor een ruime, dynamische uitleg van het begrip «schriftelijk». Ingevolge die uitleg omvat de term «schriftelijk» zowel een document dat op papier staat, als een elektronisch document.3 Ter onderscheiding van een elektronisch document wordt een document dat op papier staat aangeduid met de zinsnede «in papieren vorm». Het wetsvoorstel voor de HKW I is aan de terminologie van het wetsvoorstel voor de Webv aangepast. Hiertoe bestond te meer noodzaak nu het berichtenverkeer dat plaatsvindt in het kader van de Kadasterwet, na de opname van een nieuw artikel 7c van de Kadasterwet in het wetsvoorstel voor de HKW I (onderdeel F), binnen het toepassingsbereik van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) valt, zodat de regeling als voorzien in het wetsvoorstel voor de Webv ook op dit berichtenverkeer van toepassing zal worden.

Onderdeel E

In artikel I van het wetsvoorstel voor de HKW I is in onderdeel C een nieuw artikel 7 van de Kadasterwet opgenomen. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat de bewaarder met betrekking tot één of meer van de aan hem bij of krachtens de wet toegekende bevoegdheden mandaat kan verlenen aan één of meer personen behorend tot het personeel van de Dienst. Het mandaat ziet ingevolge artikel 10:1 van de Awb op de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen. Buiten de figuur van mandaat vallen derhalve de aan de bewaarder bij of krachtens de wet toegekende bevoegdheden tot het nemen van beslissingen, die geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van de Awb, en het verrichten van handelingen, die noch een zodanig besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn (zie bijvoorbeeld het in het wetsvoorstel voor de HKW I in artikel I, onderdeel H, opgenomen artikel 11a, derde lid, tweede volzin, van de Kadasterwet). Zonder aanvulling van het tweede lid van artikel 7 met de figuur van machtiging zou het dan ook niet mogelijk zijn, dat de bewaarder personen, werkzaam op de kantoren van de Dienst, machtigt om «in zijn naam en onder zijn verantwoordelijkheid» bevoegdheden als vorenbedoeld uit te oefenen.

Onderdeel F

Onderdeel F strekt ertoe in de Kadasterwet een algemene regeling te treffen op basis waarvan het berichtenverkeer in het kader van de Kadasterwet via de elektronische weg kan plaatsvinden. De regeling bestaat uit drie nieuwe artikelen: de artikelen 7c, 7d en 7e van de Kadasterwet.

Artikel 7c van de Kadasterwet heeft betrekking op het berichtenverkeer verbonden aan het houden van de in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet bedoelde openbare registers en het verstrekken van inlichtingen daaruit. Bij de totstandkoming van de eerste tranche van de Awb zijn de openbare registers buiten de werkingssfeer van de Awb komen te vallen, omdat de rechtsgevolgen van een inschrijving in de openbare registers van privaatrechtelijke aard zijn.1 De Awb is daarentegen wel van toepassing op de overige in artikel 3, eerste lid, onder b tot en met g, van de Kadasterwet genoemde registraties en gegevens.2 Dit brengt mee dat in het wetsvoorstel voor de Webv reeds is voorzien in een regeling op basis waarvan het berichtenverkeer dat verband houdt met het houden van deze registraties en gegevens en het verstrekken van inlichtingen daaruit (hierna: het overige berichtenverkeer) ook via de elektronische weg kan plaatsvinden. Het wetsvoorstel voor de Webv beoogt immers aan de Awb een nieuwe afdeling 2.3 toe te voegen, waarin regels zijn opgenomen voor het elektronische berichtenverkeer tussen burgers en bestuursorganen.

Gelet op de doeleinden die de Dienst voor het kadaster en de openbare registers ingevolge artikel 2a van de Kadasterwet nastreeft in het rechtsverkeer, het economisch verkeer en het bestuurlijk verkeer tussen burgers en bestuursorganen, is het van belang dat voor het berichtenverkeer met de Dienst een eenduidige en algemeen kenbare regeling geldt. Een uniforme regeling voor al het berichtenverkeer dat in het kader van de Kadasterwet plaatsvindt draagt daartoe bij. In artikel 7c van de Kadasterwet is daarom afdeling 2.3 van de Awb – bestaande uit de artikelen 2:13 tot en met 2:17 – van overeenkomstige toepassing verklaard op het berichtenverkeer verbonden aan het houden van de openbare registers en het verstrekken van inlichtingen hieruit, met dien verstande dat indien bij of krachtens de Kadasterwet van deze regeling wordt afgeweken, dan de regeling in de Kadasterwet van toepassing is.

In artikel 7d van de Kadasterwet is bepaald dat de facultatieve bevoegdheden tot het openen van de elektronische weg en het stellen van nadere eisen aan het gebruik van de elektronische weg, die op grond van artikel 2:15, eerste lid, van de Awb aan een bestuursorgaan zijn toegekend, uitsluitend toekomen aan het bestuur van de Dienst. In de Kadasterwet is sprake van meerdere bestuursorganen aan wie verschillende bevoegdheden zijn toegekend. Met het oog op het eerder genoemde belang van een eenduidige en algemeen kenbare regeling voor het berichtenverkeer, wordt het wenselijk geacht dat slechts één bestuursorgaan de bevoegdheid heeft om de elektronische weg te openen en regels te stellen ten aanzien van het gebruik hiervan. Gelet op artikel 7 van de Organisatiewet Kadaster, waarin is bepaald dat het bestuur van de Dienst belast is met het besturen van de Dienst, ligt het in de rede om de bevoegdheid toe te kennen aan dit orgaan. Het voorschrift dat het bestuur van de Dienst de aan hem – ingevolge artikel 7d van de Kadasterwet – toekomende bevoegdheden slechts kan uitoefenen door het vaststellen van een regeling, houdt eveneens verband met het reeds genoemde belang van een algemeen kenbare regeling. Ingevolge artikel 118, eerste lid, van de Kadasterwet worden de door het bestuur vastgestelde regelingen namelijk geplaatst in de Staatscourant.

De in artikel I, onderdelen H, I, J en CC, van het wetsvoorstel voor de HKW I opgenomen artikelen 10b tot en met 14b, 15a, 15b, 17 en 107 van de Kadasterwet geven een nadere invulling aan de algemene regeling van de artikelen 7c en 7d van de Kadasterwet. Daarbij is voor de voorschriften die op basis van de Kadasterwet gelden voor het berichtenverkeer in papieren vorm in het wetsvoorstel voor de HKW I steeds een functioneel equivalent opgenomen dat toepasbaar is in het elektronische berichtenverkeer. Ter illustratie hiervan verwijs ik naar de samenhang tussen de artikelen 11 en 11b; 12, eerste lid, onder a, en 12, eerste lid, onder b; 12, tweede lid, onder a, en 12, tweede lid, onder b, van de Kadasterwet.

In artikel 7e van de Kadasterwet is een regeling opgenomen met betrekking tot het gebruik van de elektronische handtekening. Voor het gebruik van de elektronische handtekening in het elektronische berichtenverkeer dat plaatsvindt in het kader van de Kadasterwet geldt in beginsel de regeling die is neergelegd in artikel 2:16 van de Awb (welke regeling ingevolge artikel 7c van de Kadasterwet van overeenkomstige toepassing is verklaard op het berichtenverkeer verbonden aan het houden van de openbare registers en het verstrekken van inlichtingen hieruit).1 Artikel 2:16 van de Awb strekt ertoe de elektronische handtekening gelijk te stellen aan de conventionele (handgeschreven) handtekening. Artikel 2:16 van de Awb bepaalt dat een elektronische handtekening met een conventionele handtekening mag worden gelijkgesteld indien de methode voor authentificatie, gelet op de aard en de inhoud van het bericht en het doel waarvoor het wordt gebruikt, voldoende betrouwbaar is. De artikelen 15a, tweede tot en met zesde lid, en 15b van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van het bericht zich daartegen niet verzet. Ingevolge artikel 15a, tweede lid, van Boek 3 van het BW wordt vermoed dat een elektronische handtekening voldoende betrouwbaar is indien gebruik gemaakt is van een geavanceerde elektronische handtekening die gebaseerd is op een gekwalificeerd certificaat als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel dd, van de Telecommunicatiewet en gegenereerd is door een veilig middel voor het aanmaken van handtekeningen als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel gg, van de Telecommunicatiewet. Daarnaast is in artikel 15a, derde lid, van Boek 3 van het BW bepaald dat een elektronische handtekening niet als onvoldoende betrouwbaar kan worden aangemerkt op de enkele grond dat deze niet is gebaseerd op een gekwalificeerd certificaat of op een door een geaccrediteerde certificatiedienstverlener afgegeven certificaat, dan wel niet met een veilig middel voor het aanmaken van handtekeningen is aangemaakt. Artikel 15a, vierde lid, van Boek 3 van het BW bevat de definitie van een elektronische handtekening. Artikel 15a, vijfde lid, van Boek 3 van het BW bevat de definitie van een ondertekenaar. Artikel 15a, zesde lid, van Boek 3 van het BW brengt tot uitdrukking dat het tweede en derde lid regels van regelend recht inhouden, waarvan derhalve afgeweken kan worden.

In artikel 7e, eerste lid, van de Kadasterwet is voor de gevallen waarin de Kadasterwet het gebruik van de elektronische handtekening expliciet voorschrijft, een regeling opgenomen die de hiervoor beschreven regeling van artikel 2:16 van de Awb op een aantal punten nader concretiseert. In het eerste lid van artikel 7e van de Kadasterwet is bepaald dat indien in de Kadasterwet het gebruik van een elektronische handtekening wordt voorgeschreven (hetgeen het geval is in de artikelen 11b, eerste, derde en vierde lid, 13, tweede lid, 14b, eerste en tweede lid, 15b, eerste lid, 17, eerste lid, en 107, onder e, betreffende de inschrijving van stukken in de openbare registers of het verstrekken van inlichtingen hieruit) dit altijd een geavanceerde handtekening dient te zijn, die voldoet aan de vereisten die zijn opgenomen in artikel 15a, tweede lid, onderdelen a tot en met f, van Boek 3 van het BW. Uit artikel 2:16 van de Awb – welke bepaling ingevolge artikel 7c van de Kadasterwet van overeenkomstige toepassing is op het elektronisch berichtenverkeer verbonden aan het houden van de openbare registers en het verstrekken van inlichtingen hieruit – volgt dat de artikelen 15a, vierde en vijfde lid, en artikel 15b van Boek 3 van dat wetboek van overeenkomstige toepassing zijn. Artikel 15a, derde lid, van Boek 3 van het BW is weliswaar ook van toepassing, maar deze bepaling heeft geen betekenis, nu in artikel 7e, eerste lid, van de Kadasterwet de geavanceerde elektronische handtekening verplicht is voorgeschreven. Artikel 15a, zesde lid, van Boek 3 van het BW is niet van toepassing nu in artikel 7e, eerste lid, van de Kadasterwet de verplichting tot het gebruik van de elektronische handtekening niet beperkt of geclausuleerd is en er derhalve niet van kan worden afgeweken. Met deze regeling wordt voorkomen dat er discussie ontstaat over de vraag of een elektronische handtekening, die aan alle in artikel 15a, tweede lid, onderdelen a tot en met f, van Boek 3 van het BW genoemde eisen voldoet, toch onvoldoende betrouwbaar kan zijn. Met name voor het berichtenverkeer verbonden aan het houden van de openbare registers en het verstrekken van inlichtingen hieruit is het van belang dat discussies of zelfs juridische procedures betreffende de vraag of aan de inschrijvingsvereisten is voldaan, gelet op de rechtsonzekerheid die hieruit voorvloeit, worden vermeden. Voor een nadere toelichting op deze materie verwijs ik naar pagina 42 tot en met 49 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de HKW I.

In het tweede lid van artikel 7e van de Kadasterwet is bepaald dat een certificaat waarop een elektronische handtekening, als bedoeld in het eerste lid, is gebaseerd, geen pseudoniem mag bevatten. Ingevolge artikel 2:16, derde zin, van de Awb kunnen bij wettelijk voorschrift aanvullende eisen worden gesteld aan het gebruik van de elektronische handtekening. In het berichtenverkeer dat plaatsvindt in het kader van de Kadasterwet, is het – onder meer in verband met de in artikel 2a van de Kadasterwet genoemde doeleinden van de Dienst in het rechtsverkeer, het economisch verkeer en het bestuurlijk verkeer – noodzakelijk dat de betrouwbaarheid en de vertrouwelijkheid voldoende wordt gewaarborgd. Om die reden zullen er met name voor het berichtenverkeer verbonden aan het houden van de openbare registers zware (aanvullende) eisen worden gesteld aan het gebruik van de elektronische handtekening. Daarnaast is het gelet op de technische ontwikkelingen op het gebied van de elektronische handtekening, waarschijnlijk dat deze eisen dikwijls met de nodige spoed aangepast zullen moeten worden. De combinatie van deze twee factoren brengt mee dat een ministeriële regeling, waarin voorschriften met de nodige spoed kunnen worden vastgelegd, het meest aangewezen instrument is voor het stellen van de aanvullende eisen. Daarnaast is het wenselijk dat bij ministeriële regeling bepaald kan worden dat het stellen van aanvullende eisen betreffende de technische aspecten van de elektronische handtekening (zoals de sleutellengte die dient te worden gehanteerd bij de geavanceerde handtekening1 ) – indien nodig – kan worden overgelaten aan het bestuur van de Dienst. Gelet hierop is in artikel 7e, derde lid, van de Kadasterwet bepaald dat aanvullende eisen uitsluitend kunnen worden gesteld bij of krachtens ministeriële regeling. In artikel 3, zevende lid, van richtlijn nr. 99/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen (Pb EG L 13) is bepaald dat deze aanvullende eisen objectief, transparant evenredig en niet-discriminerend moeten zijn, en dat zij slechts betrekking mogen hebben op de specifieke kenmerken van de desbetreffende toepassing. De aanvullende eisen mogen voorts geen belemmering vormen voor grensoverschrijdende diensten.2

Tot slot wordt opgemerkt dat de in de artikelen 7c, 7d en 7e van de Kadasterwet opgenomen regeling ook van toepassing is op het berichtenverkeer dat plaatsvindt in het kader van de artikelen 107a tot en met 107c en 111 tot en met 114 van de Kadasterwet. Dit volgt reeds uit het feit dat deze bepalingen verband houden met twee specifieke onderwerpen binnen de wettelijke regeling voor het houden van de in artikel 3, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Kadasterwet genoemde openbare registers, registraties en gegevens en het verstrekken van inlichtingen hieruit: het beschermen van persoonsgegevens bij het verstrekken van inlichtingen uit de openbare registers en het herstellen van een vergissing, verzuim of een andere onregelmatigheid begaan door de bewaarder bij de inschrijving van stukken in de openbare registers.

Onderdelen G en Y

Sedert de inwerkingtreding van de wet van 9 oktober 2003 tot wijziging van de Kadasterwet en de Organisatiewet Kadaster (aanpassing van de doeleinden en taken van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers alsmede enkele andere wijzigingen)1 (hierna: de wet TDN) is in de Kadasterwet na artikel 3b een nieuw artikel 3c ingevoegd en zijn de in het wetsvoorstel voor de HKW I voorziene artikelen 3c en 3d van de Kadasterwet vernummerd. Daarbij is over het hoofd gezien dat ook de verwijzingen naar artikel 3c van de Kadasterwet in artikel 9, derde lid, van de Kadasterwet en in artikel 25, tweede lid, van de Organisatiewet Kadaster dienovereenkomstig dienen te worden aangepast. In de onderdelen G en Y worden deze aanpassingen alsnog aangebracht.

Onderdelen H, onder 1 (deels), en BB

In afdeling 2.3 van de Awb – die ingevolge artikel 7c van de Kadasterwet van overeenkomstige toepassing is verklaard op het berichtenverkeer verbonden aan het houden van de openbare registers en het verstrekken van inlichtingen hieruit (zie onderdeel F) – wordt onder meer aangegeven wanneer berichtenverkeer langs elektronische weg is toegestaan, aan welke voorwaarden dit berichtenverkeer moet voldoen en in welke gevallen het berichtenverkeer langs elektronische weg kan worden gelijkgesteld met andere vormen van berichtenverkeer. Afdeling 2.3 van de Awb is ook op de notaris als bestuursorgaan van toepassing, zodat hij afschriften en uittreksels van de tot zijn protocol behorende notariële akten en van niet tot zijn protocol behorende akten en stukken langs elektronische weg zal kunnen verzenden. Dit impliceert reeds dat de notaris ten behoeve van de verzending van de tot zijn protocol behorende notariële akten en van niet tot zijn protocol behorende akten, bevoegd is om van deze stukken afschriften of uittreksels in elektronische vorm te vervaardigen. Met de aanbieding van deze elektronische afschriften of uittreksels wordt dan voldaan aan bepalingen waarin de aanbieding van een authentiek afschrift of uittreksel van een in te schrijven stuk wordt voorgeschreven (men zie bijvoorbeeld artikel 24 van de Kadasterwet). De in de artikelen I, onderdeel H, en V, onderdeel B, van het wetsvoorstel voor de HKW I opgenomen artikelen 10b, derde lid, van de Kadasterwet en 50a, eerste lid, van de Wet op het notarisambt zijn hiermee overbodig geworden. Dit geldt eveneens voor het in artikel I, onderdeel H, van het wetsvoorstel voor de HKW I opgenomen artikel 10b, vierde en vijfde lid, van de Kadasterwet. De in artikel 10b, vierde en vijfde lid, van de Kadasterwet bedoelde wettelijke voorschriften, waarin ten aanzien van bepaalde stukken is vastgelegd in welke vorm zij ter inschrijving kunnen worden aangeboden, staan er niet aan in de weg dat deze stukken ook in elektronische vorm kunnen worden opgemaakt en aangeboden. Indien is voorgeschreven dat bij het opstellen van deze stukken gebruik gemaakt moet worden van een door het bestuur van de Dienst vastgesteld model of formulier, dan zal de aanbieder zowel een papieren als een elektronische variant van dat voorgeschreven model of formulier kunnen gebruiken.

Er bestaat echter wel nog steeds behoefte aan de mogelijkheid tot het stellen van nadere regels ten aanzien van de wijze waarop de elektronische afschriften en uittreksels dienen te worden vervaardigd. Daarom is in de nota van wijziging bij het wetsvoorstel voor de Reparatiewet Wet op het notarisambt aan artikel 53 van de Wet op het notarisambt een tweede lid toegevoegd, waarin is bepaald dat deze regels gesteld kunnen worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.1 Het in artikel V van het wetsvoorstel voor de HKW I opgenomen artikel 50a, tweede lid, van de Wet op het notarisambt is daarmee overbodig geworden en komt te vervallen.

Voorts wordt opgemerkt dat afdeling 2.3 van de Awb ook van toepassing is op de gerechtsdeurwaarder als bestuursorgaan, zodat ook hij elektronische afschriften en uittreksels kan vervaardigen van de tot zijn register behorende stukken teneinde deze stukken te kunnen verzenden langs elektronische weg. Net als bij de regeling die geldt voor de notaris is er behoefte aan de mogelijkheid tot het stellen van nadere regels omtrent de wijze waarop de gerechtsdeurwaarder deze elektronische afschriften en uittreksels dient te vervaardigen. Daarom is ten aanzien van de gerechtsdeurwaarders in onderdeel H, onder 1, in het derde lid van artikel 10b van de Kadasterwet een bepaling opgenomen van dezelfde strekking als artikel 53, tweede lid, van de Wet op het notarisambt, met dien verstande dat de reikwijdte van deze bepaling beperkt is tot de openbare registers.2

Onderdelen H, onder 2 en 4 (deels), I, onder 1 (deels), O, onder 2 en 3 en P, onder 3 en 4

De Dienst heeft, met het oog op het bereiken van een optimale toegankelijkheid van de openbare registers, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de HKW I, ten aanzien van stukken die in papieren vorm ter inschrijving in de openbare registers worden aangeboden, reeds een werkwijze ontwikkeld en ingevoerd, die er – kort gezegd – op neerkomt dat na de inschrijving van de inhoud van het aangeboden stuk in de openbare registers van dit stuk een duplicaat in digitale vorm en een duplicaat op microfilm wordt vervaardigd. Vanaf dat moment bestaat er geen noodzaak meer om het desbetreffende analoge gedeelte van de openbare registers in papieren vorm aan te houden. Het bestuur van de Dienst kan – ingevolge het in artikel I, onderdeel F, van het wetsvoorstel voor de HKW I opgenomen artikel 9, vierde lid, van de Kadasterwet – vervolgens bepalen dat het duplicaat de inhoud van het in de openbare registers ingeschreven stuk vervangt en dat de papieren versie, die hierna niet meer de status van openbaar register heeft, centraal wordt opgeslagen. De informatieverstrekking met betrekking tot het ingeschreven stuk kan nadien – ingevolge het in artikel I, onderdeel F, van het wetsvoorstel voor de HKW I opgenomen artikel 9, vijfde lid, van de Kadasterwet – langs elektronische weg plaatsvinden via de in elektronische vorm vervaardigde duplicaten. De beschreven werkwijze brengt mee dat het verplicht gebruik maken van een door de Dienst te verstrekken formulier niet meer noodzakelijk is.

Dit heeft dan ook aanleiding gegeven om de in artikel 11, eerste lid, van de Kadasterwet (artikel I, onderdeel H, van het wetsvoorstel voor de HKW I) opgenomen verplichting tot het gebruik van een door de Dienst te verstrekken formulier te laten vervallen. Het blijft evenwel noodzakelijk om in de wet te bepalen, dat het aan te bieden afschrift dient te zijn vervaardigd en te worden aangeboden met inachtneming van door het bestuur van de Dienst te stellen regels, die onder meer betrekking kunnen hebben op de opmaak en het formaat van het ter inschrijving aan te bieden stuk en de wijze waarop in dit stuk kenbaar gemaakt dient te worden, dat het voor inschrijving is bestemd. Hiertoe is in deze nota van wijziging een nieuw zesde lid aan artikel 11 van de Kadasterwet toegevoegd. De afschaffing van de vorenbedoelde verplichting tot het gebruik van een door de Dienst te verstrekken formulier laat onverlet dat het bestuur bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot het stellen van regels een nieuw formulier kan voorschrijven, hetgeen is vastgelegd in het in deze nota van wijziging in onderdeel H, onder 2, opgenomen nieuwe zevende lid van artikel 11 van de Kadasterwet. Omdat het bestuur van de Dienst tot de conclusie zou kunnen komen dat voor de aanbieding van afschriften en uittreksels in elektronische vorm – als bedoeld in artikel 11b, eerste lid, van de Kadasterwet – eveneens gewenst is een formulier voor te schrijven is in deze nota van wijziging thans ook in die mogelijkheid voorzien (onderdeel H, onder 4). Tenslotte zijn de in artikel I, onderdelen I, O en P, van het wetsvoorstel voor de HKW I opgenomen artikelen 15a, derde lid, 46, tweede en derde lid, en 46a, tweede en derde lid, aangepast in verband met de voornoemde wijzigingen van de artikelen 11 en 11b van de Kadasterwet.

Onderdelen H, onder 3 (deels) en 4 (deels), en J, onder 2

In de in artikel I, onderdelen H en J, van het wetsvoorstel voor de HKW I opgenomen artikelen 11a, eerste lid, tweede zin, en vierde lid, en 17 van de Kadasterwet is nog niet geregeld op welke wijze de in die bepalingen bedoelde verzoeken kunnen worden gedaan, en op welke wijze en op welk tijdstip bewijzen van ontvangst dienen te worden verzonden. De onderdelen H, onder 3 en 4, en J, onder 2, voorzien in de opvulling van dit hiaat.

Voor alle duidelijkheid wordt nog opgemerkt dat op de in het voorgestelde tiende lid van artikel 11b van de Kadasterwet bedoelde tekeningen en «andere stukken» de bij of krachtens de Kadasterwet gestelde vereisten voor inschrijving gewoon van toepassing zijn; wat betreft tekeningen kan in dezen worden gewezen op artikel 11b, vijfde lid, van de Kadasterwet.

Onderdelen K, Q, R, onder 3, S, T, onder 2, en Z, onder 4 – betreffende de opname van een nieuw onderdeel Ob in artikel I van de HKW I

Op 1 oktober 2001 is artikel I, onderdeel C, van de Wet Luchtverkeer in werking getreden en is daarbij de citeertitel van de Luchtvaartwet gewijzigd in Wet luchtvaart.1 Deze wijziging bracht mee dat artikel 6 van de Luchtvaartwet is vervallen en dat daarvoor in de plaats is gekomen artikel 3.2, eerste lid, van de Wet luchtvaart. Het wetsvoorstel voor de HKW I is naar aanleiding daarvan aangepast. Voorts is in onderdeel Z, onder 4, van de gelegenheid gebruik gemaakt om in artikel 8:1303 van het BW de verwijzing naar de Luchtvaartwet te vervangen door een verwijzing naar de Wet luchtvaart. Tenslotte zijn de termen «fabrieksnummer» en«maximaal toegelaten massa» aangepast aan de terminologie van de Wet luchtvaart, de Regeling inschrijving Nederlandse burgerluchtvaartuigen en het aanvraagformulier waarmee de houder van een luchtvaartuig deze ingevolge artikel 2, eerste lid, van regeling het luchtvaartuig kan inschrijven.2 De term «standplaats» is aangepast aan de terminologie van de Wet op het notarisambt.3

Onderdelen L, M, P, onder 1, en BB

Naast hetgeen in de nota naar aanleiding van het verslag is opgemerkt over de bijhoudingsverklaring, behoeven deze onderdelen nog de volgende toelichting. Op 1 januari 2003 is de Invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, vierde gedeelte, in werking getreden, waarbij onder meer wijzigingen zijn aangebracht in de Wet op het notarisambt en de Kadasterwet. In het kader van het wetsvoorstel voor de HKW I is van belang op te merken dat de notariële verklaringen als voorzien in de Kadasterwet sindsdien ingevolge artikel 37a van de Kadasterwet worden opgemaakt bij notariële akte. Dat bracht mee dat de afzonderlijke regeling van de notariële verklaring in artikel 10b van de Kadasterwet kon worden geschrapt en dat artikel 37a van de Kadasterwet is aangevuld.

Voorts zijn in onderdeel L van deze nota van wijziging de onderdelen La tot en met Lg aan het wetsvoorstel voor de HKW I toegevoegd. In de laatstgenoemde onderdelen is de thans nog in de Kadasterwet voorkomende regeling betreffende het ter inschrijving in de openbare registers aanbieden van originele notariële akten of originele exemplaren van andere soorten van stukken die tot het protocol van de notaris behoren, geschrapt. De hoofdregel is dat akten in minuut worden opgemaakt. De minuutakte moet – behoudens voor zover in de wet of bij wettelijk beslissing anders is bepaald – onder berusting van de notaris blijven en in zijn protocol worden opgenomen. Aan een wettelijke uitzondering op deze regel voor de inschrijving van akten en andere stukken in de openbare registers bestaat in de praktijk geen behoefte.

Tenslotte is van de gelegenheid gebruik gemaakt om bij de aanpassing van artikel 24 enkele oneffenheden in de redactie van het derde en vijfde lid weg te nemen en is een lacune opgevuld door aan artikel 24 een zesde lid toe te voegen, waarin wordt geregeld wat moet worden aangeboden ter inschrijving van een notariële akte van vernieuwing, waarop afdeling 2 van titel 2 van hoofdstuk 2 van de Kadasterwet niet van toepassing is.

Onderdelen T, onder 1 (deels), 3, 4 en 5 (deels), U, V – betreffende de opname van een nieuw onderdeel DD, onder 2, in artikel I van de HKW I – en X – betreffende de opname van een nieuw onderdeel EE, onder 1 en 2 in artikel I van de HKW I

Sedert de inwerkingtreding van de Organisatiewet Kadaster op 1 mei 1994 is het vervaardigen, houden en bijwerken van de grootschalige basiskaart van Nederland (GBKN) en – bij toepassing van artikel 49, eerste lid, tweede zin, van de Kadasterwet, de in die bepaling bedoelde – andere kaarten dan de kadastrale kaarten en de GBKN, als wettelijke taak van de Dienst komen te vervallen. Vanaf voornoemd tijdstip bleef derhalve in de Kadasterwet alleen het vervaardigen van de kadastrale kaart geregeld. In de onderdelen T, onder 1, 3, 4 en 5, U, V en X wordt de term «kaarten» daarom steeds vervangen door «kadastrale kaarten».

Onderdelen T, onder 5 (deels) en BB

Bij de totstandbrenging van de Kadasterwet is in de artikelen 99, eerste en tweede lid, en 100, eerste lid, de term «getuigschrift» gehandhaafd voor schriftelijke verklaringen die de bewaarder van het kadaster en de openbare registers verstrekt omtrent het al dan niet bestaan van inschrijvingen dan wel voorlopige aantekeningen in de openbare registers betreffende een registergoed of persoon. Thans zijn er twee categorieën getuigschriften te onderscheiden. De eerste categorie betreft getuigschriften omtrent inschrijvingen, met uitzondering van stukken betreffende hypotheken en beslagen. De tweede categorie betreft getuigschriften, omtrent uitsluitend inschrijvingen ter zake van hypotheken en beslagen. Een voorbeeld van de laatste categorie zijn de zogenoemde hypothecaire getuigschriften, waarin de bewaarder opgave doet van alle nog niet doorgehaalde inschrijvingen van hypotheken en beslagen en, op grond van artikel 100, eerste lid, van de Kadasterwet, ook van eventuele doorhalingen van zodanige inschrijvingen. In het wetsvoorstel voor de HKW I is voorgesteld om voornoemd artikel 100, eerste lid, van de Kadasterwet te doen vervallen om redenen vermeld in de toelichting op het nieuwe artikel 99 van de Kadasterwet1. Dit brengt mee dat na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel voor de HKW I in een hypothecair getuigschrift geen melding meer zal worden gemaakt van doorgehaalde inschrijvingen, en de inhoud van zo'n getuigschrift daarmee gelijk zal worden aan die van het zogenoemde hypothecair uittreksel. Daarin wordt door de bewaarder immers ook slechts melding gemaakt van alle nog niet doorgehaalde inschrijvingen ter zake van hypotheken en beslagen zonder opgave van vorenbedoelde doorhalingen. Nu voorts uit de praktijk blijkt dat er de laatste jaren ook nauwelijks meer vraag is naar dergelijke getuigschriften, kan het hypothecair getuigschrift worden afgeschaft.

In verband met de afschaffing van het hypothecaire getuigschrift dienen ook de artikelen 515, tweede lid, en 552, tweede lid, Rv te worden aangepast. In deze artikelen wordt «getuigschriften» vervangen door «een kadastraal uittreksel inzake hypotheken en beslagen», omdat in de kadastrale registratie sedert 1 januari 1995 ook de gegevens omtrent hypotheken en beslagen worden vermeld. Daarnaast wordt het in artikel I, onderdeel CC, van het wetsvoorstel voor de HKW I, opgenomen artikel 107, onder a, van de Kadasterwet, alsnog gewijzigd, in die zin dat aan het bestuur van de Dienst de bevoegdheid wordt toegekend om regels te stellen omtrent de gevallen waarin door de Dienst getuigschriften worden opgemaakt. Hiermee wordt aangesloten bij de bestaande praktijk en wordt de bevoegdheid, die reeds voortvloeit uit het huidige artikel 99, tweede lid, expliciet in de wet opgenomen.

Tenslotte is een redactionele misstelling in het in artikel I, onderdeel CC, van het wetsvoorstel voor de HKW I opgenomen artikel 107, onder e, van de Kadasterwet gecorrigeerd. De in die bepaling bedoelde getuigschriften en verklaringen worden weliswaar gewaarmerkt, maar die waarmerking kan, anders dan bij afschriften en uittreksels, niet mede betreffen een waarmerking voor eensluidendheid.

Onderdeel U – betreffende de opname van twee nieuwe onderdelen CCa en CCb in artikel I van de HKW I

In artikel I van het wetsvoorstel voor de HKW I wordt een onderdeel CCa toegevoegd. Het onderdeel behelst een redactionele verduidelijking van artikel 107b van de Kadasterwet, die wenselijk is geoordeeld om in de tekst van dat artikel geen ruimte te laten voor de gedachte dat het bij de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen regels voor de behandeling van verzoeken tot afscherming van «gegevens» ook kan gaan om andere soorten van gegevens dan persoonsgegevens.

Onderdeel CCb behelst een wijziging van het opschrift van hoofdstuk 8 van de Kadasterwet.

Onderdeel X, onder 2 tot en met 4

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 117, vierde lid, van de Kadasterwet blijkt, dat de in dit lid bedoelde aansprakelijkheid van de Dienst slechts bestaat ten aanzien van de schriftelijke verstrekking van inlichtingen en dat derhalve het mondeling verstrekken van inlichtingen, bijvoorbeeld per telefoon, niet onder de werking van het vierde lid valt.1 Na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel voor de HKW I zal in de gehele Kadasterwet echter een nieuw onderscheid gehanteerd worden tussen enerzijds documenten in papieren vorm en anderzijds documenten in elektronische vorm. Om het eerder genoemde onderscheid in het kader van artikel 117 van de Kadasterwet (opgenomen in artikel I, onderdeel EE, van het wetsvoorstel voor de HKW I) tussen schriftelijke en mondelinge verstrekking van inlichtingen te verduidelijken wordt de term «schriftelijk» in artikel 117, vierde en vijfde lid, onder b, van de Kadasterwet (nieuw) vervangen door: in papieren en elektronische vorm. De overige in het onderhavige onderdeel opgenomen wijzigingen houden verband met de afstemming van het wetsvoorstel voor de HKW I op de wet TDN.

Onderdelen Z, AA en CC

In de onderhavige onderdelen worden, in de eerste plaats, de in verschillende wetten voorkomende verwijzingen naar de artikelen 106, eerste lid, en 107, eerste lid, van de Kadasterwet vervangen. De materie die thans nog in deze bepalingen is geregeld zal na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel voor de HKW I geregeld zijn in de in artikel I, onderdeel CC, van het wetsvoorstel voor de HKW I opgenomen artikelen 101, eerste lid, en 102, eerste lid, van de Kadasterwet, zodat dan ook naar die bepalingen zal moeten worden verwezen.

In de tweede plaats worden in de onderhavige onderdelen enkele wetsbepalingen aangepast in verband met het vervallen van de artikelen 193, 783 en 1302 van Boek 8 van het BW (zie artikel IV, onderdelen Ea, Ja en Oa, als opgenomen in onderdeel Z, onder 2, 3 en 4).

Bij de wijzigingen van de artikelen 624, eerste lid, 635 en 642a, eerste en tweede lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) wordt voorts nog het volgende opgemerkt. In artikel 624, eerste lid, kan terzake van de regeling betreffende de relatieve competentie van de rechter, niet langer verwezen worden naar «de rechtbank van de plaats waar de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek worden gehouden». Digitalisering van de openbare registers brengt met zich mee dat de elektronische bestanden van (gedeelten van) de openbare registers voor schepen alsmede van de registratie voor schepen kunnen worden gehouden op een kantoor van de Dienst dat niet openstaat voor het publiek, en ook zelfs aan een ander kantoor dan dat van de Dienst. Onder deze omstandigheden is het voor het publiek niet eenvoudig vast te stellen bij welke rechtbank het een vordering kan instellen. Daarnaast zal het voor de rechter ook niet eenvoudig zijn vast te stellen of hij bevoegd is kennis te nemen van een aan hem voorgelegde zaak. Bij de toepassing van de artikelen 635 en 642a, eerste en tweede lid, Rv doet zich een soortgelijke situatie voor. Deze omstandigheden nopen het wettelijk stelsel op dit punt te wijzigen, in dier voege dat aan de hand van de desbetreffende wettelijke voorschriften zelf kan worden vastgesteld waar een schip te boek staat. Daartoe worden de onderhavige artikelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gewijzigd in die zin dat als competente rechter wordt aangewezen «de rechtbank binnen welker rechtsgebied het kantoor waar het schip te boek staat in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, is gelegen». Verder bestaat in dezen het voornemen om in de Maatregel teboekgestelde schepen 1992 een artikel op te nemen waarin wordt bepaald, dat «als kantoor waar een schip te boek staat» geldt het kantoor dat door het bestuur van de Dienst op grond van artikel 4a, tweede lid, derde zin, van de Kadasterwet is aangewezen als kantoor waar de teboekstelling van schepen kan plaatsvinden. Gelet op het al in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de HKW I met betrekking tot artikel 4a van de Kadasterwet (nieuw) aangekondigde voornemen van het bestuur van de Dienst om als zodanig uitsluitend het kantoor te Rotterdam aan te wijzen, zal na de inwerkingtreding van al de voornoemde wijzigingen duidelijkheid ontstaan omtrent het kantoor waar een schip te boek staat.

Artikel 728b Rv is eveneens aangepast aan artikel VII van het wetsvoorstel voor de HKW I. De verplichting van de beslaglegger om de inschrijving van het beslag in de openbare registers onverwijld te doen doorhalen, zodra de eis in hoofdzaak niet binnen de in artikel 700, derde lid, Rv bedoelde termijn is ingesteld, is vervangen door een verplichting van de beslaglegger om de waardeloosheid van de inschrijving van het beslag onverwijld te doen inschrijven.

Bij de aanpassing van artikel 1, onderdeel d, van de Wet nationaliteit zeeschepen in rompbevrachting (artikel IVD) is tevens van de gelegenheid gebruik gemaakt om dat onderdeel nader af te stemmen op de redactie van de artikelen 8:194, tweede lid, van het BW en 576 Rv. De in artikel 1, onderdeel d, van de Wet nationaliteit zeeschepen in rompbevrachting gebezigde term «vergelijkbaar buitenlands register» laat in het midden op welke punt het register vergelijkbaar is, en is daarom vervangen door «register soortgelijk aan».

De aanpassing van artikel 5, eerste lid, van de Wet vervoer binnenvaart (artikel VA) houdt tevens een verbetering van de redactie van dat artikellid in. In Nederland kan teboekstelling van schepen niet plaatsvinden «krachtens de artikelen 8:193, dan wel 8:783 BW», aangezien die artikelen uitsluitend bepalingen bevatten omtrent het houden van een afzonderlijk register voor de inschrijving van verzoeken tot teboekstelling voor zeeschepen onderscheidenlijk binnenschepen. Bij de aanpassing van de Zeebrievenwet (artikel VC) is tevens de redactie van de artikelen 4 en 5, onderdeel a, in lijn gebracht met de redactie die in deze nota van wijziging gevolgd is bij de aanpassing van een aantal bepalingen aan het vervallen van het register, bedoeld in de artikelen 8:193, 8:783 en 8:1302 van het BW.

In het vierde lid van artikel V van de wet van 22 juni 1994, Stb. 507, tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het Wetboek van Koophandel en de Wet nationaliteit zeeschepen in rompbevrachting (wijziging voorwaarden nationaliteitsverlening en registratie zeeschepen) is de verwijzing naar «de bewaarder van het register, bedoeld in artikel 193 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door «de in artikel 6 van de Kadasterwet bedoelde bewaarder van het kadaster en de openbare registers van het kantoor waar het schip te boek staat» (artikel VD). De aanpassing was noodzakelijk na het vervallen van artikel 193 van boek 8 van het BW, zoals is beschreven in de toelichting op de onderdelen G en Y.

Tot slot zijn de artikelen VE en VF in het wetsvoorstel voor de HKW I opgenomen, omdat in artikel 8.1 van het voorstel voor een Wet publiekrechtelijke registratie zeeschepen is voorzien in de intrekking van de Wet nationaliteit zeeschepen in rompbevrachting en de Zeebrievenwet en het onzeker is of de eerstgenoemde wet eerder dan, gelijktijdig met dan wel later dan het wetsvoorstel voor de HKW I in werking treedt.

Onderdeel DD

De wijziging betreft het herstel van een misstelling.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

S. M. Dekker


XNoot
1

Kamerstukken II 2001/02, 28 483, nrs. 1 tot en met 3.

XNoot
2

Bij de inwerkingtreding van de Wet van 9 oktober 2003 tot wijziging van de Kadasterwet en de Organisatiewet Kadaster (Stb. 2003, nr. 410) zijn – ingevolge artikel X, onderdeel A, onder b, van deze wet – de in artikel I, onderdeel Aa (nieuw), van het wetsvoorstel voor de HKW I opgenomen artikelen 3c en 3d vernummerd tot de artikelen 3d en 3e.

XNoot
3

Kamerstukken II 2001/02, 28 483, nr. 3, blz. 6.

XNoot
1

Kamerstukken II 1993/94, 23 358, nr. 5, blz. 105.

XNoot
2

De kadastrale registratie; de kadastrale kaarten en de daaraan ten grondslag liggende bescheiden; het net van coördinatiepunten; de registratie voor schepen; de registratie voor luchtvaartuigen en de geografische gegevens.

XNoot
1

Kamerstukken II 2001/02, 28 483, nr. 3, p. 41–42.

XNoot
1

Kamerstukken II 2001/02, 28 443, nr. 3, p. 15–16.

XNoot
2

Kamerstukken II 2001/02, 28 483, nr. 3, p. 17–18 en 41–42.

XNoot
1

Stb. 2003, nr. 410.

XNoot
1

Kamerstukken II 2003/04, 29 212, nr. 8.

XNoot
2

Kamerstukken II 2003/04, 29 212, nr. 8.

XNoot
1

Stb 235, p. 21 (artikel IV, eerste lid, van de Wet van 29 april 1999, houdende wijziging van de Wet Luchtverkeer (luchtvaartuigen en luchtuitvoering)), en Stb. 466.

XNoot
2

Stb. 2001, nr. 198.

XNoot
3

Stb. 1999, nr. 190.

XNoot
1

Kamerstukken II 2001/02, 28 443, nr. 3, pag. 114.

XNoot
1

Kamerstukken II 1981/82, 17 496, nr. 5, blz. 139.