Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 21 april 2026
Hierbij bied ik uw Kamer de aangepaste Aanwijzingen inzake externe contacten van rijksambtenaren
(hierna: de Aanwijzingen) aan.
Met deze aanpassing van de Aanwijzingen wordt uitvoering gegeven aan de toezegging
die in de kabinetsreactie op het rapport «Grip op informatie» van 10 januari 2025
is gedaan door mijn ambtsvoorganger dat bij een volgende herziening in de Aanwijzingen
zal worden verduidelijkt dat rijksambtenaren ook op eigen initiatief, via de parlementair
contactpersoon, contact kunnen opnemen met Kamerleden.1 Deze verduidelijking is nu opgenomen in de toelichting bij de nieuwe aanwijzing 4,
tweede lid. Daarnaast is in het debat van 23 januari 2025 over werk- en informatieafspraken
met de vaste Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken door een aantal Kamerleden naar
voren gebracht dat er nog ruimte voor verbetering is in de mogelijkheden voor direct
contact tussen rijksambtenaren en Kamerleden (Kamerstuk 28 362, nr. 73). De regering is het daarmee eens en ziet daarbij vooral ruimte binnen de bestaande
kaders, zoals ook in de brief van 19 februari 2025 is benadrukt.2 Verder is van deze gelegenheid gebruikgemaakt om een aantal teksten van de paragrafen 1
en 2 van de Aanwijzingen te herformuleren. Hierin is een aantal elementen uit de staande
praktijk opgenomen en is geprobeerd om meer duidelijkheid te verschaffen in de betekenis
van bestaande aanwijzingen en de teksten toegankelijker te formuleren. De nadruk ligt
daarbij op wat wél kan.
Bij deze actualisatie is verduidelijkt dat de bewindspersoon vanuit de ministeriële
verantwoordelijkheid afspraken kan maken om in de meeste gevallen verzoeken om informatie
of contact zelfstandig af te laten doen door de parlementair contactpersoon, in plaats
van dat de bewindspersoon in elk concreet geval expliciet toestemming dient te verlenen.
Verder is verduidelijkt dat een parlementair contactpersoon weliswaar het contact
tussen rijksambtenaren en Kamerleden faciliteert, maar dat het niet noodzakelijk is
dat hij vervolgens ook bij het uiteindelijke contactmoment aanwezig is. Daarnaast
zijn de definities van «feitelijke informatie» en «persoonlijke beleidsopvattingen»
nader beschreven en is op sommige plaatsen de volgorde van aanwijzingen aangepast
en zijn twee aanwijzingen samengevoegd. Bovendien is verduidelijkt dat een verzoek
om informatie of contact zowel op initiatief van een Kamerlid als op initiatief van
een medewerker of bestuurder van een zelfstandig bestuursorgaan gedaan kan worden,
zonder tussenkomst van de betrokken bewindspersoon. Het is daarbij wel wenselijk dat
de betrokken bewindspersoon ten tijde van het verzoek over het verzoek wordt geïnformeerd.
Bovendien is opgenomen dat met inwerkingtreding van de Wet regels integriteit en vervolgfuncties
bewindspersonen een verbod geldt voor oud-bewindspersonen om binnen 2 jaar na ontslag
zakelijk contact te hebben met de ambtenaren van het vorige ministerie of met ambtenaren
op een ander ministerie voor zover sprake is van aanpalende beleidsterreinen.3 Daar dienen ambtenaren zich in het contact met derden rekenschap van te geven.
Mijn ambtsvoorganger heeft in de brief van 19 februari 2025 toegezegd deze aanpassing
in het najaar van 2025 door te kunnen voeren. Omdat van de gelegenheid gebruik is
gemaakt om meerdere aanwijzingen te actualiseren, is dat begin 2026 geworden.
Het kabinet streeft met deze herziening naar een steeds meer ontspannen contact tussen
rijksambtenaren en Kamerleden – binnen ministeriële verantwoordelijkheid – als een
normaal onderdeel van een professioneel samenspel.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
P.E. Heerma