Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2001-2002 | 28356 nr. 1 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2001-2002 | 28356 nr. 1 |
Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoetermeer, 23 april 2002
Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 23 april 2002.
De wens over de voorgenomen rechtshandeling nadere inlichtingen te ontvangen kan door of namens een van beide Kamers of door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk 18 juni 2002.
Het oordeel dat de voorgenomen rechtshandeling een voorafgaande machtiging bij de wet behoeft kan door een van beide Kamers worden uitgesproken uiterlijk op 2 juni 2002 dan wel binnen veertien dagen na het verstrekken van de in de vorige volzin bedoelde inlichtingen.
Bij deze termijnen is rekening gehouden met de recesperiode van de Tweede Kamer.
Conform artikel 29, eerste lid, van de Comptabiliteitswet deel ik u mede voornemens te zijn de Stichting Nationaal GBIF Kennisknooppunt (NL-BIF) te doen oprichten door de Universiteit van Amsterdam (UvA). Met het voornemen geef ik uitvoering aan het Memorandum of Understanding for the Global Biodiversity Information Facility (MoU GBIF) zoals dat door mij op 16 februari 2001 is ondertekend.
Dit voornemen is in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad.
Conform artikel 63, tweede lid, van de Comptabiliteitswet heeft overleg met de Algemene Rekenkamer plaatsgevonden.
Bij deze brief treft u aan:1
1. het Convenant Global Biodiversity Information Facility (Stcrt. 2002, 47);
2. het Memorandum of Understanding for the Global Biodiversity Information Facility;
3. het concept-businessplan «GBIF in Nederland», en
4. de concept-statuten van de stichting NL-BIF.
Ter toelichting op het voornemen tot het doen oprichten van de stichting NL-BIF ga ik nader in op:
1. de aanleiding en de achtergrond;
2. het doel en de opzet;
3. het tijdelijk karakter;
4. de keuze voor de stichtingsvorm en het doen oprichten;
5. de financiële aspecten; en
6. de vormgeving van informatie en sturingsrelaties.
1. Aanleiding en achtergrond van de oprichting van de Stichting Nationaal GBIF Kennisknooppunt (NL-BIF)
In het Global Science Forum van de OESO ligt de oorsprong van het plan om te komen tot het opzetten van een wereldwijd toegankelijke databasefaciliteit voor biodiversiteitinformatie Het plan is ontstaan op initiatief van de wetenschappelijke wereld. Informatie-uitwisseling wordt op deze manier vergemakkelijkt, omdat men voor onderzoek niet meer altijd materiaal hoeft op te vragen of op te zoeken. Het toegankelijk maken van collecties is ook van belang voor onderzoekers in ontwikkelingslanden.
Het gaat hier in eerste instantie vooral om informatie op exemplaar- en soortsniveau. Wereldwijd zijn al een aantal jaren wetenschappelijke instituten bezig hun collectiegegevens (exemplaarniveau) te digitaliseren. Voorbeelden hiervan in Nederland zijn te vinden op de websites van onder andere het Nationaal Herbarium Nederland (www.nationaalherbarium.nl) en het Centraalbureau voor Schimmelcultures (www.cbs.knaw.nl). Een voorbeeld van een database op soortniveau is de World Biodiversity Database (www.et.uva.nl/database/).
Databases met biodiversiteitinformatie kunnen naast het voordeel van wereldwijde ontsluiting en toegankelijkheid ook andere wetenschappelijke en beleidsmatige doeleinden dienen, omdat zij gegevens kunnen leveren voor onderzoek op het gebied van o.a. klimaat- en milieu-invloeden. Ook zullen er koppelingen plaats gaan vinden met databases op andere terreinen, zoals genoomdatabases en geografische databases.
Voortbouwend op de gedachtevorming omtrent een wereldwijd toegankelijke databasefaciliteit voor biodiversiteitinformatie zijn door zo'n 29 landen en 25 organisaties afspraken gemaakt over het oprichten van een Global Biodiversity Information Facility (GBIF). Deze afspraken zijn neergelegd in het Memorandum of Understanding for the Global Biodiversity Information Facility. Dit MoU is door mij op 16 februari 2001 ondertekend.
Het MoU voorziet in de oprichting door de participerende lidstaten van nationale «nodes» (kennisknooppunten) waar de coördinatie van het bijeenbrengen van de verschillende databases op het gebied van biodiversiteit zal plaatsvinden.
Ik heb er voor gekozen het Nederlandse nationale kennisknooppunt door de UvA op te laten richten mede vanwege de daar op dit terrein reeds bestaande expertise bij ETI (Expertcentre for Taxonomic Information). NL-BIF kan gebruik maken van de faciliteiten van ETI waardoor kosteneffectiviteit wordt bereikt.
De stichting NL-BIF heeft als doel een coördinerende rol te spelen bij het bijeenbrengen van de verschillende biodiversiteitdatabases voor nationaal en internationaal gebruik en behulpzaam te zijn bij het toegankelijk maken van de verschillende soorten biodiversiteitinformatie met behulp van ICT technieken. In het concept-businessplan «GBIF in Nederland» zijn de doelstellingen en opzet omtrent de organisatie weergegeven.
De stichting wordt opgericht en gehuisvest door de UvA, die naast OCenW de belangrijkste financier is. In een zakelijk convenant (Stcrt. 2002, 47) heeft OCenW, samen met UvA en NWO zijn financiële afspraken omtrent het lidmaatschap van GBIF en het opzetten en onderhouden van het Nationale GBIF Kennisknoopunt weergegeven. Er zal een nauwe samenwerking zijn met het Expertisecentrum voor Taxonomische Identificatie (ETI) dat al een jarenlange ervaring heeft op het gebied van het ontwikkelingen van ICT-tools ten behoeve van databeheer op het gebied van biodiversiteit.
NL-BIF zal enerzijds faciliterend zijn bij het toegankelijk maken van de verschillende soorten databases, anderzijds zal het een rol vervullen naar de internationale organisatie GBIF waar de wereldwijde coördinatie plaats vindt.
NL-BIF wordt een kleinschalige organisatie. De coördinator van NL-BIF zal ervoor zorgen dat de genoemde taken worden uitgevoerd en voor verschillende specifieke opdrachten expertise inhuren. Instituten en organisaties kunnen hun digitale gegevens aanleveren, maar blijven zelf verantwoordelijk voor de gegevens en de kwaliteitsbewaking.
Het MoU GBIF voorziet in de opzet van een internationale organisatie GBIF voor een initiële periode van 5 jaar en wel tot 1 maart 2006. In aansluiting op het MoU GBIF hebben de financiers van NL-BIF, OCenW, UvA en NWO, in een convenant afgesproken dat zij gedurende de looptijd van het MoU GBIF zorg dragen voor de continuïteit van de stichting.
NL-BIF heeft derhalve in beginsel een tijdelijk karakter.
De financiers zullen aan een externe evaluatiecommissie de opdracht geven om vóór 1 maart 2005 te beoordelen of NL-BIF zich voldoende waarmaakt als nationaal kennisknooppunt. Op basis van deze evaluatie en de ontwikkelingen rondom GBIF, zoals de eventuele verlenging van het MoU GBIF na 1 maart 2006, besluiten de financiers over verdere financiële ondersteuning na 1 maart 2006.
4. De keuze voor de stichtingsvorm en het doen oprichten
Door de ondertekening van het MoU GBIF heb ik ingestemd met de oprichting in Nederland van een Nationaal GBIF Kennisknooppunt dat als primaire taak heeft biodiversiteitgegevens te verzamelen en toegankelijk te maken. Gezien deze doelstelling staat voor op dat NL-BIF zich dient te ontwikkelen als een duidelijk herkenbare en eigenstandige organisatie die opereert te midden van de verschaffers van informatie over de biodiversiteit en de gebruikers van die informatie. Voor het goede functioneren van NL-BIF is essentieel dat NL-BIF voor de informatieverschaffers en -gebruikers een duidelijke toegevoegde waarde heeft. NL-BIF dient te worden erkend en gebruikt als de centrale toegangsbron voor informatie op het gebied van biodiversiteit. Door te kiezen voor het doen oprichten van de stichting NL-BIF door de UvA, in nauw overleg met de toekomstige gebruikers en informatieverschaffers, acht ik beter gewaarborgd dat NL-BIF de positie krijgt die overeenstemt met de bedoelingen van het MoU GBIF dan wanneer de centrale overheid deze taak op zich zou nemen. NL-BIF wordt door de gekozen wijze van oprichting primair een kennisknooppunt van en voor informatieverschaffers en gebruikers. Verder speelt een doorslaggevende rol dat NL-BIF in technische zin aan een aantal voorwaarden dient te voldoen zodat een goede interface tussen informatieverschaffers en NL-BIF aan de ene kant en gebruikers en NL-BIF aan de andere kant kan worden gewaarborgd. Ik acht het niet opportuun om te treden in de wijze waarop de technische vormgeving in concreto gestalte krijgt. Wel zal ik erop toezien dat NL-BIF voldoet aan haar doelstelling.
De keuze voor de stichtingsvorm past het beste bij het uitgangspunt dat NL-BIF op geen enkele wijze in concurrentie zal treden met marktpartijen en geen winstoogmerk heeft.
Voor de oprichting de oprichting van NL-BIF heb ik in totaal maximaal € 748 737,36 aan de UvA beschikbaar gesteld. Dit bedrag is als projectsubsidie verleend op grond van de Kaderregeling subsidiëring projecten ten behoeve van onderzoek en wetenschap (Stcrt. 2001, 167).
De UvA draagt in totaal maximaal € 1 134 450,50 bij aan de oprichting.
Uiterlijk 1 september 2002 legt NWO verantwoording over de oprichting af aan de Minister van OCenW en NWO.
De uit de oprichtingsfase overblijvende middelen worden herbestemd ter dekking van de exploitatiekosten van NL-BIF.
Het totale budget voor oprichting en exploitatie in de periode tot uiterlijk 1 maart 2006 bedraagt € 1 883 187,86. In aanvulling op de bijdragen van OCenW en de UvA is voorzien in een investeringsbijdrage van NWO ten behoeve van ICT-ontwikkelingen van minimaal € 113 445,10 en maximaal € 226 890,10. Daarnaast neemt NWO het initiatief tot het ontwikkelingen van een stimuleringsprogramma als omschreven in artikel 11 van het convenant.
Het definitieve businessplan zal een meerjarenbegroting bevatten die sluitend is op de totale beschikbare middelen.
6. Vormgeving van informatie en sturingsrelaties
Gezien de financiële bijdrage van de rijksoverheid aan NL-BIF is het passend dat er zorgvuldig naar de vormgeving van de informatie en sturingsrelaties wordt gekeken. Daarbij valt ook aandacht te besteden aan een goede afstemming met de rol en de positie van de andere betrokkenen, in het bijzonder met de financiers NWO en de UvA.
Mijn uitgangspunten zijn dat de verantwoordelijkheden helder en eenduidig worden belegd, dat NL-BIF rekenschap aflegt over de kwaliteit van inspanningen en prestaties, maar dat zij wel volop de ruimte krijgt om naar eigen visie te werken. Wat NL-BIF binnen die ruimte presteert wordt wel getoetst, maar bijzondere administratieve en organisatorische lasten vallen daarbij zoveel als mogelijk te vermijden.
Heldere en eenduidige belegging van verantwoordelijkheden
• NL-BIF is een privaatrechtelijke rechtspersoon, te weten een stichting. Naast de overwegingen genoemd onder paragraaf 4, is deze vorm vooral ook verkozen om de eigen verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van het kennisknooppunt goed in te vullen.
• De primaire «aansturing» berust bij mijn departement, met dien verstande dat de medefinanciers met regelmaat worden geconsulteerd en als gelijke partners bij nieuwe ontwikkelingen worden betrokken.
• Scheiding van uitvoering en toezicht: In het bestuur van de rechtspersoon worden geen departementale vertegenwoordigers benoemd.
• Het stichtingsbestuur is verantwoordelijk voor het beleidsmatige en financiële beheer en legt daarover verantwoording af aan mijn departement en aan de Universiteit van Amsterdam.
• De verantwoordelijkheid voor de richting van de activiteiten en de inhoudelijke resultaten van die activiteiten berust bij het bestuur van de rechtspersoon. De statuten van de rechtspersoon worden zodanig vormgegeven dat de betrokken instanties voldoende rechten en bevoegdheden hebben om toezicht uit te oefenen op het bestuur en om corrigerende maatregelen te nemen indien dit nodig mocht zijn.
• De verantwoordelijkheid voor het toezicht berust bij de minister van OCenW, met dien verstande dat hij omtrent zijn bevindingen met regelmaat de medefinanciers informeert en consulteert.
NL-BIF heeft de ruimte om naar eigen visie te werken binnen de kaders van bijlage 2 (concept businessplan) van het convenant.
Om te voorkomen dat NL-BIF voor zaken aangaande haar begroting, toezicht en verantwoording met teveel partijen en derhalve uiteenlopende regimes te maken krijgt, zal de door de minister gewoonlijk gehanteerde vormgeving van toepassing zijn.
NL-BIF formuleert in heldere en meetbare termen een strategisch meerjarenplan voor de periode 2002–2006 en voorziet dit jaarlijks van een op vergelijkbare wijze geformuleerd activiteitenplan (jaarwerkplan). Voor de jaarlijkse verantwoording wordt tussen minister en NL-BIF een cyclus voor de financiële en bedrijfseconomische planning & control ingericht en wordt in goed overleg met NL-BIF tevens een beperkte set indicatoren op maat ontwikkeld. Door de indicatoren verschaft NL-BIF informatie over de doelmatigheid en doeltreffendheid van haar activiteiten. Voor 1 maart 2005 worden de uitvoering van het strategisch meerjarenplan en de instellingskarakteristieken door een onafhankelijke partij geëvalueerd (doelmatigheidsonderzoek).
Bij het voorgaande zijn een bestuurlijk, een juridisch en een indicatoreninstrument ondersteunend. De door mij beoogde vormgeving daarvan is als volgt:
Het bestuurlijke instrumentarium
Door de betrokken financiers wordt ten minste twee maal per jaar onderling overleg gevoerd. OCenW voert een maal per jaar een bestuurlijk overleg met het bestuur van het kennisknooppunt.
Ter ondersteuning zal naar bevind van zaken enige malen per jaar technisch en ambtelijk overleg worden gevoerd. Vaste punten van aandacht zijn in elk geval het activiteitenplan, de bedrijfsvoering, alsook de doelmatigheid en doeltreffendheid van de activiteiten.
Het juridische instrumentarium
Aan NL-BIF wordt op grond van de binnenkort in de Staatscourant te publiceren Kaderregeling exploitatiesubsidies onderzoek en wetenschap subsidie verleend. De voorgenoemde kaderregeling geeft een transparante en gestandaardiseerde set toekenningsvoorwaarden en voorwaarden aangaande de verantwoording. De kaderregeling vindt haar grondslag in de Wet overige OCenW-subsidies (WOOS). Conform artikel 11 van de WOOS, zal afdeling 4.2.8. van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zijn.
Financiële en bedrijfseconomische planning & control
De cyclus van planning & control tussen de minister en de rechtspersoon bevat de volgende zes elementen:
1. richtlijnen voor de jaarverslaggeving;
2. onderzoek van een onafhankelijke externe accountant m.b.t. de jaarstukken van de instelling;
3. een verklaring van de externe accountant omtrent getrouwheid én rechtmatigheid van het uit de jaarstukken naar voren komende financiële beeld;
4. een controleprotocol als richtsnoer voor de externe accountant en als aangrijppunt voor de departementale accountantsdienst (AD);
5. de bevoegdheid van de AD om reviews uit te voeren op de werkzaamheden van de voornoemde externe accountant, en
6. de bevoegdheid van de AD om aanvullend onderzoek uit te voeren n.a.v. bevindingen bij de review.
De inhoud van de richtlijnen en het controleprotocol worden afgestemd met de andere financiers van het Kennisknooppunt.
Het toepassen van indicatoren is gericht op een bestuurlijk relevante en vooral ook omvatbare informatievoorziening over de resultaten van de bedrijfsvoering en beleidsuitvoering van NL-BIF. Een van de uitgangspunten is daarom «eenvoud en toespitsing op de kernfunctionaliteit». Ik kies nadrukkelijk voor «de indicator als kapstok voor bestuurlijk gesprek», dus niet voor het formuleren van een uitputtende lijst met technische micro-indicatoren. Een ander belangrijk uitgangspunt is het nastreven van tweezijdigheid en wederzijds goed afgestemde ambitieniveaus: in 2002 worden er met het Kennisknooppunt afspraken gemaakt over de voorlopig te hanteren set indicatoren. In 2003 wordt vervolgens geëvalueerd of de overeengekomen indicatoren het inzicht en de effectiviteit van beleid daadwerkelijk hebben vergroot, en of zij ook daadwerkelijk zijn gebruikt. Op basis van de opgedane ervaringen worden daarna definitieve afspraken gemaakt.
Meervoudige publieke verantwoording
De bij het voornoemde convenant betrokken partijen zijn overeen gekomen dat zij zich zullen inspannen voor het betrekken van derden – waaronder in ieder geval andere departementen, universiteiten, onderzoekinstituten, onderzoekscholen en (semi)private organisaties. Het doel is een zo breed mogelijk draagvlak voor de activiteiten van het Kennisknooppunt te realiseren. In dat verband is het passend dat de overheid de desbetreffende stakeholders ook in een goede positie probeert te brengen voor de verantwoording door NL-BIF. Ik zal met NL-BIF het gesprek aangaan om te bevorderen dat zij hier haar eigen verantwoordelijkheid neemt en overgaat tot bijvoorbeeld het inrichten van een instrument als tevredenheidsonderzoek. Het ligt in de rede dat NL-BIF nader onderzoekt waar de aangrijpingspunten precies liggen. De algemene gedachte is dat er meerdere partijen aanspreekbaar worden en dat horizontale mechanismen van toezicht en verantwoording het tot op zekere hoogte mogelijk maken om de verticale mechanismen (zie hierboven) aan te vullen of te vervangen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28356-1.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.