Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2001-200228351 nr. 3

28 351
Wijziging van enige bepalingen van het Wetboek van Strafvordering en de Wet politieregisters en aanvulling van het Wetboek van Strafrecht met het oog op de uitvoering van de op 29 mei 2000 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Lid-Staten van de Europese Unie

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

Inleiding

De in dit wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering, de Wet politieregisters en van het Wetboek van Strafrecht strekken voor het merendeel tot uitvoering van de op 29 mei 2000 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Lid-Staten van de Europese Unie (Trb. 2000, 96) (voortaan: het EU-rechtshulpverdrag). De goedkeuring van het EU-rechtshulpverdrag wordt bij separaat voorstel van Rijkswet gevraagd voor het gehele Koninkrijk (Kamerstukken II 2001–2002, 28 350 (R1720)).

De wijzigingen in het Wetboek van Strafvordering behelzen de aanpassing van een aantal artikelen van Titel X van Boek IV, Internationale Rechtshulp, en verdere aanvulling van die Titel met nieuwe bepalingen. Met het oog op het verzoeken om rechtshulp, meer in het bijzonder het aftappen van telecommunicatie en het toezenden van gerechtelijke stukken aan personen in het buitenland wordt ook een aantal andere bepalingen van het Wetboek aangevuld. Ten slotte, wordt naast een technische correctie ook een paar wijzigingen in de sfeer van de overdracht van de strafvervolging meegenomen. is De wijziging van artikel 13d van de Wet politieregisters houdt rechtstreeks verband met de in artikel 13 van het EU-rechtshulpverdrag voorziene samenwerking in het kader van gemeenschappelijke onderzoeksteams. De aanvulling van het Wetboek van Strafrecht met artikel 207b is het gevolg van de invoering van het videoverhoor, als bedoeld in artikel 10 van het EU-rechtshulpverdrag.

Over dit wetsvoorstel en het wetsvoorstel tot goedkeuring van het EU-rechtshulpverdrag is advies ingewonnen van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, het College van procureurs-generaal en de Nederlandse Orde van Advocaten. De adviezen 1) zijn overgenomen voor zover deze zien op wijzigingen welke rechtstreeks voortvloeien uit het EU-rechtshulpverdrag. Voor de details daarvan wordt verwezen naar de desbetreffende passages in de toelichting. Aan de suggestie van de NVvR om ook artikel 552p van het Wetboek van Strafvordering ingrijpend te wijzigen, is nu geen gehoor gegeven, omdat dit nadere studie vergt welke in een breder kader zal worden uitgevoerd. Op de door het College van procureurs-generaal gesignaleerde consequenties van de in artikel 552p bedoelde procedure voor de vertrouwelijke behandeling van een rechtshulpverzoek is wel ingegaan in de toelichting bij het wetsvoorstel tot goedkeuring van het EU-rechtshulpverdrag.

Naar aanleiding van de opmerkingen van het College van procureurs-generaal over de toepasselijkheid van artikel 552l, eerste lid, onderdeel c, van het Wetboek van Strafvordering op basis waarvan geen gevolg wordt gegeven aan een rechtshulpverzoek voor zover het is gedaan ten behoeve van een onderzoek naar feiten ter zake waarvan de verdachte in Nederland wordt vervolgd, wordt het volgende opgemerkt. Een vraag over de toepasselijkheid van bedoelde wetsbepaling kan aan de orde komen bij onderzoeken naar (groepen van) personen die in meerdere lidstaten actief zijn, waarbij elk land zijn deel van het onderzoek doet. Het gaat dan echter om een feitencomplex ten aanzien waarvan deelonderzoeken, gericht op dezelfde personen, plaatsvinden. Voor die situatie biedt de praktijk en jurisprudentie al oplossingen, nl. het stellen van voorwaarden aan het gebruik van de verstrekte gegevens zoals ook door het College bepleit. Verder is voor die situatie in het EU-rechtshulpverdrag nu juist de regeling van de gemeenschappelijke teams getroffen. Daarvoor geldt artikel 552l, eerste lid, onderdeel c, eigenlijk al niet omdat er, behalve voor het instellen van het team, niet meer op basis van rechtshulpverzoeken wordt samengewerkt. Om misverstanden te voorkomen is de toepasselijkheid van artikel 552l, eerste lid, onderdeel c, van het Wetboek van Strafvordering in het voorgestelde artikel 552qa van het Wetboek van Strafvordering uitgesloten.

De door het College bepleitte verruiming van artikel 552o, eerste lid, van het Wetboek van Strafvorderingen waardoor alle opsporingsbevoegdheden die in nationale onderzoeken kunnen worden toegepast ook ter uitvoering van een rechtshulpverzoek kunnen worden gebruikt, zal op een misverstand berusten. De werkingssfeer van deze bepaling is reeds in de door het College beoogde zin verruimd bij de Wet van 5 juli 2001, Stb. 335 tot wijziging van de regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken, welke op 1 november 2001 in werking is getreden. Ten slotte, het onderhavige wetsvoorstel voorziet niet in overgangsbepalingen, omdat de voorgestelde bepalingen nauw verbonden zijn met de toepassing van de EU-rechtshulpverdrag. De toepassing ervan komt derhalve pas aan de orde in het kader van de samenwerking, welke op die overeenkomst kan worden gebaseerd. Zoals gebruikelijk bij dit type verdragen zal het EU-rechtshulpverdrag van toepassing zijn op elk rechtshulpverzoek dat na de ingangsdatum van de voorlopige toepassing wordt ingediend. Bij dit systeem zijn overgangsbepalingen, waar de NVvR naar vroeg, niet nodig.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I (wijzigingen in het Wetboek van Strafvordering)

Onderdeel A

Artikel 126m

Alvorens op de inhoud van de wijzigingen in te gaan, wordt opgemerkt dat door de wijziging van dit artikel, in het bijzonder het zesde lid, de term «aftappen» in het Wetboek van Strafvordering wordt geïntroduceerd. Reden daarvoor is dat de in artikel 18 van het EU-rechtshulpverdrag voorziene samenwerking op dit terrein beperkt kan blijven tot het verdubbelen van het signaal van de beoogde telecommunicatie en de rechtstreekse doorgeleiding daarvan naar het buitenland of naar Nederland en er dus geen opname met een technisch hulpmiddel in Nederland gevolgd door een overdracht van die opname plaatsvindt. Ook in andere artikelen van dit wetsvoorstel komt deze term voor.

Het nieuwe vierde en vijfde lid zijn het rechtstreeks gevolg van de in het tweede lid van artikel 20 van het EU-rechtshulpverdrag opgenomen verplichting tot kennisgeving van het voornemen tot aftappen, respectievelijk van het aftappen van telecommunicatie van een persoon die zich op het grondgebied van een andere lidstaat bevindt.

In het vierde lid is bewust gekozen voor de constructie dat eerst het bevel tot aftappen wordt afgegeven, voordat het voornemen tot het aftappen wordt gemeld aan de betrokken staat, omdat aldus verzekerd is dat naar Nederlands recht het aftappen is toegestaan.

Uit het verdrag vloeit voort dat het bevel eerst ten uitvoer kan worden gelegd, nadat de instemming van de betrokken lidstaat, bedoeld in artikel 20, vierde lid, onderdeel a, subonderdeel i, van het EU-rechtshulpverdrag is verkregen. Gelet op deze verdragsverplichting bestaat er geen ruimte aan de suggestie van het College van Procureurs-generaal om de mogelijkheid te creëren om in spoedgevallen eerst achteraf tot melding over te gaan, gevolg te geven.

Het vierde lid is ook relevant voor de toepassing van artikel 18, tweede lid, onderdeel c, van het EU-rechtshulpverdrag voor zover het gaat om een situatie dat Nederland het noodzakelijk acht de telecommunicatie van een persoon die zich in een andere lidstaat (lidstaat A) bevindt af te tappen, maar daartoe niet zelf in staat is en voor dat aftappen de hulp dient in te roepen van een derde lidstaat (lidstaat B). Alsdan geldt voor Nederland de verplichting tot het meedelen van het voornemen van aftappen aan lidstaat A en kan pas het rechtshulpverzoek strekkende tot het aftappen aan lidstaat B worden gericht, nadat de instemming van lidstaat A is verkregen.

Toepassing van het vijfde lid komt uitsluitend aan de orde, indien pas na aanvang van het aftappen blijkt dat de betrokkene zich naar een andere staat heeft begeven. Zoals uit het bepaalde in artikel 20, vierde lid, onderdeel b, subonderdeel i, van het EU-rechtshulpverdrag blijkt, mag na de kennisgeving in elk geval het aftappen worden voortgezet totdat de in kennis gestelde lidstaat een besluit over het aftappen en het gebruik van de gegevens heeft genomen. Aan de beslissing van de in kennis gestelde lidstaat zal gevolg dienen te worden gegeven.

Het zesde lid is opgenomen, omdat in artikel 18, derde lid, onderdeel b, van het EU-rechtshulpverdrag is opgenomen dat bij een verzoek om rechtshulp strekkende tot het aftappen van telecommunicatie in het rechtshulpverzoek dient te worden bevestigd dat in de verzoekende lidstaat een rechtmatig aftapbevel is gegeven.

Onderdeel B

Artikel 126t

Aangezien artikel 126t de pendant is van artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering ligt het voor de hand ook deze bepaling aan te passen. Dit gebeurt echter niet op identieke wijze, omdat het toepassingsbereik van de relevante verdragsbepalingen verschilt. Voor de reden daarvan, waar ook de NVvR naar vroeg, wordt verwezen naar de uitvoerige uiteenzetting ter zake in de memorie van toelichting van het wetsvoorstel tot goedkeuring van de EU-rechtshulpverdrag, meer in het bijzonder artikel 20. De definitie die in het eerste lid van artikel 20 van het EU-rechtshulpverdrag is opgenomen, komt overeen met bevelen, bedoeld in artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering. De aftapbevelen, bedoeld in artikel 126t van het Wetboek van Strafvordering vallen daarbuiten.

Het vierde lid is uitsluitend relevant voor de toepassing van artikel 18, tweede lid, onderdeel c, van het EU-rechtshulpverdrag, voor zover het gaat om een situatie dat Nederland het noodzakelijk acht de telecommunicatie van een persoon die zich in een andere lidstaat (lidstaat A) bevindt af te tappen, maar daartoe niet zelf in staat is en voor dat aftappen de hulp dient in te roepen van een derde lidstaat (lidstaat B). Alsdan geldt voor Nederland de verplichting tot het melden van het voornemen van aftappen aan lidstaat A en kan pas het rechtshulpverzoek strekkende tot het aftappen aan lidstaat B worden gericht nadat de instemming van lidstaat A is verkregen.

Het vijfde lid is opgenomen, omdat in artikel 18, derde lid, van het EU-rechtshulpverdrag is bepaald, dat bij een verzoek om rechtshulp strekkende tot het aftappen van telecommunicatie in het rechtshulpverzoek dient te worden bevestigd dat in de verzoekende lidstaat een rechtmatig aftapbevel is gegeven. Uit het eerste lid van artikel 18 van het EU-rechtshulpverdrag blijkt dat rechtshulpverzoeken ook kunnen worden gedaan ten behoeve van strafrechtelijke onderzoeken in het kader waarvan aftapbevelen als bedoeld in artikel 126t worden gegeven.

Onderdeel C

Artikel 552h

De voorgestelde invoeging is van technische aard en preludeert op de voorgestelde nieuwe paragraaf inzake gemeenschappelijke onderzoeksteams, waarop hierna (onderdeel H) zal worden ingegaan.

Onderdeel D

Artikel 552n

De in het eerste lid artikel 552n voorgestelde invoeging vloeit voort uit artikel 10 van het EU-rechtshulpverdrag. Uit die verdragsbepaling blijkt, dat een actieve rol van de rechterlijke autoriteit in de aangezochte lidstaat wordt verlangd bij de uitvoering van een verhoor van een getuige of deskundige per videoconferentie door of onder leiding van een buitenlandse rechterlijke autoriteit.

Onderdeel E

Artikel 552o

Zoals in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot goedkeuring van het EU-rechtshulpverdrag (paragrafen 1.4, artikel 10, en 2.1, artikel 10) reeds is aangegeven, behoeft de Nederlandse wetgeving geen aanpassing voor de toepassing van artikel 10 van het EU-rechtshulpverdrag, voor zover Nederland verzoekende staat is. Artikel 539a van het Wetboek van Strafvordering is voldoende rechtsbasis.

De voorgestelde wijziging van artikel 552o van het Wetboek van Strafvordering geeft uitvoering aan genoemde verdragsbepaling, voor zover Nederland de aangezochte staat is. Een videoverhoor van een getuige of deskundige wordt afgenomen door een rechterlijke autoriteit van de verzoekende staat. Tegelijkertijd wordt van een rechterlijke autoriteit van de verzoekende lidstaat medewerking verlangd, opdat de getuige of deskundige verschijnt en het videoverhoor op een geordende wijze plaats kan vinden. Uit genoemde verdragsbepaling vloeit ook voort dat de naar Nederlands recht geldende rechten en verplichtingen voor getuigen en deskundigen van toepassing dienen te zijn op een videoverhoor door of onder leiding van een buitenlandse rechterlijke autoriteit.

Tegen die achtergrond bevat het nieuwe tweede lid een op het meewerken aan een videoverhoor toegesneden regeling. De toepasselijk verklaarde artikelen van het Wetboek van Strafvordering behelzen het volgende: het vaststellen van de identiteit van de getuige of deskundige (artikel 190, eerste en vierde lid), het toevoegen van een tolk (artikel 191, eerste en vierde lid), het bevelen van de dagvaarding van getuigen (artikel 210, eerste lid, tweede volzin), de verschijningsplicht (artikel 213), de verplichting tot het verklaren naar waarheid (artikel 215), de verschoningsrechten (artikelen 217 tot en met 219a), de gijzeling van getuigen (de artikelen 221 tot en met 225), het verlenen van de status van bedreigde getuige (artikel 226a, eerste lid), Het vaststellen van de identiteit van een bedreigde getuige (artikel 226c, eerste lid), de maatregelen ter waarborging van anonimiteit (artikel 226f) en het opleggen van geheimhoudingsplicht aan een deskundige (artikel 236). Aan de suggestie van de NVvR om ook de artikelen 214 en 226 van toepassing te verklaren is gevolg gegeven. Daarentegen lijkt artikel 294 van het Wetboek van Strafvordering in dit verband niet relevant. Het door de rechter-commissaris uit te oefenen toezicht opdat er tijdens het videoverhoor geen fundamentele beginselen van het Nederlandse recht worden geschonden, alsmede het opmaken van een proces-verbaal als bedoeld in artikel 10, zesde lid, van het EU-rechtshulpverdrag behoeft geen nadere regeling in de Nederlandse wetgeving.

Onderdeel F

Artikel 552oa

De in deze bepaling voorgestelde wijziging betreft uitsluitend een correctie van een bij een eerdere wetswijziging ontstane verschrijving, die aldus wordt gecorrigeerd.

Onderdeel G

Artikel 552ob

Nederland dient ingevolge artikel 18, eerste lid, van het EU-rechtshulpverdrag aan buitenlandse verzoeken tot het aftappen en rechtstreeks doorgeleiden van de afgetapte telecommunicatie naar de verzoekende autoriteiten te kunnen voldoen.

Het eerste lid strekt ertoe de juridische basis voor het aftappen met het oog op het doorgeleiden te creëren. De officier van justitie kan daartoe een bevel gegeven, met in achtneming van het bepaalde in artikel 126m respectievelijk artikel 126t van het Wetboek van Strafvordering. Dit betekent onder andere dat door de Nederlandse autoriteiten ook de duur van het aftappen kan worden bepaald.

Het tweede lid geeft invulling aan de voorwaarden die door Nederland krachtens het bepaalde in artikel 18, vijfde lid, onderdeel b, worden gesteld aan het gebruik van de rechtstreeks doorgeleide telecommunicatie, welke betrekking heeft op een persoon die zich op Nederlands grondgebied bevindt. Dit is in de eerste plaats (onderdeel a) het niet gebruiken en vernietigen van telecommunicatie die betrekking heeft op communicatie tussen de betrokkene en een geheimhouder. Deze voorwaarde is ontleend aan het bepaalde in artikel 126aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. In de tweede plaats wordt het gebruik beperkt tot het strafrechtelijk onderzoek in het kader waarvan het aftappen geschiedt. De term strafrechtelijk onderzoek dient ruim te worden opgevat, zodat daaronder ook de daaruit voortvloeiende strafvervolging is begrepen. Ander gebruik van de telecommunicatie in het buitenland kan op basis van een daartoe strekkend verzoek worden toegestaan. Alsdan zal bezien moeten worden of indien het verzoek om het aftappen voor dat ander doel zou zijn gedaan aan dat verzoek ook gevolg zou zijn gegeven.

In het derde lid is artikel 126bb van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing verklaard, zodat zodra het belang van het buitenlandse strafrechtelijke onderzoek zich daar niet tegen verzet aan de betrokkene mededeling kan worden gedaan van het feit dat zijn telecommunicatie is afgetapt. Naar aanleiding van hetgeen de NVvR in zijn advies over deze bepaling stelt, merk ik het volgende op. De mededelingsplicht rust ook bij internationale samenwerking, waarbij dus op verzoek van het buitenland is afgetapt, op de Nederlandse autoriteiten. De opvatting dat het ten onrechte achterwege laten van die mededeling uitsluitend een zorg is voor de buitenlandse autoriteiten deel ik voor zover daarbij wordt gedoeld op de consequenties die zulks zou moeten hebben voor het (buitenlandse) strafproces. Een en ander laat echter onverlet dat er een eigen verantwoordelijkheid rust op de Nederlandse autoriteiten. Niet nakoming ervan kan immers ook in Nederland in rechte aan de orde worden gesteld, zij het in een civiele procedure. Tegen deze achtergrond wordt ook opgemerkt dat bij de beoordeling of de mededeling kan worden gedaan door de Nederlandse autoriteiten dient te worden bezien of het belang van het buitenlands onderzoek zich al dan niet verzet tegen de mededeling. Daartoe kan in voorkomend geval ook overleg worden gevoerd met de betrokken buitenlandse autoriteiten. Echter, juist gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten komt het eindoordeel toe aan de Nederlandse autoriteiten.

Artikel 552oc

Zoals in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot goedkeuring van de EU-rechtshulpverdrag (paragraaf 2.1, artikel 20) reeds is aangegeven, wordt het wenselijk geacht om wettelijk vast te leggen op welke wijze een kennisgeving door het buitenland over het voornemen tot het aftappen of over het aftappen van een persoon die zich op Nederlands grondgebied bevindt, dient te worden behandeld.

De kennisgeving uit het buitenland zal worden ontvangen door het bureau SIRENE en doorgeleid naar de officier van justitie van het landelijk parket.

De officier van justitie zal, zoals uit het eerste en tweede lid blijkt, machtiging dienen te vragen aan de rechter-commissaris om te kunnen instemmen met het buitenlandse voornemen tot aftappen of met voortzetting van het aftappen. Inschakeling van de rechter-commissaris in deze gevallen ligt in het verlengde van de rol die de rechter-commissaris bij alle tapbevelen vervult. Van belang is wel dat er snel wordt gehandeld, omdat het verdrag voorziet in een reactieperiode van 96 uren na de kennisgeving.

In het derde lid is vastgelegd dat de rechter-commissaris bij zijn beoordeling het bepaalde in het verdrag en in de artikelen 126m respectievelijk artikel 126t in acht neemt. Dit laatste biedt hem tevens de mogelijkheid om te bepalen dat bij voorbeeld slechts wordt ingestemd met het aftappen gedurende een bepaalde tijd.

Het vierde lid ziet op de situatie dat de rechter-commissaris de machtiging heeft verleend en omschrijft de voorwaarden die de officier van justitie aan de instemming dient te verbinden. Allereerst de voorwaarden die de rechter-commissaris conform artikel 126m of 126t van het Wetboek van Strafvordering aan zijn machtiging heeft verbonden. De in de onderdelen a en b genoemde voorwaarden dienen door de officier van justitie altijd te worden gesteld. Deze komen inhoudelijk overeen met het bepaalde in artikel 552ob, tweede lid.

In het vijfde lid wordt om dezelfde reden als bij het derde lid van artikel 552ob, het bepaalde in artikel 126bb van overeenkomstige toepassing verklaard.

Het zesde en zevende lid beschrijven de consequenties die aan het niet verlenen van de machtiging door de rechter-commissaris zijn verbonden. Zonder machtiging kan niet worden ingestemd en dit dient het buitenland onverwijld te worden meegedeeld. Indien de kennisgeving betrekking had op een reeds lopende tap dient tevens aangegeven te worden welk gebruik van de reeds verkregen gegevens mag worden gemaakt. Uitgangspunt is dat geen enkel gebruik is toegestaan. Echter het is denkbaar dat enig gebruik toch wenselijk is. Gedacht wordt hierbij aan het in het toelichtend rapport genoemde geval dat in de aftappende lidstaat een schadevergoedingsprocedure wordt gevoerd, in het kader waarvan het noodzakelijk wordt geacht de afgetapte gegevens te gebruiken. De regering acht het niet waarschijnlijk dat zich zoiets vaak voor zal doen, maar kan die mogelijkheid niet uitsluiten. Zij gaat ervan uit dat door het betrokken land daartoe een nieuw verzoek zal worden ingediend. Teneinde voor die gevallen een eenvormige beoordeling te bereiken, wordt voorgesteld dat de Minister van Justitie hierop beslist.

Onderdeel H

Zoals in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot goedkeuring van het EU-rechtshulpverdrag (paragraaf 1.4, artikel 13) reeds werd aangegeven, acht de regering het wenselijk in het Wetboek van Strafvordering een expliciete rechtsbasis te creëren voor de Nederlandse participatie in een gemeenschappelijk onderzoeksteam. De daartoe strekkende bepalingen zijn in een aparte afdeling ondergebracht, omdat de samenwerking in het kader van gemeenschappelijke teams niet langer dient te worden aangemerkt als rechtshulpverlening.

Artikel 552qa

In het eerste lid is vastgelegd dat de vorming van een gemeenschappelijk onderzoeksteam gebaseerd dient te zijn op een verdrag. Reden voor deze beperking is, dat er reeds een tussen de betrokken landen vastliggend juridisch kader dient te bestaan, waarin essentiële zaken zijn vastgelegd, alvorens tot concrete invulling kan worden overgegaan. Hierbij wordt vooral gedoeld op de zeggenschap binnen het team, het respect voor het recht van het land waar het team optreedt en het gebruik van de gegevens die het team heeft verzameld. Op zichzelf zou een en ander ook ad hoc kunnen worden overeengekomen, maar de verplichtingen die alsdan zouden ontstaan, zouden alleen gelden voor de direct bij het team betrokken autoriteiten. Een verdragsrechtelijk kader daarentegen bindt de staten en hun organen als geheel.

Tot nu toe bevat naast het EU-rechtshulpverdrag ook de op 18 december 1997 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3. van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen douaneadministraties (Trb. 1998, 174), hierna te noemen: het Napels II-verdrag, in artikel 24 een regeling voor gemeenschappelijke onderzoeksteams. Laatstbedoelde regeling ziet mede op het verrichten van strafrechtelijk onderzoek. Verder bevat artikel 19 van het op 15 november 2000 tot stand gekomen VN-verdrag tegen de transnationale georganiseerde criminaliteit (Trb. 2001, 68) een summiere regeling.

Uit het verdrag vloeit voort dat in het internationale verkeer een rechtshulpverzoek wordt gedaan, houdende het voorstel tot het instellen van een gemeenschappelijk onderzoeksteam. Teneinde helderheid te scheppen, dat het bepaalde in artikel 552l, eerste lid, onderdeel c, van het Wetboek van Strafvordering niet in de weg behoeft te staan aan het inwilligen van een verzoek tot het instellen van een gemeenschappelijk onderzoeksteam nadat reeds in Nederland een strafrechtelijk onderzoek is begonnen, wordt genoemde bepaling buiten toepassing verklaard.

Het tweede lid bevat de verplichting om de instelling van een team schriftelijk overeen te komen. De te maken afspraken behoeven overigens niet beperkt te blijven tot de fase van het strafrechtelijk onderzoek. De regering acht het dienstig en nuttig, dat reeds bij de instelling van het gemeenschappelijke team wat betreft het doel ook aandacht wordt besteedt aan de vervolgingsfase. Daarbij kan bij voorbeeld ook gedacht worden aan principeafspraken over het al dan niet in één lidstaat concentreren van de uiteindelijke strafvervolging. Het openbaar ministerie is voornemens een aanwijzing op te stellen, waarin criteria worden opgenomen voor het beoordelen van de wenselijkheid van participatie in een gemeenschappelijk onderzoeksteam maar ook voor de plaats van vestiging van het team alsmede voor de verplaatsing ervan, zoals de NOvA bepleit, en een lijst van praktische punten die bij het instellen van elk gemeenschappelijk onderzoeksteam, waarin Nederland participeert, aan de orde dienen te komen. Bij dat laatste valt onder meer te denken aan het beschikbaar stellen van middelen en menskracht. Naar aanleiding van de opmerkingen van de NVvR inzake de rol en de status van de schriftelijke overeenkomst merken wij op dat de schriftelijke overeenkomst ertoe strekt de interne en externe transparantie te bevorderen. Intern door de afspraken tussen de deelnemende lidstaten helder vast te leggen en extern doordat de overeenkomst in het strafdossier wordt gevoegd en aldus inzicht biedt in de wijze waarop het strafrechtelijke onderzoek is uitgevoerd.

Het derde lid bevat een opsomming van de elementen die in elke overeenkomst tot instelling van een gemeenschappelijk onderzoeksteam dienen te worden opgenomen. Daarin is naar aanleiding van de zeer nuttige suggestie van de NOvA inzake de beschikbaarheid van gedetacheerde leden van het onderzoeksteam als getuige voor het latere onderzoek ter terechtzitting een verschijningsplicht opgenomen zowel voor de fase van het gerechtelijke onderzoek als het onderzoek ter terechtzitting. De eveneens door de NOvA voorgestelde expliciete referte aan de verbaliseringsplicht, bedoeld in artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering, wordt daarentegen overbodig geacht, omdat deze bepaling al onverkort van toepassing is. Immers, uit onderdeel b van het derde lid van artikel 13 van het EU-rechtshulpverdrag blijkt, dat een gemeenschappelijk onderzoeksteam optreedt in overeenstemming met het recht van de lidstaat waar het team actief is.

Artikel 552qb

Gaat het in artikel 552qa om de instelling van het team, artikel 552qb ziet op de uitoefening van opsporingsbevoegdheden in Nederland ten behoeve van het team. De ruime formulering «uitoefening van opsporingsbevoegdheden (....) ten behoeve van het onderzoek van het gemeenschappelijke onderzoeksteam» omvat zowel de door Nederlandse als door buitenlandse ambtenaren te verrichten opsporingshandelingen.

Zoals in paragraaf 2.1 (artikel 13, zesde lid), reeds is vermeld, is de regering van oordeel dat in Nederland geen opsporingsbevoegdheid toekomt aan buitenlandse ambtenaren anders dan voorzien bij of krachtens het Wetboek van Strafvordering, Bij de verwijzing naar verdragen, dient gedacht te worden aan de artikelen 40 en 41 van de Uitvoeringsovereenkomst van Schengen, waarin de grensoverschrijdende achtervolging en observatie zijn geregeld en aan soortgelijke regelingen in het Napels II-verdrag.

Artikel 552qc

Dit artikel is niet ontleend aan artikel 13 van het EU-rechtshulpverdrag maar aan artikel 552gg, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Een door het gemeenschappelijk onderzoeksteam verricht onderzoek kan leiden tot een strafvervolging in Nederland, terwijl onderdelen van het bewijs in het buitenland zijn verzameld door ambtenaren van de andere lidstaten die bij het team betrokken zijn. Doel van het onderhavige artikel is, dat de Nederlandse rechter het bepaalde in artikel 344, tweede lid, ook kan toepassen met betrekking tot een proces-verbaal dat door een buitenlandse opsporingsambtenaar is opgemaakt. De door de NVvR uitgesproken vrees dat deze bepaling tot diepgravende studie van het buitenlandse bewijsrecht aanleiding kan geven, wordt niet door de ervaring met genoemd artikel 344, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gestaafd. Voor het geval er sprake zou zijn van onduidelijkheid kan in voorkomend geval ook na ontbinding van het team langs rechtstreekse weg opheldering worden gevraagd aan de bij het team betrokken autoriteiten van het land van herkomst van de documenten.

Artikel 552qd

De uitoefening van opsporingsbevoegdheden ten behoeve van een gemeenschappelijk onderzoeksteam wordt niet meer gebaseerd op rechtshulpverzoeken, maar op het nationale recht van de lidstaat waar de bevoegdheden worden uitgeoefend. De achterliggende gedachte is dat het onderzoek van een gemeenschappelijk onderzoeksteam in feite een concentratie van nationale onderzoeken inhoudt.

Voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden die slechts door of met machtiging van de justitiële autoriteiten kunnen worden uitgeoefend, geldt het volgende. De (gedetacheerde) leden van het team wenden zich wenden tot de bij het gemeenschappelijk onderzoeksteam betrokken officier van justitie van hun eigen land en verzoeken hem de gevraagde onderzoekshandeling te verrichten. Zij doen dit op dezelfde wijze als bij een puur nationaal onderzoek. De toetsing of daaraan gevolg kan worden gegeven geschiedt evenzeer op dezelfde wijze als in een nationaal onderzoek.

Voor gemeenschappelijke onderzoeksteams die in Nederland zijn gevestigd, behoeft de verstrekking van de aldus gekregen gegevens geen nadere uitvoeringsregeling. Hetzelfde geldt voor een groot deel van de gegevens die voor een in het buitenland gevestigd onderzoeksteam zijn bestemd. Echter betreft het de verstrekking van gegevens verkregen door toepassing van bepaalde opsporingsbevoegdheden, waartegen verdachten en en/of belanghebbende een rechtsmiddel ten dienste staat, dan behoeft die verstrekking aan het in het buitenland gevestigde team wel nadere regeling. Immers verstrekking aan het buitenland van deze gegevens dient niet te gescheiden zonder dat de belanghebbenden in de gelegenheid zijn geweest van de hen ten dienste staande rechtsmiddelen gebruik te maken. Dit moge mede dienen als antwoord op de door de NVvR gestelde vraag, waarom niet een regeling voor alle in artikel 13 van het EU-rechtshulpverdrag bedoelde gegevens is getroffen. In de eerste plaats betreft het gebruik door het gemeenschappelijk team van in Nederland inbeslaggenomen stukken van overtuiging en gegevensdragers en in de tweede plaats het aftappen van telecommunicatie, waarover hierna onder artikel 552qe meer.

Ten aanzien van deze voorwerpen geldt dat een snelle terbeschikkingstelling aan het onderzoeksteam van groot belang is. Het enkele feit dat het onderzoeksteam in het buitenland is gevestigd, dient daaraan niet in de weg te staan. Het gebruik in het buitenland kan beperkt blijven tot de fase van het onderzoek zelf, maar, indien dat onderzoek leidt tot een strafvervolging in een van de andere betrokken lidstaten kan het ook het gebruik als bewijsmateriaal tijdens het onderzoek ter terechtzitting inhouden. Tegelijkertijd wordt onderkend, dat de rechtsmiddelen die het Nederlands recht aan de verdachte en andere belanghebbenden toekent, door die ter beschikkingstelling aan een in het buitenland gevestigd gemeenschappelijk onderzoeksteam, niet terzijde kunnen worden geschoven.

In een nationaal onderzoek staan inbeslaggenomen voorwerpen meteen ter beschikking van het onderzoeksteam. De verdachte of belanghebbenden kunnen tegen het beslag of tegen het gebruik van de voorwerpen bezwaar maken en de uitkomst van de daarop volgende procedure is bepalend voor het voortduren van het beslag respectievelijk het gebruik. Tegen deze achtergrond wordt in het eerste lid voorgesteld, dat de voorwerpen en gegevensdragers onmiddellijk ter beschikking kunnen worden gesteld van het gemeenschappelijk team dat in het buitenland is gevestigd. Echter die terbeschikkingstelling heeft een voorlopig karakter.

Uit het tweede lid blijkt, dat aan de voorlopige terbeschikkingstelling voorwaarden dienen te worden verbonden. In de eerste plaats is bepaald dat het Nederlands recht onverkort blijft gelden ten aanzien van de ter beschikking gestelde stukken van overtuiging en gegevensdragers. Dit verzekert, dat indien de verdachte of andere belanghebbenden hun klachtrecht ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen in Nederland uitoefenen, de daaraan naar Nederlands recht verbonden rechtsgevolgen onverkort intreden en dat het onderzoeksteam daaraan gebonden is. Verder is het gebruik als bewijsmateriaal in het buitenland uitgesloten. De reden daarvoor is, dat aldus is verzekerd dat het gebruik beperkt blijft tot de onderzoeksfase.

Nadat het gemeenschappelijk onderzoeksteam zijn onderzoek heeft afgerond en de vervolgingsbeslissingen zijn genomen, is ook duidelijk waar de strafvervolging zal plaatsvinden. Indien de strafvervolging in Nederland zal plaatsvinden zullen het dossier en de beslaggenomen voorwerpen naar Nederland worden overgebracht. Daarmee eindigt de voorlopige terbeschikkingstelling. Echter, indien de strafvervolging in een van de andere bij het team betrokken lidstaten zal plaatsvinden, dient in Nederland een definitieve beslissing over de in Nederland inbeslaggenomen voorwerpen te worden genomen. Daartoe is het derde lid opgenomen dat voorziet in een procedure voor de definitieve ter beschikkingstelling aan het buitenland. Het betreft het verlenen van een verlof door de rechtbank, zoals dit al gebruikelijk is voor stukken van overtuiging en gegevensdragers die ter uitvoering van een rechtshulpverzoek in beslag genomen werden dan wel anderszins zijn vergaard.

Artikel 552qe

Zoals in artikel 552qd een speciale regeling is getroffen voor het gebruik van de stukken van overtuiging en gegevensdragers door een gemeenschappelijk team, gevestigd in het buitenland, wordt het ook van belang geacht om het aftappen van telecommunicatie ten behoeve van een in het buitenland gevestigd gemeenschappelijk onderzoeksteam apart te regelen.

Het ligt voor de hand de met het onderhavige verdrag gecreëerde mogelijkheid van het aftappen van telecommunicatie met het oog op rechtstreekse doorgeleiding daarvan ook mogelijk te maken voor gemeenschappelijke onderzoeksteams waarin Nederland participeert en die in een andere lidstaat zijn gevestigd. Ook voor gemeenschappelijke onderzoeksteams geldt immers, dat het snel beschikbaar komen van de afgetapte telecommunicatie het onderzoek bevordert.

Het eerste lid bevat derhalve bevoegdheid voor de officier van justitie om ten behoeve van een buiten Nederland gevestigd gemeenschappelijk onderzoeksteam te bevelen de telecommunicatie af te tappen met het oog op de rechtstreekse doorgeleiding naar het onderzoeksteam. Er wordt daarbij vanuit gegaan dat – gelet op de participatie van Nederland in het onderzoeksteam en de mogelijkheid dat de aldus verkregen gegevens in een Nederlands proces als bewijs zullen worden gebruikt, de doorgeleide telecommunicatie door het onderzoeksteam wordt opgenomen met een technisch hulpmiddel.

De voorwaarden die in gevolge het tweede lid vervolgens aan het gebruik in het buitenland worden gesteld zien uitsluitend op telecommunicatie van een persoon die zich op het Nederlandse grondgebied bevindt. De te stellen voorwaarden komen overeen met die welke in het kader van de rechtshulp op basis van het voorgestelde artikel 552ob van het Wetboek van Strafvordering worden gesteld.

Onderdeel I

In het eerste lid van artikel 6 van het EU-rechtshulpverdrag is bepaald, dat overdracht van strafvervolging rechtstreeks tussen de rechterlijke autoriteiten wordt gedaan.

Overdracht en overname van strafvervolging vindt echter ook plaats op basis van andere verdragen, die voorzien in toezending aan de Minister van Justitie en daarnaast ook zonder verdragsbasis kan geschieden. Derhalve is ervoor gekozen een aparte voorziening te treffen voor de overdracht en overname van strafvervolging door de officier van justitie. Met het oog op de inzichtelijkheid is de indeling van de derde afdeling van Titel X van het Wetboek van Strafvordering ook daaraan aangepast.

De nieuwe titel van paragraaf 1 van de derde afdeling is bedoeld ter onderscheiding van de nieuwe paragraaf 1a inzake de overdracht van strafvervolging door de officier van justitie.

Onderdeel J

Artikel 552t

De wijziging van het tweede lid van artikel 552t vloeit niet voort uit het EU-rechtshulpverdrag, maar wordt voorgesteld omdat de met deze bepaling opgedane ervaring daartoe aanleiding geeft.

Het huidige tweede lid van artikel 552t bevat de verplichting om in het geval een gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld of indien voorlopige hechtenis is toegepast aan de verdachte een kennisgeving overdracht van strafvervolging te betekenen. Bij de invoering in 1985 van de derde afdeling van Titel X van het Wetboek van Strafvordering, bij de wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvervolging met het oog op overdracht van strafvervolging door en aan Nederland, alsmede uitvoering van de desbetreffende Europese en Beneluxverdragen, wijzing van de Uitleveringswet en uitvoering van het Europees verdrag tot bestrijding van terrorisme van 6 maart 1985, Stb. 131, werd het tweede lid door middel van een amendement in artikel 552t opgenomen, teneinde te verzekeren dat de verdachte door middel van een kennisgeving van het voorstel tot overdracht van strafvervolging daarvan op de hoogte zou geraken en desgewenst daartegen bezwaar kan maken door middel van een beklag bij het gerechtshof als bedoeld in het vierde lid.

Bij gelegenheid van de wet houdende enkele wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten, in het bijzonder bepalingen houdende termijnen van 27 november 1991, Stb. 663 werd door middel van de laatste volzin het betekeningsvoorschrift aan het tweede lid toegevoegd. Het tweede lid geldt in het algemeen. Dat leidt ertoe dat indien er geen adres van de verdachte bekend is, betekening van de kennisgeving onmogelijk is en er dus geen overdracht kan plaatsvinden, terwijl een vervolging in Nederland om dezelfde reden niet mogelijk is. In de praktijk blijken zich gevallen voor te doen waarin wel bekend is dat de verdachte zich naar een bepaald land heeft begeven, meestal zijn land van herkomst, maar dat er geen adres bekend is. Zeker wanneer het dan ook nog gaat om feiten van ernstiger aard, zou het wenselijk zijn de zaak desondanks te kunnen overdragen aan de autoriteiten van het land waar verdachte naar zou zijn vertrokken. De buitenlandse autoriteiten kunnen dan eerst bezien of zij de zaak inhoudelijk van dien aard vinden dat deze voor een overname in aanmerking komt en indien de beslissing positief is alle hun ten dienste staande middelen gebruiken betrokkene in eigen land op te sporen.

Tegen deze achtergrond wordt voorgesteld het voorschrift van de kennisgeving te beperken tot verdachten die zich in Nederland bevinden of die een bekende woon- of verblijfplaats in het buitenland hebben.

Met het oog op dit voorstel is nagegaan in hoeveel gevallen van het beklagrecht gebruik wordt gemaakt. Het aantal overdrachten van strafvervolging bedraagt gemiddeld een paar honderd zaken per jaar. Hoeveel daarvan vallen binnen de categorie van artikel 552t, tweede lid, valt niet goed na te gaan. Wel is bekend dat in de afgelopen vijf jaren in slechts twee zaken door de verdachte bezwaar is gemaakt tegen de voorgenomen overdracht. Het gerechtshof heeft in beide zaken het beklag afgewezen.

De wetswijziging laat onverlet dat er in de praktijk aandacht aan dient te worden besteed dat met name bij verdachten die uit het buitenland afkomstig zijn bij hun aanhouding gevraagd wordt een adres op te geven waar een eventuele kennisgeving kan worden uitgereikt. Ontvangt de officier van justitie desondanks bericht uit het buitenland dat de uitreiking niet aan het opgegeven adres heeft kunnen plaatsvinden dan houdt hij deze aantekening in het dossier en kan de overdracht desondanks plaatsvinden.

Onderdeel K

Artikel 552u

Bij de bestudering van de voorgestelde wijziging van artikel 552t kwam ook aan het licht dat artikel 552u, tweede lid, een doublure inhoudt van het tweede lid van artikel 552t. Een goede reden, waarom aan een zich in Nederland bevindende verdachte zowel een kennisgeving als bedoeld in artikel 552t, tweede lid, moet worden betekend en vervolgens ook nog een kennisgeving door de Minister van Justitie moet worden gezonden, bestaat er eigenlijk niet. Deze doublure bestaat reeds sinds de invoering van beide bepalingen en is naar het oordeel van de regering te wijten aan de niet altijd even overzichtelijke discussie die tijdens de behandeling van de wet van 6 maart 1985, Stb. 131 over het recht van bezwaar voor de verdachte werd gevoerd. In het wetsvoorstel zoals ingediend kwam geen enkele kennisgeving aan de verdachte voor. Bij nota van wijziging heeft de regering het tweede lid van artikel 552u aangevuld met de kennisgeving aan de verdachte die zich in Nederland bevindt. Dat gebeurde als tegemoetkoming aan in de Tweede Kamer levende wensen om aan de verdachte een recht van bezwaar tegen een overdracht van strafvervolging toe te kennen (Kamerstukken II 1981/82, 15 791 (R 1133) enz., nr. 10, blz.14–19 en Kamerstukken II 1981/82, 15 972, nr. 6). Vervolgens werd na herhaalde schriftelijke gedachtewisseling over deze kwestie door de regering het tweede lid van artikel 552t voorgesteld (Kamerstukken II 1983/84, 15 971 (R1133) en 15 972, nr. 14, blz. 6–13 en Kamerstukken II 1983/84, 15 972, nr. 7). Ten slotte werd tijdens de openbare behandeling in de Tweede Kamer door middel van het amendement Patijn het vijfde lid van artikel 552t voorgesteld (Kamerstukken II 1983/84, 15 972, nr. 11) ingediend, hetgeen ook werd aangenomen. Toentertijd is niet onderkend dat kennisgeving door de officier van justitie een tweede kennisgeving van de Minister van Justitie overbodig maakt. De regering is van oordeel dat temeer nu, zoals in onderdeel J is aangegeven sedert 1991 expliciet is voorgeschreven dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 552t, tweede lid, dient te worden betekend, de geschetste doublure kan worden opgeheven. Zij stelt dan ook voor om het tweede lid van artikel 552u te schrappen.

Onderdeel L

De nieuwe paragraaf 1a, die de overdracht van strafvervolging door de officier van justitie regelt, bevat één artikel.

Artikel 552wa

De overdracht van een strafvervolging dient met dezelfde waarborgen te zijn omgeven als een overdracht door de Minister van Justitie, reden waarom in deze bepaling het criterium van de goede rechtsbedeling expliciet is vermeld en de overige daarvoor relevante bepalingen uit paragraaf 1 van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.

Onderdeel M

De nieuwe titel van paragraaf 2 van de derde afdeling strekt ter onderscheiding van de nieuwe paragraaf 2a inzake de overname van strafvervolging door de officier van justitie.

Onderdeel N

Artikel 552x

De voorgestelde wijziging strekt ertoe rekening te houden met de mogelijkheid van rechtstreekse toezending van verzoeken tot overname van strafvervolging door buitenlandse autoriteiten aan een officier van justitie. In onderdeel O (artikel 552ii, tweede lid) van dit wetsvoorstel is de pendant van deze bepaling opgenomen.

Onderdeel O

De nieuwe paragraaf 2a, die de overname van strafvervolging door de officier van justitie regelt, bevat één artikel.

Artikel 552ii

De overname van een strafvervolging dient met dezelfde waarborgen te zijn omgeven als een overname door de Minister van Justitie, reden waarom in het eerste lid de daarvoor relevante bepalingen uit paragraaf 2 van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.

Het tweede lid strekt ertoe de doorzending van verzoeken tot overname die rechtstreeks aan een officier van justitie mogen worden toegezonden maar onjuist zijn geadresseerd, te regelen. Voor de verzoeken welke niet rechtstreeks mogen worden toegezonden, blijft het bepaalde in artikel 552x van het Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd als voorgesteld in onderdeel N, gelden.

Onderdeel P

Artikel 588

De wijziging van het tweede lid is het rechtstreeks gevolg van het sterk verplichtende karakter van artikel 5 van het EU-rechtshulpverdrag om gerechtelijke stukken per post toe te zenden.

Uit het gewijzigde tweede lid blijkt in de eerste plaats dat bij de uitreiking van gerechtelijke mededelingen aan personen in het buitenland ook rekening dient te worden gehouden met het bepaalde in het toepasselijk verdrag. Uit het EU-rechtshulpverdrag blijkt bij voorbeeld dat uitreiking door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteiten alleen mogelijk is in de gevallen waarin een betekening vereist is, maar ook dat bij gerechtelijke mededelingen bepaalde informatie dient te worden verstrekt. Uit het rechtshulpverdrag van de Raad van Europa en bilaterale rechtshulpverdragen, blijkt dat voor uitreiking door tussenkomst van de bevoegde autoriteiten bepaalde termijnen in acht dienen te worden genomen.

In de tweede plaats is besloten om bij deze gelegenheid ook de verplichting tot vertaling van gerechtelijke stukken die bestemd zijn voor een geadresseerde in het buitenland in zijn algemeenheid in de wet vast te leggen. Wat betreft de dagvaarding is, wegens het bijzondere belang van deze mededeling, voorgeschreven dat deze integraal worden vertaald, ten aanzien van de overige mededelingen kan worden volstaan met vertaling van de essentiële onderdelen. Mede naar aanleiding van een opmerking van de NVvR ter zake wordt hier nog het volgende opgemerkt. Doe van de vertaling is uiteraard dat betrokkene van de inhoud van het stuk gemakkelijk kennis kan nemen. In het geval nu een gerechtelijk stuk bestemd is voor een Nederlander die in het buitenland woont en van wie bekend is dat hij het Nederlands beheerst, ligt het derhalve voor de hand dat het stuk niet in de taal van het land van verblijf behoeft te worden vertaald.

Artikel II (wijziging in het Wetboek van Strafrecht)

Artikel 207b

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot goedkeuring van het EU-rechtshulpverdrag (paragraaf 2.1, artikel 10, achtste lid) is aangegeven, dat de verplichting bestaat om de nationale bepalingen inzake meineed ook van toepassing te laten zijn op een getuige die tijdens een videoverhoor tegenover een buitenlandse autoriteit niet in overeenstemming met de waarheid verklaart. Artikel 207b strekt daartoe. De tekst is grotendeels ontleend aan het reeds bestaande artikel 207a. Er is van afgezien om hierbij ook rekening te houden met de mogelijkheid van het afleggen van een valse verklaring door een gemachtigde, omdat niet wordt voorzien dat bij een videoverhoor sprake zal zijn van het afleggen van een verklaring door een gemachtigde.

Artikel 164 van het Wetboek van Strafvordering voorziet weliswaar in de mogelijkheid om een klacht mondeling in te dienen, maar uit het bepaalde in artikel 165 volgt dat de rechter-commissaris niet bevoegd is een dergelijke klacht in ontvangst te nemen. Het ligt wel voor de hand dat de buitenlandse rechter nog tijdens het videoverhoor door de rechter-commissaris die in Nederland toezicht houdt op het verhoor wordt voorgelicht de indiening van een klacht. De rechter-commissaris kan de buitenlandse rechter adviseren over de gewenste mate van detaillering van de klacht, waaronder het uitdrukkelijke verzoek een vervolging in te stellen en over de wijze van indiening ervan, inclusief het adres van de officier van justitie in het arrondissement waar het videoverhoor plaatsvond. In deze gevallen ligt een schriftelijke klacht ook meer voor de hand, omdat het met het oog op een succesvolle strafvervolging noodzakelijk zal zijn, dat de buitenlandse rechter gemotiveerd aangeeft hoe hij tot een verdenking ter zake van meineed is gekomen. De weg van de overdracht van strafvervolging is in deze minder aangewezen, omdat de horende rechterlijke autoriteiten in het algemeen niet zullen zijn aangewezen als bevoegde autoriteit voor het doen van een verzoek tot overname van de strafvervolging, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EU-rechtshulpverdrag.

Artikel III (wijziging in de Wet politieregisters)

Het bepaalde in het tiende lid van artikel 13 van het EU-rechtshulpverdrag noodzaakt tot aanpassing van artikel 13d van de Wet politieregisters aan te passen. De voorgestelde wijziging van artikel 13d van de Wet politieregisters ziet uitsluitend op gemeenschappelijke teams die in Nederland zijn gevestigd. Indien een team in het buitenland is gevestigd zullen de aldaar geldende regels voor registratie van toepassing zijn.

Artikel IV (inwerkingtreding)

Ingevolge dit artikel treedt de wet in werking op een koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Voor deze vorm is gekozen, omdat dit een goede afstemming met de binding van het Koninkrijk aan de EU-rechtshulpverdrag waarborgt.

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals